- Art Gallery -

 

.

Oorspronkelijke voorkant.
[Inhoud]

Woordenboek
der
Grieksche en Romeinsche Oudheid.

[Inhoud]

Oorspronkelijke titelpagina.
Woordenboek der Grieksche en Romeinsche Oudheid
Door Dr. J. G. Schlimmer en Dr. Z. C. de Boer.
Tweede Druk
Herzien door
Dr. Z. C. de Boer en Dr. C. G. Th. W. Koch.
Derde Druk
Herzien door
Dr. C. G. Th. W. Koch,
Conrector van het gymnasium te Tiel.
Met houtgravures tusschen den tekst.
Haarlem,
De Erven F. Bohn.
1920.

[V]

[Inhoud]

Voorbericht voor den eersten druk.

In den zomer van het jaar 1887 wendden De Erven F. Bohn zich tot mij met de vraag, of ik de bewerking op mij wilde nemen van een nieuw zoogenaamd klassisch woordenboek, meer in het bijzonder bestemd voor leerlingen aan de nederlandsche gymnasiën, van minderen omvang en lageren prijs dan het bekende werk van Lübker en ook dan de nederlandsche bewerking daarvan door wijlen Mr. J. D. van Hoëvell, omstreeks 30 jaar geleden bij den heer Braat te Dordrecht verschenen. Alleen durfde ik echter deze taak niet op mij te nemen en ik verzekerde mij dus van de hulp van mijn ambtgenoot Dr. Z. C. de Boer, die zich bereid verklaarde den arbeid met mij te deelen.

J. G. Schlimmer.

Waaraan dit woordenboek zijn ontstaan verschuldigd is, is in bovenstaande regelen medegedeeld. Er blijft nog over, rekenschap te geven van de bewerking. Het boek was in de eerste plaats bestemd voor de gymnasiën, doch het belang van de uitgevers bracht mede, dat het debiet niet uitsluitend daartoe wordt beperkt, maar dat het boek ook geschikt zou wezen voor beoefenaars der klassieke letterkunde en der oude geschiedenis, ook buiten het gymnasiaal onderwijs staande. Met het oog op het hoofddoel kwam het ons voor, dat wij zooveel mogelijk lange monografieën moesten vermijden en wel in het oog moesten houden, met welk doel een gymnasiast een artikel zou opslaan. Wanneer hij b.v. den naam van een land opzocht—zoo meenden wij—dan zou dit niet wezen om er eene uitvoerige aardrijkskundige beschrijving in te vinden, met opgaaf van bergen, rivieren, steden, enz. Toen eenmaal het plan van bewerking was vastgesteld, moest de arbeid worden verdeeld. De eerste ondergeteekende nam datgene voor zijne rekening, wat tot Italië behoorde of zich daarbij aansloot, om het zoo eens uit te drukken, het rom. gedeelte, benevens de geheele geografie der oude wereld, terwijl de tweede ondergeteekende zich met het grieksche gedeelte en de geheele mythologie en godenleer belastte. De lijst der op te nemen artikels werd telkens door ons gemeenschappelijk opgemaakt en daarbij werd met zorg overwogen, of naar onze meening te verwachten was, dat de leerling dit of dat woord in ons woordenboek zou opzoeken. Wij meenden verder, ons te moeten beperken tot het gebied der oude geschiedenis en niet op dat der middeleeuwen te moeten treden.

Een ander punt van ernstige overweging was de spelling der grieksche namen, wanneer zij met latijnsche letter worden geschreven. Al ras bleek het, dat een dubbel stelsel—n.l. voor latijnsche en grieksche woorden afzonderlijk—met het oog op de alphabetische volgorde niet houdbaar was, al ware het alleen reeds hierom, dat de volgorde van het alphabet in beide talen niet dezelfde is. Het gevolg zou slechts verwarring en last voor de gebruikers zijn geweest. Zoo kwamen wij tot het besluit, in alles de latijnsche spelling te volgen. Nu was het echter consequent, ook [VI]de latijnsche volgorde der letters in acht te nemen. Dientengevolge1 staan ook de woorden, die met grieksche letters geschreven zijn, dáár waar zij naar het latijnsche alphabet behooren te staan. Zoo staat b.v. Αὐτονομία tusschen Autonoë en Autonoüs, Εὔκλεια tusschen Euïus en Eulaeus, doch nu moest, om geen verwarring te stichten, overal de υ op ééne lijn gesteld worden met u, ten minste in de grieksche woorden, die geen eigennamen zijn en daarom in grieksche letters zijn gespeld. Zoo staat b.v. συμμορίαι na Summanus en niet na Symmachus. Woorden, die met een geaspireerden klinker beginnen, vindt men onder H. Een ander gevolg van deze regeling is geweest, dat wij zooveel mogelijk de latijnsche uitgangen hebben verkozen en men b.v. niet Delos moet opzoeken, maar Delus. Moge ook deze of gene hiertegen bezwaren koesteren, het gemak der gebruikers stond op den voorgrond.

Thans nog enkele opmerkingen2. De romeinsche wetten, voorzoover zij zijn opgenomen, staan niet vermeld onder een algemeen artikel lex, maar naar haren naam. Zoo moet b.v. eene lex Aemilia onder Aemilia (lex) gezocht worden. De romeinsche familiën staan, althans wat den tijd der republiek betreft, zooveel mogelijk naar gentes gerangschikt. Voor den keizertijd was dit om zeer begrijpelijke redenen niet vol te houden. De keizers vindt men geboekt onder den naam, waaronder zij in de geschiedenis gewoonlijk voorkomen. Niet alle eigennamen, welke bij oude schrijvers voorkomen, worden in dit woordenboek aangetroffen. Namen, die slechts op eene enkele plaats voorkomen en waarvan niets anders te vermelden was dan wat op die plaats wordt gevonden, hebben wij in den regel als onnutten ballast beschouwd, tenzij vermelding noodig scheen om verwarring met anderen te voorkomen. Wat het geografische gedeelte aangaat, hebben wij ons tot het, in ons oog, noodzakelijke beperkt. Wie b.v. Sequana opzoekt, dien zal het wel voldoende zijn, te weten dat dit de Seine is, en hij zal niet vragen, waar deze ontspringt en welke rivieren zij opneemt. Als men vindt, dat Abnoba mons het tegenwoordig Schwarzwald, of dat Baetis de oude naam is van den Guadalquivir, dan zal zulks voor den gebruiker van dit woordenboek wel voldoende wezen. Bij de stedennamen is er naar gestreefd, zoodanige aanwijzing te geven, dat het opzoeken op de kaart gemakkelijk werd gemaakt. Ook moest er eenige rekening worden gehouden met hetgeen op de gymnasia al of niet gelezen wordt, en zoo wij b.v. Pausanias en Plinius veronachtzaamd hebben, dan zal men ons toch moeten toestemmen, dat hieraan weinig is gelegen, daar men bij het lezen van zulke schrijvers vanzelf weet in welken hoek der wereld men zich bevindt. Nu en dan is naast den ouden ook de tegenwoordige naam vermeld, wanneer b.v. deze laatste een algemeen bekende naam is of waar de naam van een volk nog voortleeft in dien van hunne vroegere hoofdstad.

En hiermede—habeat sua fata libellus.

Tiel, Juni 1890.

J. G. S.

Z. C. de B.

[Inhoud]

Voorbericht voor den tweeden druk.

Hoewel wij in deze tweede uitgave, waarbij de tweede ondergeteekende dat deel voor zijne rekening heeft genomen, dat in den eersten druk door den heer Schlimmer [VII]is bewerkt, zooveel mogelijk getrouw zijn gebleven aan het hierboven uiteengezette werkplan, konden toch de resultaten van het wetenschappelijk werk van twintig jaren niet zonder invloed blijven op de behandeling van verscheiden artikelen. Gewijzigde opvattingen omtrent oude geschiedenis, rom. eeredienst, antiquiteiten, enz. moesten, voor zoover zij door ons gedeeld werden, ook hier uitdrukking vinden, zoude het boek op de hoogte van zijn tijd blijven, en ook onder de meeningen, die wij niet als met zekerheid juist durfden aannemen, waren er niet weinige die ons in ieder geval vermelding waard schenen. Bovendien is het geografisch gedeelte in vele gevallen uitgebreid door uitvoeriger aanwijzingen, om het zoeken op de kaart gemakkelijker te maken, en met hetzelfde doel is een aantal minder bekende plaatsen opgenomen, die in de eerste uitgave niet vermeld waren.

Andere wijzigingen dienen tot het verbeteren van onjuistheden, bij het gebruik opgemerkt, of danken hun ontstaan aan opmerkingen van anderen, die wij ons dankbaar hebben trachten ten nutte te maken. Zoo is het art. acies, dat in den eersten druk weggelaten was, nu wèl opgenomen, de leges agrariae tot één art. vereenigd, enz. Het een en ander, waarbij nog komt de toevoeging van een aantal nieuwe afbeeldingen, heeft de uitbreiding van het werk met een viertal vellen druks ten gevolge gehad.

Lange klinkers zijn alleen in de voorlaatste lettergreep van meer- dan tweelettergrepige woorden van een teeken voorzien, korte op enkele bizondere gevallen na in het geheel niet; dit scheen ons voldoende om de juiste uitspraak, vooral van eigennamen, aan te geven.

Wat hierboven over het volgen van de latijnsche spelling gezegd is, bracht onzes inziens mede dat geen trema geplaatst werd op een klinker, die met den voorgaanden klinker in het Latijn geen tweeklank kan vormen, dus niet meer Nausicaä, Antinoüs e. dgl. Eu moet in grieksche eigennamen als een tweeklank gelezen worden, behalve natuurlijk wanneer het tegendeel blijkt, in latijnsche woorden niet; zoo zijn bijv. Erechtheus, Creūsa en balneum, alle van drie lettergrepen.

Mogen de aangebrachte veranderingen blijken verbeteringen te zijn!

Tiel, September 1910.

Z. C. de B.

C. G. Th. W. K.

[Inhoud]

Voorbericht voor den derden druk.

Terwijl er tusschen het verschijnen van den eersten en den tweeden druk twintig jaren verloopen zijn, volgt deze derde druk reeds na ruim negen jaren. Het spreekt dan ook bijna van zelf, dat deze druk veel minder afwijkt van den vorigen, dan de tweede van den eersten, daar in de laatste vijf jaren het wetenschappelijk onderzoek vrij wel stil gestaan heeft. Wegens het overlijden van mijn betreurden ambtgenoot Dr. Z. C. de Boer, heb ik ook het Grieksche gedeelte van het werk op mij genomen. Zijn werk echter bleek bij nauwkeurig onderzoek zoo verdienstelijk in elkaar te zitten, dat in dat gedeelte slechts weinig veranderingen, voornamelijk op het gebied der literatuurgeschiedenis, behoefden aangebracht te worden. Waar dit niet het geval [VIII]was, heb ik bij de belangrijkste Grieksche schrijvers de voornaamste werken opgesomd, met bijvoeging zoo mogelijk van het jaar van verschijning. Verder heb ik nieuw opgenomen al wat de praktijk van het lesgeven mij als leemte had doen gevoelen: het werk behoort in hoofdzaak voor schoolgebruik bestemd te blijven, al maken ook, naar mij gebleken is, vele studenten en jongere collega’s er gebruik van.

Van nieuwigheden noem ik behalve τάξις, dat de vorige maal uitgevallen was, o. a. ἔρανος, ἀγῶνες en ludi; verder woorden als κοινή, Hellenismus, προσήλυτοι; ook een klein artikel over Paulus—de Romeinsch-Grieksche cultuur der 1ste eeuw n. C. is zonder hem niet te begrijpen—en in verband hiermede, eene bijvoeging onder Galatia.—Verder heb ik de voornaamste Attische vazenschilders en fabrikanten opgenomen; ze komen zoo vaak bij het onderwijs te pas, dat een aanwijzing van den tijd, waarin ze thuis hooren, niet ongewenscht leek. Van één dezer kunstenaars, Brygus, wist ik het accent niet—de naam schijnt later niet meer voor te komen, en in zijn dagen schreef men geen accenten; ik heb er dus maar wat van gemaakt.

Nieuwe houtgravures zijn ditmaal niet opgenomen, ééne, afschuwelijke, Equuleus, die bovendien onjuist was, heb ik weggelaten.

Ten slotte is het mij een behoefte dank te zeggen aan de Bestuurders der Buma- en der Leidsche Bibliotheek, zonder wier liberaliteit in het uitleenen een dergelijk werk moeilijk had kunnen tot stand gebracht worden.

Moge het werk ook ditmaal zijn weg vinden.

Tiel, Maart 1920.

C. G. Th. W. K.

[Inhoud]

Verkortingen in den tekst.

v. s. = volgens sommigen.
v. a. = volgens anderen.
e. a. = en andere(n).
e. e. = en elders.
d. Gr. = de Groote.
rom., Rom. = romeinsch, Romeinen.

Waar niet bepaald het tegendeel blijkt, zijn de jaren gerekend vóór C. [1]


1 Een voorbericht wordt zeer dikwijls niet gelezen. Toch zal het bij het opzoeken van een woord dikwerf moeite besparen, wanneer men althans van deze mededeeling nota neemt.

2 Ook van belang voor den gebruiker.

[Inhoud]

A.

Abacus, ἄβαξ, ἀβάκιον, 1) Soort van rekenbord of telraam.—2) Vierkant bord, met zand bestrooid, voor het teekenen van wiskunstige figuren.—3) Soort van speeltafel of speelbord.—4) Pronktafel of buffet, meest vierkant, zelden rond, meestal zeer kostbaar van blad en pooten. Men bezigde hiertoe marmer, soms ook zilver, of wel zeer kostbare houtsoorten.—5) Marmeren paneelplaat aan de muren, ook wel de bonte vakken in een vloer van mozaïekwerk.—6) Dekplaat eener zuil (zie Columna).

Abae, Ἄβαι, zeer oude stad der Abanten in Phocis, op de grenzen van Boeotië, met een tempel en een orakel van Apollo.

Abalus, een Noordzee-eiland, waar veel barnsteen gewonnen werd, waarschijnlijk Burchana (Borkum), zie verder Glaesariae insulae.

Abantes, Ἄβαντες, oud-grieksche volksstam, de oudste bewoners van Euboea. Nog vroeger hadden zij in Phocis gewoond en daar de stad Abae gesticht.

Abantiades, Ἀβαντιάδης, Acrisius, Perseus, e. a. afstammelingen van Abas.

Abantias, Ἀβαντιάς, -τίς, 1) vrouwelijke afstammeling van Abas, bijv. Danaë.—2) Euboea, oude woonplaats der Abanten.

Abaris, Ἄβαρις, priester van Apollo bij de Hyperboreërs of Scythen, van wien vele wonderen verteld worden, bijv. dat hij van Apollo een gouden pijl had gekregen, waarop hij door de lucht reed, dat hij zonder voedsel leefde, de toekomst voorspelde, ziekten genas, enz. Hij leefde v. s. in de 8ste, v. a. in de 6de eeuw.

Abas, Ἄβας, 1) zoon van Lynceus en Hypermnestra, koning van Argos. Hij was in het bezit van het schild van zijn grootvader, Danaüs, waarvan het gezicht een oproerig volk tot bedaren kon brengen. V. s. is hij de stichter van Abae, v. a. is dit een naamgenoot van hem, zoon van Poseidon en Arethūsa. Hij was de vader van Acrisius.—2) zoon van Metanīra, die Demēter bespotte, toen zij met gretigheid dronk, en daarom door de godin in een hagedis werd veranderd.

Abdalonymus, afstammeling van de oude koningen van Sidon, die in groote armoede leefde, totdat Alexander hem in de waardigheid zijner voorouders herstelde en zijn gebied zelfs vergrootte.

Abdēra, τὰ Ἄβδηρα, stad op de thracische kust aan den mond van den Nestus, eene volkplanting van Clazomenae, doch vervolgens door de Thraciërs verwoest (653), en ruim een eeuw later (545) door inwoners van Teos, die zich niet aan Cyrus onderwerpen wilden, weder opgebouwd en bevolkt. Abdera had in de perzische oorlogen zware offers aan de legermacht van Xerxes te brengen, doch kwam daarna, als lid van den delisch-attischen bond, tot grooten bloei. In de 4de eeuw verloor de stad haar beteekenis tengevolge van een ongelukkigen strijd tegen de Triballers, een thracischen stam aan de Donau, die in 376 plunderend het eigenlijke Thracië binnenviel, en de Abderieten versloeg. In den oorlog der Romeinen tegen Perseus werd Abdera door den praetor L. Hortensius stormenderhand ingenomen en geplunderd (170), en werden de inwoners omgebracht of als slaven verkocht, omdat zij aan de hebzucht van den romeinschen veldheer niet spoedig genoeg voldeden. De rom. senaat schonk hun de vrijheid terug en verklaarde Hortensius’ handeling voor onbillijk. In den lateren tijd hadden de Abderieten den naam van stompzinnig te zijn en allerlei dwaasheden te doen. De wijsgeeren Democritus en Protagoras en de geschiedschrijver Hecataeus waren te Abdera geboren.

Abdērus, Ἄβδηρος, een gunsteling van Heracles, die door de paarden van Diomēdes (z. a. no. 1) verscheurd werd. Te zijner nagedachtenis bouwde Heracles de stad Abdera.

Abella of Avella, stad in Campania in de bergen ten O. van Nola, met beroemde ooftteelt, vandaar malifera genoemd.

Abellinum, stad op de grenzen van Campania en Samnium, t. O. van Abella.

Abelux, Ἀβίλυξ, een voorname Spanjaard, die de spaansche gijzelaars, door Hannibal te Saguntum opgesloten, aan de twee Scipio’s in 217 in handen speelde. Zie Bostar.

Abia, Ἀβία, stad in Messenia aan de oostzijde van de messenische golf.

Abii, Ἄβιοι, scythisch nomadenvolk, volgens Homerus een van de rechtvaardigste volken. Ook in den tijd van Alexander d. G. worden zij genoemd.

Abila, τὰ Ἄβιλα, stad in Coele-Syria, ten N. W. van Damascus.

Abisares, Ἀβισάρης, indisch vorst, die [2]zich aanvankelijk vijandig tegen Alexander gedroeg, en zich later met Porus tegen hem wilde vereenigen. Hij onderwierp zich echter tijdig, waarvoor Alexander hem de regeering liet en zelfs zijn gebied vergrootte.

Abnoba mons, later Marciana Silva, het tegenwoordige Schwarzwald.

Abobrīca, stad in Hispania Tarraconensis, in Gallaecia, aan de Westkust, ten N. van den Minius (Minho), tgw. Bayona.

Abolla, een mantel van dubbel linnen, oorspronkelijk een soldatenmantel. In den keizertijd was deze dracht vrij algemeen. Dat de abolla destijds nauwsluitend was, bewijst een epigram van Martialis de abolla Crispini, waarin hij den dieven aanraadt, liever eene toga om te slaan. Abolla maior was een wijdere mantel, waarin de grieksche wijsgeeren, vooral de cynische, zich plachten te wikkelen.

Abonitīchos, Ἀβώνου τεῖχος, stad in Paphlagonia, ten O. van Sinope, met het orakel van den door Lucianus gehekelden leugenprofeet Alexander.

Aborigĭnes, doch gr. ἀβοριγῖνες, een oud-italische volksstam.

Absis, ἁψίς, ion. ἀψίς, -ῖδος, halfrond uiteinde eener overigens rechthoekige zaal, vooral bij basilicae en aan romeinsche tempels van den keizertijd voorkomende.

Absyrtides insulae, twee eilandjes aan de illyrische kust, waarvan het grootste later Apsōrus, Ἄψωρος, heette.

Absyrtus = Apsyrtus.

Abulītes, Ἀβουλίτης, satraap van Susiana onder Darīus Codomannus. Hij onderwierp zich vrijwillig aan Alexander (331) en behield daarom zijn satrapie; maar daar hij zich gedurende Alexanders tocht naar Indië aan plichtverzuim schuldig maakte, werd hij met zijn zoon ter dood gebracht.

Abus, Ἄβος, 1) rivier aan de Oostkust van Britannia, misschien de Humber.—2) berg in Armenia, tgw. Ararat of Arghatagh, met de bronnen van den Euphraat.

Abȳdus, Ἄβυδος, 1) stad aan den Hellespont op de aziatische kust, tegenover Sestus, kolonie van Miletus. Te Sestus woonde Hero, te Abydus Leander. Hier hield Xerxes zijne legertelling. Spreekwoord: ne temere Abydum (sc. eas), omdat de stad wegens hare zedeloosheid berucht was.—2) stad in Boven-Aegypte, ten noorden van Thebae, beroemd door het graf en een tempel van Osiris, alsmede door het nabijgelegen Memnonium. De tabula Abydena is eene onder de puinhoopen der stad gevonden geslachtslijst van de koningen der 18de dynastie. Later, in 1864, is er nog een tweede geslachtslijst gevonden, die veel belangrijker is.

Abyla, Ἀβίλη, kaap in Afrika aan den ingang der middellandsche zee (tgw. Ceuta), met den tegenoverliggenden berg Calpe de zuilen van Hercules genoemd.

Academīa, Ἀκαδήμεια, 1) wandelplaats en worstelperk aan den Cephīsus bij Athene, waar door Plato en zijn opvolgers (Academici, Ἀκαδημικοί, οἱ ἀπὸ τῆς Ἀκαδημείας) onderwijs gegeven werd. Cimon had aan de verfraaiing der Ac. veel ten koste gelegd. De naam wordt afgeleid van den heros Acadēmus.—2) villa van Cicero hij Puteoli, zoo genoemd naar de Academica, die hij daar schreef.

Acamantis, Ἀκαμαντίς, een van de 10 phylae, waarin de bevolking van Attica door Clisthenes verdeeld werd.

Acamas, Ἀκάμας, 1) zoon van Theseus en Phaedra, die met Diomēdes als gezant naar Troje gezonden werd om Helena terug te vragen. Later nam hij deel aan den tocht tegen Troje en was hij een van hen, die met het houten paard in de stad kwamen. Bij de verovering vond hij zijne grootmoeder Aethra en bracht haar naar Athene terug, waar hij later de heerschappij in handen kreeg. Hij stierf op Cyprus, waarheen hij een atheensche kolonie geleid had.—2) zoon van Antēnor, een van de dapperste Trojanen.—3) zoon van Eüssōrus, aanvoerder van de thracische hulptroepen der Trojanen.—4) een Cycloop.

Acanthus, ἄκανθος, bereklauw, een plant die in het zuiden zeer veel in het wild voorkomt. Haar bladeren hebben tot voorbeeld gediend voor het kapiteel der Corinthische zuil, zie Columna.

Acanthus, Ἄκανθος, stad op Chalcidice, aan de noordzijde van de doorvaart, die Xerxes voor zijne vloot liet graven.

Acarnan, Ἀκαρνάν, zoon van Alcmaeon en Callirrhoë; hij en zijn broeder Amphoterus waren nog zeer jong toen hun vader vermoord werd, maar op het gebed van hun moeder liet Zeus hen buitengewoon snel tot mannen opgroeien. Daarop doodden zij de moordenaars van Alcmaeon (z. Phegeus) en vluchtten zij uit Arcadië naar Epīrus, waarvan zij later een deel onder den naam van Acarnania beheerschten.

Acarnania, Ἀκαρνανία, het meest westelijke landschap van eigenlijk Hellas (zoogen. Midden-Griekenland), in den mythischen tijd bewoond door allerlei stammen: Taphiërs, Teleboeërs, Lelĕgers, Cureten, later aan de kusten door Corinthiërs bevolkt. Voor de geschiedenis heeft Ac. geen belang. De Acarnaniërs waren een ruw, kloek volk, berucht om hunne rooftochten te land en ter zee.

Acastus, Ἄκαστος, 1) zoon van Pelias, nam deel aan de jacht op het calydonische zwijn en aan den tocht der Argonauten. Bij de spelen, die hij gaf ter gelegenheid van de begrafenis zijns vaders, zag zijne gemalin Hippolyte of Astydamēa voor het eerst Peleus en werd op hem verliefd, doch daar hare liefde onbeantwoord bleef, beschuldigde zij hem bij haar echtgenoot, dat hij haar had willen verleiden. Hierover vertoornd nam Ac. Peleus mede naar een jachtpartij op den Pelion, en toen P. vermoeid was ingeslapen, liet hij dezen alleen achter, na hem zijn zwaard te hebben ontnomen, in de meening, dat hij dus moest omkomen. En inderdaad werd hij door de Centauren aangevallen; hij werd echter door Hermes (v. a. Hephaestus [3]of Chiron) gered, trok naar Iolcus en doodde Ac. en zijne gemalin.—2) koning van Dulichium.

Acatus, Acatium, ἄκατος, ἀκάτιον, 1) klein en snelzeilend schip, als passagiers- en transportschip en vooral bij zeeroovers in gebruik; de achtersteven was binnenwaarts gekromd, de voorsteven van een snebbe voorzien. Ook de boot van Charon (z. a.) heette ἄκατος.—2) de 2de mast op een schip.—3) een soort drinkschaal in den vorm van een boot.

Acca Lārentia of Lārentina, volgens de sage de vrouw van den herder Faustulus en de voedster en pleegmoeder van Romulus en Remus; oorspronkelijk eene godin, aan wie op de Larentalia (z. a.) geofferd werd.

Accensus. 1) Oorspronkelijk hadden niet beide consuls te Rome gelijktijdig lictores cum fascibus et securibus. Degene, die ze niet had, liet zich dan voorafgaan door een accensus of ordonnans. Later echter werd het gebruikelijk, dat de magistratus cum imperio behalve hun lictoren toch nog een accensus hadden. Tusschen de accensi en de overige apparitores of dienaren der magistraten is dit onderscheid, dat de accensus niet in vasten staatsdienst was, maar door den ambtenaar persoonlijk in dienst genomen werd, en bij diens aftreden ook ophield accensus te zijn. De accensi werden vooral gebruikt tot het doen van dagvaardingen. Meestal waren het vrijgelatenen.—2) Bij de legerorganisatie van Servius Tullius waren accensi eene reserve, die een afzonderlijke centuria vormde, en evenals de twee centuriae fabrum en de twee centuriae tubicinum et cornicinum, buiten de classes stond. Zij vochten als ongeregelde troepen, niet in linie, maar tirailleursgewijze, en deden dikwerf dienst als steenwerpers. Ook namen zij in den strijd de plaats der gesneuvelden in de slaglinie in en streden dan met de wapenen van hen, die zij vervingen. Velati heeten zij in tegenstelling met de eigenlijke soldaten, die sagati (= met een krijgsmantel bekleed) zijn. Ze hebben dus gewone burgerkleeding en zijn ongewapend. Uit deze accensi werden oorspronkelijk de burgerlijke accensi gekozen.

Accius, romeinsch treurspeldichter, z. Attius no. 6.

Ace, Ἄκη, beroemde vesting in Phoenice, door Ptolemaeus I verfraaid en in Ptolemaïs verdoopt, in de geschiedenis der kruistochten bekend als St. Jean d’Acre.

Acerra, 1) een doos of kistje tot het bewaren van wierook.—2) een klein, draagbaar altaar, waarop wierook gebrand werd bij een lijk.

Acerrae, stad in Campania, door Hannibal verwoest, later herbouwd.

Aceruntia, stadje op de grens van Apulia en Lucania, op den berg Vultur gelegen, tgw. Acerenza.

Acesīnes, Ἀκεσίνης, 1) rivier op de oostkust van Sicilië, ten Noorden van den Aetna.—2) rivier in Pendschab, die den Hydaspes opneemt, en zelf in den Indus uitstroomt.

Acestes, Aegestes, Egestes, Ἀκέστης, Αἰγέστης, zoon van een Trojaan of van den riviergod Crimīsus en Segesta of Egesta. Hij was op Sicilië geboren, waar hij zich na afloop van den trojaanschen oorlog ging vestigen. De stad Segesta of Egesta was door hem gesticht of naar hem genoemd. Aenēas werd bij zijn komst op Sicilië gastvrij door hem ontvangen.

Acetabulum, kleine rom. inhoudsmaat = 0.067 liter. Eigenlijk beteekent het woord in de eerste plaats een azijnfleschje, ook wordt het gebezigd van een beker voor goocheltoeren.

Achaei, Achīvi, Ἀχαιοί, een van de hoofdstammen der Grieken (z. Hellenes). Uit Thessalia gekomen, vermeesterden zij de Peloponnēsus, met uitzondering van Arcadia en Ionia en bovendien een deel van Creta. Bij Homerus en in navolging van hem ook bij latere gr. en rom. dichters worden de gezamenlijke Grieken voor Troje meestal Ach. genoemd. Toen de Doriërs de Peloponnesus binnendrongen, werden de Achaeërs voor een gedeelte onderworpen, een gedeelte echter verdreef de Ioniërs en gaf aan Ionia den haam Achaia.

Achaeisch verbond. De twaalf democratisch bestuurde steden van Achaia vormden van oudsher een verbond, dat echter alleen bij gemeenschappelijke offers als zoodanig optrad. Dit verbond viel onder Alexander d. Gr. uiteen, doch omstreeks 280 sloten de ach. steden, in dien tijd tien in getal, zich opnieuw bij elkander aan. Van toen af werden geregeld jaarlijks minstens twee gewone bondsvergaderingen gehouden, terwijl in bizondere gevallen een algemeene vergadering bijeengeroepen werd, waaraan ieder burger boven 30 jaar kon deelnemen, terwijl het bestuur aan twee strategen (sedert 256 slechts één), een grammateus, en tien damiurgi was opgedragen. Door de bekwaamheid zijner strategen (Arātus, Philopoemen) kreeg het verbond weldra groote macht en kon het ook buiten Achaia verschillende peloponnesische staten tot bondgenooten maken of aan zich onderwerpen (Sicyon 249, Corinthe 242); zelfs Sparta werd in 188 veroverd. Doch dit streven naar de hegemonie in de Peloponnēsus, vooral door het aetolisch verbond tegengewerkt, bracht het verbond soms in groote moeilijkheden en daardoor werd weldra het oorspronkelijke doel, handhaving der grieksche vrijheid tegenover Macedonië, uit het oog verloren; in 223 zag Aratus zich zelfs genoodzaakt de hulp van den macedonischen koning tegen Sparta in te roepen. Sedert dien tijd was het verbond steeds min of meer afhankelijk van Macedonië, en had het zijn behoud alleen te danken aan de twisten met Rome, waarin dit rijk weldra geraakte. Toen na den slag bij Cynoscephalae (197) het verbond tot de romeinsche zijde overging, steeg zijne macht weldra ten top; maar toen in 148 Macedonië een romeinsche provincie geworden was, bestond er voor de Romeinen geen reden meer het te sparen, en in het volgende jaar werd, naar aanleiding van een geschil met Sparta, de eisch gedaan, [4]dat de voornaamste steden van het verbond losgemaakt en autonoom gelaten zouden worden. Dit deed het verbitterde volk naar de wapenen grijpen; maar in 146 werden zij eerst onder aanvoering van Critolaus door Metellus (z. Caecilii no. 6) bij Scarphe, en daarna onder aanvoering van Diaeus bij Leucopetra op den Isthmus door L. Mummius verslagen, waarop het verbond door den senaat opgeheven en Griekenland onder den naam Achaia een romeinsche provincie werd. Corinthe werd door Mummius gesloopt.

Achaemenes, Ἀχαιμένης, 1) stamvader van het eerste perzische koningsgeslacht, de Achaemeniden.—2) vorst van Persis onder Phraortes (omstreeks 640).—3) broeder van Xerxes en stadhouder van Aegypte, werd bij den opstand van Inarus tegen Artaxerxes gedood (462).

Achaeus, Ἀχαιός, 1) zoon van Xuthus en Creūsa, mythisch stamvader der Achaeërs. In Aegialus geboren, keerde hij later naar Thessalië terug, van waar zijn vader verdreven was, en kwam daar na den dood van zijn oom Aeolus aan de regeering.—2) treurspeldichter, te Eretria geboren, jongere tijdgenoot van Sophocles, maker van 24 (of 44) treurspelen, waarvan slechts één den prijs behaalde. Hij werd in den alexandrijnschen canon als eerste na de drie groote tragici opgenomen.—3) stadhouder van koning Antiochus III, heroverde de aan Attalus verloren deelen van het syrische rijk, doch toen hij zich in Kl.-Azië onafhankelijk wilde maken, werd hij te Sardes gevangen genomen en gedood (214).

Achaia, Ἀχαΐα, 1) landschap langs de noordkust van de Peloponnēsus, in ouden tijd Αἰγιαλός, kustland, geheeten. Voordat het land door de Achaeërs (z. a.) veroverd werd, was het door Ioniërs bewoond, die zich nu genoodzaakt zagen uit te wijken en deels naar Attica, deels naar de aziatische kust trokken. Het land was arm aan havens. In den omtrek van de stad Patrae bloeide de teelt van den byssusstruik, weshalve men er vele weverijen aantrof.—2) stamland der Achaeërs, in het zuiden van Thessalia, gewl. ter onderscheiding van no. 1 Ἀχαΐα Φθιῶτις genoemd.—3) naam van Griekenland (Peloponnēsus en Hellas) als rom. provincie, sedert 146, na de verwoesting van Corinthus door den rom. veldheer L. Mummius.

Acharnae, αἱ Ἀχαρναί, ook Acharne, Ἀχαρνή, vlek in Attica, op drie uur afstands ten noorden van Athenae gelegen. De bevolking leefde van wijn- en olijventeelt en vooral van kolenbranderijen. Het was een krachtig, doch ruw slag van menschen. Een der stukken van Aristophanes is Ἀχαρνῆς getiteld.

Achātes, Ἀχάτης, 1) de trouwe makker van Aenēas, fidus Achates.—2) riviertje op de zuidkust van Sicilia, waarnaar de achaatsteen genoemd is.

Acheloïades, Ἀχελωίδες, de Sirenen, dochters van Achelōus; alg. riviernimfen.

Achelōus, Ἀχελῷος, 1) nu Aspropotamo, de grootste rivier van Griekenland, ontspringt op den Pindus, loopt met snellen stroom zuidwaarts, scheidt Acarnania en Aetolia, en stort zich tegenover de Echinadische eil. in zee.—2) de god van bovengenoemde rivier, de oudste der 3000 rivieren, zonen van Oceanus en Thetys, v. a. zoon van Helius en Gaea, en vorst aller rivieren; vandaar wordt de naam Ach. soms voor water, Acheloia pocula voor drinkwater gebruikt. Hij vocht met Heracles om het bezit van Deianīra; bij dit gevecht maakte hij gebruik van zijn vermogen om zich in een slang of in een stier te veranderen, maar in alle drie gedaanten moest hij het onderspit delven; zelfs verloor hij als stier een horen, die, door de Najaden met bloemen en vruchten gevuld, de hoorn van overvloed werd. V. a. behield Heracles den horen, totdat Ach. dien van Amalthēa er voor in ruil gaf. Hij was de vader der Sirenen en van Dirce.

Acheron, Ἀχέρων, rivier in Epīrus, die voor een gedeelte onder den grond en dan volgens de meening der ouden rondom de onderwereld stroomt en over welke Charon de zielen der afgestorvenen voerde. Hij stroomt door de Acherusia palus. Een zijrivier hiervan was de Cocȳtus (z. a.).

Acheruntici libri, godsdienstige boeken, afkomstig van een etrurischen god of koning Tages, en handelende over de uitvaart en vereering der afgestorvenen.

Acherusia, sc. palus, ἡ Ἀχερουσία λίμνη, meer in Epīrus, waardoor de Acheron stroomde. Ook andere meren en diepten, welke men meende dat met de onderwereld gemeenschap hadden, komen onder dezen naam voor, zoo o.a. ten zuiden van Cumae in Campanië (tgw. Lago del Fusaro), wel te onderscheiden van het lacus Avernus, dat ten oosten van Cumae ligt.

Achillas, Ἀχιλλᾶς, voogd van Ptolemaeus XII, de moordenaar van Pompeius. Bij de onlusten, die kort daarna ia Alexandrië ontstonden, streed hij niet zonder geluk tegen Caesar, maar spoedig ruimden zijne tegenstanders hem door sluipmoord uit den weg.

Achilles, Ἀχιλ(λ)εύς, zoon van Peleus en Thetis, de dapperste, schoonste, vlugste, in het algemeen de voortreffelijkste aller grieksche helden voor Troje. Door zijne moeder werd hij zorgvuldig opgevoed, zelfs poogde zij hem onsterfelijk te maken en tot dat einde zalfde zij hem bij dag met ambrosia, terwijl zij hem bij nacht in het vuur legde, maar toen eens zijn vader hem zoo vond en hem uit de vlammen wilde redden, moest zij hare pogingen opgeven; zij verliet haar echtgenoot en keerde naar de zee terug. Daarna werd hij door Phoenix in de welsprekendheid en krijgskunde, door Chiron in de geneeskunde onderwezen en was hij met Patroclus reeds als kind bevriend. Van zijne moeder wist Ach. dat hem een lang en roemloos of een kort en roemvol leven beschoren was; hij koos het laatste en nam dan ook gaarne deel aan den tocht tegen Troje, waartoe Nestor en Odysseus hem kwamen uitnoodigen. V. a. [5]had zijne moeder hem van den tocht willen terughouden, daar zij voorzag dat hij daarbij zoude omkomen; toen dus voorspeld was dat Troje zonder hem niet kon worden ingenomen, en Odysseus uitgezonden werd om hem te halen, zond zij hem naar Scyrus, waar hij in vrouwenkleeren te midden van de dochters van koning Lycomēdes verborgen gehouden werd. Maar Odysseus vond hem ook hier en herkende hem door list; hij kwam namelijk als koopman verkleed en liet voor de meisjes allerlei sieraden uitstallen, maar daarnevens ook wapenen; terwijl zij nu bezig waren dit alles te bezien, hoorde men plotseling schreeuwen en vechten, waarop de meisjes verschrikt vluchtten, maar Ach. de wapenen greep om zich te verdedigen. Voor Troje verrichtte hij onder bescherming van Hera en Athēna groote heldendaden; hij verwoestte 12 steden ter zee en 11 te land. In het tiende jaar van den oorlog echter trok hij zich, door Agamemnon beleedigd (z. Brisēis), terug en Thetis wist van Zeus te verkrijgen dat de krijgskans den Trojanen gunstig zou zijn, totdat aan Ach. voldoening gegeven zou zijn. Deze wijst, hoe hoog de nood ook bij de Grieken stijgt, ieder aanbod tot verzoening af; eerst toen de Trojanen in het leger gedrongen waren en begonnen waren de schepen in brand te steken, gaf hij gehoor aan de beden van Patroclus en stond hij toe dat deze zich aan het hoofd van de Myrmidonen in het gevecht mengde. Om den Trojanen schrik aan te jagen bekleedt Patroclus zich met de wapenrusting van Ach., maar hij wordt door Hector gedood en de wapenrusting valt in de handen der vijanden. Verdriet over het verlies van zijn vriend en de zucht om daarover wraak te nemen, bewegen Ach. nu zich met Agamemnon te verzoenen, en van dezen tijd af neemt hij weer deel aan den strijd. Reeds den eersten dag daarna wordt een hevig gevecht geleverd, waaraan verscheiden goden deelnemen, en waarin Hector door Ach. gedood wordt. Niet lang daarna werd ook Ach. door Paris en Apollo gedood, hetzij in een gevecht, hetzij in een tempel van Apollo, waar hij gekomen was om met Polyxena, de dochter van Priamus, te trouwen; hij werd door het geheele leger, door zijne moeder, de muzen en de zeenimfen 17 dagen lang beweend; aan het strand van den Hellespont werd een grafteeken opgericht, waarin zijne beenderen met die van Patroclus en Antilochus begraven werden. Latere dichters verhaalden nog, dat Thetis, om Ach. onkwetsbaar te maken, hem in den Styx doopte en dat dit het gewenschte gevolg had voor het geheele lichaam met uitzondering van den hiel, waaraan zij hem had vastgehouden en waaraan hij ook later doodelijk gewond werd. Ach. werd op vele plaatsen van Griekenland als halfgod vereerd, het eiland Leuce was hem geheel gewijd, en naar men meende, was hij daar gehuwd met Helena en leidde hij er een gelukzalig leven in gezelschap van andere helden en heldinnen.

Achilles Tatius, Ἀχιλλεὺς Τάτιος, geb. te Alexandrië, schreef vóór het begin van de 4de eeuw n. C. den roman τὰ κατὰ Λευκίππην καὶ Κλειτοφῶντα.

Achillēum, Ἀχιλλεῖον, 1) stadje bij kaap Sigēum in Troas, met den grafheuvel van Achilles.—2) stadje bij Smyrna.

Achillēus dromos, Ἀχίλλειος δρόμος, landtong aan den N-kant van de Zwarte zee, ten N.W. van

Achillis insula of Leuce, eiland aan den mond van den Borysthenes. Men nam aan, dat hier de verblijfplaats van Achilles en andere helden na hun dood was.

Achillīdes, Ἀχιλλείδης, Neoptolemus (Pyrrhus), zoon van Achilles.

Achīvi, Ἀχαιοί, z. Achaei.

Achradīna, Ἀχραδίνη, een der vijf deelen, waaruit de stad Syracusae bestond.

Acidalia mater, Venus, zoo genoemd naar de bron Acidalia bij Orchomenus in Boeotië, waar zij en de Gratiën zich plachten te baden.

Acies, Τάξις, slagorde, opstelling van het leger voor den slag. 1) Bij de Grieken, zie Τάξις.—2) Bij de Romeinen moet men voor de opstelling drie perioden onderscheiden; voor de oudste periode tot op den tijd van Camillus zie men Centuria. Het leger werd toen in ééne aaneengeschakelde (grieksche) phalanx opgesteld, waarvan de kern gevormd werd door de zwaargewapende burgers van de drie eerste klassen der serviaansche indeeling; achter hen waren de lichtgewapenden opgesteld, terwijl de ruiterij op de flanken stond. Deze slagorde was in de gevechten met de Galliërs ondoelmatig gebleken, en vervangen door een indeeling in manipels, waarvan de artikelen centuria, cohors, hastati en legio een voorstelling geven. Elk legioen werd in drie liniën in slagorde geschaard; vooraan stonden de manipels der hastati, dan die der principes, eindelijk die der triarii. Tusschen de verschillende manipels werd eenige ruimte gelaten, zoodat ieder manipel op zichzelf een geheel vormde, terwijl zij zich zoo noodig elk oogenblik konden aaneensluiten; hierdoor kreeg het leger een groote gemakkelijkheid van beweging. In den slag stonden meestal de beide legioenen in het centrum, de socii en de ruiters op de flanken. Oudtijds stond het leger in ééne lange lijn (fronte longa). Later vindt men o.a. de acies obliqua, waarbij een deel van het leger aanvalt en het andere voorloopig buiten gevecht blijft, de acies sinuata, wanneer de vleugels den aanval beginnen en het centrum achterblijft; zie ook cuneus en forceps. De oorlogen met de Cimbren en Teutonen gaven Marius aanleiding, deze indeeling te vervangen door eene in cohorten, waarbij telkens één manipel der hastati, principes en triarii tot eene cohors van 600 man vereenigd werd; tien cohorten vormden eene legio; zie verder cohors. De Romeinsche ruiterij werd nu afgeschaft; zij komt het laatst voor in den oorlog tegen Jugurtha.—Onder Caesar telde het legioen 3000 à 3600 man, ingedeeld in 10 cohorten van 3 manipels, ieder van twee centuriae. Gewoonlijk was de slagorde de [6]acies triplex. Vier cohorten van ieder legioen vormden de prima acies, drie de secunda acies, en drie de tertia acies. Vóór Camillus is dus de taktische eenheid de centuria, in den tijd van Polybius de manipulus, na Marius de cohors.

Acilia (lex) de repetundis van 122, van den volkstribuun M’. Acilius Glabrio, den vader van den bij de gens Acilia onder no. 3 genoemden consul. Omtrent den inhoud dezer wet is weinig zekers bekend. Slechts weten we, dat bij de quaestiones perpetuae door deze wet de verplichting werd opgelegd tot ampliatio (z.a.), zoodra meer dan ⅓ der rechters N. L. (non liquet) stemde, en dat hieruit langzamerhand de comperendinatio (z. a.) ontstaan is. Zie verder Servilia (lex).

Acilia Calpurnia (rogatio), de ambitu van de consuls M’. Acilius Glabrio en C. Calpurnius Piso (67). Zie Calpurnia (lex) de ambitu. Daar M’. Acilius Glabrio zich vóór de aanneming der wet teruggetrokken had, wordt de wet alleen naar den tweeden voorsteller genoemd.

Acilii, plebejisch geslacht, waartoe familia Glabrionum behoorde. Dit was de beroemdste familie dezer gens, waartoe ook nog de familiën der Aviolae en Balbi behoorden. 1) M’. Acilius Balbus, consul 150.—2) M’. Acilius Glabrio, consul 191, versloeg den syrischen koning Antiochus III bij de Thermopylae en verdreef hem uit Griekenland. Vervolgens wendde hij zich tegen de Aetoliërs, die zich bij Antiochus hadden aangesloten, overwon hen en hield over hen te Rome een zegetocht. In den slag bij de Thermopylae had hij een tempel aan de Pietas beloofd, die in 181 door zijn zoon M’. Acilius Glabrio gewijd werd, waarbij deze voor zijn vader een standbeeld oprichtte, het eerste vergulde standbeeld in Italia.—3) M’. Acilius Glabrio was in 70 als praetor repetundarum voorzitter van het gerechtshof in het proces van Cicero tegen Verres. In 67 was hij consul met C. Calpurnius Piso, met wien hij de lex Acilia Calpurnia de ambitu voorstelde (z. a.). Hij bestreed in dit jaar, doch vergeefs, het wetsvoorstel van Gabinius, om aan Pompeius de uitroeiing der zeerooverij op te dragen. Daarop ging hij naar de provincie Bithynia, met de bestemming Lucullus in het opperbevel in den mithradatischen oorlog op te volgen. Hij verrichtte echter niets en werd door de komst van Pompeius spoedig van zijne taak ontheven. Zijn zoon M’. Acilius Glabrio komt als legaat van Caesar voor, en werd tweemaal in eene res capitalis door Cicero verdedigd.—4) Livius maakt melding van een annalist C. Acilius die in het Grieksch annales schreef, welke althans tot het jaar 184 liepen.

Acinaces, ἀκινάκης, korte, rechte dolk, die door Perzen e. a. barbaren aan de rechterzijde gedragen werd, dikwijls met goud en edelgesteenten bezet.

Acis, Ἆκις, zoon van Faunus en Symaethis. Hij beminde Galatēa en werd door haar bemind; toen zijn medeminnaar Polyphēmus hen eens met elkander verraste, vluchtte A.; maar Polyphemus wierp naar hem met een rotsblok, dat hij van den Aetna had afgebroken en waardoor A. verpletterd werd; zijn bloed veranderde in een rivier, Acis genaamd, die onder dit rotsblok ontspringt.

Aclys (aclis), een korte werpspies, met uitstekende, scherpe punten, waaraan een riem bevestigd was om de spies na den worp weer naar zich toe te trekken, een zeer ouderwetsch wapen van de oude bewoners van Campania (de Osci).

Acmonia, Ἀκμονία, stad in Phrygia ten Z. van het gebergte Dindymus.

Acmonides, Ἀκμονίδης, naam van een Cycloop.

Acoetes, Ἀκοίτης, zoon van een maeonisch visscher. Toen eens de matrozen van het schip waarop hij stuurman was, op Chius aan land gegaan waren, brachten zij aan boord een schoonen knaap, dien zij slapend gevonden hadden en als slaaf wilden wegvoeren. Ac. die in den knaap een god herkende, verzette zich daartegen, maar te vergeefs, de matrozen ontnamen hem het bestuur van het schip en voeren weg. Plotseling werd schip, tuig, riemen, enz., door wijnranken omgeven, het bleef onbeweeglijk liggen, en in plaats van den knaap stond Dionȳsus, bekranst en den thyrsusstaf zwaaiend, te midden van tijgers, lynxen, enz., die zich aan zijne voeten neervlijden. De matrozen sprongen in zee en veranderden in dolfijnen. Ac. alleen bleef gespaard en werd op Naxus priester van Dionȳsus. Later door Pentheus gevangen genomen, werd hij op wonderdadige wijze gered.

Acontius, Ἀκόντιος, van Ceos. Eens reisde hij naar het feest van Artemis op Delus en zag daar de schoone Cydippe, de dochter van een zeer voornaam Athener. Hij werd op haar verliefd, maar daar hij zich niet aanzienlijk genoeg achtte om haar ten huwelijk te vragen, bedacht hij een list om haar tot vrouw te krijgen. Toen zij eens in den tempel zat, wierp hij haar een appel toe, waarop geschreven stond: Ik zweer bij het heiligdom van Artemis, dat ik met Acontius zal trouwen. Het meisje nam den appel op, las het geschrevene overluid, en wierp hem daarna weder weg, waarop Ac. naar Ceos terugkeerde om den loop der gebeurtenissen af te wachten. Later wilde Cydippe’s vader haar aan een ander uithuwen, maar het meisje werd kort voor den voor het huwelijk bepaalden dag ziek, en daar zich ditzelfde driemaal herhaalde, vroeg haar vader het delphische orakel om raad. Tot antwoord werd hem gegeven dat de woorden, in den tempel gesproken, door Artemis gehoord waren, en dat zij geen ander huwelijk kon aangaan zonder zich aan meineed tegenover de godin schuldig te maken. Daarop gaf de vader zijne toestemming tot haar huwelijk met Ac.

Acra, Acrae, Ἂκρα, Ἂκραι, naam van een aantal op hoogten gelegen steden in Acarnamia, op Sicilia en elders. Ook een heuvel bij Jerusalem heette aldus.

Acraephia, Ἀκραιφία, of Acraephium, Ἀκραιφίον, stad in Boeotia, aan de oostzijde [7]van het meer Copaïs; in de nabijheid de beroemde tempel van Apollo Πτῷος, zie Ptoum.

Acragas, Ἀκράγας, -αντος, grieksche naam van Agrigentum op Sicilia z. a.

Acrisiōne, Ἀκρισιώνη, Danaë, dochter van Acrisius.

Acrisioniades, Ἀκρισιωνιάδης, Perseus, kleinzoon van Acrisius.

Acrisius, Ἀκρίσιος, zoon van Abas en Ocalēa of Aglaïa, koning van Argos. Hij verdreef zijn tweelingbroeder Proetus, maar werd later door diens schoonvader Iobates gedwongen zijn rijk met hem te deelen, zoodat hij Argos behield en Proetus Tiryns kreeg. Daar hem voorspeld was, dat de zoon zijner dochter Danaë hem zou dooden, hield hij haar in een onderaardsch vertrek of in een ijzeren toren opgesloten; maar Zeus wist toch als gouden regen toegang tot haar te krijgen, en Danaë werd bij hem moeder van Perseus. Eenige jaren werd het kind in den kerker verborgen gehouden; toen verried het zich door geschreeuw, en Acr. liet moeder en kind in een kist in zee werpen. De kist werd bij Seriphus door Dictys uit het water gehaald en later keerde Perseus met zijne moeder naar Argos terug. Zich het orakel herinnerende, vluchtte Acr. naar Larisa, maar Perseus trof hem daar aan en bij de lijkspelen des konings wierp hij toevallig zijn discus op den voet van zijn grootvader, die aan de gevolgen hiervan overleed.

Acroāma, virtuoos, die aan tafel de gasten onderhield, hetzij door voorlezingen, hetzij door muziek en zang of door grappen.

Acroceraunia, τὰ Ἀκροκεραύνια, kaap der montes Ceraunii (Κεραύνια ὄρη) aan de noordpunt der epirotische kust, berucht door de zich aldaar samenpakkende onweders en losbrekende stormen.

Acrocorinthus, Ἀκροκόρινθος, de burcht van Corinthus.

Acropolis, Ἀκρόπολις, ἄκρα πόλις, burcht of citadel, altijd een steile of van nature sterke heuvel, in overeenstemming met de plaatselijke gesteldheid bebouwd en bevestigd. Op de atheensche acropolis vond men de heiligdommen der voornaamste beschermgoden van den staat. Zie verder Athenae.

Acrorēa, ἡ Ἀκρώρεια, bergachtige landstreek in Elis, in het noordoosten, rondom de bronnen van den Penēus en den Ladon.

Acrotatus, Ἀκρότατος, 1) zoon van Cleomenes II. Hij was de eenige die zich verzette tegen het volksbesluit, volgens hetwelk de gevluchte Spartanen uit den slag bij Megalopolis (331) van alle straffen zouden vrijgesteld worden. Daardoor maakte hij zich zeer gehaat, en toen in 314 Agrigentum om een spartaansch aanvoerder verzocht tegen Agathocles van Syracuse, nam hij vrijwillig die taak op zich. Wegens zijn gewelddadige handelwijze moest hij echter spoedig weder naar Sparta vluchten, waar hij kort daarna stierf.—2) kleinzoon van den bovengenoemde. Hij volgde op jeugdigen leeftijd, in 265 zijn vader Areus I als koning van Sparta op, maar sneuvelde reeds spoedig (± 260) tegen Aristodēmus van Megalopolis.

Acrothōi, Ἀκρόθωοι, stad op den berg Athos.

Acta. Over het algemeen verstaat men onder acta de officieele aanteekeningen, notulen, protocollen omtrent hetgeen gebeurd of verhandeld is, b.v. acta fori, gerechtelijke protocollen, acta militaria, verslag van militaire zaken, acta triumphorum, relaas van zegetochten. Op twee soorten van acta echter moeten wij in het bijzonder de aandacht vestigen.

Acta diurna urbis of populi, of ook wel kortweg diurna geheeten, eene soort van dagblad, allerlei dingen bevattende, die voor het publiek belangrijk konden zijn, als: geboorte-, huwelijks- en doodsberichten, marktprijzen, aankondigingen van feesten, verkoopingen, aanbestedingen, enz., en voorzeker ook belangrijke nieuwstijdingen. Deze diurna werden op openbare plaatsen tentoongesteld, waar men ze kon gaan lezen of laten afschrijven.

Acta senatus, officieele notulen van het in den senaat verhandelde, eerst slechts kort, later ook met vermelding der discussiën. C. Julius Caesar gaf aan deze acta eene groote openbaarheid, die echter door Augustus weer afgeschaft werd. Ze werden echter geregeld door de geschiedschrijvers, vooral door Tacitus, geraadpleegd. In den lateren keizertijd verloren zij hoe langer hoe meer van hun belang, en ontstond uit de samensmelting met de diurna de officieele hof- en staatscourant, voor welker verbreiding tot in de verst afgelegen provinciën van het rom. rijk van regeeringswege gezorgd werd.

Actaeon, Ἀκταίων, zoon van Aristaeus en Autonoë, werd door Chiron in de jacht onderwezen, waarvan hij zulk een groot minnaar was, dat hij 50 honden hield. Hij werd, omdat hij Artemis met hare nimfen bespied had, terwijl zij zich in het dal Gargaphia bij Plataeae baadden, door de vertoornde godin in een hert veranderd, waarop hij door zijn eigen honden verscheurd werd. V. a. trof deze straf Actaeon, omdat hij zich beroemd had een beter jager te zijn dan Artemis. Nog laat werd de rots getoond, van waar Act. de godin gezien zou hebben. Reeds de ouden zagen in de mythe van Act. een toespeling op de alles verterende hitte der hondsdagen; vandaar dat zijn beeld op rotsen en bergen geplaatst werd, om de nadeelige gevolgen daarvan af te wenden.

Acte, Ἀκτή, in het algemeen kustland; meer in het bijzonder oude naam voor Attica (= Actica). Ook de landtong met den berg Athos.

Actia, Ἄκτια, spelen ter eere van Apollo Actius te Actium, door Augustus na den slag bij Actium uitgebreid en overgebracht naar Nicopolis. Het feest werd in den keizertijd om de 4 jaren gevierd, evenals de Olympische en andere spelen, ter eere van de overwinning door Augustus behaald. Ook te Rome zijn een tijd lang Actia gevierd.

Actio, in juridischen zin de behandeling eener zaak voor den rechter, het proces, ook [8]wel reeds alleen de aanklacht. Ook de pleitrede wordt actio genoemd. Zie Legis actio.

Actium, Ἄκτιον, noordelijkste kaap van Acarnania aan den ingang der ambracische golf, Octavianus won hier in Sept. 31 den zeeslag op Antonius en Cleopatra. Ter herinnering hieraan stichtte hij later aan de overzijde, in Epirus, de stad Nicopolis.

Actor of petītor, de eischer of klager in een iudicium privatum, ook de aanklager in een causa publica; daar de vormen van het privaatproces op het quaestionenproces worden overgebracht, neemt men ook verschillende woorden daarvan over.—Actor is ook de slaaf of vrijgelatene, die de zaken zijns meesters bestuurt, zooveel als rentmeester.—Actores publici waren onder de keizers de rentmeesters der staatsdomeinen.

Actoriōnes of Actoridae, Ἀκτορίωνες, Ἀκτορίδαι, ook Moliones, Molionidae, Μολίονε, Μολιονίδαι, en Ἀκτορίωνε Μολίονε genoemd, Eurytus en Cteatus, tweelingzonen van Poseidon en Molione, die met Actor gehuwd was. Nog zeer jong namen zij deel aan den krijgstocht van de Epeërs tegen Pylus. Ook onder de deelnemers aan de calydonische jacht worden zij genoemd. Bij de lijkfeesten van Amarynceus overwonnen zij Nestor in den wedren, in een gevecht tegen Heracles vonden zij den dood; hun graf was te Cleōnae in Argolis. Soms worden de twee broeders voorgesteld als aaneengegroeid (διφυεῖς, συμφυεῖς) met twee hoofden, vier handen en vier voeten.—Ook Patroclus als kleinzoon van een anderen Actor wordt Actorides genoemd.

Actuaria (navis), snel varend schip, snelzeiler, schip met laag boord, met slechts ééne rij roeibanken.

Actuarius, snelschrijver, verslaggever van het gesprokene in eene vergadering; in het leger van den keizertijd ook: foerier of kwartiermeester.

Aculeo, zie Furii no. 15.

Acusilāus, Ἀκουσίλαος, van Argos, logograaf uit de 5de eeuw.

Acypha, Ἀκύφας, zie Pindus no. 2.

Ada, Ἄδα, dochter van Hecatomnus, zuster van Maussōlus en Artemisia en met haar broeder Idrieus gehuwd. Na zijn dood (343) bleef de regeering over Caria slechts vier jaar in handen van Ada; daarna werd zij door haar jongsten broeder Pixodārus met perzische hulp van den troon gestooten, en na diens dood werd zijn schoonzoon Orontobates door den koning van Perzië in de regeering bevestigd. Ada behield slechts de vesting Alinda, die zij vrijwillig aan Alexander d. G. overgaf, toen hij in 334 tegen Halicarnassus oprukte, terwijl zij hem tot zoon aannam; daarvoor gaf Alexander haar na de verovering dezer stad (333) de regeering over geheel Carië terug.

Adamas, ἀδάμας, stof waarvan, naar men zich voorstelde, verschillende voorwerpen ten gebruike van goden en goddelijke wezens gemaakt waren; later ook diamant.

Addicere, addictio, addictus. Addicere beteekent in de taal der augurs: toestemmen, een gunstig voorteeken geven. Het werd gebezigd van de auguria ex avibus. Waren de teekenen gunstig, dan sprak de augur: aves addicunt; zoo niet, dan zeide hij: alio die. Als rechtsterm wordt addicere gebezigd, wanneer de praetor het betwiste voorwerp aan een der twistende partijen toewijst. Deze handeling heet addictio. Addictus was oudtijds degene, die zijne schulden niet kon betalen en derhalve door den praetor ten gevolge van een vonnis (addictio) aan den schuldeischer werd toegewezen. Betaalde de addictus niet binnen 60 dagen, dan kon de schuldeischer hem trans Tiberim verkoopen en zelfs dooden. Waren er meer schuldeischers, dan mochten zij het lichaam van den addictus verdeelen (corpus secare); zie ook nexum. Toen in 326 de lex Poetelia Papiria de persoonlijke inbeslagneming des schuldenaars had afgeschaft, werd de naam addictus gewoonlijk gebezigd van iemand, die veroordeeld was om te betalen.

Addua, rivier in Gallia Cisalpīna, thans Adda, die door den lacus Larius (meer van Como) stroomt, en in den Padus (Po) uitloopt.

Ἄδεια, waarborg tegen de nadeelige gevolgen, die men door het verrichten van eene of andere gevaarlijke of verboden handeling zou kunnen ondervinden; het is dus bijv. een vrijgeleide, verlof tot het doen van voorstellen die bij de wet verboden zijn, e. dgl. De ἄδεια werd door het volk verleend. Ἄδεια aan vreemdelingen verleend = ἀσυλία.

Adherbal, Ἀτάρβας. 1) Deze naam droegen enkele carthaagsche veldheeren in den eersten en tweeden punischen oorlog.—2) Adherbal was de oudste zoon van den numidischen koning Micipsa. Hij en zijn broeder Hiëmpsal werden door hun neef Jugurtha omgebracht, hetgeen aanleiding gaf tot den Jurgurthijnschen oorlog (112–106).

Adiabēnē, Ἀδιαβηνή, landschap in het N.O. van Assyria, ten oosten van den Tigris.

Adimantus, Ἀδείμαντος, 1) Corinthiër, aanvoerder der corinthische schepen in den oorlog tegen Xerxes. Themistocles bewoog hem door geschenken, bij Artemisium te blijven, hoewel hij zich wilde terugtrekken. Later verzette hij zich dikwijls tegen de voorstellen van Themistocles, en, naar het zeggen der Atheners, dat echter door anderen tegengesproken werd, zouden de corinthische schepen aan den slag bij Salamis geen deel genomen hebben.—2) atheensch admiraal in den slag bij Aegospotami, waarin hij, naar men zeide, verraad gepleegd had; hij was de eenige der atheensche admiraals, die door Lysander in het leven gelaten werd.—3) broeder van Plato.

Adlecti, 1) in het algemeen degenen, die in een collegie nog bij- of nagekozen worden, om het voltallig te maken.—2) = conscripti. Z. Patres.

Admēte, Ἀδμήτη, dochter van Eurystheus; voor haar haalde Heracles den gordel der Amazonenkoningin Hippolyte.

Admētus, Ἄδμητος, 1) zoon van Pheres, [9]koning van Pherae. In zijn jeugd nam hij deel aan de calydonische jacht en aan den Argonautentocht. Hij was een gastvriend van Heracles en een gunsteling van Apollo, die, uit den hemel verbannen, negen jaar als herder bij Admetus diende. Toen Adm. naar de hand van Alcestis dong, beloofde haar vader Pelias zijne toestemming te geven als hij haar kwam halen in een wagen met leeuwen en evers bespannen; door de hulp van Apollo gelukte hem dit. Onder andere weldaden die deze god hem bewees, was ook deze, dat hij van de Moerae de gunst verwierf dat, wanneer Adm.’s levensdraad afgesponnen was, een ander in zijne plaats zou mogen sterven. Toen nu het noodlottig uur gekomen was, begaf Alcestis zich vrijwillig voor hem in den dood; maar juist toen Adm. dit vernam en zich aan de grootste wanhoop overgaf, kwam Heracles toevallig bij hem en haalde haar terug. V. a. zou Persephone haar vrijwillig teruggezonden hebben.—2) koning der Molossers, bij wien Themistocles op zijne vlucht uit Athene eenigen tijd vertoefde (± 466). Hoewel Adm. rechtmatige grieven tegen hem had, weigerde hij hem aan de Atheners uit te leveren en zorgde hij, dat hij veilig naar Pydna kwam.

Admissio, onder de rom. keizers de toelating tot den vorst, de audiëntie. Officium admissionis, het ambt van den ceremoniemeester, die de audientiën regelt. Prima, secunda admissio, eerste, tweede klasse van audiëntie, naarmate men een hoogeren of lageren rang bekleedde.

Adonia, Ἀδώνια, feest ter eere van Adonis, dat in het oosten bij het begin der lente, maar in Griekenland en later ook te Rome bij het begin van den zomer gevierd werd. Het duurde twee dagen; op den eersten werd met veel klachten en gejammer het verdwijnen van Adonis naar de onderwereld, op den tweeden met buitensporige vreugde zijn terugkomst herdacht. Onder het zingen van klaagliederen, Ἀδωνιασμός, die Aphrodīte’s liefde voor Adonis en haar smart bij het vernemen van zijn dood en bij het vinden van den stervende bezongen, liepen vrouwen naar het beeld van Adonis te zoeken; nadat dit gevonden was, werd het met het beeld der godin op een pronkbed ten toon gesteld en eindelijk onder luide jammerklachten begraven of in zee geworpen. Ook plaatste men potten met kort bloeiende planten in de deuren der huizen en in de voorhoven der tempels (tuinen van Adonis, Ἀδώνιδος κῆποι).

Adōnis, Ἄδωνις, zoon van Cinyras en Myrrha of van Phoenix en Alphesiboea, van Cinyras en Metharme, van Thēas en Myrrha. Om zijne buitengewone schoonheid werd hij door Aphrodīte, die vandaar Ἀδωνιάς, Ἀδωνία heet, bemind. Toen hij op de jacht door een wild zwijn gedood was, verkreeg deze godin van Zeus, dat hij slechts de helft van het jaar bij Persephone behoefde te blijven, de andere helft brengt hij bij de andere goden op den Olympus door. Uit zijn bloed ontstond de teedere en kort bloeiende anemone. V. a. zou Aphrodite hem als knaap aan Persephone te bewaren gegeven hebben; doch deze, eveneens op hem verliefd geworden, weigerde hem terug te geven. Toen besliste Zeus dat Adonis een derde van het jaar bij Aphrodite en een derde van het jaar bij Persephone zou blijven, terwijl hij over een derde vrij zou kunnen beschikken. Ad. verkoos ook dien tijd met Aphrodite door te brengen.

Adoptio, aanneming als kind van iemand, die nog niet sui iuris was. Het middel hiertoe was eene driemaal herhaalde mancipatio. De werkelijke vader stond door een driemaal herhaalden schijnverkoop zijn zoon af aan een tusschenpersoon, die hem de eerste twee keeren weder aan den vader teruggaf. De vader had namelijk het recht zijne kinderen te verkoopen; doch als hij een zoon driemaal verkocht had, was de patria potestas verbroken. Na den derden schijnverkoop werd de zoon door dengene, die hem nu in handen had, ten overstaan van den praetor afgestaan aan den adoptiefvader en aan dezen door den praetor toegewezen (addictio). Hij gold nu voor een wettigen zoon van zijn adoptiefvader en voerde voortaan diens familie- en geslachtsnaam. De aanneming als zoon van iemand, die sui iuris was, werd arrogatio geheeten (z. a.) en ging met andere vormen gepaard. Een bijzondere vorm van adoptio was deze, dat een erflater bij testament iemand tot erfgenaam en tevens tot zoon aannam. Onder welken vorm de pater naturalis dan zijne toestemming gaf, wordt niet gemeld.

Adoratio, προσκύνησις, 1) Vereering der goden. Bij Grieken en Romeinen bestond de adoratio hierin, dat men de hand naar het beeld der godheid uitstrekte, ze vervolgens aan den mond bracht (ad os, vandaar adorare) en met halfgebogen knie het beeld een kushand toewierp. Ook werd het beeld vaak gekust.—2) Vereering der vorsten, z. adulatio.

Adramyttium, Ἀδραμύττιον, atheensche volkplanting aan de golf van dien naam, tegenover het eiland Lesbos.

Adrana, rivier in Germania, thans de Eder, een zijtak van de Fulda.

Adrānum, Ἀδρανόν, stad op Sicilia, aan den voet van den Aetna, in 400 door Dionysius gesticht. In de nabijheid was een tempel voor den vuurgod Adranus, waar volgens het verhaal duizend tempelhonden gehouden werden, bestemd om beschonken lieden naar huis te brengen.

Adrastēa, Ἀδράστεια, bijnaam van de phrygische godin Cybele en van Nemesis. Ook eene nimf, die met hare zuster Ida op Creta den jongen Zeus opvoedde.

Adrastus, Ἄδραστος, 1) zoon van Talaüs en Lysimache. Toen zijn vader gedood werd, werd hij door Amphiarāus uit Argos verjaagd en vluchtte hij naar zijn grootvader Polybus, dien hij in de regeering over Sicyon opvolgde. Later verzoende hij zich met Amphiaraus, kreeg aandeel aan de regeering over Argos, en gaf hem zijne zuster Eriphȳle tot vrouw. Een orakel had hem gezegd, dat hij zijne dochters aan een leeuw en een wild zwijn moest [10]uithuwen; toen nu Tȳdeus en Polynīces, de een uit Calydon, de ander uit Thebe voortvluchtig, in een stormachtigen nacht voor zijn paleis kwamen en daar in twist geraakten, kwam Adr. op het geraas aanloopen, en daar ieder van hen met de huid van een der genoemde dieren bekleed was, of het afbeeldsel van een dier dieren óp zijn schild had, zag Adr. daarin de vervulling van het orakel en gaf hij hun zijne beide dochters, terwijl hij beloofde hen weder naar hun vaderland terug te brengen. Met zijne bondgenooten ondernam hij nu eerst een krijgstocht tegen Thebe (den tocht der zeven tegen Th.), die echter ongelukkig afliep: alle aanvoerders sneuvelden, behalve Adr., die het aan de snelheid van zijn paard te danken had dat hij naar Attica kon vluchten. Tien jaar later ondernam hij voornamelijk ondersteund door de zonen der gesneuvelden (epigonen), een tweeden tocht tegen Thebe, die een gunstiger uitslag had; in dezen oorlog verloor hij echter zijn zoon Aegialeus en uit verdriet hierover stierf hij op den terugtocht te Megara. Adr. werd te Athene, Sicyon en Megara als halfgod vereerd.—2) zoon van den phrygischen koning Gordias, die wegens een onvrijwilligen moord naar Lydië vluchtte, en daar door Croesus vriendelijk ontvangen werd; bij ongeluk doodde hij echter op de jacht ook diens zoon, en uit wanhoop hierover bracht hij zichzelf om het leven.—3) naam van verschillende trojaansche aanvoerders in de Ilias.

Adria of Hadria, Ἀδρία, naam van twee steden: de eene, waaraan de adriatische zee haren naam ontleende, lag in het gebied der Veneters, nabij den Padus; het was oudtijds een belangrijke stad der Etruscers en de uitvoerhaven voor het van het Noorden komende barnsteen, zie Eridanus; de andere lag in Picēnum. Ook de genoemde zee zelve komt onder den naam Adria, Ἀδρίας, voor. Ook de spelling Hatria wordt gevonden.

Adriānus, zie Hadrianus.

Adrumētum of Hadrumētum, Ἀδρύμητον of Ἀδρύμης, -ητος, stad in het gebied van Carthago, en wel in het gewest Byzacēne of Byzacium, waarvan het onder de keizers de hoofdstad werd. Het lag aan de kust.

Aduatuca, eene sterkte in het gebied der Eburonen, z. Tungri. Het lag misschien bij Limburg in het dal van de Vesdre.

Aduatuci, germaansche volksstam aan de linkerzijde van de Maas, afstammelingen van de Cimbern en Teutonen, later met andere stammen onder den naam van Tungri saamgesmolten.

Adulatio, προσκύνησις, kruipende vereering der vorsten. Zij bestond hierin, dat men zich met het aangezicht ter aarde wierp en den grond kuste. Deze gewoonte, bij oostersche volken te huis behoorende en door lage vleiers ook tegenover de rom. keizers in praktijk gebracht, werd onder keizer Diocletianus voorschrift.

Adūla mons, een berggroep in Oostelijk Zwitserland, brongebied van den Rijn en den Addua.

Adūle, Ἄδουλις, voorname handelsplaats in Aethiopia, aan een inham der arabische golf gelegen, bekend om het monumentum Adulinanum, brokstukken van twee opschriften, door Cosmas Indicopleustes, een grieksch zeevaarder uit den tijd van keizer Justinus, afgeschreven. Het eerste stuk heeft betrekking op een Ptolemeus Euergetes, het tweede op een later inheemsch vorst.

Ἀδύνατοι zwakken of gebrekkigen, die niet in hun eigen onderhoud konden voorzien. Te Athene werd in den regel aan zulke menschen bij volksbesluit eene ondersteuning van 1 of 2 obolen per dag toegekend.

Adversaria (scil. scripta), aanteekenboek of journaal, waarin men voorloopig ontvangsten en uitgaven opteekende, om ze later in het kasboek (tabulae of codex accepti et expensi) over te brengen.

Advocātus, iemand, die bij een rechtsgeding ten behoeve van een der partijen tegenwoordig is, niet om te pleiten, maar om door zijne aanwezigheid eenigen invloed uit te oefenen en, zoo noodig, raad te geven. De pleiters werden causarum patroni geheeten, (z. Patronus no. 2). Onder de keizers verdween dit onderscheid.

Adyrmachidae, Ἁδυρμαχίδαι, een volk van Libya, dat ten westen van Aegypte langs de kust woonde.

Adytum, ἄδυτον, penetrale, een geheim, voor de leeken verborgen vertrek achter in een tempel, somtijds gedeeltelijk onder den grond. Niet aan alle tempels was een adytum aangebracht, maar vooral aan die, waar godspraken werden gegeven. Het adytum had dikwijls een geheimen ingang, terwijl naar de tempelruimte verborgen spreekbuizen liepen, waardoor de woorden drongen, welke de geloovigen voor de stem der godheid hielden.

Aea of Aeaea, Αἶα, Αἰαία, het (verre) land. Men stelde zich voor dat zoowel aan het westelijk als aan het oostelijk einde der aarde een Aea lag; het eerste was het fabelachtige eiland van Circe, het laatste het land van waar de Argonauten het gouden vlies haalden. Volgens de meening der latere Grieken was het westelijke Aea = Circeii in Latium, het oostelijke = Colchis.

Aeaces, Αἰάκης, 1) vader van Polycrates, Pantagnōtus en Syloson.—2) zoon van Syloson, tyran van Samus. Door Aristagoras van Milēte verjaagd, wist hij de Samiërs te overreden om in den slag bij Lade (497) de vloot der ionische Grieken te verlaten; daarvoor gaven de Perzen hem na het onderdrukken van den Ionischen opstand (494) de regeering over Samus weder.

Aeacides, Αἰακίδης, Peleus, Achilles, Neoptolemus e.a. als afstammelingen van Aeacus.

Aeacus, Αἰακός, zoon van Zeus en Aegīna, koning van Aegina, stond om zijne vroomheid in hooge gunst bij de goden. Toen Aegina door de pest ontvolkt was, liet Zeus op het gebed van Ae. een hoop mieren in menschen veranderen, die vandaar Myrmidonen genoemd werden. Ook bewerkte hij eens door zijn gebed [11]het ophouden van eene langdurige droogte, die geheel Griekenland teisterde. Hij hielp Apollo en Poseidon bij het opbouwen van de muren van Troje, en daardoor kon later de stad veroverd worden, wat niet het geval zou geweest zijn, indien het werk geheel door die goden verricht was; ook gaf reeds dadelijk bij het voleindigen van den bouw een wonderteeken te kennen dat het door Ae. gebouwde gedeelte door zijn zoon (z. Telamon) en door zijn achterkleinzoon (z. Neoptolemus) zou bestegen worden. Hij was de vader van Telamon en Peleus. Na zijn dood werd hij door Zeus als rechter in de onderwereld geplaatst en op Aegina en te Athene als halfgod vereerd.

Aeaea, z. Aea.

Aeantis, Αἰαντίς, een van de 10 phylae, waarin de bevolking van Attica door Clisthenes verdeeld werd.

Aebutia (lex) de formulis, plebisciet, van ± 200, tot invoering van het formulierproces. Zie formula.

Aebutia (lex), dat, wanneer bij eene opzettelijke wet aan iemand een last werd opgedragen, noch de ontwerper der wet noch een zijner bloedverwanten of ambtgenooten daarbij benoembaar was. Dit plebisciet is van onzekeren tijd.

Aebutii, patricisch geslacht, dat in de eerste eeuw der republiek enkele consuls leverde. Het cognomen Elva of Helva is later in de fasti bijgevoegd.

Aeculānum, stad der Hirpini in Samnium, niet ver van Beneventum.

Aedepsus, Αἰδηψός, stad in het N. van Euboea, met warme baden.

Aedes. Terwijl dit woord als plurale een woonhuis aanduidt, wordt het enkelvoud gebezigd in den zin van godshuis, tempel. In het meervoud zegt men voor tempels aedes sacrae. Evenmin als elk templum een aedes is, evenmin is elke aedes een templum. Daartoe moet de aedes met een bepaald formulier volgens vaste regels aan de godheid opgedragen (dedicatio) en door een augur gewijd worden (consecratio).

Aedīles, ἀγορανόμοι. De aediles zijn oorspronkelijk geweest opzichters, men zou kunnen zeggen kerkvoogden, van den in 493 door Sp. Cassius Viscellinus gestichten tempel (aedes) van Ceres (z. a.). Waarschijnlijk hebben ze sedert 471, toen de plebs haar vertegenwoordiging kreeg in de 4 tribuni plebis, naast de priesterlijke ook politieke functies vervuld, en zijn tot aediles plebis geworden. Ze waren helpers deels van de consuls, deels van de volkstribunen, en hadden het toezicht over het plebejisch archief in aede Cereris. Zij werden gekozen uit de plebs. Bij de reorganisatie van den staat, in 366, werden er naast de twee plebejische aedilen twee patricische aedilen (aediles curules) gekozen, die ongeveer denzelfden werkkring hadden als de plebejische, maar niet met hen één collegium vormden. Het verhaal van Livius, dat, toen in 366 de ludi Romani ter eere der verzoening tusschen de patriciërs en de plebs met een dag verlengd waren en de plebejische aedilen weigerden, zich de kosten te laten welgevallen, zich patriciërs daartoe aangeboden hadden, en zoo de curulische aediliteit is ontstaan, is onjuist. De aed. cur. hadden de toga praetexta, de sella curulis, en later het ius imaginum. Reeds vrij spoedig werd het ambt afwisselend door patriciërs en plebejers bekleed. De aedilen hebben steeds in rang boven de tribuni plebis gestaan.

Werkkring der aedilen. In de eerste plaats behoorde hiertoe de cura urbis, waartoe te rekenen zijn het algemeen politietoezicht op de openbare veiligheid, het toezicht op gebouwen, op de reinheid en het onderhoud, van wegen en waterleidingen en dgl. Ten tweede ging hun de cura annonae aan, welke cura zich niet tot den graanhandel bepaalde, maar het geheele handelsverkeer en marktwezen omvatte. Het derde gedeelte was de cura ludorum, n.l. de zorg voor zekere spelen, waarvoor de senaat wel eene bijdrage uit de staatskas toestond, die echter niet toereikend was om aan de steeds klimmende eischen van het volk te voldoen, zoodat eerzuchtige mannen zich vaak te gronde richtten, om de volksgunst te verwerven. De aedilen kunnen voor sommige misdrijven van niet-politieken aard boeten opleggen; overschrijdt de boete de provocatiegrens, dan brengen de aediles curules de zaak voor de comitia tributa, de aed. plebis voor het concilium plebis. De aediles curules hebben ook rechtspraak in handelsgeschillen.

De aediles plebis werden onder voorzitterschap der volkstribunen in de concilia plebis, de aediles curules in de comitia tributa onder voorzitterschap van een consul of praetor gekozen. Onder de keizers werd hun werkkring zeer beperkt, tot zij ten laatste ophielden te bestaan.

Aediles Cereales. C. Julius Caesar droeg de cura annonae, meer bepaald de zorg voor den korenaanvoer, aan twee aedilen op en belastte hen tevens met het geven der Cerealische feesten.

Aediles municipales. Ook in de municipia vindt men stedelijke overheden met den naam van aedilen.

Aedituus, ναοφύλαξ, ἱεροφύλαξ, νεωκόρος (z. a.), tempelwachter, belast met de bewaking en het toezicht op het schoonhouden van het gebouw.

Aēdon, Ἀηδών, dochter van Pandareüs, gehuwd met koning Zethus. Daar zij slechts één zoon had, was zij naijverig op Niobe, die rijk met kinderen gezegend was, en wilde zij den oudsten zoon van deze dooden, doch bij vergissing doodde zij haar eigen zoon. Zij werd daarop door Zeus in een nachtegaal veranderd, die steeds om haar zoon jammert.

Aedūi, Αἰδούιοι, een machtige gallische volksstam, tusschen den Liger (Loire) en den Arar (Saône) gevestigd, het eerste volk in Gallia, dat met de Romeinen een vriendschapsbond sloot en hiervoor den titel van fratres et consanguinei populi Romani verwierf. Caesar bevrijdde hen van de overheersching van den Germaan Ariovistus. Later lieten [12]de Aeduërs zich overhalen om deel te nemen aan den grooten gallischen opstand onder Vercingetorix, doch werden door Caesar niet daarvoor gestraft. In 21 n. C. stonden ze op onder Sacrovir (z. a.). In hun gebied lagen de steden Bibracte, de hoofdstad, later verdoopt in Augustodūnum (Autun), Noviodūnum (Nevers), Cabillōnum (Châlons sur Saône).

Aeētes, Αἰήτης, zoon van Helius en Persēïs of Antiope, koning van Colchis. Onder zijne regeering kwam Phrixus het gulden vlies naar Colchis brengen en kwamen de Argonauten het weder halen.

Aeëtias, Αἰητίς, Medēa, dochter van Aeētes.

Aefula, hoog gelegen stadje ten Z. van Tibur.

Aegae, Αἰγαί, naam van onderscheidene steden, als: 1) in Achaia, met een beroemden Poseidontempel;—2) op de westkust van Euboea;—3) in het macedonische landschap Emathia, oude hoofdstad en begraafplaats der macedonische koningen, later Edessa geheeten, z. a.;—4) in Aeolis op de kust van Klein-Azië, ook Aegaeae, Αἰγαῖαι geheeten;—5) belangrijke havenstad in Cilicia, aan de golf van Issus.

Aegaeisch tijdperk noemt men het oudste tijdperk der grieksche geschiedenis, waarvan wij slechts kennis hebben door overblijfselen, welke men langs de kusten en op de eilanden der Aegaeïsche zee vindt. Deze overblijfselen leeren ons dat reeds toen tusschen al deze landen verkeer bestond, zoodat de beschaving, hoewel nog op een lagen trap staande (er worden bijv. meest steenen gereedschappen gebruikt), overal ongeveer dezelfde was. Het aeg. tijdperk wordt geacht omstreeks 1500 te eindigen.

Aegaeon, Αἰγαίων, door de goden Briareōs genoemd, een van de Centimani. Toen Hera, Poseidon en Athēna of Apollo eens Zeus wilden boeien, riep Thetis Aeg. te hulp, en door hem werden zij genoodzaakt van hun plan af te zien.

Aegaeum mare, Αἰγαῖον πέλαγος, welke naam in de middeleeuwen door de Venetianen tot Archipelago is misvormd, vanwaar ons woord Archipel, de zee tusschen Griekenland en Klein-Azië, met tal van eilanden. De oorsprong van den naam is onzeker; de mythe brengt dien in verband met koning Aegeus, den vader van Theseus.

Aegaleos, Αἰγάλεως, berg op de kust tegenover Salamis, vanwaar Xerxes in 480 de nederlaag zijner vloot aanschouwde. De Aegaleos scheidt de Atheensche vlakte van de Thriasische, waarin Eleusis ligt.

Aegātes, αἱ Αἴγουσσαι, de geiteneilanden, eilandengroep ten westen van Sicilia. Bij een van deze eilanden, Aegūsa, won de rom. consul C. Lutatius Catulus in 241 den laatsten beslissenden zeeslag in den eersten punischen oorlog.

Aegēis, Αἰγηίς, een van de 10 phylae, waarin de bevolking van Attica door Clisthenes verdeeld werd.

Aegestes, Αἰγέστης = Acestes.

Aegeus, Αἰγεύς, zoon van Pandīon no. 3. Na den dood van zijn vader heroverde hij Athene met de hulp van zijne broeders en kreeg hij daar de regeering. Later door de zonen van zijn broeder Pallas verjaagd, werd hij door zijn zoon Theseus weder op den troon gebracht. De Panathenaeën werden door hem ingesteld of uitgebreid. Toen eens bij deze feesten Androgeos, de zoon van Minos, alle prijzen behaalde, liet Aeg. hem uit afgunst dooden. Minos deed hem den oorlog aan en dwong hem op gezette tijden zeven jongelingen en zeven jonge meisjes naar Creta te zenden om aan den Minotaurus tot spijs gegeven te worden. Van dezen smaad werd Athene spoedig door Theseus bevrijd, maar daar hij bij zijne terugkomst van Creta verzuimde het zwarte zeil, waarmede het schip was uitgegaan, door een wit te vervangen, wat volgens afspraak voor zijn vader het teeken van den gunstigen afloop der onderneming zoude zijn, meende Aeg. dat ook zijn zoon het offer van den Minotaurus geworden was en stortte hij zich in de zee, die hiernaar de Aegaeïsche zee genoemd wordt.—Aegeus is ook een bijnaam van Poseidon en oorspronkelijk niemand anders dan deze god zelf.

Aegiale, Aegialēa, Αἰγιάλη, -άλεια, dochter van Adrastus en Amphithea, gemalin van Diomēdes (z. a.).

Aegialos, Αἰγιαλός, het kustland, oude naam voor Achaia.

Aegialeus, Αἰγιαλεύς, zoon van Adrastus, sneuvelde bij de onderneming der epigonen.

Aegīdes, Αἰγείδης, 1) Theseus, zoon van Aegeus.—2) burger van de attische phyle Aegeis.

Aegilia, Αἰγιλιά, 1) attische demos.—2) eilandje tusschen Creta en Cythēra.—3) eilandje tusschen Attica en Euboea.

Aegimius, Αἰγίμιος, de mythische stamvader der Doriërs, aan den Pindus woonachtig. In een oorlog tegen de Lapithen riep hij de hulp van Heracles in en beloofde hem daarvoor een derde van zijn land. Heracles versloeg de Lapithen, maar nam de toegezegde belooning niet aan. Uit dankbaarheid nam Aeg., die twee zonen had, Pamphȳlus en Dymas, ook den zoon van Heracles, Hyllus, tot zoon aan, en van deze drie personen hebben de dorische phylen hare namen: Pamphyli, Dymānes, Hylles.

Aegīna, Αἰγίνη, Αἲγινα, dochter van den riviergod Asōpus, die door Zeus naar het eiland Oenōne gebracht werd en daar Aeacus (z. a.) ter wereld bracht. Naar haar werd het eil. sedert dien tijd Aegina genoemd. Dit kleine en vruchtbare eiland in de saronische golf werd daarna met Myrmidonen, die tot den achaeischen stam behooren, bevolkt en door Aeacus geregeerd; toen echter diens zonen het eiland verlaten hadden, werd de bevolking grootelijks vermeerderd door epidaurische kolonisten (Doriërs) en bleef Aeg. langen tijd in nauwe betrekking tot Epidaurus staan. In oude tijden bereikte Aeg. door handel, nijverheid en kunst een hoogen trap van bloei (bekend is de tempel van Aphaia, [13]waarvan het beeldwerk (de zoogenaamde Aegineten) te München bewaard wordt); na 480 werd het echter door Athene overvleugeld en de langdurige vijandelijkheden eindigden hiermede, dat in 456 Aeg. schatplichtig werd, de muren der stad afbreken en de schepen uitleveren moest; in 429 werden zelfs de oude inwoners geheel verdreven en hoewel zij na den slag bij Aegospotami door Lysander teruggebracht werden, kwam de oude macht en welvaart toch nooit terug. Sedert 318 behoorde Aeg. tot Macedonië, sedert 229 wordt het genoemd als een lid van het achaeïsch verbond, sedert 196 als een deel van het gebied van Attalus van Pergamus; in 129 kwam het onder de Romeinen.

Aegiplanctus, Αἰγίπλαγκτον ὄρος, kaap in Megaris, aan de corinthische golf.

Aegīra, Αἴγειρα, stad in het oostelijk gedeelte van Achaia, waarvan nog bouwvallen bestaan.

Aegirūsa, Αἰγιροῦσσα, aeolische stad in Klein-Azië.

Aegis, Αἰγίς, schild van Zeus met honderd gouden kwasten versierd. Hij gebruikte dit schild om door eene beweging er mede den menschen schrik in te boezemen; men stelde zich voor dat het het Medusahoofd en schrikwekkend beeldwerk droeg. V. a. was de aeg. een mantel, gemaakt van het vel der geit, die Zeus gezoogd had. Bij Homerus staat Zeus de aeg. dikwijls aan Athēna, eens ook aan Apollo ten gebruike af, later echter kende men aan Athena zelve een aeg. toe, nu eens als mantel, dan als harnas gedacht, altijd met het Medusahoofd, met slangen omkranst, enz. V. a. was deze aegis het vel van een vuurspuwend monster, dat door Athena gedood was.

Aegisthus, Αἴγισθος, zoon van Thyestes en diens dochter Pelopēa. Hij werd door zijne moeder te vondeling gelegd en door herders gevonden, die hem door een geit lieten zoogen. Hij werd verder door Atreus opgevoed, die hem, toen hij volwassen was, opdroeg Thyestes te vermoorden; maar Aeg., die nog tijdig vernam, dat Thyestes zijn vader was, doodde Atreus bij een offer en maakte zich met Thyestes van de regeering over Mycēnae meester, waaruit hij evenwel na den dood van Thyestes door Agamemnon weder verdreven werd. Terwijl Agamemnon met het leger voor Troje was, wist Aeg. diens echtgenoote Clytaemnestra te verleiden, en toen Ag. terugkwam ging Aeg. hem te gemoet, noodigde hem tot een maaltijd, maar doodde hem met behulp van Clytaemnestra in het bad. Hij zelf werd zeven jaar later, zooals hem voorspeld was, door Agamemnons zoon Orestes gedood.

Aegium, Αἴγιον, stad in Achaia, na de vernieling van Helice door de zee (373) de hoofdplaats van het achaeïsch verbond. Aratus van Sicyon stierf hier, 213.

Aegle, Αἴγλη, 1) de schoonste der Naiaden, moeder der Gratiën.—2) gemalin van Theseus.

Aegon, Αἴγων, koning van Argos, die na het uitsterven der Heracliden deze waardigheid kreeg.

Aegospotamos, Αἰγὸς ποταμοί, geitenrivier, riviertje en stad in de Chersonēsus Thracica, aan den Hellespont, tegenover Percōte, waar in den peloponnesischen oorlog de laatste atheensche vloot in den herfst van 405 door Lysander genomen werd.

Aegosthena, τὰ Αἰγόσθενα, vlek in Megaris, aan de NW.-kust gelegen.

Aegūsa, Αἴγουσσα, een der Aegatische eil., ten westen van Sicilia, z. Aegates.

Aegyptus, ἡ Αἴγυπτος, het bekende Nijlland. Van Syene en Philae op ongeveer 24° N.B. tot omstreeks 27½° N.B. strekte zich Opper-Aegypte of Thebaïs, het land van Thebe, uit; vandaar tot even beneden Memphis Midden-Aegypte of Heptanomis, het land der zeven distrikten; dan volgde het naar zee breed uitloopende Delta-land. De geschiedenis van het land kan in vier hoofdtijdperken worden gesplitst: 1) Het aegyptische tijdperk, van de oudste tijden af tot aan de verovering van het rijk door den perzischen koning Cambyses in 525.—2) Het perzische tijdperk, tot aan de onderwerping des lands aan Alexander den Gr. in 332.—3) Het macedonische tijdperk, tot de inlijving bij het rom. rijk door Octaviānus (Augustus) in 30. Dit is het tijdvak der Ptolemaeën, die grieksche beschaving, zeden, gewoonten en godsdienst zochten in te voeren en onder wie Aegypte een tijdperk van grooten bloei en welvaart beleefde.—4) Het rom. tijdperk, tot aan de verovering door de Arabieren, 638 na C. Als rom. provincie had Aegypte eene bijzondere organisatie. In de plaats der koningen trad een stadhouder, praefectus Aegypti, doch de vorm van bestuur, plechtigheden en ceremoniën, alles bleef, zooals het te voren onder de Ptolemaeën was geweest; zelfs bleef het Grieksch de officieele taal. De stadhouder had ook niet, zooals overal elders, lictoren met bijlbundels. Alexandrië bleef de residentie.

Aegyptus, Αἴγυπτος, zoon van Belus en Anchinoë. Hij onderwierp zich het land der Melampoden en noemde dit Aegyptus. Hij was de vader van vijftig zonen, waarvan 49 in één nacht door de Danaïden (z. Danaüs) gedood werden. Aeg. kwam daarop naar Argos om den dood zijner zonen te wreken, maar door zijn eenig overgebleven zoon Lynceus overreed, zag hij hiervan af. V. a. stierf hij van verdriet.

Ἀειναῦται, magistraten te Milēte. De afleiding van den naam is onzeker.

Ἀείσιτοι, heetten te Athene de personen, die krachtens hun ambt of eene bijzondere vergunning dagelijks op kosten van den staat in het Prytanēum (later in den Tholus) hun maaltijd hielden. De prytanen (z. πρυτάνεις) zijn niet onder dien naam begrepen.

Aelana, τὰ Αἴλανα, handelsstad in Arabia Petraea, aan den noordoostelijken inham der arabische golf (de Roode Zee), welke inham naar de stad sinus Aelanites of Aelaniticus werd geheeten. Hier werden onder koning Salomo de joodsche handelsvloten naar het land Ophir uitgerust.

Aelia (leges) et Fufia, de auspiciis, twee [14]wetten van de volkstribunen Q. Aelius Paetus en M. Fufius, omstreeks 156. Zie servare de caelo.

Aelia Sentia (lex), van de consuls Sex. Aelius Catus en C. Sentius Saturninus, 4 n. C. Deze wet bepaalde, dat vrijgelatenen, die als slaven onteerende straffen hadden ondergaan, geen cives, maar dediticii zouden zijn. Ook onderwierp zij het burgerschap van vrijgelatenen beneden 30 jaar aan zekere voorwaarden.

Aelia Capitolīna, naam dien keizer P. Aelius Hadrianus aan Jerusalem gaf, waarheen hij eene rom. kolonie zond (130 n. C.). Een geweldige opstand was hiervan het gevolg (zie Hadrianus). Jerusalem werd door de keizerlijke troepen ingenomen en verwoest, doch op ’s keizers last herbouwd.

Aeliānus, 1) Αἰλιανὸς ὁ τακτικός, leefde tijdens de regeering van keizer Hadrianus, en schreef een werk over taktiek.—2) Claudius Aelianus, geboren te Praeneste, leefde in het begin der derde eeuw na C. en schreef o. a. onder den titel Ποικίλη ἱοτορία, Varia Historia, in 14 boeken een verzameling verhalen en anecdoten. Meer waarde heeft een ander werk van hem: Περὶ ζῴων in 17 boeken, eveneens eene verzameling verhalen, die alle betrekking hebben op het leven der dieren.

Aelii, een aanzienlijk geslacht, waarvan de Paeti en de Tuberones de meest bekende familiën zijn. O. a. behoorden nog tot de Aelia gens de familiën Catus, Lamia, Ligur, Staienus. 1) P. en Sex. Aelius Paetus, twee broeders, beiden als rechtsgeleerden beroemd, vooral de laatste, die hierdoor den bijnaam Catus verkreeg. P. Aelius was consul in 201, Sex. Aelius in 198. Sextus Aelius heeft een werk geschreven, Tripertita geheeten, waarvan nog fragmenten over zijn. Het bevatte 1o den tekst der XII tafelen, 2o de verklaring daarvan, 3o de legis actiones, een uitbreiding van het ius Flavianum.—2) Q. Aelius Tubero, schoonzoon van L. Aemilius Paullus, nam onder dezen aan den oorlog tegen Perseus deel.—3) Q. Aelius Tubero, zoon van no. 2, zusterszoon van Scipio Africanus minor, rechtsgeleerde en aanhanger der stoïcijnsche wijsbegeerte, staatkundig tegenstander der Gracchen, is dezelfde, die in Cicero’s geschrift de republica sprekende wordt ingevoerd.—4) L. Aelius Tubero, boezemvriend van Cicero, met wien hij samen onderricht had ontvangen, koos evenals Cicero de partij van Pompeius, doch verzoende zich later met Caesar.—5) Q. Aelius Tubero, zoon van no. 4, had aan den slag bij Pharsālus tegen Caesar deelgenomen, doch zich ook met dezen verzoend. Het was tegen zijne aanklacht dat Cicero de oratio pro Q. Ligario hield. Hij was redenaar, schrijver over rechtskundige onderwerpen en annalist. Zijn geschiedwerk reikte van de oudste tijden tot aan de oorlogen van Caesar en Pompeius.—6) L. Aelius Lamia, rom. ridder, werd in 58 verbannen, omdat hij Cicero durfde verdedigen; zijne beide zoons Q. en L. behoorden tot de vrienden van den dichter Horatius. Van dezen is L. (consul 3 n. C.) de meest bekende.—7) L. Aelius Stilo Praeconinus, uit Lanuvium, beroemd taalgeleerde en leermeester van Varro en ook van Cicero. Vooral maakte hij studie van het oud-Latijn.—8) L. Aelius Seianus, zoon van L. Seius Strabo, door adoptie in de gens Aelia opgenomen, was praefectus praetorio van 14 tot 31 na C. onder Tiberius, eerst met zijn vader, na diens dood alleen. In 23 n. C. legde hij voor de cohortes praetoriae, die tot nu toe in de stad verspreid waren, een vast kamp aan buiten de porta Viminalis, ten N.O. van de stad, de Castra praetoria (z. a). Toen Tiberius hem te Rome de vrije hand liet, heerschte Seianus als eigenmachtig tyran. Ten einde zichzelven den weg tot den troon te banen, liet hij ’s keizers zoon Drusus Caesar door toedoen van diens vrouw Livia door vergif uit den weg ruimen (23). Ook Agrippina, de weduwe van Germanicus, en hare beide zonen vielen als offers zijner eerzucht (29). Ten slotte echter werden Tiberius door Antonia minor (Antonii no. 11) de oogen geopend; Seianus werd in hechtenis genomen, door den senaat gevonnisd en met zoon, dochter en een aantal vrienden ter dood gebracht.—9) Aelius Gallus, rom. ridder en onder Augustus praefectus van Aegypte; hij ondernam op bevel van Augustus een expeditie tegen Arabia Felix (25–24), die mislukte.—10) P. Aelius Aristides, beroemd grieksch redenaar, geb. te Hadriani in Mysia in 129 n. Chr. Van hem zijn 55 veel bewonderde redevoeringen overgebleven, die echter voor een groot deel niet bestemd waren voorgedragen te worden. Hij volgt daarin met voorliefde Isocrates en Demosthenes na. Hij reisde veel en kwam ook te Rome, doch bij voorkeur hield hij zich te Smyrna op, waar hij ± 189 stierf. Toen deze stad door een aardbeving verwoest was, wist hij keizer Marcus Aurelius te bewegen haar te laten herbouwen, daarom werd te Smyrna een standbeeld voor hem opgericht, dat nog bestaat.—11) P. Aelius Hadrianus, keizer, zie Hadrianus.—12) Aelius Donatus, zie Donatus (Aelius).

Aëllo, Aëllopus, Ἀελλώ, Ἀελλόπους, een van de Harpyiën.

Aemilia (lex) de censura, van den dictator Mamercus Aemilius 434 (Aemilii no. 6) beperkte den duur van het censorschap tot achttien maanden. Zie echter onder Censor.

Aemilia (lex) sumptuaria, van den consul M. Aemilius Scaurus (Aemilii no. 11), van 115. Zij beperkte de tafelweelde, door het verbod van sommige als lekkernij beschouwde spijzen, o.a. veldmuizen, schelpdieren en vreemde vogels.

Aemilia (lex) de libertinorum suffragiis, van denzelfden, eveneens van 115, bepaalde, dat de vrijgelatenen in de 4 tribus urbanae moesten ingeschreven worden.

Aemilia (via). Deze weg, in 187 aangelegd door den consul M. Aemilius Lepidus (Aemilii no. 2), liep van Ariminum in rechte lijn naar Placentia aan de Po. Deze weg heeft zijn naam gegeven aan de VIII regio Italiae (tgw. Emilia). Een andere weg van gelijken naam, in 109 aangelegd door den censor M. Aemilius Scaurus (Aemilii [15]no. 11), liep van Pisa langs zee tot aan Vada, en van daar over de Apennijnen naar Dertona. Het eerste gedeelte van dezen weg wordt later, omdat het een voortzetting der via Aurelia is, ook Aurelia genoemd.

Aemilianus (M. Aemilius), stadhouder van Pannonia en Moesia, werd in 253 na C. door zijne legioenen tot keizer uitgeroepen. Hij overwon keizer Gallus, doch werd op zijn beurt verslagen door Valerianus en hierop door zijne eigene troepen om het leven gebracht.

Aemilii, een oud, beroemd, patricisch geslacht, waartoe o. a. de familiën Lepidus, Mamercinus, Paullus, Scaurus, Barbula, Papus behoorden. 1) M. Aemilius Lepidus, zoon van no. 2, bracht door zijn moed veel bij tot het winnen van den slag bij Magnesia (190) tegen Antiochus III van Syrië.—2) M. Aemilius Lepidus, consul in 187 en 175, censor in 179, streed gelukkig tegen de Liguriërs. Als consul legde hij de via Aemilia, van Ariminum naar Placentia, aan. Als censor bouwde hij met zijn ambtgenoot M. Fulvius Nobilior (Fulvii no. 11), de basilica Aemilia et Fulvia, die gewoonlijk Aemilia genoemd wordt. Zijne krachten wijdde hij aan den staat tot zijn dood toe. Twee zoons van hem bekleedden ook het consulaat, in 137 en 126. Een kleinzoon was—3) M. Aemilius Lepidus, consul in 78, het jaar van Sulla’s dood. Uit gegronde vrees, dat hij zou pogen, zich van het gezag meester te maken, had de Senaat hem Gallia opgedragen, doch Lepidus verzamelde een leger in Etruria om tegen Rome op te trekken. Hij werd echter door Pompeius en den consul Q. Lutatius Catulus (Lutatii no. 5) verslagen en vluchtte naar Sardinia, waar hij in 77 stierf. Zijn onderbevelhebber M. Perperna week naar Hispania en sloot zich daar bij Sertorius aan.—4) M. Aemilius Lepidus, de bekende drieman, was een zoon van no. 3. Hij was een aanhanger van Caesar, door wiens toedoen hij in 49 praetor en in 46 Caesars medeconsul werd. Hij bezorgde in 49 aan Caesar de dictatuur en werd zelf in 45 magister equitum. In 44 droeg Caesar hem het kommando op in Hispania citerior en zuidelijk Gallia. Na Caesars vermoording vereenigde Lepidus zich met Antonius, werd pontifex maximus en in 43 met Antonius en Octavianus lid van het driemanschap, waarbij hij voor zijn deel Africa kreeg. Toen hij echter in 36 Sextus Pompeius uit Sicilia had helpen verdrijven, doch zelf de hand naar dit eiland uitstak, werd hij door zijn leger verlaten en door Octavianus genoodzaakt, zich geheel uit het staatsbestuur terug te trekken; alleen de waardigheid van pontifex maximus behield hij. Hij leefde nog tot 13 op een landgoed te Circeii, onder bewaking, in eene vermomde gevangenschap.—5) M. Aemilius Lepidus Porcina, consul in 137, wordt als redenaar geroemd. Als proconsul van Hispania citerior ondernam hij in 136 tegen den wil des senaats een hoogst onrechtvaardigen oorlog tegen de Vaccaeërs, doch leed een zware nederlaag. In 125 werd hij wegens geldverkwisting door de censoren tot eene boete veroordeeld.—6) Mamercus Aemilius, dictator in 437, 434 en 426. Uit zijn tweede dictatorschap is de lex Aemilia de censura afkomstig, welke den duur van het censorschap tot achttien maanden beperkte. Zie echter onder Censor. Uit wraak brachten de eerstvolgende censoren hem onder de aerarii.—7) L. Aemilius Mamercinus Privernas, consul in 341 en 329, dictator 335 en 316. Zijn bijnaam Privernas had hij te danken aan de inneming der stad Privernum in het gebied der Volscen.—8) M. Aemilius Paullus, consul 302, versloeg bij Thurii den spartaanschen avonturier Cleonymus, die eene landing in Italië beproefde.—9) M. Aemilius Paullus, consul in 219 en 216, versloeg in 219 Demetrius van Pharus en onderwierp het illyrische kustland. In 216 verloor hij met zijn ambtgenoot C. Terentius Varro den noodlottigen slag tegen Hannibal bij Cannae, waarin hij sneuvelde. Hij had den slag ontraden, doch Varro, die op dien dag het opperbevel voerde, luisterde niet naar hem. Aemilius Paullus viel, omdat hij te hooghartig was om zich door de vlucht te redden. Hierom wordt hij door Horatius magnae animae prodigus genoemd.—10) L. Aemilius Paullus, zoon van no. 9, tuchtigde in 182 als consul de Liguriërs, en overwon in zijn tweede consulaat, 168, bij Pydna koning Perseus van Macedonië, dien hij gevangen naar Rome medevoerde. Deze oorlog, waarin hij ook Epīrus op vreeselijke wijze verwoestte, verschafte hem den bijnaam Macedonicus. Hij stortte na den oorlog zooveel geld uit den buit in het aerarium, dat het tributum (z. a.) afgeschaft werd. Hij hield eene schitterende zegepraal te midden van grievend huiselijk leed, daar een zijner zoons vijf dagen vóór, en een ander drie dagen na den triumftocht overleed. Twee andere zoons waren door adoptie in andere geslachten overgegaan, n.l. Q. Fabius Maximus Aemilianus (Fabii no. 18) en P. Cornelius Scipio Aemilianus Africanus minor, de veroveraar van Carthago (Cornelii no. 18).—11) M. Aemilius Scaurus, consul in 115, streed gelukkig tegen volksstammen in de Alpen en werd in 112 als gezant naar Jugurtha, koning der Numidiërs gezonden. In 111 was hij legaat van den consul L. Calpurnius Bestia in den jugurthijnschen oorlog. Beiden lieten zich door Jugurtha omkoopen; doch alleen L. Calpurnius werd aangeklaagd; Scaurus wist zich niet alleen aan eene vervolging te onttrekken, maar werd zelfs lid der commissie van onderzoek in deze zaak. Als censor liet hij in 109 de Milvische brug herstellen en eene via Aemilia over de Appennijnen naar Dertona aanleggen.—12) M. Aemilius Scaurus, zoon van no. 11, was quaestor van Pompeius in den laatsten mithradatischen oorlog (66). Later was hij (in 55) propraetor van Sardinia en werd in 54 van afpersingen aangeklaagd. Cicero en Hortensius verdedigden hem en pleitten hem vrij; doch in 52 van omkooping aangeklaagd, [16]werd hij overeenkomstig Pompeius wensch veroordeeld.—13) M. Aemilius Scaurus, zoon van no. 12, volgde zijn halfbroeder Sex. Pompeius naar Azië, doch leverde hem aan Antonius’ legaten C. Furnius en M. Titius in handen.—14) Mam. Aemilius Scaurus, zoon van no. 13, een talentvol dichter en redenaar, doch zeer loszinnig, werd onder de regeering van keizer Tiberius wegens verschillende misdaden vervolgd, en benam zich met zijne vrouw Sextia op hare aansporing het leven.—15) Aemilius Macer, zie Macer.—16) Aemilia Lepida, echtgenoote van P. Sulpicius Quirinius (Sulpicii no. 21).

Aenaria, Αἰναρία, ook Pithecūsa, Πιθηκοῦσσα, (aapjeseiland) en door Virgilius Inarime geheeten, vulkanisch eiland met warme bronnen, in den sinus Cumanus (golf van Napels), tgw. Ischia.

Aenēa, Αἴνεια, stad in het westen van Chalcidice, aan de Thermaeische golf.

Aeneadae, Αἰνεάδαι, patronymicum voor de tochtgenooten van Aeneas, ook voor de Romeinen als afstammelingen daarvan.

Aeneades, Αἰνεάδης, patronymicum voor Aenēas’ zoon Ascanius.

Genealogie van Aenēas.

Aenēas, Αἰνείας, 1) de bekende trojaansche held, zoon van Anchises en de godin Aphrodīte (Venus), op den berg Ida geboren en te Dardanus, bij Alcathoüs, den man zijner zuster Hippodamēa, opgevoed, nam eerst geen deel aan den strijd tusschen Trojanen en Grieken, totdat hij bij zijne kudden op den Ida door Achilles werd overvallen en beroofd. Sedert dezen tijd was hij met Hector de steun der Trojanen, onversaagd, door goden en menschen bemind en geëerd om zijn vroomheid en wijsheid. Evenals Achilles is Aeneas de zoon eener godin en heeft hij goddelijke paarden; hij wordt door Priamus gehaat, gelijk Achilles door Agamemnon. Homerus ziet in Aeneas den toekomstigen beheerscher van het herbouwde Troje, en de rom. sage, welke Aeneas na tal van omzwervingen en lotgevallen in Italië laat landen, is dus van lateren tijd dan de Ilias. De wijze, waarop Aeneas uit het brandende Troje ontkwam, wordt verschillend verhaald. Livius laat hem bij verdrag aftrekken. Virgilius laat hem vluchten met de Penaten van Troje in de eene en zijn jeugdigen zoon Ascanius of Iulus aan de andere hand, zijn ouden vader op de schouders dragende en gevolgd door zijne vrouw Creūsa, die hij echter bij de nachtelijke vlucht verliest. Zijne lotgevallen zijn uitvoerig geschilderd in de Aenēïs. Het eerste boek van dit epos verplaatst ons in het zevende jaar van Aeneas’ zwerftochten, op het oogenblik dat de wraakzuchtige Juno den god der winden, Aeolus, verzoekt, de vloot van Aeneas door een hevigen storm te doen vergaan. Doch Neptunus brengt golven en winden tot bedaren en met verlies van slechts één enkel schip landt Aeneas op de afrikaansche kust, waar hij bij Dido, de stichteres van Carthago, een gastvrij onthaal vindt. In boek 2 en 3 verhaalt Aeneas den ondergang van Troje en zijn eigene redding, hoe hij met 20 schepen het trojaansche gebied verliet, eerst in Thracia eene stad wilde stichten, doch door ijselijke wonderteekenen werd afgeschrikt, hoe het delische orakel hem beval, het oude moederland der Dardaniden op te zoeken, en hoe zij toen op Anchises’ raad den steven naar Creta wendden, vanwaar Teucer, de schoonvader van Dardanus en dus een van de stamvaders der Trojanen, afkomstig was (volgens een andere mythe werd Teucer de schoonzoon van Dardanus). Eene pestziekte verdrijft de Trojanen weder van Creta, terwijl de Penaten in een droom aan Aeneas verkondigen, dat Italia het bedoelde moederland is, vanwaar Dardanus gekomen was. Het verhaal der verdere lotgevallen, tot het vertrek van Sicilia, waar Anchises stierf, en den storm, vullen verder het derde boek. Boek 4 behelst de door Venus opgewekte liefde van Dido voor Aeneas, diens overhaast vertrek op bevel van Jupiter, en Dido’s zelfmoord. In boek 5 en 6 wordt de tocht naar Italië en de afdaling van Aeneas in de onderwereld beschreven, waar hij tal van oude trojaansche helden weerziet, die voorbeschikt zijn om later als Romeinen weder op de aarde te verschijnen. De volgende boeken behelzen de lotgevallen van Aeneas in Latium, zijn voorgenomen huwelijk met Lavinia, dochter van koning Latīnus, den daarop gevolgden oorlog met zijn medeminnaar Turnus, koning der Rutuliërs, en eindelijk het tweegevecht, waarin Turnus door de hand van Aeneas valt. Hiermede eindigt de Aeneïs. De sage laat vervolgens Aeneas in den Numīcus verdrinken of onder donder en bliksem ten hemel varen, waarna hij vereerd werd als Iupiter indiges.—2) Aen. Tacticus, Αἰν. ὁ Τακτικός, tijdgenoot van Xenophon, schrijver van een werk over taktiek, waarvan een uittreksel bestaat onder den titel τακτικὸν ὑπόμνημα.

Aenesidēmus, Αἰνεσίδημος, of Αἰνης. 1) sceptisch philosoof uit Cnossus, tijdgenoot van Cicero. In zijne werken, λόγοι Πυρρώνειοι, verdedigde hij de leer van Pyrrho; hij vond echter, naar het schijnt, weinig aanhangers.—2) vader van Theron van Agrigentum.

Aeniānes, Αἰνιᾶνες, oude grieksche volksstam, die op verschillende plaatsen gewoond heeft in Thessalia, later in het dal van den Sperchēus en op de hellingen van het Oetagebergte.

Aenus, Αἶνος, 1) oude aeolische stad op de thracische kust, aan de monding van den Hebrus, waarvan de stichting door Virgilius aan Aenēas wordt toegeschreven. In de Ilias wordt zij reeds genoemd, en onder de Rom. was zij eene belangrijke handelsstad.—2) [17]berg in het zuiden van het eiland Cephallenia.—3) rivier in Raetia, thans de Inn, met Aeni pons, bij Rosenheim in het Z. van Beieren gelegen.

Aeoles of Aeolii, Αἰολῆς, heet de bevolking van Lesbus, Tenedus en Aeolis (z. a.); hun hoofdzetel schijnt oudtijds Thessalia geweest te zijn. Vandaar zijn ze gedeeltelijk naar Boeotia, en over Aulis naar Klein-Azië getrokken. De dialekten dezer drie streken zijn dan ook nauw verwant. Uit de omstandigheid, dat de stamheros Aeolus als vader van een talrijk kroost wordt voorgesteld, ontstond bij de Grieken het vermoeden, dat de Aeoliërs eene verzameling van verschillende kleine stammen waren, die oudtijds in verschillende deelen van Griekenland werden aangetroffen.

Aeolia, bij Hom. Αἰολίη, het mythische eil., waar Aeolus, de god der winden, zijn zetel had.

Aeoliae insulae, de Liparische of Vulcanische eilanden, ten noorden van Sicilia, tien in getal.

Aeolis, Αἰολίς, 1) oude naam van Thessaliōtis, waar de Aeoles oorspronkelijk woonden, hoofdplaats Arne.—2) kuststreek van Klein-Azië, van den Hellespont zuidwaarts tot aan de Hermaeische golf, bevolkt door Grieken van aeolischen stam. De voornaamste aeolische steden in Troas zijn: Ilium, Assus, Gargara, Antandrus, Cebren, Scepsis, Neandrēa. Het aeolische bondgenootschap was beperkt tot een kring van 12 kleine steden, die dicht opeenlagen in de heuvels tusschen de mondingen van den Caïcus en den Hermus. Het waren de volgende: Cyme, Larisa, Neontīchos, Temnus, Cilla, Notium, Aegirūsa, Pitane, Aegae, Myrina, Grynēa, Smyrna; doch de laatstgenoemde stad werd in 688 door de aangrenzende Ioniërs vermeesterd. Ook de eilanden Lesbus en Tenedus behoorden tot Aeolis. Nadat de aeolische steden achtereenvolgens door de koningen van Lydië waren onderworpen, deelden zij ook in de lotswisselingen van Voor-Azië.

Aeolus, Αἴολος, 1) oudste zoon van Hellen en de nimf Orsēis, beheerscher van Magnesia in Thessalië, stamvader der Aeoliërs. Bij zijne gemalin Enarete had hij zeven zoons en vijf dochters. De zonen vestigden zich in verschillende plaatsen, vandaar dat de aeolische stam zich verder verbreidde dan een van de andere grieksche stammen.—2) Aeolus Hippotades (Ἱπποτάδης), zoon van Hippotes, afstammeling van den bovengenoemden, koning van een der Aeolische eilanden. Hij was een vroom en menschlievend man, die den menschen het gebruik van zeilen leerde en het waaien van den wind voorspelde; daarom was hij een lieveling der goden en kreeg hij, vooral door voorspraak van Hera, het recht om deel te nemen aan hunne maaltijden en tevens het bestuur over de winden. Op zijn met hooge rotsen en metalen muren omgeven eiland leeft hij gelukkig met zijn vrouw, zes zonen en zes dochters, die met elkander gehuwd zijn; hij zit op een hooge rots, waarbinnen in een groot hol de winden opgesloten zijn. V. a. waren deze Aeolus en zijn tweelingbroeder Boeōtus zonen van Poseidon en Arne, een achterkleindochter van den eerstgenoemden Aeolus. Haar vader, vertoornd over de geboorte van deze kinderen, gaf haar aan een vreemdeling, die haar medenam naar Metapontum en de kinderen op bevel van een orakel als de zijne opvoedde. Toen zij volwassen waren, maakten zij zich van de heerschappij over Metapontum meester, en later doodden zij Autolyce, hun pleegmoeder, die met Arne in twist leefde. Uit vrees voor de wraak van hun pleegvader vluchtte nu Aeolus naar de Aeolische eilanden, die van hem hun naam ontvingen. V. a. was de moeder van Aeolus en Boeotus Melanippe, de dochter van Desmontes of van een anderen Aeolus, en werden de kinderen te vondeling gelegd en door herders gevonden. Toen nu Metapontus, de koning van Icarië, zijne gemalin Theāno wilde verstooten, omdat zij geen kinderen kreeg, nam zij de knaapjes van de herders over en gaf ze aan Metapontus als haar eigen kinderen. Maar dit berouwde haar, toen zij zelve twee zonen baarde, vooral daar Metapontus de vondelingen wegens hun schoonheid met voorliefde behandelde. Toen dus hare zonen volwassen waren, verhaalde zij hun wat er gebeurd was en spoorde hen aan Aeolus en Boeotus te dooden. Maar in het gevecht, dat nu volgde, vielen de zonen van Theano en zij doodde zichzelve. Aeolus en Boeotus vluchtten, maar nu ontdekte Poseidon hun ware afkomst en deelde hen mede, dat hun moeder door haar vader van het gezicht beroofd en in de gevangenis geworpen was. Daarop doodden zij ook hun grootvader, bevrijdden Melanippe, en keerden met haar naar Metapontus terug, die haar tot vrouw nam.

Aepēa, Αἴπεια, stad in Messenia, aan zee, op de plaats van het latere Corōne.

Aepytus, Αἴπυτος, 1) zoon van Elatus, koning van Phaesana. Na den dood van Clitor regeerde hij over Arcadië; hij stierf aan een slangebeet.—2) zoon van Hippothoüs, koning van Arcadië; hij betrad den tempel van Poseidon te Mantinēa, wat aan geen sterveling geoorloofd was, dientengevolge werd hij blind en stierf hij kort daarna.—3) zoon van Cresphontes en Merope. Zijn vader en broeders werden bij een opstand gedood, terwijl hij bij zijn grootvader in Arcadië was. Later veroverde hij echter met de hulp der Arcadiërs en Doriërs Messēnië weder.—4) zoon van Neleus, stichter van Priēne.

Aequi, ook Aequicoli (Aequicolani) geheeten, een landbouwende, doch tevens krijgszuchtige stam ten N.-O. van Latium, in de dalen van den Boven-Anio, de Himella en den Tolenus, verwant met de Volsci, met wie ze samen in de 5de en 4de eeuw geregeld tegen de Romeinen en het Latijnsch verbond oorlog gevoerd hebben. In de 5de eeuw is een gedeelte van Latium o.a. de steden Bola en Labici en vooral de berg Algidus een tijdlang in hun bezit geweest. In 304 wordt de stam door den consul P. Sempronius Sophus (Sempronii no. 16) geheel onderworpen en het grootste gedeelte van het gebied [18]aan de militaire kolonies (col. Latinae) Alba Fucens (Fucentia) en Carseoli toegewezen. Wat er overschiet van het volk, komt als civitas sine suffragio voortaan voor onder den naam Aequicoli (Aequiculani).

Aequicoli (Aequiculani), zie Aequi.

Aequimaelium. Een plein aan de zuidzijde van het Capitool, beneden den tempel van Jupiter Capitolinus, waar eenmaal het huis van Sp. Maelius had gestaan. Zie Maelii.

Aequum Faliscum, zie Falerii.

Aerarii waren zulke rom. burgers, die niet in eene tribus waren ingeschreven en wien dus het stemrecht ontzegd was. Om namelijk dit recht uit te oefenen, moest men tot eene tribus behooren. Zij betaalden geen tributum (z. a.), maar een hoofdgeld (aera, vandaar hun naam), en waren van den dienstplicht uitgesloten. Onder de aerariërs gebracht te worden, was eene straf, die dikwerf door de censoren werd toegepast. Dan werd men ook niet belast naar den gewonen maatstaf, maar willekeurig hoog in de belasting aangeslagen. Inter aerarios referri en in tabulas Caeritum referri zijn synonieme uitdrukkingen, omdat de inwoners der etruscische stad Caere (z. a.) de eersten waren, die als burgers zonder stemrecht onder bezwarende voorwaarden bij Rome werden ingelijfd.

Aerarium was de schatkist van den rom. staat, ook de plaats waar de kas bewaard werd en waar tevens het staatsarchief was geborgen, tot dat hiervoor door Q. Lutatius Catulus het tabularium (z. a.) gebouwd werd. Tijdens de republiek was het aerarium in den tempel van Saturnus. Het stond onder beheer der quaestores urbani, die echter geene uitgaven mochten doen dan op last van de consuls of van den senaat. De keizers echter droegen het beheer ook aan anderen op, b.v. aan praetoren of aan praefecti aerario, terwijl het aerarium zelf meer en meer tegenover den door Augustus ingestelden fiscus (z. a.) of bijzondere kas des keizers aan beteekenis verloor. In de 3de eeuw n. C. werd het de kas van de stad Rome.

Aerarium sanctius, reserve-kas voor tijden van grooten nood, waarin o. a. de vicesima manumissionum (5% der waarde van vrijgelaten slaven) werd gestort.

Aerarium militare, door Augustus ingesteld en gevoed door nieuwe belastingen, zooals de centesima rerum venalium, diende voor het onderhoud van het leger.

Aërope, Ἀερόπη, dochter van Catreus, gehuwd met Atreus en v. s. ook met Plisthenes. Zij maakte zich schuldig aan overspel met Thyestes, en gaf hem zelfs het gouden lam, dat hem de heerschappij over Mycēnae moest verschaffen. Toen Thyestes nu, eenmaal door Atreus verdreven, toch terugkeerde en met hulp van Aërope zijn broeder van den troon trachtte te stooten, werd zij door Atreus in zee geworpen.

Aerūgo, eene soort van roest van schitterend groene kleur (patina), welke zich door den tijd op het brons vormde en de waarde der beeldwerken zeer verhoogde. Om al te sterke oxydeering tegen te gaan, bestreek men de koperen voorwerpen met olie of vloeibaar pek of asphalt.

Aes is oorspronkelijk koper en wat daarvan vervaardigd is; ook het uit koper en tin gemengde brons heet aes. Daar de oudste munt uit koper geslagen was, werd het woord ook voor munt gebezigd. Aes signatum = gemunt geld. Aes grave is de zware oude rom. munt, toen de as, zijnde de waarde van een pond koper, nog het volle gewicht had (as libratis), z. as. Aes alienum is schuld, het passief vermogen, in tegenstelling van aes suum, actief vermogen.

Aes Corinthium, eene legeering van koper met verschillende andere metalen, zoo genoemd naar Corinthe, waar het bronsgieten op den hoogsten trap stond.

Aes equestre, de toelage, die de equites equo publico uit de schatkist ontvingen tot aankoop van een paard.

Aes hordearium, toelage aan de equites tot onderhoud van hun paard. Het aes equestre en het aes hordearium werden opgebracht door de orbi et orbae (z. a.). Zie ook tribuni aerarii.

Aes militare, soldij. Aere dirutus is degene, wien tot straf soldij wordt onthouden.

Aes uxorium, belasting op de ongehuwden.

Aesacus, Αἴσακος, zoon van Priamus en Arisbe. Toen Hecabe droomde dat zij een brandend stuk hout ter wereld bracht, voorspelde Aes. dat zij een zoon zou baren, die den ondergang van Troje zou veroorzaken; op zijn raad werd het kind (Paris), zoodra het geboren was, te vondeling gelegd. Na den dood zijner echtgenoote Asterope was hij ontroostbaar en werd hij in een vogel veranderd. V. a. heet zijne moeder Alexirrhoë, en wordt hij verliefd op Hesperia, de dochter van een riviergod; toen zij voor hem vluchtte en hij haar vervolgde, werd haar door een adder een doodelijke wonde toegebracht. Uit smart wierp Aes. zich in zee, maar werd door Tethys in een duiker veranderd.

Aeschines, Αἰσχίνης, 1) Athener, een zoon van arme ouders, leefde zelf ook voortdurend in groote armoede, maar was een ijverig leerling van Socrates en voorstander van diens leer, die hij in zeven, bijna geheel verloren gegane, dialogen nader trachtte te ontwikkelen. Na Socrates’ dood leefde hij eenigen tijd aan het hof van Dionysius van Syracuse, maar na diens val (356) keerde hij naar Athene terug, waar hij zich bezighield met het geven van onderwijs en het schrijven van pleitredenen.—2) Athener, geb. omstreeks 390. Zijne ouders Atromētus en Glaucothea waren menschen van geringen stand en Aesch. werd slechts met moeite onder de burgers opgenomen. Hij begon zijn loopbaan als klerk (γραμματεύς) bij Aristophon en Eubūlus, trad later zonder bijval te vinden als tooneelspeler (tritagonist) op, en nam deel aan de veldslagen bij Mantinēa en Tamynae. Spoedig trad hij ook als redenaar op; door zijn groote welsprekendheid speelde hij sedert dien tijd in de politiek eene voorname rol als hoofd der vredespartij [19]en tegenstander van Demosthenes. Toen hij namelijk in 347 met Demosthenes e.a. als gezant gezonden was om met Philippus over vrede te onderhandelen, wist deze hem door zijn innemend gedrag voor zich te winnen, en reeds dadelijk bij het tweede gezantschap, dat Philippus den vrede moest laten bezweren, was Aesch. door zijn talmen de oorzaak, dat Philippus, voordat de eeden afgelegd waren, zich verscheiden belangrijke voordeelen wist te verzekeren. Hierom door Demosthenes en Timarchus aangeklaagd, bracht hij eerst een tegenaanklacht tegen Timarchus in, die wegens onzedelijkheid veroordeeld werd en dus onbevoegd werd als aanklager op te treden, maar Demosthenes nam de aanklacht weder op en Aeschines’ redevoering (περὶ παραπρεσβείας), schijnt de rechters niet volkomen van zijn onschuld overtuigd te hebben; toch werd hij, mede door den invloed van Eubūlus, vrijgesproken (343). Later (339) gaf Aesch. door zijn gedrag als afgezant bij de vergadering der Amphictyonen (πυλαγόρας) aanleiding tot den tweeden heiligen oorlog, waarvan een gevolg was dat Philippus tot in het binnenste van Griekenland kon doordringen en door de overwinning bij Chaeronēa (338) aan Athene de macht kon ontnemen, hem in zijne verdere plannen tegen te werken. Grievend was het voor Aesch. dat, in weerwil van zijn tegenstreven, aan Dem. het houden van de lijkrede over de in dien slag gevallenen werd opgedragen; nog iets ergers was hem vroeger gebeurd, toen het volk hem als vertegenwoordiger bij een geschil met Delus verkozen had, maar de Areopagus weigerde die keuze te bekrachtigen, omdat men aan zijne welgezindheid twijfelde. En toen in 336 zekere Ctesiphon het voorstel deed, dat Demosthenes wegens zijne verdiensten met een gouden krans vereerd zou worden, verzette Aesch. zich hiertegen als tegen een onwettig voorstel. Door omstandigheden bleef de zaak tot 330 hangende; toen had het geluk der Macedoniërs en daarmee ook de invloed der macedonische partij te Athene zijn toppunt bereikt, en achtte Aesch. het oogenblik gekomen om eene beslissing uit te lokken in dit proces, dat in naam tegen Ctesiphon gericht was, maar waarvan de uitslag inderdaad een van de twee groote tegenstanders voor goed uit het openbare leven moest doen wijken. En in weerwil van de voortreffelijke rede door Aesch. bij deze gelegenheid gehouden, behaalde Demosthenes, die als verdediger van Ctesiphon optrad, zulk eene schitterende overwinning, dat Aesch. een langer verblijf te Athene onmogelijk vond en zich naar Rhodus begaf, waar hij, naar men zegt, onderwijs in de welsprekendheid gaf en op 75-jarigen leeftijd stierf. Als redenaar wordt Aesch. door de ouden zeer hoog geschat, zijne drie redevoeringen werden de Gratiën, zijne negen brieven de Muzen genoemd. De brieven zijn onecht, de redevoeringen zijn: 1º. κατὰ Τιμάρχου, 2º. περὶ παραπρεσβείας, 3º. κατὰ Κτησιφῶντος.—3) geb. te Neapolis, leefde omstreeks het einde der 2e eeuw als leeraar der academische wijsbegeerte te Athene.

Aeschrion, Αἰσχρίων, van Samus, iambendichter omstreeks 322.

Aeschylus, Αἰσχύλος, zoon van Euphorion, de eerste der drie groote atheensche treurspeldichters. Hij werd geb. 525, behoorde tot een adellijk geslacht en streed mede bij Marathon, Salamis en Plataeae. In 477 ging hij, waarschijnlijk op uitnoodiging van Hiero, naar Syracuse, en sedert bracht hij een groot deel van zijn leven op Sicilië door; hij stierf in 456 te Gela. Men meent, dat hij zich niet ongaarne buiten Athene ophield, daar hij zich niet kon schikken in de nieuwe politieke en maatschappelijke toestanden, en zich niet kon vereenigen met de richting, door de bovendrijvende partij in de latere jaren van zijn leven ingeslagen; daarop zou dan ook het verhaal doelen, dat hij eens wegens ontheiliging van de mysteriën zou aangeklaagd zijn. Hoe dit zij, na zijn dood werd hij als kunstenaar hoog geëerd, zijn standbeeld werd in den schouwburg geplaatst en zijne stukken werden ook na zijn dood menigmaal opgevoerd, terwijl de staat, hoewel waarschijnlijk zonder gevolg, trachtte ze tegen vervalsching te bewaren. Inderdaad was het treurspel, sedert Aesch. niet veel ouder dan 25 jaar voor het eerst als dramatisch dichter was opgetreden, door zijn invloed zoozeer vooruitgegaan, dat men hem niet zonder reden vader en schepper van die dichtsoort genoemd heeft; in ieder geval heeft hij haar de eervolle plaats verschaft, die zij sedert in het openbare leven innam, en den overwegenden invloed, dien zij op de verstandelijke en aesthetische ontwikkeling der Atheners had. Door het invoeren van een tweeden tooneelspeler maakte hij een dialoog en ten minste een begin van handeling mogelijk, weldra trad de dialoog geheel op den voorgrond, en werden de koorliederen niet slechts in omvang beperkt, maar ook met de handeling in nauw verband gebracht en aan den voortgang er van dienstbaar gemaakt. Ook maakte hij het eerst gebruik van decoraties en machinerieën, terwijl hij door eigenaardige kleeding, schoeisel en maskers aan zijne tooneelspelers een indrukwekkend uiterlijk wist te geven. Volgens gewoonte trad hij in zijne stukken zelf als tooneelspeler op, bovendien oefende hij (als χοροδιδάσκαλος) zijne koren in zang en dans, en leidde hij de geheele voorbereiding voor de opvoering zijner stukken. Van zijne werken—meer dan 70 titels worden genoemd—zijn 7 bewaard gebleven; het zijn chronologisch gerangschikt de volgende: Supplices, Persae (opgevoerd in 472), Septem adversus Thebas, Prometheus vinctus, en de trilogie Agamemnon, Choephoroe, Eumenides, waarmede Aeschylus in 458 den eersten prijs won; zij munten uit door ernst en verhevenheid, de karakters zijn edel en waardig, de taal is daarmede in overeenstemming, en de toestanden zijn zoo gekozen, dat ieders eigenschappen ten volle aan den dag komen; de [20]inhoud wijst overal op de onverbiddelijke heerschappij der goddelijke macht over den mensch.

Aesculapius = Asclepius. Toen in 293 te Rome de pest woedde, en op bevel der sybillijnsche boeken gezanten naar Epidaurus gezonden waren om Aesc. van daar te halen, kwam de god in de gedaante van een slang uit eigen beweging op hun schip, en ging eveneens uit eigen beweging op het Tibereiland aan land, waar hij sedert een tempel had.

Aesēpus, Αἴσηπος, rivier in Mysia, die op den berg Ida ontspringt en zich bij Cyzicus in de Propontis stort. Hij vormt de oostgrens van het landschap Troas.

Aesernia, stad in Samnium, dicht bij de bronnen van den Volturnus, sedert 263 rom. kolonie.

Aesernīnus, beroemd zwaardvechter evenals Pacideiānus. Vandaar spreekwoordelijk: Aeserninus cum Pacideiano van twee even groote, met elkaar wedijverende mannen.

Aesis, rivier en stad op de grenzen van Umbria en Picēnum.

Aeson, Αἴσων, zoon van Cretheus en Tyro, vader van Iāson. Pelias beroofde hem van zijn aandeel in de regeering van Iolcus, en doodde hem later, terwijl Iason op zijn tocht naar Colchis was, of Aes. voorkwam hem door zich zelf van het leven te berooven. V. a. leefde Aes. nog bij de terugkomst der Argonauten, en werd hij door de tooverkunsten van Medēa verjongd.

Aesonides, Αἰσονίδης, Iāson, zoon van Aeson.

Aesōpus, Αἴσωπος, grieksch fabeldichter, tijdgenoot van Solon, een mismaakte dwerg, in Thracië of Phrygië geboren. Hij diende als slaaf verschillende heeren, doch kreeg later de vrijheid en ging reizen. Zoo kwam hij o. a. ook bij Croesus, die hem met eene zending naar Delphi belastte, waar hij wegens godslastering van een rots geworpen werd. Wegens dezen moord werden de Delphiërs door allerlei rampen getroffen. De meeste berichten over Aes. komen echter eerst bij late schrijvers voor en verdienen weinig geloof, zelfs twijfelt men of hij inderdaad bestaan heeft; zeker zullen de fabels, die zijn naam dragen (μῦθοι of λόγοι Αἰσώπειοι), en die wegens hunne lessen van praktische levenswijsheid zeer populair waren, niet alle van hem afkomstig zijn. Deze fabels waren oorspronkelijk in proza geschreven, maar werden later meermalen in verzen omgezet, o. a. hield Socrates zich in de gevangenis met zulk een omzetting bezig. Dientengevolge is het zeer onzeker, hoeveel van den oorspronkelijken vorm nog over is in de bewerkingen, die wij nu nog er van hebben. De voornaamste bewerkingen in dichtvorm zijn van Phaedrus (z. a.), Babrius (z. a.) en Avianus (z. a.).

Aesōpus (Claudius), beroemd tooneelspeler ten tijde van Cicero, die veel van hem leerde wat voordracht betreft. In 55 verloor hij, bij de inwijding van het theatrum Pompei, onder het spelen op eenmaal zijn stem. Hij liet een groot vermogen na, dat door zijn zoon spoedig werd doorgebracht.

Aestii, een aan de Oostzee, van de monden van den Weichsel tot aan de Finsche Golf wonend volk, de stamvaders der latere Letten en Lithauers.

Aesula, verschrijving voor Aefula (z. a.).

Aesymnētes, Αἰσυμνήτης, iemand, die met onbeperkte macht, maar op wettige wijze, aan het hoofd van den staat gesteld wordt. Dit geschiedde vooral in tijden van burgertwisten, en het was dan de taak van den Aes. pogingen te doen om de partijen te verzoenen, de geschilpunten uit den weg te ruimen, de noodige veranderingen in de wetten te maken, enz.—In sommige staten werd daarna de naam voor een van de gewone overheden behouden.

Aethalia, Αἰθαλία, of Ilva, eiland in de tyrrheensche zee, thans Elba. Het hoorde tot de etruscische stad Populonia, die de rijke ijzermijnen van het eiland exploiteerde.

Aethalides, Αἰθαλίδης, zoon van Hermes en Eupolemēa, heraut der Argonauten. Hij had een zeer sterk geheugen, dat hem ook in de onderwereld bijbleef, zoodat, toen zijne ziel na vele omzwervingen in het lichaam van Pythagoras terechtkwam, zij zich nog alles wist te herinneren, wat zij had ondervonden in de verschillende lichamen, waarin zij gehuisd had.

Aether, Αἰθήρ, de hoogere lucht, die de hemelruimte en de woning der goden vult, in tegenstelling van de lagere lucht (aër), die de aarde omgeeft. De aether werd beschouwd als een der grondstoffen van het heelal, in de orphische hymnen als de wereldziel, waaruit alle leven ontstaan is. Bij dichters is Aether de zoon van Erebus en Nyx of van Chaos en Calīgo, en de vader van Aarde, Hemel, Zee, e. a. Als schenker van den vruchtbaren regen is soms Aether = Zeus.

Aethiopes, Αἰθίοπες, oorspronkelijk alle donkerkleurige menschen, zoowel in Azië als in Afrika; zij wonen aan het einde der aarde, en verheugen zich om hun vroomheid in de bizondere gunst der goden, die hen dikwijls bezoeken om plechtige offers in ontvangst te nemen. Later onderscheidde men de oostelijke Aeth. met sluike haren (in Gedrosia e. e.) van de westelijke met krullend haar, die in Aethiopië woonden en meer in het bijzonder met dien naam aangeduid werden.

Aethiopia, Αἰθιοπία, aan den Nijl. Het lag ten zuiden van Aegypte en was beroemd door zijne beschaving, die van Aegypte uit zich dáár verbreidde. In de oudheid wordt op verschillende tijden van verschillende rijken melding gemaakt. In het noorden lag Napata, tijdens keizer Augustus het rijk der oorlogzuchtige koningin Candace. Tusschen de Nijlarmen Astapus en Astaboras had men in overoude tijden den priesterstaat Meroë, die over talrijke negerstammen heerschte. Nog meer zuidelijk lag [21]het rijk van Axoma of Auxūme (z.a.), waarschijnlijk ontstaan door de 240,000 krijgslieden, die onder de regeering van koning Psammetichus of Psamtik uit Aegypte uittogen.

Aethra, Αἴθρη, dochter van Pittheus, gemalin van Aegeus, moeder van Theseus. Toen Theseus Helena geschaakt had, plaatste hij haar te Aphidnae onder de hoede van zijne moeder, maar toen Helena door de Dioscuren teruggehaald werd, namen zij ook Aethra mede. Sedert leefde zij als slavin van Helena, en zoo kwam zij later met haar te Troje; na de inneming van deze stad werd zij echter door haar kleinzonen Acamas en Demophon herkend en naar Attica teruggebracht.

Aëtion, Ἀετίων, beroemd schilder in den tijd van Alexander den Gr.; onder zijne werken muntte vooral uit de schilderij, voorstellende de bruiloft van Alexander en Roxane.

Aëtius, rom. veldheer, die in 451 n. C., verbonden met Franken, Westgothen en Burgundiërs, in de Catalaunische velden (de vlakte van Châlons-sur-Marne) de Hunnen onder Attila versloeg. Hij werd later door keizer Valentinianus III uit achterdocht omgebracht (454).

Aetna, Αἴτνη, de bekende vulkaan op Sicilia, waaronder volgens de mythe de Gigant Typhon of Enceladus bedolven lag en waarbinnen Hephaestus of Vulcānus met zijne Cyclopen de bliksems voor Jupiter smeedde. In den Aetna wierp zich de wijsgeer Empedocles (z. a.). Aan den voet van den berg lag de stad Aetna, door de uit Catana verdreven Syracusanen en Peloponnesiërs gesticht op de plaats van het vroegere Inessa (461).

Aetolia, Αἰτωλία, landschap in Hellas, met ruwen bodem, rijk aan bergen en bosschen, met eene half barbaarsche, uit allerlei bestanddeelen saamgesmolten, roofzuchtige bevolking. Onder de oudste inwoners worden Cureten, Lelĕgers, Hyanten genoemd, waarbij zich Eleërs voegden. Er waren veel wilde dieren. De inwoners spraken een voor Grieken onverstaanbaar patois, en leefden meestal in dorpen verspreid. Onder den invloed van corinthische volksplantingen op de kust verspreidde zich de beschaving, hoewel eerst laat. Na Alexander den Gr. hebben de Aetoliërs nog eene rol in de geschiedenis gespeeld (zie Aetolisch verbond). In Aetolia behooren de mythen te huis van Meleager en het calydonische zwijn, den strijd tusschen Heracles en den riviergod Achelōus, de straf der Echinaden. Men onderscheidde Oud-Aetolia (τὴν ἀρχαίαν Αἰτ.), zijnde de grootste westelijke helft, en τὴν ἐπίκτητον Αἰτ., het later bijgevoegde.

Aetolisch verbond. De steden van Aetolië waren tengevolge van hun afgesloten ligging wel altijd vreemd gebleven aan de grieksche beschaving, zoodat de inw. zelfs veelal barbaren genoemd werden, maar hadden zich door dezelfde oorzaak ook altijd van vreemde overheersching vrijgehouden. Na den dood van Alexander den Gr. sloten zij zich nauwer hij elkander aan en vormden zij een verbond (τὸ κοινὸν τῶν Αἰτωλῶν) onder leiding van een strateeg en een grammateus, bijgestaan door een raad van σύνεδροι, of ἀπόκλητοι, terwijl minstens eenmaal in het jaar een algemeene vergadering werd gehouden. Hun hoofdstad was Thermum, Θερμόν (z. a.). Toen nu Antipater en Craterus tevergeefs getracht hadden hen voor hunne deelneming aan den lamischen oorlog te tuchtigen, begon het aet. verbond naar uitbreiding te streven. Dit gelukte: het maakte zich meester van Locris, Phocis, enz., en zelfs verscheiden peloponnesische staten behoorden tot het verbond; ook veroverden zij Delphi (290), wat aanleiding gaf tot den laatsten oorlog der Amphictyonen. Aanvankelijk met Macedonië verbonden, verbraken de Aet. dit bondgenootschap weldra en vooral sedert het achaeisch verbond zich aan Macedonië had aangesloten, hielden zij de zijde der Lacedaemoniërs. Toen de Romeinen begonnen te trachten invloed in Griekenland te krijgen, sloten ook zij zich aan bij den vrede van Naupactus (217 z. Philippus no. 5), doch door Philippus in hun verwachtingen teleurgesteld, zochten zij later nu en dan de vriendschap der Romeinen en in den slag bij Cynoscephalae (197) streden zij met dezen tegen Philippus. Door hen met ondank behandeld, riepen zij Antiochus d. G. ter bevrijding van Griekenland op, en na diens nederlaag moesten zij zich onvoorwaardelijk aan den consul M. Fulvius Nobilior (Fulvii no. 11) overgeven (189). Sedert 146 waren de aetolische steden een deel der provincie Achaia.

Aetōlus, Αἰτωλός, 1) zoon van Endymion en Asterodia of Chromia of Hyperippe. Hij volgde zijn broeder Epēus in de regeering over Elis op, maar nadat hij door onvoorzichtigheid Apis gedood had, vluchtte hij naar de omstreken van den Achelōus, die door de Cureten bewoond werden; sedert dien tijd heet dit land naar hem Aetolië.—2) zoon van Oxylus en Pieria, die jong stierf, en wien de gymnasiarch te Olympia jaarlijks een lijkoffer bracht.

Afer (Domitius), uit Nemausus (Nîmes) in Gallia, een zeer beroemd redenaar ten tijde van Tiberius en Caligula. Hij trad meermalen als beschuldiger op. Hij behoorde niet tot de rom. gens Domitia.

Afranii. Er zijn verschillende personen van dezen naam bekend. Eene gens Afrania wordt niet genoemd. 1) L. Afranius, blijspeldichter, omstreeks 150 geboren, wordt voor den voornaamsten dichter der comoedia togata gehouden. Er zijn slechts fragmenten van hem overgebleven.—2) L. Afranius, een man van geringe afkomst, had onder Pompeius in Spanje en Azië gediend, en werd door diens invloed in 60 tot consul verkozen. Later was hij Pompeius’ legaat in Spanje, en streed aldaar in den burgeroorlog tegen Caesar. Toen hij genoodzaakt werd, den strijd in [22]Spanje op te geven, begaf hij zich met zijn medelegaat Petreius tot Pompeius en woonde den slag bij Pharsālus bij, waar Pompeius door Caesar werd verslagen. Afranius vluchtte naar Africa, nam dáár in 46 deel aan den slag bij Thapsus, werd door P. Sittius (z. Sittii) gevangen genomen en door de soldaten van Caesar gedood.—3) Sex. Afranius Burrus, meest onder den naam Burrus bekend, was onder keizer Claudius, sedert 51 n. C. praefectus praetorio, en bewerkte na diens dood de verheffing van Nero. Met den wijsgeer L. Annaeus Seneca trachtte hij op Nero steeds een invloed ten goede uit te oefenen, en weigerde standvastig, aan den moord op Agrippina en Octavia deel te nemen. Naar men beweerde, heeft Nero hem door vergif uit den weg geruimd (62 n. C.). De Romeinen betreurden hem zeer.

Africa. Het werelddeel Afrika was bij de ouden bekend als Libya, Λιβύη, en eerst onder de rom. heerschappij ging de naam van de provincie Africa (het vroegere gebied van Carthago) op het geheele werelddeel over, althans voorzoover dit bekend was. Tot in de vijfde eeuw vóór Chr. werd Afrika niet als een afzonderlijk werelddeel beschouwd, maar nu eens tot Europa, dan weder tot Azië gerekend. Alleen het noordelijkste gedeelte was bekend. Hoewel de aegyptische koning Necho Afrika door phoenicische zeevaarders liet omzeilen, ging de hierdoor verworven kennis niet op de lateren over; men verbeeldde zich, dat Afrika naar het zuiden steeds breeder werd, en Claudius Ptolemaeus, de beroemde geograaf uit den tijd der Antonijnen, laat zelfs de afrikaansche kust bezuiden den indischen oceaan omloopen en zich, achter den indischen archipel om, met de kust van China vereenigen, waardoor de indische zee tot eene groote binnenzee wordt. De verschillende deelen der noordkust, van het W. naar het O. gaande, waren, volgens de indeeling van Ptolemaeus, de volgende: Mauretania, Numidia, Africa, Tripolis, Cyrenaïca, Marmarica, Aegyptus. Het Nijldal werd dikwijls nog tot Azië gerekend. Bij Herodotus wordt Afrika verdeeld in Aegyptus, Aethiopia en Libya, welk laatste weder onderscheiden wordt in het door menschen bevolkte (οἰκουμένη), het door wilde dieren bewoonde (θηριώδης), en de woestijn (ἡ ψάμμος).

Africa propria, of alleen Africa, dat na de verwoesting van Carthago rom. provincie werd (146), omvatte ongeveer het tegenwoordige Tunis. Het werd verdeeld in twee districten: Zeugitāna, de noordelijke, en Byzacium, de zuidelijke helft. De Rom. trokken er veel koren uit.

Africa nova = de Romeinsche provincie Numidia, zie Ampsaga en Numidia.

Africānus, bijnaam zoowel van P. Cornelius Scipio, die in 202 Hannibal bij Zama versloeg en Carthago tot den vrede dwong, als van P. Cornelius Scipio Aemiliānus, die in 146 Carthago innam en verwoestte. De eerste wordt Africanus maior, de andere minor geheeten.

Africus, Λίψ, de Zuidwestenwind, is meestal stormachtig, zie Windstreken.

Agamēdes, Ἀγαμήδης, zoon van den orchomenischen koning Ergīnus. Hij en zijn broeder Trophonius waren zeer bekwame bouwmeesters, o. a. bouwden zij voor Hyrieus, koning van Hyria of voor Augīas, koning van Elis, een schatkamer, die zij zoo maakten, dat zij van buiten een steen uit den muur konden nemen, en dus binnen konden komen zonder de sloten te verbreken. Toen zij nu eenigen tijd van de daar bewaarde schatten gestolen hadden, werd Ag. in een strik gevangen en uit vrees voor ontdekking sneed Trophonius hem het hoofd af en nam het mede. Tot straf voor dezen moord werd hij in het bosch van Lebadēa bij het graf van Ag. door de aarde verzwolgen. Hier was later het orakel van Trophonius (z. a.). V. a. waren Ag. en Trophonius de bouwmeesters van den delphischen tempel; toen zij dit werk voltooid hadden, vroegen zij Apollo om eene belooning, en de god antwoordde, dat zij zeven dagen in vroolijkheid moesten doorbrengen en daarna hun loon zouden ontvangen; op den achtsten dag werden de beide broeders dood gevonden.

Agamemnon, Ἀγαμέμνων, zoon van Atreus of Plisthenes en Aërope. Toen Thyestes Atreus vermoord en zich van de regeering over Mycēnae meester gemaakt had, vluchtte Ag. met zijn broeder Menelāus naar Sparta bij Tyndareos, en huwden zij met de dochters van dezen: Ag. met Clytaemnestra, Menelāus met Helena. Later verdreef Ag. Thyestes weder of hij volgde hem na zijn dood op; door veroveringen breidde hij zijn rijk uit en werd hij de machtigste vorst van Griekenland. In den trojaanschen oorlog, waarvoor hij 100 schepen leverde, werd hij tot opperbevelhebber gekozen; in deze hoedanigheid betoonde hij zich zoowel een goed vorst, als een dapper strijder. Toch hadden zijne daden dikwijls voor het leger nadeelige gevolgen. Te Aulis doodde hij door onvoorzichtigheid een hinde van Artemis, waarover deze godin zich wreekte door windstilte te zenden, waaraan eerst een einde kwam, toen Ag. haar zijne dochter Iphigenīa als offer had aangeboden. Voor Troje beleedigde hij den priester Chryses, waarvoor Apollo het leger met pest strafte. Bizonder noodlottig voor de Grieken was zijn twist met Achilles (z. Brisēis). Na de verovering van Troje keerde hij, na lang op zee rondgezworven te hebben, naar zijn rijk terug, maar Aegisthus, die gedurende de afwezigheid van Ag. diens vrouw Clytaemnestra tot overspel verleid had, doodde hem terstond na zijne aankomst bij een maaltijd, of Clytaemnestra wierp een net over hem, toen hij in het bad was, waarop Aegisthus hem doodde. Hij werd op verscheiden plaatsen in Griekenland als halfgod vereerd. De kinderen van Ag. en Clytaemnestra zijn: Iphianassa (Iphigenīa), Chrysothemis, Laodice (Electra) en Orestes.

Agamemnonides, Ἀγαμεμνονίδης, Orestes, zoon van Agamemnon.

Ἀγαμίου γραφή, aanklacht wegens het niet [23]aangaan van een huwelijk. Straffen op het niet aangaan van een huwelijk komen, voorzoover wij na kunnen gaan, alleen voor in Sparta en Creta. Zij, die na een zekeren leeftijd ongehuwd bleven waren ἄτιμοι, waren uitgesloten van de Gymnopaediae (z. a.) en hadden ook overigens veel smaad te verduren.

Aganippe, Ἀγανίππη, 1) dochter van den riviergod Termessus, nimf van de bron Aganippe bij Thespiae, die door den hoefslag van Pegasus ontstaan was, en waarvan het water dichterlijke bezieling gaf.—2) = Eurydice no. 2.

Aganippides heeten de Muzen, naar de bron Aganippe.

Agasias, Ἀγασίας, beeldhouwer uit Ephesus, die op het einde der 2de eeuw te Rome werkte. Een van zijne werken, een zwaardvechter voorstellend, is nog bewaard gebleven.

Agatharchides, Ἀγαθαρχίδης, grieksch geschiedschrijver en geograaf uit de 2de eeuw. Van zijne historische werken is weinig over: van zijn werk over de Roode Zee is nog een uittreksel bewaard van het 1ste en 5de boek.

Agatharchus, Ἀγάθαρχος, van Samus, zoon van Eudēmus, leefde te Athene omstreeks het midden der 5de eeuw. Hij was een zeer gezocht schilder, hielp Aeschylus bij het inrichten van zijn tooneel, en was de eerste tooneelschilder. Over tooneelschilderwerk (σκηνογραφία) zou hij een werkje geschreven hebben.

Agathemerus, Ἀγαθήμερος, grieksch geograaf, die waarschijnlijk in de 4de eeuw na C. leefde; van zijn werk bestaan nog fragmenten.

Agathocles, Ἀγαθοκλῆς, 1) zoon van Carcinus, een pottenbakker te Thermae op Sicilië, waar Ag. in 360 geboren werd. Daar deze stad toen aan de Carthagers behoorde, en een orakel verkondigd had, dat deze knaap eens groot onheil over Carthago brengen zou, vluchtte zijn vader, toen dit orakel bekend geworden was, met hem naar Syracuse, en werd daar burger. In den krijgsdienst getreden, onderscheidde Ag. zich reeds vroeg, hij werd de gunsteling van den rijken Damas, en na diens dood volgde hij hem als veldheer op en trouwde hij met diens weduwe. De oligarchische partij, die toen aan het roer was, wantrouwde hem echter en bewerkte zijne verbanning, daarop trad hij in tarentijnschen dienst, en daar hij alle ontevredenen uit Syracuse tot zich wist te trekken, was hij weldra sterk genoeg om aan de oligarchische heerschappij een einde te maken. Reeds toen verdacht men hem echter van het streven naar de alleenheerschappij, en spoedig werd hij weder verbannen; toen hij echter eenmaal door geweld verkregen had dat hij teruggeroepen werd, kreeg hij door zijn verstandig gedrag in korten tijd de macht om zijne plannen uit te voeren. Hij zocht de gunst van het leger te verwerven, en daarop steunende, liet hij een groot aantal oligarchen dooden, een nog grooter aantal verjoeg hij, en daarop liet hij zich het oppergezag opdragen (317). Door Tarentum ondersteund, kon hij het hoofd bieden aan de moeilijkheden, waarin de verbannenen hem wikkelden, en Agrigentum, dat hen hielp, werd tot vrede gedwongen (313). Twee jaar later geraakte hij in oorlog met Carthago; hij voerde dien oorlog in het begin niet zonder geluk, maar in 310 leed hij een groote nederlaag bij de Himera, waarna de carthaagsche veldheer Hamilcar hem in Syracuse kwam belegeren. In deze omstandigheden had Ag. nog de vermetelheid den oorlog naar Afrika over te brengen; met 60 schepen, voornamelijk met huurtroepen bemand, sloeg hij zich door de vijandelijke vloot heen en landde hij op de afrikaansche kust. Daarop drong hij met zijne troepen het land in, en versloeg hij een driemaal sterker leger der Carthagers, zoodat Hamilcar van Sicilië uit hulp moest zenden; door beleid, wreedheid en trouweloosheid wist hij zich bondgenooten te verschaffen en zich te gelegener tijd weder van hen te ontslaan (z. Ophellas), ook een gevaarlijken opstand in zijn leger onderdrukte hij, en eindelijk zou hij Carthago zelf aanvallen, toen berichten van de toestanden op Sicilië hem noopten terug te keeren. Maar de aristocratische partij, door Agrigentum gesteund, had zich gedurende zijne afwezigheid zoo versterkt, dat hij toen niets kon uitrichten, daarom keerde hij spoedig naar Afrika terug, waar zijn zoon intusschen ook groote verliezen geleden had, en waar hij het leger in den uitersten nood vond. Het gelukte hem niet het verlorene te herwinnen, en toen het gerucht zich in het leger verspreidde, dat hij van plan was te vluchten, werd hij door zijn eigen soldaten gevangen gehouden; weldra werd hij echter vrijgelaten, en toen vluchtte hij inderdaad naar Sicilië (306), waarop de verbitterde soldaten zijne zonen vermoordden en grootendeels tot de Carthagers overliepen. Nu vond Ag. het geraden vrede te sluiten met de Carthagers; voor een som geld liet hij hen de sicilische steden behouden, waarop zij aanspraak maakten, en ook met de aristocraten kwam het tot een verstandhouding. Daarna nam hij den titel van koning der Siciliërs aan en sedert schijnt hij minder hard geregeerd te hebben; hij bevestigde zijne macht door oorlogen in Italië, veroverde ook Corcȳra (298) en dacht er altijd over, ook den strijd tegen Carthago te hernieuwen, maar voordat hij zijne plannen ten uitvoer kon brengen, stierf hij (289) na een regeering van 28 jaar. Men verhaalde, dat hij een door zijn kleinzoon vergiftigden tandenstoker gebruikt had, en dat hij, om zich te bevrijden van de daardoor veroorzaakte ondragelijke pijnen, zich levend had laten verbranden. Hij was een man van groote gaven, en een groot veldheer, en hoewel hij, om zijn doel te bereiken, voor geen wreedheid terugdeinsde, was hij toch bij het volk zeer geliefd.—2) zoon van Lysimachus, onderscheidde zich in de oorlogen door zijn vader gevoerd. Door zijne stiefmoeder belasterd, werd hij op last van zijn vader door Ptolemaeus Ceraunus vermoord (284). [24]

Agathon, Ἀγάθων, zoon van Tisamenus, atheensch treurspeldichter, geb. vóór 436. Hij was een schoon, rijk en fijnbeschaafd man, opgevoed in de school der sophisten, en bevriend met Plato en Euripides; een gedeelte van zijn leven (na 407) bracht hij aan het hof van Archelāus van Macedonië door. Van zijne werken bestaan nog slechts eenige fragmenten.

Agathyrna of Agathyrnum, Ἀγάθυρνα of -νον, stad op de noordkust van Sicilia, tusschen Tyndaris en Calacte.

Agathyrsi, Ἀγάθυρσοι, vreedzaam en rijk sarmatisch volk aan de rivier Maris, afstammelingen van Agathyrsus, zoon van Heracles. Het is een thracisch volk, dat in den Romeinschen tijd onder den naam Δάκοι, Daci optreedt, z. Dacia. Zij plachten zich te tatoueeren (picti).

Agāve, Ἀγαυή, dochter van Cadmus, moeder van Pentheus.

Agbatana, τὰ Ἀγβάτανα = Ecbatana.

Agdistis, Ἄγγδιστις, een te gelijk mannelijk en vrouwelijk monster, uit Zeus gesproten. Later werden de twee helften van elkander gescheiden, en ontstond uit het mannelijk gedeelte een amandel- of granaatboom, die door een wonder de vader werd van Atys. De vrouwelijke helft werd Cybele.

Agedincum, thans Sens, ten Z.O. van Parijs, hoofdstad der Senones.

Agelādas, Ἀγελάδας, naam van twee beeldhouwers uit Argos; de eerste leefde omstreeks het einde der 6de, de andere omstreeks het midden der 5de eeuw.

Ἀγέλη, in dorische staten, vooral op Creta, vereenigingen, waarvan jongelingen boven 17 jaar tot hun huwelijk leden waren. De leden (ἀγελαστοί of ἀγελᾶται) woonden bij dag, en gewoonlijk ook bij nacht, in een gemeenschappelijk gebouw, en hielden met elkander spelen, oefeningen, jachtpartijen, enz. Bij hun intreden in de ἀγ. legden zij den eed af, dat zij de staatsregeling trouw zouden verdedigen; zij stonden onder de leiding van den vader van den oprichter der ἀγ., gewoonlijk een aanzienlijk man.

Agēma, Ἄγημα, koninklijke lijfwacht, keurbende der macedonische ruiterij, gevormd uit jongelieden van voorname familiën, die als pages (παῖδες βασιλικοί) aan het hof opgevoed waren. Een ander ἄγημα (πεζικόν, βασιλικόν) z. ὑπασπιστής.

Agennum = Aginnum.

Agēnor, Ἀγήνωρ, 1) zoon van Poseidon en Libye, vader van Cadmus en Eurōpa, stamvader der Phoeniciërs en dus ook der Carthagers.—2) zoon van Antēnor en Theāno, een van de dapperste trojaansche helden, door Neoptolemus gedood.

Agenorides, Ἀγηνορίδης, zoon of afstammeling van Agēnor, bijv. Cadmus, Perseus, e.a.

Agentes in rebus, in de 4de eeuw n. C. een corps bereden boodschappers van den keizer, staande onder den magister officiorum. Ze moesten de bevelen des keizers naar de provincies overbrengen, hadden het toezicht over de postdienst, en waren berucht als spionnen van de keizerlijke regeering en om hun afpersingen.

Ager publicus. Wanneer de Romeinen eene landstreek onderworpen hadden, werd gewoonlijk een gedeelte, meestal een derde, van den veroverden bodem door den rom. staat in beslag genomen en tot staatsdomein, ager publicus, gemaakt. Met dezen grond werd zeer verschillend gehandeld. Een gedeelte werd door de quaestoren ten bate der schatkist verkocht, ager quaestorius. Andere stukken werden aan rom. burgers weggeschonken, soms in persoonlijken eigendom (ager assignatus of ager viritanus), soms in gemeenschap, b.v. aan eene kolonie (ager colonicus). Weder andere gedeelten, met name weiland, ager compascuus, werden tegen eene jaarlijksche vaste pacht, aan de oude bewoners in gebruik afgestaan of tegen een bepaald weidegeld (scriptura) aan publicani verpacht (ager scripturarius). Doch het belangrijkste deel werd afgestaan aan rom. burgers, tegen eene erfpacht. In den beginne waren het alleen patriciërs, die perceelen van het staatsdomein in bezit konden nemen, en later alleen de meervermogenden, daar de perceelen te groot waren en te veel bedrijfskapitaal vereischten, om door den kleinen man te kunnen worden aanvaard. Zulke gronden werden agri occupatorii of arcifinales geheeten. Het bezit er van was geen dominium, maar slechts possessio. In naam werden zij uitgegeven tot wederopzeggens toe; doch daar de staat van zijn recht van opzegging geen gebruik maakte, werd de possessio langzamerhand als eene soort van eigendom beschouwd, vooral wanneer zij eenige malen door erfenis in andere handen was overgegaan. In overeenstemming met dit begrip was op deze gronden veel ontgonnen en verbeterd, en wanneer nu door enkele wetten het bezit van groote perceelen er van verboden en de teruggave gelast werd van hetgeen men te veel bezat, ten einde den minderen man te gemoet te komen, dan lag in die plotselinge opzegging eene hardheid. Vandaar de tegenstand, dien zulke leges agrariae vonden. Zie verder agrariae leges.

Ager Gallicus, het land, dat de Senonische Galliërs (zie Senones) in Umbrië bezeten hadden, en dat na hun vernietiging met Rom. kolonies bevolkt werd.

Agesander, Ἀγήσανδρος, rhodisch beeldhouwer uit de 2de helft der 1ste eeuw, die medewerkte aan de beroemde Laocoöngroep.

Agesilāus, Ἀγησίλαος, naam van eenige spartaansche koningen. Beroemd is: 1) de zoon van Archidāmus II, geb. 444, die na den dood van Agis I, daar diens zoon Leotychides als onecht beschouwd werd, tot koning verheven werd (398). Op het gerucht van krijgstoerustingen van den kant der Perzen, ging hij met een leger naar Azië (396). De satraap Tissaphernes, die nog niet voor den oorlog gereed was, stelde een wapenstilstand van drie maanden voor, Ag. nam dit voorstel aan, en maakte zich dien tijd ten nutte om de verwarde toestanden in de aziatische steden te regelen, waarbij hij zich door zijn innemend, [25]vastberaden en vooral streng eerlijk gedrag algemeen bemind maakte; zoowel toen als later gaf hij aan zijne soldaten een uitstekend voorbeeld van gehardheid tegen de ongemakken van het soldatenleven, wat te meer indruk maakte, daar hij klein van gestalte en mank was. Toen nu Tissaphernes, wien het slechts te doen was geweest om tijd te winnen, den wapenstilstand brak, trad Ag. aanvallend op, en versloeg hem na eenige kleinere gevechten in een grooten slag bij den Pactōlus (395). Terwijl nu Ag. in Azië overwinnend verder trok, stelde Tithraustes, de opvolger van Tissaphernes, (v. a. Pharnabāzus (z. Tithraustes)), de vele vijanden der Spartanen in Griekenland door aanzienlijke geldzendingen in staat den oorlog tegen hen te beginnen. Athene, Thebe, Corinthe en Argos vereenigden zich, en na den slag bij Haliartus zag men zich te Sparta genoodzaakt Ag. terug te roepen. Terstond na zijne terugkomst in Griekenland won hij den slag bij Coronēa (394). Met roem streed hij in den hierop volgenden corinthischen oorlog, maar toen deze in 387 met den vrede van Antalcidas geëindigd was, en door dien vrede de vrijheid der aziatische Grieken was opgeofferd, bepaalde zich zijne werkzaamheid tot het behartigen van de belangen zijner vaderstad. Met gestrengheid handhaafde hij tegenover anderen de bepaling van den vrede, dat iedere staat autonoom moest zijn; daarentegen vond de partij, die kort daarna door de bezetting van de Cadmēa meende Thebe aan Sparta te onderwerpen, in hem een steun. Zoo duidelijk toonde hij altijd zijn vijandige gezindheid tegen Thebe, dat hij, toen in 378 de oorlog tusschen beide staten uitbrak, niet terstond het opperbevel op zich wilde nemen, uit vrees dat men hem als de aanleiding van den geheelen oorlog zou beschouwen. Later echter, toen de loop van zaken Sparta niet gunstig was, liet hij zich overreden weder handelend op te treden, en ofschoon hij in het veld niet gelukkig was, had men toch aan zijne verstandige maatregelen te danken, dat de Thebanen tweemaal (369, 362) na een inval in Lacedaemon onverrichter zake moesten terugtrekken. Aan den slag bij Mantinēa (362) nam hij geen deel en de vrede, die daarop volgde, werd zeer tegen zijn zin gesloten. Ontevreden over den toestand, waarin Sparta door al deze gebeurtenissen gebracht was, ging hij nog in het volgende jaar, in weerwil van zijn hoogen leeftijd, naar Aegypte, om Tachos en na dezen Nectanabis tegen Artaxerxes te helpen. Met rijke geschenken beladen verliet hij Aegypte, maar voordat hij Sparta bereikte, overleed hij, 84 jaar oud (360).—2) z. Agis no. 4.

Agesipolis, Ἀγησίπολις, 1) Ag. I, zoon van Pausanias II, werd na de vlucht van zijn vader koning van Sparta (395). In 388 of 387 deed hij een inval in Argolis, in 385 werd hem opgedragen Mantinēa te kastijden, en door het afdammen van de rivier Ophis, die door de stad stroomde, dwong hij de inwoners tot overgave. Nadat Teleutias bij het beleg van Olynthus gesneuveld was, werd Ag. gezonden om de stad tot onderwerping te dwingen, maar kort na zijne aankomst stierf hij (380).—2) Ag. II, kleinzoon van den vorigen, koning van Sparta (371–370).—3) Ag. III, volgde zijn oom Cleomenes III als koning van Sparta op, maar werd door zijn ambtgenoot Lycurgus van de regeering ontzet (219). In 195 was hij het hoofd der Spartaansche ballingen, die in den oorlog der Romeinen en Achaeërs tegen Nabis op terugkeer in het vaderland hoopten, hetgeen echter niet gelukte. In 183 werd hij op reis naar Rome door zeeroovers vermoord.

Agger, Χῶμα, is de naam van elke door menschenhanden opgeworpen hoogte, hetzij deze tot dam, wal of iets anders dient. In het bijzonder is de agger een oploopende dam tegen den muur eener belegerde stad, met het doel om daarop belegeringstorens (turres ambulatoriae) en geschut (ballistae, catapultae, enz.) te plaatsen. Ten einde het werk te bespoedigen, werd tot het opwerpen van zulk een agger niet enkel aarde, maar veel hout en takkenbossen gebezigd, zoodat de belegerden er soms in slaagden, het werk door brand te vernielen. Binnen in den agger kon men, zoo noodig, gangen uitsparen en trappen aanbrengen.

Aginnum, thans Agen, voornaamste stad der Nitiobrīges, aan de Garumna of Garonne.

Agis, Ἆγις, 1) zoon van Eurysthenes, stamvader van het spartaansche koningshuis der Agiden (Ἀγίδαι, Ἀγιάδαι).—2) Ag. I, zoon van Archidāmus II, koning van Sparta (427–401), deed in het begin van den peloponnesischen oorlog eenige malen een inval in Attica. In den oorlog tegen Argos had hij eens, naar men meende, eene zeer voordeelige positie ingenomen, toen hij zich tot een wapenstilstand liet overreden; hierdoor haalde hij zich het misnoegen zijner medeburgers op den hals, maar in het volgende jaar (418) maakte hij de begane fout weder goed door de schitterende overwinning bij Mantinēa. Gedurende het laatste gedeelte van den peloponnesischen oorlog (sedert 413) hield hij Decelēa bezet tot groot nadeel van Athene, en toen Lysander Athene belegerde, vereenigde Ag. zich met hem. In 402 ondernam hij een veldtocht tegen Elis, dat zich in het volgend jaar, toen Agis wederom tegen Elis op wilde trekken onderwierp. Kort daarop stierf hij. Hij was een van de beste koningen van Sparta.—3) Ag. II, zoon van Archidāmus III, werd in 338 koning van Sparta. Gedurende Alexanders tochten in Azië vatte hij het plan op de Macedoniërs uit de Peloponnēsus te verdrijven; hij zocht daartoe steun bij eenige perzische satrapen, die hem ook met geld en schepen hielpen. Met een leger van 8000 huurlingen maakte hij zich eerst van Creta meester, daarna viel hij in de Peloponnēsus en bemachtigde hij een groot deel daarvan. Eindelijk kwam Antipater, stadhouder van Macedonië, met een leger opdagen; bij Megalopolis, voor welke stad Ag. het beleg geslagen had, werd [26]een bloedige slag geleverd, waarin de Macedoniërs overwonnen en Ag. na eene heldhaftige verdediging sneuvelde (331).—4) Ag. III volgde in 245 zijn vader Eudamidas als koning van Sparta op, en wijdde zich terstond aan het wegnemen der misbruiken, die te Sparta in den loop der tijden in staat en maatschappij waren ingeslopen. Het aantal burgers was tot 700 verminderd, die alle grondbezit in handen hadden; uit hen werden de ephoren gekozen, zoodat de staatsregeling geheel oligarchisch geworden was; bovendien waren de oude wetten en instellingen grootendeels vergeten. Door eenige weinige aanzienlijke mannen en vrouwen gesteund, trachtte Ag. met jeugdig vuur en groote zelfopoffering aan dien toestand een einde te maken; nadat eenige zijner aanhangers ephoren geworden waren, deed hij het voorstel het aantal burgers tot 4500 te vermeerderen en het land onder die burgers en 15000 perioeken te verdeelen, tevens zouden alle schuldbrieven vernietigd en de wetten van Lycurgus hersteld worden. Hijzelf bood om te beginnen zijn aanzienlijk vermogen ter verdeeling aan. Maar de tegenstand van zijn ambtgenoot Leonidas en de onwil van den raad deden het plan mislukken, en het onverstandig gedrag van zijn oom Agesilāus, die bekend stond als de eerste zijner partijgenooten, nam het volk zoozeer tegen hem in, dat de ephoren hem, toen hij van een ongelukkigen veldtocht tegen de Aetoliërs terugkeerde, ter dood konden veroordeelen, 240. Met hem werden ook zijne moeder en grootmoeder ter dood gebracht, die met geestdrift aan de beweging hadden deelgenomen.

Aglaïa, Ἀγλαΐα, 1) eene van de drie Chariten.—2) dochter van Mantineus, moeder van Acrisius en Proetus.

Aglaophon, Ἀγλαοφῶν, 1) beroemd schilder, vader van Polygnōtus.—2) kleinzoon van den vorigen, eveneens schilder van naam.

Aglaurus, Ἄγλαυρος = Agraulus.

Agmen is de naam van het leger in marschorde. De voorhoede wordt primum agmen, de achterhoede novissimum agmen genoemd. Agmen quadratum is eene marschorde, waarbij het leger zoo opgesteld was, dat het bij een aanval onmiddellijk front tegen den vijand maken kon, met den legertros, impedimenta, in het midden, òf wel de verschillende legerafdeelingen, elke met haren tros, zoo opgesteld waren.

Agnāti en cognāti. Terwijl cognatio de natuurlijke bloedverwantschap is, beteekent agnatio de verwantschap, voor zoover zij in het romeinsche burgerlijk recht geldig is, en omvat de door mannen verwekte of geadopteerde leden der familie. Iemands agnati zijn degenen, met wie hij onder dezelfde patria potestas staat, dus moeders, broeders, zusters en in sommige gevallen nog neven en nichten. Treedt hij echter vóór ’s vaders dood uit de patria potestas uit, dan gaat het agnaatschap verloren, terwijl de geadopteerde de leden zijner adoptieffamilie tot agnaten krijgt. Daar bij het ontbreken van nadere erfgenamen de agnaten tot de erfenis konden geroepen worden, is het agnaatschap in het romeinsch recht een belangrijk punt. Agnati zijn ook de later geboren kinderen, d. w. z. die kinderen, die geboren worden na den dood des vaders, of nadat hij reeds zijn testament gemaakt heeft.

Agnomen, zie nomen.

Ἀγῶνες, wedstrijden. Het houden van wedstrijden op elk denkbaar gebied is voor de Grieken een levensbehoefte; het is één van de meest in het oog vallende karaktertrekken van het Grieksche volk. De raad, dien Hippolochus zijn zoon Glaucus, en Peleus zijn zoon Achilles medegeeft, als ze ten oorlog trekken: αἰὲν ἀριστεύειν καὶ ὑπείροχον ἔμμεναι ἄλλων was elken Griek naar het hart gesproken. Zelfs de oorlog wordt door hen als een wedstrijd beschouwd, en de voordeelen van de overwinning zijn dan de ἆλθα, de kampprijzen. Wanneer Xenophon in de Anabasis de officieren van Proxenus aanvuurt, om den ongelijken strijd tegen de Perzen vol te houden, zegt hij, na al de rijkdommen en de overvloedige levensmiddelen in Perzië te hebben opgesomd: Al dat goede ligt nu als kampprijzen ten toon gesteld voor wie van ons beiden (Grieken en Perzen) het dapperst zich gedragen, en kamprechters zijn de Goden (ἀγωνοθέται δ’ οἱ θεοί εἰσιν). Bij alle feestelijke aangelegenheden worden wedstrijden georganiseerd, maar als oudsten vorm vindt men ze als spelen ter eere van een afgestorvene; de bekendste zijn die ter eere van Patroclus, door Achilles gehouden. Overigens vindt men ze overal in de mythologie vermeld, waarbij het soms ruw toeging. Ook in Etrurië, dat sterk onder Griekschen invloed staat, vindt men deze lijkfeesten, z. ook gladiatores.

Verder vormen de spelen een hoofdbestanddeel der Grieksche godsdienstige feesten. De oude schrijvers onderscheiden hierbij: ἀγ. γυμνικοί, ἱππικοί en μουσικοί. De vier groote nationale feesten zijn die te Olympia (z. a.), Delphi (z. Pythia), Corinthe (z. Isthmia), en Nemea (z. a.), waarbij dan in den Romeinschen tijd nog de Actia (z. a.) komen. Zie verder Ludi.

Agonium of Agonale. Er zijn vier dagen in den kalender, die dezen naam dragen: 9 Januari, 17 Maart, 21 Mei en 11 December. De beteekenis van het woord is onbekend.

Ἀγορά, markt, oorspronkelijk de plaats, waar volksvergaderingen gehouden werden, verder het middelpunt van het openbare leven en vooral van het handelsverkeer, lag in zeesteden meestal aan het strand, in andere steden aan den voet van de acropolis. Markten, die in lateren tijd aangelegd waren, waren gewoonlijk vierkant, door zuilengangen omgeven, en met tempels, standbeelden e. dgl. versierd.

Agoracritus, Ἀγοράκριτος, beeldhouwer van Parus, leerling van Phidias. Onder zijne werken was vooral beroemd een kolossaal beeld van Nemesis, te Rhamnus geplaatst en, naar men zeide, gehouwen uit een blok marmer, [27]dat de Perzen naar Marathon hadden meegebracht, om een zegeteeken er van op te richten.

Ἀγορανόμοι, tien beambten te Athene, van welke vijf in de stad en vijf in den Piraeüs met de marktpolitie belast waren; zij hielden het toezicht op de te koop geboden goederen en op maten en gewichten, ontvingen de marktgelden, enz. Voor kleinere overtredingen konden zij boeten opleggen. Ook de rom. aediles worden door gr. schrijvers ἀγ. genoemd.

Ἀγραφίου γραφή, aanklacht tegen iemand, die den staat geld schuldig is en, zonder zijne schuld betaald te hebben, zich van de lijst der staatsschuldenaars heeft laten schrappen. De aanklacht werd bij de thesmotheten ingediend, de straf is onbekend.

Agrariae (leges). Deze wetten kunnen in twee rubrieken verdeeld worden; 1º. de talrijke wetten betreffende het uitvoeren van coloniae, aan wier bevolking dan in den omtrek hunner nieuwe woonplaats de noodige akkergrond ter bebouwing werd aangewezen, 2º. de eigenlijke akkerwetten, om het genot van den ager publicus (zie aldaar) meer algemeen te maken. De voornaamste dezer wetten volgen hier. De uitvoering evenwel werd vaak verijdeld, nu eens door geweld en moord, dan weder door de zaak op de lange baan te schuiven.

Lex Cassia agraria, in 486 voorgesteld door Sp. Cassius Viscellīnus, die toen ten derden male consul was. Zij beoogde de toewijzing van staatsgrond aan de plebejers; doch Sp. Cassius werd in het volgende jaar beschuldigd van perduellio, en ter dood gebracht. Het bericht omtrent dit wetsvoorstel is onhistorisch, zie Cassii no. 1. Slechts staat vast, dat Cassius wegens perduellio veroordeeld is.

Lex Licinia Sextia agraria, 367, van de volkstribunen C. Licinius Stolo en L. Sextius, dat niemand meer dan 500 iugera staatsdomein in erfpacht mocht bezitten (één iugerum = omstreeks ¼ hectare), of meer dan 100 stuks groot vee of 500 stuks klein vee op de gemeene weide mocht hebben; de grondbezitters zouden verder een aantal vrije daglooners in dienst moeten hebben, geëvenredigd aan het aantal hunner slaven. Deze wet, die slechts korten tijd toegepast is, is niet van Licinius en Sextius, maar dateert uit de 2de eeuw; ze wordt vermeld in het jaar 167, en is waarschijnlijk uit het jaar 196, toen C. Licinius Lucullus (Licinii no. 21) tribunus plebis was.—Sommige geleerden meenen, dat de wet wel uit 367 dateert; in dat geval moet men aannemen, dat de wet in het begin van de 2de eeuw hernieuwd is.

Lex Flaminia de agro Gallico viritim dividendo, strekkende om grond in Picēnum en Cisalpīna onder het volk te verdeelen, in 232 door den volkstribuun C. Flaminius voorgesteld en in 228 tot uitvoering gekomen.

Lex Sempronia agraria van den volkstribuun Ti. Gracchus van 133, tot uitvoering der lex Licinia Sextia, met deze verzachting evenwel, dat men voor een zoon in potestate patris nog 250, en voor een tweeden evenzoo nog 250 iugera zou mogen bezitten. Bovendien werd voor verbeteringen en voor gebouwen, op de ingetrokken landerijen aangebracht, aan de vroegere possessores een schadeloosstelling toegestaan. Een commissie van drie elk jaar opnieuw te kiezen leden (IIIviri agris iudicandis adsignandis) zou uitmaken, wat ager publicus en wat particulier eigendom was (ut triumviri iudicarent, qua publicus ager, qua privatus esset), en tevens de vrijgevallen gronden in stukken van 30 iugera tegen een kleine erfpacht toedeelen aan arme burgers, met de bepaling, dat de toegedeelde stukken onvervreemdbaar waren. Voor de eerste maal (in 133) werden gekozen: Tib. Gracchus, die spoedig vermoord werd, zijn broer C. Gracchus, en zijn schoonvader Appius Claudius Pulcher (zie Claudii no. 12). De wet werd werkelijk uitgevoerd, en werkte heilzaam. In 131 wilden de toenmalige IIIviri M. Fulvius Flaccus (zie Fulvii no. 7) en C. Papirius Carbo ook den ager publicus, die in handen der socii was, aan de bepalingen der wet onderwerpen (waarschijnlijk omdat het andere land reeds opraakte), hetgeen onaangenaamheden met de socii tot gevolg had. In 129 werd de rechtspraak (zie hierboven) van de IIIviri overgebracht op de consuls, waardoor de wet feitelijk buiten werking werd gesteld.

Lex Sempronia agraria van C. Gracchus, volkstribuun in 123, een hernieuwing van de wet van zijn broer, waarbij de iurisdictio aan de commissie teruggegeven werd. Deze wet is meer voor den vorm ingediend en aangenomen, daar feitelijk alle ager occupatorius reeds verdeeld was. Daarnevens liet C. Gracchus een nieuwe wet op den ager publicus aannemen, waarbij het staatsland in Italië, dat tot nu toe verpacht werd (zie ager publicus), bestemd werd tot het stichten van koloniën (ager colonicus), en wel te Capua en te Tarentum; verder bracht hij 6000 Italianen over naar Carthago, die daar eene colonia civium Romanorum, colonia Junonia geheeten, zouden vormen. Het verschil tusschen de boeren, volgens de akkerwet van Tiberius Gracchus op staatsland geplaatst, en deze kolonisten bestaat daarin, dat de eersten afzonderlijk stonden (men spreekt dan van assignationes viritanae), de tweeden daarentegen te zamen een gemeente vormden (zie colonia no. 2). Na Gracchus’ dood werden Carthago en Capua weder opgeheven; het eigen gemeentebestuur verviel dus, maar de boeren mochten op hun land blijven; Tarente werd bij de oude Grieksche gemeente ingedeeld.

Rogationes Liviae agrariae van den volkstribuun M. Livius Drusus 122 v. C. ingediend om de macht van C. Gracchus te breken:

1º een wetsvoorstel, waarbij aan de eigenaars van agri assignati (zie lex Sempronia agraria) de erfpacht werd kwijtgescholden, [28]en de bepaling, dat de toegedeelde stukken onvervreemdbaar waren, werd opgeheven.

2º een wetsvoorstel tot het stichten van 12 coloniae in Italië.

Het tweede wetsvoorstel is òf niet aangenomen òf ingetrokken; van het eerste is de tweede bepaling al spoedig wet geworden, de eerste eerst bij de

Lex Thoria agraria van 118 of 114 doorgevoerd, terwijl tegelijkertijd verdere assignatio van ager publicus verboden werd.

Nu volgde eene

Lex agraria van 111, waarbij zoowel de ager assignatus als de ager occupatus tot privaateigendom werd verklaard, zoodat de vroegere possessores nu niets meer te vreezen hadden.

Lex Appuleia agraria van 103 en

Lex Appuleia agraria van 100, van den volkstribuun L. Appuleius Saturnīnus. Van de eerste wet is niets bekend; de tweede bepaalde, dat het land, dat in Gallia Cisalpīna door de Cimbern in bezit genomen, maar hun door den slag bij Vercellae weer ontnomen was, aan arme burgers, vooral aan de veteranen van Marius, en aan arme italiaansche bondgenooten zou uitgedeeld worden. De wet is aangenomen, maar na den dood van Appuleius ongeldig verklaard. Misschien is echter de stichting van Eporedia, in het land der Salassers in 100, een gevolg van deze wet. Zie ook Appuleiae (leges) no. 2.

Lex Titia agraria van 99, van den volkstribuun Sex. Titius, een hernieuwing van de wet van Appuleius. Deze wet had geen gevolg; misschien werd ze niet eens aangenomen.

Leges Liviae agraria et de coloniis deducendis van 91, van den volkstribuun M. Livius Drusus. Het land, dat men voor de kolonies in Italië noodig had, zouden de socii moeten afstaan, die als vergoeding het burgerrecht zouden krijgen. Na Livius’ dood werden zijn wetten door den senaat ongeldig verklaard.

Leges Corneliae agrariae van 81, van den dictator L. Cornelius Sulla, waarbij aan de inwoners van een aantal democratisch gezinde municipia hun land ontnomen werd, en aan de soldaten van Sulla werd toegewezen. De tengevolge van deze wetten gestichte kolonies worden gewoonlijk militaire kolonies genoemd.

Rogatio Servilia agraria van 63, van den volkstribuun P. Servilius Rullus, tot aankoop van grond, om dien onder de arme burgers te verdeelen. Waarschijnlijk wilde men vooral de veteranen van Pompeius, die weldra terug verwacht werd, met land voorzien. Vooral de ager Campānus, tot nu toe gespaard, was hiervoor aangewezen. Cicero, die consul was, maakte in drie redevoeringen (de lege agraria contra P. Servilium Rullum) het wetsvoorstel zoozeer af, dat het niet in behandeling kwam, en door den voorsteller werd ingetrokken. Vooral viel Cicero het voorstel aan om het beginsel, dat een commissie van 10 mannen voor vijf jaar met uitgebreide volmacht tot uitvoering der wet zou gekozen worden, decem reges.... orbis terrarum domini, zooals Cicero zich uitdrukt.

Lex Plautia of Plotia agraria, van onbekenden datum, van dezelfde strekking als de volgende.

Lex Flavia agraria van 60, van den volkstribuun L. Flavius, een herhaling in zachteren vorm van de lex Servilia van 63. L. Flavius stelde de wet voor in opdracht van Pompeius; de bedoeling was, de soldaten van Pompeius aan land te helpen. De wet werd niet aangenomen.

Lex Julia agraria van 59, ook lex Campāna geheeten, van den consul C. Julius Caesar, tot verdeeling van den Campus Stellas of Stellatis bij Cales, en van het gebied van Capua (den ager Campanus) onder arme burgers, die minstens drie kinderen hadden. Verder werd bepaald, dat ook elders in Italië de nog aanwezige ager publicus zou gebruikt worden, en men uit de staatskas land ter verdeeling moest aankoopen. Deze wet werd door Caesar doorgedreven, en tengevolge daarvan verhuisden 20.000 arme romeinsche burgers naar den ager Campanus. Capua werd nu wederom een municipium.

Lex Antonia agraria van 44 van M. Antonius, waarvan de inhoud niet juist bekend is, maar die ten doel schijnt gehad te hebben, in Italia een aantal landbouwkolonies te stichten ten behoeve van arme burgers. Deze wet werd in het volgend jaar weer opgeheven.

Dit is de laatste eigenlijke lex agraria, want de volgende hebben uitsluitend betrekking op militaire koloniën, waarbij het land van gezeten burgers aan oudgedienden werd gegeven.

Agraulus, Aglaurus, Ἄγραυλος, Ἄγλαυρος, 1) dochter van Actaeus, gemalin van Cecrops.—2) dochter van Cecrops, stortte zich, om Athene te bevrijden van een langdurigen oorlog, waardoor het geteisterd werd, vrijwillig van de acropolis, daar een orakel voorspeld had, dat zulk een offer een einde aan den oorlog zoude maken. V. a. was Hermes verliefd op hare zuster Herse, en toen Agr. hem eens uit jaloerschheid wilde beletten Herse te bezoeken, veranderde hij haar in een steen. V. a. had Athēna aan haar en hare zusters een kistje toevertrouwd, waarin de jonge Erichthonius bewaard was; uit nieuwsgierigheid opende Agr. met Herse het kistje, maar nauwelijks was dit geschied, of beide zusters werden waanzinnig, en wierpen zich van de acropolis in de diepte. Agr. werd als een goddelijk wezen vereerd. Men bracht haar zoenoffers, en in haar tempel deden de achttienjarige Atheners bij het ontvangen hunner wapenen den eed van trouw aan het vaderland. Haar dienst hangt nauw samen met dien van Athena zelve, die ook den bijnaam Agr. heeft.

Agri decumātes. Onder dezen naam verstaat men de streek land, begrepen tusschen den Rijn, den Main en den Neckar, die door keizer Domitianus bij het rijk werd gevoegd, en aan gallische boeren tegen betaling van tienden ter bewoning werd overgelaten. Later komt dit gebied binnen den germaansch-raetischen limes (z. a.) te liggen. [29]

Agriānes, Ἀγριᾶνες, thracisch volk aan den Strymon. In het leger van Alexander d. G. bewezen zij als lichtgewapenden of boogschutters voortreffelijke diensten.

Agricola (Cn. Iulius), te Forum Iulii (Fréjus) in 40 na C. geboren, was de zoon van Julius Graecīnus, die op last van Caligula werd ter dood gebracht, en Julia Procilla. Onder de leiding zijner verstandige moeder genoot hij in Massilia eene zorgvuldige en wetenschappelijke opleiding. In 59 ging hij als jong soldaat onder Suetonius Paullīnus naar Britannia, keerde in 61 naar Rome terug, waar hij met eene dame van aanzien huwde, werd in 63 quaestor in Asia, later (74–76) legaat in Aquitania, consul suffectus (77) en ten slotte in 77 stadhouder van Britannia. Daar streed hij met goed gevolg tegen de Caledoniërs, en veroverde Schotland tot aan de Tava (Tay). Door keizer Domitiānus uit argwaan teruggeroepen, leefde hij van 85 tot aan zijn dood in 93 in stille afzondering. Volgens sommiger meening zou hij op last van den keizer vergiftigd zijn. Zijne wapenfeiten en voortreffelijke eigenschappen zijn door zijn schoonzoon, den geschiedschrijver Tacitus, in eene meesterlijke beschrijving vereeuwigd.

Agrigentum, Ἀκράγας, thans Girgenti, een der belangrijkste en fraaiste steden van Sicilia, met Syracūsae de oogen des lands genoemd, werd door Doriërs uit Gela omstreeks 582 gesticht, in 405 door de Carthagers verwoest, doch later (338) door Timoleon herbouwd. De wijsgeer Empedocles was hier geboren. Te Agrigentum heerschte omstreeks 500 de tyran Phalaris, en omstreeks 480 de om zijne rechtvaardigheid beroemde Theron. Het nieuwe Agrigentum heeft nimmer het oude in luister geëvenaard. In 261 viel de stad in handen der Romeinen en moest met hen een bondgenootschap aangaan. In 255 werd het weer ingenomen en geplunderd door de Carthagers onder Carthalo. Na den val van Syracusae in 212 werd Agr. in 210 veroverd en de burgers als slaven verkocht; in 207 werd de stad opnieuw van kolonisten uit andere steden voorzien.

Agrionia, Ἀγριώνια, feest ter eere van Dionȳsus Agrionius, dat ieder jaar des winters te Thebe, Argos en vooral te Orchomenus in Boeotië gevierd werd, en zich door groote woestheid kenmerkte. In de oudste tijden moest de priester van den god een maagd uit het geslacht van koning Minyas naloopen en, als hij haar inhaalde, haar dooden; in lateren tijd vermeed men dit.

Agrippa (Herodes), zie Herodes.

Agrippa (Menenius), zie Menenii.

Agrippa (Vipsanius), zie Vipsanii.

Agrippīna. In het huis van Augustus komen drie vrouwen van dezen naam voor (zie Iulii):

1) Vipsania Agrippina, z. Vipsanii no. 5.

2) Agrippina, de vrouw van Germanicus. Zij was de dochter van M. Vipsanius Agrippa en Julia, de dochter van Augustus. Zij vergezelde steeds haren echtgenoot op diens veldtochten. Na zijn dood (19 n. C.) uit Syria naar Rome teruggekeerd, werkte zij Tiberius voortdurend tegen. Eindelijk werd zij door den invloed van Seiānus in 29 naar Pandataria verbannen, waar zij in 33 den hongerdood gestorven is.

3) Agrippina, de moeder van keizer Nero, de zuster van Caligula. Zij was de dochter van Germanicus en Agrippina (no. 2) en geboren in het Oppidum Ubiorum, dat later te harer eer verdoopt werd in Colonia Agrippina (Keulen). Zij huwde driemaal, eerst met Cn. Domitius Ahenobarbus, bij wien zij een zoon kreeg, den beruchten Nero, vervolgens met zekeren Crispus Passiēnus en voor de derde maal met haar vaders broeder, keizer Claudius (50 n. C.). Dezen laatsten bracht zij door vergif om het leven (54), om haar zoon Nero in plaats van Claudius’ eigen zoon Britannicus op den troon te brengen. Zij bedroog zich echter in hare verwachting, dat zij over Nero zou kunnen heerschen. Integendeel, de keizer, hare heerschzucht moede, liet zijne moeder ombrengen (in Maart 59).

Agrippinenses = Ubii. Zie ook Agrippina no. 3.

Agrius, Ἄγριος, 1) zoon van Portheus of Porthāon en Eryte, broeder van Oeneus, die te Calydon regeerde. Zijn zonen ontnamen Oeneus de regeering en gaven die aan hun vader, doch later werden zij allen door Diomēdes gedood.—2) zoon van Odysseus en Circe, broeder van Latinus, heerscher over de eilanden van de Tyrrheensche zee.

Agron, Ἄγρων, 1) zoon van Eumelus, leefde met zijne zusters Byssa en Meropis op het eiland Cos. Zij vereerden Gaea, doch behandelden de overige goden met minachting, en werden daarom met hun vader door Hermes, Athēna en Artemis, die gepoogd hadden hen te overreden aan een offerfeest deel te nemen, maar met scheldwoorden en bedreigingen beantwoord waren, in vogels veranderd.—2) koning van Illyrië, ondersteunde Demetrius II in den oorlog tegen de Aetoliërs; kort daarna stierf hij aan de gevolgen zijner onmatigheid (231). Hij werd opgevolgd door zijne gemalin Teuta (z. a.).

Agrotera, Ἀγροτέρα, bijnaam van Artemis als jachtgodin.

Ἀγύρτης, bedelaar of kwakzalver, in het bijzonder iemand die horoskopen en orakelspreuken verkoopt, of iemand die geld inzamelt voor den dienst van niet erkende godheden. Z. μητραγύρτης.

Agyieus, Ἀγυιεύς, bijnaam van Apollo als beschermer van straten en wegen; ook de naam van de fetisch, voor de Grieksche huizen opgesteld, soms in den vorm van een steen, soms als statue; verder het huisaltaar vóór het huis: Ἀγυιεὺς βωμός.

Agylla, Ἄγυλλα, oude naam van de etrurische stad Caere (z. a.).

Agyrium, Ἀγύριον, zeer oude stad in het binnenland van Sicilië, in de buurt van Henna; geboorteplaats van den geschiedschrijver Diodōrus Siculus, die ten tijde van Caesar leefde. [30]

Agyrrhius, Ἀγύρριος, atheensch demagoog, die wegens oneerlijkheid gevangenisstraf onderging, maar later veel invloed kreeg, en na den dood van Thrasybūlus (389) zelfs vlootvoogd werd, in welke hoedanigheid hij echter niets van belang verrichtte. Onder de door hem ingevoerde nieuwigheden wordt genoemd de invoering of verhooging van het ἐκκλησιαστικόν en de vermindering van de belooning der dramatische dichters.

Ahālae, zie Servilii.

Aharna = Arna.

Ahenobarbi, zie Domitii.

Aiax, Αἴας, 1) de kleine, zoon van Oīleus, koning van Locris, gedroeg zich bij de belegering van Troje als een van de dapperste helden, was een voortreffelijk boogschutter en werd in vlugheid alleen door Achilles overtroffen. Bij de verovering der stad drong hij in den tempel van Athēna, en sleepte hij Cassandra, die bij het altaar bescherming had gezocht, met geweld mede; daarom liet Athena hem op de terugreis bij de rots Gyrae in het zuiden van Euboea schipbreuk lijden. Door de hulp van Poseidon redde hij zich op de rots, maar toen hij daarop in zijn overmoed uitriep: daar ben ik ontsnapt in weerwil van de goden, greep Poseidon zijn drietand en verbrijzelde de rots. Door de opuntische Locriërs werd hij als heros vereerd, en lang bleef het bij hen de gewoonte een plaats in de gelederen voor hem open te laten.—2) de groote, zoon van Telamon, koning van Salamis, en Eriboea, nam mede aan den tocht tegen Troje deel. Hij was de sterkste en meest geduchte der helden na Achilles, en toen deze zich aan den strijd had onttrokken, muntte hij in dapperheid boven allen uit; zelfs hield hij alleen de Trojanen tegen, toen zij in de grieksche legerplaats gedrongen waren en de schepen poogden in brand te steken. Toen dus na den dood van Achilles diens wapenen door Thetis werden uitgeloofd aan dengene die ze het meest waardig was, maakte Aiax er aanspraak op, en alleen Odysseus durfde ze hem betwisten. Door zijne welsprekendheid en door den steun van Athēna was Odysseus overwinnaar, en dit ergerde Aiax zoozeer, dat hij zich in zijn zwaard stortte. V. a. werd hij van woede waanzinnig, en viel hij des nachts op het vee aan, waaronder hij een vreeselijke slachting aanrichtte in de meening dat hij met de Atriden, die bij den wedstrijd rechters geweest waren, en met Odysseus te doen had; tot bezinning gekomen, doodde hij zich van schaamte. Uit zijn bloed ontsproot de hyacinth. De Salaminiërs eerden hem als halfgod met een tempel en met een feest Αἰάντια, de Atheners noemden naar hem de phyle Aeantis.

Aïdes, Aidōneas, Ἀίδης, Αἰδωνεύς, z. Hades.

Αἰγικορῆς, zij die tot de derde der vier oude attische phylae behoorden.

Αἰγοφάγος. Onder dezen bijnaam werd Hera te Sparta en Corinthe met geitenoffers vereerd. Toen de altijd door Hera vervolgde Heracles bij eene van zijne ondernemingen geen tegenwerking van haar ondervond, wilde hij haar daarvoor zijne dankbaarheid betuigen, en daar hij niets anders had, offerde hij eene geit en stichtte hij den tempel van Hera Αἰγοφάγος.

Αἰκίας δίκη, aanklacht wegens het opzettelijk mishandelen van een vrije; de aanklager schatte het toegebrachte letsel in een geldsom, die hem bij veroordeeling door den aangeklaagde betaald moest worden.

Αἴωρα, z. Erigone.

Αἶσα, z. Moera.

Aius Locutius. Toen de Galliërs in 389 op Rome lostrokken, hoorde men in het holle van den nacht eene geheimzinnige stem, die de nadering der vijanden aankondigde. Na den aftocht der Galliërs bouwde men een tempel ter eere van den onbekenden god, die gewaarschuwd had en dien men Aius Locutius noemde (van aio en loquor).

Ala. 1) Onder alae verstaat men afdeelingen krijgsvolk, die op de vleugels van het leger geplaatst waren en door de bondgenooten of de provinciën geleverd werden. Zij bestonden hoofdzakelijk uit ruiterij en stonden somtijds onder aanvoerders uit hun eigen volk.—2) Alae zijn kleine kabinetjes in de romeinsche huizen ter zijde van het atrium, waarvan zij niet door deuren, maar door voorhangsels of gordijnen gescheiden waren.

Alabanda, genit. -ae en -orum, τὰ Ἀλάβανδα, bloeiende stad in Caria, doch berucht om de weelde en de losse zeden die er heerschten.

Alalcomenae, Ἀλαλκομεναί, oude boeotische stad, dicht bij den zuidoever van het meer Copaïs, met een tempel van de godin Athēna, die, naar men zeide, hier geboren was. Er waren nog meer steden van dezen naam.

Alalia, zie Aleria.

Alamanni, zie Alemanni.

Alāni, Ἀλανοί, een nomadenvolk, dat sedert het begin van den keizertijd ten N. van de Caspische zee en den Caucasus de plaats der voormalige Scythen innam. Er hooren verschillende scythische stammen toe, o. a. de Aorsi. Uit de woestijn Gobi komend, hebben de Hunnen hen voor zich uitgedreven, en tegen het einde der 3de eeuw n. C. onderworpen. Gedeeltelijk smolten zij met de Hunnen samen, gedeeltelijk trokken zij met Vandalen en Sueven naar Hispania en later met de Vandalen naar Africa (429 n. C.).

Alaricus, Alarik, bijgenaamd Baltha (de Stoute), aanvoerder (dux) der Westgothen, die eerst Macedonië, Thessalië en Griekenland verwoestte (395/98 n. C.) en vervolgens in 401 voor de eerste maal naar Italië trok, maar door Stilicho genoodzaakt werd naar Illyricum terug te keeren. Na de vermoording van Stilicho (408) kwam hij in Italië terug. Keizer Honorius sloot zich in het sterke Ravenna op; doch Alarik trok regelrecht op Rome aan en sloot de stad in, die zich ditmaal van plundering vrijkocht, doch in het volgende jaar, omdat Honorius niet naar Alariks voorstellen wilde luisteren, vermeesterd en drie dagen lang geplunderd werd. De christenkerken bleven echter gespaard. [31]Kort daarna stierf Alarik te Consentia in Bruttium en werd in de bedding van den Busento begraven (410 n. C.).

Alarii, troepen, tot de alae behoorende.

Alastor, Ἀλάστωρ, wraakgeest in het leven geroepen door het plegen eener misdaad; door wraak te vorderen voor de bedreven misdaad drijft hij tot nieuwe misdaden, die op hare beurt gewroken moeten worden. Meer algemeen een booze geest, die tot zonde verleidt en daardoor onheil sticht. Ook bijnaam der Erinyen en van Zeus als wreker van onrecht.

Alatrium of Aletrium, oude stad in Latium in het gebied der Hernici, later municipium.

Alba, Ἄλβας, mythisch koning van Alba Longa.

Alba, naam van verschillende steden, waarvan de volgende de belangrijkste zijn. 1) Alba Fucens, op eene rots aan het meer Fucinus gelegen, in het land der Aequi, latijnsche kolonie (in 303 aangelegd) en staatsgevangenis. Koning Perseus van Macedonia werd hierheen gebracht.—2) Alba Longa, in Latium, aan den voet van den mons Albanus, de hoofdstad van den ouden Latijnschen bond en de moederstad van Rome, volgens de overlevering door Aenēas’ zoon Ascanius gesticht en door Tullus Hostilius verwoest.—3) Alba Pompeia, in Liguria, geboorteplaats van keizer Pertinax.

Albāni, 1) inwoners van Alba Longa.—2) inwoners van het caucasische landschap Albania.

Albania, Ἀλβανία, bergland van den Caucasus, aan de Caspische zee gelegen, met eene krijgszuchtige bevolking, die in den mithradatischen oorlog troepen tegen Pompeius leverde. Men houdt de bewoners van deze landstreek ten onrechte voor de latere Alanen. De hoofdstad heette Albana.

Albaniae portae, bergpas, die toegang tot Albania verleende.

Albānum, thans Albano. Aan den Z.W. kant van den Albānus lacus op de helling van het gebergte lagen een aantal buitenverblijven van aanzienlijke Romeinen, o.a. van Pompeius, Brutus, later ook van Nero, Domitiānus. Naar romeinsche gewoonte werd zulk een buitenverblijf naar de plaats Albanum geheeten. Hieruit ontstond aldaar een municipium van dien naam.

Albānus lacus, een klein, maar zeer diep; en bekoorlijk meer aan den voet van den albaanschen berg. Het uitwateringskanaal, indertijd door Camillus, v. a. in 97 aangelegd, bestaat nog.

Albānus mons, berg in Latium, thans Monte Cavo, aan welks helling eenmaal Alba Longa lag. Op den top stond de tempel van Jupiter Latiāris. Op dezen berg werden jaarlijks de groote feriae Latinae gevierd.

Albenses, de inwoners van alle steden, die Alba heetten, behalve van Alba Longa, die Albani genoemd werden. Populi Albenses zijn de 30 gemeenten, die tot den oudsten Albaanschen bond gehoord hebben, en die ook in later tijd bij de feriae Latinae werden opgeroepen voor het in ontvangst nemen van het offervleesch. De meeste zijn onbekend, maar waarschijnlijk hebben alle in het binnenland rondom het Albaansch gebergte gelegen, en zijn later opgegaan in de steden: Rome, Tibur, Praeneste, Tusculum, Aricia en Gabii.

Albici, Ἀλβίοικοι, een ruw herdersvolk, in de bergstreken benoorden Massilia (Marseille).

Albii. Tot dit geslacht behoorde de dichter Albius Tibullus, vriend en tijdgenoot van Ovidius. Hij werd omstreeks 54 uit eene rijke ridderfamilie geboren, maakte met zijn beschermer M. Valerius Messāla Corvīnus een veldtocht in Aquitania mede, doch leefde verder meestal stil op zijn landgoed. Zijne dichtsoort was de elegie, doch van de vier boeken, die op zijn naam staan, kunnen slechts de eerste twee geheel aan hem worden toegekend. Het 3de boek is van een onbekenden dichter Lygdamus, van het 4de is het 1ste gedicht een loflied op Messalla, van een onbekenden dichter, 4, 2–6 hebben tot onderwerp de liefde van Sulpicia, een jong meisje van goeden stand (z. Sulpicii no. 23) voor Cerinthus, 4, 7–12 zijn van Sulpicia zelf. De verzen van Tibullus zelf (de 2 eerste boeken) zijn aan twee minnaressen gewijd, Delia en Nemesis. Zijn stijl is natuurlijk en eenvoudig, meer liefelijk dan verheven. Hij stierf in 19.

Albīni, zie Postumii.

Albinovānus, zie Celsus en Pedo.

Albīnus (Clodius) was bij den dood van keizer Commodus (192 na C.) stadhouder in Britannia. Dit bleef hij onder Pertinax. Na diens dood weigerde hij Didius Juliānus als keizer te erkennen, doch wees zelf het keizerschap, hem door zijne legioenen aangeboden, van de hand. Septimius Sevērus, die eerst zijn mededinger Pescennius Niger wilde ten onder brengen, benoemde Clodius Albinus tot mederegent, doch zocht na Nigers dood ook Albinus uit den weg te ruimen. Hierop trok deze tegen Severus op. Bij Lugdūnum (Lyon) kwam het tot een slag. Albinus werd verslagen en op de vlucht achterhaald en gedood (197.)

Albion, Ἀλουίων, Ἀλβίων, oude inheemsche naam voor Britannia = bergland.

Albis, rivier, thans Elbe geheeten. De Rom. leerden haar (9) onder Drusus kennen en zagen ze voor het laatst onder Tiberius (5 n. C.).

Albogalērus, wit bonten of vilten muts van den flamen Dialis en andere priesters, uit het vel van een offerdier vervaardigd. Bovenaan zat eene soort van pompoen, bestaande uit een olijftakje, met een witten draad omwonden.

Albula, oude naam van den Tiber.

Albulae Aquae, zwavelbronnen in de vlakte halverwege tusschen Rome en Tibur, als herstellingsoord veel bezocht; v. s. was de voornaamste gewijd aan Albunea of Albūna (z. a.).

Album, wit gekalkt of geverfd bord, bestemd om beschreven en tentoongesteld te worden. De merkwaardigste zijn: 1) album [32]pontificum, waarop de annales maximi of kroniek van Rome werd geschreven (z. annales),—2) het album praetoris, waarop de praetor zijn edictum schreef,—3) het album senatorum, de senatorenlijst,—4) het album iudicum, waarop de jaarlijksche lijst der iudices was vermeld.

Album Ingaunum en Album Intimilium, twee steden aan de ligurische kust, beide in later tijd municipia; het eerste = Albenga, het tweede ten oosten van Ventimiglia.

Albunea, nymph van een zwavelbron bij Tibur, in wier heilig bosch zich een droomorakel van Faunus bevond. De domus Albuneae van Horatius is waarschijnlijk de Grotta di Nettuno, onder aan de watervallen van Tibur (Tivoli); de hoofdstroom van den Anio liep hier vroeger door. Albunea werd ook tot de Sibyllae gerekend. V. a. is zij de nymph van een der zwavelbronnen van Aquae Albulae (z. a.).

Alburnus mons, boschrijk, woest gebergte achter Paestum, in Lucania.

Albus Notus, Λευκόνοτος Φοινικίας, de Zuid-Oostenwind, zie Windstreken.

Alcaeus, Ἀλκαῖος, 1) zoon van Perseus en Andromeda, vader van Amphitryo.—2) = Alcides.—3) van Mytilēne, lyrisch dichter omstreeks het einde der 7e eeuw. Hij streed mede in den oorlog tegen Athene om het bezit van Sigēum, maar liet eens zijne wapenen op het slagveld achter. Met meer standvastigheid, maar met weinig geluk, voerde hij, als lid van een edel geslacht en van de aristocratische partij, oppositie tegen de toen in zijne vaderstad heerschende democratie, en tegen de tyrannen Melanchrus (z. a.) en Myrsilus (z. a.), en toen Pittacus tot αἰσυμνήτης (z. a.) was aangesteld, moest hij met vele partijgenooten jaren in ballingschap leven, van welken tijd hij een deel in vreemden krijgsdienst doorbracht. Eene poging om met geweld terug te keeren mislukte; zelfs viel hij daarbij in handen van Pittacus, die hem echter vergiffenis en de vrijheid schonk; de laatste jaren van zijn leven heeft hij in Mytilene doorgebracht. Zijne gedichten, meestal in de naar hem genoemde alcaeïsche strophe geschreven, zijn grootendeels verloren; zooals de overblijfsels toonen, gaven zij met groote bevalligheid getuigenis van het hartstochtelijk karakter en de welgevestigde staatkundige overtuiging van den dichter; zij worden verdeeld in politieke gedichten, drink- en minneliedjes (στασιωτικά, συμποτικά, ἐρωτικά) en hymnen op de goden. Horatius volgt hem bij voorkeur na.

Alcamenes, Ἀλκαμένης, van Athene of Lemnus, beroemd beeldhouwer en bronsgieter, naar veler meening slechts door zijn leermeester Phidias overtroffen. Bij de opgravingen aan den tempel van Zeus te Olympia zijn belangrijke fragmenten van standbeelden gevonden, die vroeger ten onrechte voor werk van Alc. gehouden werden.

Alcathoë, Ἀλκαθόη, 1) dochter van Minyas, koning van Orchomenus, z. Minyades.—2) z. Alcathoüs.

Alcathoüs, Ἀλκάθοος, zoon van Pelops en Hippodamēa, doodde op den Cithaeron een leeuw, die den zoon van koning Megareus verscheurd had; tot belooning hiervoor gaf de koning hem zijne dochter Euaechme tot vrouw en benoemde hij hem tot zijn opvolger. Hij herbouwde de muren van Megara, die door de Cretensers geslecht waren, met behulp van Apollo, die bij dit werk eens zijn lier op een steen nederlegde, waaruit sedert dien tijd bij elke aanraking de klank van het goddelijk instrument gehoord werd. Naar hem wordt de burcht van Megara Alcathoë, moenia Alcathoi genoemd. Alc. doodde later door een misverstand zijn zoon Callipolis, dien hij ten onrechte van gebrek aan eerbied voor de goden beschuldigde. Te Megara werd hij als halfgod vereerd, en werden te zijner eer spelen gevierd, Ἀλκαθοῖα genoemd.—2) Trojaan, die met een dochter van Anchīses getrouwd was en Aenēas opvoedde. Bij de bestorming van het grieksche kamp werd hij door Idomeneus gedood.

Alcestis, Ἄλκηστις, dochter van Pelias, de eenige die zich verzette tegen het plan van Medēa om Pelias te verjongen. Later werd zij de vrouw van Admētus (z. a.), voor wien zij vrijwillig stierf. Om hare kinderlijke liefde en huwelijkstrouw, wordt zij als voorbeeld voor alle vrouwen genoemd.

Alcetas, Ἀλκέτας, naam van verscheiden Macedoniërs, o.a. van: 1) veldheer van Alexander d. G., broeder van Perdiccas. Toen deze gedood was (321), wist Alc. de Pisidiërs te bewegen hem in den strijd tegen de vijanden van het koninklijk huis bij te staan; bij den eersten slag leed hij echter de nederlaag en werd hij door eenige burgers van Termessus aan zijne vijanden verraden; om niet in hunne handen te vallen doodde hij zich zelf.—2) koning van Epīrus (313–307). Hij werd door Cassander gesteund, maar zijne woestheid en wreedheid, waarom zijn vader hem van de regeering had willen uitsluiten, verbitterden zijn volk zoozeer, dat men hem doodde, en zijn neef Pyrrhus tot koning uitriep.

Alcibiades, Ἀλκιβιάδης, Athener, zoon van Clinias en Dinomache, geb. omstreeks 450; nadat hij op driejarigen leeftijd zijn vader verloren had (gesneuveld bij Coronēa, 447), werd hij door zijn voogd, den beroemden Pericles, opgevoed. Hij was een man van buitengewone schoonheid en geestesgaven, uiterst beminnelijk in den omgang en welsprekend, bovendien zeer rijk; in deze omstandigheden gaf hij aan zijn zucht om altijd op den voorgrond te treden in zijn jeugd toe door allerlei buitensporige en moedwillige streken. Zijn omgang met Socrates kon evenmin als zijn huwelijk met Hipparete, de dochter van den rijken Hipponīcus, aan zijn losbandig leven een einde maken. Gedurende het eerste gedeelte van den peloponnesischen oorlog diende hij als ruiter; men verhaalt dat Socrates hem bij het beleg van Potidaea (432), hij daarentegen [33]Socrates in den slag bij Delium (424) het leven gered had. Na den vrede van Nicias was hij het vooral, die steeds tot het hervatten der vijandelijkheden dreef, hetzij omdat hij inderdaad het voortzetten van den oorlog voor Athene voordeelig achtte, hetzij omdat hij het voor zijn eigen belangen meer geraden vond zich bij de oorlogspartij aan te sluiten, die sedert den dood van Cleon zonder leider was, terwijl Nicias aan het hoofd van de vredespartij stond. Door zijn toedoen dan sloot Athene een verbond met Argos, Mantinēa en Elis (420), maar nadat de troepen dier bondgenooten bij Mantinea door de Lacedaemoniërs verslagen waren (418), kwam de oligarchische partij in de peloponnesische staten weder aan het roer, en werd het bondgenootschap met Athene opgezegd; twee jaar later werd het echter door bemiddeling van Alc. hernieuwd. Intusschen was uit Segesta een verzoek tot Athene gericht om bijstand tegen Syracuse, en Alc. die van zulk eene onderneming veel roem en voordeel verwachtte en misschien nog van verdere veroveringen droomde, wist het volk tot een krijgstocht tegen Sicilië over te halen in weerwil van den tegenstand van Nicias; hijzelf, Nicias en Lamachus werden tot strategen benoemd. Maar kort voor den dag, waarop de vloot zoude vertrekken, werden in een nacht al de Hermesbeelden in Athene omvergeworpen en, te recht of ten onrechte, Alc. werd van medeplichtigheid aan die daad, later ook van ontwijding der eleusinische mysteriën, beschuldigd. Hij verlangde dringend dat de zaak (Hermocopidenproces) nog voor zijn vertrek zoude behandeld worden, maar zijne vijanden, die zijn invloed vreesden, dreven door dat het gerechtelijk onderzoek tot na zijn terugkomst zou uitgesteld worden; zoodra hij echter vertrokken was (415), werden opnieuw geruchten verspreid, die weldra zulk een onrust bij het volk te weeg brachten, dat tot een onmiddellijk onderzoek besloten werd, en een schip werd uitgezonden om Alc. terug te halen. Hij begaf zich eerst aan boord, maar te Thurii gekomen, wist hij te ontsnappen. Toen hij nu vernam, dat hij in zijne afwezigheid ter dood veroordeeld was en zijne goederen verbeurd verklaard waren, begaf hij zich naar Sparta, waar hij weldra grooten invloed kreeg. Hij bewerkte dat van daar uit een leger onder aanvoering van Gylippus aan de Syracusanen te hulp gezonden werd (414), dat Decelēa versterkt en door een spartaansch leger bezet werd (413), en bovenal dat een vloot werd uitgerust, waarmede hij zelf naar Azië zeilde om een verbond tusschen de Spartanen en Tissaphernes tot stand te brengen en de ionische steden tot afval van Athene te bewegen. Het duurde echter niet lang of zijn overwicht wekte de afgunst der spartaansche veldheeren op, vooral van koning Agis, die bovendien vermoedde dat hij zijne echtgenoote Timaea tot overspel verleid had, en spoedig wist men hem zoo verdacht te maken, dat hij naar Tissaphernes moest vluchten om zijn leven te redden (412). Hier bracht hij het door zijne raadgevingen zoo ver, dat Tissaphernes niet slechts veel minder ijver voor zijne lacedaemonische bondgenooten aan den dag legde, maar zelfs geneigd scheen de zijde van Athene te kiezen, terwijl Alc. onderhandelingen aanknoopte met de atheensche vloot die bij Samus lag, en beloofde een verbond met Tissaphernes, ja zelfs met den koning van Perzië tot stand te brengen, indien de democratische regeeringsvorm te Athene door eene oligarchische vervangen werd. Deze omwenteling had inderdaad plaats (z. τετρακόσιοι), maar was zoo weinig naar den zin van het leger op Samus, dat het in opstand kwam, Alc. uit de ballingschap terug riep, en hem met Thrasyllus en Thrasybūlus tot aanvoerder verkoos. Alc., die intusschen had ingezien, dat hij weinig kans had zijne beloften te kunnen nakomen, was met dezen loop van zaken zeer tevreden, en maakte zich reeds dadelijk verdienstelijk door te beletten dat men naar Athene trok om de oligarchen te verdrijven, die trouwens spoedig genoeg weder voor de democratie moesten plaats maken. Met Alc. scheen het geluk bij de atheensche wapenen teruggekeerd te zijn; hij overwon de Spartanen in verscheidene kleinere gevechten en in twee groote slagen bij Abȳdus en Cyzicus (411, 410), ontnam hun 200 schepen, en veroverde Byzantium, Chalcēdon e. a. steden. Tissaphernes koos nu spoedig weder beslist de zijde der Spartanen en liet Alc. zelfs gevankelijk naar Sardes voeren, vanwaar deze echter na korten tijd ontsnapte. Eindelijk keerde hij naar Athene terug (407), waar hij met gejuich ontvangen en, na vernietiging van het over hem gevelde vonnis, tot opperbevelhebber van leger en vloot benoemd werd. Na dien tijd was hij echter minder gelukkig. Niet alleen mislukte hem een poging om Andrus te onderwerpen, maar zelfs verloor in zijne afwezigheid zijn onderbevelhebber Antiochus een zeeslag tegen Lysander, en het volk, dit aan de nalatigheid van Alc. toeschrijvend, verkoos andere strategen in zijn plaats. Alc. verdedigde zich niet en trok zich terug naar zijne bezittingen in de thracische Chersonēsus. Toch bleef hij den loop der gebeurtenissen met belangstelling gadeslaan, en toen eenige jaren later de Spartanen oppermachtig geworden waren, achtten zij hem nog zoo gevaarlijk, dat hij reden had voor zijn leven te vreezen; hij begaf zich dus naar Pharnabazus om dezen, en zoo mogelijk den koning van Perzië, voor Athene te winnen, maar Pharnabazus, die eerst veel vriendschap voor hem getoond, had, gaf eindelijk, bevreesd voor de bedreigingen van Lysander, bevel hem te vermoorden. Zijn huis werd in brand gestoken en omsingeld, en toen hij zich uit de vlammen wilde redden, werd hij van alle kanten met pijlen neergeschoten (404).

Alcidamas, Ἀλκιδάμας, van Elaea, in Aeolis, tijdgenoot van Isocrates, leerling [34]van Gorgias en leeraar der welsprekendheid. Eene redevoering van hem en enkele fragmenten zijn bewaard.

Alcīdes, Ἀλκείδης, oorspronkelijke naam van Heracles (z. a.).

Alcimede, Ἀλκιμέδη, dochter van Phylacus en Clymene, moeder van Iāson.

Alcinous, Ἀλκίνοος, kleinzoon van Poseidon, koning der Phaeaciërs op het eiland Scheria of Drepane. Hij nam Odysseus gastvrij op en zond hem met vele geschenken naar zijn vaderland terug. Ook de Argonauten werden op hun terugtocht zeer goed door hem ontvangen, en hij weigerde Medēa uit te leveren aan de Colchiërs, die haar uit naam van haar vader kwamen opeischen. Daar zij niet naar hun vaderland durfden terugkeeren, bleven de colchische afgezanten toen bij de Phaeaciërs wonen.

Alciphron, Ἀλκίφρων, grieksch sophist, die in het laatste gedeelte der 2de eeuw n. C. leefde. In den vorm van brieven, die door taal en stijl uitmunten, heeft hij belangrijke schetsen van de toenmalige toestanden te Athene nagelaten.

Alcmaeon, Ἀλκμαίων, Ἀλκμέων, 1) zoon van Amphiarāus en Eriphȳle. Evenals Eriphyle zich door het halssnoer van Harmonia had laten omkoopen om Amphiaraus te bewegen aan den tocht der zeven tegen Thebe deel te nemen, zoo was de peplos van Harmonia de prijs, waarvoor zij Alcm. overreedde met de Epigonen mede te trekken. Als een der aanvoerders verrichtte Alcm. vele dappere daden en Thebe moest dezen keer vallen. Zijn vader, die zijn eigen lot voorzien had, had echter voor hij ten strijde trok aan zijne zonen Alcm. en Amphilochus opgedragen hem op hun moeder te wreken, en nadat Alcm. zelf uit den oorlog teruggekomen was en een orakel hem bevolen had de opdracht zijns vaders uit te voeren, te meer daar zijne moeder ook hem aan hetzelfde gevaar had blootgesteld, doodde hij Eriphyle. Terstond maakten zich de wraakgodinnen van hem meester; door haar vervolgd, zwierf hij in waanzin rond, zonder ergens rust te vinden. Eindelijk kwam hij in Psophis bij koning Phegeus, die hem van zijne schuld trachtte te zuiveren en hem zijne dochter Alphesiboea of Arsinoë tot vrouw gaf. Doch de middelen door Phegeus aangewend, vermochten op den duur niet de wraakgodinnen van Alcm. af te houden, zijn waanzin keerde terug en weder zwierf hij rond, nu zonder hoop ooit rust te vinden, daar een orakel hem gezegd had, dat dit alleen zou kunnen geschieden wanneer hij een plek vond, die tijdens zijn misdaad nog niet door de zon beschenen was. Eindelijk echter vond hij die plek, het was de grond, die sedert den moord aan de monding van den Achelōus aangeslibd was, de Echinades. Hier vestigde hij zich en trouwde hij met Callirrhoë, de dochter van den riviergod. Nadat hij eenigen tijd hier rustig geleefd had, verzocht zijne gemalin hem het halssnoer en den sluier voor haar te halen, die op zijn leven van zooveel invloed geweest waren. Hij gaf toe aan haar dringend verlangen en trok naar Psophis, waar hij die sieraden van zijn eerste vrouw terugnam, zeggende dat hij ze aan Apollo wilde wijden. Nauwelijks had Phegeus echter bemerkt dat dit slechts een voorwendsel was, of hij zond zijne zonen om Alcm. te vervolgen; zij haalden hem in en doodden hem. De zonen van Alcm. en Callirrhoë, Acarnan en Amphoterus, wreekten later den moord van hun vader. V. s. had Alcm. bij Manto, de dochter van Tiresias, een zoon en een dochter, die hij aan Creon, den koning van Corinthe, gaf om op te voeden. Uit jaloerschheid liet de vrouw van Creon het meisje, toen zij volwassen was, als slavin verkoopen en zoo kwam zij onbekend toevallig bij haar vader. Alcm. had te Thebe een tempel waar hij als halfgod vereerd werd.—2) achterkleinzoon van Nestor, die bij den inval der Doriërs in de Peloponnēsus naar Athene uitweek; hij was de stamvader der Alcmaeoniden.—3) atheensch archont, de laatste die voor zijn leven tot deze betrekking verkozen werd (752).—4) van Croton, schrijver van geneeskundige werken in de 5de eeuw.

Alcmaeonidae, Ἀλκμαιωνίδαι, Ἀλκμεωνίδαι, een rijke en aanzienlijke familie in Athene, afstammend van Alcmaeon no. 2. Zij zijn vooral bekend door de oppositie, die zij voerden tegen de alleenheerschappij der Pisistratiden, waarbij Megacles hun aanvoerder was. Toen zij door Pisistratus verbannen waren, wisten zij de priesters van Delphi voor hunne belangen te winnen door den herbouw van den tempel, die kort te voren was afgebrand, aan te nemen, en hem, gedeeltelijk op hun eigen kosten, veel prachtiger te herstellen, dan hij te voren geweest was. Van Delphi ging dan ook sedert herhaaldelijk eene aansporing tot de Spartanen uit, om Athene van de tyrannen te bevrijden, waaraan eindelijk ook gehoor gegeven werd (z. Cleomenes en Hippias). Ook te voren hadden de Alcmaeoniden eenigen tijd in ballingschap doorgebracht, omdat zij, naar men beweerde, eenige aanhangers van Cylon bij de altaren der goden gedood hadden. Hoewel deze ballingschap niet van langen duur geweest kan zijn, werd de familie toch altijd door die heiligschennis bezoedeld geacht, en werd den Atheners meermalen hun verblijf in de stad verweten. Ook Clisthenes was een Alcmaeonide en Alcibiades en Pericles waren van moederszijde met hen verwant.

Alcman, Ἀλκμάν, een der oudste grieksche lierdichters, Ioniër uit Sardes, werd krijgsgevangene en kwam als slaaf naar Sparta, maar werd daar vrijgelaten en schijnt zelfs onder de burgers opgenomen te zijn. Hij leefde omstreeks 620. Van zijne gedichten, die in een met aeolische en epische vormen gemengd dorisch dialect geschreven waren, is slechts weinig over. Hij is vooral bekend om zijne Παρθένια, liederen voor meisjeskoren, waarvan er één bewaard is.

Alcmēne, Ἀλκμήνη, Alcumena, dochter van Electryon, koning van Mycēnae. Zij was [35]gehuwd met Amphitryo, en terwijl deze buitenslands oorlog voerde, werd zij door Zeus, die de gedaante van haar echtgenoot had aangenomen, bezocht en zoo werd zij moeder van Heracles; bij Amphitryo, die den volgenden dag terugkeerde, kreeg zij een zoon Iphicles. Bij de geboorte van Heracles, had zij veel van den haat van Hera te lijden. Na den dood van Amphitryo huwde zij met Rhadamanthys, met wien zij ook op de eilanden der gelukzaligen vereenigd gedacht wordt. Toen haar zoon gestorven was, moest zij voor Eurystheus vluchten, zij kwam naar Athene, maar ging later naar Thebe terug waar zij in hoogen ouderdom stierf. Te Thebe en ook te Athene genoot zij goddelijke eer.

Alcyone, Ἀλκυόνη, 1) dochter van Aeolus en Enarete, gehuwd met Ceyx. Dit huwelijk was zeer gelukkig, maar in hun trots noemden zij elkander Zeus en Hera; tot straf hiervoor werd hij in een zeemeeuw, zij in een ijsvogel veranderd.—V. a. kwam Ceyx bij een schipbreuk om, en stortte Alc. zich uit wanhoop in zee, waarop beiden in ijsvogels veranderd werden. Wanneer deze vogel broedt, omstreeks een week voor en een week na den kortsten dag, laat Aeolus alle winden rusten, vandaar heeten die dagen Alcyonii dies, Ἀλκυονίδες ἡμέραι, welke naam overdrachtelijk gegeven wordt aan een rustigen, gelukkigen tijd.—2) eene van de Pleiaden, bij Poseidon moeder van Hyrieus.

Alcyoneus, Ἀλκυονεύς, 1) een van de Giganten, die Heracles op de landengte van Corinthe of op het schiereiland Pallene aanviel, toen hij met de runderen van Geryones daar langs kwam. Met een rotsblok verpletterde hij 24 van Heracles’ makkers en 12 van zijne wagens, maar toen hij het rotsblok tegen hemzelf slingerde, sloeg Heracles het met zijn knots terug, en doodde hem met denzelfden slag.—2) zoon van Diomus en Meganira. Hij werd door het lot aangewezen om volgens een orakel ten offer gebracht te worden aan een monster, dat de omstreken van den Parnassus verwoestte, maar toen hij bekranst naar het hol van het monster gebracht werd, ontmoette hem Eurybatus, die, door zijne schoonheid getroffen, besloot zich in zijne plaats op te offeren. Hij ging in het hol, greep het monster en stortte het in de diepte.

Alcyonium mare, Ἀλκυονὶς θάλαττα, ook Alcyonius sinus genoemd, noordoostelijke inham der Corinthische golf.

Alea, Ἀλέα, bijnaam der godin Athēna, onder welken naam zij vooral in de stad Alea, in Arcadia, ten Z. van Stymphālus gelegen, maar ook elders vereerd werd.

Alea. Het dobbelspel was bij de Romeinen zeer in zwang. Men speelde met tesserae en met tali. De tesserae waren gewone dobbelsteenen; men wierp met drie steenen tegelijk. De tali waren aan twee zijden afgerond, en vertoonden alleen de getallen 1, 3, 4, 6. Men wierp met vier zulke steenen. De beste worp was de iactus Venereus, wanneer al de steenen verschillende cijfers aanwezen. De slechtste worp was alle éénen en werd canis genoemd.

Alecto, Ἀληκτώ, eene der drie Erinyen.

Alectryon, Ἀλεκτρύων, dienaar van Ares, die op den uitkijk stond als de god Aphrodite bezocht. Eens viel hij in slaap, zoodat de minnenden door Helius ontdekt konden worden. Tot straf hiervoor werd hij in een haan veranderd.

Aleïus campus, Ἀλήιον πέδιον, waar Bellerophon in zijne zwaarmoedigheid ronddoolde. Homerus plaatst deze uitgestrekte vlakte in Lycia; zij ligt echter tusschen den Sarus en den Pyramus, twee rivieren van Cilicia.

Alemanni, Ἀλαμανοί, groote volkerenbond, uit germaansche stammen van zuidwestelijk Duitschland bestaande, waarvan de Suēvi (Zwaben) het hoofdvolk waren. In 213 na C. kwamen zij onder dezen bondsnaam voor het eerst met de Romeinen in botsing en liet keizer Caracalla zich v. s. den bijnaam Alemannicus geven naar de overwinning, die hij over hen behaald had. In werkelijkheid nam hij den bijnaam Germanicus aan. Sedert hadden de Romeinen veel last van hunne invallen in de agri decumates. In de tweede helft van de 3de eeuw bezetten zij de geheele streek binnen den limes (z.a.), en in de 4de eeuw ook den Elzas.

Aleria, Ἀλερία, vroeger Alalia, Ἀλαλίη geheeten, volksplanting der Phocaeërs op Corsica (565), in den eersten punischen oorlog door de Romeinen veroverd (259), onder Sulla kolonie.

Alēsa, zie Halesa.

Alesia, vesting in het kleine gebied der Mandubii, aan den zuidkant van het tegenwoordige plateau van Langres. Zij is bekend door het beroemde beleg in den strijd van Caesar tegen den grooten gallischen aanvoerder Vercingetorix (in 52). Na de inneming verwoestten de Romeinen de stad; zij werd echter later herbouwd (thans Alise-Ste-Reine).

Alēsus, zie Halesus.

Alētes, Ἀλήτης, 1) zoon van Aegisthus. Op het bericht dat Orestes in het land der Tauri aan Artemis geofferd was, maakte hij zich van de regeering over Mycēnae meester, maar bij de terugkomst van Orestes werd hij gedood.—2) zoon van Hippotas, die bij den inval der Heracliden de Sisyphiden uit Corinthe verdreef en daar zelf koning werd.

Aletrium, zie Alatrium.

Aleuadae, Ἀλευάδαι, afstammelingen van Aleuas, een Heraclide, die zich van de heerschappij over Larissa meester maakte en om zijne wreedheid door zijn eigen volk gedood werd. De Aleuaden waren lang het machtigste vorstengeslacht van Thessalië (ταγοί, z. ταγός), totdat de tyrannen van Pherae zich verhieven; in de twisten die tusschen de beide familiën ontstonden, werd nu eens de hulp der Macedoniërs, dan die der Thebanen ingeroepen, totdat Philippus in 356 Thessalië tot een macedonische provincie maakte, waarbij hij de Aleuaden door vele onderscheidingen voor zich won.

Alexander, Ἀλέξανδρος, 1) = Paris.—2) neef van den tyran Polyphron van Pherae, dien hij doodde en wiens opvolger hij werd, [36]369. Zijne wreedheid en trouweloosheid noodzaakte de thessalische steden meermalen de hulp van Macedonië en Thebe in te roepen. Eerst werd hij door Pelopidas tot een meer gematigde regeering gedwongen; later, toen hij Pelopidas en andere Thebanen trouweloos gevangen genomen had, dwong Epaminondas hem de gevangenen los te laten; ten derden male trok Pelopidas tegen hem op en overwon hem in den slag bij Cynoscephalae (364). In 358 werd hij op aandrijven zijner gemalin Thebe door hare broeders vermoord.—3) Al. I, koning van Epīrus. Met behulp van zijn zwager Philippus van Macedonië verdreef hij zijn oom en zijn neef (342) en maakte hij zich van de regeering meester. Toen zijne zuster Olympias door Philippus verstooten was, vluchtte zij tot hem en trachtte zij hem tot een oorlog aan te sporen, maar Philippus bevredigde hem door hem zijne dochter Cleopatra tot vrouw te geven. In 332 werd hij door de Tarentijnen tegen de Bruttiërs en Lucaniërs te hulp geroepen, in 331/330 verloor hij een slag bij Pandosia en kwam hij in de rivier Acheron om.—4) Al. II, koning van Epīrus, zoon en opvolger van Pyrrhus 272–ong. 250; hij maakte zich voor korten tijd van Macedonië meester, maar werd spoedig door Demetrius, een broeder van Antigonus Gonatas van daar en zelfs uit Epīrus verdreven, totdat hij bij een opstand der Epiroten teruggeroepen werd. Hij stierf omstreeks 250.—5) Al. I, koning van Macedonië 498–454, zoon en opvolger van Amyntas I. Bij Xerxes’ inval in Griekenland werd Al. gedwongen zich bij diens leger aan te sluiten; toch trachtte hij heimelijk de Grieken te helpen.—6) Al. II, koning van Macedonië, zoon en opvolger van Amyntas II. Na eene regeering van twee jaren werd hij door zijn stiefbroeder Ptolemaeus Alorītes gedood (369).—7) Al. III de Groote, koning van Macedonië, geb. 356, volgde zijn vader Philippus in 336 op. Hij was opgevoed eerst door den ruwen krijgsman Leonidas, daarna door den hoveling Lysimachus, eindelijk sedert zijn 13de jaar door den beroemden wijsgeer Aristoteles. Reeds vroeg had Al. blijken gegeven van ontembare eerzucht, van streven naar het buitengewone en bovenal van grooten persoonlijken moed; Homērus was zijn geliefkoosde dichter en Achilles zijn ideaal. Geen wonder, dat de twintigjarige jongeling, die zich reeds bij het leven van Philippus o. a. in den slag bij Chaeronēa onderscheiden had, zoodra hij den troon besteeg, besloot het plan van zijn vader, de verovering van het perzische rijk, tot uitvoering te brengen, al moest hij ook voorshands zijne krachten wijden aan de bevestiging zijner regeering tegen binnen- en buitenlandsche vijanden. Terwijl hij zijn oom Attalus en anderen, die hem de heerschappij konden betwisten, uit den weg liet ruimen, trok hij kort na den dood van zijn vader naar Griekenland, waar in verschillende steden anti-macedonische bewegingen hadden plaats gehad, en bewerkte hij door zijn krachtig optreden, dat hij door de Amphictyonen en later op een congres op de landengte van Corinthe door alle grieksche staten, behalve Sparta, erkend en tot opperbevelhebber in den oorlog tegen Perzië verkozen werd. Na zijn terugkomst in Macedonië hield Al. zich bezig met de onderwerping der ten noorden van zijn rijk wonende barbaren, Triballers, Geten, Illyriërs, enz., die op het bericht van den dood van Philippus opgestaan waren. Velen in Griekenland koesterden de hoop dat Al. nooit van deze moeielijke en gevaarlijke tochten naar ver verwijderde landen zou terugkeeren, en toen het gerucht van zijn dood verspreid werd, vond het dan ook gereedelijk geloof. Maar toen op dit gerucht in de meeste staten nieuwe bewegingen ontstonden, verscheen Al. plotseling, voordat iemand het mogelijk had geacht, in Griekenland, en rukte voor Thebe, van waar de macedonische bezetting verdreven was; na een kort beleg werd de stad bestormd, ingenomen en volgens besluit der boeotische steden verwoest, waarbij alleen de tempels en het huis van Pindarus gespaard werden. Daarop onderwierpen zich ook de andere grieksche staten (335). In Macedonië teruggekeerd, besteedde de koning den winter met ijverige toerustingen voor den tocht naar Azië, en in het voorjaar van 334 trok hij over den Hellespont met een klein, doch geoefend leger (± 40.000 man), aangevoerd door bekwame officieren, en met een vloot van 160 schepen, terwijl Antipater in Macedonië achtergelaten werd om Griekenland en de noordelijke barbaren in bedwang te houden. De eerste ontmoeting met de vijanden had plaats aan de rivier den Granīcus, waarvan de overzijde door een aanzienlijke perzische macht bezet gehouden werd; niettemin trok Al. met geweld er over, versloeg de Perzen en ook hunne grieksche huurtroepen en won met dien slag geheel Klein-Azië tot het Taurusgebergte; wel verdedigde Milētus zich eenigen tijd en vorderde de inneming van Halicarnassus zelfs een vrij lang beleg, maar de overige grieksche steden ontvingen Al. vrijwillig of na korten tegenstand, toen hij langs de kust naar het Zuiden en terug door Lycië, Pamphylië en Pisidië naar Gordium, de oude hoofdstad van Phrygië, trok. In het voorjaar van 333 van daar opgebroken, ging hij door Paphlagonië en Cappadocië naar Cilicië, en toen Darīus zelf hem daar trachtte tegen te houden, versloeg hij in November bij Issus diens leger van 600,000 (?) man, nog versterkt door 30,000 grieksche huurlingen, in weerwil van hun dapperen tegenstand. Na deze overwinning, waarbij een rijke buit en ontelbare gevangenen, o.a. de moeder, vrouw en twee dochters van Darius in handen der Macedoniërs vielen, veroverde Al. Syrië en Phoenicië, waar Tyrus hem echter hardnekkig weerstand bood, zoodat hij die stad eerst na een merkwaardig beleg van zeven maanden kon innemen (332); evenzoo verdedigde zich Gaza geruimen tijd. [37]In Aegypte werd Al. daarentegen met open armen ontvangen. Van hier ondernam hij een tocht door de libysche woestijn naar het orakel van Zeus Ammon, wiens priester hem als een zoon van dien god begroette, en trok daarna naar Azië terug. Zonder moeilijkheden ging hij over den Euphraat en den Tigris, maar in de vlakte van Babylon ontmoette hij weder Darius met zijn leger, dat nu uit 1,000,000 (?) man voetvolk en 40.000 ruiters bestond; hoewel Al.’s leger nog geen 50,000 man sterk was, waagde hij den aanval en behaalde hij in den slag bij Arbēla en Gaugamēla (30 Sept. 331) de beslissende overwinning, die hem tot heer van Azië maakte. Darius vluchtte naar Ecbatana, en toen verscheiden satrapen zich bij den overwinnaar aansloten, en Al., na de onderwerping van Susiāna, de Uxiërs en Persis, ook naar Medië oprukte, trok hij zich terug naar Bactrië, maar werd op weg door een van zijne satrapen, Bessus, die den titel van koning en den naam van Artaxerxes IV aannam, gevangen genomen. Toen Al. dit vernam, vervolgde hij Bessus met versnelde marschen, en daar deze zich niet in staat zag met den gevangen koning snel genoeg weg te komen, liet hij Darius, na hem doodelijk verwond te hebben, op weg achter. De meeste perzische en medische satrapen onderwierpen zich nu, en nadat Al. nog een tocht naar Hyrcanië ondernomen en een opstand in Arīa bedwongen had, vervolgde hij Bessus, die eerst naar Sogdiāna, later over den Oxus gevlucht was, maar daar gevangen genomen en later aan een rechtbank ter veroordeeling gegeven werd. De verovering van Bactrië en Sogdiana, waar een groot aantal sterke vestingen één voor één genomen moesten worden, nam nog geruimen tijd in beslag, en eerst in 327 kon Al. den veldtocht naar Indië ondernemen. In weerwil van groote moeilijkheden trok hij met een leger van 120,000 man, waaronder vele Aziaten, over den Indus, Hydaspes, Acesīnes en Hydraōtes, en ofschoon hij menigmaal hevig verzet moest overwinnen, onderwierp hij alles op zijn weg. Eindelijk bereikte hij den Hyphasis; hijzelf had gaarne zijne tochten nog verder uitgestrekt, maar nu bleek het onmogelijk den onwil van zijn leger tegen verdere ondernemingen te overwinnen; zelfs zijne bedreiging, dat hij alleen met de goedgezinden over de rivier zou gaan en de anderen aan hun lot overlaten zou, had geene uitwerking, en toen nu ook de offerteekenen ongunstig waren, gaf hij toe. Nadat hij tot den Hydaspes teruggetrokken was, ging hij verder met een vloot van 2000 schepen, die onder het bevel van Nearchus stond, de rivier af, tot aan den mond van den Indus, terwijl het grootste gedeelte van het leger langs de beide oevers marcheerde. De aan de rivier wonende volken onderwierpen zich, alleen bij de Malli vond Al. tegenstand, die eerst door de bestorming hunner hoofdstad gebroken werd. Nadat in Augustus 325 de mond van den Indus bereikt was, zeilde de vloot naar de perzische golf, terwijl de koning met het leger door Gedrosia naar Carmania trok, waar hij na een tocht van zestig dagen door de gloeiende zandwoestijn, en nadat een niet gering deel van het leger ten gevolge van hitte, vermoeienissen en gebrek omgekomen was, behouden aankwam, en waar hij ook Nearchus met de vloot aantrof. Hier zoowel als in Persis, te Susa, Ecbatana en Babylon werden groote feesten gegeven, de soldaten rijk begiftigd, de satrapen bestraft, die zich veelal, daar niemand gedacht had, dat Al. ooit uit Indië terug zou komen, aan onderdrukking en afpersing schuldig gemaakt hadden, kortom alles gedaan wat Al. dienstig achtte tot de bevestiging der eenheid tusschen de door hem geregeerde volken. Maar terwijl hij zich te Babylon met groote plannen voor de toekomst bezig hield,—hij wilde Arabië en ook Italië veroveren, groote vloten bouwen, enz.—werd hij door een ziekte overvallen, die in weinige dagen (Juni 323) een einde aan zijn leven maakte. Hij was slechts 33 jaar oud geworden, en stierf zonder een rechtstreekschen opvolger na te laten. Zijn uitgestrekt rijk werd na zijn dood de twistappel tusschen zijn voornaamste veldheeren en werd eindelijk onder hen verdeeld, wat te gemakkelijker was, daar Al. zijn ideaal, de versmelting van Grieken en barbaren tot één volk, slechts voor een klein gedeelte bereikt had. Met dit oogmerk waren door hem in verschillende deelen van het rijk nieuwe steden gesticht, meest Alexandrīa genaamd, die, door Grieken en Macedoniërs bevolkt, zoowel moesten dienen om het overwonnen land in bedwang te houden, als om grieksche beschaving onder de onderworpen volken te verspreiden. De voornaamste van deze, Alexandrië in Aegypte, werd na den val van Tyrus spoedig, zooals de stichter ook bedoeld had, een middelpunt van den wereldhandel en bleef lang eene van de belangrijkste steden der oude wereld. Eveneens om de gelijkheid tusschen zijne onderdanen tot stand te brengen, liet Al. reeds kort na den dood van Darius Aziaten in zijne legers inlijven en op dezelfde wijze als de Macedoniërs wapenen en oefenen, een maatregel die, zooals te begrijpen is, bij Grieken en Macedoniërs hevige ontevredenheid verwekte, en toen kort voor Al.’s dood te Opis van alle kanten van deze nieuwe troepen aangebracht werden en de oude en onbruikbaar geworden soldaten naar huis teruggezonden zouden worden, kwam het tot openlijk verzet (324), waarbij de koning groote vastheid moest toonen om den weerspannigen tot onderwerping aan zijn wil te brengen. In weerwil van dit voorval en van de weigering der troepen om hun aanvoerder ook over den Hyphasis te volgen, kan men zeggen dat Al. bij zijne soldaten zeer bemind en hoog geëerd was. Niet in dezelfde mate was dit echter het geval bij de hoogere officieren, die meer persoonlijk met hem in aanraking kwamen, daardoor [38]de minder aangename zijden van zijn karakter beter kenden, en zich bovendien door Al.’s streven meermalen in hun trots en in hunne belangen gekrenkt achtten. Inderdaad valt het niet te ontkennen, dat Al., in zijn ijver om zijne nieuwe onderdanen niet bij de oude achter te stellen, dikwijls meer aandacht aan de nieuwe dan aan de oude schonk; het kon Grieken en Macedoniërs niet anders dan onaangenaam aandoen, dat Al., die vroeger steeds de grieksche afkomst van het macedonische koningshuis op den voorgrond gesteld had, later de perzische teekenen der koninklijke waardigheid aannam; zijne beweerde afkomst van Zeus Ammon kon door hen niet worden aangenomen, zijne pogingen tot invoering der προσκύνησις konden bij hen geen gunstig onthaal vinden. Zoo ontstond er dikwijls ontevredenheid in de omgeving des konings, ja zelfs hoorde men nu en dan van samenzweringen, die dan met gestrengheid onderdrukt en met den dood der verdachten bestraft werden. Ten gevolge van zulke geruchten werden in 330 Philōtas en zijn oude vader Parmenio, beiden zeer verdienstelijke officieren, in 327 verscheiden adellijke jongelieden en de wijsgeer Callisthenes gedood. Doch in het veld wist Al. door zijn persoonlijken moed en door zijn dikwijls grootmoedig gedrag tegenover overwonnen vijanden aller liefde en bewondering te winnen, en meer dan eens bleek het, dat zijne vrienden niet schroomden, wanneer hij zich al te zeer in gevaar begeven had, hun leven voor het zijne te wagen. Want het is licht te begrijpen, dat Al. bij zijne vele veldtochten dikwijls in levensgevaar kwam; reeds bij den Granicus redde Clitus, dezelfde dien hij later in dronkenschap doodde, hem het leven, door een perzisch ruiter den arm af te houwen, die reeds het zwaard boven Al.’s hoofd opgeheven had; bij het beleg van Gaza kreeg hij een vrij zware wond in den schouder, en bij de bestorming van de hoofdstad der Malli, toen hij bij het breken van een stormladder zich met slechts zeer enkelen boven op den muur der vijanden bevond en, van alle kanten beschoten, geen andere keus had, dan van den muur in de stad te springen, kreeg hij een zeer gevaarlijke wonde in de borst en werd hij door Peucestes en Leonnātus nauwelijks levend uit de handen der vijanden gered. Van zijn kant gaf Al. menigmaal aan zijne vrienden blijken van gehechtheid en waardeering; het is zelfs niet onmogelijk dat het wel wat overdreven verdriet, waarvan hij blijken gaf na den dood van Hephaestion, die kort voor hem overleed, zijn eigen dood verhaast heeft. Maar meer dan dit, en misschien meer dan de buitengewone vermoeienissen, waaronder Al. bijna zijn geheel leven had doorgebracht, hadden de zwelgpartijen, waaraan hij zich in zijne latere levensjaren meer en meer overgaf, zijne lichaamskracht ondermijnd, en zoo stierf hij in den bloei van zijn leven aan eene ziekte, die aanvankelijk blijkbaar niet van ernstigen aard was. Hij had drie aziatische vrouwen: Roxane, Barsine, de oudste dochter van Darius, en Parysatis; van deze bracht eerstgenoemde eenige maanden na zijn dood een zoon ter wereld, die naar zijn vader Alexander genoemd werd.—8) Al. Aegus, zoon van Alex. den G. en Roxane, eenige maanden na den dood van zijn vader geboren. Hij werd tot koning uitgeroepen, en onder voogdij van Perdiccas, daarna van Pithon, eindelijk van Antipater geplaatst. Antipater leverde in 320 hem met zijne moeder aan Philippus Arrhidaeus uit. In het volgende jaar stierf Antipater en vluchtte Roxane met haar zoontje naar Epīrus tot hare schoonmoeder Olympias, maar later vielen zij weder in handen van Cassander, die in 311 beiden in de gevangenis liet vermoorden.—9) Al. Lyncestes, schoonzoon van Antipater, de eenige der deelnemers aan de samenzwering tegen Philippus, die, door Alexander terstond als koning te huldigen, zijn leven redde. Toen Al. naar Azië trok, werd hij aanvoerder der thessalische ruiterij. Toch werd hij ook later betrapt op onderhandelingen met Darīus en van 334 gevangen gehouden, totdat hij in 330, naar men zeide op aandringen van het leger, gedood werd.—10) zoon van Cassander en Thessalonīca, vluchtte nadat zijne moeder door zijn broeder Antipater gedood was, naar Pyrrhus van Epīrus; met diens hulp en met die van Demetrius Poliorcētes verjoeg hij Antipater. Toen Demetrius echter ook na Antipater’s dood Macedonië niet wilde verlaten, trachtte Al. hem uit den weg te ruimen, maar Demetrius was vlugger en doodde hem in 294 bij een gastmaal.—11) Al. I Balas, een man van lage afkomst, gaf zich voor een zoon van Antiochus IV Epiphanes uit en nam, met goedvinden van den romeinschen senaat, in 150 den troon van Syrië in bezit, nadat hij Demetrius Soter, een neef van Antiochus, overwonnen had. In 145 werd hij echter door diens zoon, Demetrius Nicātor, verdreven en kort daarna vermoord.—12) Alexander II Zabina (de slaaf), zoon van een aegyptisch koopman, gaf zich voor een aangenomen zoon van Antiochus Sidētes uit en maakte zich in 128 van den syrischen troon meester, maar werd in 122 door Antiochus Grypus verslagen, door zijn volk verlaten en op last van den overwinnaar gedood.—13) Al. Helius, zoon van M. Antonius en Cleopatra, met zijne zuster Cleopatra door Octavia, de verlaten gemalin van Antonius, opgevoed.—14) Al. Aetōlus, treurspeldichter uit Pleuron, de eenige aetolische dichter (bloeitijd ongeveer 280); hij was onder Ptolemaeus Philadelphus aan de alexandrijnsche bibliotheek geplaatst en werd onder de tragische pleias opgenomen. Ook dichtte hij elegieën, waarvan nog eenige schoone fragmenten bestaan.—15) Al. Polyhistor, geb. te Myndus in Carië, onderwezen te Pergamus, kwam als krijgsgevangene naar Rome, doch werd door Cornelius Lentulus, v. a. door Sulla, vrijgelaten (82), later werd hij de leermeester van M. Crassus, dien hij op al zijne tochten vergezelde. Van zijne zeer talrijke geschriften, voornamelijk [39]van geschied- en aardrijkskundigen inhoud, is niets behouden.—16) peripatetisch wijsgeer, geb. te Aegae, leermeester van Nero.—17) van Abonitīchos (z. a.), de leugenprofeet door Lucianus gehekeld.—18) ὁ ἐξηγητής, zoo genoemd als verklaarder en verdediger der leer van Aristoteles. Hij was geboren te Aphrodisias in Carië en leefde onder Septimius Sevērus. Zijne werken zijn grootendeels in latijnsche vertaling bewaard gebleven.—19) Alexander Sevērus, Romeinsch keizer, z. Sevēri no. 2.

Alexandra = Cassandra.

Alexandrīa, Ἀλεξανδρεία. Er zijn niet minder dan tien steden van dezen naam bekend, die alle haar ontstaan aan Alexander den Grooten te danken hebben. De beroemdste is

1) Alexandria in Aegypte, volgens het plan van den bouwmeester Dinocrates (v. a. Dinochares) in den winter van 332/1 op de smalle landtong tusschen het mareotische meer en de middellandsche zee gebouwd en dus uitstekend voor handel en verkeer gelegen. De stad had een langwerpigen vorm, met rechte straten, die elkander rechthoekig kruisten. De beide hoofdstraten, met vierdubbele zuilengangen versierd, waren 14 meter breed. Hoewel in Aegypte gelegen en onder de Ptolemaeën tot den zetel der regeering verheven, was Alexandrië volstrekt geene aegyptische stad, maar eene wereldstad, waar het grieksche en het joodsche element het meest vertegenwoordigd waren. In het zuidwestelijke gedeelte, Rhacōtis geheeten, woonde de lagere volksklasse; daar vond men de acropolis en den beroemden Serāpis-tempel. De joden woonden meest in het noordoostelijk gedeelte, terwijl het middengedeelte, Bruchīum, het grieksche kwartier was, waar men het koninklijk paleis, het gymnasium, het stadium, het museum en andere openbare gebouwen vond. Een dam van zeven stadiën lengte, ἑπταστάδιον, liep van de stad naar het eilandje Pharus, op welks ééne punt de beroemde vuurtoren stond, die in 283 door Ptolemaeus Philadelphus was gebouwd en voor een van de zeven wonderen der wereld gold. Ter weerszijden van het Heptastadium lagen twee havens: de westelijke werd Portus Eunostus (Εὔνοστος, haven der behouden terugkomst) geheeten, en had nog eene binnenkom, κιβωτός (kast); een kanaal voerde naar het mareotische meer. De oostelijke haven heette de groote haven, portus maior. In het heptastadium waren twee overbrugde doorvaarten. Eene binnenkom der groote haven heette de kleine haven en diende tot ligplaats der koninklijke galeien. Alexandrië was ook een brandpunt van wetenschap en geleerdheid. De beroemde bibliotheek in Bruchium bevatte 90000 werken, met de dubbele exemplaren 400000 rollen uitmakende. Eene tweede bibliotheek in het Serapēum telde 42800 rollen. Bij den alexandrijnschen oorlog, dien Caesar na Pompeius’ dood hier te voeren had, ging de bibliotheek in het Serapēum door brand te niet. Dit verlies werd later hersteld door de 200000 rollen uit de bibliotheek van Pergamus, die Antonius aan Cleopatra ten geschenke gaf. Doch ook deze verzameling ging met den tempel te gronde, toen in 389 de christenen, door den aartsbisschop Theophilus tegen de overblijfselen van het heidendom opgeruid, het Serapeum bestormden en in brand staken. De groote boekerij werd in een vleugel van het koninklijk paleis bewaard, en is waarschijnlijk in de troebelen der jaren 272 en vv. voor een groot gedeelte vernield. Het nabijgelegen Museum was een gebouw, waar beroemde geleerden in alle vakken van wetenschap kosteloos huisvesting en onderhoud vonden en zich bezig hielden met het ordenen, verklaren en verbeteren der handschriften en met het verwerken der rijke stof, die in de bibliotheken lag opgehoopt. Dit zijn de alexandrijnsche geleerden. Uit het streven naar classificatie ontstonden de zoogenaamde canones (κανόνες) of lijsten van de voortreffelijkste schrijvers en dichters op elk gebied, wier werken tot richtsnoer moesten strekken voor het nageslacht. Zoo omvatte b.v. de canon der tragische dichters de volgende namen: Aeschylus, Sophocles, Euripides, Ion en Achaeus, die der geschiedschrijvers: Herodotus, Thucydides, Xenophon, Theopompus, Ephorus, Anaximenes, Callisthenes; die der redenaars: Antiphon, Andocides, Lysias, Isocrates, Isaeus, Aeschines, Lycurgus, Demosthenes, Hyperīdes, Dinarchus.

2) Alexandria in Arachosia, thans Kandahar.

3) Alexandria in Arīa, thans Herat.

4) Alexandria aan den Caucasus d.w.z. aan den indischen Caucasus, thans het gebergte Hindoe-koh.

5) Alexandria aan den Indus.

6) Alexandria bij Issus, op de syrisch-cilicische grenzen.

7) Alexandria aan den Oxus, in Bactria.

8) Alexandria in Sogdiāne, het noordelijkste, daarom ἐσχάτη genoemd, aan den Iaxartes.

9) Alexandria in Susiāne, later verdoopt in Antiochīa, ten slotte na een lateren herbouw Spasinu Charax geheeten, nabij de monding van den Tigris. Zie Charax no. 1.

10) Alexandria Troas, op de kust van het vroegere trojaansche rijk, tegenover het eiland Tenedos. De stad was door Antigonus vergroot en heette toen een tijd lang Antigonīa. Later werd zij eene bloeiende romeinsche kolonie, die om hare ligging in het vermeende stamland der Romeinen zeer begunstigd werd. Caesar en Constantijn de Groote moeten er zelfs aan gedacht hebben, den zetel van het rijk daarheen over te brengen.

Ἀλεξίκακος, onheil afwerend, bijnaam van Apollo, soms ook aan andere goden en heroën gegeven.

Alexis, Ἂλεξις, geb. omstreeks 372 te Thurii, doch atheensch burger. Hij zou 106 jaar oud geworden zijn en 245 blijspelen geschreven hebben, die natuurlijk niet alle even hoog gesteld kunnen worden, maar over het algemeen, zooals de talrijk overgebleven fragmenten [40]aantoonen, geestig en smaakvol zijn. De in de nieuwe comedie zoo belangrijke rol van den parasiet kwam, naar men zegt, het eerst in een van zijne stukken voor.

Alfēn(i)us Varus, uit Cremōna, een rechtsgeleerde van grooten naam, die eerst in zijne geboorteplaats het bedrijf van schoenmaker had uitgeoefend. Waarschijnlijk is hij dezelfde, die, door Octaviānus met de akkerverdeeling in Transpadāna belast, Vergilius zijn landgoed liet behouden.

Algidus mons, een ruw en boschrijk gebergte in Latium, tusschen Velletri en Tusculum, met eene bergvesting, Algidum, op een der toppen. Zie Aequi.

Alimenti, zie Cincii.

Alipes, met gevleugelde voeten, bijnaam van Mercurius.

Aliphēra, Ἀλίφειρα of Ἀλίφηρα, bergstad in het landschap Cynuria, in het Zuidwesten van Arcadia, bezuiden den Alphēus. De inw. namen deel aan den bouw van Megalopolis.

Aliptes, ἀλείπτης, badknecht. Zie balneum.

Alīso, vesting, door Drusus aan de Luppia (Lippe) gesticht in het jaar 11; v. s. heeft het gelegen bij Haltern, v. a. bij Oberaden, ten W. van Hamm; in beide plaatsen is een Romeinsch kamp opgegraven.

Allia of Alia, van links invallend zijriviertje van den Tiber, waarbij de Romeinen in 390, v. a. in 387, de beruchte nederlaag door de Galliërs leden. Waarschijnlijk moet men het slagveld tegenover de Allia, op den rechter Tiberoever zoeken. De dies Alliensis (18 Juli) bleef steeds een dies ater.

Allifae, stad in Samnium aan den Volturnus, in eene vruchtbare streek gelegen. Door de Romeinen ingenomen in 310, werd het eene praefectura. Naar het schijnt was het bekend door de wijde bekers, die men er vervaardigde.

Allobroges, oorlogzuchtig volk in Gallia Narbonensis, tusschen den Rhodanus (Rhône) en de Alpen. Hunne hoofdstad was Vienna (Vienne). Na harden tegenstand werden zij in 121 door Q. Fabius Maximus onderworpen, die den bijnaam Allobrogicus kreeg. Het kostte echter voortdurend moeite hen in onderwerping te houden.

Almo, beek, die even beneden Rome van links in den Tiber vloeit, en waarin de priesters van Cybele jaarlijks het beeld der godin reinigden.

Almōpi, Ἀλμῶποι, of -πες, volksstam in het Noorden van Macedonia.

Aloadae, Aloīdae, Ἀλωάδαι, Ἀλωεῖδαι, Otus en Ephialtes, de zonen van Iphimedēa en Poseidon of Alōeus. Zij waren geweldige reuzen, die op hun negende jaar 9 el dik en 27 el lang waren, en traden vijandig tegen de goden op. Ares hielden zij eens dertien maanden in ketenen, totdat Hermes, door hun stiefmoeder Eriboea gewaarschuwd, hem bevrijdde. Zij dreigden den Ossa op den Olympus en den Pelion op den Ossa te stapelen en zoo den hemel te bestormen; toen echter Otus de hand van Artemis en Ephialtes die van Hera eischte, werden zij door Apollo met pijlen doorboord.—V. a. bewerkte Artemis hun dood door in de gedaante eener hinde tusschen hen heen te springen, toen namelijk beiden te gelijk hunne speren naar dit dier wierpen, troffen zij elkander doodelijk. In de onderwereld stonden zij ruggelings met slangen aan een zuil gebonden, waarop een uil zit, die hen door zijn aanhoudend gekrijsch kwelt. In een ander verhaal komen zij voor als beschaving verbreidende heroën, die den muzendienst aan den Helicon ingevoerd, en Ascra e. a. steden gesticht zouden hebben.

Alociae, Ἀλοκίαι, eilanden aan de Sleeswijksche Westkust, de tegenwoordige Halligen.

Alōeus, Ἀλωεύς, zoon van Poseidon en Canace, met Iphimedēa gehuwd. De Aloadae zijn naar hem genoemd.

Ἀλογίου γραφή, aanklacht tegen beambten, die geen rekening en verantwoording van hun beheer hadden afgelegd (z. Εὔθυναι). De aanklacht werd waarschijnlijk bij de logisten ingediend, de straf is onbekend.

Alope, Ἀλόπη, dochter van Cercyon, werd bij Poseidon moeder van Hippothoon. Het kind werd te vondeling gelegd en door herders opgenomen; toen deze echter twist kregen over het kleed, waarin het kind gewikkeld was, riepen zij Cercyon als scheidsrechter in, die het kleed zijner dochter herkende en dus de geheele zaak ontdekte. Vertoornd liet hij zijn dochter levend begraven, maar Poseidon veranderde haar in de bron Alope in Eleusis.

Alope, Ἀλόπη, 1) stad in Locris tegenover Euboea.—2) stad in Thessalia, aan de Zuidkust van Achaia Phthiōtis, tusschen Larisa Cremaste en Echīnus.—3) bron bij Eleusis, genoemd naar de schoone Alope (z.a.).

Alopece, Ἀλωπεκή, Ἀλωπεκαί, demus van Attica ten oosten van Athene. Uit dezen demus stamde Socrates.

Alopeconnēsus, Ἀλωπεκόννησος (vosseneil.), stad op de westzijde van de thracische Chersonesus.

Alpēnus, Ἀλπηνός, Ἀλπηνοί, stad in Locris ten oosten van de Thermopylae.

Alpes, Ἄλπεις, van het keltische alb = hoog, de bekende bergmassa, die nog dezen naam draagt. Toppen schijnen de ouden slechts zeer weinige bij naam gekend te hebben. De verschillende takken vindt men nu eens met het enkelvoud Alpis, dan weder met het meervoud Alpes aangewezen. De zuidelijke hellingen der Alpen werden eerst bij Italië ingelijfd onder Augustus, die tegen sommige bergvolken een zwaren strijd voerde.

Alpes maritimae, παραθαλασσίδιαι, de Zeealpen, tot aan den mons Vesulus (M. Viso).

Alpes Cottiae, aldus genoemd naar koning Cottius, die daar een rijkje had en zich aan Augustus onderwierp. Zij liepen tot den mons Cenisius (M. Cenis). Alpis Cottia = Mont Genèvre.

Alpes Graiae, waarover waarschijnlijk Hannibal trok. De naam hangt samen met dien [41]der Graioceli, die aan de westzijde woonden. Alpis Graia = kleine St. Bernhard.

Alpes Poenīnae, aldus genoemd naar een keltischen god Poeninus, die op den mons Poeninus, ook Alpis Poenina geheeten (grooten St. Bernhard) een tempel had en door de Romeinen met Jupiter werd vereenzelvigd.

Alpes Lepontiae, tot aan den mons Adūla (z.a.), naar het volk der Lepontii genoemd.

Alpes Tridentīnae, de Tiroler en Tridentinische Alpen, naar de stad Tridentum (Trente of Trient).

Alpes Raeticae en Noricae, naar de landschappen Raetia en Noricum.

Alpes Carniae, naar het volk der Carni, ten O. van de Alpes Tridentinae.

Alpes Venetae, waarover Caesar een weg baande, naar wien zij ook Alpes Iuliae geheeten worden.

Alpes Dalmaticae, langs de Adriatische zee.

De Romeinen hadden verscheidene wegen over de Alpen aangelegd; de meest bezochte was die, welke over de Cottische Alpen en de Alpis Cottia (mont Genèvre) naar Gallia Transalpīna voerde.

Alphesiboea, Ἀλφεσίβοια, ook Arsinoë genaamd, dochter van Phegeus, gemalin van Alcmaeon. Toen Alcmaeon door hare broeders gedood was, en zij hun deze daad telkens verweet, werd zij door hen aan Agapēnor van Tegea overgegeven met de beschuldiging, dat zij den moord gepleegd had. Hier vond zij den dood. V. a. doodde zij hare broeders uit wraak.—2) moeder van Adōnis.—3) ook Anaxibia genoemd, dochter van Bias en Pero, gemalin van Pelias.—4) indische nimf, die door Dionȳsus bemind werd, maar hem weerstand bood tot hij zich in een tijger veranderde en haar zoo beangstigde, dat zij zich over de rivier, die daarnaar Tigris heet, liet dragen.

Alphēus, Ἀλφειός, de voornaamste rivier in de Peloponnēsus, die in Arcadië ontspringt, door Elis en langs Olympia naar zee stroomt. Mythisch is Alph. een zoon van Oceanus en Tethys. De omstandigheid dat het water der rivier gedurende haar loop eenige malen onder de aarde verdwijnt en verderop weder te voorschijn komt, gaf aanleiding tot de meening, dat de god zich ook onder de zee een weg wist te banen naar Ortygia, om daar zijne wateren met die van de bron Arethūsa te vereenigen. Deze bron zou namelijk vroeger een Nereïde geweest zijn, voor welke Alph. een vurige liefde opvatte, die echter onbeantwoord bleef; toen nu eens Alph. uit zijne wateren oprees en haar vervolgde, vluchtte zij zoolang zij kon, maar toen de krachten haar begaven, riep zij Artemis om hulp aan, die haar in een bron veranderde en naar Ortygia verplaatste.—V. a. vervolgde Alph. Artemis zelve tot Ortygia of tot Letrīni in Elis, waar zij zich met slijk besmeerde om zich onkenbaar te maken; op beide plaatsen was een tempel van Artemis Alpheaea, te Letrini met een beeld van zwart marmer.

Alsium, oude etrurische stad, haven van Caere, later rom. kolonie, met een landgoed van Pompeius, Alsiense.

Altāre, zie Ara.

Althaea, Ἀλθαία, dochter van Thestius en Eurythemis, echtgenoote van Oeneus, moeder van Meleager (z.a.), na wiens dood zij zichzelve om het leven bracht.

Althaemenes, Ἀλθαιμένης, zoon van Catreus, koning van Creta; daar een orakel voorspeld had dat hij zijn vader zou dooden, verliet hij met zijn zuster Apemosyne zijn vaderland en begaf hij zich naar Rhodus. Daar leefde hij geruimen tijd rustig en door zijn medeburgers geacht. Intusschen kon zijn vader zijn gemis niet verdragen, en ging hij eindelijk zelf naar Rhodus om hem te halen en hem de regeering over te geven. Toen hij nu met zijn gevolg des nachts op Rhodus wilde landen, hielden de inwoners hen voor vijanden en trachtten zij hun het landen te beletten; er ontstond een gevecht, waaraan ook Alth. deelnam en waarbij hij zijn vader doodde zonder hem te kennen. Toen hij nu merkte dat het orakel vervuld was, zwierf hij op eenzame plaatsen rond, totdat hij van droefheid stierf.—V. a. zoude op zijn gebed de aarde zich geopend en hem verzwolgen hebben. De Rhodiërs vereerden hem later als heros.

Altīnum, welvarende koopstad in het land der Veneti, aan de adriatische zee. Het was de stapelplaats voor den handel tusschen Italië en het Noorden, en was omringd door tal van prachtige villa’s, weshalve het het Baiae van het Noorden werd genoemd. Toen Attila in 452 n. C. Altinum en Aquileia verwoestte, stichtten de vluchtelingen op de eilandjes aan den mond van den Medoacus (Brenta) de latere stad Venetië.

Altis, Ἄλτις, het heilige bosch bij Olympia.

Aluntium of Haluntium, stad aan de noordkust van Sicilia op een hoogte gelegen, met veel wijnteelt.

Alveus. Dit woord geeft in het algemeen een uitgehold of buikvormig voorwerp te kennen: een bak, het hol eener boot of schuit, een bekken, een bijenkorf, enz. Het beteekent ook een speelbord of speeltafel met opstaanden rand, alsmede een badkuip. In de badhuizen vond men groote in den vloer gemetselde badkuipen voor warme baden met zitplaatsen aan het eene einde, zóó dat het water tot aan den hals kwam.

Alyattes, Ἀλυάττης, zoon van Sadyattes, vader van Croesus, koning van Lydië (612–563). Evenals zijn vader beoorloogde hij Milētus, maar hij moest vrede sluiten om zich te kunnen verdedigen tegen de Mediërs, die onder koning Cyaxares uit het oosten voorwaarts drongen. De oorlog werd echter, voor het tot een slag kwam, ten gevolge eener zonsverduistering, die van 28 Mei 585, door Thales voorspeld, door een verdrag geëindigd. In de laatste jaren zijner regeering hervatte hij zijne aanvallen op de grieksche steden in Kl.-Azië en veroverde hij Smyrna en Colophon. Zijn kolossaal graf bij Sardes bestaat, naar men meent, nog. [42]

Alyzia, Ἀλυζία, acarnanisch zeestadje.

Amafinius (C.), epicureïsch wijsgeer vóór Cicero’s tijd en een der eerste schrijvers bij de Romeinen over wijsbegeerte. Hij wordt door Cicero ongunstig beoordeeld wegens zijn slechten stijl.

Amalthēa, Ἀμάλθεια, 1) de geit die Zeus op Creta zoogde. Toen zij eens door tegen een boom te stooten een hoorn brak, nam een nimf dien op, vulde hem met vruchten, omwond hem met versche kruiden en gaf hem aan Zeus; deze gaf haar echter den horen terug met de belofte dat zij alles wat zij wenschte er uit zou kunnen krijgen.—V. a. is Amalthea de naam van deze nimf, die Zeus met de melk der geit zou opgevoed hebben. De horen werd zoo de beroemde horen van overvloed (cornu copiae). Later gaf Amalthea hem aan Achelōus, die zijn eigen horen, in een gevecht met Heracles afgebroken, daartegen inruilde.—2) een Sibylle van Cumae.

Amalthēum, ook Amalthēa, landgoed van T. Pomponius Atticus in Epīrus, aldus geheeten naar een vroeger daar aanwezig heiligdom der nimf Amalthēa. Het was rijk aan plataanboomen. Naar het model van Atticus legde Cicero te Arpīnum een dergelijk zomerverblijf aan.

Amanicae portae, Ἀμανικαὶ πύλαι, naam van twee bergpassen in het Amānusgebergte, z. Amanus.

Amantia, Ἀμαντία, stad in het Noorden van Epīrus, nabij Oricum.

Amānus, Ἀμανός, een hoog en steil gebergte, dat zich in het noordoosten van Cilicia van den Taurus afscheidt en in twee takken het dal aan de golf van Issus insluit. De bergpas in den westelijken tak, waardoor Alexander de Groote uit de cilicische vlakte het dal van Issus binnentrok heet πύλαι Ἀμανικαί of Ἀμανίδες. In den oostelijken tak lagen de πύλαι Κιλικίας καὶ Συρίας, die Cyrus de jongere op zijn tocht tegen Artaxerxes Mnemon doortrok, en die van weerszijden versterkt waren, waarop, indien men als Alexander den weg naar Phoenice insloeg, nog een pas, portae Syriae, volgde. Noordelijker in den oostketen lag de pas, waardoor koning Darīus in den rug van Alexanders leger kwam, zoodat deze terug moest trekken om den vijand te ontmoeten. Deze noordelijke pas wordt ook slechts aangewezen door den naam portae Amanicae. De Amanus was een waar rooversnest, waar zich in den romeinschen tijd de zoogenaamde Eleutherocilices of vrije Ciliciërs ophielden. Cicero voerde als stadhouder van Cilicia strijd tegen hen en verwierf zich den titel van imperator.

Amardi of Mardi, Ἄμαρδοι, Μάρδοι, een oorlogzuchtige en machtige stam in Media, ten Z. van de Caspische zee.

Amarynceus, Ἀμαρυγκεύς, zoon van Onesimachus of Alector of Pyttius, koning der Epeërs. Hij stond Augīas bij in zijn strijd tegen Heracles en werd daarvoor door hem tot mederegent aangenomen.

Amarynthus, Ἀμάρυνθος, vlek aan de W.-kust van Euboea, behoorende tot het gebied van Eretria, met een beroemden Artemistempel.

Amasēnus, riviertje in Latium, dat door de pontijnsche moerassen liep en zich in den Ufens (z.a.) ontlastte.

Amasīa, beter Amasēa, Ἀμάσεια, versterkte stad in Pontus, residentie der pontische koningen, geboorteplaats van den geograaf Strabo. Door de stad stroomde de Iris. De hooggelegen burcht werd voor onneembaar gehouden.

Amāsis, 1) Ἄμωσις, eerste koning van de 18de aegyptische dynastie, die de Hyksos uit Aegypte verdreven heeft. Daar men de Hyksos als stamvaders der Israëlieten beschouwde, wordt Amasis (Amosis) vaak bij Joodsche en Christelijke schrijvers genoemd.—2) Ἄμασις, een Aegyptenaar van lage afkomst, vertrouwde van koning Apriës. Toen hij eens door dezen was uitgezonden om een opstand in het leger te dempen, vereenigde hij zich met de opstandelingen; Apriës werd onttroond en Am. tot koning verheven (569). Hij bevorderde de vestiging der Grieken in Aegypte, gaf hun Naucratis, en trouwde zelfs met eene cyrenaeïsche vrouw. Onder hem bereikte Aegypte den hoogsten bloei, aan een oorlog met Nebucadnesar wist hij zonder verlies een einde te maken, maar daar hij zijn bondgenoot Croesus tegen Cyrus had geholpen of had willen helpen, haalde hij zich de vijandschap van dezen op den hals, en ook om deze reden viel Cambyses later Aegypte aan. Am. stierf echter nog voor dien tijd (526).—3) Schilder van zwartfigurige vazen, omstreeks het midden van de 6de eeuw, te Athene.

Amastris, Amestris, Amestrīne, Ἄμαστρις, Ἄμηστρις, Ἀμαστρίνη, 1) gemalin van Xerxes, moeder van Artaxerxes I, om haar wreedheid berucht.—2; dochter van een broeder van Darīus Codomannus. Bij de groote bruiloft te Susa werd zij aan Craterus tot vrouw gegeven. In 322 scheidde zij van hem en huwde zij met Dionysius, den tyran van Heraclēa, en na diens dood (306) met Lysimachus van Thracië (302). Toen deze haar twee jaar later verstooten had, regeerde zij over Heraclea, totdat zij door haar eigen zoons vermoord werd (285). De groote schoone stad Sesamus, op eene landengte in Paphlagonië gelegen, werd door haar tot residentie gekozen, vergroot en naar haar Amastris genoemd.

Amastris, Ἄμαστρις, stad in Paphlagonië, vroeger Sesamus, door Amastris no. 2 (z. a.) tot residentie gekozen.

Amāta, echtgenoote van koning Latīnus, had hare dochter Lavinia aan Turnus, koning der Rutuliërs, toegezegd en verzette zich tegen Lavinia’s huwelijk met Aenēas. Na Turnus’ dood hing Amata zich op. Zie Aeneas.

Amathūs, genit. -untis, Ἀμαθοῦς, 1) overoude phoenicische stad op de zuidkust van Cyprus, met een beroemden tempel voor Aphrodīte en Adōnis, en met kopermijnen in de nabijheid.—2) plaats in Palaestina, van den stam Gad, in Peraea. [43]

Amatius, zie Marii no. 5.

Amazones, Ἀμάζονες, Ἀμαζονίδες, een mythisch volk van krijgshaftige vrouwen, in en om de stad Themiscȳra gevestigd. Zij duldden geen mannen bij zich dan voorzoover dit voor de instandhouding van haar geslacht noodzakelijk was, de mannelijke kinderen werden gedood of aan hun vaders gezonden. Soms worden zij dochters van Ares genoemd; of zij zouden hare mannen deels gedood, deels verjaagd hebben, of zij worden beschouwd als de overgebleven vrouwen van een scythisch volk, waarvan de mannen allen in den oorlog omgekomen waren. Nevens Ares vereerden zij alleen Artemis Tauropolus. In zeer oude tijden deden de Amazonen groote veroveringstochten naar Thracië, Syrië en Klein-Azië, waar zij ook verscheiden steden stichtten, zooals Ephesus e. a. Het graf van een harer koninginnen, Myrina, was bij de stad Troje te vinden. Met de grieksche heroën kwamen zij dikwijls in aanraking. Bij een veldtocht naar Lycië werden zij door Bellerophon verslagen, en toen zij in Phrygië een inval gedaan hadden, streed Priamus, toen nog een jong man, als bondgenoot der Phrygiërs tegen haar. Een van de werken van Heracles was dat hij den gordel van Hippolyte, de koningin der Amazonen, haalde, waarbij hij met het geheele volk te strijden had. Ook Theseus beoorloogde de Amazonen, hetzij op eigen hand, hetzij als bondgenoot van Heracles; bij die gelegenheid won hij de liefde van Antiope, de zuster van Hippolyte, en voerde haar mede naar Athene. De andere Amazonen deden daarop een inval in Attica, maar werden teruggeslagen. Na den dood van Hector kwamen zij Priamus te hulp en streden zij dikwijls dapper tegen de Grieken, totdat de koningin Penthesilea door Achilles gedood werd.—Nog ten tijde van Alexander den G. wordt eene koningin der Amazonen, Thalestris, genoemd. Overigens komen zij in den historischen tijd niet voor; men verhaalde dat zij, niet bestand tegen de aanvallen der grieksche helden, naar Libye verhuisd waren, of dat zij eindelijk hun eigenaardige leefwijze hadden laten varen, zich met scythische jongelingen verbonden en met hen het volk der Sauromaten voortgebracht hadden. Zij worden dikwijls in oude beeldhouwwerken voorgesteld als sterke vrouwen met een krijgshaftig uiterlijk, gewapend met speer, strijdbijl, schild, pijl en boog, een gordel om de heupen en een zwaard aan een bandelier over de borst hangend, maar nergens vindt men het verhaal bevestigd dat zij de jonggeboren meisjes de rechterborst zouden afgebrand hebben, opdat zij later gemakkelijker den boog zouden kunnen spannen, zoodat dit verhaal slechts als een mislukte poging tot verklaring van den naam Amazonen (als = ἄμαζοι) kan beschouwd worden.

Ambarri, volk in Gallia Transpadāna ten W. van de Rhône, en aan beide zijden van den Arar (Saône). Lugdūnum (Lyon) lag in hun gebied.

Ambarvalia, een jaarlijksch landelijk feest, in Mei, waarbij de landlieden een offer aan Ceres (vroeger aan Mars) brachten voor het goed gedijen der veldvruchten. Het offerdier werd, alvorens geslacht te worden, de velden rondgeleid; vandaar de naam. Zie ook Arvales fratres.

Ambiāni, volk in Belgica. Hun naam is nog te herkennen in het tegenwoordig Amiens, vroeger Samarobrīva, aan de Samara (Somme).

Ambibarii, gallisch volk aan het Kanaal.

Ambiorix, aanvoerder der Eburōnes, die langs de Mosa (Maas) woonden (van Namen tot Roermond). In den winter van 54/53 bewerkte Ambiorix een opstand der Eburonen tegen Caesar en sleepte ook de Nerviërs hierin mede.

Ambilarēti, zie Ambivareti.

Ambitus. Oorspronkelijk beteekent dit woord alleen het rondgaan en het aanspreken der menschen, ten einde hen om hunne stem te verzoeken; doch allengs kreeg het de beteekenis van stemmenwerving door ongeoorloofde, strafbare middelen. Omkooping bij verkiezingen werd te Rome op groote schaal gedreven. Er waren geheime stemmenmakelaars, divisores, interpretes, die tegen betaling op zich namen een zeker aantal stemmen voor dezen of genen candidaat te leveren, en ook de politieke clubs, sodalicia, speelden in de omkoopingen eene groote rol. Strenge wetten hielpen niet; of de schuldigen bedreigd werden met zware boeten, met verbanning, met uitsluiting van alle ambten, het kwaad bleef voortwoekeren, totdat de monarchie aan de verkiezingen door het volk een einde maakte. Wel hadden er toen nog bij den senaat en later bij de keizerlijke ambtenaren en gunstelingen kuiperijen plaats om een of ander ambt te verkrijgen, doch deze ambitus was niet stelselmatig georganiseerd, zooals onder de republiek.

Ambivarēti, Ambilarēti of Ambluarēti, gallisch volk, cliënten der Aeduërs.

Ambivarīti, belgisch volk aan de Maas, in den omtrek van het tegenw. Namen.

Ambivius Turpio (L.), beroemd tooneelspeler ten tijde van Terentius.

Ambracia, Ἀμβρακία, en Ambracius sinus. De ambracische golf, thans golf van Arta, is een inham der ionische zee, tusschen Acarnania en Epīrus. Ten noorden daarvan, aan den Arachthus, lag de stad Ambracia (Arta), eene Corinthische volksplanting, ± 660 gesticht. De stad kwam spoedig tot bloei, en beheerschte den omtrek, maar in 426 leden de inwoners een zware nederlaag tegen de verbonden Acarnaniërs en Atheners. Koning Pyrrhus van Epirus verhief Ambracia tot residentie en versierde het met fraaie gebouwen. In 189 werd de stad door M. Fulvius Nobilior (zie Fulvii no. 11) veroverd, en werden de kunstwerken naar Athene vervoerd. Augustus bracht de bevolking van Ambracia gedeeltelijk over naar Nicopolis, dat door hem aan de kust gesticht werd ter gedachtenis aan den zeeslag bij Actium.

Ambrōnes, Ἄμβρωνες, waarschijnlijk een [44]germaansche stam, die zich bij de Teutones aansloot en met dezen door C. Marius in 102 bij Aquae Sextiae verslagen werd.

Ambrosia, Ἀμβροσία. 1) Evenals ἀμβρόσιος als bepaling wordt toegevoegd aan allerlei zelfstandigheden die ten gebruike der goden of van goddelijke wezens dienen, zoo worden sommige van die zelfstandigheden zelve ambrosia genoemd, bijv. zalfolie der goden, voeder voor hunne paarden, enz. Later was ambrosia in het bijzonder de spijs der goden, terwijl zij volgens oudere begrippen alleen den godendrank, nectar, gebruikten, die ook soms ambrosia genoemd wordt.—2) eene der Hyaden, die Dionȳsus te Dodōna opvoedden.

Ambrōsus, Ambrȳsus, Ἄμβρωσος, Ἄμβρυσος, Ἄμφρυσος, stad in Phocis, ten zuiden van den Parnassus. Niet ver vandaar lag de driesprong, waar Oedipus zijn vader Laius doodde.

Ambubāiae, vrouwelijke muzikanten, tevens danseressen, die in herbergen en publieke plaatsen optraden en niet in den besten reuk stonden. De naam schijnt uit het Syrisch te zijn afgeleid.

Ambulatio, een wandelweg, hetzij overdekt (= porticus) in particuliere huizen, en in de stad, hetzij onoverdekt, op buitenplaatsen (= xystum, z. a.). In het krijgswezen beteekent het de oefening in het marcheeren. De gewone pas heet plenus gradus, de versnelde pas decursio.

Amburbium, een reinigingsfeest, waarbij, evenals bij de Ambarvalia (z. a.) de akkers, de stad gereinigd werd door de offers er om heen te dragen, en dan te slachten. Het feest komt nog in den laten keizerstijd voor, en wordt gewoonlijk op den 2den Febr. gevierd.

Ambusti, zie Fabii no. 8–13.

Amenānus, Ἀμενανός, riviertje op Sicilia, dat door Catana stroomde en nu en dan uitdroogde.

Ameria, oude stad in Umbria, romeinsch municipium, met wijnbergen, de geboorteplaats van S. Roscius (z. Roscii no. 1).

Amestratus, Ἀμήστρατος, stad op de noordkust van Sicilia, dicht bij Calacte.

Amida, thans Diarbekir, stad in Armenia in het landschap Sophēne nabij de bronnen van den Tigris. Onder keizer Constantius werd het een belangrijke vesting. In 359 na Chr. werd de stad door Sapor, den koning van het Nieuw-Perzische rijk ingenomen.

Aminias, Ἀμεινίας, Athener, die na den slag bij Salamis met den prijs der dapperheid bekroond werd. V. s. was hij een broeder van Aeschylus.

Amipsias, Ἀμειψίας, atheensch blijspeldichter; ofschoon Aristophanes, wiens tijdgenoot hij was, met minachting over hem spreekt, behaalde hij in 414 den eersten prijs.

Amisia, thans de Eems. De Bructeri werden in 12 door Drusus in een scheepsgevecht op deze rivier verslagen.

Amīsus, Ἀμισός, aanzienlijke pontische stad, aan den sinus Amisēnus, eene golf der Zwarte zee. De stad was eene der residentiën van koning Mithradates VI.

Amiternum, oude stad der Sabijnen, geboorteplaats van den geschiedschrijver Sallustius.

Ammiānus Marcellīnus, een Griek uit Antiochia in Syria, die tot omstreeks 400 na C. leefde. Tijdens keizer Constantius diende hij in het aanzienlijke corps der protectores domestici, en maakte als adjudant van den magister equitum Ursicinus al diens veldtochten (353–360) mede; in 363 nam hij deel aan den Perzischen veldtocht van keizer Julianus. Daarna woonde hij langen tijd ambteloos te Antiochīa, tot hij ten slotte na lange reizen zich te Rome vestigde. Daar schreef hij een zeer belangrijk en uitvoerig verhaal der gebeurtenissen van den dood van Domitiānus tot op dien van Valens (96–378), rerum gestarum libri XXXI, waarvan echter de eerste 13 boeken verloren zijn. Hetgeen over is, omvat den tijd van 353 tot 378.

Ammon, Ἄμμων, een aegyptisch god, die later door Grieken en Romeinen als Zeus of Jupiter vereerd werd. Zijn voornaamste tempel met orakel, in de oase Ammonium in de woestijn Sahara gelegen, werd door Alex. d. G. bezocht. Hij werd voorgesteld als een ram, of met een ramskop op een mannelijk lichaam. Wanneer het orakel geraadpleegd werd, droegen de priesters het beeld van den god rond in een verguld scheepje, waarin aan beide kanten zilveren schalen hingen, terwijl vrouwen en meisjes het volgden en in een eenvoudig lied den god om een duidelijk antwoord smeekten.

Ammonium, Ἀμμώνειον, de oase der libysche woestijn, waar de tempel van Jupiter Ammon stond.

Ammonius, Ἀμμώνιος, 1) academisch wijsgeer uit de 2de helft van de eerste eeuw na C., leeraar van Plutarchus.—2) gewoonlijk naar zijn vroeger beroep Σακκᾶς, (zakkendrager), door anderen Θεοδίδακτος genoemd, leefde tusschen 175 en 250 na C. te Alexandrië. Om het christendom, waartoe hij aanvankelijk zelf behoord had, te bestrijden, vereenigde hij de leerstellingen der oude wijsgeeren, vooral van Plato en Aristoteles, tot een nieuw stelsel, de zoogenaamde nieuw-platonische leer. Hij vormde vele leerlingen, die later naam verworven hebben, o.a. Plotīnus en Longīnus. Ook Origenes behoorde tot zijn leerlingen.—3) grammaticus, leefde omstreeks 400 na C. te Alexandrië; hij schreef een werk over synonymen, dat bewaard gebleven is. Waarschijnlijk is het werk oorspronkelijk van Herennius Philo (zie Philo no. 8), en heeft Ammonius het slechts overgewerkt.

Ἀμνηστιά, lex oblivionis, eene verklaring die soms na eene omwenteling door de overwinnende partij gegeven werd, waarbij zij beloofde het kwaad, haar door de tegenpartij aangedaan, niet te gedenken (μὴ μνησικακήσειν), zoodat niemand voor hetgeen hij in dien tijd als staatsman gedaan had vervolgd konde worden. Vooral wordt dikwijls de amnestie genoemd die, op raad van Thrasybūlus, na de verdrijving der dertig uit Athene (403) gegeven werd. [45]

Amnīsus, Ἀμνισός, havenstad van Cnossus, op Creta.

Amompharetus, Ἀμομφάρετος, een spartaansch lochaag, die in den slag bij Plataeae roemrijk sneuvelde, nadat hij door zijn onwil om tegenover de vijanden zijn plaats te verlaten de bewegingen der Spart. vertraagd had.

Amor, z. Eros.

Amorgus, Ἀμοργός, een der Sporadische eilanden in de Aegaeische zee, geboorteplaats van den iambendichter Simonides (de lierdichter was van Ceos). Onder de Romeinsche keizers was Amorgus een verbanningsoord.

Ampelius (L.), schrijver uit den keizertijd van een boek, getiteld liber memorialis, dat in het kort handelt over kosmographie, geographie, mythologie en geschiedenis.

Ampelus, Ἄμπελος, Satyr uit het gevolg van Dionȳsus, die in een wijnstok veranderd werd.

Ampelus, Ἄμπελος, naam van drie kapen, op Chalcidice, op Samus en op de oostkust van Creta.

Ampelusia, kaap van Mauretania nabij het fretum Gaditanum (straat van Gibraltar).

Amphēa, Ἄμφεια, grensstad van Messenia. De roof van laconische meisjes, in den nabijgelegen tempel van Artemis door messenische jongelingen gepleegd, deed den eersten messenischen oorlog uitbreken.

Amphianax, Ἀμφιάναξ, koning van Lycië. Hij gaf aan Proetus, die door Acrisius uit Argolis verdreven was, zijne dochter tot vrouw en voerde hem naar zijn vaderland terug. Sedert bleef hij in Tiryns wonen, dat de Cyclopen voor hem met een muur omgaven.

Amphiaraides, Ἀμφιαραΐδης, Alcmaeon, de zoon van Amphiarāus.

Amphiarāus, Ἀμφιάραος, zoon van Oïcles of Apollo en Hypermnestra, beroemd argivisch profeet en dapper held, zooals hij bij de calydonische jacht en bij den Argonautentocht toonde. Hij had eerst Adrastus uit Argos verdreven, maar later verzoenden zij zich en huwde Amph. met Eriphȳle, de zuster van Adrastus, bij wie hij twee zoons, Alcmaeon en Amphilochus, en twee dochters, Eurydice en Demoanassa, had. Toen Adrastus den tocht tegen Thebe ging ondernemen, hield Amph. zich schuil, daar hij voorzag dat hij zou omkomen, indien hij aan dien tocht deel nam. Maar Eriphyle, omgekocht door het gouden halssnoer van Harmonia, verried hem en dus was hij genoodzaakt mede te gaan. Voor zijn vertrek droeg hij aan zijn zonen op hem te wreken. In weerwil van zijne heldendaden werd Amph. toch bij de vlucht van de belegeraars meegesleept en zou hij in de handen der vijanden gevallen zijn, zoo niet Zeus de aarde door een bliksemstraal had doen opensplijten, zoodat de vrome held door de opening verzwolgen werd. Bij Orōpus, waar hij als god uit de aarde opgestegen zou zijn, was later een zeer rijke tempel, waarbij de bron van Amph. gelegen was, met een beroemd orakel. Zij die dit orakel kwamen raadplegen, offerden een zwarten ram en sliepen ’s nachts in den tempel op de vacht daarvan; in hunne droomen ontvingen zij dan de mededeelingen van den god. Ook bij Thebe waar hij in de aarde verdwenen was, en op andere plaatsen waren tempels van Amph.

Amphicaea, Amphiclēa, Ἀμφίκαια, Ἀμφίκλεια, stadje in Phocis, aan den noordelijken voet van den Parnassus gelegen.

Amphictyon, Ἀμφικτύων, 1) koning van Athene. Hij huwde met eene dochter van den attischen koning Cranaüs en verdreef zijn schoonvader om in zijne plaats te regeeren, maar na twaalf jaren werd hij op zijne beurt door Erichthonius verjaagd. Aan de gastvrije ontvangst die Dionȳsus bij hem ten deel viel, schreef men de verplaatsing van den Dionysusdienst van Eleutherae naar Athene toe.—2) zoon van Deucalion en Pyrrha, de stichter van het Amphictyonenverbond.

Amphictyones, Ἀμφικτύονες, zooals gewoonlijk geschreven wordt, of Ἀμφικτίονες, zooals waarschijnlijk de juistere spelling is, heetten de volken, die rondom een voornamen tempel woonden, wanneer zij zich tot een verbond (Amphictyonie, Ἀμφικτυονία) vereenigd hadden, waarvan het doel was dit heiligdom te beschermen. Uit zulk eene overeenkomst ontstonden licht weder andere betrekkingen, vooral verbonden zich de leden der Amphictyonie tegenover elkander zekere regels van het volkenrecht in acht te nemen. De beroemdste Amphictyonie is die van Delphi en Thermopylae, die dikwijls kortweg de Amphictyonie genoemd wordt. Zij bestond uit twaalf volken met hunne koloniën, (Thessaliërs, Boeotiërs, Doriërs, Ioniërs, Perrhaeben, Magneten, Locriërs, Oetaeërs of Aenianen, phthiotische Achaeërs, Maliërs, Phocensers, Dolopen). Dit zeer oude verbond belastte zich voornamelijk met het beheer en de verdediging van den delphischen tempel en later ook van de pythische spelen; ter bespreking van de gemeenschappelijke aangelegenheden hield het jaarlijks twee vergaderingen, in het voorjaar en in het najaar, te Delphi en te Anthēla bij den tempel van Demēter Amphictyonis. Elk der twaalf leden van het verbond zond naar zulk eene vergadering (συνέδριον) zijne afgevaardigden, die deels ἱερομνήμονες, deels πυλαγόραι genoemd worden, hoewel het niet bekend is, in welke betrekking die twee soorten van afgevaardigden tot elkander stonden. Misschien vormden de eerstgenoemden een soort permanent bestuur, terwijl de πυλαγόραι alleen als afgevaardigden de vergaderingen bezochten. Gehoorzaamheid aan de besluiten der vergadering werd, zoo noodig, door de verbonden staten met geweld afgedwongen, en meer dan eens in den loop der geschiedenis werden zij tot den zoog. heiligen oorlog opgeroepen (z. Phocis en Amphissa). Sedert den macedonischen tijd schijnt het aanzien van het verbond gedaald te zijn, en Augustus voerde eene nieuwe organisatie in, [46]waarbij de stemmen geheel willekeurig verdeeld werden.—Verder worden nog genoemd de Amphictyonieën van Calaurīa, van Onchestus en van Delus.

Amphidamas, Ἀμφιδάμας = Iphidamas no. 1.

Αμφιδρόμια, een huiselijk feest, dat eenige dagen na de geboorte van een kind gevierd werd. Na verschillende reinigingsplechtigheden werd de jonggeborene door een van de vrouwen, gevolgd door de andere feestgenooten, in snellen pas rondom den haard gedragen, waarop een maaltijd volgde, waartoe vrienden en bloedverwanten bijdragen plachten te zenden. Bij deze gelegenheid verklaarde de vader of hij zich al of niet met de opvoeding van het kind wilde belasten.

Amphilochia, Ἀμφιλοχία, berglandschap ten Oosten der ambracische golf, eerst tot Acarnania, later tot Aetolia behoorende, en bewoond door een epirotischen stam. De hoofdstad heette Argus Amphilochicum.

Doorsnede Amphitheātrum.

Amphilochus, Ἀμφίλοχος, zoon van Amphiarāus en Eriphȳle. Hij trok met de Epigonen tegen Thebe op, hielp Alcmaeon bij het dooden hunner moeder en nam ook deel aan den tocht tegen Troje. Hij was een beroemd waarzegger en deed na afloop van den trojaanschen oorlog met Calchas en Mopsus een reis door Klein-Azië, waar zij verscheiden orakels stichten, o.a. dat te Mallus in Cilicië, waar Amph. Mopsus achterliet, toen hij naar Argos terugkeerde. Doch toen hij later terugkwam en aandeel aan de regeering verlangde, ontstond er tusschen hen een strijd waarbij beiden vielen. Hij of een andere Amph., zoon van Alcmaeon, wordt de stichter van Argos Amphilochicum genoemd. Na zijn dood werd hij te Athene, Sparta, Orōpus, Mallus en andere plaatsen als halfgod vereerd.

Amphīon, Ἀμφίων, zoon van Zeus en Antiope. Met zijn tweelingbroeder Zethus werd hij op den Cithaeron te vondeling gelegd en door herders opgevoed. Later, toen Antiope door haar oom Lycus gevangen gehouden en door Dirce, zijne gemalin, mishandeld werd, zocht zij hare zonen op, die haar wreekten door Dirce aan de horens van een woedenden stier te binden, een lot, dat zij Antiope had toegedacht; op bevel van Hermes spaarden zij Lycus echter, die nu de heerschappij over Thebe aan Amph. afstond. Deze regeerde sedert dien tijd gelukkig en huwde met Niobe (z. a.). V. a. moest hij echter na den dood van Dirce Thebe verlaten en zich naar Athene begeven. Amph. was een beroemd zanger, hij had van Apollo, Hermes of de Muzen een gouden lier gekregen, die hij zoo meesterlijk bespeelde, dat op het geluid de steenen zich van zelven tot een muur vormden, die de stad Thebe omgaf. Hij en Zethus liggen te Thebe in hetzelfde graf en worden daar op gelijke wijze vereerd als de Dioscuren te Sparta. Op verscheidene plaatsen in Boeotië zouden zij steden en orakels gesticht hebben.

Amphipolis, Ἀμφίπολις, stad in dat deel van Macedonië, dat vroeger tot Thracië gerekend werd, op een heuvel in een bocht van de rivier den Strymon gelegen, waaraan de naam ontleend is. Aan den mond van den Strymon lag de haven Eïon. Oorspronkelijk heette het ἐννέα ὁδοί, en schijnt toen reeds eene belangrijke plaats van het landschap Edōnis te zijn geweest. Althans, zoowel van Milētus als van Athēnae uit, werden herhaalde pogingen aangewend, om daar eene volksplanting te stichten; doch de krijgshaftige Edoniërs sloegen de aanvallen af, totdat het in 437 aan de Atheners gelukte, zich van de stad der negen wegen meester te maken. De band tusschen Amphipolis en Athene was echter nooit sterk, daar onder de volksplanters betrekkelijk weinig geboren Atheners waren. In 424 viel het in handen van den Spartaan Brasidas, die in 422 met den Athener Cleon hier sneuvelde. In 358 kwam Amphipolis in het bezit van Philippus van Macedonië, voor wien het door het bezit der rijke goud- en zilvermijnen in den nabijgelegen mons Pangaeus eene groote aanwinst was; onder de Romeinen werd de stad hoofdplaats van eene der vier republieken, waarin Macedonia na Perseus’ nederlaag tijdelijk werd verdeeld.

Plattegrond Amphiprostylus.

Amphiprostylus, ἀμφιπρόστυλος, tempel of ander gebouw met een open portaal vóór en achter zooals op nevenstaande teekening is aangegeven.

Amphis, Ἄμφις, blijspeldichter uit het middelste tijdperk der comedie, die in zijne 26 stukken meerendeels maatschappelijke toestanden tot onderwerpen koos.

Amphissa, Ἄμφισσα, stad der ozolische Locriërs op eene door bosschen ingesloten [47]hoogvlakte. Doordat de inwoners beschuldigd werden, landerijen in bezit genomen te hebben, die aan den delphischen tempel toebehoorden, ontstond de laatste heilige oorlog (340–339), waarin Philippus van Macedonië Amphissa verwoestte, doch zich tevens van de phocensische bergvesting Elatēa meester maakte. Later werd Amphissa herbouwd en onder de romeinsche heerschappij was het eene civitas libera.

Amphitheātrum.

Amphitheātrum, ἀμφιθέατρον, rond of ovaalrond gebouw, met open binnenruimte, voornamelijk bestemd voor dieren- en gladiatorengevechten. De buitenmuur bestond uit twee of meer rijen bogen of arcaden boven elkander, meestal zóó, dat de verschillende verdiepingen door zuilen van verschillende bouworden gedragen werden. In het midden van de binnenruimte was de arēna, het strijdperk, omgeven door de zitplaatsen voor de toeschouwers. Deze arena was door een muur omringd, waarin verschillende deuren, die toegang gaven tot de hokken der wilde dieren en tot het lijkenhok, waarheen de lijken der gedoode zwaardvechters werden gesleept. Deze laatste deur werd porta Libitīna geheeten, naar Libitīna, de oud-italische doodsgodin. Boven den ringmuur verhief zich veiligheidshalve nog een stevig traliewerk. Onmiddellijk achter dit traliewerk had men het podium (A), een balcon of loge voor overheden en senatoren en vreemdelingen van rang. Hierachter kwamen gewoonlijk in drie rangen, caveae, de overige zitplaatsen, trapsgewijze opklimmende. Deze rangen verhieven zich weder verdiepingsgewijze boven elkander en werden gescheiden door muren (baltei), die ze als gordels omgaven, zoo dat in elken balteus de poorten (B, C) waren, die toegang verleenden tot den daarvoor gelegen rang. Geheel in de hoogte achteraan was nog eene overdekte galerij (D) voor vrouwen. Overigens waren de zitplaatsen onder den blooten hemel; doch tot beschutting tegen zonneschijn en regen werden boven de hoofden zeilen (vela, velaria) uitgespannen, die door masten omhoog werden gehouden. De zitplaatsen werden door gangpaden in wigvormige afdeelingen, cunei, gesneden. Wij hebben hierboven voor de duidelijkheid gesproken van rangen; daarbij denke men slechts aan verschil van plaats, niet van stand of prijs; want de spelen waren geschenken, aan het volk aangeboden, en de toegang was derhalve kosteloos.—De amphitheaters dagteekenen uit de eerste eeuw v. Chr.; het eerste van steen werd eerst tijdens Augustus opgericht door Statilius Taurus. Het grootste is het amphitheatrum Flavium, door Vespasianus begonnen en in 80 na Chr. door Titus ingewijd, met 50000 zitplaatsen. Een gedeelte er van is nog te Rome in wezen en bekend als il Colosseo (onderste gravure).

Amphitheātrum.

Amphitrīte, Ἀμφιτρίτη, eene Nereïde. Poseidon dong naar hare hand, maar daar zij ongehuwd wilde blijven, vluchtte zij naar Atlas, die haar verborg. De dolfijn van Poseidon spoorde haar echter op en zoo werd zij de gemalin van den god, wien zij drie kinderen baarde, Triton, Rhode en Benthesicȳme. Haar naam wordt dikwijls als personificatie van de zee gebruikt. [48]

Amphitryo, Ἀμφιτρύων, zoon van koning Alcaeus van Tiryns. Toen de Taphiërs de kudde van zijn oom Electryon geroofd hadden en deze ten strijde trok om ze terug te halen, gaf hij zijn rijk aan Amph. met de belofte, dat hij hem, wanneer de roof gewroken zou zijn, zijne dochter Alcmēne tot vrouw zoude geven. Door een noodlottig toeval doodde Amph. zijn oom voordat de oorlog beslist was, waarom hij door Sthenelus uit Tiryns verjaagd werd; hij ging naar Thebe en Alcmēne volgde hem. Creon, zijn moeders broeder, reinigde hem van zijn bloedschuld en beloofde hem hulp tegen de Taphiërs, wanneer hij den wilden vos, die toen het land verwoestte, wist te vangen of te dooden. Hoewel de vos volgens een orakel niet ingehaald konde worden, nam Amph. die taak op zich en leende van een Athener, Cephalus, een hond, die alles konde inhalen. Zeus veranderde beide dieren in steenen, waarop Creon de toegezegde hulp verleende. Amph. veroverde Taphus en schonk het rijk aan Cephalus, terwijl hij naar Thebe terugkeerde en met Alcmēne huwde, bij wie hij vader werd van Iphicles. Hij sneuvelde in een slag tegen de Minyers.

Amphitryoniades, Ἀμφιτρυωνιάδης, Heracles, als zoon van Alcmēne, de gemalin van Amphitryo.

Amphora.

Amphora, ἀμφορεύς, ἀμφιφορεύς, soort van groote kruik met twee ooren, van onder in een punt uitloopende, zoodat zij niet kon blijven staan zonder steun. Wilde men eene kostbare amphora op een pronktafeltje zetten, dan moest er in het blad een gat of eene uitholling zijn. Voornamelijk dienden de amphorae tot bewaring van wijn. Ook werd amphora gebruikt als maat voor natte waren = ruim ¼ hectoliter, waaruit blijkt, dat men zich de amphora niet te klein moet voorstellen. Soms heeft zij een tuit.

Amphoterus, Αμφότερος, 1) z. Acarnan.—2) broeder van Craterus, bevelhebber op de vloot van Alexander.

Amphrȳsus, Ἄμφρυσος, 1) riviertje in Z.O. Thessalia, dat in de Pagasaeische golf uitstroomt, en aan welks oevers Apollo de kudden van Admētus weidde. Daarom spreekt Vergilius van Amphrysia vates = Sibylla.—2) = Ambrosus.

Ampia Labiēna (lex) de Cn. Pompeio, 63, een plebisciet van de volkstribunen T. Ampius Balbus en T. Labienus, waarbij aan Pompeius werd toegestaan, bij de openbare spelen een lauwerkrans te dragen en zich bij de circensische spelen in liet gewaad van een zegepralend veldheer te vertoonen.

Ampii, plebejisch geslacht.

Ampliatio, verdaging van de verdere behandeling eener rechtzaak. Zie Acilia (lex) de repetundis.

Ampsāga, kustrivier in Noord-Africa, waaraan Cirta lag. Sedert 25 vormde ze de westgrens van de nieuwe provincie Numidia of Africa Nova.

Ampsanctus lacus, meertje bij Aeculānum in Samnium. Er stegen verpestende dampen uit op; daarom hield men het voor een van de ingangen tot de onderwereld.

Ampsivarii, volk aan de Beneden-Eems. Ten tijde van Nero werden ze door de Chauken uit hun land gejaagd, en wilden toen een strook lands aan den rechter oever van den Rijn in bezit nemen, dien eerst de Chamaven, daarna de Tubanten en Usipii en ten slotte de Friezen voor een korten tijd bezet hadden. Dit stonden de Romeinen niet toe, en na lang ronddolen werden nu de Ampsivarii door de omwonende stammen bijna geheel vernietigd. Wat er van over bleef, vormde later een onderdeel van de Franken.

Ampulla, flesch of karaf. Men vond ze evenals nu in allerlei vormen of fatsoenen, tot de met leder omwonden jacht- of reisflesch toe. Ook het latijnsche woord voor λήκυθος (z.a.).

Ampycides, Ἀμπυκίδης, Mopsus, zoon van den Lapithe Ampyx.

Amulius, de broeder van Numitor, die dezen van de regeering over Alba Longa beroofde en Romulus en Remus in den Tiber liet werpen.

Amyclae, Ἀμύκλαι, 1) stad in Laconica, ten Z.O. van Sparta. Ook na de dorische verovering bleef te Amyclae nog bijna twee eeuwen lang een achaeïsch staatje gevestigd, tot eindelijk de Spartanen bij verrassing de stad bezetten. Hier behoort de mythe te huis van Leda en de zwaan; de Dioscuren worden ook wel Amyclaei fratres genoemd.—2) stad in Latium, ook Amunclae geheeten, in het gebied van Fundi, tusschen Tarracīna en Caiēta (Gaëta) aan de kust gelegen, in eene moerassige streek, doch door de inwoners verlaten wegens de menigte slangen of adders. Vandaar de woorden tacitae Amyclae.

Amyclaeus, Ἀμυκλαῖος, bijnaam van Apollo, onder welken hij te Amyclae vereerd werd. Daar was een overoud, zeer hoog standbeeld van den god, bestaande uit een rechte metalen zuil, waaraan een met een helm bedekt hoofd, voeten en handen met een boog en lans gezet waren. Later werd het beeld met een kunstig gebouwde kapel omgeven.

Amyclīdes, Ἀμυκλείδης, Hyacinthus, de zoon van Amyclas, koning in Laconië, den stichter van Amyclae.

Amycus, Ἄμυκος, de zoon van Poseidon en de nimf Melië, koning der Bebrycen, dwong alle vreemdelingen, die in zijn gebied [49]kwamen, zich in het vuistgevecht, dat hij had uitgevonden en waarin hij zeer ervaren was, met hem te meten. Door Polydeuces, die met de Argonauten in zijn rijk landde, werd hij overwonnen en gedood of aan een boom gebonden; v. a. kocht hij zijn leven door te zweren, dat hij een bron, die hij tot nu toe voor vreemdelingen gesloten had gehouden, voor ieders gebruik zou openstellen.

Amymōne, Ἀμυμώνη, dochter van Danaüs. Toen zij door haar vader, na zijne aankomst te Argos, werd uitgezonden om water te halen, werd zij door een Satyr aangevallen en door Poseidon gered. Zij vatte liefde voor haar redder op en werd bij hem moeder van Nauplius. De bron Amymōne bij Argos was naar haar genoemd.

Amynander, Ἀμύνανδρος, koning der Athamanen, bondgenoot van de Romeinen en Aetoliërs in de oorlogen tegen Philippus III, (208–205, 200–197). Gedurende den oorlog der Romeinen tegen Antiochus d. G. werd hij door Philippus uit zijn rijk verjaagd (191); hij vluchtte naar de Aetoliërs, die hem eenige jaren later de regeering terug bezorgden. Hoewel hij de partij van Antiochus gekozen had en de consul M’. Acilius Glabrio zijne uitlevering van de Aetoliërs geëischt had, schijnt hij later met de Romeinen weder op vriendschappelijken voet gekomen te zijn.

Amyntas, Ἀμύντας, 1) naam van eenige macedonische koningen, o.a. van den vader van Philippus (Am. III), die in 393 den overweldiger Pausanias van den troon stiet. Hij stierf in 370.—2) bevelhebber eener τάξις in het leger van Alexander d. G., die zich meermalen door dapperheid onderscheidde. Hij werd met zijne drie broeders verdacht van medeplichtigheid aan de samenzwering van Philōtas, maar vrijgesproken; kort daarna sneuvelde hij (330).—3) een Macedoniër, die bij Darius Codomannus in dienst ging en na den slag bij Issus naar Aegypte vluchtte, waar hij spoedig met de Aegyptenaren twist kreeg en gedood werd.—4) schrijver, later veldheer van koning Deiotarus van Galatië. Na den dood van Cassius liep hij met zijne troepen tot Antonius over, die hem tot belooning koning over Galatië maakte (36), welke waardigheid ook Octaviānus hem na den slag bij Actium liet behouden. Hij stierf in 25.

Amyntiades, Ἀμυντιάδης, Philippus van Macedonië, zoon van Amyntas.

Amyntor, Ἀμύντωρ, koning van Eleon in Thessalië, of van de Dolopen, vader van Phoenix, dien hij uit minnenijd vervloekte en verjoeg. Heracles, wien hij den toegang tot zijn gebied geweigerd had, doodde hem.

Amyrtaeus, Ἀμυρταῖος, de moeraskoning, die zich, nadat de opstand van Aegypte tegen Artaxerxes (z. Inarus) bedwongen was, nog geruimen tijd in de moerassen staande hield. Zijn zoon Pausiris behield later de regeering onder perzische heerschappij.

Amythāon, Ἀμυθάων, zoon van Cretheus en Tyro, stichter van Pylus in Messenië, vader van Bias en Melampus.

Amythaonidae, Ἀμυθαονίδαι, zonen en afstammelingen van Amythāon.

Ἀναβαθμοί, eene rij zitplaatsen, die bij wijze van een trap oploopen, ook eene zaal met zulke zitplaatsen, die voor voordrachten, muziekuitvoeringen en dgl. verhuurd werd.

Anacēa, Ἀνάκεια, feest, dat in de meeste achaeïsche en dorische staten en ook te Athene, ter eere der Dioscuren gevierd werd. De Lacedaemoniërs vierden het zelfs wanneer zij in het veld waren.

Anacēum, Ἀνάκειον, tempel der Dioscuren, zooals men in zeer vele steden, ook te Athene, vond.

Anacharsis, Ἀνάχαρσις, een scythisch prins, die uit weetgierigheid groote reizen ondernam, ook in Griekenland kwam, en te Athene met Solon kennis maakte. Hij wijdde zich daar aan de studie der wijsbegeerte en trok de algemeene aandacht door zijn vernuft en zijne eenvoudige leefwijze. In zijn vaderland teruggekeerd, wilde hij griekschen godsdienst en zeden invoeren en werd hij daarom door zijn broeder, koning Saulius, gedood. De brieven en gedichten die zijn naam dragen zijn onecht.

Anacreon, Ἀνακρέων, lyrisch dichter uit Teos. Nadat Ionië door Harpagus onderworpen was (545), begaf hij zich naar Abdēra en later naar Samus, waar hij tot aan den dood van den tyran Polycrates (522) aan diens hof bleef. Vervolgens werd hij door Hipparchus naar Athene geroepen en bleef daar tot den val der Pisistratiden. Waarheen hij later gegaan is, is onzeker; hij stierf 85 jaar oud, te Teos of Abdēra. Van zijne liederen, die door bevalligheid en eenvoudige taal uitmunten en door de ouden hoog geroemd en nog lang na zijn dood veel gezongen werden, bestaan nog slechts eenige overblijfselen; de zoogenaamde anacreontische liedjes (Ἀνακρεοντικά, -τεια) zijn uit den alexandrijnschen tijd afkomstig.

Anactorium, Ἀνακτόριον, kaap en havenstad in Acarnania, aan de invaart der ambracische golf. De stad was een corinthische kolonie. Evenals de bevolking van Ambracia, werd ook die van Anactorium door Augustus naar het door hem gestichte Nicopolis gelokt.

Ἀναδικία = παλινδικία.

Anadyomene, Ἀναδυομένη, de “uit zee opstijgende,” bijnaam der uit het schuim der zee geborene Aphrodite. Zoo werd zij voorgesteld op een schilderij, die voor het meesterstuk van Apelles gold en in den tempel van Asclepius op het eiland Cos hing, waar zij door Augustus voor 100 talenten gekocht en naar Rome medegenomen werd.

Anaea, Ἀναία, stad in Ionia, ten Z. van Ephesus, tegenover Samus.

Anagnia, Ἀναγνία, hoofdstad der Hernici in Latium, op een berg gelegen met schoone omstreken. In 306 viel de stad van Rome af, en werd, na het bedwingen van den opstand door den consul Q. Marcius Tremulus (Marcii no. 18), tot een praefectura gemaakt. Cicero had hier een landgoed, Anagnium. [50]

Anagnostes, Ἀναγνώστης, een slaaf, die zijn heer aan tafel, in het bad en in ledige uren voorlas. Ook iemand die in het openbaar voordrachten houdt. In den christelijken tijd een kerkelijk ambt (= lector).

Anagogia, Ἀναγώγια, een feest dat op den berg Eryx op Sicilië ter eere van Aphrodīte gevierd werd bij gelegenheid van hare jaarlijksche reis naar Libye, vanwaar zij na negen dagen terugkeerde, vgl. Catagogia. Ook op Delus werd een dergelijk feest ter eere van Apollo gevierd.

Anaītis, Ἀναιῖτις, eene godin, die in verscheiden aziatische landen vereerd werd. Hare priesters waren tot een afgesloten stand met eigen bezittingen verbonden. De Grieken zagen in haar een maangodin en identificeerden haar met Aphrodīte of Artemis.

Ἀνακαλυπτήρια, de tweede of derde dag van het huwelijk, waarop de vrouw zich het eerst ongesluierd vertoonde. Ook de geschenken, die op dien dag aan de jonggehuwden gegeven en met een plechtigen optocht naar hunne woning gebracht werden. Ter eere van het huwelijk van Hades en Core werden op Sicilië en elders ἀνακαλυπτήρια gevierd.

Ἀνάκρισις, voorloopig onderzoek, in het bizonder de instructie in een proces, die aan de behandeling voor de rechtbank voorafging en door een magistraat geleid werd. Bij de ἀνάκρισις werden getuigen gehoord, bewijzen onderzocht enz. Wanneer de aanklager hierbij niet verscheen, verviel de aanklacht, terwijl hij, indien het eene γραφή betrof, 1000 drachmen verloor en het recht om later zulke aanklachten te doen; de aangeklaagde werd, wanneer hij wegbleef, in contumaciam veroordeeld.

Anaphe, Ἀναφή, eilandje in de Aegaeische zee, tot de Sporaden behoorende, ten oosten van Thera gelegen.

Anaphlystus, Ἀνάφλυστος, attische demus behoorende tot de phyle Antiochis, in het zuidoosten van Attica gelegen, met een versterkte haven.

Anāpus, Ἄναπος, naam van twee rivieren, waarvan de eene in Acarnania lag, een zijtak van den Achelōus, en de andere op Sicilia, die ten zuiden van Syracūsae zich door moerassen in zee stort. Als riviergod komt laatstgenoemde stroom bij Ovidius o. a. voor als de minnaar der bronnimf Cyane.

Ἀνάρρυσις, de tweede dag der Apaturia.

Anartes, volksstam in Dacia, aan beide oevers van den bovenloop van den Theiss.

Anas, rivier in Hispania, thans Guadiana. Ze vormt de grens tusschen de provincies Baetica en Lusitania.

Anathēma, ἀνάθημα, heet alles wat aan een god gewijd en in zijn tempel of heiligdom nedergezet wordt, dikwijls voorwerpen van groote kostbaarheid en kunstwaarde.

Anatocismus, ἀνατοκισμός, het berekenen van rente op rente. Had dit plaats telkens na afloop van een jaar, dan sprak men van anatocismus anniversarius.

Ἀναυμαχίου γραφή of δίκη, aanklacht wegens het niet deelnemen aan een zeeslag. De zaak werd voor de strategen behandeld, de straf was atimie.

Anāva, τὰ Ἄναυα, stad in Phrygia, tusschen Celaenae en Colossae, aan het zoutmeer Ascania.

Anax, Ἄναξ, vorst, heer; met dien bijnaam worden ook verschillende goden genoemd; de Dioscuren dragen dikwijls kortweg den naam Anactes, ook Anaces (Ἄνακτες, Ἄνακες).

Anaxagoras, Ἀναξαγόρας, geb. te Clazomenae omstreeks 500, kwam, na vele landen bezocht te hebben, in 456 te Athene, waar hij als leeraar der wijsbegeerte optrad. Tot zijne leerlingen behoorden Euripides en Thucydides, terwijl hij met Pericles zeer bevriend werd. Volgens An. bestaat de stof, zelfs in hare kleinste deelen, uit een oneindig aantal soorten, de stofdeeltjes van elke soort zijn echter gelijk, zoowel aan elkander, als aan de lichamen die er uit bestaan. De stof lag oorspronkelijk onbewegelijk in eene verwarde massa, totdat de geest (νοῦς) er op werkte en eene scheiding (διάκρισις) van ongelijksoortige en vereeniging (σύγκρισις) van gelijksoortige stofdeeltjes veroorzaakte. De hierdoor ontstane lichamen kan men dus ὁμοιομερῆ noemen, hoewel nooit eene volkomen scheiding of vereeniging tot stand komt en dus ieder lichaam vreemde stofdeelen bevat; alleen de onstoffelijke νοῦς is eenvoudig, onvermengd, zuiver. De stofdeeltjes zelve noemde An. σπέρματα of χρήματα, lateren ὁμοιομέρειαι. Wegens deze leer werd An. kort voor den peloponnesischen oorlog, naar men zegt door politieke tegenstanders van Pericles, van goddeloosheid aangeklaagd. V. s. werd hij ter dood veroordeeld, maar door Pericles in staat gesteld te vluchten, v. a. werd hij verbannen, of hij werd vrijgesproken, maar verliet uit ontevredenheid de stad. Zooveel is zeker dat hij zich na dit proces naar Lampsacus begaf, waar hij, 72 jaar oud, stierf.

Anaxander, Ἀνάξανδρος, koning van Sparta, hij leefde tijdens den tweeden messenischen oorlog.

Anaxandridas, Ἀναξανδρίδας, 1) naam van eenige spartaansche koningen, o. a. van den vader van Leonidas.—2) geb. te Camīrus, leefde omstreeks 375 als blijspeldichter te Athene, waar hij in hoog aanzien stond als een aangenaam en verstandig mensch en fijn opmerker. Van zijne 65 stukken, de eerste waarin liefdesavonturen voorkomen, is bijna niets over.

Anaxarchus, Ἀνάξαρχος, van Abdēra, leerling van Democritus, vergezelde Alex. d. G. op zijne veldtochten en werd εὐδαιμονικός bijgenaamd. Volgens het verhaal zou hij door den tyran Nicocreon van Cyprus, wegens een hem aangedane beleediging, in een vijzel verpletterd zijn.

Anaxarete, Ἀναξαρέτη, een cyprisch meisje, dat door den herder Iphis bemind werd, maar hem zoo koel behandelde, dat hij zich voor hare deur ophing. Toen zij zelfs bij het zien van zijn lijk niet getroffen werd, veranderde Aphrodīte haar in een steenen beeld. [51]Hetzelfde wordt verhaald van Arsinoë en haar minnaar Arceophon.

Anaxibia, Ἀναξιβία, 1) dochter van Plisthenes, gemalin van Strophius, moeder van Pylades.—2) eene nimf die door Helius bemind en vervolgd werd, en naar den tempel van Artemis Orthia aan den Ganges vluchtte, waar zij verdween. Sedert dien tijd gaat de zon van die plaats, voortaan Anatole genaamd, op.—3) Zie Alphesiboea.

Anaxibius, Ἀναξίβιος, bevelhebber der spartaansche vloot in Byzantium, toen Xenophon met de rest van de 10000 daar aankwam. Daar hij het leger door beloften misleidde, veroorzaakte hij groote verwarring, en kwam hij persoonlijk in groot gevaar. In 389 werd hij als harmost naar Abȳdus gezonden, maar het volgende jaar viel hij in een hinderlaag, hem door Iphicrates gelegd, en sneuvelde hij.

Anaxilāus, Ἀναξίλαος, 1) tyran van Rhegium (494–476), uit Messenië afkomstig, die omstreeks 480, met hulp van Samiërs en Milesiërs, Zancle op Sicilië veroverde, welke stad hij met Messeniërs bevolkte en Messana noemde. Hij stierf in 476 en liet twee zonen na, die gedurende hun minderjarigheid onder voogdij van een getrouwen slaaf, Micythus, bleven, in 467 aan de regeering kwamen, en na zes jaren verdreven werden.—2) dichter van achttien blijspelen, waarvan nog eenige fragmenten bestaan, die van het geheel geen zeer hoogen dunk geven.—3) pythagoreïsch wijsgeer uit Larīsa, door Augustus in 28 wegens tooverij uit Italië verbannen.

Anaximander, Ἀναξίμανδρος, geb. te Milētus in 610, de eerste grieksche schrijver over wijsbegeerte, was een vriend en leerling van Thales, leefde aan het hof van Polycrates van Samus en stierf in of kort na 547. In zijn werk περὶ φύσεως neemt hij als grondstof van het heelal iets oneindigs (ἄπειρον) aan, dat hij niet nader bepaalt, maar dat hij goddelijk, onsterfelijk en onvergankelijk noemt. Hij zoude het eerst een zonnewijzer, een hemelbol, enz. gemaakt hebben.

Anaximenes, Ἀναξιμένης, 1) geb. te Milētus, waarschijnlijk tusschen 560 en 550, door sommigen een leerling van Anaximander genoemd, nam als grondstof van het heelal de zich in het oneindige uitstrekkende lucht aan, waaruit door verdikking (πύκνωσις) en verdunning (μάνωσις, ἀραίωσις) alles ontstaan zou zijn, en die de geheele wereld omgeeft en bijeenhoudt.—2) geschiedschrijver uit Lampsacus, vriend van Alexander d. G., schreef Ἑλληνικά, eene soort algemeene geschiedenis, en Φιλιππικά, de geschiedenis van Philippus, τὰ περὶ Ἀλέξανδρον, die van Alexander bevattende. Als rhetor was hij een tegenstander van Isocrates. De ῥητορικὴ πρὸς Ἀλέξανδρον, die onder de werken van Aristoteles is opgenomen, wordt te recht aan hem toegeschreven. Van zijne andere werken is slechts weinig bewaard gebleven.

Anaxo, Ἀναξώ, dochter van Alcaeus en Hipponome, gemalin van Electryon, moeder van Alcmēne.

Anazarbus, Ἀνάζαρβος, aanzienlijke stad hij een gelijknamigen berg in Cilicia, aan den Pyramus, door Augustus Caesarēa (ad Anazarbum) genoemd. De beroemde arts Dioscorides Pedanius, die waarschijnlijk onder de regeering van Nero leefde, was hier geboren. Evenzoo Appianus.

Ancaeus, Ἀγκαῖος, 1) zoon van den arcadischen koning Lycurgus en Eurynome, een van de Argonauten en calydonische jagers. Hij werd door het Calydonische zwijn gedood.—2) zoon van Poseidon en Astypalaea, koning der Lelegers op Samus, na den dood van Tiphys stuurman der Argonauten. Eens werd hem door een waarzegger voorspeld, dat hij van druiven, die hij bezig was te planten, geen wijn zou drinken. Toen hij nu den beker met den wijn gevuld in de hand hield en den waarzegger bespotte, sprak deze het later tot een spreekwoord gewordene: πολλὰ μεταξὺ πέλει κύλικος καὶ χείλεος ἄκρου. Op hetzelfde oogenblik werd de tijding gebracht dat een ever het land verwoestte, de koning zette den beker neder, snelde naar buiten, en werd door den ever gedood.—3) een Aetoliër, bij de begrafenis van Amarynceus door Nestor in een vuistgevecht overwonnen.

Anchesmus, Ἀγχεσμός, berg ten N. O. van Athene, met een tempel van Zeus.

Anchiale, Ἀγχιάλη, naam van twee steden, in Thracia aan den Pontus Euxīnus, en op de kust van Cilicia tusschen Tarsus en Soli. Ook de vorm Anchialus komt voor.

Anchīses, Ἀγχίσης, was de zoon van Capys en van Themis, de dochter van koning Ilus. Bij Aphrodīte, die hem om zijne schoonheid liefhad, verwekte hij den beroemden held Aenēas. Toen hij zich eenmaal op zijne verbintenis met Aphrodite verhoovaardigde, sloeg Zeus hem met blindheid of met verlamming. Bij Vergilius draagt Aeneas zijn verlamden vader op de schouders uit het brandende Troje weg. Anchises vergezelde zijn zoon op diens lange omzwervingen, tot hij eindelijk op Sicilia stierf en op den berg Eryx begraven werd.

Anchisiades, Ἀγχισιάδης, patron. = Aenēas.

Ancīle.

Ancīle, heilig schild, volgens de sage uit den hemel gevallen tijdens het koningschap van Numa Pompilius. Daar de nimf Egeria den koning verkondigde, dat het lot en het voortbestaan van Rome aan het behoud van dit schild verbonden was, liet Numa door den bekwamen wapensmid Mamurius Veturius nog elf andere ancilia vervaardigen, die alle zoo nauwkeurig nagemaakt waren, dat men het echte niet van de overige kon onderscheiden. De bewaring was toevertrouwd aan het priestercollegie der Salii, die [52]op bepaalde tijden een rondgang door Rome hielden, waarbij sommige de schilden aan stokken over den schouder droegen, en andere al dansende met metalen staafjes tegen de schilden sloegen. De ancilia waren langwerpig rond, in het midden aan weerszijden uitgesneden op de wijze eener viool, doch zonder hoeken of punten.

Ancōna, ἡ Ἀγκών, belangrijke havenstad in Picēnum aan de adriatische zee. Het droeg zijn naam, omdat het in eene door twee kapen gevormde elleboogvormige bocht lag. Ancona was in 390 door syracusaansche uitgewekenen gesticht; onder de Romeinen werd het kolonie. Het had eene voortreffelijke haven, een beroemden Venustempel, een zegeboog van Traiānus, purperververijen, wijn- en graanteelt in de omstreken.

Ancora, ἄγκυρα. Voordat de ijzeren ankers in gebruik kwamen, gebruikte men groote steenen (εὐναί) als zoodanig. De oudste ijzeren ankers hadden slechts één tand (ἄγκυρα ἑτερόστομος); de latere waren, evenals de onze, tweetandig (ἀμφίστομοι). Het noodanker, dat voor het uiterste gevaar bewaard werd, werd het heilige geheeten; vandaar sacram ancoram solvere = tot het laatste redmiddel zijn toevlucht nemen.

Ancus Marcius, vierde koning van Rome (641–617) van wien de romeinsche geschiedschrijvers het volgende vertellen: Hij was een zoon van Numa’s dochter. In zijne oorlogen met de Latijnen lijfde hij een deel van hun gebied bij Rome in en bracht de bevolking van een viertal steden geheel of gedeeltelijk naar Rome over, waar hun de mons Aventīnus ter bewoning werd ingeruimd. Uit deze ingelijfde Latijnen ontstond de plebs. Hij versterkte den mons Ianiculus, over den Tiber gelegen, en verbond dezen met de stad door een houten paalbrug, pons sublicius. Ook stichtte hij aan den mond van den Tiber de havenstad Ostia. Hoewel hij meermalen de wapenen tegen zijne naburen moest voeren, legde hij zich toch bij voorkeur op de werken des vredes toe.

Ancȳra, Ἄγκυρα, naam van eene stad in Phrygia en van eene in Galatia. De eerste ligt in Phygia Abbaitis, aan den Macestus, ten N. van het gebergte Temnus. De laatstgenoemde is nog tegenwoordig onder den naam Angora bekend. Zij was door een der Midassen gesticht; hare ligging aan den grooten karavanenweg door Galatia bracht haar tot groote bloei. Augustus verfraaide de stad, die uit erkentelijkheid een kostbaren tempel voor hem stichtte, onder welks overblijfselen men sedert 1553 het marmor Ancyrānum ontdekt heeft, een in latijnschen en griekschen tekst in marmer gebeitelde opgaaf van ’s keizers regeeringsdaden, zooals hij er eene aan de Vestaalsche maagden had ter hand gesteld, en zooals er eene in zijn mausolēum werd aangetroffen.

Andabatae, een soort van zwaardvechters, die een gesloten helm zonder vizier droegen en dus in den blinde op elkaar lossloegen, hetgeen tot menig komisch tooneel aanleiding gaf.

Andania, Ἀνδανία, oude residentiestad der messenische koningen, in het N. van Messenië gelegen.

Andecavi, gallisch volk aan den benedenloop van den Liger (Loire), in het latere Anjou. Hunne hoofdstad was Iuliomagus, thans Angers.

Andes, 1) = Andecavi.—2) vlek bij Mantua, geboorteplaats van Vergilius.

Andocides, Ἀνδοκίδης, 1) zoon van Leogoras, geb. te Athene omstreeks 440, de tweede in de rij der 10 attische redenaars. Hij behoorde tot de aristocratische partij en voerde het bevel over de vloot, die in het begin van den peloponnesischen oorlog door de Atheners uitgezonden werd om Corcȳra te helpen. Van medeplichtigheid aan de verminking der Hermesbeelden verdacht en gevangen genomen (415), redde hij zich door de namen der ware of gewaande schuldigen, o.a. zijn vader en vier broeders op te geven. Hij werd echter met atimie gestraft en zag zich genoodzaakt, Athene te verlaten. Sedert woonde hij als koopman op Cyprus en in Elis; wel trachtte hij onder de regeering der 400 in Athene terug te keeren, maar toen moest hij terstond weder vluchten; beter werd hij ontvangen na den val der 30, en zelfs kreeg hij toen spoedig weder invloed op de staatszaken, maar in 391 werd hij op nieuw verbannen. Hij zou 44 redevoeringen geschreven hebben, waarvan 4 bewaard gebleven zijn. Hiervan zijn zeker echt: περὶ τῆς ἑαυτοῦ καθόδου (uit 407) en περὶ τῶν μυστηρίων (uit 399); waarschijnlijk echt is ook περὶ τῆς πρὸς Λακεδαιμονίων εἰρήνης (uit 392/391); onecht is de rede κατ’ Ἀλκιβιάδου.—2) Attisch vazenschilder uit de 2de helft van de 6de eeuw. Hij heeft zoowel in den zwartfigurigen als in den roodfigurigen stijl geschilderd.

Andraemon, Ἀνδραίμων, 1) echtgenoot van Gorge, de dochter van Oeneus, dien hij in de regeering over Calydon opvolgde.—2) zoon van Oxylus, echtgenoot van Dryope.

Ἀνδραποδισμοῦ γραφή, aanklacht wegens het verkoopen van vrije menschen als slaven, eene misdaad waarop de doodstraf stond. De zaak werd behandeld door de elfmannen.

Ἀνδρεῖα = συσσίτια. Ook de groepen, waarin de tafelgenooten verdeeld waren, heetten ἀνδρεῖα.

Andriscus, Ἄνδρισκος, gaf zich uit voor een natuurlijken zoon van koning Perseus, met name Philippus, en wordt daarom ook wel Pseudo-Philippus geheeten. Hij verwekte in 149 in Macedonia een opstand tegen de Romeinen en behaalde aanvankelijk vele voordeelen, doch werd overwonnen en gevangen genomen (148), en moest den zegetocht van Q. Caecilius Metellus (Caecilii no. 6) opluisteren.

Androcles, Ἀνδροκλῆς, een demagoog, die na den val van Alcibiades leider der volkspartij te Athene werd; bij de omwenteling van 410 werd hij door de oligarchische partij vermoord.

Androclīdas, Ἀνδροκλείδας, een Thebaan die, door Perzië met geld ondersteund, in [53]395 Thebe tot oorlog tegen Sparta aanzette, waardoor de terugkomst van Agesilāus uit Azië noodzakelijk werd.

Androclus, Ἄνδροκλος, weggeloopen slaaf van een romeinsch proconsul in Africa, die door een leeuw, uit wiens poot hij een splinter had getrokken, van voedsel werd voorzien. Toen hij later gevangen was genomen en veroordeeld om voor de wilde dieren te worden geworpen, gebeurde het, dat hij toevallig in het amphitheater zijn ouden makker tegenover zich kreeg. De leeuw herkende hem, begroette hem kwispelstaartend en likte hem. Voor den keizer geroepen, verhaalde hij zijn wedervaren, waarop hij in vrijheid werd gesteld en den leeuw ten geschenke kreeg, die nu weder zijn trouwe metgezel werd.

Androgeos, Ἀνδρογεώς, zoon van Minos en Pasiphaë. Hij was te Athene, toen voor het eerst de Panathenaea gevierd werden, en behaalde daarbij alle prijzen; uit afgunst hierover liet Aegeus hem verraderlijk vermoorden.

Ἀνδροληψία. Wanneer een Athener in een vreemde staat vermoord was, en die staat weigerde daarvoor voldoening te geven, dan hadden de bloedverwanten van den vermoorde het recht zich van hoogstens drie personen uit dien staat meester te maken en hen te Athene voor de rechtbank te brengen. Dit recht heette ἀνδροληψία. Hoe het proces verder gevoerd werd, is onbekend.

Andromache, Ἀνδρομάχη, dochter van Eëtion, de edele en liefhebbende gemalin van Hector. Na het einde van den troj. oorlog werd zij door Neoptolemus naar Epīrus medegenomen, waar zij bij hem drie zonen kreeg. Toen Neoptolemus gedood was, huwde zij volgens zijne beschikking met haar zwager Helenus, die tevens voogd over haar kinderen werd. Na den dood van Helenus ging zij met haar jongsten zoon Pergamus naar Azië; zij stierf in de door hem gestichte stad Pergamus, waar zij later een heiligdom had. V. a. had zij bij Neoptolemus slechts één zoon, Molossus, en wil Hermione met hulp van Menelāus haar uit jaloerschheid dooden; Peleus redt haar echter, waarna zij op bevel van Thetis met haar kind en Helenus naar Molossië vertrekt.

Andromeda, Ἀνδρομέδα, dochter van Cepheus en Cassiopēa. Daar hare moeder zich beroemd had schooner te zijn dan de Nereïden, zond Poseidon een zeemonster, dat het land verwoestte, en waarvan men zich, volgens een orakel, alleen kon bevrijden door Andr. op te offeren. Toen zij aan een rots gebonden was in afwachting dat het monster haar kwam verslinden, verscheen Perseus, die het monster doodde. Na een hevigen strijd met Phineus, wien zij vroeger tot vrouw beloofd was, voerde Perseus haar met toestemming van haar vader mede naar Griekenland, waar zij de moeder werd der beroemde Perseïden. Andr. werd later onder de sterrenbeelden geplaatst.

Ἀνδρών, Ἀνδρωνῖτις, dat gedeelte van het huis waar ook vreemde mannen, bij bezoeken, symposia, enz., toegelaten werden. De hiertoe behoorende vertrekken, meer in het bizonder ἀνδρῶνες genoemd, lagen rondom een open plaats (αὐλή), die aan alle vier zijden met overdekte zuilengangen omgeven was. Van de voordeur kwam men door een gang terstond in deze αὐλή. De Romeinen noemen ἀνδρών een gang, waarschijnlijk de gang, die naast het tablinum het atrium met het peristylium verbindt.

Andronīcus (Livius), rom. dichter. Zie Livii no. 11.

Androsthenes, Ἀνδροσθένης, admiraal van Alexander d. Gr., beschreef een tocht langs de arabische kust.

Androtion, Ἀνδροτίων, leerling van Isocrates, schrijver eener geschiedenis van Athene, die door lateren veel gebruikt is.

Andrus, ἡ Ἄνδρος, het noordelijkste eiland der Cycladen, met eene gelijknamige stad en eene voortreffelijke haven, om zijn wijnteelt aan den god Dionȳsus geheiligd. Reeds vroeg bezat het eene aanzienlijke zeemacht en zond het een aantal volkplantingen uit.

Anemorēa, Ἀνεμώρεια, stad ten O. van Delphi.

Anemurium, Ἀνεμούριον, kaap en stad in West-Cilicia.

Angitia of Anguitia, slangengodin of ook “wurgster,” oud-italische godheid, in het bijzonder door de Marsen en Marruciners te Lucus Angitiae aan den Fucinus lacus vereerd. Vergilius maakte ze tot eene zuster van Medēa.

Anglii of Angīli, Ἀγγεῖλαι, germaansche volksstam, van de Elbe tot in de Chersonēsus Cimbrica (Sleeswijk en Jutland), van waar zij in de vijfde eeuw na Chr., met Saksers en Jutten vereenigd, naar Britannia overstaken. De Anglii behoorden tot die volksstammen, die de godin Nerthus vereerden.

Angrivarii (Engeren), germaansch volk aan den Visurgis (Weser), in den regel bevriend met de Romeinen.

Anguis.

Anguis. De slang gold in Oud-Italia als zinnebeeld van den genius loci. Men vond dikwerf slangen op de muren geschilderd, als waarschuwing om die plaats niet te verontreinigen. Ook als zinnebeeld der geneeskunst en gezondheidsleer komt de slang voor, zoo kronkelt zich b.v. eene slang om den staf van Aesculapius. Ten tijde van keizer Traiānus werd de anguis of draco bij de rom. legers als veldteeken der cohorte ingevoerd. Het bestond uit een nauwen langen zak, met een slangekop met open muil en zilveren tong, op een lansschacht bevestigd. Wanneer de wind nu in den geopenden muil blies, maakte het lichaam allerlei kronkelingen en wendingen. Dit veldteeken was, naar men zegt, overgenomen van de Parthen.

Anguitia, zie Angitia.

Anicii, plebejisch geslacht.

Anīgrus, Ἄνιγρος, bij Hom. Μινυήιος geheeten, klein stinkend kustriviertje in Triphylia. [54]

Anio, g. ēnis, Ἀνίων, rivier in Latium, die bij Tibur de beroemde watervallen vormt en zich boven Rome bij Antemnae in den Tiber stort. Twee waterleidingen, de Anio vetus en de Anio novus voerden het water dezer rivier naar Rome. De eerste leiding was in 272 door de censoren M’. Curius Dentātus en L. Papirius Cursor gebouwd uit den op Pyrrhus behaalden buit; de andere was begonnen onder Caligula en onder Claudius voltooid.

Anius, Ἄνιος, zoon van Apollo en Creūsa of Rhoeo, op Delus geboren, waar Apollo hem tot zijn priester en tot koning over het eiland maakte. Aenēas werd op zijn tocht vriendschappelijk door hem ontvangen. Zie Lavinia.

Anna, dochter van Belus, vluchtte met hare zuster Dido uit Tyrus naar Africa, waar Dido Carthago stichtte. Volgens een rom. verhaal zou Anna na Dido’s dood door den numidischen koning Iarbas uit Carthago verdreven zijn, op hare vlucht op de kust van Latium schipbreuk hebben geleden en door Aenēas opgenomen en aan de vriendschap zijner echtgenoote Lavinia aanbevolen zijn. Door Dido echter in den droom gewaarschuwd tegen Lavinia’s ijverzucht, stortte Anna zich in het riviertje Numicius en verdronk, waarna zij als stroomnimf onder den naam Anna Perenna werd vereerd. Perenna zou dan uit per en amnis moeten gevormd zijn.

Anna Perenna, oud-romeinsche godin van het jaar, wier feest de Romeinen op de idus van Maart vierden, met de bede, ut annare perennareque commode liceret, d.w.z. dat men het jaar goed mocht beginnen en ten einde brengen. Anna heet de godin dus met betrekking tot het begin, Perenna met het oog op het einde van het jaar. Zie ook Anna.

Annaei, 1) L. Annaeus Seneca, ter onderscheiding van zijn gelijknamigen zoon gewoonlijk pater of rhetor genoemd, te Corduba in Hispania (± 54) geboren, had te Rome het onderwijs der beroemdste redenaars van zijn tijd genoten en had zelf grooten naam als rhetor. Hij stierf ± 39 n. C. Van hem bestaan nog Controversiae (5 boeken) en Suasoriae (1 boek), declamaties in den vorm van verdichte pleidooien en verhandelingen over verdichte gevallen.—2) L. Annaeus Seneca, zoon van den vorigen, aanhanger der stoicijnsche wijsbegeerte, geboren te Corduba in 4; kwam vroeg naar Rome en wijdde zich aan den staatsdienst. Onder keizer Claudius moest hij een achttal jaren (41–49 n. C.) als balling op Corsica doorbrengen. Teruggeroepen zijnde, werd hij door Agrippina tot leermeester van haar zoon Nero aangesteld. In den beginne had hij op Nero grooten invloed; zoodoende heeft Seneca met den praef. praet. Burrus eenige jaren lang den staat voortreffelijk kunnen besturen; doch allengs werd de keizer ook jegens Seneca wantrouwend, deze werd in eene samenzwering betrokken en ter dood veroordeeld, waarbij hem de keuze van zijn dood werd gelaten. Hij liet zich de aderen openen (65 n. C.) Een aantal werken zijn nog van hem overig: 124 epistolae ad Lucilium, de ira (3 b.), de clementia (2 b.), de beneficiis (7 b.), naturalium quaestionum l. VII, ad Helviam matrem de consolatione, enz. Ook zijn er acht treurspelen van hem bewaard gebleven: Hercules furens, Thyestes, Phaedra, Oedipus, Troades, Medea, Agamemno, Hercules Oetaeus, en een paar fragmenten. Ze hebben grooten invloed uitgeoefend op het moderne tooneel, vooral op Vondel. Niet van Seneca is de praetexta Octavia. Verder heeft Seneca een bijtende satyre op keizer Claudius kort na diens dood uitgegeven, de ἀποκολοκύντωσις. Door zijn geschriften, waarin hij de denkbeelden der Stoa verdedigt, heeft Seneca grooten invloed geoefend, ook op volgende geslachten.—3) M. Annaeus Lucānus, kleinzoon van den rhetor Seneca, ook van Corduba geboortig (39 n. C.), was eerst als episch dichter bij Nero in aanzien, totdat diens naijver werd opgewekt. Lucanus nam toen deel aan eene samenzwering en werd met anderen gedwongen de hand aan zichzelf te slaan (65). Van hem is niets overgebleven dan het epos Pharsalia (10 b.), eene beschrijving van den tweeden burgeroorlog tot aan den alexandrijnschen oorlog.—4) L. Annaeus Cornūtus, geb. te Leptis in Africa, stoicijn onder Nero, die hem haatte en verbande (65 n. C). Er zijn van hem geschriften over in het Grieksch en in het Latijn. Cornutus was een vriend van den satirendichter Persius.—5) Annaeus (Anneus) Florus, zie Florus.

Annāles, χρονικά. Oudtijds werden ook te Rome de namen der overheidspersonen en enkele gedenkwaardige gebeurtenissen door de pontifices kroniekmatig opgeteekend. Deze opteekeningen gingen bij de verwoesting van Rome door de Galliërs verloren, zoodat de latere annales maximi, ook wel annales of commentarii pontificum geheeten, die aan het einde van de 2de eeuw waarschijnlijk door den pontifex maximus P. Mucius Scaevola in 80 boeken zijn uitgegeven, slechts weinig omtrent den oudsten tijd van Rome vermeld kunnen hebben. Later legden zich een groot aantal schrijvers op het schrijven van jaarboeken toe en worden hiernaar annalisten geheeten. De oudsten, Q. Fabius Pictor, L. Cincius Alimentus, C. Acilius, A. Postumius Albinus, schrijven hun jaarboeken nog in het Grieksch. Eerst met M. Porcius Cato (234–149) en diens Origines begint de romeinsche historiografie. Op hem volgen L. Cassius Hemina, Q. Fabius Maximus Serviliānus (consul 142), L. Calpurnius Piso (c. 133), C. Sempronius Tuditānus (c. 129), S. Fannius (c. 122), Cn. Gellius, Vennonius, allen tijdgenooten. In eenigszins anderen geest schrijft Sempronius Asellio, en dan komen de annalisten uit den tijd van Sulla, die allen de oudere geschiedenis vervalschen in een bepaalde richting, en hun werken opsmukken door invoeging van tallooze redevoeringen. Het zijn Q. Claudius Quadrigarius, Valerius Antias, C. Licinius Macer, Aelius Tubero. Op hun werken berust grootendeels onze kennis der oudste romeinsche geschiedenis. [55]

Annālis (lex), zie Villia lex (annalis).

Anniceris, Ἀννίκερις, cyrenaeïsch wijsgeer, ongeveer gelijktijdig met Epicūrus; hij trachtte de leer van Aristippus te veredelen en zocht het hoogste geluk in het genoegen, dat men vindt in vriendschap, gezellig verkeer, streven naar eer en dgl. Zijn aanhangers heetten Ἀννικέρειοι.

Annii, waartoe o.a. de. Aselli, de Belliēni, de Lusci, de Milōnes behoorden. 1) T. Annius Luscus, consul 153, als redenaar bekend. Hij trad in 133 heftig op tegen Ti. Gracchus.—2) T. Annius Luscus Rufus, consul 128.—3) T. Annius Milo Papiānus, zoon van C. Papius Celsus uit Lanuvium, doch door zijn grootvader van moederszijde tot zoon aangenomen. Hij was in 57 volkstribuun, en geraakte met P. Clodius (z. Claudii no. 17) in hevigen strijd, omdat hij diens vijandschap tegen Cicero niet deelde. Daar beiden zich met benden zwaardvechters omgaven, kwam het tot openbare gewelddadigheden. Intusschen begunstigde Milo Cicero’s terugroeping uit de ballingschap. In 52 ontmoette Milo, die op reis naar Lanuvium was, bij Bovillae aan de via Appia Clodius, die van zijn landgoed naar Rome terugkeerde. Tusschen beider gewapend gevolg ontspon zich een strijd, waarbij Clodius, die toesnelde, door een van Milo’s slaven gewond en vervolgens op last van Milo zelf gedood werd. Groote opgewondenheid te Rome en oproerige tooneelen volgden, waarbij zelfs de curia Hostilia afbrandde. Milo, de vi aangeklaagd, werd veroordeeld en ging in ballingschap naar Massilia. Cicero was door de buitengewone maatregelen van den consul Pompeius tot handhaving der orde zoo in verwarring gebracht, dat hij Milo slechts zwak verdedigde. De oratio pro Milone, welke wij bezitten, is niet die, welke in werkelijkheid door Cicero is uitgesproken.—4) A. Annius Gallus, veldheer van keizer Otho, streed in den slag bij Bedriācum tegen Vitellius. Later komt hij voor in den oorlog tegen Claudius Civīlis en de Batavieren.—5) P. Annius Florus, zie Florus.—6) L. Annius Verus, praetor in Hispania, werd door keizer Hadriānus tot zoon aangenomen en heette toen L. Aelius Verus, doch stierf nog vóór Hadrianus. Hij had twee zoons, die beiden door keizer Antonīnus Pius werden aangenomen, en dus tot de Aureliussen overgingen, z. Marcus Aurelius en Verus.

Annōna, de jaarlijksche opbrengst der akkers, als godin afgebeeld met den hoorn des overvloeds in de eene en korenaren in de andere hand. In het bizonder werd aldus het koren genoemd, dat de senaat in Sicilia en Africa op staatskosten liet opkoopen, om aan minvermogende burgers om niet of tegen lage prijzen uit te deelen. De cura annonae was aan de aedilen opgedragen; Caesar stelde zelfs eene nieuwe aediliteit in door twee aedīles Cereāles te doen benoemen, terwijl Augustus de administratie van aanvoer en uitdeeling van koren opdroeg aan een praefectus annonae. In den beginne verkochten de aedilen het koren slechts tot zulk een prijs, dat de graanhandelaars er door verhinderd werden woekerwinst te maken en dat in tijden van schaarschte hongersnood werd geweerd. Doch in 123 riep C. Sempronius Gracchus de eerste lex frumentaria in het leven, volgens welke een paterfamilias uit de korenmagazijnen van den staat eene bepaalde hoeveelheid koren per maand zou kunnen koopen tegen 6⅓ as den modius, ongeveer den halven marktprijs. Eene lex Appuleia van den volkstribuun L. Appuleius Saturnīnus verlaagde den prijs tot ⅚ as, doch werd weder opgeheven, daar de schatkist dit niet kon dragen. Eene lex Octavia van onbekenden datum bracht den prijs meer in overeenstemming met de marktwaarde. Sulla hief de korenuitdeelingen op, maar in 73 riep de lex Terentia et Cassia ze weder in het leven en stelde den prijs per modius opnieuw op 6⅓ as. De lex Clodia, 58, beval de uitdeelingen om niet. Wanneer men nagaat, dat het aantal bedeelden, hoewel door Pompeius beperkt, in den burgeroorlog tot minstens 300000 aangroeide, door Caesar tot 150000 werd teruggebracht en sedert op dit cijfer bleef, dan kan men begrijpen, hoe drukkend deze uitdeelingen voor de schatkist waren. De gerechtigden ontvingen eene tessera frumentaria, een abonnementsplankje. Zoodanige tessera was alleen te verkrijgen, wanneer men als burger in eene tribus was ingeschreven. Toen het volk alle staatkundige rechten had prijsgegeven en de kans om, zoo er eene plaats openviel, eene tessera te bekomen, het eenige voorrecht der tribus was, werden in den mond van het volk beide woorden van gelijke beteekenis en zeide men zoowel tribum emere als tesseram frumentariam emere.

Annulus, beter anulus, δακτύλιος, σφραγίς. Aan den ringvinger der linkerhand droeg de Romein een zegelring; senatoren, ridders en overheden droegen hem van goud. Onder de keizers werd met het ius anuli (aurei) zeer lichtvaardig omgesprongen, en werd het zelfs aan vrijgelatenen toegestaan, die hierdoor met vrijgeborenen werden gelijkgesteld. Ten laatste droeg elk fatsoenlijk man een of meer gouden ringen, dikwijls met kostbare edelgesteenten.—Ook voor huishoudelijke zaken had men allerlei ringen, evenals bij ons, b.v. gordijnringen, anuli velares, enz.

Annus, τὸ ἔτος. Het grieksche jaar was verdeeld in 12 maanmaanden, gerekend van de eene nieuwe maan tot de andere, en telde dus 354 dagen, terwijl de maanden afwisselend 29 en 30 telden. Die van 30 heetten μῆνες πλήρεις, de andere κοῖλοι. Om de 3 jaren schoof men eene schrikkelmaand in (μὴν ἐμβολιμαῖος); het schrikkeljaar heette daarom τριετηρίς. De namen der maanden en de indeeling van het jaar zijn in de meeste Grieksche staten verschillend. Het attische jaar telde de volgende 12 maanden: 1) Ἑκατομβαιών (van midden Juli–midden Aug.), genoemd naar het feest der hecatomben.—2) Μεταγειτνιών (Aug.–Sept.), de verhuismaand (waarin men van γείτονες, buren, verwisselde).—3) Βοηδρομιών (Sept.–Oct.), naar [56]het feest der Βοηδρόμια, ingesteld ter gedachtenis aan de overwinning van Theseus op de Amazonen.—4) Πυανεψιών (Oct.–Nov.), naar het feest der Πυανέψια, het boonenfeest, ter eere van Apollo, waarop men een gerecht van boonen of peulvruchten at.—5) Μαιμακτηριών (Nov.–Dec), naar het feest der Μαιμακτρήρια, ter eere van Ζεὺς Μαιμάκτης (= de razende, de god der stormen).—6) Ποσειδεών (Dec.–Jan.), naar Poseidon.—6*) In een schrikkeljaar werd een tweede Ποσειδεών ingeschoven.—7) Γαμηλιών (Jan.–Febr.), huwelijksmaand.—8) Ἀνθεστηριών (Febr.–Mrt.), naar de Ἀνθεστήρια, een driedaagsch bloemenfeest ter eere van Dionȳsus.—9) Ἐλαφηβολιών (Mrt.–Apr.), naar de Ἐλαφηβόλια, het hertenjachtfeest, ter eere van Artemis.—10) Μουνυχιών (Apr.–Mei), naar het feest der munychische Artemis.—11) Θαργηλιών (Mei–Juni), naar de Θαργήλια, een feest ter eere van Apollo en Artemis.—12) Σκιροφοριών (Juni–Juli), naar de Σκιροφόρια, een feest ter eere van Athēna Sciras (σκίρον is een witte parasol, dien de priesteressen van Athena bij dit feest droegen). De maand werd verdeeld in drie dekaden, waarvan de laatste naar omstandigheden 10 of 9 dagen telde. De eerste dekade heette μὴν ἱστάμενος of ἀρχόμενος, de tweede μὴν μεσών, de derde μὴν φθίνων, ἀπιών, λήγων of παυόμενος. De dagen der beide eerste dekaden werden van 1 tot 10 geteld, die der laatste echter omgekeerd. Hoe men dan bij maanden van 29 dagen deed, of dan de 21ste dag ἐνάτη of δεκάτη φθίνοντος heette, is niet zeker. In het laatste geval moest de δευτέρα φθίνοντος worden uitgelaten; want de laatste dag der maand heet altijd ἕνη καὶ νέα, als zijnde de dag, waarop oud en nieuw elkander raakten, omdat eigenlijk op het oogenblik, waarop de nieuwe maan inviel, ook de nieuwe maand begon. Ἕνη καὶ νέα is dus de dag, die voor een deel de laatste dag der maand is (de eerste van achteren af gerekend) en tevens voor een deel reeds tot de nieuwe maand behoort.—Het romeinsche jaar was evenzeer een maanjaar van 354 dagen. Het telde sedert Numa twaalf maanden, waarvan oorspronkelijk Maart de eerste was, later Januari. De namen zijn adiectiva. 1) mensis Ianuarius, naar den god Janus.—2) m. Februarius, van de februa of doodenoffers, waarmede oudtijds het jaar werd besloten.—3) m. Martius, aan Mars gewijd.—4) m. Aprīlis, van aperire, het openen der bloemknoppen.—5) m. Maius, naar Maia.—6) m. Iunius, aan Juno geheiligd.—7) m. Quinctīlis, oorspronkelijk de vijfde maand, later ter eere van Caesar verdoopt tot m. Iulius.—8) m. Sextīlis, ter eere van Augustus tot m. Augustus verdoopt.—9–12) m. September, October, November, December. Om de twee jaar schoof men een schrikkelmaand in, mensis mercedonius of intercalarius, die echter niet in het midden van het jaar, maar midden in de tweede helft van Februari werd ingevoegd. Door onachtzaamheid van de pontifices, die voor de tijdrekening moesten zorgen, en ook wel doordat men om politieke bijoogmerken het invoegen van een schrikkelmaand achterwege liet, waren ten tijde van Caesar de maanden niet minder dan 80 dagen verschoven, weshalve hij als pontifex maximus het jaar 46 op 445 dagen stelde en verder het jaar op 365 dagen met één schrikkeldag om de vier jaren. Eene groote verwarring in de rom. chronologie is ook hierdoor ontstaan, dat eerst sedert 153 het burgerlijk jaar op 1 Jan. begint. Vóór dien tijd begon het met de ambtsaanvaarding der consuls, en wanneer nu door eene of andere stoornis deze aanvaarding werd vertraagd of ook wel door omstandigheden vervroegd, dan versprong het begin van het burgerlijk jaar, totdat eene nieuwe storing het weder op een anderen datum bracht.

In elke maand had men drie dagen, die een bijzonderen naam droegen: Kalendae, Idus, Nonae. De Kalendae waren de eerste dag, aldus geheeten, omdat op dien dag een der pontifices van de curia Calabra de nieuwe maand afkondigde, die oorspronkelijk met de nieuwe maan samenviel. De Idus (van iduare = dividere) vielen in Maart, Mei, Juli en October op den 15den, anders op den 13den der maand en deelden dus de maand in tweeën. De Nonae vielen negen (volgens onze telling acht) dagen vóór de Idus, dus op den 5den of 7den. Men telde nu bij de vermelding van een datum terug van de eerstvolgende Kalendae, Nonae, Idus. Zoo was b.v. 24 Febr. volgens rom. telling de zesde dag vóór 1 Maart, en dus ante diem sextum Kalendas Martias. Deze zesde dag werd in een schrikkeljaar verdubbeld en telde dan 2 maal 24 uren, die onderscheiden werden in bissextilis prior en posterior. De laatste was dus de schrikkeldag.

Anquisitio, de aanklacht met opgaaf der geëischte straf, wanneer een der overheden een beschuldigde voor de comitiën daagde.

Anser, romeinsch dichter ten tijde van Augustus, die bij Antonius in gunst stond en van hem een landgoed ten geschenke kreeg. Hij was een bediller van Vergilius en wordt door Ovidius procax genoemd.

Antae.

Antae, παραστάδες, vierkante pilasters, waarin de zijmuren van een gebouw uitloopen, wanneer deze met het dak vooruitspringen, zoodat zij vóór den ingang een open voorportaal vormen. Een tempel met zulke antae werd een templum in antis (ἐν παραστάσι) genoemd.

Antaeus, Ἀνταῖος, zoon van Poseidon en Gaea, een geweldige reus, die over Libye regeerde en alle vreemdelingen dwong met hem te worstelen. Daar hij bij iedere aanraking met zijne moeder (de aarde) nieuwe kracht kreeg, was hij onoverwinnelijk en versloeg hij zooveel tegenstanders, dat hij van hun schedels een tempel voor Poseidon konde bouwen. Ook Heracles weerstond hij lang, maar toen deze zijn geheim ontdekte, hief hij hem van den grond op en worgde hem zoo. [57]Als men aarde van zijn graf, dat bij Tingis was, afnam, begon het terstond te regenen.

Antalcidas, Ἀνταλκίδας, een Spartaan, die in 393 naar den perzischen generaal Tiribazus gezonden werd, om te trachten door zijn tusschenkomst den perzischen koning te bewegen zijne hulp aan de Atheners te onttrekken. Dit gelukte echter eerst toen de Atheners den koning vertoornden door Euagoras van Cyprus te ondersteunen; toen bewerkte Ant. dat Artaxerxes den Spartanen hulp beloofde, indien de Atheners en hunne bondgenooten hunne vredesvoorstellen niet aannamen. Zoo werd in 387/386 de Koningsvrede of vrede van Antalcidas aan de oorlogvoerende staten voorgeschreven, waarbij bepaald werd, dat iedere staat in Griekenland autonoom zoude zijn, de grieksche steden in Azië aan de Perzen overgelaten werden, en ieder die zich niet aan deze voorwaarden onderwierp, voor algemeen vijand verklaard werd. Ant. zou later, geërgerd door de smadelijke bejegening hem door Artaxerxes aangedaan, vrijwillig den hongerdood gestorven zijn.

Antandrus, Ἂντανδρος, stad in Troas of in Mysia, aan de golf van Adramyttium. Aenēas zou hier scheep zijn gegaan. Hier werd na den slag bij Cyzicus (410) met perzisch geld een nieuwe vloot voor Sparta gebouwd.

Antaradus, Ἀντάραδος, havenstad van Aradus, in het Noorden van Phoenicië. Aradus zelf lag op een eilandje in zee, Antaradus er tegenover op de kust.

Anteambulōnes, cliënten (in de latere beteekenis van het woord), die voor aanzienlijke personen uitgingen, om in het straatgewoel ruim baan voor hen te maken.

Antēa, Ἄντεια, dochter van Iobates, z. Bellerophon. Na het vertrek van Bellerophon bracht zij zichzelve van verdriet om het leven. V.a. komt Bellerophon later weder bij haar, beweegt haar met hem te vluchten, en werpt haar bij het eiland Melos in zee.

Antecessōres of antecursōres, lichte troepen, vooral ruiterij, die de spits van het leger op marsch uitmaakten en op verkenning vooruitgingen.—Ook overdrachtelijk: baanbrekers, wegwijzers in eenig vak van wetenschap, vooral in de rechtsgeleerdheid, ἐξηγηταί.

Antēius (P), gunsteling van Agrippīna, doch om deze reden door Nero gehaat. Beschuldigd zijnde, dat hij de sterren had geraadpleegd aangaande Nero’s dood, en eene veroordeeling voorziende, nam hij eerst vergif in; toen dit echter te langzaam werkte, opende hij zich de aderen (66 n. C.).

Antemnae, oude latijnsche stad, dáár gelegen, waar de Anio zich in den Tiber stort. De stad is reeds spoedig bij Rome ingelijfd.

Antēnor, Ἀντήνωρ, zoon van Aesyētes en Cleomestra, zwager van Priamus, die gedurende den trojaanschen oorlog altijd op inwilliging van de billijke eischen der Grieken aandrong. Daarom werd later verhaald, dat hij de stad aan de Grieken verraden zou hebben en daarvoor zijn leven en zijne bezittingen bij de plundering gespaard zouden zijn. Over zijne verdere lotgevallen vindt men verschillende berichten. Hij zou de helft van Priamus’ bezittingen gekregen en op den Ida een nieuw rijk gesticht hebben, of met Menelāus scheep gegaan en te Cyrēne gebleven zijn, waar de Antenoriden als halfgoden vereerd werden, of met de Heneti, een paphlagonisch volk, naar Thracië en vervolgens naar Italië gegaan zijn en daar de stad Patavium gesticht hebben.

Antepilāni. Voordat door Marius de verdeeling van het legioen in tien cohorten werd ingevoerd, vormde het drie slagliniën, zóó, dat in de eerste de hastati, in de tweede de principes, in de derde de triarii of pilani stonden. Hierom werden de beide eerste liniën ook antepilani genoemd. Zie voor het geheel onder Acies.

Anteros, Ἀντέρως, de god der wederliefde, broeder van Eros. Daar Eros niet groeien wilde, gaf Aphrodīte hem op raad van Themis dezen broeder tot speelmakker, en nu werd Eros krachtig en gezond; miste hij hem echter, dan was hij weder treurig als vroeger. Ant. treedt ook op als wrekend god, die het versmaden van liefde straft.

Antesignāni, 1) = antepilani, omdat de standaard van het legioen, de adelaar, bij de triariërs was.—2) In Caesars tijd was antesignani de naam eener vaste keurbende bij ieder legioen, zonder bagage en dus altijd slagvaardig.

Antestatio. Wanneer een Romein zijne tegenpartij op straat ontmoette en hem uitnoodigde naar den praetor te gaan (in ius venire, in ius ambulare), en de tegenpartij dan onwillig was, dan kon de eischer hem met geweld voor den praetor brengen, mits hij den betoonden onwil door de verklaring van een getuige kon staven. Daarom nam men den een of anderen voorbijganger tot getuige, met de vraag: licetne antestari? Stemde de gevraagde toe, dan raakte de vrager even diens oorlel (auricula) aan, omdat men dáár den zetel van het geheugen zocht.

Anthēdon, Ἀνθηδών, stad aan de noordkust van Boeotia. De bewoners leefden vooral van vischvangst en purperschelpvisscherij. Anthedon, de vader van den onder de zeegoden opgenomen Glaucus, zou hier geleefd hebben.

Anthēle, Ἀνθήλη, plaatsje aan den ingang der Thermopylae, met een tempel van Demēter, waar de vergaderingen der Amphictyonen werden gehouden.

Anthemus, ἡ Ἀνθεμοῦς, stad op Chalcidice, door Philippus van Macedonië aan de Olynthiërs afgestaan.

Anthemusia, Ἀνθεμουσία, stad en landschap in het mesopotamische gewest Osroēne, ten Z.W. van Edessa.

Anthēne, Ἀνθήνη, vlek in Thyreātis of Cynuria.

Anthesteria, Ἀνθεστήρια, een van de groote feesten ter eere van Dionȳsus, te Athene den 11–13 Anthesterion (Februari-Maart) gevierd. Den eersten dag (Πιθοιγία, opening [58]der vaten) vierde men het aftappen van den jongen wijn; op den tweeden dag, het kannenfeest (Χόες), werd een openbare maaltijd gehouden, waarbij men om het hardst van den nieuwen wijn dronk; wie het eerst zijn kan geledigd had, kreeg een prijs. Dit was de voornaamste dag van het feest, waarop zelfs jonge kinderen zich met bloemen bekransten, en waarop de vrouw van den archon basileus onder geheime plechtigheden en offers in het Lenaeum aan den god uitgehuwd werd. De derde dag heette Χύτροι, pottenfeest, omdat men dan potten met peulvruchten als offer voor den chthonischen Hermes en de zielen der afgestorvenen gereed zette.

Anthesterion, Ἀνθεστηριών, 8ste maand van het Attische jaar (Febr.–Maart), z. Annus.

Anthylla, Ἄνθυλλα, stad in de Nijldelta tusschen Canōpus en Naucratis.

Antias, zie Valerii no. 36.

Anticlēa, Ἀντίκλεια, dochter van Autolycus, gemalin van Laërtes, moeder van Odysseus; zij stierf van smart over de lange afwezigheid van haar zoon, die, volgens een later verhaal, niet Laërtes, maar Sisyphus tot vader had.

Anticirrha of -cyra, Ἀντίκιρρα, -κυρα, naam van twee steden, de eene in Phocis, de andere in het landschap Malis, aan den Sperchēus. Beide steden, doch vooral die in Phocis, waren in de oudheid bekend om de teelt van nieskruid, dat als geneesmiddel tegen zwaarmoedigheid en krankzinnigheid werd aangewend.

Ἀντίδοσις, ruiling. Te Athene kon iemand, wien naar zijne meening ten onrechte een kostbare liturgie opgedragen was, eischen dat een ander, die eerder daarvoor in aanmerking moest komen, de liturgie van hem overnam, of dat hij anders zijn geheel vermogen met hem zou ruilen. Wanneer deze eisch gedaan was, werden terstond de bezittingen van beide partijen verzegeld, en binnen drie dagen werd een beëedigde inventaris (ἀπόφασις) overgelegd, waarnaar de rechters te beslissen hadden, ofschoon niet uitsluitend het verschil in vermogen in aanmerking kwam, maar ook o.a. de vraag wie van beide partijen reeds vroeger liturgieën bekostigd had, hoeveel geld daaraan besteed was, enz. Indien de eisch werd toegewezen, nam de verliezende partij de liturgie op zich; voor zoover ons bekend is, heeft eene werkelijke ruiling nooit plaats gehad.

Antigone, Ἀντιγόνη, 1) dochter van Oedipus en Iocaste of Euryganēa. Toen haar blinde vader in ballingschap ging, vergezelde zij hem bij al zijne omzwervingen en deelde geduldig zijn ongelukkig lot, totdat hij in Attica stierf. Naar Thebe teruggekeerd gedurende de twisten tusschen hare broeders Eteocles en Polynīces, waagde zij het, in weerwil van Creon’s verbod, den gesneuvelden Polynīces te begraven. In het grafgewelf der Labdaciden, waar zij wegens die daad werd opgesloten, hing Ant. zich op, waarna haar bruidegom Haemon, Creon’s zoon, zich aan haar zijde van het leven beroofde.—V. a. ontkwam zij door de hulp van Haemon en leefde zij nog jaren lang op het land in geheimen echt met hem, totdat Creon haar ontdekte en Haemon haar en zichzelf doodde. Haar edel gedrag tegenover vader en broeder wordt dikwijls door attische treurspeldichters vermeld.—2) dochter van Eurytion, gemalin van Peleus. Toen Peleus de liefde van Astydamēa onbeantwoord liet, zond deze aan Ant. het onware bericht, dat hij op het punt was met Sterope in het huwelijk te treden. Hierdoor misleid, hing Ant. zich op.—3) dochter van Laomedon. Zij was zoo trotsch op haar schoone lokken, dat Hera haar strafte door ze in slangen te veranderen, waarop de goden medelijden met haar kregen en haar in een ooievaar veranderden.

Antigonēa, -nia, Ἀντιγόνεια, -νια, naam van onderscheidene steden, als: 1) in Syria aan den Orontes, residentie van Antigonus, den gewezen veldheer van Alexander den Grooten. Later bracht Seleucus Nicātor het grootste gedeelte der inwoners naar het door hem in de nabijheid gestichte Antiochīa over.—2) in Macedonia aan den Axius.—3) in Chalcidice.—4) in Epīrus aan den Aōus. Ook Alexandrīa Troas en Nicaea in Bithynia hebben een tijd lang dezen naam gedragen.

Antigonus, Ἀντίγονος, 1) Κύκλωψ of Μονόφθαλμος, afstammend van de vorsten van Elymiōtis, een man van een heerschzuchtig, maar vast karakter, een van de voortreffelijkste veldheeren van Alex. d. G., die hem in 333 tot satraap van Phrygië aanstelde. Bij de verdeeling van het rijk na den dood van Alex. (323), kreeg Ant. Groot-Phrygië, Lycië en Pamphylië, maar daar hij zich tegen de bevelen van Perdiccas verzette, was hij genoodzaakt naar Antipater te vluchten. Toen deze na den dood van Perdiccas rijksbestuurder werd, kreeg Ant. zijne landen terug (321) en werd hem tevens het opperbevel opgedragen tegen Eumenes, den standvastigen verdediger der rechten van het huis van Alex. Na den dood van Antipater (319) vereenigde Ant. zich met Cassander, Ptolemaeus en Seleucus tegen Polyperchon, en toen Eumenes door verraad in de handen van zijn vijand gevallen was, was Ant. heer over geheel Voor-Azië en Syrië (316). Maar deze groote macht wekte bij zijne bondgenooten wantrouwen op, en toen Ant. nu ook Seleucus van het stadhouderschap over Babylonië beroofde, vereenigden zij zich met Lysimachus tegen hem (315). Nu ontstond een lange oorlog, die in Azië, Griekenland en Aegypte met afwisselend geluk gevoerd werd, en waarin Ant. door zijn dapperen zoon Demetrius Poliorcētes bijgestaan werd. De nederlaag door dezen in 312 bij Gaza geleden, dwong Ant. wel vrede te sluiten, doch spoedig werd de oorlog hervat, en in 306 behaalde Demetrius in den zeeslag bij Salamis op Cyprus eene groote overwinning op Ptolemaeus, waarna Ant. den titel van koning aannam, welk voorbeeld weldra door zijn tegenstanders gevolgd werd. Eindelijk werd in den grooten slag bij Ipsus (301), waarin Ant. sneuvelde [59]en Demetrius op de vlucht gejaagd werd, het lot van Azië ten gunste der verbondenen beslist.—2) Γονατᾶς (zoo genoemd naar zijn geboorteplaats Goni of Gonnus of naar een ijzeren band, dien hij om de knie droeg), zoon van Demetrius Poliorcētes, wist zich in de Peloponnēsus te handhaven, toen zijn vader uit Macedonië verdreven werd (287). Na diens dood (283) werd hij koning van Macedonië, ofschoon hij tot 276 eerst door Seleucus, later door Ptolemaeus Ceraunus verhinderd werd de regeering te aanvaarden. Later werd hij nog tweemaal uit zijn rijk verjaagd, eerst door Pyrrhus, vervolgens door Alexander van Epīrus, maar telkens keerde hij terug en eindelijk onderwierp hij zich ook Epīrus. In 277 overwon hij de Galliërs in een grooten slag bij Lysimachia, later bestreed hij het achaeïsch verbond, maar zonder gevolg. Hij stierf in 240.—3) Δώσων (die altijd geven zal, maar nooit geeft) of Ἐπίτροπος, kleinzoon van Demetrius Poliorcētes, bestuurde Macedonië na den dood van Demetrius II (229), met wiens weduwe hij later trouwde, als voogd van Philippus III en later als koning. In het begin van zijn regeering was hij genoodzaakt een oorlog tegen verschillende grieksche staten te beëindigen door een vrede, waarbij de onafhankelijkheid van bijna geheel Griekenland erkend werd. In 224 werd zijn hulp ingeroepen door Arātus, die het achaeïsch verbond onder macedonische bescherming stelde. Ant. trok naar de Peloponnēsus, overwon Cleomenes (z. a. no. 4) in den slag bij Sellasia (221), dwong Sparta tot het achaeïsch verbond toe te treden en vestigde door zijne overwinningen opnieuw den macedonischen invloed in Griekenland. Spoedig na zijn terugkomst in Macedonië overleed hij.—4) van Carystus, leefde aan het hof van Attalus I en was schrijver van een aantal werken over geschiedenis, biografie, kunst, enz. Bewaard gebleven is een verzameling van merkwaardigheden op natuurhistorisch gebied.

Ἀντιγραφεύς, controleur over het geldelijk beheer van den raad (ἀντ. τῆς βουλῆς) of van den schatmeester (ἀντ. τῆς διοικήσεως), in beide gevallen door het volk verkozen.

Ἀντιγραφή, verweerschrift, eigenlijk antwoord op eene γραφή; de ἀντιγραφή bevatte echter niet altijd eene verdediging tegen de aanklacht, maar konde ook de bevoegdheid van rechtbank of aanklager betwisten, enz. Aanklacht en verweerschrift worden soms te zamen ἀντιγραφαί genoemd.

Antilibanus, Ἀντιλίβανος, bergketen ten Oosten van en evenwijdig met den Libanon of Libanus.

Antilochus, Ἀντίλοχος, zoon van Nestor en Eurydice of Anaxibia, een van de dapperste helden voor Troje, en na Patroclus de dierbaarste vriend van Achilles. Hij werd door Memnon verslagen, terwijl hij zijn vader uit een groot gevaar redde, daarom wordt hij Φιλοπάτωρ genoemd. Zijn asch werd bij die van Achilles en Patroclus bijgezet.

Antimachus, Ἀντίμαχος, 1) atheensch volksredenaar, tijdgenoot van Aristophanes.—2) dichter en grammaticus uit Colophon, omstreeks 400, door Plato hoog geschat. Zijne voornaamste werken waren een epos Θηβαΐς, waarin hij de thebaansche oorlogen, en een elegisch gedicht Αύδη, waarin hij eene reeks heldengeschiedenissen behandelde. De Alexandrijnen noemden hem den grootsten epischen dichter na Homērus.

Antinoöpolis, Ἀντινόου πόλις, prachtige stad aan den Nijl, in het Zuiden van Midden-Aegyptus, door keizer Hadriānus gesticht ter gedachtenis aan zijn lieveling Antinoüs, die hier verdronk.

Antinoüs, Ἀντίνοος, 1) zoon van Eupīthes, de overmoedigste en onbeschaamdste onder Penelope’s vrijers, ook de eerste, die door Odysseus’ pijlen werd getroffen.—2) een beeldschoon jongeling, de lieveling van keizer Hadriānus, dien hij op diens reizen vergezelde. Hij verdronk in den Nijl. De keizer stichtte op de plaats van het ongeluk de stad Antinoöpolis, liet te Mantinēa voor hem een tempel bouwen en hem nog andere eer bewijzen. Hij werd door tal van stand- en borstbeelden vereeuwigd; ook een sterrenbeeld werd naar hem genoemd.

Antiochīa, -ēa, Ἀντιόχεια, naam van een aantal steden. 1) Ant. Epidaphnes (ἡ ἐπὶ Δάφνης), aldus naar een naburig laurierbosch genoemd, de prachtige hoofdstad van het syrische rijk, omstreeks 300 door Seleucus Nicātor gesticht en naar zijn vader Antiochus genoemd. Door zijne opvolgers nog verfraaid en uitgebreid, bestond het ten laatste uit vier afzonderlijk ommuurde steden. Prachtige zuilengangen, ter lengte van een uur gaans, doorsneden de stad in rechte lijn. Handel en wetenschappen bloeiden er. De stad lag aan den Orontes. Hier kwam voor het eerst de naam van Christenen in gebruik, later werd het de zetel van een patriarch. In 260 na C. werd A. door den nieuw-perzischen koning Sapōres I gedeeltelijk verwoest, en in 538 door Chosroës. Keizer Justiniānus liet het op kleiner schaal herbouwen en zóó komt het nog voor in de geschiedenis der kruistochten.—2) Ant. ad Maeandrum, in Caria, met eene beroemde brug over de rivier, door Antiochus I Soter (281–261) gesticht.—3) Ant. ad Pisidas, in Phrygia nabij de pisidische grens, later Caesarēa (z. a. no. 7).—4) Ant. Margiāna, thans Merw, in Margiāne.—Ook andere steden, zooals Adana aan den Sarus, in Cilicia, Nisibis in Mesopotamia, Edessa, hebben tijdelijk den naam Antiochia gedragen.

Antiochis, Ἀντιοχίς, een van de 10 phylae, waarin de bevolking van Attica door Clisthenes verdeeld werd. De meeste van de demen, die er toe behoorden, lagen in het oosten van Attica.

Antiochus, Ἀντίοχος, 1) veldheer van Philippus van Macedonië, vader van Seleucus Nicātor.—2) Ant. I, Σωτήρ bijgenaamd na eene overwinning op de Galliërs behaald, zoon en opvolger van Seleucus Nicātor, geb. 324, regeerde van 281–261, maar voor dien tijd was hij reeds sedert 293 mederegent zijns [60]vaders geweest, en had toen het oostelijk gedeelte van het groote Seleucidenrijk bestuurd. Verliefd op zijne stiefmoeder Stratonīce en die liefde voor hopeloos houdende, werd hij ernstig ziek, maar toen zijn vader de oorzaak zijner ziekte vernomen had, stemde hij in het huwelijk met Stratonice toe (293). Gedurende zijne regeering had hij dikwijls met de Galliërs te kampen, die hij meermalen overwon, maar eindelijk sneuvelde hij in een slag tegen hen bij Ephesus, 261. Ook tegen Eumenes I van Pergamus voerde hij oorlog, maar zonder gevolg.—3) Ant. II, na de verdrijving van den milesischen tyran Timarchus Θεός bijgenaamd, zoon en opvolger van Ant. I. Een ongelukkige oorlog, dien hij tegen Aegypte voerde, eindigde daarmede, dat hij zijne gemalin Laodice verstiet, Berenīce, de dochter van Ptolemaeus Philadelphus, tot vrouw nam (250), en beloofde dat, wanneer uit dit huwelijk een zoon geboren werd, deze hem zou opvolgen. Toen echter na den dood van Ptolemaeus Laodice teruggeroepen werd, vergiftigde zij hem, Berenīce en hun kind (246). Onder zijn regeering begonnen één voor één de oostelijke provinciën van het Seleucidenrijk af te vallen en maakten zich onafhankelijk. Zie Arsaces.—4) Ant. Ἱέραξ, jongere zoon van Ant. II, betwistte zijn broeder Seleucus II de regeering; na verscheidene nederlagen moest hij vluchten en werd hij na vele omzwervingen door roovers gedood (227).—5) Ant. III de Groote, geb. 242, zoon van Seleucus II Callinīcus, kwam, na de korte regeering van zijn broeder Seleucus III Ceraunus, in 223 aan de regeering (223–187). In 219 begon hij een oorlog tegen Ptolemaeus Philopator, die hem Phoenicië en Coele-Syrië ontnomen had, maar opstanden van verschillende stadhouders in het Oosten, die gedeeltelijk door Ptolemaeus ondersteund werden, beletten hem den oorlog met kracht te voeren. Eerst in 217 had hij alle binnenlandsche vijanden overwonnen en konde hij zich weder tegen Aegypte wenden, hij verloor echter den slag bij Raphia en werd genoodzaakt vrede te sluiten. In 209 ondernam hij een oorlog tegen de Parthen en Bactriërs, dien hij met geluk voerde, ofschoon hij hen niet konde onderwerpen; sedert dien oorlog werd hij “de Groote” bijgenaamd. Na den dood van Ptolemaeus IV Philopator (z. Ptolemaeus no. 8) (205), die door een zoon van nog geen 5 jaar opgevolgd werd, meende Ant. dat de kans schoon was om zijn verloren gebied te hernemen, en verbonden met Philippus III van Macedonië slaagde hij inderdaad hierin door de overwinning bij Panīon aan den Jordaan (200). waarop een vrede volgde, die later door het huwelijk van zijne dochter Cleopatra met Ptolemaeus Epiphanes bevestigd werd. Door de Romeinen misleid, die hem van een krijgstocht tegen Eumenes van Pergamus hadden teruggehouden, besloot hij Philippus in den oorlog tegen hen te ondersteunen; hij stak naar Europa over (196), maar vond den oorlog reeds ten gunste der Romeinen beslist, die nu van hem eischten, dat hij de reeds bezette steden aan den Hellespont en in de Chersonēsus zoude ontruimen en aan Ptolemaeus het veroverde land zoude teruggeven. Door deze eischen verbitterd en door Hannibal, die uit Carthago tot hem gevlucht was, tegen de Romeinen opgezet, bereidde hij zich tot den oorlog voor, en toen eindelijk zijne hulp door de Aetoliërs ingeroepen werd, trok hij met een groot leger naar Griekenland (192); hier vond hij echter weinig steun, terwijl hij de raadgevingen van Hannibal niet opvolgde, Philippus door zijn overmoedig gedrag beleedigde en geruimen tijd werkeloos op Euboea bleef. In 191 werd hij door M’. Acilius Glabrio bij de Thermopylae verslagen en zag hij zich genoodzaakt naar Azië terug te keeren. Met zijn vloot was hij niet gelukkiger, zoodat L. Cornelius Scipio, na een groote overwinning ter zee bij Myonnēsus, in Azië kon landen en Ant. in den slag bij Magnesia aan den Sipylus zulk een nederlaag toebracht, dat hij om vrede moest vragen (190); deze werd hem gegeven, maar ten koste van al het land aan deze zijde van den Taurus, al zijne oorlogsschepen en olifanten en eene oorlogsbelasting van 15000 talenten. Toen Ant. nu in zijne geldverlegenheid een inval in het land der Elymaeërs deed en daar een tempel van Zeus plunderde, werd hij door het volk gedood (187).—6) Ant. IV Ἐπιφανής (spottend noemden velen hem ἐπιμανής, zoon van Ant. III, volgde in 175 zijn broeder Seleucus Philopator op, nadat hij 14 jaar te Rome als gijzelaar had doorgebracht. Ook hij begon spoedig een oorlog tegen Aegypte, en bemachtigde ook weder Phoenicië, Palaestina en Coele Syrië; ook in Aegypte zelf, waar twee broeders elkander de regeering betwistten (z. Ptolemaeus no. 10), drong hij door, eerst om een van hen te helpen, en toen zij zich later verzoend hadden, als vijand van beiden. Reeds was hij met zijn leger Alexandrië genaderd, toen de rom. gezant C. Popillius Laenas hem het bevel van den senaat kwam brengen den oorlog te staken en Aegypte te verlaten, aan welk bevel Ant., verschrikt door het ruwe optreden van den gezant, (z. Popilii no. 3) gehoorzaamde (168). Den Joden trachtte hij tevergeefs den griekschen godsdienst op te dringen, zijne wreede vervolgingen dreven hen integendeel tot openlijken opstand, en aangevoerd door de heldhaftige Maccabaeërs, wisten zij zich zelfs tegen het leger van Ant. staande te houden. In 165 stierf Ant. te. Tabae in Perzië.—7) Ant. V Εὐπάτωρ, zoon van den vorigen, was bij den dood van zijn vader nog zeer jong. De veldheer Lysias en de gunsteling van Ant. IV, Philippus, betwistten elkander met de wapenen de voogdij over den knaap, maar nauwelijks had Lysias zijn tegenstander overwonnen, toen Demetrius, zoon van Seleucus Philopator, die tot nu toe als gijzelaar te Rome geweest was, de regeering kwam opeischen, Ant. en Lysias gevangen nam en hen ter dood liet brengen (162).—8) Ant. VI Θεός, zoon van [61]Alexander Balas, wierp zich in 144 tegen Demetrius Nicātor als koning op en maakte zich bijna van het geheele rijk meester; hij werd echter in 142 vermoord door Tryphon, die toen zelf den troon besteeg.—9) Ant. VII Σιδήτης (te Side opgevoed) verdreef Tryphon (137), dwong den joodschen vorst Johannes Hyrcānus tot onderwerping (132) en sneuvelde in een slag tegen de Parthen (129).—10) Ant. VIII Φιλομήτωρ of Γρυπός (haviksneus) moest na den dood van zijn vader, Demetrius Nicātor, eenige jaren met diens tegenstander, Alexander Zabina (z. Alexander no. 12), om de regeering strijd voeren; eindelijk verjoeg hij hem door de hulp van Aegypte. Later (sinds 117) betwistte zijn halfbroeder, Ant. Cyzicēnus, hem de regeering; eer deze langdurige twist beslecht was, werd Ant. vermoord (97). Deze broedertwisten en die der volgende vorsten zijn grootendeels de oorzaak van het verval en den ondergang van het rijk der Seleuciden geworden.—11) Ant. IX Κυζικηνός (hij had te Cyzicus gewoond) moest na den dood van Ant. VIII den oorlog tegen diens zoon, Seleucus Epiphanes voortzetten en sneuvelde reeds in 95.—12) Ant. X Εὑσεβής, zoon van Ant. IX, overwon Seleucus Epiphanes, versloeg bij den Orontes (94) Antiochus Philadelphus en Philippus, twee andere zonen van Ant. Grypus, die een opstand tegen hem verwekt hadden, en sneuvelde in een slag tegen de Parthen (na 83).—13) Ant. XI Φιλάδελφος, z. no. 12. Na den ongelukkigen slag aan den Orontes verdronk hij op de vlucht in die rivier (94).—14) Ant. XII Λιόνυσος vatte de wapenen op tegen zijn broeder Philippus (86), maar sneuvelde spoedig in den strijd tegen een arabischen volksstam.—15) Ant. XIII Asiaticus, zoon van Ant. X, de laatste der Seleuciden. Nadat het syrische rijk sedert den dood van Ant. XII bij Armenië ingelijfd was geweest, werd het door Lucullus hersteld en Ant. XIII op den troon geplaatst (68). Pompeius ontnam hem echter weldra de regeering weder en maakte Syrië tot een rom. provincie (64). Deze Antiochus is het, die als prins op zijn reis van Rome naar Antiochia door Verres te Syracuse beroofd werd.—15a) Antiochus I, koning van Commagēne, zoon van Mithradates I van Commagēne, regeerde 69–34. Hij hielp Pompeius met troepen tegen Caesar; hij stierf kort voor 31.—16) Ant. II, koning van Commagēne, die wegens een moord door Augustus met den dood gestraft werd (29).—17) Ant. III, koning van Commagēne, die in 17 na C. stierf, waarop zijn rijk tot 38 een rom. provincie werd.—18) Ant. IV Ἐπιφανής, kreeg in 38 n. C. van Caligula weder de regeering over Commagēne; hij hielp Nero tegen de Parthen en Vespasiānus tegen de Joden, in 72 rezen er echter vermoedens tegen hem en werd hem de regeering ontnomen. Commagēne werd weder ingelijfd en met Syria vereenigd.—19) stuurman onder Alcibiades, die hem tijdelijk het bevel over de vloot opdroeg. In strijd met zijne bevelen, gaf Ant. door zijne roekeloosheid aanleiding tot het ongelukkige zeegevecht bij Notium, waarin Lysander de atheensche vloot op de vlucht joeg en 15 schepen buit maakte (407).—20) Ant. van Syracuse, ouder tijdgenoot van Thucydides, schreef eene geschiedenis van Italië en Sicilië, die met lof genoemd wordt.—21) Ant. van Ascalon, leerling van Philo no. 6, stichter der zoogen. vijfde academie, die de leer der academie met die der stoa tracht in overeenstemming te brengen. Hij erkent, dat de deugd voldoende is voor een gelukkig leven, maar beweert dat voor eene vita beatissima nog andere dingen noodig zijn. Cicero en Varro behoorden tot zijne leerlingen.

Antiope, Ἀντιόπη, 1) dochter van Asōpus of van Nycteus, om hare schoonheid door Zeus bemind, wien zij Amphīon en Zethus baarde. Toen zij gevoelde dat zij moeder worden zoude, vluchtte zij uit vrees voor den toorn van haar vader naar Sicyon. Nycteus doodde zich uit verdriet hierover, en droeg aan zijn broeder Lycus op hem te wreken. Deze haalde Ant. terug, die intusschen met Epōpeus, koning van Sicyon, gehuwd was, en gaf haar als slavin aan zijne gemalin Dirce, die haar twintig jaren lang de wreedste behandeling liet ondergaan. Eindelijk vluchtte zij naar hare zonen, die op Dirce wraak namen (z. Amphion), maar daardoor het misnoegen van Dionȳsus opwekten; deze liet Ant. in waanzin rondzwerven, totdat Phocus, een kleinzoon van Sisyphus, haar genas en tot vrouw nam.—2) z. Amazones. Zij werd bij Theseus moeder van Hippolytus. In den strijd dien de Amazonen tegen Athene voerden, werd Ant. gedood, of v. a. wist zij een vrede te bewerken.

Antipater, Ἀντίπατρος, 1) een van de veldheeren van Philippus van Macedonië. In die hoedanigheid had hij zooveel bewijzen van bekwaamheid en trouw gegeven, dat Alexander hem gedurende zijne buitenlandsche veldtochten als stadhouder van Macedonië en Griekenland achterliet. Ook deze betrekking bekleedde hij met roem, hij dempte een opstand der Thraciërs en versloeg de Lacedaemoniërs, die onder Agis II Griekenland van de macedonische heerschappij trachtten te bevrijden, in den slag bij Megalopolis (330). In 324 riep Alexander, ongeduldig geworden door de herhaalde klachten van zijne moeder, die steeds met Ant. in onmin was, hem naar Azië, maar door zijn spoedig daarop gevolgden dood bleef dit bevel onuitgevoerd, vandaar het verhaal dat Ant. Alex. door vergif zou hebben laten dooden. Terstond na den dood van Alexander vereenigden de Grieken zich weder om zich van Macedonië los te maken; Ant. werd in Lamia ingesloten (323), maar de komst van Leonnātus noodzaakte de belegeraars hem uit de stad te laten trekken, en door Craterus geholpen, versloeg hij het grieksche leger bij Crannon en maakte daarmede aan den oorlog een einde (322). Tegen het streven van Perdiccas om zich van de regeering over het geheele rijk meester te maken, vereenigde zich Ant. [62]met Antigonus, Craterus en Ptolemaeus, en toen Perdiccas vermoord was, werd hij tot rijksbestuurder benoemd (320). In het volgende jaar stierf hij, nadat hij Polyperchon als zijn opvolger had aangewezen.—2) kleinzoon van den vorigen, zoon van Cassander, werd in 296 koning van Macedonië. Hij doodde zijne moeder Thessalonīca, omdat hij meende dat zij zijn broeder Alexander begunstigde; deze verjoeg hem daarop met de hulp van Demetrius Poliorcētes; hij vluchtte naar zijn schoonvader Lysimachus, die hem in 287 liet ter dood brengen.—3) Ant. van Tarsus, opvolger van Diogenes den Babyloniër als hoofd der stoicijnsche school. Hij leefde in het midden van de 2de eeuw. Hij was de leermeester van Panaetius.—4) Ant. van Tyrus, hoofd der stoicijnsche school, leermeester en vriend van den jongen Cato, stierf te Athene omstreeks 45.—5) Caelius Ant. z. Caelii no. 1.

Antiphanes, Ἀντιφάνης, geb. op Rhodus, een geestig en bekwaam attisch blijspeldichter, wien 260 stukken worden toegeschreven. Zijne eerste werken verschenen omstreeks 387.

Antiphates, Ἀντιφάτης, de wreede vorst der Laestrygonen, die een van de gezellen van Odysseus verslond, en elf van diens schepen door zijn volk liet verbrijzelen, zoodat slechts één schip konde ontkomen. Zijn naam wordt soms spreekwoordelijk voor een wreedaard gebruikt.

Antiphilus, Ἀντίφιλος, 1) schilder, tijdgenoot van Apelles.—2) na den dood van Leosthenes (323) aanvoerder van het grieksche leger in den lamischen oorlog.

Antiphon, Ἀντιφῶν, 1) geb. te Athene omstreeks 480. Hij ontving van zijn vader Sophilus, een sophist, het eerste onderwijs in de welsprekendheid, waarin hij later uitmuntte, zoodat hem in den alexandrijnschen canon der attische redenaars de eerste plaats gegeven werd. Slechts eenmaal trad hij zelf als redenaar op, en wel om zichzelven te verdedigen. Daar hij n.l. ijverig deelgenomen had aan de invoering van de regeering der 400, werd hij, nadat de democratie hersteld was, door Theramenes van hoogverraad aangeklaagd en in weerwil van zijn meesterlijke verdediging ter dood veroordeeld (411). Hoewel wegens zijn aristocratische gezindheid niet populair, was hij zeer gezocht als schrijver van pleitredenen (λογογράφος). Van deze zijn drie bewaard gebleven; bovendien hebben wij nog van hem twaalf ontwerpen van redevoeringen, verdeeld in drie tetralogieën, ieder bevattend aanklacht, verdediging en beiderzijdsche replieken in een gefingeerde moordzaak. Hij gaf ook onderwijs in de redekunst en schreef eene τέχνη ῥητορική, die verloren is.—2) treurspeldichter, die eerst te Athene en later aan het hof van den tyran Dionysius leefde; hij hielp dezen bij het maken zijner treurspelen, maar werd wegens zijne vrijmoedigheid gedood.

Antipolis, Ἀντίπολις, stad op de Zuidkust van Gallia Narbonensis, nabij de grenzen van Italië, thans Antibes.

Antīquo. Bij het stemmen in de volksvergadering over wetsvoorstellen beteekende de letter A: antiquo = ik ben voor het oude, dus: ik ben tegen het voorstel.

Antirrhium en Rhium, Ἀντίρριον en Ῥίον, twee kapen tegenover elkander, de eerste ten N., de andere ten Z., aan de invaart der corinthische golf.

Antissa, Ἄντισσα, havenstad aan den N. W. kant van Lesbus.

Antisthenes, Ἀντισθένης, Athener, geb. omstreeks 444 en gestorven op den leeftijd van 70 jaar. Nadat hij in zijne jeugd van den sophist Gorgias onderwijs had gehad en later zelf sophistisch onderwijs had gegeven, leerde hij Socrates kennen en bleef hij tot diens dood zijn leerling. Na dien tijd trad hij weder als leeraar op en stichtte hij eene nieuwe school, die de cynische genoemd wordt naar het gymnasium Cynosarges, waar hij onderwijs gaf. Zijne vrij eenzijdige opvatting van de leer van Socrates was, dat de deugd voldoende is voor een gelukkig leven, dat zij bestaat in het onafhankelijk zijn van behoeften en in het vermijden van het kwaad, dat genot op zichzelf een kwaad is, omdat het ongeschikt maakt te streven naar het bereiken van deugd. Door zijne leefwijze, waarin hij deze leer streng in praktijk bracht, en door zijne overredingskracht verwierf hij zich vele aanhangers. Van zijne talrijke geschriften zijn twee onbeduidende werkjes bewaard gebleven, aan welker echtheid door velen getwijfeld wordt.

Antistii, een plebejisch geslacht. 1) P. Antistius, op last van den jongen Marius omgebracht (82), was een goed redenaar en pleiter.—2) Pacuvius Antistius Labeo, een van Caesars moordenaars, bracht na den slag bij Philippi zich zelf om.—3) M. Antistius Labeo, zoon van no. 2, vurig republikein, weigerde het consulaat, hem door Augustus aangeboden. Hij was een groot rechtsgeleerde en stichtte eene beroemde school, die den geest der wetten van het oude Rome huldigde. (Zie Proculi no. 2.) Tegenover zijne philosophische richting stond de historische richting van den niet minder beroemden Ateius Capito.

Antitaurus, Ἀντίταυρος, bergketen, die zich van den Taurus afscheidt en zich midden door Armenia minor in N. O. richting uitstrekt.

Ἀντιτιμᾶσθαι z. τίμημα no. 3.

Antium, Ἄντιον, oude stad in Latium, op eene ver vooruitspringende landtong gesticht en door zeeroof zeer berucht. Toen na den koningstijd de Volsci de vlakte ten W. van hun bergen veroverden, kwam Antium in hun bezit, en werd nu hoofdstad van het Volscische land, en handelsconcurrent van Ostia. In 340 sloot het zich bij de afgevallen latijnsche steden aan, en moest in 338 zich overgeven en zijne vloot uitleveren, terwijl eene nieuwe kolonie er heen gezonden werd. De snebben der zes overgeleverde schepen werden als zegeteeken aan het spreekgestoelte op het romeinsche forum bevestigd (rostra). Sedert werd Antium volkomen machteloos gehouden; doch tegen het einde der republiek [63]was het een geliefkoosd verblijf der romeinsche grooten, die hier paleizen en buitenverblijven hadden. Onder de tempels was vooral de Fortūna-tempel beroemd door een orakel (sortes Antiatīnae). Antium was de geboorteplaats van de keizers Caligula en Nero.

Ἀντωμοσία, de eed, waarmede de aanklager en de aangeklaagde in een proces hunne verklaringen bekrachtigen.

Antoniae (leges), van den drieman M. Antonius, 44. Het eerste tweetal der hieronder genoemde wetten werd nog bij Caesars leven aangenomen, de overige na zijn dood. 1) lex de Quinctili mense Iulio appellando, ter eere van Caesar (zie annus).—2) dat aan de circensische spelen ter eere van Caesar een vijfde dag zou worden toegevoegd.—3) de dictatura in perpetuum tollenda, tot afschaffing der dictatuur.—4) lex agraria zie agrariae (leges).—5) lex iudiciaria tot wederinvoering eener derde decuria van rechters, zonder census (zie iudex).—6) lex de provocatione, dat zij, die de vi en de maiestate veroordeeld waren, in hooger beroep bij het volk konden komen (zie provocatio).—7) lex de provinciis, waardoor het stadhouderschap over de consulaire provinciën op 6 jaar werd vastgesteld.—8) lex de provinciarum permutatione, dat o.a. Antonius in plaats van Macedonia Gallia Cisalpina zou krijgen, dat aan D. Brutus ontnomen werd, terwijl C. Antonius (z. Antonii no. 5) Macedonia kreeg.—9) lex de actis Caesaris confirmandis, waarbij alle verordeningen van Caesar rechtsgeldig werden verklaard.

Antonii. 1) M. Antonius orator, een der beste redenaars van zijn tijd, die in Cicero’s werk de oratore een der hoofdpersonen van het gesprek is. In 143 geboren, was hij in 99 consul, in 97 censor. In den burgeroorlog koos hij de partij van Sulla en werd in 87 op last van Marius en China omgebracht, waarna zijn hoofd op de rostra werd tentoongesteld. Hij was de grootvader van den lateren triumvir.—2) M. Antonius Creticus, zoon van no. 1, voerde, althans in naam, in 74 als propraetor oorlog tegen de zeeroovers. Hoewel met buitengewone macht bekleed, voerde hij weinig meer uit, dan dat hij Sicilia plunderde. Een aanval op Creta mislukte; Antonius leed eene schandelijke nederlaag, die hem den spotnaam Creticus bezorgde, en stierf van hartzeer in 71.—3) O. Antonius, bijgenaamd Hybrida, ook een zoon van no. 1, was in 63 Cicero’s ambtgenoot in het consulaat. Hij was sinds 87 met Sulla in Asia, pleegde op den terugweg rooverijen in Griekenland, wist met Sulla’s vogelvrijverklaringen zijn voordeel te doen, doch werd in 70 om zijne roofzucht uit den senaat gezet door de censoren L. Gellius Poplicola en Cn. Cornelius Lentulus Clodiānus. Hij was in het geheim deelgenoot van Catilīna’s samenzwering, doch Cicero wist hem door eene ruiling van provinciën daarvan af te trekken. Antonius trok echter niet zelf tegen Catilina op, maar zond, onder voorwendsel van voeteuvel, zijn legaat A. Petreius. Als proconsul van Macedonia leed hij eene nederlaag tegen de bergvolken, en werd in 59 aangeklaagd en niettegenstaande de verdediging van Cicero veroordeeld. De punten van aanklacht, en de quaestio, waarbij de aanklacht in behandeling kwam, staan niet vast. Hij ging naar het eiland Cephallenia, eene civitas libera, in ballingschap, maar werd in 44 door Caesar teruggeroepen.—4) M. Antonius, zoon van no. 2, werd in 82 geb., diende onder A. Gabinius in 58–55 in Syria en sloot zich in 54 bij Caesar aan, door wiens toedoen hij in 52 quaestor en in 50 augur en volkstribuun werd. Bij de toenemende spanning tusschen Caesar en Pompeius was hij een ijverig kampioen voor Caesar en trotseerde de woede van diens vijanden in den senaat, zoo zelfs, dat hij en zijn medetribuun Cassius vermomd uit Rome moesten vluchten (Jan. 49). Dit was voor Caesar een voorwendsel om den oorlog te beginnen. Toen Caesar bezit van Rome had genomen en naar Hispania vertrok, liet hij Antonius als legatus pro praetore in Italia achter. In den slag bij Pharsālus (48) voerde Antonius het bevel over den linkervleugel van Caesars leger. Later geraakte hij echter met Caesar in onmin, doch verzoende zich in 45 met hem en werd in 44 consul. Hij was het ook, die aan Caesar (15 Febr. bij het feest der Lupercalia) den koningsdiadeem aanbood. Zijn eigenlijke rol begon hij na Caesars dood te spelen. Hij wilde de erfgenaam worden van Caesars macht, maakte zich meester van Caesars papieren, wond door eene hartstochtelijke lijkrede het volk op, en wist van den senaat de wettigverklaring te verkrijgen van alle besluiten en verordeningen, die nog onder Caesars nagelaten papieren gevonden werden. Antonius bracht nu allerlei beschikkingen voor den dag, waarmede hij zelfs handel dreef. In plaats van de provincie Macedonia, die aan M. Brutus ontnomen, en hem toegewezen was, verlangde hij van den senaat Gallia Cisalpīna, doch deze, meer en meer verbitterd en aangevuurd door Cicero’s zoogen. philippische redevoeringen, weigerde, waarop Antonius eene wet uitlokte, waarbij D. Junius Brutus als stadhouder van Cisalpina door hem vervangen werd. Intusschen was, zeer te onpas voor Antonius, Caesars neef en aangenomen zoon Octaviānus op het tooneel verschenen. Een derde persoon was M. Aemilius Lepidus, die als Caesars magister equitum op den dag van diens moord aan het hoofd van een leger stond, dat naar Hispania zou uittrekken. Toen nu Antonius tegen D. Brutus was opgetrokken en dezen in Mutina (Modena) belegerde, zond de senaat een leger uit onder de beide consuls C. Vibius Pansa en A. Hirtius en den negentienjarigen Octavianus. Antonius werd verslagen (43); Hirtius en Pansa kwamen in den strijd om. Antonius, inziende dat hij Octavianus te licht had geteld, verbond zich met Lepidus en verzoende zich vervolgens met Octavianus. Toen kwam het driemanschap tot stand; onder den naam van triumviri reipublicae constituendae lieten zich de drie bondgenooten [64]voor den tijd van vijf jaren met alle gezag bekleeden. Hun eerste zorg was de uitroeiing der republikeinsche partij. Meer dan 2000 ridders en senatoren werden vogelvrij en hunne goederen verbeurd verklaard. Onder de slachtoffers was ook Cicero, tegen wien Antonius een doodelijken haat koesterde, zoowel om diens hevige bestrijding, alsook omdat Antonius’ stiefvader, P. Cornelius Lentulus Sura, als eedgenoot van Catilīna, op Cicero’s last ter dood was gebracht. Na vervolgens met Octavianus het republikeinsche leger onder Brutus en Cassius bij Philippi in Macedonia te hebben verslagen (Nov. 42), begaf Antonius zich naar Azië en leerde te Tarsus in Cilicia de schoone Cleopatra kennen, die hij weldra naar Aegypte volgde (herfst van 41). Inmiddels zocht zijne gemalin Fulvia in Italië het gezag van Octavianus te ondermijnen en zette haren zwager L. Antonius tot een oorlog aan (bellum Perusīnum 41), terwijl Sex. Pompeius met eene vloot den korenaanvoer naar Rome onderschepte en vasten voet in Italië en op de nabijgelegen eilanden zocht te verkrijgen. Antonius, hoewel bedreigd door een inval van de Parthen, begaf zich naar Italië, doch weifelde, of hij zich bij Sex. Pompeius zou aansluiten of niet. Onder den drang der verschillende legers kwam toen te Brundisium (Sept. 40) en later met Pompeius te Misēnum (39) de vrede tot stand. Antonius kreeg het Oosten, Octavianus het Westen, Lepidus Africa, Pompeius Sicilia, Sardinia, Corsica en de Peloponnesus. Daar Fulvia inmiddels overleden was, sloot Antonius een tweede huwelijk met Octavianus’ zuster Octavia. Het triumviraat werd in den herfst van 37 te Brundisium voor vijf jaren (tot einde 33) hernieuwd. Toen echter S. Pompeius vermoord (36) en Lepidus op zijde gezet was, kon de band tusschen Octavianus en Antonius niet lang meer bestaan. In de armen van Cleopatra vergat Antonius zijne vrouw, de edele Octavia, en zijne waardigheid. Steeds tot genot en uitspattingen geneigd, werd hij nu een schandvlek voor den romeinschen naam. Aan Cleopatra en hare kinderen schonk hij provinciën, de pergameensche bibliotheek werd naar Alexandrië overgebracht; hij gaf het ongehoorde feit te aanschouwen, dat hij binnen deze stad een triomftocht hield over den onttroonden koning Artavasdes van Armenia (34); hij bedreigde ook rechtstreeks de belangen van Octavianus, door Caesarion, den zoon van Cleopatra en Caesar, tot erfgenaam zijns vaders te verklaren. Toen werd de breuk onvermijdelijk (begin 32). Bij Actium ontmoetten de mededingers elkander (2 Sept 31). De vloot van Antonius had bijna de dubbele sterkte van die zijner tegenpartij, die door M. Vipsanius Agrippa werd aangevoerd; doch reeds in het begin van den strijd ging Cleopatra met de aegyptische schepen op de vlucht. Antonius, die niet buiten zijn geliefde kon, volgde haar. Ten laatste, door bijna allen verlaten en misleid door een valsch bericht van Cleopatra’s dood, stortte hij zich in zijn zwaard (1 Aug. 30).—5) C. Antonius, broeder van no. 4, diende als legaat onder Caesar (49) en kreeg vervolgens het stadhouderschap over Macedonia (44), dat eerst aan zijn broeder Marcus was gegeven. Macedonia was echter reeds in handen van Brutus. C. Antonius werd (begin 43) te Apollonia ingesloten en moest zich overgeven. Hij werd gevangen gehouden, maar na de vermoording van Cicero in het begin van 42 op last van Brutus gedood.—6) L. Antonius, ook een broeder van no. 4, liet zich in 41, tijdens zijn consulaat, door zijne schoonzuster Fulvia overhalen, den oorlog met Octavianus te beginnen (bellum Perusīnum). Diens veldheeren M. Vipsanius Agrippa en Q. Salvidiēnus Rufus sloten hem echter binnen Perusia op. Door honger gedwongen moest de stad zich overgeven (winter van 41/40). Octavianus schonk aan L. Antonius genade en benoemde hem zelfs tot praetor in Hispania. Zijn verdere levensloop is niet bekend.—7) M. Antonius, zoon van no. 4 uit diens huwelijk met Fulvia, werd in 30, na den dood van zijn vader, door Octavianus ter dood veroordeeld. Bij de Grieksche schrijvers heet hij gewoonlijk Ἄντυλλος.—8) Iulus Antonius, jongere zoon van no. 4 en Octavia, werd door Augustus vriendelijk behandeld en zelfs tot consul verheven (10). Later werd hij in eene liefdesgeschiedenis verwikkeld met Julia, de zedelooze dochter van Augustus, en ter dood gebracht (2); v. s. voorkwam hij zijn terechtstelling door zelfmoord te plegen.—9) L. Antonius, zoon van no. 8, stierf als balling te Massilia (Marseille) in 25 na C.—10) Antonia maior, oudste dochter van no. 4 en Octavia, huwde L. Domitius Ahenobarbus en was de grootmoeder van Nero.—11) Antonia minor, zuster van no. 10, beroemd door deugd en schoonheid, huwde met Drusus en was de moeder van Germanicus en keizer Claudius.—12) Antonia, dochter van keizer Claudius, werd door Nero ter dood gebracht (tusschen 66 en 68 n. C.).

Niet tot de familie der Antonii behooren:—13) M. Antonius Felix, vrijgelatene van Antonia minor, gehuwd met eene kleindochter van M. Antonius en Cleopatra. Onder Claudius en Nero was hij procurator van Iudaea (52–60 n. C.), dat veel van zijne hebzucht te lijden had. In 58 liet hij den Apostel Paulus gevangen nemen, en hij hield hem gevangen. Pallas, de invloedrijke vrijgelatene onder keizer Claudius, was zijn broeder.—14) Antonius Musa, lijfarts van Augustus, dien hij (23) door eene koudwaterkuur van een zware ziekte genas.—15) M. Antonius Primus, uit Gallia, diende onder Galba en koos daarna de partij van Vespasiānus en versloeg de troepen van Vitellius tweemaal bij Cremōna (einde Oct. 69 n. C.). Hierop (20 Dec.) nam hij Rome in en liet Vitellius smadelijk ombrengen.—16) Antonius Polemo, uit Laodicēa, beroemd rhetor onder Traiānus en later, stichtte te Smyrna eene rhetorenschool. Toen de jicht hem het leven ondragelijk maakte, liet hij zich doodhongeren.

Antonīnus Pius, keizer van het rom. rijk [65]werd in 86 n. C. te Lanuvium in Latium geboren uit eene familie, die uit het Zuiden van Gallia afstamde. Zijn volledige naam was T. Aurelius Fulvus Boionius Arrius Antoninus, naar zijn vader T. Aurelius Fulvus en zijne beide grootouders van moederszijde, Boionia Procilla en Arrius Antoninus. Hij werd door keizer Hadriānus tot zoon en opvolger aangenomen (begin 138) zonder dat hij evenwel diens geslachtsnaam Aelius aannam. Hij had Hadrianus innig lief en hield dezen in zijne laatste levensjaren van meer dan ééne wreede daad terug. Na ’s keizers dood (10 Juli 138) verdedigde hij diens nagedachtenis in den verbitterden senaat en eerde hem ook door het stichten van tempels, hetgeen hem den bijnaam Pius bezorgde. Hij was een der beste keizers, zachtmoedig, rechtvaardig, mild, eenvoudig en huiselijk. Zijne regeering (138–161) wordt als een tijdperk van vrede en welvaart geroemd, toch zijn er ook duidelijke teekenen waar te nemen van verarming, vooral van Italië, en van verval van het rijk. Slechts een paar maal moest hij oorlog voeren, in Britannia (142), waar hij de grenzen van het rijk uitbreidde, door een nieuwen grenswal in Schotland aan te leggen (z. Vallum Antonini), en tegen de Mauren in Afrika; een oproer in Iudaea werd met weinig moeite onderdrukt. Overeenkomstig Hadrianus’ verlangen nam hij M. Aelius Verus (keizer M. Aurelius) en diens broeder L. Verus tot zoons en opvolgers aan, zie Annii no. 6.

Antron, Ἀντρών, stad in Phthiōtis (Thessalia), aan den mond der malische golf.

Ἄντυλλος z. Antonii no. 7.

Anūbis, Ἀνουβις, aegyptische godheid, als een jakhals of als een mensch met den kop van een jakhals voorgesteld. De Grieken maakten daarvan een hondekop, en daar hij de zielen der afgestorvenen naar de onderwereld geleidde, stelden zij hem gelijk met Hermes. Bij de Romeinen werd hij als helhond vereerd.

Anulus = Annulus.

Anxur, later Tarracīna geheeten, oude stad der Volscen, aan zee en aan de via Appia gelegen, nabij de pomptijnsche moerassen, in 406 door de Romeinen veroverd, maar in 402 weer verloren gegaan, 400 weer heroverd, sedert 329 romeinsche kolonie. Op eene steile kalkrots lag het kasteel, en nabij de stad een tempel der godin Feronia.

Anytus, Ἄνυτος, rijk leerkooper te Athene, een van de leiders der democratische partij bij de verdrijving der 30, die hem verbannen hadden. Hoewel lang met Socrates bevriend, trad hij later als een van zijne aanklagers op. Waarschijnlijk werd hij later weder verbannen, hij stierf te Heraclēa in Pontus.

Aoede, Ἀοιδή, z. Musae.

Aones, Ἄονες, oude volksstam in Boeotia, in de streek Aonia, aan den Helicon. De Muzen, aan wie de Helicon geheiligd was, worden meermalen Aoniae sorores of Aonides genoemd, en de wateren der bron Aganippe Aoniae aquae. Als stamvader der Aoniërs wordt Aon, Ἄων, een zoon van Poseidon, genoemd.

Aornus, Ἄορνος, naam van eenige hooggelegen plaatsen, als: 1o. stad in Bactria, 2o. bergvesting aan den Indus, ten N. van de uitmonding van den Cophen in den Indus. Zie ook Avernus lacus.

Aorsi, Ἄορσοι, machtig handelsvolk ten Noorden en Westen der Caspische zee.

Aōus, Ἄωος, Ἀῷος, rivier in het Zuiden van Illyria, die zich ten Z. van Apollonia in de ionische zee stort.

Ἀπαγωγή. Te Athene had in sommige gevallen ieder, die als aanklager wilde optreden van een misdadiger, die op heeterdaad betrapt was of aan wiens schuld geen twijfel bestond, het recht den misdadiger zelf te vatten en voor den magistraat te brengen, die het proces moest leiden, meestal de elfmannen. Deze handeling heette ἀπαγωγή, evenals de schriftelijke aanklacht die tegelijkertijd ingediend moest worden. Werd de aanklacht door den magistraat aangenomen, dan moest de beschuldigde drie borgen stellen of hij werd gedurende de behandeling der zaak gevangen gehouden.

Apame, Ἀπάμα, Ἀπάμη, 1) eerste echtgenoote van Seleucus I Nicator, moeder van Antiochus I.—2) v. s. Arsinoe geheeten, dochter van Antiochus I, echtgenoote van Magas, stadhouder van Cyrēne. Na diens dood (258) ontbood zij den zoon van Demetrius Poliorcetes, om met hare dochter Berenice (z. a. no. 3) te trouwen, die reeds met Ptolemaeus III verloofd was. Zij werd echter zelve op Demetrius’ zoon verliefd, en verwekte daardoor zooveel misnoegen bij het volk, dat het hem in hare armen doodde, en haar alle macht ontnam.

Apamēa, Ἀπάμεια, naam van onderscheiden steden, meest aldus geheeten naar Apama, de echtgenoote van Seleucus Nicātor, den stichter van het Seleucidenrijk.—1) Apamea ad Orontem, vroeger Pella geheeten, door Seleucus vergroot en verfraaid, waarnaar het omliggende landschap Apamēne werd geheeten.—2) Apamea Cibotus (ἡ Κιβωτός = kast, stapelplaats), de belangrijkste stad van Groot-Phrygia, in de onmiddellijke nabijheid van Celaenae gelegen.—3) Ap. in Bithynia vroeger Myrlēa aan de Propontis, door Prusias I vergroot en naar zijne gemalin Apama genoemd.—Verder had men nog steden van dezen naam aan den Boven Euphraat, in Osroēne, aan de samenvloeiing van Euphraat en Tigris, en in Media.

Apaturia, Ἀπατούρια, een feest dat in alle ionische staten gevierd werd. Te Athene viel het in de maand Pyanepsion (Oct.-Nov.) en duurde het drie dagen, die δορπία, ἀναρρυσις en κουρεῶτις heetten. Op den derden dag werden de jonge kinderen op de lijsten der phratriën ingeschreven, na aan de leden der phratrie te zijn voorgesteld; voor ieder kind werd door den vader een schaap of bok geofferd. Gestemd werd over de opneming alleen wanneer iemand er tegen protesteerde, wat men doen kon door het offerdier van het altaar weg te leiden. Op den derden dag gaven ook jongens, die de school bezochten, proeven van [66]hunne vorderingen, vooral in het declameeren; zij die daarin uitmuntten kregen prijzen.

Ἀπελεύθερος, vrijgelaten slaaf. Slaven, die aan den staat een of anderen gewichtigen dienst bewezen hadden, werden dikwijls van staatswege tegen vergoeding aan hun heer vrijgelaten. Had een slaaf geld om zich zelf vrij te koopen, waartoe de toestemming van den heer noodig was, dan was daarbij de medewerking van een burger noodig; meestal trad een priester als tusschenpersoon op. Natuurlijk stond het den heer vrij zijne slaven ook zonder losprijs de vrijheid te geven. Aan de vrijlating waren dikwijls zekere voorwaarden verbonden, z. ἀποστασίου δίκη.

Apeliōtes, Ἀπηλιώτης, de Oostenwind. Zie Windstreken.

Apella, naar het schijnt, een te Rome veelvuldig voorkomende of althans zeer bekende jodennaam.

Apelles, Ἀπελλῆς, de beroemdste schilder der oudheid (356–308), geb. te Colophon of te Ephesus, leerling van Pamphilus. Zijne werken muntten uit door waarheid en bevalligheid, vooral in de laatste eigenschap was hij onovertroffen. Alex. d. G. schatte hem zeer hoog; onder de vele portretten die hij van dien vorst schilderde, was vooral beroemd de “bliksemslingerende Alexander”, die in den tempel van Artemis te Ephesus hing. Als het meesterstuk van Ap. gold de Aphrodīte Anadyomene (z. Anadyomene).

Apellicon, Ἀπελλικών, van Teos, vond omstreeks 100 een aantal onuitgegeven handschriften van Aristoteles en bezorgde een uitgave daarvan. Bij de inneming van Athene (87) viel zijn kostbare bibliotheek in handen van Sulla, die haar naar Rome overbracht.

Apennīnus mons, Ἀπέννινος, de Apennijnen, de bekende bergketen, die Italië doorsnijdt. V. s. beter Appenninus.

Apex, een met wol omwonden olijftakje, dat op de punt der vilten priestermuts was bevestigd (zie albogalerus). Ook wordt het woord wel voor het geheele hoofddeksel gebezigd. Soms wordt apex gebruikt voor de spits toeloopende tiāra der perzische koningen en beteekent in figuurlijken zin de kroon, het teeken der hoogste waardigheid.

Aphaca, τὰ Ἄφακα, stad in Phoenīce, op de helling van den Libanon, met een tempel en een orakel van Aphrodīte.

Aphaea, Ἀφαία, eene aan de Cretensische Dictynna verwante godin, die op Aegīna vereerd werd. Aan haar was de beroemde tempel gewijd, waarvan het beeldhouwwerk in München bewaard wordt. De naam wordt afgeleid van het verdwijnen der godin, toen Andromēdes, een visscher die haar van Creta overgebracht had, haar met zijn liefde vervolgde. Zie Britomartis.

Ἀφαιρέσεως δίκη. Wanneer een slaaf weggeloopen was, dan konde zijn heer of ieder ander belanghebbende hem vatten waar hij hem vond, en naar zijn huis medenemen. Tegen dengene, die zich daartegen verzette, konde de ἀφαιρ. δ. ingebracht worden, en wanneer hij in het ongelijk gesteld werd, moest hij den aanklager eene schadevergoeding en den staat eene boete betalen.

Ἀφαμιῶται = κλαρῶται.

Apharetidae, Ἀφαρητίδαι, Idas en Lynceus, de zonen van Aphareus, koning van Messenië, namen deel aan de calydonische jacht en aan den tocht der Argonauten. Zij waren met de Dioscuren opgegroeid, maar kregen eens twist met hen over de verdeeling eener kudde, of om de dochters van Leucippus, die met de Apharetiden verloofd waren en door de Dioscuren ontvoerd werden. Het kwam tot een gevecht, waarbij Castor door Idas, Lynceus door Polydeuces verslagen werd. Idas werd daarop echter door Zeus met den bliksem gedood. Hun graf werd later te Sparta getoond.

Aphareus, Ἀφαρεὺς, 1) zoon van Periēres, vader der Apharetidae.—2) zoon van den sophist Hippias, door Isocrates als zoon aangenomen, redenaar en treurspeldichter. Hij schreef 37 treurspelen, waarvan 4 den eersten prijs behaalden. Zijne werken vallen tusschen 369 en 342.

Aphetae, Ἀφέται, stad in Zuid-Thessalia, ten O. van de invaart in de Pagasaeische golf.

Ἀφετοὶ ἡμέραι heetten te Athene dagen, waarop geene raadsvergaderingen of rechtszittingen gehouden werden, zooals feestdagen en ἀοποφράδες ἡμέραι.

Aphidna, Aphidnae, Ἄφιδνα, Ἄφιδναι, versterkte stad in Attica, ten N. van Marathon gelegen. Toen Theseus met Pirithous naar de onderwereld ging, gaf hij Helena en Aethra aan zijn vriend Aphidnus, die te Aphidna woonde, ter bewaring. De Dioscuren namen de stad in en voerden de beide vrouwen weg.

Aphrodisia, τὰ Ἀφροδίσια, feesten ter eere van Aphrodīte door geheel Griekenland en het plechtigst te Paphus op Cyprus gevierd.

Aphrodisias, Ἀφροδισιάς, naam van steden, aan Aphrodīte geheiligd. 1) In Caria, met een prachtigen tempel, waarvan nog overblijfselen aanwezig zijn. In den burgeroorlog omhelsde de stad de zaak van Caesar en werd eene civitas libera.—2) In Cilicia τραχεῖα, met een ruime haven.—Ook een eiland op de kust van Cyrenaïca heette zoo.

Aphrodīte, Ἀφροδίτη, Venus, dochter van Zeus en Diōne, of van Uranus en Hemera of, volgens het meest bekende verhaal, uit het schuim der zee geboren en bij Cyprus geland (Ἀφρογένεια, Ἀναδυομένη, Κυπρογένεια), oorspronkelijk godin der lente, der vruchtbaarheid en der algemeene voortplantingskracht in de natuur (Οὐρανία), vandaar ook godin van het huwelijk, van het huisgezin en dus van de grondvesten van den staat (Πάνδημος), eindelijk en voornamelijk van liefde en schoonheid; deze laatste hoedanigheden traden mettertijd zoozeer op den voorgrond, dat men ook de namen Οὐρανία en Πάνδημος daarmede in betrekking bracht, en haar den eersten gaf als beschermster der reine, kuische liefde en van het huwelijk, den anderen als godin van zinnelijk liefdegenot. Zij is het, die de lente met bloemen [67]tooit en haar bekoorlijkheid verleent, die den menschen schoonheid geeft en die hun al of niet liefde voor elkaar inboezemt Ἐπιστροφία, Ἀποστροφία. Zij wordt door de dichtkunst en de beeldende kunsten voorgesteld als een ideaal van schoonheid en lieftalligheid, Χρυσείη, Φιλομειδής; zij draagt den gordel, die alle toovermiddelen der liefde bevat en die goden en menschen aan hare macht onderwerpt; steeds vergezellen haar de Horen en Chariten, Peitho, Eros, Pothus en Himerus. Haar eeredienst, hoezeer door de Grieken veredeld, bleef altijd toch nog vele sporen van oostersche afkomst vertoonen, en kenmerkte zich veelal aan den eenen kant door uitgelaten vroolijkheid, aan den anderen door buitensporige smart (zie Adonia). De duif, de haas, de dolfijn, de roos, de papaver, de myrte, de appel waren haar gewijd. In vele tempels van Aphrodite mochten geene bloedige offers gebracht worden. Hoewel gemalin van Hephaestus, maakte zij toch vele andere goden en menschen door hare liefde gelukkig; Ares, Hermes, Adōnis, Anchīses, e.a. Door hare verhouding tot Ares wordt zij ook in zekeren zin eene oorlogsgodin Ἀρεία, ofschoon de werken van den oorlog haar vreemd zijn en zij eenmaal, toen zij ter verdediging van Troje zelve op het slagveld verscheen, door Diomēdes gewond werd. Vooral in zeeplaatsen werd zij hoog vereerd en daar men gewoon was haar om een gelukkige vaart te bidden, kreeg zij den naam van Εὐπλοία. Eindelijk had zij nog vele bijnamen naar de plaatsen waar hare heiligdommen stonden: Κύπρις, Παφία, Κυθηρεία, Ἐρυκίνη, e.a.

Venus (Aphrodite) van Milo (eil. Melos).

Venus (Aphrodite) van Milo (eil. Melos).

Aphroditopolis, Ἀφροδίτης πόλις, naam van verschillende steden in Boven-, Midden- en Neder-Aegypte.

Aphthonius, Ἀφθόνιος, een sophist, die in de vierde eeuw n. C. te Antiochië leefde; hij was een leerling van Libanius en schreef een handboek der redekunst, Προγυμνάσματα, dat nog tot de 17e eeuw bij het onderwijs gebruikt werd.

Aphȳtis, Ἄφυτις, stad op het macedonische schiereiland Pallēne, met een tempel van Zeus Ammon.

Apia, Ἀπίη, Ἀπια γῆ, oude naam voor de Peloponnēsus, afgeleid van een oud-argivisch koning Apis.

Apicius, naam van een drietal groote lekkerbekken, tijdens Sulla, Tiberius en Traiānus. De tijdgenoot van Tiberius, M. Gabius Apicius, nam, toen hij het grootste deel van zijn vermogen door de keel had gejaagd, vergif in, uit vrees te moeten verhongeren, wanneer hij niet meer naar hartelust kon smullen. Op naam van Caelius Apicius bestaat nog een kookboek, uit de derde eeuw na C., de re culinaria.

Apidanus, Ἀπιδανός, rivier in Thessalia, zijtak van den Enīpeus, die in den Penēus uitstroomt.

Apion, Ἀπίων, alexandrijnsch grammaticus, die onder Tiberius, Caligula en Claudius te Alexandria en Rome onderwijs gaf, een [68]pronkerige en ijdele zwetser, vandaar Μόχθος geheeten. Als hoofd van de anti-semitische partij te Alexandria, voerde hij het woord als afgezant van deze partij bij keizer Caligula (40 n. C.) (zie ook Flavius Josephus). Hoofd van de tegenpartij was Philo (z. a. no. 7). Van zijne talrijke werken is bijna niets overgebleven, want de Γλῶσσαι Ὁμηρικαί, die zijn naam dragen, zijn slechts een uittreksel uit een werk van hem.

Apis, Ἆπις, 1) zoon van Phorōneus en Teledice of Laodice: hij was koning van Argos en trachtte zich van de heerschappij over de Peloponnēsus meester te maken. Naar hem zou de Peloponnesus Apia (Ἀπία γῆ) heeten.—2) zoon van Azan, werd bij de lijkfeesten voor zijn vader bij ongeluk door Aetōlus gedood.—3) de heilige stier der Aegyptenaren, die vooral te Memphis een prachtigen tempel had, waar hij door zijne priesters op koninklijke wijze verzorgd werd en uit gouden vaatwerk at en dronk. Elk jaar was er ongeveer een maand lang te zijner eere een feest, dat met zijn verjaardag eindigde. Als hij 25 jaar oud werd, werd hij op een geheime plaats verdronken, gebalsemd en in een gouden kist bijgezet; stierf hij vroeger, dan was geheel Aegypte in rouw, totdat eene nieuwe stier gevonden was, die de vereischte eigenaardigheden van kleur enz., had; deze werd dan met groote feesten en plechtigheden naar Memphis gebracht. De Aegyptenaren meenden dat de Apis door een lichtstraal voortgebracht was en dat hij de drager was van de ziel van Osīris.

Apoclēti, ἀπόκλητοι, z. Aetolisch verbond.

Ἀποδέκται, ontvangers, te Athene tien ambtenaars, die de meeste staatsinkomsten moesten innen en aan de verschillende bestuursdepartementen overdragen.

Apodōti, Ἀπόδωτοι, een half barbaarsche volksstam in Aetolia op de grenzen van Locris.

Apodyterium, ἀποδυτήριον, ontkleedkamer in de openbare badhuizen, waar men zijne kleederen in bewaring gaf en zich na het baden weder aankleedde. In de badvertrekken begaf men zich slechts ongekleed.

Ἀπογραφή, iedere officiëele opgave van personen, gelden, goederen, enz., in het bizonder: 1) kadaster ten behoeve van den census en de verdeeling in klassen aangelegd. Dit kadaster werd jaarlijks of om de twee of vier jaar naar eene nieuwe schatting vernieuwd; het was bij de demarchen in bewaring.—2) inventaris van aan den staat behoorende goederen en aanklacht tegen hen, die zulke goederen aan den staat trachtten te onthouden.

Ἀποικία, eene nederzetting van Grieken in een vreemd land, colonia, die een zelfstandigen staat vormt, onafhankelijk van de moederstad, in tegenstelling met ἐμπόριον, handelsfactorij, die geen eigen gemeente vormde, en met κληρουχία, een kolonie, waarin de burgers hun oude burgerrecht behielden. Worden de kolonisten opgenomen in een reeds bestaande stad, dan spreekt men van ἐποικία (z. ἔποικοι).

Apollināres (ludi), in den tweeden punischen oorlog ingesteld (212), om van Apollo de afwering van verdere oorlogsrampen, v. a. van ziekten te verkrijgen. Zij werden onder leiding van den praetor urbanus in den circus maximus gevierd, in Juli.

Apollinis promunturium, Ἀπόλλωνος ἄκρον, ook prom. pulchrum genoemd, op de kust van Africa, ten Noorden van Carthago.

Apollinopolis, Ἀπόλλωνος πόλις, naam van twee steden aan den Nijl, waar de aegyptische god Horus = Apollo bijzonder vereerd werd. De eene, maior bijgenaamd, lag boven Thebae, aan den linker oever der rivier; de andere, minor, aan den rechteroever stroomafwaarts van Thebae.

Apollo, Ἀπόλλων, zoon van Zeus en Leto, geboren op Delus (Δήλιος) aan den voet van den berg Cynthus (Κύνθιος), te gelijk met Artemis. Oorspronkelijk was hij een zonnegod (Φοῖβος, de lichte, reine); later ging deze beteekenis van Apollo nagenoeg verloren en werd hij beschouwd als de beschermer van het goede en schoone, de handhaver van wet en orde. Als zoodanig straft hij, de vertreffende boogschutter, met de pijlen van zijn zilveren boog (Ἑκ(ατ)ηβόλος, Ἑκάεργος, Ἀργυρότοξος, Κλυτότοξος, Arcipotens, Arcitenens) de slechten en overmoedigen, maar brengt aan den anderen kant heil aan en weert het verderf af (Ἀλεξίκακος, Σωτήρ). De geneeskunde, later aan zijn zoon Asclepius toegeschreven, behoorde oorspronkelijk tot zijn wezen (Ἀκέσιος, Παιών, Παιάν, Medicus). Zijne zorg strekt zich ook over het vee en de veldvruchten uit; hij beschermt niet slechts de kudden tegen de aanvallen van den wolf (Λυκοκτόνος), maar dient ook zelf als herder (Νόμιος) bij Laomedon en Admētus; ook de jagers bidden hem om geluk op de jacht (Ἀγρεύς). Hij voltrekt niet alleen de besluiten van Zeus, maar verkondigt den menschen ook diens wil als orakelgevend god, hoewel zijne uitspraken dikwijls voor het beperkte menschenverstand duister zijn (Λοξίας). Door zijn orakels heeft hij den grootsten invloed op het openbare leven der Grieken, en heeft hij vooral dikwijls den eersten stoot gegeven tot de stichting van volksplantingen (Ἀρχηγέτης, Κτιστής); hij beschermt de openbare orde in de steden (Ἀγυιεύς, Ἀγοραῖος) en over het algemeen het geordende stadsleven; hijzelf heeft de muren van Troja en Megara gebouwd en tal van steden, waarvan vele naar hem Apollonia genoemd werden, beschouwden hem als haar stichter. Ook de zedelijke wereldorde staat in zekeren zin onder zijn hoede: reinigingsoffers aan Apollo gebracht ontlasten den mensch van de schuld der zonde, vooral bloedschuld, en bevrijden hem van de onvermijdelijk daaropvolgende straf; hijzelf boette het dooden van den draak Python (Πύθιος) of den moord der Cyclopen door geruimen tijd als herder te dienen, voordat hij zich van zijn schuld reinigen konde. Vandaar het gebruik zich op gezette tijden en in het bizonder na zware misdaden en algemeene rampen, die het bestaan van schuld [69]doen vermoeden, door reinigingsoffers met den god te verzoenen, wat zoowel door enkele personen als door vereenigingen, ja door geheele staten gedaan werd.—Nadat Hermes de lier had uitgevonden, gaf hij die aan Ap. in ruil voor kudden, die hij hem ontvreemd had; sedert dien tijd bespeelt Ap. dit instrument in de vergaderingen der goden en daardoor wordt hij de god der muziek, later van gezang en dichtkunst, eindelijk stelt hij zich als beschermer van alle schoone kunsten aan het hoofd van de Muzen (Μουσαγέτης). De dienst van Apollo was door geheel Griekenland verbreid; naar de verschillende plaatsen, waar hij heiligdommen en orakels had, en waarvan Delphi de voornaamste was, heet hij Ἀμυκλαῖος, Ἀβαῖος, Ἰσμήνιος, Κλάριος, enz. In Attica werd hij als Ἀπ. Πατρῷος nevens Ζεὺς Ἑρκεῖος als beschermer van het familieleven vereerd. De zwaan, de dolfijn, de wolf, de olijfboom, de palmboom en de laurier waren hem gewijd.—Door de Romeinen werd het delphische orakel reeds vroeg geraadpleegd, en onder den invloed der sibyllijnsche boeken werd de dienst van Ap. ook bij hen ingevoerd. Na de pest van 433 werd de eerste tempel voor Ap. Medicus te Rome gewijd; in 399 werden, mede bij gelegenheid van eene pest, voor het eerst lectisternia ter eere van Ap., Latōna en Diāna gehouden. Augustus beschouwde zich als een beschermeling van den god en geloofde dat hij door zijne gunst den slag bij Actium had gewonnen, daarom vergrootte en verrijkte hij zijn tempel op dat voorgebergte, verhoogde den luister waarmede zijne feesten daar gevierd werden en bracht die feesten ook naar Rome over; bovendien stichtte hij ook op den Palatijnschen berg een prachtigen tempel voor Ap. Palatīnus.—De beelden van Ap. stellen hem gewoonlijk voor als jeugdig, hoog van gestalte, met edele trekken en schoone, golvende lokken (Ἀκερσεκόμης).

Apollo van Belvedere.

Apollo van Belvedere.

Apollodōrus, Ἀπολλόδωρος, 1) Athener, wiens bloeitijd omstreeks 144 valt, stoicijnsch wijsgeer en geleerde, een zeer vruchtbaar schrijver. Zijne werken, die van wijsgeerigen en geschiedkundigen inhoud waren en waaronder eene wereldgeschiedenis in verzen, waaruit latere schrijvers veel geput hebben, zijn verloren gegaan. Een mythologisch werk onder den titel Βιβλιοθήκη, dat zijn naam draagt, is òf een uittreksel uit een werk van Ap. òf het heeft een lateren naamgenoot tot schrijver. Het is uit de 2e eeuw n. C.—2) van Pergamus, als rhetor te Apollonia onderwijzer van Octaviānus, met wien hij naar Rome kwam, waar hij een eigen school stichtte.—3) twee blijspeldichters, de oudste, een tijdgenoot van Menander, van Gela, de andere geb. te Carystus; twee stukken van een van hen zijn door Terentius in het Latijn bewerkt.—4) van Tarsus, treurspeldichter.—5) van Tarsus, grammaticus.—6) beroemd atheensch schilder, omstreeks 400, een van de eersten die perspectief in hun werk brachten.—7) van Damascus, beroemd bouwmeester, die de meeste groote bouwwerken van Traiānus uitvoerde; later viel hij bij Hadriānus in ongenade. Hij was ook schrijver van een werk over belegeringskunst.—8) Ephillus, stoicijn, omstreeks 100.—9) Epicurist, die meer dan 400 boeken schreef, omstreeks 140–100.

Apollonia, Ἀπολλωνία, naam van verschillende steden, als 1) in het land der ozolische Locriërs;—2) op Chalcidice;—3) niet ver vandaar in Macedonia;—4) de havenstad van Cyrēne, eene van de vijf steden der pentapolis Cyrenaïca;—5) op de Noordkust van Sicilia, onzeker waar;—6) op de Zuidkust van Creta;—7) in Mysia, aan het meer Apolloniātis, waardoor de Rhyndacus stroomt;—8) in Zuid-Phrygia;—9) op de kust van Palaestina;—10) in Lycia;—11) in Lydia, halverwege tusschen Sardes en Pergamum;—12) en 13) op de kust van Thracia, [70]waarvan een aan de Strymongolf en een aan den Pontus Euxīnus (Zwarte zee), de laatste met een beroemden tempel en een reuzenbeeld van Apollo.—14) Het meest beroemd echter was Apollonia op de illyrische kust, aan den Aōus, ἡ κατ’ Ἐπίδαμνον, kolonie van Corinthus en Corcȳra, eene bloeiende handelsstad, uitmuntende door voortreffelijke wetten en nauwgezette handhaving van het recht en liefde voor wetenschap.

Apollōnis, Ἀπολλωνίς = Apollonia no. 11.

Apollonius, Ἀπολλώνιος, 1) van Alexandrië, tijdgenoot, v.s. leerling van Callimachus, met wien hij later wegens verschil van richting in ernstigen twist geraakte. Ap. streefde n.l. er naar, den eenvoud van Homērus in zijne werken te doen herleven, terwijl de werken van Callimachus meer door geleerdheid dan door dichterlijke waarde uitmuntten. De invloed van Callimachus was echter zoo groot, dat Ap., toen hij zijn groot epos Ἀργοναυτικά voordroeg, geen bijval vond. Hij begaf zich daarop naar Rhodus, waar hij na lezing van zijn gedicht het burgerrecht kreeg (vandaar wordt hij Rhodius genoemd) en waar hij geruimen tijd als rhetor onderwijs gaf. Later keerde hij echter naar Alexandrië terug, en nu viel zijn werk, dat hij op Rhodus omgewerkt had, zoo in den smaak, dat hij op zeer hoogen leeftijd (± 200) tot bibliothecaris benoemd werd, welke betrekking hij tot zijn dood behield. Een ander groot werk van Ap., Κτίσεις, benevens zijne kleinere gedichten zijn verloren gegaan. Zijne Argonautica werd door romeinsche dichters dikwijls nagevolgd. Bewaard gebleven is die van C. Valerius Flaccus, zie Valerii no. 41.—2) van Alabanda, omstreeks 120 leeraar der welsprekendheid op Rhodus.—3) Ap. Μόλων, eveneens geb. te Alabanda, gaf op Rhodus onderwijs in de welsprekendheid. In 87 en 81 kwam hij als gezant der Rhodiërs te Rome, waar Cicero toen reeds van zijn onderwijs genoot. In 78 heeft Cicero op Rhodus zijn lessen gevolgd; ook andere Romeinen, o.a. Caesar, hebben hem bezocht.—4) Ap. Sophista, alexandrijnsch grammaticus, tijdgenoot van Augustus. Het Λεξικόν met verklaringen van woorden uit Homērus, dat op zijn naam staat, is uit later tijd.—5) Ap. ὁ δύσκολος, van Alexandrië, een zeer geleerd en scherpzinnig grammaticus, de eerste die taalstudie wetenschappelijk behandelde. Hij leefde eenigen tijd te Rome onder Marcus Aurelius, later keerde hij naar Alexandrië terug. Vier van zijne werken over verschillende hoofdstukken van vormleer en syntaxis zijn bewaard gebleven.—6) van Perga, reeds door de ouden “de groote wiskundige” genoemd, was 250–220 leeraar te Alexandrië en Pergamus, en schreef o.a. een werk over kegelsneden, dat nu nog wetenschappelijke waarde heeft. Ook uit taalkundig oogpunt is zijn werk van belang, omdat het het eerste werk is, dat in de Κοινή (z.a.) geschreven is. Hij was een leerling van Archimēdes.—7) van Tyana, leefde in de 1ste eeuw n. C. Nadat hij zijn vermogen aan de armen gegeven had, trok hij als leeraar der wijsbegeerte de geheele wereld door en kwam zoowel in Indië als in Spanje en Aethiopië, tweemaal kwam hij naar Rome, eindelijk vestigde hij zich als leeraar te Ephesus, waar hij in hoogen ouderdom stierf. Zijn leer, grootendeels aan Pythagoras ontleend, maar sterk doortrokken met nieuw-platonische en oostersche begrippen, zijne vele avonturen, zijne buitengewoon strenge levenswijze en de wonderen die hij, naar men zeide, verrichtte, baarden veel opzien, zoo zelfs, dat hij in den strijd tusschen den ouden godsdienst en het Christendom menigmaal als een tegenhanger van Christus voorgesteld is. Zijne levensbeschrijving door Philostratus schijnt meer romantisch dan historisch te zijn.—8) z. Tauriscus.

Ἀπομαγδαλιά, broodkruimels, tot deeg gekneed, die de Grieken bij gebrek aan servetten gebruikten om zich bij het eten de vingers af te vegen.

Apōni fons of Apōnus fons, badplaats met zwavelbronnen bij Patavium (Padua), ook aquae Pativīnae geheeten. Er was een orakel.

Ἀποπέμπειν. Wanneer te Athene een man echtscheiding verlangde, behoefde hij slechts zijne vrouw met hare huwelijksgift naar het huis van haar vader of voogd terug te zenden. Dit heette ἀποπέμπειν, ἀποπομπή, ἀπόπεμψις. Eene vrouw, die echtscheiding wenschte, verliet het huis van haar man, (ἀπολείπειν, ἀπόλειψις), doch moest bij den archont een met redenen omkleedde schriftelijke verklaring daarvan geven (ἀπόλειψιν γράφεσθαι). Daar ook processen ἀποπέμψεως en ἀπολείψεως vermeld worden, schijnt het dat, in weerwil van deze eenvoudige vormen, de echtscheiding niet geheel van den wil van eene der beide partijen afhing; misschien betroffen deze processen echter alleen geldzaken. Het onderscheid tusschen ἀποπέμπειν en ἀπολείπειν, enz., wordt niet altijd streng in het oog gehouden.

Ἀπόφασις, aangifte, aanwijzing; de aangifte van gevaarlijke personen bij den Areopagus; inventaris (z. Ἀντίδοσις); ook rechterlijk vonnis.

Ἀποφορά, 1) de bijdrage, die iedere staat aan Sparta gaf, zoolang deze staat in den perzischen oorlog de hegemonie had.—2) de belasting, die de heloot aan zijn heer geven moest, bestaande in eene bij de wet bepaalde hoeveelheid gerst, wijn en olie.—3) de huur, die te Athene de slaven dagelijks aan hunne heeren betaalden, wanneer zij voor eigen rekening mochten werken.

Apophorēta, Ἀποφόρητα, lekkernijen, die de gasten van een maaltijd mede naar huis kregen, verder ook andere geschenken. Het veertiende boek epigrammen van Martiālis, waarmede hij geschenken aan zijne vrienden begeleidde, draagt tot titel Apophoreta.

Αποφράδες ἡμέραι, dagen die om een of andere reden voor ongeluksdagen gehouden werden, waarop geen rechtszittingen waren, en waarop men geen zaak van eenig gewicht begon. In het bizonder de dagen waarop men aan de dooden offerde.

Ἀπόρρητα, verboden dingen; 1) handelsartikelen, [71]die niet van Athene uitgevoerd mochten worden.—2) sommige scheldwoorden, waarvan men zich op boete van 500 drachmen onthouden moest.—3) godsdienstige mysteriën, die niet verraden mochten worden.

Ἀποστασίου δίκη, aanklacht tegen een vrijgelatene, die zijne plichten tegenover zijn vroegeren heer niet vervulde; zulke aanklachten werden bij den polemarch ingediend. Bij veroordeeling verviel de aangeklaagde weder in slavernij, bij vrijspraak werd hij van alle verplichtingen tegenover zijn vroegeren meester ontslagen.

Ἀποστολῆς, tien ambtenaren te Athene, die te zorgen hadden dat de triërarchen hunne verplichtingen als zoodanig nakwamen; zij hadden zelfs het recht hen, die daarin te kort schoten, gevangen te nemen.

Ἀποστροπηία, z. Aphrodīte.

Apothēca, ἀποθήκη, magazijn of bergplaats, vooral voor fijne wijnsoorten, die reeds afgetapt waren. De apotheca was bij de Rom. meestal op de bovenverdieping van het huis, veeltijds boven de badkamer, zoo dat de rook van het vuur er in kon doordringen, waardoor de wijn en de kruiken of flesschen spoediger het merk van ouderdom kregen.

Apotheōsis, ἀποθέωσις, vergoding van menschen. Het eigenlijk latijnsche woord is consecratio. Reeds vroeg geloofde men, dat helden onder de goden konden worden opgenomen en dacht men eenvoudig aan eene verplaatsing, waardoor het sterfelijk lichaam onsterfelijk werd. Later evenwel meende men, dat het stoffelijk overschot door het vuur van den brandstapel zoo werd gelouterd, dat het onsterfelijk gedeelte van het sterfelijke werd afgescheiden en opwaarts steeg naar de goden. In het historisch tijdperk nam de apotheose dezen vorm aan, dat door eene godspraak of door de uitspraak van eenig bevoegd priestercollegie aan den afgestorvene goddelijke eerbewijzen werden toegekend en altaren voor hem werden opgericht, zooals b.v. na Lycurgus’ dood te zijner eer geschiedde. Eén stap verder en men deed hetzelfde voor den levende; Lysander was de eerste Griek, voor wien nog bij zijn leven altaren werden opgericht. Alexander de Groote en de Diadochen, vooral de Ptolemaeën, lieten zich als god vereeren; voor hen werden eerediensten ingesteld. In Aegypte heet de koning reeds bij zijn leven Θεός, in Azië eerst na zijn dood.—De consecratio van romeinsche keizers en soms van keizerinnen had op de volgende wijze plaats, en geschiedde volgens het besluit van den senaat of van den troonsopvolger. Een wassen borstbeeld van den overledene werd plechtig zeven dagen lang in het paleis tentoongesteld. Dan werd op den campus Martius een brandstapel opgericht in den vorm van een altaar met drie of vier verdiepingen (rogus). Te midden van reukwerk werd het borstbeeld op den brandstapel geplaatst, die door den nieuwen keizer werd aangestoken. Te gelijker tijd werd van den top van den toestel een adelaar losgelaten, die de ziel des overledenen hemelwaarts moest voeren. Van nu af was hij divus. Doch de kruipende vleierij van den romeinschen senaat tegenover dwingelanden was oorzaak, dat aan sommige keizers reeds bij hun leven goddelijke vereering ten deel viel.

Ἀποτρόπαιος, afwerende; bijnaam dien men iederen god gaf, wanneer men hem aanriep met de bede ramp of gevaar af te wenden.

Apparitōres. Onder dezen naam verstaat men de bezoldigde dienaren der rom. magistraten, als scribae, lictores, viatores, praecones en accensi. De eerstgenoemde vier soorten waren voortdurend in dienst van den staat; over de accensi z. accensus no. 1. Voor apparitores boden zich slechts mingegoede burgers of vrijgelatenen aan. De scribae of bureauschrijvers waren het meest in aanzien. Cicero noemt hen een ordo honestus.

Appellatio is het beroep op de hulp van een overheidspersoon, om door zijne tusschenkomst (intercessio) beveiligd te worden tegen een dreigend onrecht. De intercessio kon aangewend worden tegen alle overheden van gelijken of minderen rang, en door de volkstribunen tegen alle andere overheden behalve den dictator. De appellatio moet wel onderscheiden worden van de provocatio of het beroep op de volksvergadering als hoogsten rechter. Onder de keizers ontstond eene reeks van lagere en hoogere rechtbanken en dus ook van appellen in verschillende instanties, terwijl ten slotte de keizer zelf de hoogste rechtsmacht vormde, die alle vonnissen kon wijzigen of vernietigen. Dit geldt evengoed voor civiele zaken als voor strafzaken.

Appiānus, Ἀππιανός, van Alexandrië, leefde omstreeks het midden der 2e eeuw n. C. te Rome, en werd later procurator van den fiscus in Aegypte. Onder den titel Ῥωμαϊκά schreef hij eene geschiedenis, waarin ieder volk afzonderlijk behandeld wordt tot zijn opgaan in het rom. rijk, en waarin bovendien de geschiedenis van de rom. burgertwisten beschreven wordt. Van de 24 boeken, waaruit dit werk bestaan heeft, zijn nog bewaard gebleven: Ἰβηρική (l. 6), Ἀννιβαϊκή (l. 7), Λιβυκή (l. 8), Συριακή (l. 11), Μιθριδάτειος (l. 12), Ἰλλυρική (2de deel van l. 9), en de 5 boeken Ἐμφύλια, de burgeroorlogen (l. 13–17), benevens fragmenten van eenige andere.

Appia (via). Deze weg liep van Rome over Aricia, Anxur of Tarracīna, Minturnae en Formiae naar Capua, en was de eerste heerbaan, die van Rome uit werd aangelegd (312). Hij was zóó breed, dat twee wagens elkander zonder moeite konden voorbijrijden, en was geplaveid met groote vierhoekige steenen, zóó zorgvuldig zonder gapingen aaneengevoegd, dat hij in de zesde eeuw na Chr. nog in goeden toestand was. Met recht werd deze weg, door den censor Appius Claudius Caecus gebouwd, de regina viarum geheeten. Eene latere verlenging van Capua over Caudium, Beneventum, Aquilonia, Canusium, Barium naar Brundisium heette via Appia Nova.

Appias, de nimf der Appische fontein te Rome. [72]

Appii, zie Claudii no. 1, 2, 4, 5, 6, 8, 9, 12, 14, 15, 21.

Appulēiae (leges) van den volkstribuun L. Appuleius Saturnīnus, 100. 1) lex agraria, zie onder agrariae leges.—2) lex de coloniis deducendis, hangt nauw samen met de lex agraria en maakt er misschien een deel van uit. Er zouden koloniën gesticht worden in Sicilia, Africa, Achaia en Macedonia. De wet is niet uitgevoerd. Deze wet (van 100) is met de lex agraria eene uitbreiding van eene lex agraria van denzelfden Saturninus uit het jaar 103.—3) lex frumentaria, waarbij de prijs van het door den staat verkochte koren (zie annona) op ⅚ as werd gesteld. Op het betoog van den quaestor Q. Servilius Caepio, dat dit de kracht der schatkist te boven ging, besloot de senaat, dat Saturninus, ingeval hij de wet in stemming bracht, tegen den staat handelde. De overige volkstribunen intercedeerden nu, doch Saturninus ging zijn gang. Hierop kwam Caepio met eenige vastberaden mannen, wierp de stembussen om en belette den voortgang der stemming.—4) lex de maiestate minuta, tegen degenen, die de onschendbaarheid der volkstribunen aantastten.

Appulēii. Behalve een consul Q. Appuleius Pansa in 300, behooren de leden van dit geslacht, die in de geschiedenis van Rome voorkomen, tot de familie der Saturnīni of hebben geen cognomen. 1) L. Appuleius Saturninus was de beruchte volksmenner te Rome ten tijde van Marius. Hij was tweemaal volkstribuun (103 en 100). Langs allerlei wegen trachtte hij de optimates te krenken en te vernederen en zich aanhang te verwerven bij den grooten hoop (zie Appuleiae leges). Na zijn eerste tribunaat wilde de censor Q. Caecilius Metellus Numidicus hem uit den senaat stooten, hetgeen zijn ambtgenoot C. Caecilius Caprarius belette. Toen hij in het jaar 100 zijne lex agraria met geweld had doorgedreven, en bij deze (of bij eene andere) wet de bepaling had gevoegd, dat alle senatoren binnen vijf dagen de wet moesten bezweren, was de genoemde Metellus het eenige senaatslid, dat weigerde, waarvoor hij dan ook in ballingschap moest gaan. Toen Saturninus, die voor geen geweld terugdeinsde, ter wille van zijn medestander, den praetor C. Servilius Glaucia, diens mededinger naar het consulaat, C. Memmius, in de volle volksvergadering liet overhoop steken, werd zelfs het volk verbitterd. Door den senaat tot vijand des vaderlands verklaard, door Marius (toen ten zesden male consul) verlaten, week hij naar het Capitool, terwijl de senaat met de gewone formule videant consules (z. senatus consultum ultimum) den staat aan de bijzondere hoede der consuls aanbeval. Daar de consuls nu de buizen der waterleiding lieten afsnijden, kon Saturninus zich op het Capitool niet staande houden; hij wist nog naar de curia Hostilia aan het forum te wijken, waar hij echter met zijne trawanten bestormd en door het woedende volk onder de dakpannen van het gebouw bedolven werd (10 Dec. 100).—2) L. Appuleius Saturninus, uit Atina, was in 58 praetor in Macedonia. Diens zoon Cn. Saturninus diende in 68/67 onder Q. Caecilius Metellus (zie Caecilii no. 19) op Creta.—3) Sex. Appuleius, consul in 29, hield in 26 een zegetocht over de Hispaniërs.—4) C. Appuleius Deciānus, volkstribuun in 99, aanhanger van Saturninus, bekend door zijne aanklacht tegen den aedilis L. Valerius Flaccus (zie Valerii no. 24).—5) Appuleius Deciānus, zoon van no. 4, aanklager van den jongen Valerius Flaccus (z. Valerii no. 25), die door Cicero verdedigd werd (59).

Buiten dit geslacht staat—6) de schrijver L. Appuleius, te Madaura in Africa geboren onder de regeering van keizer Hadriānus. Hij had te Carthago en te Athene zijne opleiding genoten en later veel gereisd. Met voorliefde beoefende hij wijsbegeerte en letteren. Hij schreef eenige wijsgeerige werken, doch het meest bekend is zijn romantisch verhaal Metamorphoseon sive de asino aureo libri XI, waarin zekere Lucius tot straf voor zijne ondeugden in een ezel wordt veranderd, doch door de mysteriën (waarvan App. een warm voorstander was) in een beter mensch wordt herschapen. Onder de vele episoden in dit werk is die van Amor en Psyche de meest bekende. Eene nederlandsche bewerking van deze ezelsgeschiedenis vindt men in de geschriften van Mr. P. van Limburg Brouwer. Van de andere werken is van belang: Apologia sive de magia, waarin hij zich verdedigt tegen de beschuldiging van tooverij, en veel aangaande zijn leven vertelt. Het werkje de herbarum virtutibus, dat op zijn naam staat, is uit de 5de eeuw n. C.

Apriës, Ἀπρίης, in het O. T. Hophra, koning van Aegypte. Hij ondernam een krijgstocht tegen Cyrēne, en toen deze ongelukkig afliep, beschuldigde men hem dat hij de kaste der krijgslieden had willen vernietigen, en werd hij door Amāsis onttroond. Hij regeerde 588–569.

Apronii. 1) Q. Apronius, handlanger en medeplichtige van C. Verres bij zijne afpersingen op Sicilia.—2) L. Apronius, een romeinsch ridder, legatus van Germanicus in 15 n. C., in Germania, in welke betrekking hij de signa triumphalia verwierf, en proconsul van Africa 18–21 n. C. Onder zijn bewind versloeg zijn zoon L. Apronius Caesiānus in 20 den Numidiër Tacfarinas. In 28 werd de vader als stadhouder van Germania inferior door de Friezen verslagen.

Ἀπροστασίου γραφή, aanklacht die men bij den polemarch kon indienen tegen een μέτοικος, die zich geen burger tot patroon gekozen had, of zijn μετοίκιον niet betaalde.

Apsis = Absis.

Apsōrus, Ἄψωρος, z. Absyrtides insulae.

Apsus, Ἄψος, rivier en stad in Illyria ten N. v. Apollonia.

Apsyrtus of Absyrtus, Ἄψυρτος, zoontje van Aeētes. Toen Iāson met Medēa vluchtte sneed Medea het lichaam van het kind in stukken, opdat Aeētes, die hen vervolgde, door het opzoeken van de stukken tijd zou verliezen. De bijeengeraapte leden werden te [73]Tomi begraven, dat daaraan, naar men zegt, zijn naam (van τέμνειν) ontleend heeft.

Ἄπτερος, ongevleugeld, naam van een beeld van de godin der overwinning (eigenlijk van Ἀθηνᾶ Νίκη), dat in haar tempel op de acropolis te Athene stond. V. s. had de kunstenaar haar tegen de gewoonte zonder vleugels voorgesteld, om aan te duiden dat zij de stad nooit zou verlaten.

Apuāni, volksstam in zuidoostelijk Liguria, op de grens van Midden-Italië, door de Romeinen na dapperen tegenstand overwonnen en in 180 gedeeltelijk naar Samnium overgebracht. Hunne stad heette Apua.

Apulēii, zie Appuleii.

Apulia, Ἀπουλία, omvatte in ruimeren zin het zuidoostelijke gedeelte van Italia, met inbegrip van Calabria, in engeren zin alleen de landstreken Daunia en Peucetia. De oude bevolking, Apuli, bij de Grieken Iapyges genoemd, waren van illyrischen stam, terwijl grieksche kolonisten zich aan de kust vestigden en er reeds vroeg de grieksche taal en grieksche kunst en kunstnijverheid inheemsch maakten. Het klimaat was heet, en in sommige tijden van het jaar had men last van den Sirocco, hier Atabulus genoemd. Over het algemeen is het land niet onvruchtbaar, de vlakten zijn echter arm aan water. De bewoners stonden als niet bizonder schrander bekend. In de samnitische oorlogen werd Apulia door de Romeinen onderworpen (317). Ten gevolge van den tweeden Punischen en den bondgenootenoorlog werd het land, dat vroeger door handel en industrie gebloeid had, ontvolkt. Augustus vereenigde Apulia met Calabria en Zuid-Samnium tot de tweede regio Italiae.

Apulum, belangrijke stad in Dacia, sinds 107 n. C. standplaats van de legio XIII gemina, onder M. Aurelius municipium en colonia.

Aquae, naam van een aantal geneeskrachtige bronnen en badplaatsen. Vele dezer gezondheidsoorden zijn genoemd naar eene nabijgelegen stad, zooals de aquae Cumānae (later Baiae) bij Cumae in Campania, de aquae Patavīnae (Aponi fons) bij Patavium in Cisalpina, de aquae Vetuloniae bij Vetulonia in Etruria, de aquae Pisānae in Etruria, de aquae Segestānae op Sicilia e. a. Andere hebben hun naam naar het volk, b.v. aquae Statiellae bij de Statielli in Liguria, aquae Mattiacae (thans Wiesbaden) bij de Mattiaci. Merkwaardig waren de aquae Cutiliae, nabij de reeds vroeg verwoeste stad Cutilia (z. a.) in het sabijnsche land.—Geschiedkundig bekend door de nederlaag der Teutonen zijn de aquae Sextiae (thans Aix in Provence), in Gallia Narbonensis, gesticht door C. Sextius Calvinus. Onder de tegenwoordig meest bekende badplaatsen zijn er verscheidene, die ook onder de Romeinen bezocht waren, zooals Baden-Baden, aquae Aureliae, Vichy, aquae calidae Arvernorum, Bagnères de Bigorre, aquae Convenarum, Bath, aquae Sulis, Aken, Aquae Grani, enz.

Aqua et igni interdictio. Het doodvonnis, te Rome over een burger uitgesproken, had den vorm van een ban. Binnen Rome was de veroordeelde vogelvrij; niemand mocht hem huisvesting of voedsel verstrekken, ieder mocht hem straffeloos dooden, de overheden waren er zelfs toe verplicht. De ban kon nog verzwaard worden, door hem tot geheel Italië uit te strekken, of zelfs wel tot het geheele romeinsche rijk, zooals bij de proscripties tijdens de burgeroorlogen het geval was. Daar de ban inging op hetzelfde oogenblik, waarop het vonnis werd uitgesproken, moest men, om zijn leven te redden, vooraf Rome verlaten en in vrijwillige ballingschap gaan (in liberum exsilium ire). Aanzienlijke en rijke Romeinen vonden dan licht een toevluchtsoord in eene of andere civitas foederata; doch minder gegoeden hadden een ondragelijk leven; iedereen kon zich aan hen vergrijpen, terwijl zij tegen niemand eene aanklacht konden inbrengen.

Aquaeductus, ὑδραγωγεῖον. De oudste Grieksche waterleidingen zijn die van Pisistratus te Athene, en uit denzelfden tijd die door Polycrates op Samos was aangelegd; de architekt van deze laatste leiding was Eupalīnus. Ten einde Rome van goed en overvloedig water te voorzien, werden in verschillende tijden een aantal waterleidingen aangelegd. De oudste was de aqua Appia, in 312 aangelegd door denzelfden censor Appius Claudius, die de via Appia liet bouwen. Deze waterleiding liep grootendeels door onderaardsche buizen, evenals de Anio vetus, die het water uit den Anio aanvoerde, en de Virgo, die het koudste water had en onder de regeering van Augustus door Agrippa was aangelegd, om de door hem gebouwde badinrichtingen van water te voorzien. De langste leiding was de Anio novus, die omstreeks 16 uren gaans lang was en over de dalen gedragen werd door bogen, soms ter hoogte van meer dan 100 voet. Soms liepen twee aanvoerkanalen een eind verdiepingsgewijze boven elkander, b.v. de Anio novus boven de aqua Claudia; zelfs komt eene vereeniging van drie leidingen voor: de Marcia beneden, de Tepula in het midden, de Iulia boven. De Marcia was om haar heerlijk water beroemd: het slechtste water voerde de Alsietina aan. Ook vele aanzienlijke steden van Italia en de provinciën werden op gelijke wijze van water voorzien. Van den trotschen bogenbouw kunnen o.a. nog de overblijfselen bij Nîmes (Pont du Gard), bij Tarragona en Segovia getuigen. Bij sommige leidingen was aan het boveneind een groot bekken aangebracht, waar men het water liet bezinken, alvorens het naar de stad te voeren. In de stad werd het water in reservoirs (castella aquae) verzameld, vanwaar het door buizen (fistulae, tubi) naar de lacus of groote waterkommen, fontes salientes of fonteinen, piscinae of vijvers, badhuizen en bijzondere woningen werd geleid. Ook op verscheidene plaatsen in Griekenland zijn overblijfselen van oude waterleidingen gevonden.

Aquaeductus en aquaehaustus, erfdienstbaarheid, waarbij de rechthebbende over eens anders grond water mocht leiden of [74]uit eens anders bron water mocht putten.

Aquarii, werklieden bij den dienst der waterleidingen, meest servi publici. Ook slaven in de openbare badhuizen, die water aandroegen om de baders af te spoelen en de waschbekkens te vullen.

Aquarius, Ὑδροχόος, het sterrenbeeld de Waterman, waarin men Ganymēdes, Deucalion of Cecrops meende terug te vinden. Hij maakt, naar het heet, het jaargetijde somber, want als de zon in dit teeken komt, begint de regentijd.

Aquila, ἀετός. Oudtijds hadden de verschillende afdeelingen voetvolk en de ruiterij in de Romeinsche legers verschillende standaarden, als: een wolf, een everzwijn, een minotaurus, een paard, een hond, e. a. Deze voorwerpen waren boven op een stok bevestigd. Sedert Marius was de legioenstandaard een adelaar met uitgespreide vlerken, uit zilver of brons, onder de keizers ook wel uit goud vervaardigd. Hij stond onder de bijzondere hoede van den primipilus of eersten centurio van het legioen. In de legerplaats stond de standaard naast de veldheerstent in den grond geplant. Ging het leger op marsch of in den slag, dan trok de primipilus den adelaar uit den grond en overhandigde hem aan den aquilifer of standaarddrager. Ging dit uittrekken met moeite gepaard, dan was dat een slecht voorteeken.

Aquila. 1) Iulius Aquila, romeinsch jurist, van wien brokstukken in de Pandecten voorkomen.—2) Aquila Romānus, rhetor en taalgeleerde uit de derde eeuw na C., schrijver van een boek de figuris sententiarum et elocutionis.—3) Aquila, een Griek uit Pontus uit de tweede eeuw na C., die eene zeer geroemde vertaling van het O. T. in het Grieksch schreef.

Aquilaria, stad op de Oostkust van Zeugitāna, nabij de golf van Carthago.

Aquileia, Ἀκυληία, romeinsche kolonie aan het noordelijkste gedeelte der Adriatische zee, op de grenzen van het land der Venĕters en van Histria, in 181 als bolwerk tegen invallen uit het Noordoosten gesticht. Het was eene sterke vesting en ontwikkelde zich door zijne ligging spoedig tot eene bloeiende handelsplaats. Als sleutel van Italië vervulde het eene belangrijke rol tegen de barbaren, die Italië zochten binnen te dringen, tot het in 452 na C. door Attila werd ingenomen en verwoest. De vluchtelingen uit Aquileia en Altīnum legden den grondslag tot de tegenwoordige stad Venetië.

Aquillia (lex), plebiscitum van onbekenden datum, misschien tusschen 289 en 286, wijzigde de bepalingen omtrent damnum iniuria datum, die reeds in de leges XII tabularum voorkomen.

Aquillii. 1) M’. Aquillius, consul in 129, maakte een einde aan den opstand van Aristonīcus in Pergamus, door de bronnen te vergiftigen. Door de Romeinen zelven werd deze handelwijze als een nefas beschouwd. Daartoe omgekocht, had hij Groot-Phrygië aan Mithradātes Euergetes afgestaan, maar deze afstand werd door den Senaat niet bekrachtigd.—2) M’. Aquillius, zoon van no. 1, consul in 101, bedwong in 100 den slavenopstand op Sicilia onder Athenio. In 98 werd hij wegens afpersingen aangeklaagd; toen zijn verdediger M. Antonius (orator) te midden zijner pleitreden op eenmaal hem de tunica openscheurde en de litteekenen op de borst van Aquillius toonde, werd deze om zijne dapperheid vrijgesproken. In 88, bij den inval van Mithradātes VI in de romeinsche provincie Asia, viel Aquillius, die destijds legaat van den proconsul Q. Oppius was, in handen van den pontischen koning. Deze liet hem eerst, op een ezel gebonden, onder zweepslagen in de voornaamste steden rondleiden en vervolgens gesmolten goud in den mond gieten.—3) C. Aquillius Gallus, een vriend van Cicero, redenaar en beroemd rechtsgeleerde.

Aquilo, de Noordoostenwind, soms ook = de Noordenwind, zie Windstreken.

Aquilonia, stad in het N. van Samnium, in 293 door de Romeinen onder L. Papirius Cursor verwoest. De stad lag niet ver van Cominium, en dicht bij het dal van den Sagrus. Een ander Aquilonia ligt in Zuid-Samnium in het land van de Hirpini.

Aquīnum, stad in het land der Volscen in Latium, rom. municipium, geboorteplaats van den dichter Juvenālis, met purperververijen.

Aquitania, gewest in Gallia. Tijdens Caesars komst in Gallia verstond men onder dezen naam slechts het zuidwestelijk gedeelte, tusschen de Pyrenaeën en den Garumna (Garonne). De bewoners waren van iberischen stam, verwant met de Vascones (Basken), die zich later onder hen mengden en naar wie de landstreek later ook Vasconia (Gascogne) werd geheeten. Volgens Plinius heette deze streek vroeger Aremorica.—Onder Augustus (tusschen 16 en 13) onderging de indeeling van Gallia eene geheele verandering, en strekte Aquitania zich uit tot aan den Liger (Loire) en den mons Cebenna (Cevennes). Na Constantijn vindt men deze streek tot drie provinciën verknipt. Het zuidwestelijke deel, van de Pyrenaeën tot nabij den Garumna vormde de provincie Novempopulāna, met de hoofdstad Elimberris (Auch) (v. a. Elusatium civitas, tgw. Eauze). De streek tusschen den Garumna en den Liger was verdeeld in een oostelijk en westelijk deel: Aquitanica I, met de hoofdstad civitas Biturigum, vroeger Avaricum (Bourges), en Aquitanica II, hoofdstad Burdigala (Bordeaux). Deze twee noordelijke deelen behouden nog lang den naam Aquitania, die dan later in Guyenne overgaat.

Ara.

Ara, βωμός. Een altaar was van aarde, [75]zoden of steen, vaak van marmer gemaakt, hetzij in ronden, hetzij in vierhoekigen vorm, van boven eenigszins hol en met eene opening op zijde of aan den voet, om het vocht der plengoffers of het bloed der offerdieren te laten wegvloeien. Altaria is eigenlijk het bovenste gedeelte van het altaar, doch gewoonlijk worden de woorden dooréén gebruikt, waarbij de naam altaria meer in verheven stijl en bij dichters voorkomt.—Ook een sterrebeeld in het zuiderhalfrond.

Ara Ubiorum, oorspronkelijk een altaar in het land der Ubii, ter eere van Augustus opgericht = oppidum Ubiorum; zie Ubii en Colonia Agrippina.

Arabia, Ἀραβία, het thans nog onder dien naam bekende schiereiland. De ouden verdeelden het in drie deelen: 1) Arabia Petraea, ἡ κατὰ Πέτραν (niet vertalen door: steenachtig Arabië), de streek ten O. van Palaestina zuidwaarts tot aan de beide inhammen, die de Arabische golf (thans Roode zee) in het Noorden vormt. Daar lag, aan den Oostkant, halverwege tusschen de Doodezee (Asphaltītes lacus) en den Aelaniticus sinus, de stad Sela (= rots), door de Grieken Petra genoemd, de hoofdstad van Idumaea of Edom, en aan dit Petra is de naam ontleend. In het Zuiden vond men het granietgebergte Sinaï.—2) Arabia deserta, ἡ ἔρημος Ἀραβία, omvatte de noordelijke zandwoestijnen, tusschen Syria en Babylonia.—3) het overige, verreweg grootste gedeelte, het eigenlijke schiereiland, was alleen aan de kusten bekend, en daar de Westkust zeer vruchtbaar was, werd dit geheele land Arabia felix, ἡ εὐδαίμων Ἀραβία, geheeten, hoewel het binnenland slechts eene dorre zandzee is. De bewoners, Arabes, Ἄραβες, waren van semietischen stam en dreven reeds vroeg een levendigen handel met Indië. Talrijke karavanen met wierook, goud, edelgesteenten, ivoor, oostersche specerijen, trokken uit Arabië door de woestijnen noord- en noordwestwaarts. Arabia Petraea is voor een gedeelte in 105 na C. door Traiānus in bezit genomen en vormde toen de provincie Arabia, later Palaestina III; doch overigens bleef Arabia vrij van vreemde overheersching. Eene expeditie, door Augustus in 25 onder Aelius Gallus uitgezonden, mislukte (z. Saba).—Onder de stammen, die Arabia bewoonden, verdienen vermeld te worden: de Minaei met de steden Macoraba (Mekka) en Jathrippa (Medina), de Sabaei, in het tegenw. Yemen, met de steden Mariāna en Saba, van waar veel wierook werd aangevoerd, de Nabataei in Petraea, die de vroegere Edomieten, Midianieten, Amalekieten, enz., vervingen, en de Saraceni in de nabijheid van Syria.

Arabicus sinus, κόλπος Ἀραβικός, thans Roode zee geheeten, terwijl de Roode zee der ouden, mare Erythraeum, thans den naam van Indische zee draagt. In het Noorden verdeelt de Arabische golf zich in twee kleine inhammen, den sinus Heroöpolites of Heroöpoliticus ten W., den sinus Aelanites of Aelaniticus ten O., aldus geheeten naar de steden Heroöpolis (op de landengte van Suez) en Aïla of Aelana.

Arabis of Arabius, Ἄραβις, Ἀράβιος ποταμός, rivier in Gedrosia, ten W. van den Indus. In hare nabijheid woonden de Arabitae, Ἀραβῖται, Ἄρβιες.

Arachnaeum, Ἀραχναῖον, berg in oostelijk Argolis, tusschen Argos en Epidaurus.

Arachne, Ἀράχνη, een lydisch meisje, dochter van een purperverver te Colophon. Zij had van Athēna weven geleerd en bereikte in die kunst zulk eene hoogte, dat zij haar leermeesteres zelve tot een wedstrijd durfde uitdagen. Toen die uitdaging aangenomen was, vervaardigde zij een weefsel, waarin zij de liefdesavonturen der goden voorstelde en dat Athena niet kon overtreffen; uit spijt hierover en uit toorn over het onderwerp, dat Ar. had gekozen, verbrak de godin haar werk, waarop Ar. zich van verdriet ophing. Athene riep haar in het leven terug en veranderde haar in een spin.

Arachosia, Ἀραχωσία, eene der oostelijke provinciën van het perzische rijk, ten Oosten door den Indus begrensd. Zij ontleende haren naam aan de rivier Arachōtus. In het tijdperk der Seleuciden was de hoofdstad Alexandria Arachōton, Ἀλ. Ἀραχωτῶν, thans Kandahar.

Arachthus, Ἄραχθος, rivier in Epīrus, die zich in de golf van Ambracia stort, thans de Arta.

Aracynthus, Ἀράκυνθος, gebergte in het Z.W. van Aetolia.

Aradus, Ἄραδος, door ballingen uit Sidon op een klein, rotsachtig eiland nabij de phoenicische kust gesticht. De naam (phoen. Arvad) beteekent toevluchtsoord. De stad dreef een bloeienden handel en wedijverde met Sidon en Tyrus. Haar grootsten bloei bereikte ze in den tijd van het verval van het rijk der Seleuciden. Daar het kleine eilandje op den duur te klein was, ontstond op het vaste land eene voorstad, Antaradus, die later op hare beurt weder het oude Aradus in de schaduw stelde.

Arae Philaenorum, οἱ Φιλαίνων βωμοί, de grens tusschen Cyrēne en Carthago. Tot regeling van een grensgeschil tusschen de republiek Cyrene en Carthago waren beide staten overeengekomen, dat uit beide steden een gezantschap op denzelfden tijd zou vertrekken, en dat de plaats der ontmoeting als grenspunt zou worden aangenomen. De carthaagsche gezanten echter, de beide gebroeders Philaeni, werden door die van Cyrene beschuldigd, dat zij vroeger van huis waren gegaan, dan de afspraak was. Om het daardoor verkregen voordeel echter te behouden, lieten zij zich levend begraven op de plaats der ontmoeting, aan de kleine Syrte, waar ter gedachtenis aan hunne vaderlandslievende zelfopoffering twee altaren werden opgericht. Ook later is dit de grens tusschen Cyrenaïca en Tripolis.

Ἀραί, wrekende godinnen, opgeroepen door den vloek van het slachtoffer eener misdaad = Erinyes.

Arar, Ἄραρ, rivier in Gallia, later Sauconna, thans de Saône, die bij Lugdūnum (Lyon) in den Rhodanus (Rhône) valt. [76]

Arātus, Ἄρατος, 1) zoon van Clinias, geboren 271 te Sicyon en te Argos opgevoed. 20 jaar oud stelde hij zich aan het hoofd der ballingen uit zijn vaderstad en verdreef hij met hunne hulp den tyran Nicocles; daarop bewerkte hij dat de stad tot het achaeïsch verbond toetrad. Door Antigonus Gonātas tegengewerkt, zocht hij hulp bij Ptolemaeus Philadelphus, die hem inderdaad met aanzienlijke geldsommen steunde. In 245 werd hij tot strateeg van het verbond gekozen, dat onder zijne leiding tot hoogen bloei geraakte, terwijl vele peloponnesische steden vrijwillig of gedwongen zich als leden lieten opnemen. Toch was Ar., hoewel kleingeestig en voor iedere mededinging bevreesd, meer staatsman dan veldheer. Toen dus Sparta door het krachtig streven van Cleomenes III de hegemonie in de Peloponnēsus scheen te zullen herwinnen, schroomde hij niet, in strijd met de beginselen van het verbond, de hulp van den macedonischen koning Antigonus Doson in te roepen (224). De nederlaag, die deze aan Sparta toebracht, deed den invloed van Ar. ten top stijgen; niet alleen werd hij herhaaldelijk als strateeg herkozen,—in het geheel heeft hij deze betrekking 17 maal waargenomen—, maar ook liet de opvolger van Antigonus, Philippus III, zich langen tijd geheel door zijne raadgevingen leiden, totdat hij bevond dat Ar. aan zijne verdere plannen in den weg stond, waarop hij hem door vergift liet uit den weg ruimen (213). Te Corinthe werd een standbeeld voor hem opgericht en te Sicyon werd jaarlijks op zijn sterfdag een lijkfeest gevierd. Zijne gedenkschriften (Ὑπομνήματα), door Polybius e. a. dikwijls als bronnen gebruikt, zijn verloren gegaan.—2) van Soli, leefde langen tijd aan het hof van Antigonus Gonātas en schreef (tusschen 276 en 274) een leerdicht in hexameters, Φαινόμενα καὶ Λιοσημεῖαι, dat nog bewaard is gebleven en door de ouden hoog geprezen werd. Cicero, Germanicus e. a. vertaalden het in het latijn.

Arausio, stad der Cavares, aan den Rhodanus (Rhône), thans Orange. Bij deze stad verloren de Romeinen in 105 een bloedigen slag tegen de Cimbren. Twee legers werden vernietigd. Uit den romeinschen tijd zijn nog belangrijke bouwwerken over, o.a. een theater. NB. Hiernaar wordt de titel prins van Oranje in het Latijn vertaald door princeps Arausiacus.

Aravisci, keltische volksstam in Neder-Pannonië, verwant met de Osi.

Araxēnus campus, Ἀραξηνὸν πεδίον, de vruchtbare vlakte, waardoor de armenische Araxes stroomde.

Araxes, Ἀράξης, 1) rivier in Armenia, die zich in de Caspische zee stort. In zijn benedenloop is hij door een zijarm met den Cyrus verbonden. Hij vormt de noordelijke grens van Medië. Herodotus verwart hem met den Oxus (z. a.), die vroeger ook Araxes heette.—2) riv. in Persis, nabij Persepolis.—3) zijtak van den Euphraat, ook wel Chabōras of Aborrhas genoemd, in Mesopotamia.

Arbaces, Ἀρβάκης, z. Sardanapalus. Hij wordt de stichter der medische dynastie genoemd, die met Astyages eindigt.

Arbēla, τὰ Ἄρβηλα, stad in Assyria, waarbij de laatste en beslissende veldslag tusschen Alex. d. G. en Darīus Codomannus plaats vond (331).

Arbiter, een scheidsrechter. Terwijl de iudex in zijne beslissing aan het strenge recht gebonden was, kon de arbiter uitspraak doen volgens de aequitas. Zie ook het art. iudex op het einde.

Arbiter bibendi, ook wel magister bibendi, rex convivii, de door het lot gekozen voorzitter bij een feestmaal, die de tafelwetten vaststelde en zijne voorschriften gaf omtrent het aanmengen van den wijn en het getal schepjes, dat in de bekers moest worden gedaan, omdat men niet, als bij ons, inschonk, maar met een lepel of schepje, cyathus, de bekers uit het mengvat vulde.

Arca, Ἄρκα, oude stad in Phoenīce aan den voet van den Libanon, ten N. van Tripolis, geboorteplaats van keizer Alex. Sevērus; ter eere van hem werd de stad Caesarēa ad Libanum genoemd.

Arca, κιβωτός, in het algemeen kist of koffer, meer in het bijzonder de geldkist, hetzij van metaal, hetzij met ijzer of brons beslagen. Ook doodkist, alsmede strafcel voor slaven.

Arcadia, Ἀρκαδία, landschap in het midden der Peloponnēsus gelegen, door bergen omgeven en doorsneden, het grieksche Zwitserland. De inwoners, Arcades, Ἀρκάδες, beschouwden zichzelven als het oudste volk der aarde, ja zelfs als ouder dan de maan (προσέληνοι). De afgesloten ligging van hun land behoedde hen voor vreemde overheersching, daar vooral in het Noorden en Oosten slechts weinige hoofdwegen naar de naburige landschappen voerden. Het land stond eerst onder koningen, doch loste zich in de zevende eeuw in een aantal kleine republieken op, waarvan Mantinēa, Tegea, Orchomenus de voornaamste zijn. De Arcadiërs waren een vroolijk, krachtig bergvolk, liefhebbers van muziek, doch stonden, wat hunne verstandelijke ontwikkeling betreft, niet hoog aangeschreven, zoodat de uitdrukkingen iuvenis Arcadius, Ἀρκαδικὸν βλάστημα, gebezigd worden voor een onnoozelen hals. Onderlinge naijver en veeten verdeelen hen; vandaar dat de poging van Epaminondas tot stichting eener groote bondsstad Megalopolis op den duur mislukte. Na den dood van Alex. d. G. voegden zij zich bij het achaeïsch verbond, waarbij zelfs hun landgenoot Philopoemen van 208 tot 183 achtmaal de hoogste waardigheid, die van strateeg, bekleedde.—Arcadia is rijk aan mythen. Het sneeuwgebergte Cyllēne in het N. O. is bekend als de geboortegrond van Hermes; dicht daarbij vond men het Stymphalische meer, de verblijfplaats der vogels, die Heracles verjoeg, alsmede de Styx. Op den berg Erymanthus in het N. ving Heracles het groote everzwijn; op den berg Maenalus [77]zetelde Pan. Verder behooren in Arcadia de mythen te huis van Lycāon en van Callisto en haar zoon Arcas.

Arcadius, Ἀρκάδιος, 1) taalgeleerde uit de vijfde eeuw na C., schrijver van een werk over de accenten, περὶ τόνων.—2) de oudste zoon van Theodosius den Grooten, kreeg bij de deeling van het rom. rijk in 395 n. C. de oostelijke helft. Hij was geheel en al het werktuig zijner gunstelingen (Rufinus, Eutropius, Gainas), en later zijner frankische gemalin Eudoxia. Hij stierf, 30 jaar oud, in 408.

Arcānum, landgoed van Q. Cicero, halverwege tusschen Aquīnum en Arpīnum in Latium gelegen.

Arcas, Ἀρκάς, zoon van Zeus en Callisto. Toen Zeus eens bij Lycāon gast was, wilde deze beproeven of de god werkelijk alwetend was; hij slachtte daarom Arcas en zette zijn vleesch aan Zeus voor. Maar deze veranderde Lycaon in een wolf, doodde al zijne zonen en riep Arcas in het leven terug. Later ontmoette Arcas op de jacht zijne moeder, die in een beer veranderd was, en wilde haar dooden, maar zij ontvluchtte hem tot in den tempel van den Lycaeischen Zeus, die beiden van de aarde wegnam en onder de sterren plaatste; Callisto werd de groote beer, Arcas de kleine. V. a. werd Arcas koning der Arcadiërs, wien hij het gebruik van wol en het bakken van brood leerde; aan hem ontleenden het volk en het land hun naam.

Arceophon, Ἀρκεοφῶν, Ἀρκεόφρων, z. Anaxarete.

Arcēra, overdekte wagen, waarin men rechtuit op eene matras kon liggen, tot vervoer van zieken en ouden van dagen.

Arcesiades, Ἀρκεισιάδης, Laërtes, de zoon van Arcesius.

Arcesilāus, Ἀρκεσίλαος, 1) naam van vier koningen van Cyrēne uit het geslacht der Battiaden: Arc. I 591–575; Arc. II Χαλεπός 570–550, die zijne broeders verdreef en later zelf gedood werd; Arc. III 530–514, die wegens zijne pogingen om de koninklijke macht weder uit te breiden (z. Battus no. 3) verdreven werd; Arc. IV gestorven omstreeks 450; na zijn dood werd Cyrene een republiek.—2) van Pitane, geb. 315, kwam na den dood van zijn vader naar Athene en woonde de lessen van Theophrastus en Polemo bij. Hij volgde Crates als hoofd der academie op en werd de stichter der tweede academie. Hij bestreed vooral het dogmatische der stoicijnsche leer en ging daarbij zoo ver, dat hij eindelijk alle zeker weten ontkende en alleen zekeren graad van waarschijnlijkheid aannam, zoodat hij door de ouden somtijds tot de sceptici gerekend wordt. Hij stierf in 241.

Archagathus, Ἀρχάγαθος, de eerste grieksche geneeskundige die zich te Rome kwam vestigen (219).

Ἀρχαιρεσίαι, te Athene verkiezing der magistraten, ook de vergadering waarin zij gekozen werden, z. Χειροτονία. Behalve de ambtenaren, die met de defensie en de financiën belast waren, werden de meeste overheden door loting aangewezen.

Archandropolis, Ἀρχάνδρου πόλις, stad in Beneden-Aegyptus, aan den canobischen Nijlarm.

Ἀρχή, algemeene naam der overheden in een republikeinschen staat. Te Athene werden zij door het volk gekozen, later in vele gevallen door het lot aangewezen. Voordat zij hun ambt aanvaardden, werd een onderzoek (δοκιμασία) ingesteld, waaruit blijken moest dat zij waren van echt atheensche geboorte, zonder lichaamsgebreken en in het volle genot hunner burgerrechten. Ook mocht niemand twee overheidsambten te gelijk of tweemaal hetzelfde ambt bekleeden. De overheden werden in den regel niet bezoldigd, waren gedurende hun ambtsjaar onschendbaar, maar moesten na afloop daarvan rekenschap (εὔθυναι) van hun beheer afleggen.

Ἀρχηγέτης, z. Apollo.

Ἀρχεῖον heet ieder gebouw waar overheden zitting hielden, in het bijzonder het archief.

Archelāus, Ἀρχέλαος, 1) Heraclide, zoon van Temenus, die voor zijne broeders naar Macedonia vluchtte en daar de stad Aegae stichtte.—2) koning van Sparta, tijdgenoot van Lycurgus.—3) koning van Macedonia (413–399), zoon van Perdiccas II. Hoewel hij door broedermoord zich den weg tot den troon had gebaand, regeerde hij verdienstelijk, zocht het land te beschaven, liet wegen aanleggen en steden stichten, en lokte grieksche letterkundigen en kunstenaars aan zijn hof, o.a. Euripides en Zeuxis. Ook was hij de eerste, die een soort legerorganisatie inrichtte.—4) een Cappadociër, veldheer van den pontischen koning Mithradātes VI. In 87 viel hij met een groot leger in Griekenland, doch werd in 86 door Sulla verslagen, eerst bij Chaeronēa en daarna bij Orchomenus in Boeotia. Hij was het, die den vrede tusschen den koning en Sulla tot stand bracht, doch daar Mithradates meende dat hij daarbij te veel aan Sulla had toegegeven, viel hij in ongenade en ging hij (83) tot de Romeinen over.—5) zoon van no. 4. Pompeius stelde hem in 63 tot opperpriester van Comāna in Pontus aan; doch in 56 ging hij, terwijl hij zich voor een zoon van Mithradātes uitgaf, naar Aegypte, huwde de aegyptische prinses Berenīce, die haren vader, den algemeen gehaten Ptolemaeus XI Aulētes, had verdreven, en werd zóó koning van Aegypte, doch sneuvelde in den strijd tegen den romeinschen proconsul A. Gabinius, die Auletes op den troon kwam herstellen (55).—6) zoon van no. 5, volgde zijn vader als opperpriester van Comana op, doch werd door Caesar in 47 afgezet.—7) zoon van no. 6, werd door M. Antonius, om der wille zijner schoone moeder Glaphyra, tot vorst van Cappadocia verheven (41) en later (36) door Octaviānus in de regeering bevestigd, doch na een regeering van 50 jaar door Tiberius afgezet en naar Rome ontboden, waar hij weldra stierf (14 n. C.). Aan zijn zoon, die eveneens Arch. heette, werd slechts een klein deel van het rijk zijns vaders gelaten.—8) zoon [78]van Herōdes den Grooten (z. a.). Van zijns vaders rijk kreeg hij (4 v. C.) met den titel van ethnarch de landschappen Samaria, Judaea en Idumaea; doch om zijne wreedheid werd hij door Augustus afgezet en naar Vienna in Gallia verbannen (6 n. C.).—9) leerling van Anaxagoras, volgens sommigen leermeester van Socrates.

Archemorus, Ἀρχέμορος, eigenlijk Opheltes, het zoontje van Lycurgus, koning van Nemea, en Eurydice. Toen de zeven vorsten tegen Thebe optrokken en in de nabijheid van Nemea water zochten, lieten zij zich door Hypsipyle, die op het kind passen moest, den weg wijzen. In hare afwezigheid werd Opheltes door een draak gedood. Daar Amphiarāus deze gebeurtenis als een slecht voorteeken beschouwde, noemde men den knaap Archemorus (voorganger in den dood); de zeven vorsten begroeven hem plechtig en stelden tot zijne nagedachtenis de nemeïsche spelen in.

Archermus, Ἄρχερμος, van Chius, beeldhouwer uit 600–550. Men vertelt, dat hij het eerst de Nike gevleugeld voorgesteld heeft; of echter de gevleugelde godin, die bij de opgravingen op Delus gevonden is, van hem is, wordt tegenwoordig betwijfeld.

Archestratus, Ἀρχέστρατος, 1) atheensch veldheer in den peloponnesischen oorlog, sneuvelde in 406 bij Mytilēne.—2) van Gela, tijdgenoot van den jongen Dionysius. Zijn leerdicht in hexameters, Ἡδυπάθεια, over kookkunst en gastronomie, werd wegens zijne wetenschappelijke waarde door Aristoteles als bron voor zijne natuurlijke historie der visschen gebruikt.

Archias, Ἀρχίας, 1) een Heraclide uit Corinthe, stichter van Syracūsae (734).—2) een Thebaan, die mede de Cadmēa aan de Spartanen overgaf (382) en door hun invloed polemarch werd. Bij de terugkomst der verbannenen werd hij met de zijnen aan tafel gedood (379).—3) A. Licinius Archias z. Licinii no. 37.

Archidāmus, Ἀρχίδαμος, naam van vijf spartaansche koningen: 1) Arch. I regeerde tijdens den tweeden messenischen oorlog.—2) Arch. II, zoon van Zeuxidāmus (468–427). Na langen strijd bedwong hij den opstand der Messeniërs en Heloten, die op de aardbeving van 465 volgde. Bij het begin van den peloponnesischen oorlog, dien hij tevergeefs ontraden had, voerde hij jaarlijks het spartaansche leger naar Attica. Naar hem wordt dikwijls het eerste tijdperk van dien oorlog (431–421) archidamische oorlog genoemd.—3) Arch. III, kleinzoon van den vorigen, voerde nog voordat hij aan de regeering kwam (361) dikwijls het leger der Spartanen aan, in 368 versloeg hij de Arcadiërs en Argiven bij Midea; daarentegen leed hij in 364, toen hij trachtte de Arcadiërs het beleg van Cromnus te doen opbreken, eene nederlaag; ook verdedigde hij in 362 Sparta tegen den aanval van Epaminondas. In 338 sneuvelde hij in een bloedig gevecht tegen de Lucaniërs, tegen welke de Tarentijnen zijne hulp hadden ingeroepen.—4) Arch. IV, kleinzoon van den vorigen, werd in 294 door Demetrius Poliorcētes verslagen.—5) Arch. V, kleinzoon van den vorigen, broeder en opvolger van Agis III, trachtte Cleomenes III in zijn strijd tegen de ephoren te steunen, maar werd reeds bij het begin zijner regeering (227) gedood.

Archilochus, Ἀρχίλοχος, van Parus, bloeide omstreeks 650. In zijn jeugd leefde hij grootendeels op Thasus, waarheen zijn voorvader Telesicles eene kolonie gebracht had. Zijn later leven bracht hij meestal in armoede onder allerlei avonturen en onaangenaamheden in vreemden krijgsdienst door. Later keerde hij echter naar zijn vaderland terug en sneuvelde hij in een gevecht tegen de Naxiërs. Arch. kan als de eigenlijke schepper der iambische poëzie beschouwd worden, hij was de uitvinder van den iambischen trimeter en van verscheiden andere metra, en voerde ook een nieuwe wijze van voordragen in. Onrustig en prikkelbaar van aard, leefde hij met zijne tijdgenooten op gespannen voet, en zeide hij hun in zijne hekeldichten, menigmaal met groote bitterheid, harde waarheden. Vooral de familie van Lycambes, die zijne dochter Neobūle aan Arch. tot vrouw beloofd, maar later zijn woord gebroken had, werd zoo zonder genade door hem bespot en gehoond, dat zij, naar men zegt, zich allen uit schaamte en wanhoop ophingen. Van de gedichten van Arch., die door de ouden zeer hoog geschat werden en die Horatius meermalen nagevolgd heeft, zijn slechts weinige fragmenten bewaard gebleven.

Archimēdes, Ἀρχιμήδης in 287 te Syracūsae geboren, een van de meest beroemde wis- en werktuigkundigen der oudheid, heeft zijn naam door tal van ontdekkingen vereeuwigd. Hij was een leerling van den beroemden alexandrijnschen wiskundige Euclīdes. Op wiskundig gebied vond hij de verhouding van de middellijn tot den cirkelomtrek, de inhoudsformules voor den bol en den cylinder, enz., en schreef verschillende werken, die ten deele bewaard gebleven zijn. Op het gebied van waterweegkunde ontdekte hij de naar hem genoemde wet, dat een lichaam, in eene vloeistof gedompeld, zooveel aan zwaarte verliest, als het gewicht der verplaatste vloeistof bedraagt. In de werktuigkunde vond hij de katrol uit, de naar hem genoemde archimedische schroef of schroef zonder einde en de waterschroef tot het uitmalen van water. Tijdens het beleg van Syracusae door de Romeinen wendde hij zijne bekwaamheden aan om door vernuftig uitgedachte werktuigen den Romeinen afbreuk te doen. Toen eindelijk in 212 de stad door Marcellus werd ingenomen, had deze wel uitdrukkelijk last gegeven, Archimedes te sparen, doch een soldaat, die den beroemden man niet kende en in diens woning doordrong, vond hem verdiept in meetkundige berekeningen, terwijl hij een aantal figuren op den grond getrokken had. Verstoord over de waarschuwing om niet door zijne figuren heen te loopen, doorstak [79]de soldaat hem. Op zijn graf werd, overeenkomstig zijn verlangen, een cylinder met een bol geplaatst, doch in Cicero’s tijd lag het vergeten in een wildernis van struiken.

Archimīmus, directeur of hoofdacteur van een gezelschap mimi of kluchtspelers.

Archīnus, Ἀρχῖνος, een Athener, die Thrasybūlus hielp bij het bestrijden van de dertig en bij de wederinvoering der democratie. Hij stelde voor, het ionische alphabet in Athene in te voeren, en schreef daarover ook een brochure.

Archippus, Ἄρχιππος, atheensch blijspeldichter, omstreeks 410. Hij is een navolger van Aristophanes.

Architheoria, Ἀρχιθεωρία, een liturgie, bestaande in het dragen van een deel der onkosten van de feestgezantschappen, die naar Olympia, Delus e. e. gezonden werden.

Ἄρχοντες eigl. de naam van alle overheden en officieren, in het biz. die van de hoogste overheid der atheensche republiek. Oorspronkelijk was waarschijnlijk de ἄρχων een ambtenaar, die evenals de πολέμαρχος onder den koning stond, langzamerhand gingen rechten en bevoegdheden van laatstgenoemden op de beide anderen over, zoodat ten slotte alle drie in rang en macht gelijk stonden. Onder het koningschap van de Medontiden werden deze ambten voor het geheele leven gegeven, sedert 752 voor tien jaar, omstreeks 682 werd de duur ervan tot een jaar beperkt, en tegelijk werd het aantal archonten door toevoeging van zes θεσμοθέται op negen gebracht, zooals het sedert dien tijd gebleven is. Aanvankelijk waren alleen eupatriden verkiesbaar, sedert Solon pentakosiomedimnen, in verloop van tijd werd het archontaat toegankelijk voor alle burgers, misschien met uitzondering van de theten. De archonten werden oudtijds door den Areopagus benoemd en werden na afloop van hun ambtsjaar leden daarvan, sedert Solon werden zij bij loting aangewezen uit candidaten (ἐκ προκρίτων), van welke iedere phyle 10 verkoos, en tot deze methode keerde men, nadat een proef met directe verkiezing door de volksvergadering genomen was, na korten tijd terug; sedert 487 werden de candidaten aangewezen uit de demen, en het geheele aantal candidaten tot 500 uitgebreid; in lateren tijd, waarschijnlijk in de 4de eeuw, toen het aantal candidaten weer tot 100 teruggebracht was, wees zelfs het lot in iedere phyle de candidaten aan, die om het archontaat moesten loten. De loting was zoo ingericht dat uit iedere phyle een persoon uitkwam; de laatst uitgekomene was γραμματεύς.—De macht en bevoegdheid dezer overheden zijn in den loop der tijden zeer verminderd en in den tijd der onbeperkte democratie is hun niet veel meer opgedragen dan het bezorgen van offers en feesten en het voorzitterschap van sommige rechtbanken. Toch worden de archonten altijd als de eerste overheden beschouwd, en werden zij, voordat zij de gewone δοκιμασία mochten ondergaan, aan een onderzoek door den raad onderworpen. De eerste archont, gewoonlijk alleen ἄρχων, ook wel, omdat het jaar met zijn naam aangeduid werd, ἄρχων ἐπώνυμος genoemd, leidde processen over familie- en erfrecht, benoemde voogden, enz. De tweede, op wien de priesterlijke waardigheid van den koning was overgegaan, en die daarom den naam βασιλεύσ behouden had, had in overeenstemming daarmede toezicht en leiding bij al wat den godsdienst betreft, en had ook kennis te nemen van alle aanklachten die op godsdienstige aangelegenheden betrekking hadden. De derde, πολέμαρχος genoemd, wien oudtijds zonder twijfel de zorg voor het krijgswezen was opgedragen, komt na den slag bij Marathon niet meer in die betrekking voor; als rechter is hij voor vreemdelingen en metoiken, wat de eerste archont voor burgers is. De overige zes archonten dragen gezamenlijk den naam van θεσμοθέται; zij zijn voorzitters bij alle rechtzaken, die niet voor andere magistraten behooren.—Nog in den rom. tijd vindt men ath. archonten vermeld.

Archȳtas, Ἀρχύτας, van Tarente, pythagoreïsch wijsgeer, waarschijnlijk leerling van Philolāus. Als staatsman zeer verdienstelijk, als veldheer onoverwonnen, als wis- en werktuigkundige beroemd, werd hij bovendien om zijn edel karakter door zijne medeburgers hoog geëerd, zoodat hij in strijd met de wet telkens weder tot strateeg benoemd werd. Zijn invloed redde Plato, toen deze door het wantrouwen van Dionysius van Syracuse in levensgevaar verkeerde. Naar men verhaalde, zou hij bij een schipbreuk nabij het voorgebergte Matīnus het leven verloren hebben. Zijn bloeitijd was 400–365.

Arcitenens, bijnaam van Apollo en Diāna.

Arconnēsus, Ἀρκόννησος, 1) eiland op de kust van Ionia, westwaarts van Colophon.—2) eilandje voor de haven van Halicarnassus.

Arctīnus, Ἀρκτῖνος, van Milētus, cyclisch dichter omstreeks 776, behandelde in een episch gedicht, Αἰθιοπίς, de heldendaden van Penthesileia en Memnon, den dood van Achilles en Aiax, enz.

Arctūrus, Arctophylax, Ἀρκτοῦρος, Ἀρκτοφύλαξ. Zie Bootes.

Arctus, Ursa, Plaustrum, Currus, Septentrio, Ἂρκτος, Ἅμαξα, naam van twee sterrenbeelden, door de toevoegsels maior en minor, μεγάλη en μικρά onderscheiden: de Groote en de Kleine Beer, beide van groot belang voor de scheepvaart, daar zij nooit ondergaan. In den grooten beer herkende men gewoonlijk Callisto, in den kleinen haar zoon Arcas. V. a. waren het twee berinnen, die Zeus op Creta een jaar lang verborgen en gevoed hadden, en tot belooning onder de sterren verplaatst waren.

Arculas of -lum, een rondgevouwen doek of draagkussen op het hoofd, ten einde met meer gemak een mand er op te kunnen dragen. Ook een tak van den granaatappelboom, om het hoofd gebogen bij wijze van krans, waarvan de einden door een wit wollen band waren saamgebonden; deze werd door de flaminica Dialis gedragen bij alle offerplechtigheden, [80]soms ook door de vrouw van den rex sacrificulus.

Arcus.

Arcus, 1) het bekende schietwapen, τόξον, waarvan hier geene verdere verklaring noodig is. Wij geven hierboven twee afbeeldingen van bogen; de onderste wordt arcus sinuatus geheeten.—2) in de bouwkunde elke uit bouwstoffen vervaardigde boog, meer in het bijzonder eerepoorten en eerebogen. Onder de republiek waren zij meestal slechts tijdelijk, of van gewonen gehouwen of gebakken steen opgetrokken, en werden fornices genoemd; doch onder de keizers werden zij met de meest mogelijke pracht van marmer en beeldhouwwerk als blijvende gedenkteekenen opgericht. Vijf zulke triumfbogen zijn te Rome bewaard gebleven: de arcus Drusi, de a. Titi (zie bovenstaande afbeelding) de a. Septimii Severi. de a. Gallieni en de a. Constantini.

Boog van Titus.

Boog van Titus.

Ardea, Ἀρδέα, in Latium, oude hoofdstad der Rutuliërs, sedert 442 romeinsche kolonie, later vervallen.

Ardeas, zoon van Odysseus en Circe, stichter van Ardea in Italië; v. a. echter was deze stad door Danaë gesticht.

Ardericca, Ἀρδέρικκα, plaats aan den Euphraat, ook eene plaats nabij Susa, waarheen Darius de gevangene Eretriërs overbracht.

Ardescus, Ἄρδησκος, onbekende zijrivier van den Ister in europeesch Sarmatië, mythologisch een zoon van Oceanus en Tethys.

Ardettus, Ἀρδηττός, heuvel ten Z. O. van Athene, bij het Stadion, waar de heliasten jaarlijks hun eed aflegden.

Arduenna silva, in Belgica, thans de Ardennen en de Eifel.

Ardys, Ἄρδυς, zoon en opvolger van Gyges, koning van Lydië, 654–617. In het begin van zijn regeering valt de inval der Cimmerii (z. a.). Gedurende de laatste jaren van zijn leven veroverde hij Priēne en voerde hij met kracht oorlog tegen Milētus, zonder dat het hem gelukte die stad in te nemen.

Area, in het algemeen eene open ruimte, vooral eene opzettelijk vrijgelaten ruimte, zooals het voorplein vóór een tempel, waar het altaar stond, de voorhof van een huis, en dgl.—Vooral werd de uit leem vastgestampte, soms ook geplaveide dorschvloer, ἁλως, ἀλωή, aldus geheeten. Hij lag nabij de boerderij, in de open lucht, eenigszins hoog ten behoeve eener goede afwatering. Het koren werd uitgetreden door vee of door zware blokken (tribula), waarvoor een trekdier was gespannen, of met knuppels en dorschvlegels uitgedorscht.

Arēa, Ἀρεία, 1) z. Aphrodite. De dienst van Aphrodīte Arēa was te Sparta inheemsch, waar zij een tempel met een gewapend beeld had, en werd later naar Corinthe, Cythēra en Cyprus overgebracht.—2) bijnaam van Athēne. Onder dien naam had zij een gewapend beeld in den tempel van Ares. Orestes zou na zijne vrijspraak voor het eerst een altaar voor haar hebben opgericht.

Areïthous, Ἀρηίθοος, koning van Arne, geducht strijder, om zijn ijzeren knots κορυνήτης bijgenaamd. De arcadische koning Lycurgus doodde hem en ontnam hem zijne wapenen. [81]

Arelas, Arelāte of -tum, Ἀρελάτη, thans Arles, stad in Narbonensis, ter weerszijden van den Rhodanus (Rhône) gelegen, met belangrijke overblijfselen uit den rom. tijd, sedert 46 rom. kolonie. Arelas was eene bloeiende koopstad.

Aremorica, de kuststreek van Gallia ten N. van den Liger (Loire) en langs den Oceanus Britannicus (het kanaal). De naam wordt afgeleid van het keltische ar = aan, bij, en môr = zee. Bij Plinius is het de oude naam voor Aquitania in engeren zin (z. a.).

Arēna, het met zand bestrooide strijdperk in het amphitheater, waar de gevechten van dieren en van zwaardvechters plaats vonden. Bloedvlekken werden telkens onzichtbaar gemaakt door er nieuw zand over te strooien. Overdrachtelijk wordt arena ook gebruikt voor het geheele amphitheater, voor den strijd zelf en ook voor elke soort van wedstrijd en van oefenplaats.

Arenācum, Arenatium, Arenatio, stad in het gebied der Batavieren, aan den weg tusschen Castra Vetera (Xanten) en Noviomagus (Nijmegen), misschien het dorp Rindern bij Kleef.

Areopagus, Ἄρειος πάγος, heuvel in Athene, waar de oudste en beroemdste rechtbank (ἡ ἐν Ἀρείῳ πάγῳ of ἐξ Ἀρ. π. βουλή) zitting hield. Deze rechtbank, volgens het meest bekende verhaal samengesteld bij het proces van Orestes en volgens beschikking van de godin Athēna ook voor het vervolg behouden, behandelde onder indrukwekkende formaliteiten de zwaarste misdaden, zooals opzettelijken moord, brandstichting en dgl., waarop doodstraf of verbanning stond. De aangeklaagde had gedurende de vier maanden, die tusschen de aanklacht en het vonnis moesten verloopen, geen toegang tot publieke plaatsen; hij kon zich echter, behalve in geval van vadermoord, vrijwillig in ballingschap begeven. Wanneer over het vonnis de stemmen staakten, volgde vrijspraak, daar Athēna dan verondersteld werd, evenals bij het proces van Orestes, voor vrijspraak gestemd te hebben (calculus Minervae).—Sedert 683 wordt de Areop. jaarlijks aangevuld uit de gewezen archonten, die voldoende verantwoording van hun beheer gegeven hadden en voor hun leven zitting hadden; hij had het toezicht over de geheele staatsregeling en over de wetten, zeden en tucht. Solon maakte hem tot een politiek gerechtshof, waarbij men klachten kon indienen tegen de ambtenaren. Welke bevoegdheden met het toezicht op de wetten verbonden waren, vindt men nergens nauwkeuriger omschreven; ook zijn de gevallen waarin de Areop., hetzij uit eigen beweging, hetzij volgens opdracht van het volk, optrad, van zeer verscheiden aard; overal ziet men echter dat hij, wanneer hij optrad, door het groote vertrouwen, dat hij genoot, grooten invloed kon uitoefenen. Doch met zijne uit den aard der zaak conservatieve gezindheid schijnt dit lichaam de volkomen ontwikkeling der democratie in den weg te hebben gestaan, en omstreeks 462 werd het door Themistocles en Ephialtes, later nog door Pericles, van zijne politieke macht beroofd. Sedert dien tijd is de Areopagus bijna uitsluitend gerechtshof in gevallen van moord en doodslag. In den rom. tijd is het weder het voornaamste regeeringslichaam.

Ares van de villa Ludovisi.

Ares van de villa Ludovisi.

Ares, Ἄρης, Mars, zoon van Zeus en Hera, god van het krijgsgewoel en van bloedige gevechten. In gezelschap van zijne kinderen Deimos en Phobos, van zijne zuster Eris en van de moordgodin Enȳo, begeeft hij zich in den strijd, waar hij zich evenmin bekommert om orde en regelmaat, als om het recht der strijdende partijen. Om zijn onstuimigheid en zijn bloeddorstigen aard is hij zelfs bij Zeus meer dan eenig ander god gehaat. Telkens geraakt hij in strijd met Athēna, de godin van het krijgsbeleid, en telkens moet hij het onderspit delven; zelfs aan stervelingen gelukt het door hare hulp den god te wonden.—De eeredienst van Ares was waarschijnlijk uit Thracië ingevoerd en werd in Griekenland nooit algemeen. De wolf, het paard en de haan waren hem heilig. Zijne beelden vertoonen gewoonlijk eene jeugdige, gespierde gestalte, donkere gelaatstrekken, kleine oogen, wijd geopende neusgaten en kort haar.

Arestorides, Ἀρεστορίδης, Argos, de zoon van Arestor.

Aretaeus, Ἀρεταῖος, uit Cappadocia, beroemd geneesheer te Rome uit de 2de helft van de 2de eeuw na C.

Aretalogus, een persoon, die den kost verdiende door bij feestmalen de dischgenooten te vermaken, vermoedelijk door, als een soort van nar, te zwetsen en te bluffen. Oorspronkelijk is het echter iemand, die op eentonige wijs de deugden en de macht van de een of [82]andere oostersche godheid verkondigt, of van allerlei wonderen opsnijdt.

Aretas, naam van eenige vorsten der Nabataeërs in Arabia Petraea. Een hunner, die zich in de joodsche zaken mengde, werd op bevel van Pompeius door diens quaestor M. Aemilius Scaurus verdreven en in de stad Petra belegerd (64). Een andere Aretas, wiens dochter met Herodes II Antipas gehuwd, doch ter wille van Herodias verstooten was, viel in Judaea ten tijde van Tiberius. Diens overlijden (37 n. C.) verhinderde het uitbarsten van een oorlog. Toen Paulus uit Damascus ontsnapte, stond de stad onder het bevel van den stadhouder (ἐθνάρχης) van Aretas.

Arēte, Ἀρήτη, 1) gemalin van Alcinoüs. Zoowel Odysseus als Medēa werden door haar gastvrij ontvangen en in bescherming genomen.—2) dochter van Aristippus, den stichter der cyrenaïsche school; zij beoefende zelve ijverig de wijsbegeerte en onderrichtte haar zoon daarin.—3) dochter van Dionysius I van Syracuse, gehuwd met Dio, en gedurende zijne afwezigheid aan Democrates tot vrouw gegeven. Na zijne terugkomst nam Dio haar weder tot zich, en nadat hij vermoord was, werd zij eerst gevangen gehouden en toen in zee geworpen.

Aretho, Ἄραιθος, Ἄρατθος = Arachthus, rivier in Epīrus.

Arethūsa, Ἀρέθουσα, 1) bron op Ortygia (z. Alpheus).—2) bron in Elis.—3) bron op Ithaca.—4) bron op Euboea.—5) bron bij Thebae.—6) stad in Syrië aan den Orontes.

Areus, Ἀρεύς, koning van Sparta (310–265). Met Ptolemaeus II verbonden, voerde hij oorlog tegen de Aetoliërs, maar leed bij Cirrha een volkomen nederlaag. In 272 sloeg hij den aanval van Pyrrhus op Sparta af, ook verleende hij hulp aan Argos tegen hem. Hij sneuvelde in den Chremonideïschen oorlog in een gevecht bij Corinthe.

Arevaci en -cae, machtige en dappere volksstam in Hispania Tarraconensis, tot wier gebied de stad Numantia aan den Boven-Durius (Douro) behoorde.

Ἀργαδεῖς, naam van de laatste der vier oude attische phylae, naar Argades, een zoon van Ion.

Argaeus, Ἀργαῖος, 1) koning van Macedonië, zoon van Perdiccas I.—2) koning van Macedonië, die in 393 aan Amyntas III de regeering ontnam en deze twee jaar behield.—3) zoon van Ptolemaeus Lagi, werd door zijn broeder Ptolemaeus Philadelphus gedood.

Argaeus mons, Ἀργαῖον ὄρος, sneeuwgebergte in het midden van Cappadocia.

Arganthonius, Ἀργανθώνιος, koning van Tartessus in Hispania, die 120 jaar leefde, waarvan hij 80 jaar regeerde. Zeelieden uit Phocaea, die omstreeks 550 bij hem kwamen, werden zeer goed door hem ontvangen, zelfs trachtte hij hen te overreden met al hunne landgenooten in zijn rijk te komen wonen.

Arganthonius mons, Ἀργανθώνιον ὄρος, berg in Bithynia, op eene landtong, die tusschen twee golven in de Propontis (zee van Marmara) vooruitspringt. In de nabijheid zou Hylas door de nimfen geroofd zijn.

Argēa, Ἀργεία, 1) dochter van Adrastus, gehuwd met Polynīces.—2) zuster van Theras, gehuwd met Aristodēmus no. 1.

Argēi, naam van 27 offerplaatsen te Rome, volgens de overlevering door Numa gewijd, waar, naar het schijnt, door of vanwege de pontifices op zekere tijden offers werden gebracht. Ook verstaat men onder Argei aangekleede poppen, opgevuld met stroo of met biezen, die ten getale van 27 op 15 Mei van de houten paalbrug (pons sublicius) in den Tiber werden geworpen, ten overstaan van de pontifices, de vestaalsche maagden en den praetor urbanus. Men gelooft vrij algemeen hier te doen te hebben met een zoenoffer aan de rivier, oorspronkelijk waarschijnlijk een menschenoffer. Argei zijn namelijk oorspronkelijk Grieken, die als landsvijanden jaarlijks sedert de 2de helft der 3de eeuw volgens de aanwijzing der Sibyllijnsche boeken Graeco ritu gedood werden; men vergelijke het herhaaldelijk dooden van een Gallus en eene Galla, eveneens volgens aanwijzing dier boeken. Spoedig echter zijn deze bloedige offers door het afwerpen van stroopoppen (simulacra hominum scirpea) vervangen. Bij senaatsbesluit van het jaar 97 werd elk menschenoffer verboden.

Argentarius. De werkkring der argentarii was tamelijk veelzijdig. Zij bezorgden geld- en handelszaken voor anderen, belastten zich met koop en verkoop en vervulden alzoo de rol van makelaars, van wisselaars en van bankiers. In deze laatste hoedanigheid gaven zij ook wissels af op andere plaatsen, namen geld voor anderen in ontvangst en deden op last hunner lastgevers uitbetalingen. De uitdrukking per mensam solvere beteekent dus: eene aanwijzing op zijn bankier geven. Hunne zaken deden zij meest in de tabernae argentariae veteres en novae aan het forum, die door den staat gebouwd en aan hen verhuurd werden.

Argentorātum, rom. municipium aan den Rijn in het land der Triboci, met groote wapenfabrieken, thans Straatsburg. In de nabijheid van deze stad versloeg Juliānus als Caesar (onderkeizer) in 357 n. C. de Alamannen, die in den Elzas gevallen waren, en een groot gedeelte van Gallië plunderden.

Arges, Ἄργης, een cycloop.

Argi, oorspronkelijke latijnsche naam voor de stad Argos.

Ἀργίας γραφή, aanklacht, die men oorspronkelijk bij den Areopagus, later bij den ἄρχων ἐπώνυμος kon indienen tegen iemand, die geen beroep uitoefende en daardoor zijn nabestaanden tot last was. Dit werd eerst met eene boete, bij herhaling met atimie gestraft.

Argilētum, eene buurt in Rome, tusschen den mons Quirinālis en het forum. In deze buurt waren vooral boekwinkels en winkels van handwerksnijverheid. De naam wordt zoowel afgeleid van argilla (dus zooveel als [83]kleibuurt), als verklaard door den dood van Evander, die hier zou vermoord zijn.

Argilus, stad op de macedonische kust aan de golf van den Strymon, kolonie van Andrus.

Arginūsae, Ἀργινοῦσσαι, groep van drie eilandjes tusschen Lesbus en de kust van Aeolis. Hier behaalde de atheensche vloot in den peloponnesischen oorlog hare laatste overwinning op de Spartanen (406); doch niettemin werden de atheensche veldheeren te Athene ter dood gebracht, omdat zij verzuimd hadden de drenkelingen op te visschen.

Argiphontes, Ἀργειφόντης, Argusdooder, bijnaam van Hermes.

Argippaei, Ἀργιππαῖοι, stompneuzige en kaalhoofdige nomadenstam in Sarmatia. Het is waarschijnlijk een turksch volk, dat ten Z. van het Altaïgebergte woonde. De oost-aziatische handelsweg naar den Pontus liep door hun land.

Argissa, Ἄργισσα, stad in Pelasgiōtis in Thessalia, later Argūra genaamd.

Argīva, Ἀργεία, bijnaam van Hera.

Argīvi, Ἀργεῖοι, zie Argos.

Argo, Ἀργώ, het schip, waarmede Iāson en zijne metgezellen (de Argonauten) naar Aea voeren. Het was gebouwd van hout dat op den Pelion gegroeid was, en werd door vijftig roeiers in beweging gebracht. Athēna zelve hielp bij het bouwen en voegde er een stuk van den sprekenden eik van Dodōna in. Bij zijne terugkomst wijdde Iason het schip op de landengte van Corinthe aan Poseidon, later werd het onder de sterren geplaatst.

Argolis, Ἀργολίς, oude en door de Romeinen op nieuw in zwang gebrachte naam van het landschap Argos in de Peloponnēsus (zie Argos).

Argonautae, Ἀργοναῦται, Iāson en zijne metgezellen, die met het schip Argo naar Aea voeren, om het gouden vlies terug te halen, dat daar door Phrixus in een woud van Ares was opgehangen. Ofschoon de sage van den Argonautentocht bij de Minyers ontstaan is, was hare groote vermaardheid oorzaak, dat in verloop van tijd de meeste helden die in dien tijd geleefd konden hebben, ook uit andere grieksche stammen, onder de vijftig deelnemers aan den tocht geteld werden, o.a. Heracles, Castor en Polydeuces, Peleus, Theseus, Tydeus, Meleager, Orpheus. De Argonauten stonden onder de bizondere bescherming van Hera en Athēna; zij bereikten dan ook hun doel, in weerwil van vele gevaren en avonturen. De heenreis gaat van Iolcus over Lemnus, door den Hellespont, langs Cyzicus, door de Symplegadische rotsen en verder langs de kust van de Zwarte zee; op de terugreis werd v. s. dezelfde weg genomen; doch volgens de meeste verhalen werd het schip door storm op een verkeerden weg gedreven en kwamen de reizigers eerst na lange omzwervingen in Iolcus terug. Er is dan ook bijna geen land, of de Argonauten zijn er volgens een of ander verhaal geweest, zelfs zouden zij in twaalf dagen door de libysche woestijn getrokken zijn, terwijl zij het schip Argo op hunne schouders droegen; ook bezochten zij Circe, voeren voorbij de Sirenen, Scylla en Charybdis, enz.—Men gelooft dat de sage van den Argonautentocht, die zeer oud is, herinneringen bevat aan de vroegste zeetochten, die door de Minyers, een zeevarend volk, ten behoeve van handel en kolonisatie werden ondernomen.

Argos, τὸ Ἄργος. De naam beteekent volgens Strabo vlakte en wordt dus bij meer dan ééne plaats gevonden. Het homerische πελασγικὸν Ἄργος is de vlakte bij Larissa aan den Penēus in Thessalia, en in ruimeren zin ook wel het geheele thessalische vlakland. Τὸ Ἀχαιικὸν Ἄργος bij Homērus is òf de stad Argos in de Peloponnēsus, de woonplaats van Diomēdes, òf het landschap Argos, ook wel Argolis geheeten, òf ook wel de geheele Peloponnēsus, evenals de naam Argīvi bij de dichters nu eens voor de Argoliërs, dan weder voor de gezamenlijke Grieken wordt gebezigd, omdat hun aanvoerder in den trojaanschen krijg, Agamemnon, koning te Mycēnae in Argos was. Het landschap Argos was het oostelijkste van de Peloponnesus. Het was bergachtig en niet zeer vruchtbaar, omdat het arm was aan water. De vlakte, waarin de steden Argos, Mycenae en Tiryns lagen, was vruchtbaarder en geschikt voor paardenfokkerij, ἱππόβοτον Ἄργος bij Homerus. Ook Argos werd, evenals Messēne en Laconica, door de Doriërs veroverd, doch dezen waren hier minder sterk, zoodat de oud-achaeische elementen minder onderdrukt werden en de regeering minder aristocratisch werd dan te Sparta. In Argos behooren de mythen te huis van de Danaïden, van Danaë en Perseus, van Heracles, van de gruwelen der Atridenfamilie. De stad Argos lag aan het riviertje den Inachus, op een steilen heuvel lag de burg Larissa. Na den trojaanschen oorlog was nu eens Argos, dan weder Mycenae de zetel van het bestuur, de Doriërs maakten Argos voor goed tot hoofdstad. Aan den perzischen oorlog kon Argos geen deel nemen, ten gevolge eener vreeselijke nederlaag, die het kort te voren van de Spartanen had ondergaan bij Tiryns. De beroemde beeldhouwer Polyclētus was te Argos (of te Sicyon) geboren. In den tempel van Hera, tusschen Argos en Mycenae gelegen, stond het beroemde, door hem gemaakte beeld der godin.—Ook in het landschap Amphilochia tusschen Aetolia en Epīrus lag eene stad Argos, ter onderscheiding Amphilochicum geheeten.—Nog een ander Argos, Hippium bijgenaamd, zou na den trojaanschen oorlog in Apulia gesticht zijn en uit Ἄργος ἵππιον zou dan de naam Arpi zijn ontstaan.

Argūra, Ἄργουρα = Argissa.

Argus, Ἄργος, 1) zoon van Zeus en Niobe, volgde zijn grootvader Phorōneus als koning van Argos op.—2) zoon van Agēnor, Arestor of Inachus, wiens geheele lichaam met oogen bezaaid was (πανόπτης). Toen Io in eene koe veranderd was, plaatste Hera hem als wachter bij haar, maar Hermes deed hem door zijn fluitspel inslapen en doodde hem daarna. Zijne oogen plaatste Hera daarna in [84]den staart van den pauw.—3) zoon van Phrixus en Chalciope. Hij keerde uit Aea naar Orchomenus terug en bouwde voor Iāson de Argo. V. a. leed hij met zijne broeders schipbreuk bij het eiland Aretias, waar de Argonauten hen later vonden en medenamen naar Aea.

Argyraspides, Ἀργυράσπιδες, eene keurbende van zware infanterie in het macedonische leger, zoo genoemd naar hunne met zilver beslagen schilden. Na Alexanders tocht door Indië werd dit corps opgericht of v. a. werden alle overblijfsels zijner oude grieksche troepen toen erin opgenomen. Later werden zij door Polyperchon onder bevel van Eumenes geplaatst, zij kwamen in opstand en verrieden hun veldheer aan Antigonus, die weldra het corps wegens zijne aanmatigingen ontbond.—Ook de lijfwacht der Syrische koningen bestond uit Argyraspides.

Argyripa, oude naam voor de stad Arpi in Apulia.

Arīa, Ἄρεια, eene der oostelijke provinciën van het perzische rijk, een vruchtbaar bergland, waardoor de Arīus, die bij Herodotus Aces, Ἄκης, heet, stroomde. De bewoners heetten Arii, Ἄρειοι, welke naam niets te maken heeft met den naam Ariërs, waarmede de Indo-Germanen worden aangeduid. De hoofdstad was Artacoana. Op hare plaats of in de nabijheid er van werd later een Alexandria gesticht, Ἀρείων bijgenaamd, thans Herât.

Ariadne, Ἀριάδνη, dochter van Minos en Pasiphaë. Zij vluchtte met Theseus uit Creta, nadat zij hem door een kluwen touw in staat gesteld had zijn weg in het labyrinth te vinden en den Minotaurus te dooden. Terwijl zij op het eiland Naxus ingeslapen was, liet Theseus haar achter en vervolgde alleen de reis naar Athene. Toen zij ontwaakte en zag wat er gebeurd was, wilde zij zich in zee storten, maar juist op dat oogenblik landde Dionȳsus, van zijn tocht naar Indië terugkeerend, op Naxus en, door hare schoonheid getroffen, nam hij haar tot zijne bruid. Sedert dien tijd vergezelde zij den god altijd, en nam zij, op een panther of een olifant zittende, de eerste plaats onder zijn gevolg in. Haar bruidskrans werd onder de sterren opgenomen en v. s. kreeg zij zelve een plaats op den Olympus.—V. a. was zij op Naxus door Artemis gedood, of had Dionysus Theseus bewogen haar te verlaten. Bij vele feesten van Dionysus werd ook Ariadne vereerd. Z. afbeelding.

Ariadne van het Vaticaan.

Ariadne van het Vaticaan.

Ariaeus, Ἀριαῖος, voerde in den slag bij Cunaxa het bevel over den linkervleugel van Cyrus’ leger. Na diens dood ging hij tot Artaxerxes over, en gedeeltelijk door zijn toedoen vielen de grieksche strategen, die onder Cyrus gediend hadden, in de handen van Tissaphernes.

Ariāna. Deze naam, waaronder men het oostelijk gedeelte van het perzische rijk verstaat, was aan de oude Grieken onbekend. Door bergranden van Armenia en van de Euphraat-Tigrislanden gescheiden, strekt Ariana zich uit tot aan den Indus, en omvat dus ongeveer het tegenw. Irân, Afghanistân en Beludchistân. De scherpe afwisseling van gloeiende zomerhitte met felle winterkoude en het gebrek aan water maakten, dat het land schaars bevolkt was. Behalve nomadenstammen van elders, was de bevolking arisch. Behalve Media en Persis, die niet altijd onder Ariana begrepen worden, maar toch door hunne ligging er toe behooren, omvat Ar. de landstreken Carmania, Gedrosia, Arachosia, Drangiāne, Arīa, het Paropanisadenland, Bactrīane, Sogdiāne, Parthyaea, Hyrcania.

Ariarāthes, Ἀριαράθης, cappadocische koningsnaam. Ariarathes I werd in 322 door Perdiccas, den rijksbestuurder na Alexander den Grooten, verslagen en ter dood gebracht. Zijn zoon, Ar. II, herwon het vaderlijk gebied (302). Ar. IV hielp zijn schoonvader Antiochus III van Syria in den oorlog tegen de Romeinen, doch sloot later met hen een verbond van vriendschap (188). Ar. V had zijne opvoeding te Rome ontvangen. Bij den dood zijns vaders (162) betwistte een ondergeschoven zoon van dezen, Holophernes, hem met syrische hulp het rijk, zoodat hij naar Rome moest vluchten, waar men eene verdeeling tot stand bracht. Later hielp hij de Romeinen in den oorlog tegen Aristonīcus van Pergamus, waarbij hij sneuvelde (130). Onder de volgende Ariarathessen maakte Mithradātes van Pontus zich van Cappadocia meester en zette er zijn eigen zoon Ariarathes op den troon, terwijl de Romeinen Ariobarzanes I tot koning aanstelden (95). Een [85]latere Ariarathes, zoon van Ariobarzanes III, werd door den drieman M. Antonius afgezet (zie Archelaüs no. 7).

Ariaspae, Ἀριάσπαι, ruitervolk in Drangiāne. Zij zijn ook bekend om hun korenbouw, en hadden hun land vruchtbaar gemaakt door talrijke bevloeiïngen.

Aricia, Ἀρικία, zeer oude stad van Latium aan den appischen weg, ten Z. van den Albanus lacus, sedert 338 civitas sine suffragio, vervolgens een bloeiend municipium. In de buurt vond men den lacus Nemorensis (tgw. Lago di Nemi), aan welks oever een Diāna-tempel stond. Hiernaar werd het meer ook speculum Dianae genoemd. De priester van dezen tempel, met den titel rex Nemorensis, was in later tijd een weggeloopen slaaf, die zijn ambt zoolang bekleedde, tot er een sterkere kwam, die hem in een gevecht overwon. De Diana Aricina is eene in Latium inheemsche godin, die de vrouwen in verschillende omstandigheden haars levens steunt.

Aries, stormram of muurbreker, bestaande uit een zwaren balk, van voren met een zwaren metalen ramskop voorzien. Hij hing op de wijze van een schommel aan touwen of kettingen, werd dan achteruitgetrokken en losgelaten, zoodat hij met kracht tegen den vijandelijken muur beukte. Om de kracht te vermeerderen, waren de arietes geweldig zwaar en soms aan het achtereinde nog van zware gewichten voorzien, zoodat er dikwijls 1500 manschappen noodig waren om ze te bedienen. Bij het beleg van Carthago gebruikte Scipio twee rammen voor welks bediening hij 6000 man noodig had. De gewone lengte van den balk was 80 tot 100 voet. Flavius Josephus beschrijft een stormram, waarvan de kop eene dikte van tien mannen en elk der beide horens eene mansdikte had. De aries stond, ter beveiliging der manschappen onder een sterk schutdak, testudo arietaria. Wilde de belegerde stad voorwaarden van overgave bedingen, dan moest zij dit doen, voordat de stormram de muren had aangeraakt.

Arima, τὰ Ἄριμα, een berg ergens in Klein-Azië, waaronder de reus Typhoëus bedolven lag. De bewoners heetten Arimi. De woorden εἰν Ἀρίμοις als één woord gelezen, hebben aanleiding gegeven tot de meening, dat het eiland Inarime of Aenaria in de golf van Napels was bedoeld.

Arimaspi, Ἀριμασποί, fabelachtig volk in het verre Noordoosten van Europa of in Libye. De Grieken stellen hen voor als eenoogige menschen, die om het goud in hun bergen een eeuwigen strijd met de griffioenen voeren. Sommigen zien hierin een dichterlijke inkleeding van geruchten aangaande den mijnbouw in den Oeral.

Ariminum, Ἀρίμινον, bloeiende zeestad in Umbria, door de via Flaminia met Rome, en door de via Aemilia met Cisalpīna verbonden. Een tijd lang was het in bezit der senonische Galliërs, doch na hunne verdrijving keerde de umbrische bevolking terug en werd de plaats in 268 rom. kolonie. Thans Rimini.

Ariobarzanes, Ἀριοβαρζάνης, veldheer van den perzischen koning Darīus III Codomannus, die nog eene laatste vruchtelooze poging deed om den voortgang der Macedoniërs te stuiten; hij werd, nadat hij zich had overgegeven, door Alexander eervol behandeld.—Ook werd deze naam gedragen door een drietal koningen van Cappadocia. Ar. I werd in 95 door de Romeinen als koning aangesteld, doch meermalen door Mithradātes van Pontus verdreven. Als spotnaam noemde men hem Philoromaeus of Romeinenvriend. Hij werd in 63 opgevolgd door zijn zoon Ar. II, en deze in 51 door Ar. III, die in den burgeroorlog eerst de partij van Pompeius, maar later die van Caesar koos, en in 43 door Cassius werd omgebracht.

Arīon, 1) Ἀρίων, van Methymna, beroemd dichter, zanger en citherspeler, die het eerst bij de Dionȳsusfeesten den dithyrambus door koren liet voordragen. Hij leefde langen tijd aan het hof van Periander van Corinthe, bij wien hij in hooge gunst stond. Toen hij van eene reis door Italië en Sicilië naar Corinthe terugvoer, besloten de matrozen, begeerig naar de schatten die hij bij zich had, hem te dooden. Op zijn verzoek werd hem toegestaan voor zijn dood een lied te zingen; hij trad naar den voorsteven, van waar hij zich bij het einde van zijn gezang in zee stortte. Maar een van de dolfijnen, die door de heerlijke muziek aangelokt waren, nam hem op den rug en bracht hem behouden naar Taenarum, van waar hij zijne reis naar Corinthe voortzette. Kort daarna kwam ook het schip te Corinthe aan en Periander, reeds van het gebeurde op de hoogte, liet de matrozen gevangen nemen en voor zich brengen. Eerst loochenden zij alle schuld en beweerden dat Arion te Tarente gebleven was, maar toen deze plotseling zelf verscheen, bekenden zij alles, waarop Periander hen liet ter dood brengen. Op kaap Taenarum stond eeuwen lang een bronzen beeld van Arion, op een dolfijn zittende. De lier en de dolfijn werden onder de sterren geplaatst.—2) Ἀρείων, het bliksemsnelle, met spraak begaafde paard van Adrastus, door Poseidon bij Demēter verwekt.

Ariovistus, germaansch aanvoerder, die in 71 met 15000 Germanen den Rijn overtrok, om in Gallia de Arverners en Sequaners tegen de Aeduers te ondersteunen. Hij versloeg eerst zijne vijanden en onderwierp toen zijne bondgenooten. De rom. senaat verleende hem den titel van vriend en bondgenoot. Toen echter in 58 de onderdrukte gallische volken Caesars hulp hadden ingeroepen en Ariovistus Caesars eischen afwees, bracht Caesar hem in den Boven-Elzass eene zóó afdoende nederlaag toe, dat Ariovistus over den Rijn naar Germania terugvluchtte.

Ariphron, Ἀρίφρων, van Sicyon, dithyrambendichter uit de vierde eeuw.

Arisbe, Ἀρίσβη, 1) dochter van Merops, echtgenoote van Priamus, moeder van Aesacus.—2) trojaansche stad nabij Abȳdus, waarbij Alexander na den overtocht van den Hellespont zijn leger opsloeg.—3) stad op Lesbus, [86]ten Z. van Methymna, die door eene aardbeving verwoest werd.

Aristaenetus, Ἀρισταίνετος, van Nicaea in Bithynië, grammaticus en rhetor, verloor het leven bij eene aardbeving te Nicomedēa (358 na C.). De vijftig brieven vol avontuurlijke liefdesgeschiedenissen, die zijn naam dragen, zijn van veel lateren tijd.

Aristaeus, Ἀρισταῖος, zoon van Uranus en Ge of van Apollo en Cyrēne, een god der oudste Grieken, wiens wezen later met dat van Zeus en Apollo samensmolt. Hij was de beschermer van den landbouw, van de kudden (Νόμιος), de jacht (Ἀγρεύς), de bijen (Μελισσεύς), enz. Hij werd vooral in Thessalië, in Cyrēne en op het eiland Ceos vereerd.

Aristagoras, Ἀρισταγόρας, volgde zijn schoonvader Histiaeus als tyran van Milētus op, toen deze naar Susa aan het hof van Darīus geroepen was. Op verzoek van eenige ballingen uit Naxus, bewoog hij Artaphernes, en door diens tusschenkomst Darius, eene vloot uit te zenden om dat eiland te veroveren en de ballingen terug te brengen; de onderneming mislukte echter, daar de perzische admiraal met Aristagoras twist kreeg en de Naxiërs waarschuwde. Uit vrees voor de ontevredenheid van Darius en aangespoord door een bode van zijn schoonvader, bewerkte Arist. nu een opstand van de ionische steden, die omstreeks 500 uitbrak en waarbij de Ioniërs door de Atheners en Eretriërs met schepen ondersteund werden. Hoewel aanvankelijk voorspoedig, werden de Grieken weldra weder door de Perzen bedwongen en Arist., het ergste vreezende, verliet met anderen Milētus om te Myrcīnus in Thracië eene volksplanting te stichten; reeds het volgende jaar sneuvelde hij echter in een gevecht tegen de thracische Edōni.

Aristarchus, Ἀρίσταρχος, 1) van Athene, een van de hevigste oligarchen ten tijde van de regeering der vierhonderd (411), die met anderen van pogingen tot verraad verdacht werd. Toen de democratie hersteld werd, vluchtte hij en maakte hij op de vlucht van zijne betrekking als strateeg gebruik om Oenoë aan de Boeotiërs over te geven.—2) van Tegea, treurspeldichter, tijdgenoot van Euripides.—3) van Samus, alexandrijnsch wis- en sterrenkundige omstreeks 280. Hij leerde dat de aarde zich om de zon en om haar eigen as beweegt. Een werk van hem over de grootte en de afstanden van zon en maan is bewaard gebleven.—4) van Samothrāce, de beroemdste taalkundige der oudheid, onderwijzer van een zoon van Ptolemaeus Philomētor (Ptolemaeus no. 10). Door Ptolemaeus Physcon (z. Ptolemaeus no. 11) vervolgd, ging hij naar Cyprus, waar hij, 72 jaar oud, stierf (± 144). Van de vele oudere grieksche dichters, die hij grammatisch en critisch behandelde, besteedde hij de meeste zorg aan Homērus, wiens werken hij met verbeterden tekst en met voortreffelijke verklaringen uitgaf. In de scholiën op Homerus vindt men eenige overblijfsels van zijn werk.

Aristeas, Ἀριστέας, 1) van Proconnēsus, schreef een gedicht over de Arimaspen, vol fabelen. Men verhaalde van hem, dat hij van tijd tot tijd van de aarde verdween en na een lang tijdsverloop weder verscheen. Te Metapontum had hij den dienst van Apollo ingevoerd.—2) een andere Ar. werd door Ptolemaeus Philadelphus naar Jeruzalem gezonden, om de zeventig vertalers van het Oude Testament te halen. Dit verhaal staat te lezen in een brief, die uit de eerste helft der 1ste eeuw v. C. dateert.

Aristīdes, Ἀριστείδης, 1) Athener, zoon van Lysimachus, geb. omstreeks 540, bijgenaamd de Rechtvaardige. Hij werkte mede aan de hervormingen van Clisthenes, en streed bij Marathon. Na de daar behaalde overwinning was hij archont. Als voorstander eener meer behoudende politiek verzette hij zich tegen de voorstellen van Themistocles, vooral tegen die betreffende de uitbreiding der zeemacht, en zoo scherp stonden de beide tegenstanders tegenover elkander, dat in 482 het ostracismus toegepast moest worden, en Ar. voor tien jaar verbannen werd. In den slag bij Salamis vervoegde hij zich echter weder bij de atheensche vloot en na de overwinning werd hij uit zijne ballingschap teruggeroepen. Bij Plataeae voerde hij de Atheners aan en later voerde hij het bevel over de vloot. Zijn gedrag was mede oorzaak, dat de hegemonie door de Grieken aan de Atheners aangeboden werd. Zoo algemeen was het vertrouwen dat hij genoot, dat hem de inrichting van de nieuwe symmachie werd opgedragen; hij bepaalde hoeveel ieder voor de vloot moest bijdragen en maakte Delus tot bewaarplaats van de bondskas. De groote gebeurtenissen van zijn tijd hadden hem ook in de binnenlandsche politiek van inzicht doen veranderen, en ook onder zijne medewerking werden de burgerlijke rechten, benoembaarheid tot verschillende ambten, enz., aan een grooter deel der bevolking gegeven. Hij stierf in 467 zeer arm; de staat bekostigde zijne begrafenis, zorgde voor zijn zoon en gaf aan zijne dochters een huwelijksgift.—2) van Thebae, beroemd schilder uit den tijd van Alexander d. G.; hij muntte vooral uit in groote en uitvoerige stukken, die veldslagen of veroveringen voorstelden.—3) van Milētus, in de voorlaatste en laatste eeuw v. C., schrijver van Μιλησιακά, fabulae Milesiae, romantische verhalen uit het leven te Miletus. Het werk was bij de Romeinen zeer gezocht, Sisenna (Cornelii no. 56) leverde eene latijnsche vertaling ervan. Slechts weinige fragmenten zijn overgebleven.—3) grieksch redenaar, zie Aelius Aristides (Aelii no. 10).

Aristion, Ἀριστίων, een epicureïsch wijsgeer, die zich met behulp van Archelāus no. 4 tot tyran van Athene opwierp; toen Sulla de stad veroverd had, liet deze hem ter dood brengen (86).

Aristippus, Ἀρίστιππος, 1) van Cyrēne, geb. omstreeks 435, werd in 416 door zijn vader naar Athene gezonden om het onderwijs [87]van Socrates te genieten; na diens dood trad hij eerst te Aegina, later aan het hof van den jongeren Dionysius, vervolgens ook in verscheiden andere steden, o. a. in zijn vaderstad en te Athene als leeraar op. Hij stierf op hoogen leeftijd, misschien op het eiland Lipara. De leer van Aristippus, die de cyrenaeïsche of hedonische genoemd wordt, noemde als hoogste goed het genot, mits men zich niet erdoor liet beheerschen (τὸ κρατεῖν καὶ μὴ ἡττᾶσθαι ἡδονῆς). Verstand en geestbeschaving stellen den mensch daartoe in staat. Genot is eene zachte beweging, die men met bewustheid ondergaat.—Aristippus was de eenige onder de leerlingen van Socrates, die zich voor zijn onderwijs liet betalen, vandaar dat hij soms sophist genoemd wordt.—2) kleinzoon van den vorigen, door zijne moeder Arēte in de wijsbegeerte van zijn grootvader onderwezen (μητροδίδακτος).

Aristius Fuscus, rom. tooneeldichter en taalgeleerde, vriend van den dichter Horatius.

Aristobūlus, Ἀριστόβουλος, 1) tochtgenoot van Alexander d. Gr., stelde diens daden te boek; zijn werk was een van de voornaamste bronnen waaruit Arriānus geput heeft.—2) joodsch peripatetisch wijsgeer (± 150), die in verscheiden werken trachtte aan te toonen, dat de grieksche philosophie aan joodsche e. a. oostersche bronnen ontleend was.—3) zoon van den joodschen vorst-hoogepriester Alexander Jannaeus, leefde sedert den dood zijner moeder (69) in oorlog met zijn broeder Hyrcānus, die door Aretas, koning der Nabataeërs, werd ondersteund. Aristobulus riep de hulp in van Pompeius (64); doch toen hij dezen zocht te misleiden, werd hij zelf gevangen genomen en Hyrcanus op den troon geplaatst. Later ontkwam Aristobulus wel, doch hij werd opnieuw gevangen, en toen eindelijk Caesar hem in vrijheid had gesteld en hem troepen had gegeven om Judaea te vermeesteren (49), werd Ar. door zijne vijanden door vergif uit den weg geruimd.

Aristocrates, Ἀριστοκράτης, 1) koning van Arcadië, die in den tweeden messenischen oorlog de Messeniërs helpen zoude, maar zich door de Spartanen liet omkoopen om hen te verraden. Als verrader werd hij door de Arcadiërs gesteenigd, waarna zij de koninklijke waardigheid afschaften (668).—2) Athener, een van de admiraals die den slag bij de Arginūsen wonnen en ter dood veroordeeld werden (406). Vroeger had hij tot de 400 behoord.—3) Spartaan, schrijver van Λακωνικά, phantastische verhalen. Hij leefde waarschijnlijk in de 1ste eeuw v. C.

Aristodēmus, Ἀριστόδημος, 1) een Heraclide, vader van Eurysthenes en Procles, die bij den terugtocht naar de Peloponnēsus te Naupactus door den bliksem gedood werd. De Lacedaemoniërs verhaalden echter dat hij nog in Lacedaemon geregeerd had en dat zijne beide zonen in Lacedaemon geboren waren.—2) de held van den eersten messenischen oorlog, die ingevolge een orakel zijne dochter voor het vaderland opofferde. Later werd hij tot koning verkozen en voerde hij den oorlog langen tijd met groote dapperheid; toen echter de verdere verdediging hopeloos was, beroofde hij zich bij het graf zijner dochter van het leven (724).—3) tyran van Cumae in Campanië, erfgenaam van Tarquinius Superbus, die zijne laatste levensjaren bij hem doorbracht.—4) de eenige Spartaan die bij de Thermopylae niet sneuvelde; in Sparta werd hij daarom als een lafaard geschuwd, later sneuvelde hij echter roemrijk bij Plataeae.

Aristogīton, Ἀριστογείτων, 1) z. Harmodius.—2) atheensch redenaar, bijgenaamd κύων, tegenstander van Demosthenes, Dinarchus, Lycurgus en Hyperīdes.

Ἄριστοι, een van de namen, waarmede de edele geslachten in aristocratische republieken zich noemden. De naam berust op vooronderstelde voortreffelijkheid in deugd, beschaving, krijgskunst, enz.

Aristomachus, Ἀριστόμαχος, zoon van Cleodaeus, achterkleinzoon van Heracles. Steunende op een orakel, deed hij eene poging om de Peloponnēsus te heroveren, maar daar hij het orakel verkeerd uitgelegd had, mislukte de onderneming en hijzelf sneuvelde door de hand van Tisamenus.

Aristomenes, Ἀριστομένης, 1) Messeniër, die zijne landgenooten tot een opstand tegen Sparta aanspoorde (684), waarvan de tweede messenische oorlog het gevolg was. De koninklijke waardigheid, die hem wegens zijne uitmuntende dapperheid werd aangeboden, wees hij af; toch was hij de ziel van den oorlog en bracht hij de vijanden meer dan eens in het nauw. Meermalen geraakte hij in het grootste levensgevaar, driemaal viel hij in handen der Spartanen, maar telkens ontkwam hij den dood op wonderdadige wijze, zelfs toen hij reeds te Sparta in den Caeadas geworpen was. Toen met den val der vesting dra de oorlog ten nadeele der Messeniërs eindigde, ging Arist. naar Ialysus, waar hij na zijn dood als heros vereerd werd.—2) atheensch blijspeldichter, tijdgenoot van Aristophanes.—3) Acarnaniër, die onder Ptolemaeus Epiphanes minister was en Aegypte verstandig bestuurde (202–192); aanvankelijk zeer door den koning bemind, werd hij, toen zijne vrijmoedigheid dezen lastig begon te worden, vergiftigd.

Ἄριστον, ontbijt, werd in de oudste tijden vroeg in den morgen, later tegen den middag gebruikt (= prandium). Wat men ’s morgens vroeg nuttigde, heette ἀκράτισμα of ἄριστον πρωινόν of ook wel alleen ἄριστον.

Ariston, Ἀρίστων, 1) van Chius, stoicijnsch wijsgeer omstreeks 275. Ofschoon hij een leerling van Zeno was, liet hij een groot deel van diens leer als nutteloos vallen; volgens hem bestaat er niets tusschen deugd en ondeugd; de deugd is het hoogste goed, al het andere is den wijze onverschillig. Om hem van zijn naamgenoot te onderscheiden wordt hij soms Σειρήν of Φάλανθος bijgenaamd.—2) van Ceus, volgde omstreeks 226 zijn leermeester Lyco als hoofd der peripatetische school op.

Aristonīcus, Ἀριστόνικος, 1) atheensch [88]redenaar, aanhanger van Demosthenes, werd in 322 door Antipatrus gedood.—2) tyran van Methymna op Lesbus, door Alexander den Gr. gevangen genomen en aan de verbitterde Methymnaeërs uitgeleverd, die hem den marteldood deden ondergaan.—3) natuurlijke zoon van Eumenes II van Pergamus. Toen zijn broeder Attalus III in 133 zijn rijk aan de Romeinen naliet, beproefde Aristonicus zich met de wapenen tegen de uitvoering van het testament te verzetten, doch hij werd ten slotte door M. Perperna overwonnen, in zegepraal door Rome gevoerd en vervolgens in de gevangenis gewurgd.—4) alexandrijnsch taalgeleerde, tijdgenoot van Cicero, die zich vooral met de studie van Homērus bezig hield.

Aristophanes, Ἀριστοφάνης, 1) de grootste der atheensche blijspeldichters, waarschijnlijk geb. in 444, gest. in 385. Over zijn leven is weinig bekend. In zijne stukken, die zich bijna alle op politiek gebied bewegen, kiest hij zeer beslist partij tegen het rustelooze drijven van de oorlogspartij en tegen de demagogen en de door hen meer en meer ontaardende democratie. Misschien beoordeelt hij in zijne bewondering voor het voorgeslacht zijn eigen tijd wel wat al te streng, in ieder geval spreekt uit zijne werken oprechte vaderlandsliefde, en kan het niet verwonderen dat hij vurig verlangde naar rustiger en gelukkiger tijden dan die, waarin hij werkzaam was. Hij werkte voor het tooneel van 427–388, in dien tijd schreef hij 40 (v. a. 50) stukken, terwijl nog vier door sommigen aan hem, door anderen aan Archippus toegeschreven werden. Hiervan bestaan, behalve een groot aantal fragmenten, nog elf, de eenige overblijfsels der oude attische comedie die in hun geheel bewaard zijn. Het zijn de Ἀχαρνῆς, opgevoerd bij de Λήναια (Jan.-Febr.) van het jaar 425, Ἱππῆς (Lenaea 424), Νεφέλαι, (oorspronkelijk opgevoerd bij de Διονύσια van het jaar 423, toen het stuk gevallen is; over is slechts de omwerking), Σφῆκες (opgevoerd Lenaea 422), Εἰρήνη (Dionysia 421), Ὄρνιθες (Dionysia 414), Λυσιστράτη (Lenaea 411), Θεσμοφοριάζουσαι (Dionysia 411), Βάτραχοι (Lenaea 405), Ἐκκλησιάζουσαι (389, v. s. 392), Πλοῦτος (388). Zij munten uit door taal en versbouw, vinding en geest, al moge de scherts ons dikwijls wat ruw toeschijnen.—2) van Byzantium, geb. omstreeks 260, studeerde te Alexandrië onder Zenodotus en Callimachus en werd een uitstekend taalgeleerde. Hij bezorgde uitgaven van Homērus en andere dichters en voerde het gebruik van accenten in. Hij stierf, 77 jaar oud, als bibliothecaris te Alexandrië.

Aristophon, Ἀριστοφῶν, 1) atheensch redenaar en staatsman na de verdrijving van de dertig.—2) ὁ Ἀζηνιεύς, invloedrijk redenaar en staatsman, bij wien Aeschines schrijver was.

Aristoteles, Ἀριστοτέλης van Stagīrus, zoon van den arts Nicomachus, geb. 384, ging in 367 naar Athene, waar hij tot den dood van Plato diens leerling bleef. Toen deze in 347 gestorven was, begaf hij zich naar zijn vriend Hermēas, vorst van Atarneus, en na diens val (345) naar Mytilēne, van waar hij echter spoedig (342) naar Macedonië geroepen werd om de opvoeding van Alexander op zich te nemen. Deze toonde ook in later jaren steeds de hoogste achting voor zijn leermeester; Stagirus, dat door Philippus verwoest was, werd weder opgebouwd en ontving eene staatsregeling, die Ar. ontworpen had; ook bij zijne natuurkundige studiën ontving de wijsgeer veel steun van den koning, die hem met groote kosten het noodige materiaal verschafte. In 335 kwam hij weder te Athene en trad hij als leeraar der wijsbegeerte op; reeds bij zijn eerste verblijf aldaar had hij onderwijs gegeven in de welsprekendheid en had hij zich als een tegenstander van Isocrates doen kennen. Na den dood van Alex. werd hij door de antimacedonische partij van godslastering aangeklaagd en vluchtte hij naar Chalcis op Euboea, waar hij spoedig stierf (322).—Zijne voordrachten hield Arist. al wandelend in de schaduwrijke dreven (περίπατοι, vandaar de peripatetische school) van het Lycēum voor eene talrijke schare toehoorders, en wel des morgens voor zijne eigenlijke leerlingen over meer bepaald wijsgeerige vraagpunten (ἀκροαματικά of ἐσωτερικα), des avonds voor een groot publiek over populaire onderwerpen (ἐξωτερικά). Zoo waren ook zijne buitengewoon talrijke werken (minstens 146 titels zijn bekend) deels populair, deels streng wetenschappelijk. Van de laatste soort zijn er genoeg bewaard gebleven om ons zijn veelomvattende kennis zoowel als zijne wetenschappelijke methode te doen bewonderen. Volgens Ar. is de wijsbegeerte het onderzoek naar de eerste oorzaken van het bestaande, en om met vrucht aan zulk een onderzoek te kunnen beginnen is eene uitgebreide kennis van het bestaande, berustend op nauwkeurige waarneming, noodig; tot het opbouwen van een wijsgeerig stelsel moeten dus alle wetenschappen te hulp geroepen worden, en inderdaad behandelen zijne werken zoowel logica, rhetorica, poëzie en kunst in het algemeen, als wiskunde, botanie, zoölogie, physiologie en psychologie, om eindelijk te komen tot ethica, staatswetenschap en, wat hij de eerste philosophie noemt, methaphysica. Al wat bestaat heeft stof en vorm, in de stof ligt de mogelijkheid, kiem, aanleg (potentieel bestaan, δύναμις), van de individuen, maar eerst de vorm geeft hun individueel wezen (actueel bestaan, ἐνέργεια, ἐντελέχεια), daarom staat vorm hooger dan stof, en is het volmaakste dat men zich kan voorstellen, d. i. de godheid, volstrekt onstoffelijke vorm of geest. Voor den mensch ligt het grootste geluk in verstandige en deugdzame werkzaamheid, die uit den aard der zaak door genot bekroond wordt.—Ar. heeft bij zijn leven slechts weinige wetenschappelijke werken uitgegeven; de meeste van zijne handschriften met zijn geheele bibliotheek liet hij aan zijn leerling Theophrastus na; eerst door Apellicon van Teos werden zij gevonden en uitgegeven. Een van zijne werken is eerst 1890 in Egypte gevonden. De leer van Ar. schijnt bij de [89]Romeinen niet veel beoefenaars gevonden te hebben, in de middeleeuwen echter en nog tot het midden der 17e eeuw werd zij aan alle hoogescholen als de eenige ware onderwezen, totdat zij door nieuwere stelsels verdrongen werd.

Aristoxenus, Ἀριστόξενος, van Tarente, een van de beste leerlingen van Aristoteles; van zijne werken is eene verhandeling over de muziek bewaard gebleven. Bovendien beschreef hij de levens van wijsgeeren, dichters enz.

Aristus, Ἄριστος, 1) van Salamis op Cyprus, beschreef, in de eerste helft der 2de eeuw, de geschiedenis van Alexander d. G.—2) van Ascalon, omstreeks het midden der eerste eeuw hoofd der academie te Athene, vriend van Cicero en onderwijzer van M. Brutus.

Arīus, omstreeks 260 n. C. in Cyrenaïca geboren, was onder de regeering van Constantijn den Grooten presbyter te Alexandrië en begon in die hoedanigheid een strijd, welke de christelijke kerk in twee vijandige kampen verdeelde. Volgens hem was Christus door den goddelijken wil uit niets geschapen en had alzoo niet van eeuwigheid af bestaan, en was dus niet gelijk aan (ὁμοιος), maar eenswezend (ὁμοιούσιος) met God. Tegenover hem hielden Alexander, bisschop van Alexandrië, en diens opvolger Athanasius staande, dat Vader en Zoon gelijk waren en beiden van alle eeuwigheid af hadden bestaan. Op het concilie van Nicaea (325 n. C.) werd de leer van Arius veroordeeld en hijzelf uit de kerk gestooten. De keizer evenwel, gebelgd dat men een vonnis had geveld buiten hem om, en willende toonen, dat hij heer was ook over de kerk, verleende Arius gratie, riep hem later naar Constantinopel en verbande daarentegen Athanasius. Bij eene processie in Constantinopel kwam Arius plotseling op raadselachtige manier om het leven (336 n. C.). De strijd in de kerk tusschen het Arianisme en de orthodoxe leer werd omstreeks twee eeuwen lang met groote heftigheid gevoerd. De Gothen waren Arianen.

Ariusia, Ἀριουσία χώρα, kuststreek aan den N. W. kant van het eiland Chius, waar de beste wijn groeide.

Armene, Ἀρμένη, stad aan de kust van Paphlagonia, ten W. van Sinōpe.

Armenia, Ἀρμενία, uitgestrekt bergland ten Z. en Z. W. van de Caucasusgewesten, met de bronnen van den Euphraat en den Tigris, terwijl de Araxes en de Cyrus naar de Caspische zee stroomen. Ten W. van dit land, door den noordelijken Euphraat-arm er van gescheiden, lag Armenia minor, dat somtijds tot Cappadocia werd gerekend, ook een tijd lang met Pontus was vereenigd, en later ook als zelfstandige staat voorkomt. De bevolking van Armenia bestond uit twee standen, den armenischen adel, die van arischen stam was, en lijfeigene boeren, afstammelingen eener vroegere bevolking. Het land was een soort van feudaalstaat en omvatte een aantal gouwen en vorstendommen, als Chorzianēne, Sophēne, Arzanēne, Moxoēne, Gordyēne, enz., die ten deele slechts middellijk onder den koning stonden. Buiten de vorstelijke residentiën, als Armauria, Artaxata, Tigranocerta, bevatte het land weinig belangrijke steden. Armenia maakte achtereenvolgens deel uit van het assyrische, het babylonische, het perzische, het macedonische, het syrische rijk, tot het, omstreeks twee eeuwen v. C. zich van dit laatste losscheurde. De eerste koning van Armenia maior was Artaxias, een gewezen veldheer van Antiochus III, terwijl een ander generaal, Zariadres, Klein-Armenië in bezit nam. De armenische koning Tigrānes (97–56) breidde zijne heerschappij zelfs over Syria uit, dat hem echter door de Romeinen weder werd ontrukt. Sedert werd Armenia van Rome afhankelijk, doch werd nu en dan overheerd door de Parthen. Traiānus maakte er, 114 na C., eene rom. provincie van, doch Hadriānus liet het weder los. Marcus Aurelius heroverde het in 163, doch slechts voor korten tijd. Wanneer in lateren tijd van eene provincie Armenia sprake is, moet hieronder Armenia minor worden verstaan.

Armilla, armband. Vooral bij de oostersche volken werden zij door personen van rang en aanzien gedragen, ook bij de Galliërs. In Griekenland waren de armillae hoofdzakelijk een sieraad voor vrouwen; bij de Romeinen komen zij ook voor als eereblijken voor krijgslieden. Men vond ze in verschillende fatsoenen, zoowel in spiraalvorm, als in den gewonen ringvorm. Als sieraad droeg men ze zoowel om den pols en den benedenarm (ψέλλιον, περικάρπιον), als om den bovenarm, en ook wel om de enkels (περισφύριον).

Armillum, eene soort van wijnkruik. Het spreekwoord anus ad armillum wordt gebezigd voor personen, die gedurig weder tot hunne oude gebreken of gewoonten vervallen.

Armilustrium, een jaarlijksch wapenfeest, op 19 Oct. door de Romeinen gevierd op het Armilustrum, aan den voet van den mons Aventīnus.

Arminius, zoon van Segimer, opperhoofd der Cheruscers, had in de rom. legers gediend en was door Augustus met het burgerrecht en het ridderschap vereerd. Hij was het, die in 9 n. C. de drie legioenen van den rom. veldheer Quinctilius Varus in het Teutoburgerwoud in eene hinderlaag lokte en vernietigde. Door Germanicus werd hij bij herhaling verslagen (15 en 16 n. C.); zijne vrouw Thusnelda en zijn zoon Thumelicus vielen den Romeinen in handen en moesten den zegetocht des overwinnaars opluisteren. Thumelicus stierf later als zwaardvechter. Arminius zelf streed daarna met geluk tegen de Marcomannen onder Maroboduus, maar viel in 19 (v. a. in 21) door sluipmoord, door zijn eigen bloedverwanten beschuldigd dat hij naar de heerschappij stond.

Armorica = Aremorica.

Arna, Ἄρνα, stad in Umbria ten O. van Perusia.

Arnae, Ἄρναι, stad op Chalcidice.

Arne, Ἄρνη, z. Aeolus.

Arne, Ἄρνη, 1) stad in Thessaliotis, later [90]Cierium geheeten.—2) stad in Boeotia, in het Copaïsche meer verzonken.

Arnissa, Ἄρνισσα, stad in het macedonische landschap Eordaea.

Arnobius, te Sicca in Numidia geboren en hierom Afer bijgenaamd, was een geacht rhetor ten tijde van Diocletiānus. Hij omhelsde het christendom en is bekend als schrijver van een werk in zeven boeken, adversus gentes (ἒθνη = heidenen).

Arnon, Ἄρνων, rivier in Palaestina ten O. van den Jordaan, die zich in de Doode zee stort.

Arnus, voornaamste rivier van Etruria, thans Arno.

Aromata, τὰ Ἀρώματα, kaap en stad aan de invaart der Arabische golf, de oostelijke punt van Afrika, thans kaap Guardafui.

Arpi, stad in Apulia, volgens de sage gesticht door Diomēdes, toen deze op zijn terugtocht uit Troje door storm op de daunische kust was geworpen. De plaats zou toen eerst Ἄργος ἵππιον hebben geheeten, welke naam verbasterd zou zijn tot Argyripa en vervolgens tot Arpi. Het was eene bloeiende handelsstad tot in den tweeden punischen oorlog. Na den slag bij Cannae namelijk koos Arpi de zijde van Hannibal (216), doch werd drie jaar later door de Romeinen heroverd en met het verlies zijner vrijheid gestraft, waarna het spoedig in verval kwam.

Arpīnum, volscische stad in Latium ten N. van Fregellae, sedert 303 met de civitas sine suffragio, in 188 ook met het stemrecht begiftigd, geboorteplaats van Marius en van Cicero, wiens vaderlijke woning en landhuis dáár lag, waar de bergbeek Fibrēnus in den Liris stroomt.

Arretium, thans Arezzo, eene der oude 12 hoofdsteden van Etruria, aan den voet der Apennijnen gelegen, nabij de bronnen van den Tiberis en den Arnus, in eene vruchtbare streek. De stad bloeide door industrie en was beroemd door hare wapenfabrieken en vooral sedert de eerste eeuw v. Chr. door hare vazen, uit fijne, roode porceleinaarde gebakken en smaakvol met figuren en relief versierd. Deze vazen werden niet op de schijf gedraaid, maar in vormen geperst.

Arrha of arrhabo, ἀρράβων, ook arra en arrabo geschreven, handgift, godspenning, bij het sluiten eener overeenkomst gegeven, ook wel bij contracten van koop en verkoop. Ook bruidsgeschenk bij eene verloving.

Arrhephoria, Ἀρρηφόρια, feest dat jaarlijks in de maand Scirophorion (Juni-Juli) te Athene ter eere van Athēna gevierd werd. Twee meisjes van 7 tot 11 jaar, die een jaar te voren door den Archon Basileus benoemd waren, en het geheele jaar op de Acropolis vertoefd hadden en aan den dienst van Athena Polias verbonden waren geweest (ἀρρηφόροι), brachten des nachts uit den tempel der godin een korf, waarvan de inhoud aan niemand bekend was, naar een naburige grot en brachten van daar een pak terug, waarvan men evenmin den inhoud wist. Daarop werden zij ontslagen.

Arrhidaeus, Ἀρριδαῖος, zoon van Philippus van Macedonië en de danseres Philīne. Na den dood van Alexander d. G. werd hij onder den naam van Philippus tot koning uitgeroepen, hij was echter wegens zijne zwakke geestvermogens niet in staat zelf te regeeren, zoodat in werkelijkheid de veldheeren van Alexander alle macht in handen hielden. In 317 werd hij met zijne gemalin Eurydice door Olympias vermoord.

Arria, echtgenoote van Caecīna Paetus. Toen deze onder de regeering van keizer Claudius wegens samenzwering ter dood was veroordeeld (42 n. C.), en aarzelde zichzelf om het leven te brengen, stiet Arria zich eerst den dolk in de borst en reikte hem toen haren echtgenoot toe met de woorden: “Paetus, het doet geen pijn.” Hare dochter Arria was gehuwd met Paetus Thrasea, die op last van Nero moest sterven, omdat hij te onverholen zijn afkeer van diens daden te kennen gaf.

Arriānus (Flavius), Ἀρριανός, van Nicomedië, stoicijnsch wijsgeer en geschiedschrijver, leerling van Epictētus. Door de gunst van keizer Hadriānus werd hij, hoewel Griek, senator en tusschen 121 en 124 n. C. consul suffectus, daarna (131–137 n. C.) stadhouder van Cappadocië, in welke betrekking hij met roem tegen de Alanen streed. Na 147 woonde hij te Athene, waar hij het burgerrecht, archontaat e. a. eerambten kreeg. Van zijne geschiedkundige, krijgskundige en wijsgeerige geschriften zijn eenige bewaard gebleven, daaronder zijn voornaamste werk, de geschiedenis der veldtochten van Alexander, Ἀνάβασις Ἀλεξάνδρου, in stijl en bewerking een navolging van Xenophon, dat reeds bij de ouden voor het beste boek over dit onderwerp gehouden werd. Zie ook Epictetus.

Arrius (Q.), een man van geringe afkomst, die het echter tot praetor had weten te brengen, is bekend door het prachtige feestmaal, dat hij bij zijns vaders uitvaart gaf, in 59, om daardoor stemmen te werven voor zijne verkiezing tot consul. Hiervan onderscheiden is een andere Q. Arrius, die als rom. veldheer in den zwaardvechtersoorlog voorkomt, in 72, toen hij Crixus versloeg, en die eigenlijk Verres als pro-praetor van Sicilië had moeten opvolgen, hetgeen door de moeilijkheden van den zwaardvechtersoorlog verhinderd werd.

Arrogatio heette de aanneming tot zoon van iemand, die sui iuris was. Dit was voor hem, die zich liet arrogeeren, eene capitis deminutio (z. a.). Hij verloor den status familiae; er ging dus eene familia verloren. Uit dien hoofde werd hiertoe telkens eene wet vereischt, die door de curiën moest worden goedgekeurd. Daar elke familia hare sacra had, zoo moest aan de stemming eene verklaring der pontifices voorafgaan, dat uit het oogpunt van godsdienst geen bezwaar tegen de arrogatio was. Hoewel nu de aangenomen zoon den geslachts- en den familienaam van zijn adoptiefvader aannam, zoo werden toch mannen, die reeds op rijperen [91]leeftijd zich tot zoon lieten aannemen, dikwijls nog bij hun ouden naam genoemd. Zie ook adoptio.

Arruns = Aruns.

Arruntii, plebejisch geslacht.

Arsaces, Ἀρσάκης. In het midden der derde eeuw kwam zekere Arsaces, volgens sommigen van scythische, volgens anderen van perzische afkomst, in opstand tegen den syrischen koning Antiochus II. Het gelukte hem, rondom de stad Hecatompylos een klein rijk te stichten, dat onder zijne opvolgers door veroveringen zich uitbreidde tot het later zoo machtige parthische rijk. De door Arsaces I gestichte dynastie wordt die der Arsaciden genoemd. De eigenlijke grondlegger van de macht der Parthen was de broeder en opvolger van Arsaces I, Arsaces II Tiridātes (248–211), die na eene schitterende overwinning op de Syriërs (238) zijne regeering over Hyrcania, Arīa, Drangiāna en Sogdiāna uitbreidde. Na hem regeerden nog acht of negen en twintig koningen, die allen, behalve hun anderen naam, ook den naam of titel Arsaces hebben gevoerd. De laatste, Artabānus IV, kwam in 227 na C. om, toen, in plaats van het parthische, een nieuw-perzisch rijk verrees, onder de dynastie der Sassaniden.

Arsacia, Ἀρσακία, stad in Media, door Arsaces, den stichter van het parthische rijk, gebouwd, hetzij op de plaats, waar de door eene aardbeving verwoeste stad Rhagae of Eurōpus had gestaan, hetzij op weinige uren afstands van daar.

Arsamosata, sterke vesting in het armenische landschap Sophēne.

Arsanias, naam van den zuidelijksten der beide rivierarmen, die te zamen den Euphraat vormen.

Arses, Ἄρσης, jongste zoon van Artaxerxes Ochus, werd door Bagōas na het vergiftigen van zijn vader op den troon gezet (338), doch werd op zijne beurt na eene regeering van drie jaar door denzelfden Bagōas vermoord.

Arsia, grensrivier tusschen Histria en Liburnia, sedert Augustus, die Histria bij Italië gevoegd heeft, grensrivier tusschen Italië en Liburnia.

Arsia silva, woudstreek op de grenzen van Etruria en Latium, waar L. Junius Brutus in den slag tegen de Tarquiniussen sneuvelde (509).

Arsinoe, Ἀρσινόη, 1) voedster van Orestes, die hem uit de handen van Clytaemnestra redde.—2) z. Anaxarete.—3) z. Alphesiboea.—4) z. Asclepius.—5) z. Barsine.—6) moeder van Ptolemaeus I.—7) dochter van Ptolemaeus I en Berenīce, huwde met Lysimachus (z. a.). Na diens dood leefde zij eerst te Ephesus, daarna te Cassandrēa in Macedonië, van waar zij door haar stiefbroeder Ptolemaeus Ceraunus verjaagd werd. Later (tusschen 278 en 274), nadat zij Arsinoe no. 8 had laten verbannen, huwde zij met haar broeder Ptolemaeus II, die haar naam aan vele steden en aan een district in Aegypte gaf en na haar dood groote gedenkteekenen te harer eere liet oprichten. Zij was een buitengewoon heerschzuchtige vrouw.—8) dochter van Lysimachus, gehuwd met Ptolemaeus II, smeedde een aanslag tegen hem uit haat tegen zijne zuster Arsinoë, en werd daarom naar Coptus in Boven-Aegypte verbannen.—9) ook, maar ten onrechte, Eurydice of Cleopatra genoemd, dochter van Ptolemaeus III, gehuwd met haar broeder Ptolemaeus IV. Zij nam deel aan den slag bij Raphia (217). Later (tusschen 210 en 205) liet haar echtgenoot haar om onbekende redenen vermoorden.—10) dochter van Ptolemaeus XI Auletes, gedurende de gevangenschap van haar broeder koningin van Aegypte, werd later door Caesar in triomf naar Rome gevoerd; zij werd daarna vrijgelaten, maar op aanstoken van Cleopatra liet Antonius haar te Ephesus (41) vermoorden.—11) echtgenoote van Magas, verschrijving voor Apama (z. a. no. 2).

Arsinoe, Ἀρσινόη, naam van verschillende steden, waaronder ééne op Cyprus (z. Marium), ééne in Cilicia, ééne in Cyrenaica, die vroeger Tauchira heette, en twee in Aegyptus. Van deze laatste lag de eene, te voren Crocodilopolis geheeten, aan het meer Moeris, ten W. van den Nijl; de andere lag aan den noordwestelijken inham der Arabische golf.

Artabānus, Ἀρτάβανος, broeder van den perzischen koning Darīus Hystaspis, en dus oom van Xerxes, ontried vruchteloos aan beide vorsten den tocht tegen Griekenland.—Een andere Artabanus, een Hyrcaniër, bevelhebber van Xerxes’ lijfwacht, wilde het koningshuis uitroeien en bracht in 465 den koning en diens oudsten zoon om het leven; de tweede zoon evenwel, Artaxerxes I, voorkwam den moordenaar, die nu zelf ter dood werd gebracht.—Onder de parthische Arsaciden vindt men een viertal koningen, die den naam Artabanus dragen.

Artabazanes, Ἀρταβαζάνης, oudste zoon van Darīus Hystaspis, die voor zijn halfbroeder Xerxes van zijne aanspraken op de troonopvolging moest afzien, omdat hij geboren was voordat Darius aan de regeering kwam. Hij sneuvelde in den slag bij Salamis.

Artabāzes, Ἀρταβάζης = Artavasdes.

Artabāzus, Ἀρτάβαζος, 1) perzisch veldheer, die Xerxes naar Griekenland volgde, Olynthus veroverde en na den slag bij Plataeae onder de grootste moeilijkheden met 40000 man over land naar Byzantium terugtrok. Hij diende als tusschenpersoon bij de onderhandelingen tusschen Xerxes en Pausanias.—2) veldheer onder Artaxerxes II en satraap van Lydië en Phrygië onder Artaxerxes III. Tegen laatstgenoemde kwam hij in 356 in opstand, maar hoewel hij gevangen genomen werd, schonk de koning hem genade. De buitengewone getrouwheid, waarmede hij Darīus Codomannus diende, bewoog Alexander, hem satraap van Bactrië te maken, welke waardigheid hij om zijn hoogen leeftijd echter slechts kort behield.

Artace, Ἀρτάκη, stad en haven ten W. [92]van Cyzicus. Ook een eilandje daar vlak bij.

Artaphernes of Artaphrenes, Ἀρταφέρνης, -φρένης, 1) broeder van Darīus Hystaspis, satraap van Lydië, z. Aristagoras.—2) zoon van den vorigen, een van de aanvoerders der Perzen in den slag bij Marathon, en van de lydische en mysische troepen in den slag bij Salamis.

Artaunum, vesting, door Drusus aangelegd en door Germanicus versterkt, vermoedelijk ergens in het Taunusgebergte.

Artavasdes of Artabāzes, Ἀρταβάζης, Ἀρταβάσδης, 1) koning van Armenia, zoon van Tigrānes I, koos in de oorlogen der Romeinen tegen de Parthen tijdens Crassus en later tijdens Antonius (36) de zijde der Romeinen, doch verliet hen weder. Antonius maakte zich van zijn persoon meester en liet hem geboeid te Alexandrië voor zijn triumfwagen uitgaan. Na den slag bij Actium werd hij op last van Cleopatra omgebracht (30).—2) zoon van no. 1, gewoonlijk Artaxes geheeten, moest voor de Romeinen vluchten en week naar de Parthen, die hem op den troon herstelden. Later riepen de Armeniërs zelven de hulp der Romeinen tegen hem in; doch voordat nog het rom. leger het armenische gebied had bereikt, was de koning reeds door samenzweerders vermoord (20).—3) koning van Media Atropatēne, was een bondgenoot van Antonius tegen zijn armenischen naamgenoot, doch werd later zelf door de verbonden Parthen en Armeniërs uit zijn eigen rijk verjaagd.

Artaxata, τὰ Ἀρτάξατα, sterke vesting en hoofdstad van Armenia, door den eersten armenischen koning Artaxias aan den Araxes gebouwd (189) volgens een ontwerp van Hannibal, die een poos bij hem verblijf hield. De stad werd in 58 n. C. door de Romeinen onder Corbulo veroverd en verbrand, maar kort daarop door koning Tiridātes onder den naam Neronia herbouwd. Ook in later tijd heet de stad echter gewoonlijk Artaxata.

Artaxerxes, Ἀρταξέρξης, naam van perzische koningen: 1) Art. I Μακρόχειρ (Longimanus), zoon van Xerxes (z. Artabanus), reg. 465–425, gedurende welken tijd hij met vele opstanden te kampen had. Vooral gevaarlijk en moeilijk te onderdrukken was de opstand der Aegyptenaren onder Inaros, die door de Atheners met schepen ondersteund werd. Omtrent den Cimonischen vrede z. Cimon a. h. e.—2) Art. II Μνήμων, zoon en opvolger van Darīus II, reg. 404–358. Reeds dadelijk bij het begin zijner regeering trachtte zijn jongere broeder Cyrus, satraap van Lydië, Phrygië en Cappadocië hem van den troon te stooten, hij sneuvelde echter in den slag bij Cunaxa (401). In 400 zonden de Spartanen, die door de aziatische Grieken te hulp geroepen waren, een leger naar Azië, dat, vooral onder Agesilāus, aanmerkelijke voordeelen behaalde op de satrapen Tissaphernes en Pharnabāzus, zoodat Agesilaus reeds hoop voedde op de verovering van het geheele perzische rijk, welks inwendige zwakheid in dezen oorlog duidelijk gebleken was. Het gelukte Art. echter in Griekenland zelf een oorlog tegen de Spartanen te verwekken, waardoor zij genoodzaakt waren Agesilaus terug te roepen. Ook tegen Aegypte, dat onder Nectanebis weder opgestaan was, tegen Euagoras van Cyprus en tegen vele afvallige satrapen moest Art. langdurige en moeilijke oorlogen voeren. Even ongelukkig was hij in zijn familieleven. Bij de vele hofintriges, die dikwijls een bloedig einde hadden, kwam nog het slechte gedrag zijner zonen, waarvan de oudste, Darīus, tot troonopvolger bestemd, een zamenzwering smeedde om zijn vader te laten vermoorden, en daarom op diens bevel ter dood gebracht werd.—3) Art. III Ὦχος, zoon van Art. II, reg. 358–338, een wreed tiran, die bijna zijne geheele familie liet vermoorden. Met de hulp van grieksche huurtroepen onderwierp hij Aegypte en Phoenicië en bedwong hij den opstand van Artabazus. Hij regeerde geheel onder den invloed van zijn gunsteling, den Aegyptenaar Bagōas, die hem eindelijk vergiftigde.—4) Artaxerxes I, stichter van het nieuw-perzische rijk 227 n. C. (v. s. 224 n. C.) en van de dynastie der Sassaniden. Hij regeerde in Perzië sedert 211, maar versloeg den laatsten koning der Parthen, Artabānus, in 227, en noemde zich sedert dien tijd “koning der koningen van Iran.” Hij stierf in 241 of 242 en werd opgevolgd door zijn zoon Sapores I. In 223 voerde hij oorlog met den romeinschen keizer Sevērus Alexander. Zie verder Sassanidae.

Artaxes = Artavasdes no. 2.

Artaxias, Ἀρταξίας, generaal van den syrischen koning Antiochus III, en stadhouder van Armenia, maakte zich omstreeks 188 onafhankelijk en stichtte het armenische rijk. Antiochus IV Epiphanes versloeg hem wel en nam hem zelfs gevangen, doch kon Armenia niet heroveren. Ook de volgende koningen van Armenia maior komen, behalve onder hun eigen naam, ook onder den naam of titel Artaxias voor.

Artemidōrus, Ἀρτεμίδωρος, 1) alexandrijnsch taalgeleerde uit de 1ste eeuw v. C., leerling van Aristophanes. Hij schreef over het dorisch dialect en gaf de bucolici uit.—2) van Ephesus, beschreef omstreeks 100 zijne reizen in een geographisch werk, dat door latere schrijvers veel gebruikt werd en waarvan nog een uittreksel bestaat.—3) van Ephesus, leefde te Rome onder Hadrianus en schreef een Droomboek (Ὀνειροκριτικά), dat zoowel over de mythologie als over de zeden van zijn tijd belangrijke bizonderheden bevat.

Artemis, Ἄρτεμις, Diana, dochter van Zeus en Leto, tweelingzuster van Apollo, met wien zij vele punten van overeenkomst heeft. Evenals hij, brengt ook zij met hare pijlen een plotselingen dood, vooral aan vrouwen, en straft zij hen, die de wetten en het recht overtreden, maar ook eveneens is zij eene ongelukafwerende, heilaanbrengende godin (Σώτειρα). Vooral vrouwen neemt zij onder hare bescherming, geeft schoonheid en gezondheid [93]aan jonge meisjes en staat de vrouwen bij in barensnood (Εἰλείθυια); ook doet zij jonge kinderen opgroeien (Κουροτρόφος), zooals zij hare zorgen uitstrekt over alles wat in de natuur jong en zwak is. Hier en daar komt zij voor als verzoenende en orakelgevende godin, of als godin der schoone kunsten; zelve vermaakt zij zich met hare nimfen gaarne met den dans, en ook op den Olympus voert zij den reidans aan. Bijzonder treedt zij op den voorgrond als godin der jacht (Ἀγροτέρα), zij begunstigt de jagers en geeft hun goede vangst, en zelve maakt zij van hare nimfen vergezeld, op het wild jacht, vooral in de wouden en op de bergen van Arcadië en Lacedaemon. Voor liefde is zij ontoegankelijk, zij is en blijft de maagdelijke godin (Ηαρθένος), die alle aanslagen op hare eerbaarheid streng bestraft en ook bij sterfelijke vrouwen de kuischheid beschermt. Oorspronkelijk was Artemis eene maangodin en ook later wordt zij dikwijls voor dezelfde gehouden als Hecate en Bendis. In de oudste tijden werden haar menschenoffers gebracht, die later wel afgeschaft werden, maar waarvan op enkele plaatsen altijd sporen overbleven. Te Sparta bijv. werden jaarlijks voor het altaar van Artemis Ὀρθία knapen gegeeseld, tot hun bloed op het altaar spatte. De Grieken zelf beweerden dat de Artemis, die zulke bloedige offers eischte, de taurische was (Ταυρόπολος), in wier dienst Iphigenīa in Tauris priesteres geweest was en wier beeld en eeredienst Orestes vandaar naar Griekenland had medegebracht. De ephesische Artemis was eene aziatische godin, een verpersoonlijking van de voortbrengende en voedende kracht der natuur. De dienst van Artemis was, evenals die van Apollo, door geheel Griekenland verbreid. De hond, het hert, het zwijn, de beer en de kwartel zijn haar gewijd. Zij wordt gewoonlijk voorgesteld als eene slanke en vlugge jageres, met hoog opgeschorte kleederen, hooge schoenen, pijl en boog; in hare tempels stonden echter ook beelden met lange kleederen, die behalve den boog nog een fakkel droegen. Bij de beelden der ephesische Artemis daarentegen was het geheele lichaam ingewikkeld als eene mummie en geheel met borsten bezet, zinnebeeld van de voedende kracht der godin.

Artemis van het Louvre-Museum.

Artemis van het Louvre-Museum.

Artemisia, Ἀρτεμίσια, feesten van Artemis.

Artemisia, Ἀρτεμισία, 1) dochter van Lygdamis, koningin van Halicarnassus, nam met vijf schepen deel aan den tocht van Xerxes tegen Griekenland, en toonde in den slag bij Salamis veel moed en beleid.—2) dochter van Hecatomnus, zuster en gemalin van Mausōlus, wiens nagedachtenis zij eerde door de oprichting van een grafmonument, het Mausolēum, dat onder de zeven wonderwerken der oudheid gerekend werd. Zij volgde hem in de regeering over Carië op en stierf in 351.

Artemisium, Ἀρτεμίσιον, kaap en kuststreek in het Noorden van het eiland Euboea, bekend door den zeeslag tusschen Perzen en Grieken in 480.

Artolaganum, ἀρτολάγανον, broodkoek, een gebak, dat bereid werd uit meel, wijn, melk, olie en peper, en als lekkernij geprezen wordt.

Aruns, Ἀρροῦνς, etruscisch woord = jongere zoon, bij de Romeinen eenigszins tot eigennaam geworden. Aldus worden genoemd: een broeder van Tarquinius Priscus, een broeder en een zoon van Tarquinius Superbus, een zoon van Porsenna.

Arvāles fratres, een romeinsch priestercollegie van twaalf priesters, wier ambt levenslang was en zelfs door gevangenis of verbanning niet kon verloren worden. Aan hun hoofd stond een magister collegii, die voor den tijd van een jaar uit hun midden werd gekozen. In Mei hielden zij ter eere der Dea Dia (waarschijnlijk Ceres of Tellus), een plechtig offerfeest, de Ambarvalia (z. a.) waarbij een oud lied in saturnische versmaat werd gezongen, en dat met een kostbaren maaltijd werd besloten. Daarbij had een plechtige omgang plaats. Hunne taak was, zooals Varro zegt: sacra facere propterea ut fruges ferant arva. Volgens de sage zou Romulus’ pleegmoeder, Acca Larentia, twaalf zonen hebben gehad, en zou Romulus, na den dood van een hunner, diens plaats hebben ingenomen en de broederschap gesticht hebben. In het [94]laatst van de republiek hield het college op te bestaan, maar nadat de dienst een tijdlang door de pontifices was waargenomen, werd het door Augustus in 21 hersteld. Sinds dien tijd bepaalde de plechtigheid zich tot een heilig terrein om een tempeltje van Dea Dia, 5 mijlen ten Z. van Rome aan de via Campana gelegen. Hier zijn in 1570 n. C. en later de verslagen van 96 jaarfeesten op marmer gegrift gevonden, de z.g. acta fratrum arvalium. De fratres droegen bij hun feest kransen van korenaren.

Arverni, welke naam nog voortleeft in Auvergne, waren een der hoofdvolken van Gallia. Ze woonden aan den Elaver (Allier) en in de omliggende bergen, en beheerschten ten tijde van Caesar geheel westelijk Gallia tusschen Liger en Garumna. Hunne hoofdstad was Nemossus, later in Augustonemētum herdoopt (z. a.). Het sterke Gergovia, door Caesar in den strijd tegen Vercingetorix tevergeefs belegerd, lag ook in hun gebied. Vercingetorix zelf was ook een Arverner. Bij de reorganisatie onder Augustus werd hun land bij Aquitania (z. a.) gevoegd.

Arx, ἀκρόπολισ. In ouden tijd had elke aanzienlijke stad eene arx of acropolis, binnen de muren op eene hoogte gelegen, ten einde bij eene overrompeling den inwoners een toevluchtsoord te verschaffen. Over de meeste dezer ἀκροπόλεις valt niets bizonders te zeggen. Waar iets bizonders er van te vermelden is, zooals bij die van Athene en Rome, zie men de plaatsbeschrijving dezer steden.

Arybas of Arybbas, Ἀρύβας, vorst der Molossiërs, oom van Olympias, werd in 342 door zijn neef Alexander van Epīrus met de hulp van Philippus verjaagd. De Atheners beloofden hem hulp, maar konden die niet verschaffen. Hij heeft lang in Athene geleefd en stierf in ballingschap. V. a. is hij later naar Epīrus teruggekeerd.

Arzanēne, Ἀρζανήνη, landschap van Armenia maior, ten zuiden door den Tigris begrensd.

As, afgeleid van εἷς, rom. munt, de waarde van een rom. pond (= ongeveer ⅓ kilo) koper voorstellende. Oorspronkelijk gebruikte men vee (pecus) als ruilmiddel. Later kwam het koper in gebruik, eerst in den vorm van gewichten. Een pond koper (pondo aeris) noemde men as (één); dit was verdeeld in 12 unciae. Zoo kon het koper, vooral in kleinere bedragen, het daarvoor minder geschikte vee als ruilmiddel vervangen. Men noemde het daarom pecunia. De overlevering wil, dat men reeds in den koningstijd een in een vorm gegoten hoeveelheid koper van staatswege met een teeken kon laten voorzien, als het gewicht juist was (aes signatum), zoodat het dan niet meer telkens behoefde te worden nagewogen. In 430 bepaalde de lex Julia Papiria (z. a.), dat bij betalingen aan den staat een schaap door tien as (d. i. 10 pond koper) en een koe door 100 as zou worden vervangen; vroeger hing de waardebepaling (aestimatio) van het goedvinden der ambtenaren af. Omstreeks 375 werd de eerste munt te Rome gemaakt, bestaande in groote koperen schijven, nagenoeg een Romeinsch pond zwaar, as libralis geheeten. Ze vertoonden op de eene zijde den voorsteven van een schip, op de andere den kop eener godheid (Janus). De halve as was meest met een Jupiterskop en aan de keerzijde weder met een voorsteven gestempeld, en droeg de letter S (semissis) tot onderscheidingsteeken, terwijl op den geheelen as het merk I was aangebracht. De overige onderdeelen van den as droegen verschillende stempels en zooveel ronde knopjes, als zij unciae waard waren. Het waren de triens = 4 unciae, de quadrans of teruncius = 3 unciae, de sextans = 2 unciae en de uncia. Omstreeks 268 begon men zilveren munten te slaan en wel in drie waarden, den denarius (10 as), den quinarius (5 as), den sestertius (2½ as) z. a.; tot voorbeeld diende de Attische drachme, waarmede de denarius altijd is gelijk gesteld. Tevens muntte men een nieuwen as, die slechts een derde (triens) woog van den oude, den z.g. as trientalis. In 250 werd de as sextantarius ingevoerd, die een zesde (sextans) van het oude gewicht bedroeg = 2 unciae, maar den as trientalis moest vervangen, zoodat er ook van dezen as tien in een denarius gingen. De as werd dus sinds dezen tijd teekenmunt. In 217 werd het gewicht van den as op 1 ons gebracht (as uncialis) en gelijk gesteld met 1/16 van een denarius en ¼ van een sestertius. Inmiddels werden de oude stukken (aes grave), zoolang ze bestonden, voor een hoogeren prijs verhandeld. Waar in oude wetten, dus ook in boeten, het woord as voorkwam, werd die niet gelijkgesteld met den as uncialis, maar als een sestertius (4 as) berekend. Later werd de as tot op een half ons verkleind, maar de waarde bleef dezelfde = ¼ sestertius. Hij diende voortaan als pasmunt.—Hoewel de as de oorspronkelijke munteenheid was, werden geldsommen berekend met sestertii. De sestertius (= semistertius, derdehalf) was eerst, overeenkomstig zijn naam, gelijk aan 2½ as, doch werd later (in 217) aan 4 as gelijkgesteld. Z. sestertius.

Asander, Ἄσανδρος, zoon van Philōtas, veldheer van Alexander d. G. Hij werd in 334 stadhouder van Lydië en voltooide de verovering van Halicarnassus door een grooten slag, waarin hij met Ptolemaeus aan Orontobates de nederlaag toebracht.—2) zoon van Agathon. Na den dood van Alex. werd hij stadhouder van Carië, en daar Perdiccas hem die provincie wilde afnemen, ging hij tot de partij van Antigonus over (321). Later sloot hij zich weder bij de vijanden van Antigonus aan, maar moest zich in 313 aan hem onderwerpen.—3) veldheer van Pharnaces II, koning van Bosporus, dien hij bij de nadering van Caesar liet dooden om in zijne plaats te regeeren (47). Caesar liet hem afzetten, doch Augustus gaf hem later de regeering terug.

Asarōtum, ἀσάρωτον, vloer van mozaiekwerk voor een eetzaal, zóó ingelegd, dat het den schijn had, alsof er allerlei overblijfselen van een maaltijd op lagen en hij niet [95]was aangeveegd (σαίρω). Wanneer dan een der dischgenooten werkelijk iets morste, viel dit niet in het oog.

Asbestus, ἄσβεστος (onbrandbaar), asbest of amiant, eene delfstof, waarvan de vezels zich als vlas laten verwerken en waarvan men in de oudheid het asbestinum linum vervaardigde, om er de dooden in te wikkelen, alvorens zij op den brandstapel werden gelegd, opdat hunne asch niet zou verontreinigd worden door die van het hout. Daar zulke lijkwaden zeer kostbaar waren, konden slechts de gegoeden zich deze weelde veroorloven.

Asbolus, Ἄσβολος, een Centaur, die op de bruiloft van Pirithoüs met de Lapithen vocht en later door Heracles gekruisigd werd.

Ascalaphus, Ἀσκάλαφος, 1) zoon van Ares en Astyoche, koning der Orchomeniërs, nam deel aan den Argonautentocht en sneuvelde voor Troje. V. a. werd hij na de verovering van Troje koning van het eiland Aretias in de Zwarte zee.—2) zoon van Acheron en Gorgyra of Orphne. Toen Persephone uit de onderwereld zou vrijgelaten worden, indien zij er nog niets genuttigd had, verried hij dat zij van een granaatappel geproefd had. Tot straf begroef Demēter hem onder een zwaren steen, en toen Heracles hem later daarvan bevrijdde, veranderde zij hem in een nachtuil.

Ascalon, Ἀσκάλων, voorname vesting der Philistijnen, later een belangrijke hellenistische stad, op de kust van Palaestina.

Ascania, Ἀσκανία, 1) meer en omgeving in Bithynia, bij de stad Nicaea.—2) zoutmeer in zuidelijk Phrygia tusschen Colossae en Celaenae.

Ascanius, Ἀσκάνιος, zoon van Aenēas en Creūsa, door Vergilius en anderen ook Ilus of Iulus genoemd, ten einde de afstamming van Augustus en de gens Iulia uit Aeneas aan te wijzen, werd door zijn vader uit Trojes ondergang gered en kwam met hem in Latium aan, waar hij Alba Longa stichtte.

Asciburgium, stad aan den linkeroever van den Rijn, in het gebied der Gugerni in Belgica. Het ligt tusschen Vetera en Gelduba.

Asciburgius mons, thans het Reuzengebergte.

Asclepiadae, Ἀσκληπιάδαι, priesters en, naar men meende, afstammelingen van Asclepius. Op Cos, te Cnidus e.e. vormden zij vereenigingen voor de bestudeering en uitoefening der geneeskunde. Te Rome was het de algemeene naam voor geneeskundigen.

Asclepiades, Ἀσκληπιάδης, 1) naam van verscheiden geneeskundigen. Beroemd is de geleerde Ascl. van Prusa in Bithynië, die omstreeks 50 te Rome zijne kunst uitoefende.—2) van Myrlēa, beroemd grieksch rhetor te Alexandria, en later te Rome (150–50). Hij heeft een theorie der geschiedbeschrijving samengesteld, waarvan de grondslag is een soortgelijke indeeling in drieën, als men bij de rhetorica vindt, en b.v. door Cicero is uitgewerkt en toegepast. Ook in den keizertijd blijft dit systeem in gebruik.

Asclepiodōrus, Ἀσκληπιόδωρος, beroemd schilder, tijdgenoot van Apelles.

Asclepius, Ἀσκληπιός, Aesculapius, zoon van Apollo en Corōnis, dochter van Phlegyas, of Arsinoë, dochter van Leucippus, geb. in Thessalië, te Epidaurus of in Messenië. In de oudste gedichten wordt hij voorgesteld als een heros, die, door Apollo aan Chiron toevertrouwd, door dezen opgevoed werd en van hem o. a. de geneeskunde leerde, waarin hij het zoover bracht dat hij niet alleen vele zieken genas, maar zelfs dooden deed herleven. Toen echter werd hij door Zeus, die niet wilde dat de menschen geheel van de vrees voor den dood bevrijd zouden worden, met den bliksem getroffen en, op verzoek van Apollo, als sterrenbeeld aan den hemel geplaatst. Later werd Ascl. algemeen vereerd als de genezende god, eene hoedanigheid die eigenlijk tot het wezen van Apollo behoort, en had hij heiligdommen in verscheiden plaatsen, vooral zulke die wegens schoone en gezonde ligging, bronnen e. dgl. veel bezocht werden door hen die genezing van ziekten zochten. Daartoe legde men zich, na het vervullen van nauwkeurig omschreven plechtigheden, in of bij den tempel neer, waarop men in den slaap de gewenschte voorschriften van den god ontving, die echter meestal door de priesters verduidelijkt moesten worden. Vooral beroemd was zijn tempel te Epidaurus, rijk begiftigd met de geschenken van herstelde zieken, waar om de vijf jaar te zijner eer een groot feest, Ἀσκληπίεια, gevierd werd; later was Pergamum de hoofdzetel van zijn eeredienst. De haan, de hond en de geit waren hem gewijd, maar bovenal de slang, waarmede hij steeds afgebeeld wordt en onder welker gedaante de god zelf zich soms vertoont. Z. Aesculapius.

Asconius Pediānus (Q.), geboren te Patavium weinige jaren v. C., overleden 88 na C., v. a. 76 n. C., schrijver van belangrijke aanteekeningen op Cicero’s redevoeringen. In 1416 heeft men te St. Gallen een (thans verloren) handschrift gevonden met een gedeelte zijner aanteekeningen, waaronder echter ook van jonger hand.

Ascra, Ἄσκρα, stadje in Boeotia, aan den voet van den Helicon, geboorte- of verblijfplaats van Hesiodus.

Asculum, naam van twee steden in Italia. 1) Asculum (Ausculum) Apulum, op de grenzen van Apulia en Samnium, waar de Romeinen in 279 door Pyrrhus, koning van Epīrus, werden verslagen. (Zie Decii no. 3). Horatius duidt het plaatsje aan door de woorden: oppidulum quod versu dicere non est.—2) Asculum Picēnum, hoofdstad van Picēnum en romeinsch municipium, in den bondgenootenoorlog verwoest, doch weder opgebouwd.

Ἀσεβείας γραφή, aanklacht wegens beleediging en bespotting van door den staat erkende goden of wegens heiligschennis. Zulke zaken werden door den ἄρχων βασιλεύς voor den Areopagus, soms voor de Heliaea gebracht. De straf was niet bij de wet bepaald.

Asia, Ἀσία, Oceanide, moeder van Promētheus.

Asia, Ἀσία. Deze naam heeft verschillende beteekenissen. Vooreerst verstaat men er het werelddeel onder, dat van Europa door den [96]Tanaïs (Don), de Palus Maeōtis (zee van Azow) en verder door zeeën was gescheiden, en slechts voor een klein gedeelte bekend was. Als scheiding tusschen de werelddeelen Azië en Afrika werd eerst het Nijldal, later de Arabische golf beschouwd. De ouden spraken van Beneden- en Boven-Azië, en namen dan als scheiding den stroomloop van den Halys of wel het Taurusgebergte met den Antitaurus aan (τὰ κάτω en τὰ ἄνω Ἀσίας, Ἀσία ἡ ἐντὸς en ἐκτὸς τοῦ Ἅλυος of τοῦ Ταύρου). Het oudst bekende gedeelte omvatte niet veel meer dan het oude perzische rijk; de tochten van Alexander den Grooten brachten eenige meerdere kennis omtrent India aan. In de vierde eeuw na C. sprak men van Asia minor en maior. Asia minor, thans Anatolië of Natolië, omvatte het groote vooruitspringende schiereiland, dat ten N. door den Pontus Euxīnus, ten W. door de Aegaeïsche zee, ten Z. door de Middellandsche zee tot aan de golf van Issus werd omspoeld. Al wat daarachter lag, was Asia maior.

De romeinsche provincie Asia was ontstaan door het testament van den laatsten koning van Pergamus, Attalus III, die in 133 zijn rijk en zijne schatten aan het romeinsche volk naliet. Zij omvatte in het eerst de volgende landschappen: Mysia met Aeolis, Lydia met Ionia, Caria met Doris (129). Eenige jaren later (116) werd Phrygia er aan toegevoegd, dat wel tot Pergamus had behoord, doch eerst aan Mithradātes V van Pontus was afgestaan. Onder keizer Vespasiānus werden ook Rhodus en Lycia ingelijfd. Asia werd eerst door propraetors bestuurd, doch werd later eene proconsulaire provincie. Ephesus was de hoofdstad.

Tijdens keizer Traiānus omvatte het romeinsche gebied in Azië de volgende gewesten: 1 de bovengenoemde provincie Asia, 2 Bithynia, 3 Paphlagonia, 4 Galatia, 5 Lycaonia, 6 Pisidia, 7 Lycia, 8 Pamphylia, 9 Cilicia, 10 Cyprus, 11 Cappadocia, 12 Pontus, 13 Armenia minor, 14 Armenia, 15 Mesopotamia (noordwestelijk gedeelte), 16 Commagēne, 17 Syria met inbegrip van Phoenīce en Judaea, 18 Arabia Petraea, die echter niet alle afzonderlijke provinciën vormden. Bij de latere indeeling van het rom. rijk in 116 provinciën werd de oude provincie Asia in zeven deelen gesplitst, waarvan Asia proconsularis de westkust bevatte van de golf van Adramyttium af tot aan den Maeander.

Asia prata, Ἄσιος λειμών, ook wel Asia palus geheeten, de vruchtbare vlakte in Lydia, die door den Cayster doorsneden wordt, ten Zuiden van den berg Tmolus.

Asinārus, Ἀσίναρος, rivier op Sicilia, een eind bezuiden Syracūsae, bij welke de Atheners in 413 door de Syracusanen en den Spartaan Gylippus verslagen werden en Nicias zich moest overgeven.

Asine, Ἀσίνη, 1) stad aan de Argolische golf.—2) stad aan de Messenische golf, gesticht door de dryopische bewoners van no. 1, die uit hunne woonplaats waren verdreven.—3) kustplaats in Laconia, bij Gythēum.

Asinii, 1) C. Asinius Pollio, uit Teate Marrucinorum afkomstig, geboren 75 v. en gestorven 5 n. C., was als geschiedschrijver, als treurspeldichter, als redenaar en als criticus een der meest gevierde mannen van zijn tijd. Het meest bekende en belangrijkste was zijn werk over de burgeroorlogen, waarin hij nu en dan belangrijk schijnt afgeweken te zijn van de officieele lezing. In den burgeroorlog tusschen Pompeius en Caesar had hij de partij van den laatste omhelsd, en bij Pharsālus, in Africa en Hispania gestreden. Na Caesars dood behoorde hij tot de republikeinsche partij en sloot hij zich noch rechtstreeks bij Antonius, noch bij Octaviānus aan, maar poogde door zijne bemiddeling botsingen te voorkomen. In Gallia Cisalpīna belast met de landverdeeling onder de veteranen van Octavianus, bezorgde hij aan zijn vriend Vergilius tijdelijk diens landgoed terug. In 39 behaalde hij als proconsul eene overwinning op de Parthini in Illyria, doch onttrok zich na zijn zegetocht aan het staatkundig leven, hoewel hij als lid van den senaat aan diens werkzaamheden ijverig deel bleef nemen. Pollio stichtte te Rome de eerste openbare bibliotheek, en evenals Maecēnas trad hij op als beschermer van jeugdige talenten. Van zijne vele werken is niets tot ons gekomen.—2) C. Asinius Gallus, zoon van den vorigen, huwde met Vipsania Agrippina, de gescheiden echtgenoote van Tiberius. Door zijne vrijmoedigheid beleedigde hij den keizer, werd gevangen genomen en stierf in 33 n. C., vrijwillig of gedwongen, den hongerdood. Hoewel hij niet zijns vaders talenten schijnt te hebben bezeten, had hij toch eene groote voorliefde voor de beoefening der wetenschappen.

Asisium, tgw. Assisi, klein plaatsje in Umbria, ten O. van Perusia, geboorteplaats van Propertius.

Asius, Ἄσιος, van Samus, een van de oudste grieksche elegische dichters.

Ἀσκώλια, een spel dat op den tweeden dag der kleine Dionysusfeesten in Attica gespeeld werd; het bestond daarin, dat men op een opgeblazen en met olie glibberig gemaakten zak hinkte (ἀσκωλίζειν, ἀσκωλιάζειν), die van het vel van een aan Dionȳsus geofferden bok gemaakt was.

Asopiades, Aeacus, de kleinz. van Asopus.

Asōpis, Ἀσωπίς, Aegma, de dochter van Asopus.

Asōpus, Ἀσωπός, 1) rivier die bij Phlius ontspringt, door de vlakte van Sicyon loopt en in de Corinthische golf valt.—2) rivier die bij Plataeae ontspringt, door Boeotië loopt en op attisch gebied in de Euboeïsche zee valt, de grens tusschen het gebied van Plataeae en van Thebae.—3) riviertje bij de Thermopylae.—4) stad in Laconica, aan den oostkant van de Laconische golf, met een beroemden tempel van Asclepius.—5) de stroomgod van een der beide eerstgenoemde rivieren. Hij was de zoon van Oceanus en Tethys en bij Metōpe de vader van twee zoons en twaalf of twintig dochters, die bijna allen namen dragen van steden, in de nabijheid dier rivieren gelegen. Vele zijner dochters [97]werden door goden ontvoerd, bijv. Aegīna door Zeus. Toen Asōpus deze dochter zocht en van Sisyphus vernomen had, wie haar geroofd had, vervolgde hij Zeus en wilde hij met hem strijden, maar Zeus verjoeg hem met den bliksem, waardoor hij in zijn bedding werd teruggedreven.

Asparagium, stad in Illyria, nabij Dyrrhachium,

Aspasia, Ἀσπασία, 1) van Milētus, dochter van Axiochus, kwam naar Athene en wist daar door hare schoonheid, verstand, geestigheid en bekwaamheden ieders aandacht te trekken. De voornaamste mannen, ook Socrates, zochten haar omgang, en Pericles verstiet om harentwille zijne gemalin. Door hem oefende zij, naar men zeide, ook op de staatszaken grooten invloed uit, het is echter slechts scherts wanneer Aristophanes beweert dat zij den oorlog met Samus en den peloponnesischen oorlog veroorzaakt zou hebben. De vijanden van Pericles klaagden haar aan van ἀσέβεια, maar zijne welsprekendheid, die zich bij deze gelegenheid in al hare kracht vertoonde, bewerkte dat zij vrijgesproken werd. Na zijn dood huwde zij met den demagoog Lysicles, die door haar grooten invloed kreeg.—2) van Phocaea, dochter van Hermotīmus, eigenlijk Milto geheeten, minnares van den jongeren Cyrus, die haar om hare schoonheid en verstand den naam Aspasia gaf. Na den slag bij Cunaxa viel zij in handen van Artaxerxes, en toen zijn zoon Darīus haar aan hem betwistte, maakte hij haar priesteres van Anaītis. V. s. was dit de reden waarom Darīus tegen zijn vader opstond, wat hij met zijn leven boette.

Aspasii, Ἀσπάσιοι, indisch volk ten N. van den Cophen, daar, waar de Choaspes er in uitstroomt.

Aspendus, Ἄσπενδος, welvarende stad in Pamphylia, aan den Eurymedon, oorspronkelijk eene argivische volksplanting.

Asphaltītes lacus, de Doode zee in het zuiden van Palaestina, waarin zich de Jordaan stort.

Asphodelus, ἀσφόδελος, een plant met kleine knollen aan den wortel, die in de oudste tijden, en later nog door de armen, gegeten werden. Men plantte ze op de graven en meende dat zich door de onderwereld een groot stuk land uitstrekte dat daarmede beplant was.

Ἀσπίς, z. Clipeus.

Aspis, Ἀσπίς, kaap en stad, oostelijk van Carthago, gesticht door Agathocles, den tyran van Syracuse, in den eersten punischen oorlog tijdelijk door de Romeinen bezet (256) en sedert Clupea genoemd. In 46 werd het tegelijk met Carthago Romeinsche kolonie.

Asplēdon, Ἀσπληδών, oude stad der Minyers in Boeotia, ten Noorden van het meer Copaïs.

Asprēnas (L. Nonius), schoonzoon van Varus en een der weinigen, die uit den slag in het Teutoburgerwoud ontkwamen. Later (in 14 n. C.) was hij proconsul van Africa. Hij was een groot vriend van Augustus.

Assa, Assēra, Ἄσσα, Ἄσσηρα, stad op Chalcidice, aan de Singitische golf.

Assacēni, Ἀσσακηνοί, indische stam in het Indus-gebied, aan de Westzijde, ten N. van den Cophen, verwant met de Astacēni.

Assaracus, Ἀσσάρακος, zoon van Tros, overgrootvader van Aenēas.

Asser, in het algemeen een balk of boom of dikke lat, b.v. de draagboomen van een draagstoel, doch altijd een bewerkt en geen ruw stuk hout. De asser in den zeestrijd was een aries in het klein, een balk, die aan touwen in het want hing en door zijn beuken het want of den romp van het vijandelijk schip moest vernielen.

Assertor. In eene causa liberalis, d.i. een geding over de vraag, of iemand vrij of slaaf was, kon de persoon, wiens vrijheid betwist werd, niet als zijn eigen verdediger optreden. Hiertoe was een assertor noodig, iemand, die rechtspersoonlijkheid bezat en staande hield, dat de betwiste persoon een vrije was, bij welke verklaring hij zijne hand of een staf (festuca of vindicta geheeten) op diens hoofd legde. Dit komt voor bij de manumissio vindictā; voor assertor fungeerde vaak een lictor (zie manumissio no. 1). Vanhier de uitdrukking aliquem manu asserere in libertatem = iemands vrijheid verdedigen. Ook asserere in servitutem, een als vrij beschouwd man als zijn slaaf opeischen.

Assessor. Wanneer te Rome aan iemand werd opgedragen, als iudex in eene rechtzaak uitspraak te doen, eischte de gewoonte, dat hij eenige vrienden uitnoodigde, de zitting bij te wonen en hem als consilium met hun raad bij te staan. Evenzoo vormden de stadhouders in de provinciën bij hunne rechtspraak een consilium uit hunne officieren. Onder de keizers evenwel kwam meer en meer de geheele rechtspraak in handen der overheden, die geregeld een vasten bijzitter kozen, assessor geheeten, gewoonlijk een rechtskundige, die de geheele zaak instrueerde, en het vonnis opstelde.

Assēsus, Ἀσσησός, stad in Ionia, bij Milētus, met een Athēna-tempel.

Assidui, gezeten burgers, werden te Rome die burgers geheeten, die in eene der vijf classes waren ingeschreven, in tegenstelling der proletarii.

Assignationes viritanae, zie Colonia no. 2.

Assōrus, Ἄσσωρός, stad op Sicilia, ten N.O. van Henna.

Assus, Ἄσσος, aeolische stad aan de Zuidkust van Troas, beroemd door voortreffelijke tarwe en door eene steensoort, lapis Assius, die de voorwerpen deed versteenen en daarom σαρκοφάγος genoemd werd. Men maakte er o. a. lijkkisten van.

Assyria, Ἀσσυρία. Onder dezen naam kan men vooreerst het groote oud-assyrische rijk verstaan, dat eenmaal zich over Armenia, Media, Persis, Babylonia, Mesopotamia, Syria, Phoenīce en Palaestīna uitstrekte en 672–656 zelfs over Aegypte heerschte, doch vervolgens uiteenspatte en omstreeks 606 met de verwoesting der hoofdstad Niniveh te gronde [98]ging. Zie Ninus.—Het landschap Assyria in engeren zin omvatte ongeveer de streek tusschen den Tigris en het Zagrus- of Choatrasgebergte ten W. en ten O., en Babylonia en Armenia ten Z. en ten N. Na den val van het oud-assyrische rijk maakte het achtereenvolgens een deel uit der medische, perzische, macedonische, syrische, parthische en nieuw-perzische rijken.

Asta, 1) stad in Liguria, rom. kolonie, aan den Tanarus, een zijtak van den Padus (Po). Tegenwoordig Asti.—2) rom. kolonie in Baetica, nabij Gades (Cadix).

Astaboras, Ἀσταβόρας, thans Atbara, zijtak van den Nijl, in Aethiopia.

Astacēni, Ἀστακηνοί, indisch volk, aan den benedenloop van den Cophen, verwant met de Assacēni.

Astacus, Ἀστακός, 1) stad in Acarnania aan de Ionische zee.—2) megarensische kolonie in Bithynia, aan een inham der Propontis; zij werd door de Atheners versterkt en Olbia genoemd, door Lysimachus verwoest, doch door Nicomēdes I herbouwd en onder den naam van Nicomedēa tot de prachtige hoofdstad van Bithynia gemaakt.

Astapa, Ἄσταπα = Ostippo.

Astapus, Ἀστάπους, zijtak van den Nijl in Aethiopia. Tusschen dezen en den Astaboras ligt het schiereiland Meroe.

Astarte, Syria dea, Ἀστάρτη, Συρία θεός, phoenicische godin, die in het Oosten hoog vereerd werd; vooral bekend is haar tempel te Tyrus. De Grieken vergeleken haar met Aphrodīte.

Asteria, Ἀστερία, dochter van Coeüs en Phoebe. Om aan de liefkoozingen van Zeus te ontkomen, stortte zij zich, in de gedaante van een kwartel, in zee en veranderde in een eiland, dat eerst haar naam droeg, later Ortygia, en eindelijk Delus genoemd werd.

Asterion, Ἀστερίων, zoon van Teutamus, koning van Creta, die met Eurōpa huwde en hare kinderen, Minos, Radamanthys en Sarpēdon, als de zijne opvoedde.

Asterope, Ἀστερόπη, z. Aesacus.

Astrabacus, Ἀστράβακος, een oud-laconisch heros. De spartaansche koning Demarātus was, volgens het verhaal zijner moeder, een zoon van Astrabacus of van Aristo.

Astraea, Ἀστραία, dochter van Zeus en Themis of van Astraeus en Eos, godin der gerechtigheid, die in de gouden eeuw op aarde onder de menschen leefde. In de zilveren eeuw verscheen zij nog nu en dan, maar toen de verdorvenheid der menschen toenam, verliet zij, hoewel later dan alle andere goden, eindelijk ook de aarde en bleef sedert, als het sterrenbeeld de Maagd, aan den hemel.

Astraeus, Ἀστραῖος, zoon van Crīus en Eurybia, echtgenoot van Eos, vader der winden en sterren.

Ἀστράγαλοι, dobbelsteenen met vier vlakke zijden en aan twee kanten rond. De vlakke zijden waren met oogen gemerkt, zoodat 1 en 6, 3 en 4 tegenover elkander stonden. Men wierp met vier steenen; de beste worp, wanneer 1, 3, 4 en 6 boven lagen, heette Ἀφροδίτη, Μίδας, Ἡρακλῆς, de slechtste, wanneer alle vier éénen boven lagen, heette κύων. Zie Alea.

Ἀστυνόμοι, overheidspersonen die te zorgen hadden voor politie, straatreiniging, handhaving der bouwverordeningen, enz. Te Athene waren er tien, vijf voor de stad en vijf voor den Piraeus. Ze komen sinds de 4de eeuw voor.—Ook bijnaam van verschillende goden als beschermers der steden.

Astura, riviertje in Latium, met eene gelijknamige stad aan den mond er van.

Asturia, Ἀστουρία, landstreek in het Noorden van Tarraconensis, met de hoofdstad Asturica Augusta (Astorga). De Astures waren een woest bergvolk, in het tegenw. Asturië en noordelijk Leon.

Astyages, Ἀστυάγης, zoon van Cyaxares, laatste koning der Mediërs (585–550), grootvader van Cyrus, die hem van den troon stiet en het perzische rijk stichtte, z. Alyattes.

Astyanax, Ἀστυάναξ, zoon van Hector en Andromache. Zijn eigenlijke naam was Scamandrius, maar ter eere van zijn vader noemde het volk hem Astyanax (heer der stad). Na de verovering van Troje werd hij, hoewel nog een kind, van den muur geworpen.

Astydamas, Ἀστυδάμας, 1) zoon van Morsimus. Hij zou 240 treurspelen gedicht hebben, waarvan 15 den eersten prijs behaalden. In zijn jeugd was hij een leerling van Isocrates.—2) zoon van den vorigen, treurspeldichter.

Astydamēa, Ἀστυδάμεια, gemalin van Acastus.

Astyoche, Ἀστυόχη, dochter van Actor, moeder van Ascalaphus en Ialmenus.—2) dochter van Laomedon, gehuwd met Telephus. Omgekocht door een gouden wijnstok, overreedde zij haar zoon Eurypylus, aan de verdediging van Troje deel te nemen.

Astypalaea, Ἀστυπάλαια, stad en eiland der Sporaden, in de Aegeïsche zee ten O. der Cycladen.

Astyra (gen. ae), τὰ Ἄστυρα, stad in Mysia bij Antandrus, aan de golf van Adramyttium met een tempel van Artemis Astyrēne. Ook een plaatsje bij Abȳdus.

Ἀσυλία, door de wet gewaarborgde veiligheid voor slaven en misdadigers, gewl. verbonden aan het verblijf in zekere tempels of heiligdommen. In den keizertijd werd dit recht, dat aan vele tempels toekwam, omdat het tot misbruiken aanleiding gaf, beperkt en gedeeltelijk opgeheven. Ook werd soms van staatswege aan vreemdelingen ἀσυλία verzekerd, waardoor zij evenzeer als de burgers tegen aanvallen op hun persoon en eigendom beschermd waren.

Atabulus, naam in Apulia voor den uit Afrika overwaaienden verzengenden Sirocco (Zuidenwind).

Atabyris, Atabyrius, Ἀτάβυρις, Ἀταβύριον ὄρος, hooge berg op het eiland Rhodus, met een beroemden tempel van Zeus Atabyrius.

Atagis, zie Athesis.

Atalante, Ἀταλάντη, uit Arcadië, dochter van Iasus en Clymene. Haar vader, die liever een zoon gehad had, liet haar terstond bij [99]hare geboorte te vondeling leggen; zij werd door eene berin gezoogd, groeide op te midden van jagers en werd zelve eene buitengewoon vlugge, sterke en moedige jageres. Zij nam deel aan de calydonische jacht en bracht aan het zwijn de eerste wond toe; op grond daarvan kende Meleager, die door hare schoonheid getroffen was, haar den prijs der overwinning toe, en Atalante, hierdoor gestreeld, stemde er in toe zijne vrouw te worden, terwijl zij vroeger tal van huwelijksaanzoeken had van de hand gewezen. Ook aan den Argonautentocht zou zij hebben deelgenomen of willen deelnemen.—V. a. was het niet Meleager, maar Milanion, die door zijn trouwe liefde haar hart wist te winnen, hoewel zij ook voor hem lang koud bleef.—V. a. was Atalante de dochter van den boeotischen koning Schoeneus, en had zij verklaard alleen hem te zullen huwen, die haar in den wedloop zou overwinnen. Reeds velen hadden den strijd gewaagd, maar waren overwonnen en gedood, totdat Milanion of Hippomenes door de hulp van Aphrodīte de overwinning behaalde. De godin had hem namelijk drie gouden appels gegeven, waarvan hij onder het loopen telkens een voor de voeten van Atalante wierp; deze bukte om de prachtige kleinoden op te rapen, maar verloor daardoor zooveel tijd, dat haar minnaar, voor wien zij intusschen zelve ook liefde had opgevat, het eerst het doel bereikte.—Atalante en haar echtgenoot werden later in leeuwen veranderd, omdat zij een aan Cybele gewijd bosch ontheiligd hadden. Hun zoon was Parthenopaeus.

Atalante, Ἀταλάντη, 1) eilandje op de kust van Locris, nabij de stad Opus.—2) rotseilandje ten Oosten van Salamis.—3) stad in Macedonia aan den Axius.

Atanagrum, stad der Ilergetes in Tarraconensis, door Scipio in 218 verwoest.

Atarantes, Ἀτάραντες, volksstam in het midden van Africa, tusschen de Garamantes en de Atlantes.

Atarbēchis, Ἀτάρβηχις, stad in Beneden-Aegyptus, in de landstreek Prosopītis, met een beroemden tempel der aegyptische Aphrodite (Hathor).

Atargatis, z. Dercetis.

Atarneus, Ἀταρνεύς, stad op de kust van Aeolis tegenover Lesbus, op den berg Cane. Aristoteles vertoefde hier eenigen tijd (348–345) bij den tyran Hermēas.

Atax, Ἄταξ, thans Aude, een kustriviertje, dat zich in den sinus Gallicus (golf v. Lyon) stort. Aan den Atax lagen de steden Carcaso (Carcassonne) en Narbo Martius (Narbonne). De bewoners, die tot de Volcae Tectosages behoorden, werden naar de rivier ook Atacīni genoemd, zooals de letterkundige P. Terentius Varro Atacinus, die in 82 te Narbo geboren werd.

Ate, Ἄτη, dochter van Zeus of van Eris, godin der blinde drift, die eens zelfs Zeus tot een onberaden eed verleidde. Tot straf werd zij van den Olympus op aarde geslingerd, waar zij met lichten tred over de hoofden der menschen zweeft, terwijl zij hen tot kwaad verleidt, maar hen straft wanneer zij het bedreven hebben.

Atēii. 1) C. Ateius Capito, naam van een volkstribuun, die het den consuls C. Pompeius en M. Licinius Crassus in hun tweede consulaat (55) zeer lastig maakte en later door den censor App. Claudius Pulcher (zie Claudii no. 15) berispt werd wegens leugenachtige auspicia.—2) C. Ateius Capito, beroemd rechtsgeleerde te Rome ten tijde van Augustus en Tiberius. Hij stichtte eene rechtsgeleerde school, die niet minder vermaard werd dan die van zijn tegenstander Q. Antistius Labeo. Terwijl Labeo aan de rechtsstudie eene meer philosophische richting gaf en den strengen geest der oud-rom. wetgeving huldigde, was Capito’s richting meer historisch en nam hij meer het gewoonterecht tot grondslag, zooals het zich in den loop der tijden had ontwikkeld. Zie Sabiniani.—3) Ateius, bijgenaamd Praetextātus, een atheensch letterkundige van naam, een vriend van Asinius Pollio en van Sallustius.

Ἀτέλεια, vrijstelling van alle of van bepaald aangewezen diensten of betalingen ten behoeve van den staat, vooral van liturgieën.

Atella, oud-oscische stad in Campania tusschen Capua en Neapolis, later romeinsch municipium, vooral bekend door de Atellānae fabulae.

Atellānae fabulae, ook wel Osci ludi genoemd, eene soort van landelijke kluchtspelen, waarin boert en spot den boventoon voerden. Zij werden meestal opgevoerd in de volkstaal of in een plattelandsdialect, dikwerf grof en plomp; het doel was dan ook niet fijn of geestig te wezen, maar de toeschouwers te laten lachen. Zij kunnen vergeleken worden met Jan Klaassen- of Harlekijnskluchten. Er kwamen eenige vaste rollen in voor, zooals Maccus, een domme, vraatzieke hansworst of Pierrot, Pappus, een soort van vader Pantalon, enz. In den beginne waren het slechts schetsen, die op het tooneel door improvisatie verder werden uitgewerkt; later werden ook uitgewerkte stukjes geschreven. Soms werden zij ook als nastukjes (exodia) na een drama gegeven. In de Atellanae als speler op te treden, werd den rom. burger niet onwaardig geacht; zij werden opgevoerd door vrijgeboren rom. jongelieden.

Aternia Tarpeia (lex) de multis, 454, van de consuls M. Aternius Varus Fontinālis en Sp. Tarpeius Montānus Capitolīnus, dat het aan alle magistraten zou vrijstaan, boeten tot een zeker bedrag in vee op te leggen, terwijl hoogere boeten alleen door de comitia tributa konden worden opgelegd. De multa suprema was 2 schapen en 30 ossen. Voor de boete in vee werd in 430 door de lex Iulia Papiria (z. a.) eene evenredige geldboete in de plaats gesteld.

Aternum (ook Ostia Aterni geheeten) aan de Adriatische zee, havenstad der Marrucīni, Vestīni en Peligni, drie kleine stammen tusschen Picēnum en Samnium.

Aternus, riviertje, dat bij Aternum in zee valt. [100]

Atesis = Athesis.

Ateste, rom. kolonie in het land der Veneti, aan de Athesis (Etsch) gelegen. Thans Este.

Athamania, Ἀθαμανία, landstreek in Epīrus op de grenzen van Thessalia, met de hoofdstad Argithea. De Athamānes, Ἀθαμᾶνες, stonden op een zeer lagen trap van beschaving.

Athamantiades, Ἀθαμαντιάδης, Palaemon, zoon van Athamas.

Athamantis, Ἀθαμαντίς, Helle, dochter van Athamas.

Athamas, Ἀθάμας, zoon van den thessalischen Aeolus, koning van Orchomenus in Boeotië. Hij was gehuwd met de godin Nephele en had bij haar twee kinderen, Phrixus en Helle; hij nam echter nog eene andere vrouw, Ino, de dochter van Cadmus, waarom Nephele hem verliet. Ook Ino kreeg bij Ath. twee kinderen, Learchus en Melicertes, voor de kinderen van Nephele was zij echter eene slechte stiefmoeder en zelfs bewoog zij Ath. hen aan Zeus Laphystius te offeren, maar Nephele zond hun een ram met gouden vacht, waarmede zij uit het land vluchtten. Toen dit offer alzoo mislukt was, zoude Ath. zelf geofferd worden, maar ook dit werd door Heracles belet (z. Cytissorus). Later werd hij door Hera, die vertoornd was op Ino, omdat zij Dionȳsus had opgevoed, zoo razend gemaakt, dat hij Learchus doodsloeg en Ino voor hem moest vluchten en zich met Melicertes in zee stortte. Met bloedschuld beladen moest Ath. vluchten, hij vestigde zich in Phthiōtis, huwde met Themisto, die hem vier kinderen schonk, en stichtte de stad Halus.

Athanagia = Atanagrum.

Athanasius, geb. te Alexandrië in 295 n. C., nam aan het concilie van Nicaea (325 na C.) een zóó werkzaam aandeel, dat hij in 326 benoemd werd tot opvolger van Alexander als bisschop van Alexandrië. Toen hij tegen het bevel van keizer Constantijn den tot ketter verklaarden Arīus uit de kerk weerde, werd hij verbannen. Na ’s keizers dood keerde hij naar Alexandrië terug, doch werd door den nieuwen keizer Constantius andermaal in ballingschap gezonden. Door bemiddeling van den bisschop van Rome, Julius I, werd hij in zijn ambt hersteld, doch later voor de derde maal gebannen, tot hij eindelijk, onder Joviānus, voor goed terugkwam (366 n. C.). Hij stierf te Alexandrië in 373. Hij heeft vele geschriften nagelaten, waarvan sommige voor de geschiedenis van zijn tijd belangrijk zijn.

Ἀθάνατοι, eene keurbende van 10,000 man in het perzische leger, zoo genoemd omdat zij, wanneer er iemand aan ontviel, terstond weder voltallig gemaakt werd door anderen, die te voren daarvoor waren aangewezen.

Athena van het Louvre-Museum.

Athena van het Louvre-Museum.

Athēna, Ἀθηναία, Ἀθηνᾶ, Παλλὰς Ἀθήνη, Minerva, oorspronkelijk waarschijnlijk eene godin van den aether, wier dienst in verband stond met dien van Poseidon, en die uit het meer of de rivier Triton ontstaan was (Τριτογένεια). Volgens de gewone voorstelling was zij de dochter van Zeus, uit wiens hoofd zij volwassen en gewapend te voorschijn kwam, nadat hij zijne eerste gemalin, Metis, verslonden had. Als een van de machtigste wezens der godenwereld, oefent zij op velerlei wijze een heilrijken invloed op het menschdom uit. Vooreerst is zij de onoverwinnelijke godin van den oorlog (Ἀτρυτώνη), die staten en individuen in den rechtvaardigen strijd helpt; zij geeft haren beschermelingen den moed en het beleid, die hun de overwinning verzekeren, en betreedt in het heetste van het gevecht dikwijls zelve het slagveld, waar dan alles voor haar moet wijken, en zelfs andere godheden, die het wagen haar te weerstreven, het veld voor haar moeten ruimen. De grootste helden staan onder hare bescherming en de steden verdedigt zij tegen de aanvallen der vijanden (Ῥυσίπτολις, Πρόμαχος, Πολιάς, Ἀκραία). De krijgstrompet, de fluit en de wapendans Πυρρίχη zijn door haar uitgevonden. Vervolgens is zij de godin van alle wetenschappen, [101]kunsten en handwerken (Ἐργάνη), en bevordert zij landbouw en nijverheid door allerlei vindingen. Zoo is de ploeg en de hark door haar uitgevonden, zoo heeft zij den menschen geleerd hoe zij het vuur moeten gebruiken, hoe zij paarden kunnen temmen en voor den wagen spannen (Ἱππία), zoo bouwt zij voor Danaus het schip waarmede hij naar Griekenland vlucht en is zij behulpzaam in het bouwen van de Argo; ook het spinnen en weven behoort tot hare werken, en het grootste geschenk, dat de Atheners haar jaarlijks brengen, is een kunstig bewerkt kleed (πέπλος). Alles wat eene beschaafde maatschappij kenmerkt staat onder hare hoede; den staat, zijne onderdeelen en grondslagen, recht en wet, beschermt zij, en vandaar ook rechtbanken en volksvergaderingen (Βουλαία, Ἀγοραία, Φρατρία); zij zelve heeft te Athene de rechtbank van den Areopagus ingesteld.—Over het algemeen is zij de beschermgodin van hen die door verstand, bekwaamheid en overleg uitmunten; zij zelve bezit die eigenschappen in de hoogste mate, daar zij als het ware de gepersonifiëerde wijsheid van Zeus is.—Eindelijk geeft zij, als godin van den zuiveren aether, gezondheid en weert zij ziekten af (Ὑγίεια, Παιωνία).—De dienst van Athena was door geheel Griekenland verbreid, maar nergens werd zij hooger vereerd dan te Athene, de naar haar genoemde stad, waar alle instellingen of van haar afkomstig waren, of tenminste door haar in stand gehouden werden. Zelfs wordt het geheele land Attica als het eigendom der godin beschouwd. Wel had aanvankelijk ook Poseidon erop aanspraak gemaakt, maar toen Zeus beslist had dat het land gegeven zou worden aan dengene, die het met het nuttigste geschenk zou begiftigen, schiep Poseidon het paard, Athena den olijfboom, en de goden kenden haar de overwinning toe. Sedert dien tijd is de olijfboom haar boven alles geheiligd, van de dieren zijn de uil, de haan en de slang aan haar gewijd.—Zij wordt meestal afgebeeld met eene eenigszins mannelijke gestalte, met heldere en ernstige gelaatstrekken, dikwijls draagt zij schild, helm en lans en is zij met de Aegis bekleed.

Parthenon.

Parthenon.

Athēnae, Ἀθῆναι, hoofdstad van Attica, door de Atheners τὸ ἄστυ geheeten, tegenover ἡ πόλις (ἀκρόπολις), de burcht. De oudste nederzetting is waarschijnlijk op de acropolis geweest. Daar zijn nog de overblijfselen gevonden van een koningspaleis uit den Myceenschen tijd. De burcht zelf was versterkt met een muur, uit onbewerkte rotsblokken opgetrokken. De stad breidde zich eerst uit ten Zuiden (Κυδαθήναιον), en ten Westen (z. Πελασγικόν, Πελαργικόν, (τεῖχος)), en sedert den tijd der Pisistratiden ten Noorden van de Acropolis, in den Κεραμεικός, waar door Pisistratus de nieuwe markt ten Noorden van den Areopagus werd aangelegd (de oude markt lag ten Z. daarvan). Hoe de stad er overigens vóór de perzische oorlogen uitzag, is ons onbekend; doch zelfs in zijn bloeitijd was Athene niet, wat wij eene fraaie stad zouden noemen. De straten waren niet breed, niet regelmatig, en de huizen muntten niet uit door prachtige gevels. Er was echter te Athene aan openbare gebouwen meer schoons te zien, dan in eenige andere stad van Griekenland. De stad zelve was in onregelmatig ronden vorm gebouwd. In het midden lag de ἀκρόπολις, de oude burcht, oudtijds Κραναή, de ruwe rots, later Κεκροπία, vervolgens eenvoudig acropolis geheeten. Deze rots, ongeveer 150 voet hoog, was slechts aan de Westzijde toegankelijk, overigens steil en nog bovendien aan den Noordkant door de zoogenaamde pelasgische muren, aan de Zuidzijde door den muur van Cimon versterkt. Om op de acropolis te komen, moest men eerst twee poorten doorgaan, dan stond men voor de prachtige Propylaea, τὰ Προπύλαια, op voorstel van Pericles door den bouwmeester Mnesicles gebouwd. In het midden liep een rijweg opwaarts, aan weerszijden daarvan een marmeren trap van 64 treden. Zóó kwam men in het voorportaal van den burcht. De voorgevel van dit portaalgebouw werd gedragen door zes reusachtige dorische zuilen, die vijf doorgangen vormden, terwijl ter weerszijden van den middenweg drie ionische zuilen de zoldering schraagden. [102]Vijf deuren scheidden dit eerste portaal van een tweede, dat iets hooger lag en kleiner was en weder in eene rij van zes dorische zuilen eindigde en zóó tot het vlak van den heuvel toegang gaf. Dit prachtwerk, geheel van marmer, kostte meer dan 2000 talenten en vijf jaren tijds. Op het heuvelvlak had men dan aan de rechterhand het Parthenon, den tempel der maagdelijke Pallas Athena, onder opzicht van Pericles door Callicrates en Ictīnus gebouwd, ruim 200 voet lang en 100 voet breed, met acht dorische zuilen in het front en zeventien in de lange zijden (z. fig. vorige pag.). Gevelveld en friezen waren met heerlijk beeldhouwwerk versierd, dat tafereelen uit het leven der godin en den grooten optocht bij de feesten der Panathenaeën voorstelde. De hier bijgevoegde plattegrond geeft eene voorstelling van de inrichting des tempels. (A) is de omringende zuilengang, het peristylium, περίστασις, (B) de pronaos, tusschen welks zes zuilen ijzeren hekken aangebracht waren, waarachter wellicht tempelgeschenken werden tentoongesteld, (C) is de 100 voet lange cella, ἑκατόμπεδος νεώς waar in (a) het beeld der godin stond, terwijl men niet alleen aan de twee lange zijden, maar ook aan de achterzijde (op de teekening niet aangegeven) ionische zuilen vond in twee stellingen boven elkaar. Het beeld der godin, 12 meter hoog, uit goud en ivoor bewerkt, was het meesterwerk van Phidias. Op de uitgestrekte rechterhand droeg zij het zes voet hooge gevleugelde beeld der Overwinning. De gouden mantel der godin werd omstreeks 300 door zekeren Lachares, volksmenner en vervolgens tyran te Athene, geroofd. Afgesloten van de cella (de twee deuren, op de teekening aangegeven, zijn uit het christelijk tijdperk) was het opisthodomos, dat verdeeld was in het eigenlijke Parthenon (D), ook Megaron genoemd, waarin de schatten van de godin en van de andere goden bewaard werden, en het eigenlijke opisthodomos (E), waarin zich de staatsschat bevond. Het Parthenon werd in het christelijk tijdperk in een kerk der maagd Maria en door de Turken in eene moskee herschapen. In 1687, in den oorlog tusschen de Turken en de republiek Venetië, vloog een gedeelte van den tempel, door de Turken als kruitmagazijn gebruikt, door eene bom uit de venetiaansche batterijen in de lucht. In 1799 liet de britsche gezant bij de Porte, lord Elgin, met goedvinden der turksche regeering, het nog overgebleven beeldhouwwerk uitbreken en met tal van andere kunstwerken naar Engeland overvoeren. Door het vergaan van een der schepen bij Cerigo ging een deel dezer kunstschatten verloren; het overige ging in 1816 voor 35000 L.st. aan het Britsch Museum over, waar het nog onder den naam van Elgin marbles prijkt. Tegenover het Parthenon ligt het Erechthēum, aan Poseidon Erechtheus geheiligd, met den daartegenaan gebouwden tempel van Athena Polias, waarin het oude houten beeld der godin stond, dat éénmaal ’s jaars gereinigd werd. Deze tempel werd in 407 voleindigd. (A) is de pronaos van Athena Polias, (B) de cella; [103]aan de andere zijde kwam men langs een trap in het voorportaal (F) van den Erechtheustempel; het is een open hal, waarvan het dak door caryatiden (Κόραι) werd gedragen; (D) is de pronaos, (C) de cella van den tempel, terwijl (E) de noordelijke uitbouw is, waarin zich het drietandteeken van Poseidon bevindt; (G), (H) en (I) zijn doorgangen. Onder den pronaos was de zoutbron, en ter zijde daarvan de heilige olijf, door Athena geplant. Een derde standbeeld van Athena was nog de Athena Promachos, een door Phidias gegoten metalen reuzenbeeld. Reeds bij het omvaren van kaap Sunium kon men de gouden punt harer speer in de zon zien schitteren. Het tempeltje der Νίκη ἄπτερος lag wel op de acropolis, doch buiten de Propylaeën. Ten slotte vermelden wij, dat er voor de Perzische oorlogen dichtbij het Erechtheum een andere tempel van Athena gestaan heeft, die gewoonlijk Hecatompedon of ἀρχαῖος νεώς genoemd wordt. Wanneer men van de acropolis in noordwestelijke richting ging, kwam men op de markt, ἀγορά, vanwaar een weg naar den Pnyx voerde, een heuvel, die tot plaats voor de volksvergadering diende. Langs de markt liepen zuilengangen, waarvan de στοὰ ποικιλή of beschilderde galerij de meest beroemde was. Op hare wanden prijkten tafereelen uit den slag bij Marathon en andere veld- en zeeslagen, waarin de Atheners roem hadden ingeoogst. Aan de markt lag het βουλευτήριον, waar de raad, de βουλή, zitting hield, benevens de θόλος of rotonde, waar de prytanen hun maaltijden gebruikten. Niet ver van de markt verhief zich de vrij steile Aresheuvel of Areopagus, Ἄρειος πάγος. Onder de openbare gebouwen en monumenten in de stad verdienen vermelding: het Prytanēum, het theater van Dionȳsus, dat tegen de Zuidzijde van de Acropolis aangebouwd was, het Museum, het Theseum, het Odeum van Pericles voor muzikale wedstrijden. Een ander Odeum van later tijd was dat van Herodes Atticus. Het choragisch monument van Lysicrates, van omstreeks 330, ook wel met den naam van lantaarn van Diogenes bestempeld, is een sierlijk gebouwtje met zes corinthische zuiltjes, die op een vierkanten onderbouw rusten en een marmeren dekstuk dragen, met beeldwerk versierd en waaruit eene acanthusplant oprijst. Het gebouwtje, 34 voet hoog, diende om den drievoet (χορηγικὸς τρίπσυς) te dragen, dien Lysicrates als prijs in den choragischen wedstrijd had gewonnen. Eene straat in de stad heette de straat der drievoeten, omdat daar een aantal zulke gedenkteekenen stonden. De toren der winden was een fraai achthoekig gebouw, waarin een wateruurwerk was aangebracht en waarop een windwijzer stond. Hij dagteekent uit de 1ste eeuw. Vele aanzienlijke mannen, zelfs vorsten lieten te Athenae praalgebouwen oprichten, om hun eigen naam te verheerlijken.

Plattegrond van het Parthenon.

Buiten de stadsmuren vond men nog beroemde plaatsen, als: de Academia, Ἀκαδήμεια of -μία, een wandelpark met gymnasium, waar Plato zijn onderwijs gaf, het Lycēum, ook een park met een tempel van Apollo Lycius, waar Aristoteles zijne peripatetische lessen gaf, den heuvel Cynosarges, met een gymnasium, in een van welks zalen Antisthenes, de stichter der cynische school, als leeraar optrad.

Plattegrond van het Erechtheum.

Plattegrond van het Erechtheum.

Chor. monum. van Lys.

Chor. monum. van Lys.

Ten Westen van de stad stroomde de Cephīsus, in het Z.O. de Ilisus. Van de stad liepen de lange muren, τὰ μακρὰ τείχη, ook wel de beenen van Athenae genoemd, τὰ σκέλη τῶν Ἀθηνῶν, ter lengte van omstreeks anderhalf uur gaans naar de havens. De havens Phalērus en Munychia waren klein; maar de Piraeus (Πειραιεύς) vormde eene kleine stad op zichzelve, met scheepswerven, tuighuis, magazijnen, handelshaven, oorlogshaven, ja zelfs met een theater. De muren waren in zee vooruitgebouwd; de invaart, die met kettingen kon worden afgesloten, liep met eene sterke kromming tusschen twee muren door. Voor de geschiedenis van Athenae moeten wij naar de geschiedboeken verwijzen. Ook onder rom. heerschappij bleef Athenae nog lang eene civitas libera met een betrekkelijk uitgebreid gebied, waartoe, behalve Attica, ook een deel der cycladische eilanden behoorde. Het bleef ook lang een zetel van kunst en wetenschap, en tal van jonge aanzienlijke Romeinen gingen erheen, om hunne opleiding te voltooien. De stad leed in 86 veel door Sulla’s belegering; bij die gelegenheid ging de Piraeus te gronde; keizer Hadriānus zocht in later tijd de stad te doen herleven door aan de verfraaiing ervan veel ten koste te leggen. Het aantal inwoners van Athenae wordt tegen het einde van de regeering der Pisistratiden op 20,000 à 25,000 geschat; bij het uitbreken van den Peloponnesischen oorlog bedroeg de bevolking van stad en havens ruim 100,000; een eeuw later evenveel, maar toen was de Piraeus meer bewoond, en begon de stad reeds verlaten te worden.

Behalve de talrijke tempels, waarvan wij slechts zeer enkele konden vermelden, was de stad zeer rijk aan standbeelden. [104]

Athenaeum, Ἀθήναιον, in het algemeen elke aan Athēna gewijde plaats. In het bizonder verstond men hieronder de door keizer Hadriānus te Rome opgerichte school voor hoogere vorming. Hoewel enkele uitstekende onderwijzers reeds onder Augustus en Vespasiānus eene toelage uit de schatkist genoten, was er te Rome toch alleen bizonder onderwijs; Hadriānus voerde het openbaar onderwijs in met onderwijzers, die door den staat werden bezoldigd, teneinde invloed op den geest van het onderwijs te kunnen uitoefenen en eene niet gewenschte republikeinsche richting te keeren.

Athenaeus, Ἀθήναιος, 1) sicilisch werktuigkundige, tijdgenoot van Archimēdes.—2) taalgeleerde uit Naucratis, omstreeks 230 na C., die eerst te Alexandrië, later te Rome leefde. Zijn uitvoerig werk Δειπνοσοφισταί, dat bijna geheel bewaard gebleven is, behandelt in den vorm van gesprekken allerlei bizonderheden uit het dagelijksch leven der ouden, en heeft vooral groote waarde door de talrijke aanhalingen uit oudere schrijvers, wier werken verloren gegaan zijn.

Athenagoras, Ἀθηναγόρας, van Athene, leeraar der academische wijsbegeerte te Alexandrië in de 2e eeuw n. C.; later ging hij tot het Christendom over, dat hij ijverig en op wijsgeerige gronden verdedigde.

Athenāis, Ἀθηναίς, 1) bijgenaamd Φιλόστοργος, gemalin van den cappadocischen koning Ariobarzanes II.—2) dochter van den sophist Leontius, de schoone en bekwame gemalin van keizer Theodosius II; na hare bekeering tot het Christendom noemde zij zich Eudocia. Zij heeft verschillende epische gedichten gemaakt, die oud-testamentische en christelijke onderwerpen behandelen.

Athenio, een herder, aanvoerder der opgestane slaven op Sicilia in 102 en 101. De consul M.’ Aquillius versloeg hem in 100 met eigen hand. Cicero gaf aan Sext. Clodius, den vrijgelatene van P. Clodius (Claudii no. 17) den schimpnaam Athenio, omdat laatstgenoemde aan het hoofd van een troep slaven te Rome onlusten verwekte.

Athenis, z. Bupalus.

Athenodōrus, Ἀθηνόδωρος, 1) een Griek, die door Alexander d. G. met eene kolonie naar Bactra gezonden werd en zich den titel van koning wilde aanmatigen, maar door Bito vermoord werd.—2) bijgenaamd Κορδυλίων, van Tarsus, stoicijnsch wijsgeer, opzichter der bibliotheek te Pergamus. Hij zou getracht hebben de werken der oudere stoicijnen te zuiveren van alles wat hem minder goed voorkwam, maar zijn toeleg werd ontdekt. De jongere Cato nam hem in 70 mede naar Rome, waar hij stierf.—3) van Tarsus, zoon van Sandon, waarschijnlijk leerling van Posidonius van Rhodus, leeraar der stoicijnsche wijsbegeerte te Apollonia in Epīrus, waar Octaviānus hem leerde kennen. Deze nam hem mede naar Rome, echter keerde hij later naar Tarsus terug, waar hij de gedurende zijne afwezigheid uitgebroken burgertwisten bijlegde en de wetten verbeterde.—4) een van de drie beeldhouwers van de Laocoongroep z. Laocoon.

Athesis, Ἀτησῖνος, thans de Adige of Etsch, die op de Rhaetische Alpen ontspringt en zich in de Adriatische zee stort. In zijn bovenloop neemt hij (bij Bozen) den Atagis Ἄταγις, of Isarcus (Eisach) op. V. s. is Atagis een andere naam voor den Athesis.

Athlētae, ἀθληταί, ἀθλητῆρες, werden bij de Grieken diegenen genoemd, die bij de nationale spelen te Olympia of elders in den wedstrijd voor lichaamsoefening en spierkracht naar de overwinning dongen. Langzamerhand werd hiervan een beroep gemaakt en kreeg men athleten, die op hunne kunst reisden en voorstellingen gaven. Zulke worstelaars werden van jongs af geoefend en volgden een bepaalden leefregel. Ook bij de Romeinen vonden nu en dan bij de openbare spelen dergelijke voorstellingen plaats, waarvoor men dan tegen hoog loon (auctoramentum) grieksche athleten huurde. Bij het worstelen, dat geheel naakt geschiedde, smeerde men zich met olie in, om aan de tegenpartij minder vat te geven, wat deze dan weder nutteloos trachtte te maken, door zijn tegenstander met zand te werpen.

Ἀθλοθέται, oorspronkelijk zij, die bij de wedstrijden prijzen uitloofden, later bij de groote nationale feesten kamprechters en commissarissen. Zij werden tien maanden vóór het feest benoemd, ontvingen de aangiften van de mededingers in de wedstrijden en zorgden voor alles wat voor eene waardige feestviering noodig was. Door een plechtigen eed verbonden zij zich tot onpartijdigheid. Gedurende het feest droegen zij een purperen kleed, lauwerkrans en staf, ook werden zij begeleid door dienaars die staven droegen (ῥαβδοῦχοι). Te Athene werden om de vier jaar 10 athlothetae door het lot aangewezen, die bij de feesten, vooral de Panathenaea, het oppertoezicht hielden en uitspraak deden over de wedstrijden.

Athos, Ἄθως, naam van een der Giganten, die den hemel wilden bestormen. Hij nam een berg uit Thracia op en slingerde dezen naar de goden. De bliksem van Zeus weerde echter het gevaar af en deed den bergklomp aan de macedonische kust neerstorten, waar hij zich nog als mons Athos (thans Monte Santo of Hagion Oros) op de chalcidische landtong Acte tot eene hoogte van 6350 voet verheft. Xerxes liet den hals der landtong bij Sane doorgraven. Oudtijds lagen tegen den berg een vijftal bloeiende steden; thans vindt men er slechts een aantal grieksch-katholieke kloosters, die in het bezit van belangrijke oude handschriften zijn.

Atii, zie Attii.

Atilia (lex) de dando tutore, onzeker van welk jaar, doch vóór 188. Waar een voogd noodig was en bij ontstentenis van nabestaanden geen voogd was en door den overledene ook geen voogd bij testament was aangewezen, werd volgens de lex Atilia een voogd benoemd door den praetor urbanus onder medewerking der volkstribunen.

Atilia Marcia (lex), 311, van de volkstribunen L. Atilius en C. Marcius, dat van [105]de 24 krijgstribunen, die jaarlijks voor vier legioenen noodig waren, 16 door het volk zouden worden gekozen.

Atilii. Tot de gens Atilia behooren o. a. de familiën Bulbus, Calatīnus, Longus, Regulus, Serrānus.—1) A. Atilius Calatinus, consul in 258 en in 254, streed op Sicilia tegen de Carthagers en veroverde Panormus (Palermo). In het jaar 249 was hij als dictator op Sicilia, en was als zoodanig de eerste dictator, die buiten Italia eene rom. legermacht aanvoerde.—2) M. Atilius Regulus werd als consul in 294 door de Samnieten bij Luceria verslagen. Toch heeft hij een triumf gevierd.—3) M. Atilius Regulus, geen zoon van den vorigen, was consul in 267 en 256. In zijn eerste consulaat overwon hij de Sallentīni in Calabria, hij veroverde Brundisium, en genoot de eer eener zegepraal; in zijn tweede, waarin hij consul suffectus was in plaats van den overleden Q. Caedicius, ondernam hij den voor hem noodlottigen tocht naar Carthago. Met zijn ambtgenoot L. Manlius Vulso met eene vloot van 330 schepen in zee gestoken, versloeg hij eerst de carthaagsche vloot bij Ecnomus aan de Zuidkust van Sicilia, landde toen in Africa, en veroverde de stad Aspis, die door de Romeinen in Clypea of Clupea werd verdoopt. Manlius keerde naar Rome terug; Regulus bleef in Africa en bracht Carthago zoo in het nauw, dat het om vrede vroeg. De hardheid zijner voorwaarden echter drong de Carthagers nog eenmaal het uiterste te beproeven, en onder aanvoering van den Spartaan Xanthippus behaalden zij de overwinning. Regulus werd gevangen genomen; 30000 der zijnen sneuvelden (255). In 250 zonden de Carthagers gezanten met Regulus naar Rome, in de verwachting, dat hij voor een vrede zou pleiten; in den senaat toegelaten, ontried hij den vrede ten sterkste. Overeenkomstig een door hem gezworen eed, keerde hij als gevangene naar Carthago terug, waar hij onder folteringen zou ter dood gebracht zijn. Het geheele verhaal van Regulus’ zending naar Rome en zijn marteldood is onhistorisch.—4) C. Atilius Regulus, dikwijls ten onrechte Serranus (Saranus) bijgenaamd, versloeg als consul in 257 de carthaagsche vloot bij de Liparische eilanden en hield een zegetocht. In 250 was hij ten tweede male consul en sloeg hij het beleg voor Lilybaeum, maar kon de stad niet innemen.—5) M. Atilius Regulus, zoon van no. 3, was consul in 227, en consul suffectus in 217 in plaats van C. Flaminius, die bij het Trasimeensche meer gesneuveld was. Als censor in 214 was hij zeer streng tegen hen, die na den slag bij Cannae het plan hadden gehad, Italië te verlaten, verder die door woordbreuk zich aan Hannibal’s gevangenschap hadden onttrokken, en ten slotte tegen hen, die in de laatste 4 jaren zich zonder voldoenden grond aan den krijgsdienst hadden onttrokken.—6) C. Atilius Regulus, misschien een broeder van no. 5, was consul in 225.—7) C. Atilius Serranus streed in 218 als praetor tegen de opgestane Bojers in Gallia Cisalpīna en vereenigde zich vóór den slag aan den Ticīnus met den consul P. Cornelius Scipio, die hem daarop naar Rome terugzond.—8) A. Atilius Serranus, praetor in 192, komt in den oorlog tegen Antiochus III van Syria voor. In 172 maakten hij en Q. Marcius Philippus (zie Marcii no. 15) het gezantschap uit, dat de Grieken moest weerhouden, gemeene zaak met Perseus te maken.—9) C. Atilius Serranus Gaviānus, uit de gens Gavia geadopteerd, quaestor in 63, trachtte als volkstribuun in 57 Cicero’s terugroeping te verhinderen.—10) M. Atilius, middelmatig tooneeldichter uit de tweede eeuw, schrijver van eene Electra.

Ἀτιμία, gemis van enkele (ἀτ. κατὰ προστάξεις) of van alle (ἀτ. τοῦ σώματος) burgerlijke rechten. Deze rechten konden een burger bij rechterlijk vonnis ontnomen worden, of zij konden wegens het niet vervullen van zekere verplichtingen tegenover den staat verloren gaan. Hij die alle burgerlijke rechten mist (ἄτιμος), mag bijv. niet in rechten optreden, de volksvergadering of de markt niet bezoeken, enz. Hiermede ging soms nog verbeurdverklaring van goederen gepaard (ἀτ. τοῦ σώματος καὶ τῶν χρημάτων), vooral tegenover hen, die aan den staat verschuldigde gelden niet betaalden. Deze toestand van ἀτιμία hield op, zoodra de schuld betaald werd, maar ging anders bij den dood van den schuldenaar ook op zijne kinderen en kleinkinderen over. Te Sparta werden de burgerlijke rechten o.a. aan hen ontnomen, die zich uit lafheid aan een gevecht onttrokken hadden (τρέσαντες).

Atīna, volscische stad hoog in de bergen, ten N. van Casinum, in Latium, later rom. municipium.

Atinia (lex), van 197, een plebisciet van den volkstribuun C. Atinius Labeo, ut quinque coloniae in oram maritimam deducerentur, n.l. naar Puteoli, Vulturnum, Liternum, Salernum, en naar Buxentum.

Atinia (lex), een plebisciet (± 102), waardoor de volkstribunen zitting kregen in den senaat.

Atinia (lex), de rebus furtivis, onzeker van wanneer, bepaalde, dat verjaring geen eigendomsrecht opleverde van gestolen zaken.

Atintānes, Ἀτιντᾶνες, volksstam in het N.-W. van Epīrus.

Atlantes, Ἄτλαντες, volksstam in Africa bij het Atlasgebergte, het verst af wonende volk, dat bij Herodotus bekend was. Zij hadden in hun gebied zoutgroeven, en bouwden volgens het verhaal zelfs hutten van zout, daar in hun gebied nooit regen viel.

Atlantiades, Hermes en Hermaphrodītus, kleinzoon en achterkleinzoon van Atlas.

Atlantides, Atlantiades, Ἀτλαντίδες, de Pleiaden en Hyaden, dochters van Atlas.

Atlantis, Ἀτλαντίς. De overlevering bij de ouden gewaagde van een groot en heerlijk eiland ten Westen van de zuilen van Heracles, waarnaar de Atlantische oceaan zijn naam droeg. De vorsten van dit eiland zouden eenmaal zegevierend tot bij Griekenland zijn doorgedrongen. Om het zedenbederf der inwoners [106]echter was het eiland door eene hevige aardbeving geteisterd en in één etmaal door de zee verzwolgen.

Atlas, Ἄτλας, een Titan, zoon van Iapetus en Clymene of Asia, die met de andere Titanen de goden beoorloogde en tot straf daarvoor veroordeeld werd met hoofd en handen den hemel te steunen of de zuilen te dragen waarop de hemel rust.—V. a. een afrikaansch koning, die weigerde Perseus te ontvangen en wegens zijn gebrek aan gastvrijheid versteend en in den berg Atlas veranderd werd. V. a. een zeer oud arcadisch sterrenkundige die de eerste hemelglobe maakte.

Atlas, Ἄτλας, (Adtla = sneeuwgebergte), het nog aldus genoemde noordafrikaansche hooggebergte.

Atossa, Ἄτοσσα, dochter van den ouden Cyrus, eerst met Cambyses, later met Darīus Hystaspis gehuwd.

Atrae, Hatra, Ἄτραι, τὰ Ἄτρα, sterke vesting in een oase van Zuid-Mesopotamië door Traiānus (117 n. C.) en Alexander Sevērus (198 n. C.) tevergeefs belegerd. De stad lag in eene woestijn; de inwoners, van arabischen stam, heetten Atreni.

Atratīni, familienaam in de gens Sempronia z. Sempronii no. 1–5.

Atrax, Ἄτραξ, thessalische stad aan den Penēus, nabij Larissa. Atracius = thessalisch; atracia ars = tooverkunst.

Atrebātes, Ἀτρεβάτιοι, belgische volksstam in het latere Artois. Hunne hoofdstad was Nemetācum of Nemetocenna, thans Arras.

Atreus, Ἀτρεύς, zoon van Pelops en Hippodamēa. Hij en zijn broeder Thyestes vermoordden hun stiefbroeder Chrysippus en werden daarom door Pelops weggejaagd. Zij werden opgenomen door hun zwager Sthenelus, koning van Mycēnae, en nadat diens zoon Eurystheus in den strijd tegen de Heracliden gevallen was, volgde Atreus hem op. Hierop naijverig, verleidde Thyestes de vrouw van Atreus, Aërope, ten einde in het bezit te komen van het gouden lam, met welks bezit de heerschappij over Mycenae verbonden was. Hij werd uit het land verjaagd, maar om zich te wreken zond hij Plisthenes, een zoon van Atreus, die door Thyestes opgevoed was, naar Mycenae terug om Atreus te vermoorden, deze verijdelde echter dien aanslag door Plisthenes, dien hij niet herkende, te dooden. Thyestes werd nu teruggeroepen en schijnbaar weder in vriendschap opgenomen, maar bij een gastmaal liet Atreus diens beide zonen slachten en zette hij hun vader het vleesch en bloed als spijs en drank voor. Toen Thyestes deze gruwelijke daad vernam, vervloekte hij zijn broeder en verliet hij het land, dat na dien tijd door pest en hongersnood bezocht werd. Op bevel van een orakel gaat Atreus op reis om Thyestes terug te halen, en bij koning Thesprōtus vindt hij Pelopēa, de dochter van Thyestes, en neemt haar zonder haar te kennen tot vrouw. De zoon van Thyestes en Pelopea, Aegisthus, werd door Atreus als zijn eigen zoon opgevoed en later overgehaald Thyestes, die door Agamemnon en Menelāus teruggehaald en in de gevangenis gezet was, te vermoorden, maar vader en zoon herkenden elkander nog bij tijds en doodden nu te zamen Atreus, terwijl hij aan het offeren was.

Atria, zie Adria.

Atrīdes, Ἀτρείδης, Agamemnon en Menelāus, zonen van Atreus.

Atriensis, slaaf, wien de zorg voor het atrium was opgedragen, en die, omdat het eene betrekking van vertrouwen was, tot de bevoorrechte slaven van het huis behoorde.

Atrium.

Atrium.

Atrium, eene der onmisbare deelen van een romeinsch huis, het woonvertrek, oudtijds het middelpunt van het huiselijk leven, waar het huwelijksbed, de huiselijke haard en de geldkist zich bevonden, alsmede de weefstoelen, waaraan de huisvrouw en hare slavinnen arbeidden. Met het toenemen der weelde evenwel werden deze voorwerpen naar andere gedeelten van het huis verbannen en werd het atrium meer eene receptiezaal. Het atrium was [107]het eerste vertrek, als men den gang doorkwam (z. domus). Rondom waren kleine vertrekken of kabinetjes aangebracht, die licht en lucht alleen uit het atrium ontvingen, en cubicula heetten, wanneer zij door deuren, en alae, wanneer zij alleen door gordijnen waren afgesloten. Een dezer vertrekjes was het lararium, de huiskapel, waar het altaar der huisgoden stond en bij de nobiles de imagines maiorum bewaard werden. In het midden der zoldering was eene vierkante opening gelaten, waardoor het licht naar binnen viel en de rook van den haard naar buiten trok, en die compluvium werd geheeten, omdat zij ook den regen doorliet. Daaronder was in den vloer een soort regenbak, impluvium. Soms was het atrium met bloemen en beelden versierd. Op de eerste teekening ziet men achter het atrium een vertrek, dat aan de voorzijde open is, het tablinum, de werkkamer of het bureau van den heer des huizes, en daarachter een met eene gaanderij omgeven binnenplaats of cavaedium, ook peristylium geheeten. De tweede teekening stelt het atrium voor van een oud-italisch huis zonder peristylium; door het tablinum en de aansluitende porticus ziet men in den tuin. Oorspronkelijk behoorde het atrium geene zuilen te hebben, doch toen de afmetingen grooter werden, werd het dak aan de hoeken van het impluvium door kolommen gedragen.

Atrium.

Atrium.

Atropatēne, Ἀτροπατηνή, het noord-westelijke deel van Media, dat door Alexander den Grooten in handen van den satraap Atropates werd gelaten. Hoofdstad Gazaca, nabij een groot zoutwatermeer.

Atropates, Ἀτροπάτης, satraap van Medië onder Darīus Codomannus en later ook onder Alexander d. G. Zijne nakomelingen regeerden onafhankelijk in het N.W. van het land (Atropatēne).

Atropus, Ἂτροπος, de onafwendbare, eene der drie Moerae.

Attalīa, Ἀττάλεια, stad aan de kust van Pamphylia, door Attalus II gesticht, tgw. Adalia.

Attalus, Ἄτταλος, 1) veldheer van Philippus van Macedonië. Bij diens dood stond hij met een leger aan den Hellespont om den veldtocht tegen Perzië te beginnen. Maar Alexander, die hem niet vertrouwde, liet hem, terstond na het aanvaarden der regeering vermoorden.—2) zoon van Andromenes, veldheer van Alexander den G., werd verdacht van medeplichtigheid aan de samenzwering van Philōtas (330), maar vrijgesproken. Na Alex. dood sloot hij zich bij Perdiccas aan, en toen deze vermoord was, ging hij met de vloot naar Tyrus om troepen te werven; hij werd echter door Antigonus verslagen (320) en sedert dien tijd gevangen gehouden, drie jaar later werd hij gedood.—3) Attalus I, regeerde 241–197 over Pergamus en nam na eene overwinning op de Galliërs den koningstitel aan. Hij vergrootte zijn rijk ten koste van Syrië, doch moest weldra de gemaakte veroveringen weder afstaan. Om zich tegen dit machtige rijk te kunnen verdedigen, verbond hij zich met de Romeinen en ondersteunde hen vooral met zijne vloot in den oorlog tegen Philippus van Macedonië. Hij stierf 72 jaar oud aan eene beroerte. Hij [108]was een beschermer van kunsten en wetenschappen en stichtte met groote kosten de beroemde bibliotheek van Pergamus.—4) Attalus II, Φιλάδελφος, zoon van den vorigen, nam na den dood van zijn broeder Eumenes II (159), dien hij sedert 167 te Rome vertegenwoordigd had, als voogd over diens kinderen de regeering in handen en behield die tot zijn dood (138). Hij ondersteunde de Romeinen in hunne oorlogen tegen Macedonië en het achaeïsch verbond en trachtte Alexander Balas te helpen in zijn streven naar de regeering over Syrië. Van de Romeinen ontving hij hulp in zijne oorlogen tegen Bithynië. Ook hij was een beschermer van kunsten en wetenschappen.—5) Attalus III, Φιλομήτωρ, zoon van Eumenes II en Stratonīce, opvolger van den vorigen, was te zwak van geestvermogens om zelf te regeeren; hij leefde in afzondering en bracht zijn tijd met tuinbouw en beeldhouwen door. Hij stierf in 133 en liet bij testament zijn rijk en zijne bezittingen aan de Romeinen na.—6) romeinsch praefect, die tweemaal (409, 414 na C.) door de Westgothen tegenover Honorius tot keizer uitgeroepen werd. Hij werd beide keeren echter spoedig door zijne aanhangers verlaten en viel eindelijk in de handen van zijne vijanden, waarop hij naar Lipara verbannen werd.—7) stoicijnsch wijsgeer, leermeester van Seneca.

Ἀτθίς, geschied- en aardrijkskundige beschrijving van Attica, zooals in de vierde en derde eeuw in groot aantal geschreven werden. Van de meeste schrijvers zijn slechts fragmenten over. De bekendste zijn: Philochorus, Hellanicus, Clitodēmus, Androtion, Phanodemus en Demon.

Attia (lex) of lex Labiēna van den volkstribuun T. (Attius) Labienus, 63, tot wederinvoering der lex Domitia de sacerdotiis, die door eene lex Cornelia van L. Cornelius Sulla was opgeheven.

Attica, Ἀττική, het oostelijkste landschap van Midden-Griekenland of Hellas, werd oudtijds Acte of Actica (Ἀκτή, Ἀκτική) geheeten, omdat het zulke uitgebreide kusten bezit. Volgens Strabo is de naam Attica uit Actica ontstaan. Ook werd het vroeger wel Ionia genoemd. De natuur verdeelde het in drieën: 1) Diacria, het hoog- of bergland, het noordoostelijk gedeelte, waarin men den mons Pentelicus of Brilessus en den Parnes vond,—2) Pedias, het noordwestelijk vlakland,—3) Paralia, het westelijk en zuidelijk kustland. De Pentelicus leverde eene beroemde, witte marmersoort (πεντελήσιος λίθος), de Hymettus, meer naar het Zuiden, ten O. van Athēnae, was met geurigen tijm begroeid en vermaard om zijn voortreffelijken honig. Ten Oosten van den Hymettus lag nog eene kleine binnenvlakte, Mesogaea en ten N. daarvan, in de Diacria, de vlakte van Marathon. De berg Laurium, geheel in het Zuiden, leverde zilvererts. Ook het attisch zout was beroemd, zoowel in letterlijken, als in overdrachtelijken zin. Over het algemeen was het land berg- en heuvelachtig; de vlakten, zooals die van Eleusis en van Athenae, waren niet groot. Koren werd er weinig verbouwd; de olijfboom en de vijg tierden er echter welig. Er werd veel aan schapen- en geitenfokkerij gedaan; voor de teelt van rundvee was de steenachtige bodem minder geschikt.

De bevolking van Attica was ionisch, doch vermengd met een oudere bevolking, die gewoonlijk als “pelasgisch” aangeduid wordt; maar tot welken stam die behoort, weten we niet. In elk geval heeft ook hier de “myceensche” beschaving geheerscht. De Atheners beschouwden zich als autochthonen wegens hun pelasgische afkomst, terwijl de Ioniërs ongeveer in 1000 over zee, waarschijnlijk uit het Noorden het land binnengetrokken zijn, en hun taal en eerediensten aan de oorspronkelijke bevolking hebben opgedrongen. Als stichter van den atheenschen staat geldt Theseus, die de twaalf verschillende gemeenten of δῆμοι tot één geheel vereenigde, met Athenae als hoofdstad, ter gedachtenis waarvan het feest der Panathenaeën werd ingesteld. Athenae was τὸ ἄστυ; twee andere plaatsen, Eleusis en Brauron, maakten aanspraak op den naam van πόλις. De bevolking was eerst verdeeld in 4 phylae (Γελέοντες, Ἀργαδεῖς, Αἰγικορῆς, Ὅπλητες) totdat door Clisthenes eene verdeeling in 10 phylae en meer dan 100 (later 174) demi werd ingevoerd (± 508). Na Theseus heerschten in Attica koningen, van welke Codrus de laatste was. Toen volgden er archonten, eerst één voor zijn leven, daarna één voor tien jaar, sedert 683 jaarlijks negen archonten (zie Ἄρχοντες). Door Solon werden de burgers naar hunne inkomsten in vier klassen verdeeld: πεντακοσιομέδιμνοι, τριακοσιομέδιμνοι of ἱππῆς, ζευγῖται, en θῆτες. De volksvergadering bestond uit de burgers boven 20 jaar. De senaat, βουλή, bestond eerst uit 400 leden, 100 uit elke phyle, doch sedert Clisthenes uit 500 leden, n.l. uit elke der nieuwe phylae 50. De areopagus, ἡ βουλὴ ἡ ἐν Ἀρείῳ πάγῳ, was door Solon ingesteld als wachter der wetten en als hoogste gerechtshof, doch werd later teruggebracht tot een gerechtshof in zaken van moord. De heliaea, ἡλιαία, was een rechtbank van gezworenen, uit 6000 door het lot gekozen burgers bestaande. Meer bizonderheden zal men in de afzonderlijke artikels vinden.

In Attica behooren de mythen te huis van Cecrops en diens dochters Pandrosus, Herse en Aglaurus, van Erechtheus en vooral de sagen van Theseus. Ook Pandīon, de vader van Philomēle en Procne, wordt een Athener genoemd.

Atticistae, Ἀττικισταί, heeten de latere grieksche schrijvers, die niet in het toen gebruikelijke dialect (κοινὴ διάλεκτος) schreven, maar zooveel mogelijk de oude attische schrijvers navolgden, bijv. Luciānus. Deze richting in de Grieksche literatuur begint ongeveer 200, als reactie tegen de willekeur der Aziatisch-Grieksche schrijvers, en bereikt haar hoogtepunt in den tijd van Cicero; men legt zich nu toe op de μίμησις τῶν ἀρχαίων. Ook worden zoo genoemd taalkundigen, die [109]lijsten van echt attische woorden en uitdrukkingen gemaakt hebben.

Atticus, Cicero’s vriend. Zie Pomponii no. 5.

Atticus Herōdes (Tiberius Claudius), een schatrijk Marathoniër, leermeester van keizer Marcus Aurelius, een hooggeprezen redenaar, die veel heeft bijgedragen tot verfraaiing van Athene en o.a. een Odēum stichtte.

Attii, 1) Attius (of Attus) Navius, augur tijdens koning Tarquinius Priscus, verzette zich tegen de verdubbeling van het getal riddercenturiën en sneed, om zijne onfeilbaarheid te bewijzen, een slijpsteen met een scheermes door. Er stond een standbeeld van hem met omhuld hoofd (capite velato) op het Comitium, en daarbij de ficus Navia of Ruminalis, z. Rumina.—2) T. (Attius) Labiēnus zie Labieni no. 1).—3) Q. (Attius) Labienus, zoon van no. 2, zie Labieni no. 2).—4) P. Attius Varus, propraetor van Africa in ± 51, koos de partij van Pompeius, voor wien hij vruchteloos het landschap Picēnum zocht te behouden, stak vervolgens naar Africa over, waar hij echter door Caesars legaat Curio (z. Scribonii no. 6) verslagen werd, en sneuvelde later bij Munda.—5) M. Attius Balbus, praetor vóór het jaar 59, gehuwd met Julia, de zuster van C. Julius Caesar, gaf zijne dochter Attia tot vrouw aan Cn. Octavius, den vader van den lateren keizer Augustus.—6) L. Attius (Accius), zoon van een vrijgelatene, beroemd rom. treurspeldichter, schrijver van talrijke stukken, ook nationale (als Decius, Brutus), naar grieksch model gevormd. Er zijn slechts fragmenten van overgebleven. Hij leefde van 170 tot ongeveer 94.—7) Attia, moeder van Octaviānus, zie no. 5.

Attila, koning der Hunnen, bijgenaamd de geesel Gods, regeerde eerst (434 na C.) met zijn broeder Bleda, dien hij echter liet ombrengen (444). In 441 en 442 en later in 447 en 448 verwoestte hij het oost-romeinsche rijk en noodzaakte hij keizer Theodosius II hem om vrede te verzoeken en schatting te betalen. Vervolgens richtte hij zich naar het Westen, drong met een leger van 500000 man in Gallia door, doch werd in de Catalaunische velden (bij Châlons-sur-Marne, v.a. bij Troyes) verslagen door de vereenigde legers van den romeinschen veldheer Aëtius, den frankischen koning Meroveüs en den westgothischen koning Theodorik (451). Attila verloor in dezen slag een vierde van zijn leger. Met het overschot viel hij in Italië, veroverde en verwoestte o.a. het sterke Aquileia, doch spaarde Rome op de bede van paus Leo I (452). Naar Pannonia teruggekeerd, stierf hij in 453, waarop het rijk der Hunnen te niet ging.

Attuarii, germaansch volk aan den Rijn. Zie Chasuarii.

Attus Navius, z. Attii, no. 1.

Atūrus, riv. in Aquitania, thans de Adour.

Atys, Atis, Attys, Attis, Attes, Attin, Ἄτυς, Ἄττυς, Ἄττις, Ἄττης, 1) een schoon jongeling, die door Rhea bemind werd, en toen hij eene sterfelijke vrouw wilde huwen, door haar razend gemaakt werd, zoodat hij zichzelven gruwelijk verminkte en aan zijne wonden stierf; na zijn dood werd hij onder de goden opgenomen. De dienst van Atys, die meer aziatisch dan grieksch was en altijd met dien van Rhea nauw verbonden bleef, geleek door buitensporige vertooning van droefheid en vreugde veel op dien van Adōnis; de pijnboom was het zinnebeeld van zijn sterven, het viooltje dat van zijn herleven.—2) stamvader van de lydische dynastie der Atyaden.—3) zoon van Croesus, die door Adrastus (no. 2) bij ongeluk op de wilde zwijnenjacht gedood werd.

Auctio, in algemeenen zin elke openbare verkoop bij opbod; vandaar de naam, afgeleid van augere, omdat elke volgende bieder het bod verhoogt. In engeren zin is auctio eene private verkooping, in tegenstelling van sectio, verkooping bij executie van staatswege. Aanslagbilletten en catalogussen (album, tabula, libellus auctionis) had men oudtijds evengoed als thans. Men had ook venduhuizen, atria auctionaria. Een omroeper, praeco, vervulde de rol van afslager. Bieden was liceri, supra adicere. Het toeslaan van den koop heette addictio. De betaling geschiedde contant.

Auctor is zoowel degene, die eene zaak in het leven roept, als hij, die ze steunt en bevordert. Auctor legis kan dus synoniem zijn met lator legis, maar ook met suasor legis. Ook het bekrachtigen eener wet, b.v. door de patres is auctorem esse. In het ius civile is auctor de lastgever, de raadsman, de uitvoerder en dgl.

Auctoritas (patrum), zie Patres.

Aufidēna, 1) stad in Noord-Samnium nabij de bronnen van den Sagrus.—2) stad in Apulia aan den mond van den Aufidus.

Aufidia (lex) de ambitu, plebisciet van Aufidius Lurco, 61, eene der vele wetten tot bestrijding van dit euvel, waarbij het beloven van geld niet strafbaar werd gesteld, doch het geven van geld met zware levenslange jaarlijksche geldboete werd gestraft. Dit wetsvoorstel is niet aangenomen.

Aufidia (lex) de feris Africanis, onzeker van welk jaar, waarbij de invoer van wilde dieren uit Africa voor de openbare spelen werd toegestaan.

Aufidii, 1) Cn. Aufidius, praetor in 104, schreef eene rom. geschiedenis in het grieksch. In zijn ouderdom was hij blind, doch bleef zich toch met staatszaken bemoeien.—2) Aufidius Lurco, volkstribuun in 61, bracht de gewoonte in zwang, pauwen te mesten.—3) Aufidius Bassus, onder Augustus en Tiberius, beschreef de burgeroorlogen en de oorlogen in Germania. Zijne werken zijn verloren.—4) Aufidius Luscus, hoogste magistraat te Fundi, door Horatius bespot.

Aufidum = Aufidēna no. 2.

Aufidus, snelstroomende rivier van Apulia, waaraan Horatius’ geboorteplaats Venusia lag. Ten Zuiden v. a. ten N. van deze rivier is de slag bij Cannae (z. a.) geleverd.

Auge, Αὔγη, Αὐγεία, dochter van Aleüs, koning van Tegea, en Neaera, werd bij Heracles [110]moeder van Telephus. Daar een orakel voorspeld had dat haar kind de zonen van Aleüs zoude dooden, gaf deze haar, toen hij hare zwangerschap bemerkte, aan Nauplius over, met last om haar in zee te werpen; deze echter, getroffen door hare schoonheid, vluchtte met haar en bracht haar naar Teuthras, koning van Mysië, die haar tot vrouw nam. V. a. werd zij door Teuthras als dochter aangenomen en later door Telephus naar haar vaderland teruggebracht.

Augīas, Αὐγείας, zoon van Phorbas of van Helius, koning der Epeërs in Elis, had in een stal 3000 runderen staan, en daar deze stal in 30 jaren niet gereinigd was, scheen het onmogelijk den mest er uit te verwijderen. Daarom droeg Eurystheus aan Heracles op, die taak in één dag te volbrengen, en deze kweet zich van die opdracht door het water van de rivieren Alphēus en Penēus door den stal te leiden, zoodat de mest van zelf weggespoeld werd. Augīas, die niet gedacht had dat de onderneming zoude gelukken, had eerst aan Heracles het tiende gedeelte zijner kudde beloofd, indien hij zoude slagen, maar toen hij later vernomen had dat de held op last van Eurystheus gehandeld had, weigerde hij zijne belofte te vervullen. Daarom deed Heracles hem later den oorlog aan, en ofschoon zijn leger eerst, terwijl hijzelf ziek was, door de Molioniden werd verslagen, verwoestte hij later, toen hij hersteld was, het land en doodde hij Augias met al zijne zonen, behalve Phyleus, die zijn goed recht erkend had en tot loon daarvoor met de regeering begiftigd werd.—Bij deze gelegenheid stichtte Heracles de olympische spelen.

Augila, τὰ Αὔγιλα, oase in de libysche woestijn ten W. van Aegypte, met veel dadelpalmen, door een stam der Nasamones bewoond.

Augures, οἰωνοσκόποι, romeinsch priestercollegie, welks taak het was, volgens vaste regelen den wil der godheid op te sporen en als deskundigen voorteekenen te verklaren. Wanneer een der magistraten eene gewichtige handeling wilde verrichten, b. v. wanneer een consul de centuriaatcomitiën wilde bijeenroepen, dan moest hij zich vooraf vergewissen, of de goden zijn plan goedkeurden. Het recht om dit onderzoek te gelasten, heette spectio en kwam den overheidspersoon toe; het onderzoek zelf en de mededeeling van den uitslag heette nuntiatio en kwam den augur toe. Daar het den augurs niet verboden was, overheidsambten te bekleeden, kon zich het geval voordoen, dat spectio en nuntiatio in ééne hand waren, zonder eenige contrôle. De augurs konden aan vele zaken godsdienstige belemmeringen in den weg leggen, ja zelfs konden zij gehouden verkiezingen vernietigen door de verklaring, dat er bij de waarneming der teekenen een vitium, een verzuim of eene fout, had plaats gehad en dat dus de gekozenen vitio creati waren, hetgeen ten gevolge had, dat zij hun ambt weder moesten neerleggen en anderen gekozen moesten worden. De eenige waarborg tegen misbruik was, dat alle uitspraken door het geheele collegie éénstemmig moesten geschieden. Het augursambt was oorspronkelijk patricisch, eerst waren er drie, later vijf (v. a. zes). De keuze had plaats door coöptatie. In 300 evenwel bracht het plebisciet van de volkstribunen Q. en Cn. Ogulnius het getal op negen, en wel vier uit de patriciërs en vijf uit de plebejers. Het plebisciet van den volkstribuun Cn. Domitius Ahenobarbus van 104 bracht de keus aan het volk, en wel zoo, dat het lot de kleinste helft (17 van de 35) tribus zou aanwijzen, en dat hij, die door deze bij meerderheid van stemmen zou worden voorgedragen, door het collegie zou worden gecoöpteerd. Deze coöptatie was voor het leven. Al de priesters, die tot de sacerdotes populi Romani gerekend werden, en dus ook de augurs, moesten vóór de aanvaarding van hun ambt geïnaugureerd, d. i. door een augurium gewijd worden; doch hoe deze inauguratio plaats had, wordt niet in bizonderheden vermeld. Bij elke wijding, zoowel van personen als van plaatsen, was de hulp der augurs noodig. Tot de insignia der augurs behoorden de trabea, en de lituus.

Auguria.

Auguria. Wat de Grieken betreft, verwijzen wij naar het artikel μαντεία. Bij de Romeinen heeft zich de leer der voorteekenen op een geheel andere wijze, veel kunstmatiger, ontwikkeld dan bij de Grieken. Er zijn ongezochte voorteekenen, die zich van zelf voordoen, auguria of auspicia oblativa, en andere, die men van de goden afsmeekt, impetrativa. Tot de eerste soort behooren de ostenta, prodigia, monstra, portenta, omina. Hoewel het verschil niet altijd in acht wordt genomen, beteekenen prodigium en monstrum buitengewone verschijnselen in de menschen- en dierenwereld, portentum en ostentum in hetgeen daarbuiten ligt. Een monstrum is een verschijnsel, dat met de wetten der natuur in strijd is. Staan prodigia en omina tegenover elkander, dan is een prodigium een zichtbaar, omen een hoorbaar teeken. Doch de algemeene naam voor alle teekenen is signa. Hadden er nu buitengewone verschijnselen plaats, die de gemoederen verontrustten, dan bepaalde de senaat, wat behoorde te gebeuren; hij liet door de decemviri sacris faciundis (z. decemviri no. 4) de heilige orakelboeken raadplegen; hij ontbood uit Etruria buitengewone haruspices (z. a.) om de ingewanden der offerdieren te onderzoeken, enz. Doch zulke buitengewone voorvallen en verschijnselen worden niet tot de eigenlijke auguria gerekend. Hieronder verstaat men de teekenen, die niet buiten den gewonen kring der gebeurtenissen vallen.—1) Signa ex avibus. Wanneer een magistraat spectio wilde houden, begaf hij zich omstreeks middernacht met een der augurs naar het auguraculum of waarnemingspunt op den burg. Dáár gekomen trok de augur met zijn kromstaf of lituus op den grond een streep van het Noorden naar het Zuiden, cardo genoemd en een anderen van het Oosten naar het Westen, decumanus geheeten. Om het kruispunt heen beschreef hij een kwadraat en maakte door een formulier de ruimte daarbinnen tot eene [111]gewijde plaats, een templum. Op dit templum nu sloeg hij een linnen tent op (tabernaculum capere) met de opening naar het zuiden. Dan ging hij in de opening staan, teekende met zijn staf vier denkbeeldige lijnen aan den hemel af, als het templum, waarbinnen hij zijne waarnemingen zou doen. Intusschen zat de overheidspersoon binnen in de tent, met een doek om de ooren gebonden, capite velato. Ook de augur omwond zich het hoofd, want het minste geraas—altijd, als men het hoorde—stoorde de waarneming. Zoo was de stoel, waarop de overheidspersoon zat, uit één stuk, opdat hij niet zou kraken. Wat nu de waarneming zelve der vogels betreft, die zich binnen het aan den hemel afgebakende templum vertoonden, had de augur te letten op de soort van vogels, de hoogte waarop, de richting waarin, en de wijze waarop zij vlogen. Vogels, die door hun geschreeuw of gezang den wil der goden uitdrukten, werden oscines genoemd; die het door hunne vlucht deden, alites. In den regel was wat van het Oosten, d.i. van de lichtzijde, dus van links, kwam, gunstig, wat van de Westzijde kwam, ongunstig. Niet voor alle vogels evenwel golden dezelfde regels; de kraai b.v. moest van de linkerzijde, de raaf van den rechterkant krassen. Sommige vogels waren bepaald ongeluksvogels; andere golden alleen voor bepaalde gevallen. Men kan hieruit zien, dat de leer der vogelwichelarij vrij ingewikkeld was. Waren nu de teekenen gunstig, dan zei de augur: aves addicunt; zoo niet, dan bezigde hij de woorden: alio die.—2) Signa ex caelo. Dit waren bliksem, fulmina—weerlicht, fulgura—donder, tonitrua. In de taal der augurs werden deze natuurverschijnselen manubiae geheeten. Zij werkten storend op volksvergaderingen, zóó zelfs, dat reeds de aankondiging van een overheidspersoon, se servaturum de caelo esse, d. i. dat hij zou zoeken, of niet ergens een bliksemstraal of weerlicht te zien was, voldoende werd om de volksvergadering te storen. De leer van den bliksem was vooral in Etruria sterk ontwikkeld, waar men zelfs twaalf verschillende soorten er van onderscheidde.—3) Signa ex tripudiis. Bij de romeinsche legers voerde men in den regel een mand of hok heilige hoenders mede. Werden deze losgelaten en aten zij het toegeworpen voeder gretig op, zoo was dit een gunstig voorteeken; vielen zij er zóó gulzig op aan, dat de brokken hun uit den bek vielen, dan was het teeken zeer gunstig (tripudium sollistimum). Wilden zij echter niet vreten, dan was het voorteeken slecht.—4) Signa ex quadrupedibus. Deze behoorden tot de oblativa, de ongezochte voorteekenen, en konden slechts in zooverre tot de auguria behooren, als de augurs ze volgens vaste regels verklaarden. Wanneer men b.v. met eenig plan uitging en een hond, een vos of eenig ander viervoetig dier over den weg zag loopen, dan kon men dit als een voorteeken beschouwen.—5) Signa ex diris. Deze bestonden in het breken van een schoenriem, het stooten van den voet, het gekras van een uil en dergelijke toevalligheden. De augurs hadden er dan slechts mede te maken, wanneer ze hun ter verklaring werden medegedeeld.—6) Hoewel elk toevallig voorteeken een omen kan genoemd worden, verstond men onder omina toch vooral de hoorbare voorteekenen, en daarom vermeed men zooveel mogelijk onheilspellende woorden, vooral bij gewichtige gelegenheden, bij feesten, plechtigheden, enz. De eerst uitgebrachte stem bij eene verkiezing, het gevoelen van den eersten spreker in den senaat gold voor een omen. Men offerde met omwonden hoofd (capite velato), om niet toevallig een ongunstig woord, door een der omstanders onvoorzichtig uitgesproken, te moeten hooren. Hoewel ongezochte voorteekenen slechts waarde hadden voorzoover men ze zelf aannam, en men ze kon afwenden door woorden als: omen non accipio, non pertinet ad me, waren de Romeinen veel te angstvallig en bijgeloovig om dit middel dikwijls toe te passen. Dit bijgeloof heeft ook tot naamsveranderingen aanleiding gegeven. Evenals de Grieken πόντος Ἄξεινος in Εὔξεινος veranderden, hebben de Romeinen Maleventum in Beneventum veranderd en aan Epidamnus zijn ouden naam Dyrrhachium teruggegeven.

Augurīnus, familienaam in de gens Genucia en de gens Minucia.

Augusta, naam van een aantal steden, hetzij op last van Augustus gesticht, hetzij door hem verfraaid of uitgebreid, o. a.:

Augusta Emerita, in Lusitania, aan den Anas (Guadiana), thans Merida.

Augusta Iulia Gaditāna, vroeger Gades, in Baetica, thans Cadix.

Augusta Nemētum, vroeger Noviomagus, aan den Rhenus (Rijn), thans Spiers.

Augusta Praetoria, gesticht door de praetoriaansche bezetting in het land der Salassiërs, aan de Poenische Alpen, thans Aosta.

Augusta Rauracorum (Rauricorum), in Belgica, thans Augst bij Basel.

Augusta Suessionum, in Belgica, thans Soissons.

Augusta Taurinorum, vroeger Taurasia, aan den Padus (Po), thans Turijn.

Augusta Trevirorum, aan de Mosella, thans Trier.

Augusta Vindelicorum, aan den Licus (Lech), thans Augsburg. [112]

Augusta Viromanduorum, in Belgica, thans St. Quentin.

Augustāles, zie municipium.

Augustamnica. Verschillende beheerschers van Aegypte—Ramses II of Sesostris, Necho, Darius Hystaspis, Ptolemaeus I en II—hebben pogingen aangewend om de Arabische golf met de Nijldelta te verbinden. Telkens echter werd het kanaal aan zijn lot overgelaten en verzandde het weder. Onder Traiānus werd het op nieuw uitgegraven en amnis Augustus genoemd, waarnaar de landstreek onder Diocletiānus den naam Augustamnica kreeg.

Augustīnus (Aurelius), de grootste kerkvader van het Westen, geboren te Tagaste (Thagaste) in Numidia in 354 n. C., zoon van Patricius en Monica, ontving zijne opvoeding te Madaura en te Carthago, was eerst leeraar te Tagaste, daarop leeraar in de welsprekendheid te Carthago, daarna te Rome (383) en te Milaan (384), waar hij onder invloed van Ambrosius tot het Katholicisme overging en zich in 387 liet doopen. Daarop keerde hij naar Africa terug, werd in 391 presbyter te Hippo Regius, en was van 396 tot zijn dood (430) bisschop van Hippo Regius. Van zijne theologische geschriften zijn de meest bekende: Confessionum libri XIII en de civitate Dei libri XXII.

Augustobona, stad der Tricassers in Gallia, aan de Sequana (Seine), thans Troyes.

Augustodūnum, vroeger Bibracte, groote, volkrijke stad der Aeduers in Gallia, thans Autun.

Augustonemētum, vroeger Nemētum, Nemossus, hoofdstad der Arverners in Gallia, thans Clermont, naar een nabijgelegen berg, clarus mons.

Augustoeuphratensis of Euphratensis, naam van de onder Diocletiānus en Constantijn tot ééne provincie vereenigde gewesten Commagēne en Cyrrhestice.

Augustoritum, stad der Lemovicers in Gallia, thans Limoges.

Augustus, Αὔγουστος, Σεβαστός, “de gewijde”, ons “Majesteit”, door de Romeinen afgeleid van augur, doch tevens in verband gebracht met augere, evenals de oud-duitsche keizers ook den titel van “Mehrer des Reiches” voerden. Deze titel werd aan C. Julius Caesar Octaviānus, nadat het volk hem reeds als Augustus had begroet, in het begin van het jaar 27 door den senaat plechtig toegekend, op voorstel van L. Munatius Plancus, terwijl de keizer later bij testament zijne gemalin Livia tot Augusta verhief. De titel Augustus maakte den keizer tot een gewijd persoon en plaatste hem als het ware boven het overige menschdom. De titel ging daarna op de volgende keizers over, eerst bij senaatsbesluit, later vanzelf als iets wat bij de keizerlijke waardigheid behoorde. Hij werd evenwel alleen door regeerende keizers gedragen, nooit door den vermoedelijken troonopvolger.—Over het leven van keizer Augustus zie men Julii no. 14.

Aula, Αὐλή, z. ἀνδρών en γυναικεῖον.

Aulaeum, ἡ αὐλαία, voorscherm van een tooneel. Wanneer de voorstelling begon, werd het scherm niet, zooals bij ons, opgehaald, doch men liet het omlaag zakken in eene sleuf, waaronder het dan tegelijkertijd op eene rol werd opgerold. Was de voorstelling ten einde, dan werd het scherm omhooggehaald.—Ook verstaat men onder aulaea tapijten, die als tochtschermen tusschen de zuilen eener galerij of van het atrium werden opgehangen, of dienden om in plaats van een deur een vertrek af te sluiten, en bij dichters ook wel de dekkleeden, die over de aanligsofa’s bij den maaltijd werden uitgespreid.

Aulerci, voorname gallische volksstam, in vier takken verdeeld, waarvan drie tusschen Sequana (Seine) en Liger (Loire) woonden, n.l. de Aulērci Eburovīces, z. Eburovices;—de Aul. Cenomāni, met de hoofdstad Suindinum of Subdinum, thans Mans,—de Aul. Diablintes. Een vierde tak, de Aul. Brannovīces, cliënten der Aeduers, woonde zuidelijk van deze laatsten, tusschen den Boven-Liger en den Arar (Saône). De Cenomani (z. a.) komen ook in Gallia Cisalpīna voor.

Aulis, Αὐλίς, havenstad in Boeotia aan den Eurīpus, verzamelplaats der grieksche vloot voor den trojaanschen oorlog.

Aulon, Αὐλών, 1) landstreek en stad in Messenia, n.m. het dal van de Neda, die Messenia van Triphylia scheidt, met een tempel van Asclepius.—2) vruchtbare, druivenrijke streek nabij Tarentum.—3) stad en dal in Macedonia, aan de strymonische golf.—4) havenstad in Illyria ten N. van Acroceraunia.

Aurelia (lex), iudiciaria van den praetor L. Aurelius Cotta (Aurelii no. 7), 70. Volgens deze wet moesten de gerechtshoven, die sedert Sulla alleen uit senatoren bestonden, samengesteld worden uit senatoren, ridders en tribuni aerarii (z. a.).

Aurelia (lex), tribunicia van den consul C. Aurelius Cotta (Aurelii no. 5), 75. Deze wet veroorloofde aan gewezen volkstribunen wederom naar hoogere ambten te dingen, wat hun door Sulla verboden was.

Aurelia (via). Deze weg liep van Rome uit langs de etruscische kust. Hare voortzetting vormt de via Aemilia Scauri.

Aureliāni (civitas), latere naam voor Genabum, thans Orleans.

Aureliānus (L. Domitius), uit geringen stand geboren, werd in 270 n. C. door de legioenen aan den Donau tot keizer uitgeroepen, in een tijdperk, toen het romeinsche rijk door legeroproeren tot ontbinding dreigde over te gaan. Reeds had M. Aurelius Claudius Gothicus (268–270) de Gothen en Alemannen teruggeslagen; na zijn dood zette Aurelianus het werk voort, verdreef de Alemannen, Iuthungen en Marcomannen uit Italië, waarin zij een inval hadden gedaan, omringde Rome met een nieuwen vestingmuur, heroverde vervolgens de oostelijke gewesten, die door Zenobia, koningin van Palmȳra, van het [113]rom. rijk waren losgescheurd (272 n. C.), versloeg daarna den tegenkeizer Tetricus in Gallia en voerde hem en Zenobia als gevangenen mede naar Rome, waar zijn zegewagen door vier olifanten werd getrokken. Hij herstelde de krijgstucht in het leger, strafte nog eenige oproeren en werd met recht restitutor imperii genoemd. Hij was hard en ruw, doch met hart en ziel soldaat, en daardoor juist een geschikt keizer voor zijn tijd. Dacia, dat door Traiānus veroverd was, werd door Aurelianus prijsgegeven, daar hij het veiliger achtte, den Donau als grensrivier te behouden. De rom. bevolking uit Dacia verplaatste hij naar een deel van Moesia, dat hiernaar den naam kreeg van Dacia Aureliani. In 275 werd Aurelianus, terwijl hij tegen de Perzen optrok, vermoord door een zijner vrijgelatenen.

Muur van Aurelianus.

Muur van Aurelianus.

Aurelii. De gens Aurelia was een plebejisch geslacht, waartoe o.a. de familiën der Scauri en der Cottae behoorden.—1) C. Aurelius Cotta, consul in 252 en 248, streed voorspoedig op Sicilia tegen de Carthagers.—2) C. Aurelius Cotta, consul in 200.—3) L. Aurelius Cotta, volkstribuun in 154, consul in 144, twistte met zijn ambtgenoot Ser. Sulpicius Galba (Sulpicii no. 11) heftig over de vraag, wie als veldheer tegen Viriāthus naar Lusitania zou gezonden worden. Scipio Africānus minor (Aemiliānus) bewerkte toen, dat geen van beiden werd gezonden, maar zijn eigen broeder Q. Fabius Maximus Aemilianus (Fabii no. 18), die reeds in Spanje was, het commando behield.—4) L. Aurelius Cotta, consul in 119, verzette zich te vergeefs tegen de lex Maria de suffragiis ferendis (z.a.).—5) C. Aurelius Cotta, consul in 75, maker van de lex Aurelia tribunicia, door Cicero als redenaar geprezen, wordt door dezen sprekende ingevoerd in zijne boeken de oratore en de natura deorum. In 91 was hij na den moord van zijn vriend M. Livius Drusus in ballingschap gegaan, tengevolge der lex Varia de maiestate, die den bondgenooten-oorlog deed uitbarsten.—6) M. Aurelius Cotta, broeder van no. 5, consul in 74, voerde met L. Licinius Lucullus den oorlog tegen koning Mithradātes VI van Pontus, door wien hij echter bij Chalcēdon te land en ter zee verslagen werd. Cotta had het bestuur over Bithynië en het opperbevel ter zee, terwijl Lucullus met Asia en Cilicië het opperbevel te land had.—7) L. Aurelius Cotta, broeder van no. 5 en 6, opende als praetor in 70 door zijne lex iudiciaria voor de ridders weder den toegang tot de iudicia en nam ook de tribuni aerarii onder de rechters op. In 65 werd hij met L. Manlius Torquātus consul, daar de eerst gekozenen wegens ambitus veroordeeld werden.—8) M. Aurelius Cotta Maximus Messalīnus, een sterk aanhanger van keizer Tiberius. Hij was een zoon van den redenaar M. Valerius Messāla Corvīnus (z. Valerii no. 28 en 29), doch door de familie Cotta geadopteerd. Hij was een doorbrenger, die de rol van verklikker speelde. Ovidius heeft uit Tomi minstens drie gedichten tot hem gericht.—9) L. Aurelius Orestes, consul 126, ook als redenaar niet zonder naam, ging als consul naar Sardinia, en hield in 122 een zegetocht over de Sarden.—10) M. Aurelius Scaurus, consul in 108, streed in 105 als legatus van den consul Cn. Mallius Maximus ongelukkig tegen de Cimbren en viel door de hand van hun aanvoerder Boiorix.—11) L. Aurelius Verus, z. Verus.—12) S. Aurelius Victor, geschiedschrijver uit de vierde eeuw n. C., onder keizer Juliānus stadhouder van Pannonia. Van hem bestaat nog een beknopt en zaakrijk werkje de Caesaribus, dat tot op Constantius loopt. Een paar andere werkjes (epitome de Caesaribus, origo gentis Romanae, en de viris illustribus) staan ten onrechte op zijn naam.—13) Aurelia, uit de familie Cotta, moeder van C. Julius Caesar.

Aurelius (Marcus), meer volledig M. Aurelius Antonīnus, bijgenaamd Philosophus, was de zoon van den praetor L. Annius Verus (Annii no. 6), doch werd door keizer Antoninus Pius als zoon aangenomen, wiens dochter Faustīna hij ook huwde. Hij was in 121 na C. te Rome geboren, had eene zeer zorgvuldige opvoeding genoten en kwam in 161 aan de regeering, waarop hij zijn jongeren broeder L. Aurelius Verus tot mederegent aannam. Terwijl Verus door zijne legaten de Parthen [114]liet beoorlogen, waarbij Seleucīa en Ctesiphon den Romeinen in handen vielen (164), had M. Aurelius te kampen met invallen der Marcomannen, Quaden en Sarmaten (Iazygen), die nu en dan ook nog door andere stammen, zooals de Hermunduren, Vandalen en Langobarden ondersteund werden. De barbaren drongen zelfs tot Aquileia door, terwijl nog daarenboven het leger van den keizer door pest werd geteisterd. Onderwijl stierf Verus in 169. In 175 trok M. Aurelius naar Azië, om den opstand te bedwingen van zijn stadhouder Avidius Cassius, die echter door zijn eigen officieren werd vermoord. In 179 en 180 streed hij wederom met geluk aan den Donau tegen de Marcomannen, toen hij onverwachts te Vindobona (Weenen) stierf. Zijne zedekundige geschriften, τὰ εἰς ἑαυτόν, ademen een stoicijnschen geest, doch zijne zachtmoedigheid van karakter drong hem, de strengheid dezer leer tegenover anderen te verzachten. Hij werd opgevolgd door zijn zoon Commodus.

Aureus, nummus aureus of solidus, rom. gouden munt van 25 denariën of 100 sestertiën. Onder Augustus, toen de munt nog onvervalscht was, had de aureus eene innerlijke waarde van ruim ƒ12,50 van onze munt; men moet echter in het oog houden, dat destijds de waarde van het goud tegenover het zilver geringer was dan thans, hetgeen ook uit de gelijkstelling met 100 sestertiën = ƒ10.—zilver blijkt. Sedert de derde eeuw na C. nam de vervalsching sterk toe.

Aurīga.

Aurīga, ἡνίοχος. Bij de Perzen, Aegyptenaren, Trojanen, Grieken, komen in den oorlog strijdwagens voor, waarop de eigenaar van het span als krijgsman staat, terwijl een mindere de paarden bestuurt. Natuurlijk moest dan de andere zijn wagenmenner met zijn schild dekken. Daarom trof het de Romeinen bij de verovering van Britannia, dat bij de Britten de hoofdpersoon zijn span mende en een dienaar voor zich liet vechten.—Bij wedrennen droeg elke wagen slechts één persoon. Bij de nationale spelen in Griekenland treden niet de eigenaars der paarden als menners op; zij lieten hunne twee- of vierspannen besturen door vrienden of door geoefende jongelingen, en niemand behoefde het zich tot oneer te rekenen, als wagenmenner dienst te doen. Anders was het bij de Romeinen. De aurigae of agitatores waren menschen, die van hunne kunst een beroep maakten. In den beginne waren het slaven of vrijgelatenen of menschen uit lageren stand; eerst toen een keizer als Nero het niet beneden zich achtte zelf als menner in het strijdperk te verschijnen, ging de slaafschheid zóóver, dat ook aanzienlijken als menners van hun eigen paarden optraden. De aurigae vormden vier clubs of factiones: alba, wit—russata, roodachtig,—veneta, blauw—prasina, zeegroen. Zij droegen eene tunica zonder mouwen en hadden het bovenlijf met riemen omsnoerd. Hun uniform, hun wagen, het tuig der paarden droeg de kleur hunner factio. Om de handen vrij te hebben tot het aanzetten der paarden, bonden de menners zich de teugels om het lichaam vast; om te vieren of strak te houden, hadden zij zich dus slechts vóór of achterover te buigen. Om ingeval van een ongeluk zich te kunnen vrijmaken, droegen zij een kort mes tot het doorsnijden der teugels. Bij elken wedren reed één wagen van elke factio mede. Keizer Domitiānus voegde aan de vier bestaande factiones twee nieuwe toe: eene aurata en eene purpurea, die echter na zijn dood weder werden opgeheven. Over de wedrennen zelve zie men het artikel circus.

Aurōra, z. Eos.

Aurunci, een der oude volken van Latium en Campania. In de laatste helft der vierde eeuw waren zij beperkt tot het zuidelijk deel van Latium, en in 314 werden zij door de Romeinen zoo goed als uitgeroeid. In hun land werden door de Romeinen aangelegd de Latijnsche coloniae: Cales, Suessa Aurunca en Pontia, en de coloniae civium Romanorum: Sinnessa en Minturnae. In hun gebied lagen de mons Massicus en de ager Caecubus, beide beroemd om den wijn, die er werd geteeld. Zie ook Ausones.

Ausci, Αὒσκιοι, volksstam in Aquitania, met de hoofdstad Elimberris, later Augusta, thans Auch.

Ausculum = Asculum Apulum.

Ausenses, Αὐσεῖς, libysche stam, ten Zuiden van Numidia bij het meer Tritōnis.

Ausetāni, volksstam in het Noordoosten van Hispania Tarraconensis, met de stad Gerunda (Gerona).

Ausones, Ausonia, Αὔσονες, Αὐσονία. De Ausoniërs vormden de oude, voor-rom. bevolking van Midden-Italië, van Apulia, Campania en het zuidelijk gedeelte van Latium. Zij worden ook Opici, Ὀπικοί, en Osci, Ὄσκοι, genoemd. De naam Ausones is dezelfde als Aurunci. Waarschijnlijk was de ausonische stam verwant met den umbrischen. Dichterlijk wordt Ausonia ook voor Italia gebezigd.

Ausonius (Decimus Magnus), romeinsch dichter uit Burdigala (Bordeaux) en leeraar in de welsprekendheid. Zijn vader was lijfarts van keizer Valentiniānus I (364–375 n. C.), hij zelf werd de opvoeder van diens zoon Gratiānus. Achtereenvolgens werd Ausonius quaestor, praefectus praetorio en consul (379) in Gallia; doch na Gratianus’ dood (383) trok hij zich uit het staatsleven terug. Hij overleed in 392, ruim 80 jaar oud. Onder de gedichten van Ausonius is zijn stroomdicht Mosella, dat hij te Augusta Trevirorum schreef, het meest beroemde.

Auspicia. Oorspronkelijk duidt dit woord de vogelwichelarij aan, doch werd later ook toegepast op alle andere middelen om te zien of de goden hunne goedkeuring hechtten aan [115]een beraamd plan. De wijze, waarop dit geschiedde, is onder het artikel auguria medegedeeld. Auspicia privata kon ieder voor zich nemen; doch auspicia publica ten behoeve van den staat konden slechts genomen worden door magistratus populi Romani. De volkstribunen, tribuni plebis, als zijnde slechts overheden van de plebs, en niet van den populus, hadden dus geen ius auspiciorum, en de door hen in het leven geroepen concilia plebis, waren niet aan voorafgaande auspiciën gebonden, wat met de centuriaatcomitiën wel het geval was. Toen echter de macht van het volkstribunaat overwegend werd en plebiscita met leges waren gelijkgesteld, achtte men het wenschelijk ook aan de volkstribunen auspiciën toe te kennen, minder als voorrecht, dan wel als middel tot beteugeling. Niet alle auspicia waren van gelijken rang; zoo stonden die der consuls en praetoren hooger dan die van andere overheden. Auspicium nu beteekent zoowel het waarnemen als het waargenomen teeken, doch bovendien ook het recht om den goden hun ja of neen af te vragen. Dit recht nam de overheidspersoon van zijn voorganger of van de patres (de patricische leden van den senaat) over, wanneer hij bij de aanvaarding van zijn ambt de voorgeschreven godsdienstige plechtigheden vervulde. Had hij geen onmiddellijken opvolger, was hij vitio creatus, of kwam hij in zijn ambt te overlijden, dan keerden de auspicia tot de patres terug. Ook de veldheer, die met een leger uittrok, moest vooraf auspicia nemen en zich hierdoor het recht verschaffen, ook in het veld den wil der godheid uit te vorschen. Door het veronachtzamen van zekere vormen, b.v. bij het overtrekken eener rivier—want een water verbrak de auspicia, tenzij men een formulier uitsprak—kon hij zijne auspicia verliezen. Was hij nu in den strijd bij voortduring ongelukkig, dan ontstond het vermoeden, dat zijne auspicia door eenig verzuim vitiata waren, in welk geval hem niets anders restte, dan naar Rome terug te keeren om nieuwe auspicia te halen. Daar alleen de veldheer auspicia had, beteekent de uitdrukking sub auspiciis alicuius: onder iemands opperbevel.

Auster, de Zuidenwind, tgw. Scirocco genoemd, zie Windstreken.

Autariātae, Αὐταριᾶται, volksstam in Dalmatia.

Αὐτόχθονες, Aborigines, heetten de grieksche volken, die beweerden dat hunne voorouders niet uit den vreemde waren gekomen, maar in het land zelf, als het ware uit den grond (vandaar de spotnaam γηγενεῖς) waren ontstaan. De Atheners en de Arcadiërs beroemden zich van zulke autochthonen af te stammen.

Autololes, Αὐτολόλαι, gaetulische volksstam op de Westkust van Afrika, buiten de zuilen van Heracles en ten Zuiden van den Atlas.

Autolycus, Αὐτόλυκος, zoon van Hermes en Chione, van moederszijde grootvader van Odysseus, de sluwste dief en bedrieger der oudheid. Hij woonde op den Parnassus en ondernam van daar uit verscheiden rooftochten, van welke hij altijd rijken buit medebracht, terwijl hij nooit ontdekt werd, daar hij het vermogen bezat zichzelven en de gestolen goederen onzichtbaar te maken of van gedaante te doen veranderen. Maar de runderen van Sisyphus, die hij ook gestolen had, moest hij teruggeven, daar deze aan den hoef gemerkt waren en dus gemakkelijk herkend werden.—Autol. was ook zeer bekwaam in het worstelen en leerde Heracles deze kunst.

Automedon, Αὐτομέδων, zoon van Diōres, wagenmenner en strijdmakker van Achilles; de naam wordt soms spreekwoordelijk voor een wagenmenner gebruikt.

Autonoe, Αὐτονόη, dochter van Cadmus en Harmonia, moeder van Actaeon.

Αὐτονομία, het recht van een staat om zichzelf wetten te geven, voornaamste kenmerk van politieke onafhankelijkheid; onder de Romeinen was hiermede verbonden het recht om eigen munten te slaan.

Autonous, Αὐτόνοος, een heros, die te Delphi vereerd werd en den delphischen tempel tegen de troepen van Xerxes verdedigde.

Autrigones, volksstam in Hispania Tarraconensis tusschen den Ibērus (Ebro) en het mare Cantabricum (golf v. Biskaye).

Autronii.—P. Autronius Paetus, in 65 met P. Cornelius Sulla wegens ambitus veroordeeld, redenaar met sterke stem. Hij nam deel aan de Catilinarische samenzwering en werd in 62 volgens de lex Plautia de vi veroordeeld, en ging in ballingschap naar Epīrus. Dit geslacht heeft bovendien een paar consuls opgeleverd.

Auxesia, Αὐξησία, godin van den wasdom, waarschijnlijk een bijnaam van Demēter. Z. Damia.

Auxilia, troepen, die door de Romeinen uit de provinciën werden getrokken of door verbonden volken en vorsten geleverd werden. De italische volken leverden geene auxilia; zij waren socii, omdat Italia geen provincie was. Toen Italia het burgerrecht kreeg, waren er geene socii meer in het leger.

Auximum, aanzienlijke stad, sedert 157 rom. kolonie, in Picēnum, ten zuiden van Ancōna.

Auxo, Αὐξώ, eene van de Gratiën.

Auxūme, Αὐξούμη of Axome, Ἀξώμη, thans Axoem, in Aethopia, nabij de bronnen van den Astaboras (Atbara), in den keizertijd hoofdstad van een machtigen handelsstaat. Volgens het geschiedverhaal zou onder de regeering van koning Psamtik of Psammeticus een deel van de kaste der krijgslieden, ten getale van 240000 man, Aegypte verlaten hebben en zich zóóver van Meroë gevestigd hebben, als Meroë van Syēne ligt. Vermoedelijk is hierdoor het rijk van Auxume ontstaan. De bloei dateert eerst uit den tijd na den val van Meroë.

Avaricum, thans Bourges, ten Z. van den Liger (Loire) in Gallia, hoofdstad der Biturīges, in den grooten gallischen opstand (52) door Caesar veroverd, waarbij van de 40000 menschen, die er een toevlucht hadden gezocht, slechts 800 aan het bloedbad ontkwamen. [116]Later was het de hoofdstad van Aquitania I.

Avella = Abella.

Avenio, aanzienlijke stad in Gallia Narbonensis, in het gebied der Cavari, thans Avignon, aan den Rhodanus (Rhone).

Avens (t.g.w. Velino), riviertje in het Sabijnsche land, zijtak van den Nar. In de nabijheid van Reāte vormde het groote moerassen, paludes Reatinae, die de consul M.’ Curius Dentātus in 290 grootendeels drooglegde door het dóórsteken van een berg (zie Reate), zoodat slechts een meertje, lacus Velinus, overbleef. Even beneden dien doorsteek stort de Avens zich langs den beroemden waterval van Terni (oudtijds Interamna), in het italiaansch le Cadute of le Cascate delle Marmore geheeten, in den Nar (t.g.w. Nera) uit.

Aventicum, hoofdstad der Helvetiërs, in de 4de eeuw n. Chr. reeds verlaten. Thans Avenches aan het meer v. Neufchâtel.

Aventīnus (mons), een der zeven heuvels van het oude Rome, die, evenals de mons Capitolinus, wel binnen den stadsmuur, doch buiten het pomerium lag. Op dezen heuvel lag een tempel van Diāna, door Tarquinius Priscus als gemeenschappelijk rom.-latijnsch heiligdom gesticht.

Avernus (lacus), Ἄορνος λίμνη, aan den sinus Cumānus (golf v. Napels), een uitgebrande krater, waarin zich een meer gevormd had, omgeven door een donker cypressenwoud. Zwaveldampen verpestten de lucht boven dit meer, waar geen visch in leefde en geen vogel over heen vloog (vandaar de naam). Bij Vergilius woont hier de sibylle van Cumae in eene grot, waardoor Aenēas in het schimmenrijk afdaalt. Onder de regeering van Augustus legde Agrippa hier in 37 de oorlogshaven portus Julius aan, die later vervangen werd door den portus Misēnus. Sinds dien tijd behoort de lacus Avernus met den lacus Lucrīnus tot de luxebadplaats Baiae. Aardbevingen hebben aan deze streek een ander voorkomen gegeven.

Averruncus, Ἀποτρόπαιος, bijnaam van iederen god, die onheil of gevaar afwendt, bijv. Apollo.

Aviānus Flavius, rom. fabeldichter uit den tijd van Theodosius den Grooten.

Avidius (Cassius), z. Cassii no. 18.

Aviēnus (Rufus Festus), rom. dichter uit den tijd van Theodosius den Grooten, heeft vertalingen in dichtmaat geleverd van oude grieksche leerdichten. Vooral belangrijk om den inhoud is zijn ora maritima, een bewerking van een griekschen περίπλους uit de 4de eeuw v. C., waarvan echter slechts de grootste helft van het eerste boek over is.

Aviones, volk in Noord-Germania over den Albis (Elbe), een van de volkeren, die de godin Nerthus vereerden.

Axamenta, oude liederen in saturnische maat, die door de Salii bij hunne optochten werden gezongen. Zie ook ancile.

Axia, kasteel in Etruria, in het gebied van Tarquinii.

Axierus, Axiocersa en Axiocersus, Ἀξίερος, Ἀξιόκερσα en Ἀξιόκερσος, samothracische Cabiren, geïdentificeerd met Demēter, Persephone en Hades.

Axius, Ἄξιος, thans Vardar, voorname rivier van Macedonia, die zich in de Thermaeische golf ontlast.

Axona, rivier in Gallia, thans Aisne, zijtak van den Isara (Oise). Aan den Axona lag Augusta Suessionum (Soissons).

Ἄξονες, ook κύρβεις genoemd, witgemaakte houten borden, die om een as kunnen draaien, waarop de wetten van Solon geschreven waren. Zij waren opgesteld in het Prytaneum te Athene, v.s. hadden zij oudtijds op den burcht gestaan en waren zij eerst door Ephialtes verplaatst. V.a. zijn de κύρβεις te onderscheiden van de ἄξονες en zijn κύρβεις van boven afgestompte pyramiden van steen in de στοὰ βασιλική, waarop de voornaamste wetten ingebeiteld waren.

Axūme of Axōme = Auxume.

Axus, Ἀξός, z. Oaxus.

Azan, Ἀζάν, zoon van Arcas en Erato; naar hem was Azania, een deel van Arcadië, genoemd.

Azania, Ἀζανία, 1) kustland van Afrika, bezuiden kaap Aromata (Guardafui), thans de kust der Somali.—2) zie Azan.

Aziris, Ἄζιρις, stad op de libysche kust, ten O. van Cyrēne.

Azōtus, Ἄζωτος, eene der vijf hoofdsteden van de Philistijnen, dicht bij de kust, tusschen Ascalon en Iamnīa, in het O.T. Asdod.

[Inhoud]

B.

Babrius, Βάβριος, grieksch dichter, die de fabels van Aesopus in verzen bracht. Hij leefde onder Domitiānus of later, in elk geval vóór het einde van de 2de eeuw n. C. Van de 224 fabels, die overgebleven zijn, wordt een groot gedeelte door sommigen niet als het werk van Babrius beschouwd.

Babylon, Βαβυλών, 1) stad in Aegypte, stroomafwaarts van Memphis.—2) hoofdst. van Babylonia, zeer oude stad; in de 23ste eeuw maakt Chammurabi (Hammurabi), de beroemde wetgever, haar tot de hoofdstad van het nu geheel semietische Babylonia. Van de latere, lotgevallen weten we weinig, totdat Nebukadnēsar I (omstreeks 1150) het wederom tot bloei bracht. In 728 nam Tiglathpilēsar III [117]van Assyria er bezit van, en in 689 werd het door Sanhērib gesloopt, maar door zijn zoon Asarhaddon, die zijne residentie hierheen wilde verleggen, weer opgebouwd. In 648 werd de stad weer ingenomen en gedeeltelijk verwoest, doch herrees na den ondergang van het assyrische rijk door de zorg van den eersten koning van het nieuw-babylonische rijk, Nabopalassar, en vooral van zijn grooten opvolger Nebukadnesar II, die in 604 aan de regeering kwam, als eene stad, die hare wedergade niet had. Zij vormde een kwadraat, waarvan elke zijde 120 stadiën of 4 uren gaans lang was, en was omringd door een muur van gebakken steen van 100 koninklijke elleboogslengten (± 45 meter) boven den beganen grond en half zoo breed. Daaromheen liep eene gracht met gemetselde wanden, even zoo diep als de muur hoog was, en waarvan de uitgegraven klei de steenen had geleverd voor den muur. In den muur, die met 200 torens versterkt was, waren 100 poorten, waarvan de deuren, stijlen en bovendorpels van koper waren. De Euphraat, die de stad doorsneed, was ook ter weerszijden ingesloten door muren, waarin de zoogenaamde waterpoorten waren. In de stad vond men het koninklijk paleis, met drie muren omgeven, die een omtrek van 20, 40 en 60 stadiën hadden, alles in kwadraatvorm. Dáár waren ook de oploopende, op gewelven rustende terrassen, die onder den naam van hangende tuinen bekend zijn en die zoo dik met aarde bedekt waren, dat boomen er in konden wortelen. De beroemde tempel van Belus was een vierkante toren op een grondvlak van twee stadiën lang en even breed. Daarboven verhief zich een tweede kleinere toren, en zoo verder tot acht torens toe. In den bovensten toren was het slaapvertrek van den god met een gouden legerstede en een gouden tafel. De groote ruimte binnen de muren was natuurlijk niet geheel met huizen bebouwd, maar bevatte ook de noodige akkers en weidegronden, zoodat de bijna onneembare stad niet kon worden uitgehongerd. In 538 viel de stad in handen der Perzen. Darīus Hystaspis liet na een opstand (519 of 516) een gedeelte der muren sloopen; toch bleef Babylon groot en schoon tot het uiteenspatten van het macedonische rijk, toen de nieuw gestichte steden Seleucīa en Ctesiphon de bewoners tot zich trokken.

Babylonia, Βαβυλωνία, het land van Babylon, was de landstreek tusschen den Tigris ten O., de woestijnen van Arabië ten W. en den zoogenaamden medischen muur ten N. De bodem bestond uit aangeslibden kleigrond en was uiterst geschikt voor graanbouw. Het land was doorsneden door bevaarbare kanalen, die den Euphraat met den Tigris verbonden, en onderling weder verbonden waren door smallere vaarten, die weder door sloten met elkander gemeenschap hadden. Boomen vond men er bijna niet. De oudste bewoners zijn de Sumeriërs, op wie reeds kort na 4000 de Accadiërs, een semietische stam, volgen, die zich met de oorspronkelijke bevolking na veel strijd gemengd hebben. De bloeitijd van dit volk valt tusschen 3800 en 3700 en de meest bekende koning is Sargon. Later valt het rijk uiteen in verschillende stadstaten, die elk een afzonderlijke godheid vereeren, tot ± 2300 de stad Babylon (z.a.) op den voorgrond treedt. De babylonische nijverheid had een hoogen trap bereikt en bestond vooral in tapijtweverijen, lijnwaadweverijen, goudsmidswerk en het snijden in edelgesteenten. De godsdienst was het sabaeïsme, de vereering van zon, maan en sterren. Vooral de stam der Chaldaeërs, die zich in het zuid-oostelijk deel, Akkad, gevestigd hadden, had het ver gebracht in sterrenkunde en tijdrekenkunde en wiskunde, en verhief zich daardoor tot priesterkaste. Sterrenwichelarij ging daarmede hand aan hand. De Chaldaeërs waren oorspronkelijk een herdersvolk, dat bij den helderen babylonischen sterrenhemel, terwijl zij ’s nachts wacht hielden bij hunne kudden, ruime gelegenheid had gehad den loop der sterren gade te slaan. Nadat het babylonische rijk in de 13de eeuw eene assyrische provincie was geworden, stond het meermalen op, doch werd weder onderworpen, totdat in 606 Nabopolassar het weder vrij maakte en Assyria eene provincie van Babylonia werd. In 538 veroverde Cyrus de stad Babylon, en het gewest werd nu perzisch, later macedonisch en daarna syrisch. Het babylonische stelsel van munten, maten en gewichten werd door verscheidene andere volken der oudheid overgenomen.

Babylonii numeri of Chaldaïcae rationes. Tegen en in den rom. keizerstijd kwamen dikwerf oosterlingen naar Rome als sterrenwichelaars en horoscooptrekkers. Bij hunne voorspellingen speelden kaarten met cijfers en getallen eene hoofdrol. Men heeft dus te denken aan iets als het kaartleggen in lateren tijd. Wel trachtte men dit soort menschen te weren, doch het bijgeloof te Rome was zóó sterk, dat men in weerwil van de verbodsbepalingen gretig van hunne zoogenaamde kunst gebruik maakte.

Bacchae, Βάκχαι, Bacchanten, vrouwen, die bij sommige feesten van Dionȳsus met geschreeuw en gegil, onder begeleiding van muziek, in de grootste opgewondenheid heinde en ver rondliepen om, zoo het heette, den god te zoeken. Zij waren in dierenhuiden gehuld en zwaaiden een thyrsusstaf; zij stelden het geleide voor, dat Dionysus op zijn veroveringstochten vergezeld had.

Bacchanalia heeten in Italië geheime feesten ter eere van Bacchus, die uit de grieksche steden ingevoerd waren. Zij werden met de luidruchtigheid der Dionȳsusfeesten gevierd, maar gingen hier met zulke schandalen, ja zelfs misdaden, gepaard, dat de senaat in 186 meende hieraan te moeten paal en perk stellen en elken nieuwen dienst van Bacchus verbood.

Bacchiadae, Βακχιάδαι, een adellijk geslacht, dat langen tijd te Corinthe regeerde en in 657 door Cypselus verdreven werd.

Bacchium, Βάκχιον, eiland tegenover de aziatisch-ionische kuststad Phocaea, welks [118]prachtige tempels in den syrischen oorlog door de Romeinen en hunne bondgenooten in 190 geplunderd werden.

Bacchus, Βάκχος, andere naam voor Dionȳsus, waarschijnlijk betrekking hebbend op het luidruchtige van zijn eeredienst. Door de Romeinen werd deze naam aan den god Liber gegeven.

Bacchylides, Βακχυλίδης, lyrisch dichter van Ceos, neef van Simonides, met wien hij geruimen tijd te Syracuse aan het hof van Hiero leefde; later begaf hij zich naar de Peloponnēsus. Van zijne gedichten zijn sedert 1897 ongeveer twintig min of meer in hun geheel bekend; overigens zijn ervan slechts eenige fragmenten over.

Bacēnis silva, waarschijnlijk de Hohe Rhön met zijn uitloopers, grensscheiding tusschen de Cherusci en de Suēbi.

Bacis, Βάκις, was de naam voor profeten van wie verzamelingen orakels afkomstig waren, die in de 7de eeuw in omloop gebracht werden en bij velen groot gezag hadden, zoodat zelfs de verschillende staten van Griekenland zich soms bij hunne besluiten er door lieten leiden. Er was een Attische, Boeotische en een Arkadische Bacis.

Bactra, τὰ Βάκτρα, vroeger Zariaspa, thans Balkh, hoofdstad van Bactria (Bactriāne) en belangrijke handelsstad.

Bactria, Bactriāne, Βακτριανή, gewest in het N.O. van het perzische rijk, door den Oxus (Amu-Daria) doorsneden. In overouden tijd bestond hier een bactrisch rijk, dat door de Mediërs werd veroverd, waarna de godsdienst van Zarathustra, die in Bactrië heerschte, staatsgodsdienst werd in Medië. Na Alexander d. Gr. kwam het onder Seleucus, den stichter van het Syrische rijk; doch in 250 scheurde Bactria zich van Syrië los onder zekeren Diodotus, een Griek. Onder hem en zijn opvolger breidde Bactria zich uit tot een grooten, bloeienden staat, die een duizendtal steden telde. Doch tweespalt werd de oorzaak, dat omstreeks 150 de Parthen samen met de Hunnen (Φαυνοί) zich vóór en na van de bactrische provinciën meester maakten, en Bactria zelf in 140 door de scythische Sacers vermeesterd werd.

Baduhennae lucus, woudstreek in het land der Frisii, misschien de tegenw. streek Zevenwolden.

Baebia (lex), een plebisciet van 181 of 180. Het behelsde, dat niet jaarlijks zes praetoren zouden gekozen worden, zooals sedert 197 geschiedde, doch om het andere jaar slechts vier. De wet is spoedig weer afgeschaft.

Baebii, 1) M. Baebius Tamphilus, trok als propraetor, met Philippus van Macedonia verbonden, het eerst den syrischen koning Antiochus III in Griekenland tegemoet, in 191. In 181 was hij consul, toen de zoogenaamde 14 boeken van Numa gevonden werden, die echter onecht bevonden en openlijk verbrand werden. In 180 beoorloogde hij als proconsul met zijn ambtgenoot P. Cornelius Cethēgus een ligurisch volk (de Apuani) dat zich vrijwillig overgaf en naar Samnium werd overgebracht.—2) C. Baebius, volkstribuun in 111, belette, toen Jugurtha onder vrijgeleide naar Rome was gekomen om getuigenis af te leggen tegen hen, die zich hadden laten omkoopen, den koning te spreken.

Baecula of Baecyla, Βαικοῦλα, Βαίκυλα, stad in Hispania Baetica, ten N. van den Baetis, bekend door de wapenfeiten van P. Cornelius Scipio (den lateren Africānus maior) in den tweeden punischen oorlog. In het gebied der stad lagen rijke zilvermijnen. Ook schijnt er nog een stadje Baecula in het N.O. van Spanje te hebben gelegen, in het land der Ausetāni.

Baenis, Βαῖνις, z. Minius.

Baetasii = Betasii.

Baeterrae, thans Béziers, in het gebied der Volcae Arecomici, in Gallia Narbonensis, dicht bij de kust.

Baetica, Βαιτική, het zuidelijke en zuidwestelijke gedeelte van Hispania, aldus genoemd naar den Baetis (Guadalquivir), die er door stroomde. Het was het welvarendste deel van Hispania, met veel handel en nijverheid, waarin de vervaardiging van wollen stoffen en wapenen een hoofdrol speelde.

Baetis, Βαῖτις, rivier in Baetica, thans Guadalquivir.

Baeturia, Βαιτουρία, het gedeelte van Baetica, dat aan Lusitania grenst, tusschen den Baetis en den Anas (Guadiana).

Bagaudae, gallische boeren, die in 285 na C. wegens onderdrukking in opstand kwamen en een bloedigen boerenoorlog voerden.

Bagienni = Vagienni.

Bagistānus mons, Βαγίστανον ὄρος (Baghastân = godenoord), beroemd om de verrukkelijke natuur, aan den heerweg van Ecbatana naar Babylon. Op de afgehakte en gladgeschuurde rotswanden waren in beeldwerk en spijkerschrift de wapenfeiten van Darīus Hystaspis vermeld.

Bagōas, Βαγώας, een Aegyptenaar, gunsteling van Artaxerxes Ochus, dien hij ten slotte vergiftigde. Daarna zette hij diens jongsten zoon Arses op den troon, doch ook dezen vermoordde hij na eenige jaren. Darīus Codomannus, die eveneens door hem de regeering verkregen had, liet hem dooden (330).

Bagradas, Βαγράδας, 1) rivier in Africa, die tusschen Carthago en Utica in zee valt.—2) rivier aan de Zuidkust van Persis, dicht bij de grens van Carmania.

Baiae, Βαῖαι, Βαΐαι, beroemde rom. badplaats met warme zwavelbronnen, aan een inham van den sinus Cumānus (golf v. Napels) gelegen, een waar lustoord. De kust was als bezaaid met prachtige villa’s en lusthuizen van aanzienlijke Romeinen. Zie ook Avernus (lacus) en Lucrinus (lacus). Er heerschte ontzaggelijke weelde en tevens eene groote losheid van zeden. Keizer Hadriānus is te Baiae gestorven. Thans is de plek door aardbevingen geheel verwoest, zoodat er slechts weinig sporen van de oudheid over zijn.

Βαίτυλος, Βαιτύλιον, ook met den phoenicischen naam Abadir genoemd, uit den hemel [119]gevallen steenen, die op vele plaatsen het voorwerp van bijgeloovige vereering waren. Bij den tempel van Delphi stond zulk een steen, die dagelijks met olie gezalfd en op feestdagen met wol omwonden werd. Men geloofde dat dit de steen was, dien Cronus (z. a.) in plaats van Zeus verslonden had.

Baius, Βαῖος, de stuurman van Odysseus. De stad Baiae, waar hij begraven is, is naar hem genoemd.

Balbīnus (D. Caelius Calvīnus), romeinsch keizer in 238 n. C. samen met M. Clodius Pupien(i)us Maximus. Zij benoemden den jongen Gordiānus (III) tot Caesar. Na drie maanden werden zij vermoord, en werd Gordianus keizer.

Balbus (= stotteraar), een rom. familienaam, die in de gentes Ampia, Attia, Cornelia, Lucilia, Octavia en Thoria voorkomt. De voornaamste Balbi zijn: 1) T. Ampius Balbus, een der makers van de lex Ampia Labiena.—2) M. Attius Balbus, grootvader van Augustus. Zie Attii no. 5.—3) L. Cornelius Balbus, z. Cornelii no. 28.—4) L. Cornelius Balbus minor, z. Cornelii no. 29.

Baleāres insulae, Βαλεαρίδες νῆσοι, de bekende Balearische eilanden nabij de spaansche kust, maior en minor, thans Majorca en Minorca. De inwoners, ook Baleares geheeten, Βαλεαρῆς, waren bekend als uitstekende slingeraars. De hoofdplaatsen waren Palma en Mago (Port-Mahon). De naam Baleares beteekent volgens Grieksche schrijvers slingeraarseilanden; de Grieken noemden ze vroeger ook wel Γυμνησίαι, of naaktlooperseilanden. Wegens hun heulen met de zeeroovers werden zij in 123 door de Rom. onderworpen onder Q. Caecilius Metellus, die hiernaar den bijnaam Balearicus kreeg, z. Caecilii no. 8.

Balesium = Valentia no. 3.

Balius, Βαλίος, en Xanthus, de onsterfelijke paarden van Achilles, die door Poseidon aan Peleus bij zijn huwelijk ten geschenke gegeven waren en die hij na den dood van Achilles terugnam. Zij waren gesproten uit de verbintenis van Zephyrus en Podarge. V. s. waren het oorspronkelijk Titanen geweest, die Zeus in den strijd tegen de andere Titanen hadden geholpen, en verzocht hadden in paarden veranderd te worden, om door hunne verwanten niet herkend te worden.

Ballista, λιθοβόλος, een werptuig, waarmede zware steenen binnen eene belegerde stad werden geslingerd. De ballistae wierpen in boogvormige richting. Juiste duidelijke beschrijvingen van dit werpgeschut ontbreken.

Plattegrond van een balneum.

Balneum, saamgetrokken uit balineum, badkamer. Om een badhuis aan te duiden gebruikte men oudtijds het plurale balneae, doch daar dit woord in de dactylische maat niet paste, ontstond in het augusteïsche tijdperk het plurale balnea. In zulk eene openbare badinrichting onderscheidde men: het apodyterium of (ont)kleedkamer, het frigidarium of vertrek voor koude baden, soms met kuipen, soms met een zwembassin of natatio,—het tepidarium, eene verwarmde ruimte, die tot overgang diende,—de ruimte voor het warme bad, caldarium. Deze laatste had een verwarmden bodem, terwijl later ook de zijwanden verwarmd werden door het inrichten van spouwmuren, die men vormde door het aanbrengen van tegulae mammatae, of het aanleggen van buizen, tubuli. Het verwarmen van den vloer bracht men tot stand door die op gemetselde porren of stutten te plaatsen, waaronder dan de heete lucht kon circuleeren. Men kan dit nog goed zien aan de overblijfselen van de Romeinsche baden te Trier (suspensura). Eene groote kuip voor warm water (alveus), vlak boven of dicht bij den haard, was in den vloer gemetseld. Aan de overzijde had men dan het labrum, een kuip met lauw water, om na te spoelen. Somwijlen komt ook nog een aparte zweetkamer voor, sudatorium of laconicum geheeten, voor het zweetbad, assa sudatio. Na een zweetbad werd men door de badslaven (aliptae), die men gewoonlijk zelf medebracht, met eene soort krabbers (strigiles) van zweet gereinigd, afgewreven, gezalfd. Dit laatste schijnt in het tepidarium verricht te zijn. Een goed voorbeeld van een eenvoudige badinrichting in den eersten keizertijd levert bijgaande plattegrond van de Thermae Stabianae te Pompeii. A hoofdingang van de afdeeling voor mannen, B zuilengangen, C palaestra met rechts een soort kegelbaan voor een spel met steenen ballen, F natatio. I-VIII afdeeling voor warme baden, waarvan IV doorgang, V frigidarium, VI apodyterium, VII tepidarium, VIII caldarium, IX stookplaats (praefurnium), die zoowel de mannen- als de vrouwenafdeeling van heet, lauw en koud water voorzag. 1–6 afdeeling van vrouwen, 1 en 5 ingangen, 2 apodyterium, 3 tepidarium, 4 caldarium; een frigidarium ontbreekt hier. De ruimten E en G, die aan de natatio aansluiten, dienden voor douchebad. D diende voor apodyterium of destrictarium. Nadat men zich uitgekleed had, hield men zich bezig met gymnastische oefeningen, dan keerde men naar D terug, [120]waar olie en stof afgewreven werden, vervolgens reinigde men zich in E of G, en gebruikte dan de natatio. Onder de rom. keizers verrezen prachtige badhuizen, met wandelgalerijen, gymnastiekzaal, kaatsbaan, conversatiezalen, bibliotheken en derg. Zie thermae. De inrichting van een grieksch badhuis (βαλανεῖον) was over het geheel aan dat van het rom. gelijk.

Balteus of Balteum (in het meerv. bij voorkeur baltea), gordel of bandelier, hetzij om het lijf of over den schouder gedragen, om zwaard of schild of pijlkoker of wat dan ook te dragen. Ook wordt het woord gebezigd voor de ringmuren, die in een theatrum of amphitheatrum de drie rangen van elkander scheidden. Bijgaande teekening stelt een stuk voor van een theater in Pompeji. Men denke zich de muren met den overdekten gang onafgebroken doorloopende zoover als de zitplaatsen gaan.

Balteus.

Bambȳce, Βαμβύκη, oude naam van Hierapolis in Syria (Cyrrhestice), nabij den Euphraat, een van de fraaiste steden van Syrië.

Bandusia, bron in Apulia, nabij Venusia, de geboortestad van Horatius. Op diens landgoed Sabīnum bevond zich ook eene bron, door den dichter Bandusia gedoopt.

Bantia, stadje in Apulia, nabij Venusia, in een boschrijke streek aan den mons Vultur. In de nabijheid zijn in 1793 fragmenten gevonden van een bronzen plaat, die aan beide zijden een opschrift heeft, de tabula Bantina. Het ééne opschrift is in het oscisch, het andere in het latijn.

Baphyras of -rus, Βαφύρας, riviertje in Pieria, dat op den Olympus ontspringt en langs Dium (z. Dium no. 3) stroomend, in de golf van Thermae valt.

Βάπται heetten zij die deelnamen aan de feesten van Cotytto.

Barathrum, Βάραθρον, een afgrond bij Athene, waarin sommige misdadigers geworpen werden.

Barbari, βάρβαροι, bij de Grieken alle volken die een vreemde taal spraken, en daar de Grieken zich als het voortreffelijkste volk beschouwden, dat geschikt was over alle andere te heerschen, hechtte men aan dit woord licht de beteekenis van laag, slaafsch. Toen de Romeinen het overnamen, zonderden zij zichzelf van de barbaren uit; bij hen beteekent het woord die volken, die de grieksche en romeinsche beschaving missen, het komt dus meer overeen met ons barbaarsch. Later werd het vooral van de Germanen en van de volken over den Euphraat gebruikt.

Barbaria (Barbarica), de noordelijke kust van Somali-land.

Barbitos, Barbiton, βάρβιτος, βάρβιτον, een muziekinstrument met zeven snaren, in vorm gelijk aan de lier, maar grooter; het werd met de vingers of met een plectrum bespeeld.

Barca, Βάρκη, stad in Cyrenaïca, omstreeks 550 als mededingster van Cyrēne gesticht door broeders van den cyrenaeïschen koning Arcesilas II, die zich aan het hoofd der opgestane Barcaeërs hadden gesteld. Na de verovering door de Perzen in 512 kwam Barca in verval. De Perzen brachten een gedeelte der inwoners naar Bactria over en de latere Ptolemaeën verhieven Barca’s havenplaats tot eene zelfstandige stad Ptolemaïs.

Barcaei, Βαρκαῖοι, paardenfokkende nomadenstam, die het land van Barca bewoonde.

Barcāni(i), parthische stam op de grenzen van Hyrcania, waarover Cyrus zijn grootvader Astyages, dien hij onttroond had, tot landvoogd aanstelde.

Barcas = de bliksem, bijnaam van Hannibals vader Hamilcar.

Barcino, aanzienlijke stad der Lacetāni in het N.O. van Tarraconensis, later rom. kolonie, thans Barcelona.

Barcini, aanzienlijk karthaagsch geslacht, waartoe o.a. Hasdrubal en Hannibal behoorden. Ook de partij, waarvan deze familie het hoofd was, wordt zoo genoemd.

Bardi, Βάρδοι, dichters en zangers bij de Galliërs.

Bardiaei, Vardaei, Βαρδυαῖοι, illyrische slaven, berucht om hun bloeddorst, waarvan Marius zich bediende om de vogelvrijverklaarden uit den weg te ruimen. Toen zij in hun overmoed niets meer ontzagen, liet Sertorius na Marius’ dood 4000 van hen neersabelen.

Bardylis, Βάρδυλις, Illyrisch koning, die in 359 een groot deel van Macedonië veroverde, maar het volgende jaar in een slag tegen Philippus sneuvelde.

Barea Sorānus, proconsul in Asia onder Nero. Door zijne rechtvaardigheid maakte hij zich zeer bemind, doch hij werd van eerzuchtige bedoelingen beschuldigd en met zijne dochter Servilia ter dood veroordeeld, 66 na C. Aanklager was zijn cliënt en vroegere leermeester, de stoicus P. Egnatius Celer uit Berȳtus.

Bargusii, volk in Tarraconensis tusschen den Ibērus (Ebro) en de Pyrenaeën.

Bargylia, τὰ Βαργύλια, stad in Caria ten N. van Halicarnassus. In de nabijheid vond men een beroemd beeld van Artemis, dat nooit door regen nat werd, hoewel het onder den blooten hemel stond.

Barium, Βάριον, stad der Peucetii in Apulia aan de Adriatische zee, met veel vischvangst, thans Bari.

Barsine, Βαρσίνη, 1) ook Statīra of Arsinoë genoemd, dochter van Darīus Codomannus, huwde in 324 met Alexander d. Gr. en werd na diens dood door Roxane vermoord. Haar juiste naam was Statīra; Barsine heet ze [121]slechts door een vergissing van een der schrijvers, die haar met Barsine no. 2 verward heeft.—2) dochter van Artabāzus, gehuwd met Memnon den Rhodiër. Bij Alexander d. Gr. werd zij moeder van Heracles.

Βασανιστής, een ambtenaar te Athene, ten overstaan van wien slaven als aangeklaagden of getuigen verhoord werden. De verklaringen van slaven waren alleen dan geldig, wanneer zij op de pijnbank (βάσανος) afgelegd waren. In vele gevallen lieten de partijen, na afloop van het verhoor, de beslissing over de zaak aan den basanist als scheidsrechter over.

Βασιλεύς, koning, in oude tijden de algemeene naam voor het hoofd van een griekschen staat; bij het toenemen van de macht van den adel werden ook de hoofden der adellijke geslachten zoo genoemd. In de historische tijden vindt men dien titel alleen nog te Sparta, waar twee koningen regeerden, een uit het geslacht der Procliden of Eurypontiden, een uit dat der Agiden. Zij waren voorzitters van den raad, opperpriesters, aanvoerders in den oorlog en in enkele zaken ook rechters; hun macht was echter zeer beperkt.—Te Athene, waar de koninklijke waardigheid sedert den dood van Codrus afgeschaft was, bleef de tweede archont den titel van βασιλεύς behouden (z. Ἄρχοντες).

Basilicae waren ruime gebouwen voor het handelsverkeer, overdekte markten of beursgebouwen, groote rechthoekige zalen met of zonder halfrond aan de einden. Soms werd het dak door twee rijen zuilen gesteund, en vormden deze dus een middenschip en twee zijschepen. Ook werden de basilicae veel gebruikt voor rechtszittingen. Onder Constantijn den Grooten werden eenige basilieken aan de Christenen ingeruimd voor hunne godsdienstige bijeenkomsten. Vandaar dat de oudste christenkerken dezen vorm hadden.

Basilius de Groote, 329 na C. te Caesarēa in Cappadocia geb., was eerst pleitbezorger, ging toen tot den geestelijken stand over en werd in 370 bisschop van Caesarea. Hij was een groot weldoener der armen, stichtte een groot hospitaal en besteedde zijn geheel vermogen tot weldadige doeleinden, terwijl hij zelf in armoede leefde. Hij was een groot voorstander der grieksche letterkunde. Behalve andere geschriften heeft hij ook brieven nagelaten, uitmuntende door stijl en logica. Hij bestreed het Arianisme. Het door hem gestichte klooster aan den Iris in Pontus werd een model voor latere inrichtingen van deze soort.

Βασκανία, fascinatio, betoovering door woord of blik. In overeenstemming met de bekende meening der ouden, dat de goden geen al te groot of al te langdurig geluk duldden, geloofde men ook dat hun aandacht op zulk een gelukkig persoon door een overmoedig woord of afgunstigen blik gevestigd konden worden, of dat zij daardoor bewogen konden worden aan den gelukkigen toestand een einde te maken. Daarom placht men, wanneer men zichzelf of zijn geluk prees, door bepaalde formules het vermoeden van overmoed van zich af te werpen, of driemaal te spuwen; tegen het “kwaadoog” vond men bescherming door het dragen van een talisman (προβασκάνιον, fascinum).

Bassae, Βάσσαι, een vlek in het Z. van Arcadia, in het gebied der stad Phigalia, met een tempel van Apollo Epicurius (den helper tegen de pest), door den beroemden Ictīnus gebouwd. Met den Athēna-tempel te Tegea gold deze Apollo-tempel voor den schoonsten van de Peloponnēsus. Zie verder Phigalia.

Bassania, stad in Illyria in de nabijheid van Lissus.

Bassareus, Βασσαρεύς, bijnaam van Dionȳsus, naar het vossevel (βασσάρα), waarmede hij omhuld was.

Bassaris, Βασσαρίς, Bacchante.

Bassus, familienaam in de gentes Caecilia (Caecilii no. 28), Caesia, Pomponia (Pomponii no. 8), Ventidia.

Bastarnae, Βαστάρναι, een machtig, roofziek volk van Germaanschen stam tusschen den Vistula (Weichsel), den Tyras of Danastris (Dniester) en den Ister (Beneden-Donau), dat Perseus met 7000 strijdbare mannen had willen helpen, zoo hij niet te karig ware geweest (168). Herhaaldelijk deden zij strooptochten in Thracia. Een onderafdeeling van hen vormen de Peucini.

Basterna.

Basterna, gesloten draagstoel, door muilezels gedragen, voornamelijk ten gebruike van vrouwen.

Bastetāni, iberische volksstam in het zuiden van Hispania Tarraconensis, verwant met de

Bastuli, een in het Oosten van Baetica aan zee wonende sterk met Phoeniciërs gemengde iberische stam. Bij oudere gr. schrijvers heeten ze met de Bastetani Mastiāni (Μαστιανοί).

Batāva castra, in Vindelicia op de grenzen van Rhaetia, thans Passau.

Batāvi, de ons bekende Batavieren, omstreeks 40 uit Germania den Rijn afgezakt. Ze stammen af van de Chatten. De insula Batavorum strekte zich uit tusschen den Rhenus (Rijn) ten N., den Vahalis (Waal) en de monden van de Mosa (Maas) ten Z. en de zee ten W. Ze wonen ook ten Z. van den Rijn en de Waal. Batavodurum (z. a.), later vervangen door Ulpia Noviomagus, z. Noviomagus, en Forum Hadriani zijn de voornaamste plaatsen in hun gebied. De Romeinen sloten met hen een bondgenootschap, en in de germaansche oorlogen bewees vooral de uitstekende bataafsche ruiterij voortreffelijke diensten. Keizer Augustus nam de Batavieren onder zijne lijfwacht op. Zie Corporis Custodes. In 69 na C. echter barstte een opstand der [122]Batavieren onder Claudius Civīlis uit, daar de Romeinen hen meer als overwonnenen dan als bondgenooten behandelden. De opstand breidde zich ook buiten het eiland uit in zulk eene mate, dat hij voor de rom. heerschappij in het Noorden gevaarlijk dreigde te worden. De Romeinen wisten echter tusschen de Batavieren en hunne bondgenooten tweespalt te verwekken, zoodat de laatsten Civilis in den steek lieten, waarop deze met den rom. veldheer Cereālis vrede sloot. Het oude bondgenootschap werd hernieuwd. In de 3de eeuw n. C. dienen ze veel onder de equites singulares. In 300 n. C. wordt hun land overstroomd door de (Salische) Franken, en wat er van hen overschiet, zal zich wel bij de Franken hebben aangesloten.

Batavodūrum of Oppidum Batavorum, stad der Batāvi op het plateau boven Ubbergen, ten O. van Nijmegen gelegen, door Civilis in 70 n. C., vóór hij zich naar de Betuwe terugtrok, in brand gestoken. De stad is niet herbouwd. Zie Noviomagus no. 4.

Bathycles, Βαθυκλῆς, van Magnesia, beeldhouwer omstreeks 550; van hem was de troon van Apollo te Amyclae, waarop in 42 vakken in relief verschillende mythen waren voorgesteld.

Bathyllus, Βάθυλλος, 1) schoon samisch jongeling, door Anacreon bemind.—2) van Alexandrië, vrijgelatene van Maecēnas, beroemd als kluchtig balletdanser (pantomimus); zijne bekwaamheid in het nabootsen van teedere en vrouwelijke standen en gebaren gaf hem den bijnaam mollis. Hij is de eigenlijke stichter van den pantomimus.

Bato, naam van twee aanvoerders, een Pannoniër en een Dalmatiër, in den opstand dezer beide volken tegen Rome, 6–10 n. C.

Battiadae, Βαττιάδαι, afstammelingen van Battus, die 631–450 te Cyrēne regeerden.

Battiades, Βαττιάδης, de dichter Callimachus, afstammende van het geslacht der Battiaden.

Battus, Βάττος, 1) van Thera, zoon van Polymnestus, uit een oud adellijk geslacht. Toen hij eens het orakel van Delphi om raad kwam vragen tegen het stotteren, kreeg hij bevel eene volksplanting naar Libye te voeren, waar hij genezing zou vinden; en inderdaad zoodra hij geland was, zag hij een grooten leeuw, van schrik begon hij te schreeuwen, en zijn gebrek was genezen. Hij vestigde zich toen met de zijnen op het eiland Platea, waar het hun echter niet goed ging, zoodat zij na twee jaar naar Griekenland terugkeerden; het delphische orakel beval hun echter opnieuw naar Libye te gaan. Zij bezetten nu de kust tegenover het eiland en zes jaar later stichtten zij, bij de aan Apollo gewijde bron Cyre of Cyrēne, de stad Cyrēne, waarover Battus (631–591) als een rechtvaardig en bemind vorst regeerde.—Volgens Herodotus is Battus het libysche woord voor koning.—2) Battus II Εὐδαίμων, kleinzoon van den vorigen. Onder zijne regeering (575–570) werd het aantal inwoners door eene menigte Peloponnesiërs, Cretensers, e. a. vermeerderd, zoodat zij met goed gevolg weerstand konden bieden aan het groote leger, dat de aegyptische koning Apriës den Libyers tegen hen te hulp gezonden had.—3) Battus III Χωλός, onder wiens regeering (550–530) de koninklijke macht aanmerkelijk beperkt werd.—4) herder van Neleus; hij had Hermes de runderen van Apollo zien stelen, maar beloofd dit te verzwijgen, toen echter Hermes zelf in eene andere gedaante tot hem kwam en naar de runderen vroeg, vertelde hij het gebeurde, waarop hij tot straf voor zijne trouweloosheid in een steen veranderd werd.

Batulum, stad in Campania, ligging onbekend.

Baucis, Βαυκίς, z. Philemon.

Bauli, liefelijk oord tusschen Baiae en Misēnum, met tal van buitenplaatsen. De redenaar Q. Hortensius had hier een landgoed, dat later in het bezit van de keizerlijke familie gekomen is. Hier werd Agrippīna, de moeder van Nero, door haar zoon vermoord (Maart 59 n. C.).

Bavius en Maevius, twee rom. pruldichters, benijders en bedillers van Horatius en Vergilius.

Baxea of Baxa, meestal plur. baxeae, soort van schoeisel, soms als een sandaal, soms als een schoen, doch van zeer lichte stof vervaardigd, b.v. van papyrus of van palmbladeren.

Bazīra, Βάζιρα, vesting op den Paropamīsus ten W. van de bergvesting Aornus.

Bebriācum = Bedriacum.

Bebrȳces, Βέβρυκες, mythisch volk in Bithȳnië, door de Argonauten bezocht. Het volk is ongeveer in de 8ste eeuw door de Bithyniërs uitgeroeid. Naar hen heette Bithynia vroeger Bebrycia.

Bedriācum, Βητριακόν, vlek in Gallia Cisalpīna tusschen Verōna en Cremōna, waar in 69 n. C. eerst keizer Otho door de troepen van Vitellius verslagen werd, terwijl weinige maanden later tusschen Bedriacum en Cremona in een dubbelen slag het leger van Vitellius door Antonius Primus, veldheer van Vespasiānus verslagen werd.

Belbīna, Βέλβινα, eilandje tusschen Attica en Argolis.

Belesys, Βέλεσυς, chaldeeuwsch priester, satraap van Babylon; z. Arbaces.

Belgae, Βέλγαι, gezamenlijke naam voor de volksstammen, die ten tijde van Caesar het noordelijk gedeelte van Gallia Transalpīna bewoonden, ten N. van den Matrona (Marne) en de Sequana (Seine). Ook in Britannia vindt men een volksstam van dien naam, die van de vastelandsche Belgae afstamt. Gedeeltelijk waren zij van germaanschen oorsprong. De Belgen waren krijgshaftiger dan de meer zuidelijk wonende gallische stammen, omdat zij in gedurigen strijd met de Germanen van over den Rijn leefden en door het weren van vreemde handelaars zich zochten te vrijwaren tegen den ontzenuwenden invloed der rom. weelde. Na zeven jaren strijds slaagde Caesar er in ze te onderwerpen.

Belgica, het land der Belgae, door den [123]Rhenus van Germania, door Matrona en Sequana van eigenlijk Gallia gescheiden. Als provincie onder Augustus strekte Belgica (hoofdstad Durocortōrum, thans Rheims) zich in zuidoostelijke richting over het gebied der Sequani en Helvetii heen tot aan de Alpen uit. Na de terugroeping van Germanicus (17 n. C.) werden de streken langs den Rijn, waar de legioenen lagen, van Belgica gescheiden, en in Germania Superior en Inferior ingedeeld. Toen in het tijdperk van Constantijn Gallia Transalpīna in 17 kleinere provinciën was verdeeld, had men Belgica I met de civitas Trevirorum (Trier) en Belgica II met de civitas Remorum (Rheims) tot hoofdstad.

Belgium, het land der Belgae = Gallia Belgica.

Belias = Bilechas.

Belīdes, Βηλείδης, Aegyptus en Danaüs, zonen van Belus; Lynceus, zijn kleinzoon; Palamēdes, een van zijne afstammelingen.

Belides, Βηλίδες, de Danaïden, kleindochters van Belus.

Bellerophon, Bellerophontes, Βελλεροφῶν, Βελλεροφόντης, zoon van Glaucus, koning van Corinthe, of van Poseidon. Zijn naam was oorspronkelijk Hipponoüs, en werd veranderd toen hij bij ongeluk zekeren Bellerus in een wedstrijd gedood had. Wegens dezen moord vluchtte hij naar Argos, waar hij door koning Proetus gastvrij ontvangen werd, maar diens gemalin Antēa (of Stheneboea) vatte een hevige liefde voor hem op, en daar die liefde niet beantwoord werd, belasterde zij hem bij Proetus, als had hij haar tot ontrouw willen verleiden. Deze zond hem naar zijn schoonvader Iobates, koning van Lycië, met een brief, waarin de opdracht stond Bell. te dooden. Voordat Iobates echter den brief las, had Bell. zich reeds zoo bemind gemaakt, dat de koning hem niet zelf dooden wilde; hij gaf hem daarom last de Chimaera te gaan bestrijden, denkende dat hij bij die onderneming den dood wel vinden zou. Maar Athēna stond Bell. bij, en zond hem uit den hemel het gevleugelde paard Pegasus, terwijl zij hem in den droom leerde hoe het te beteugelen. Op zijn paard gezeten doodde hij het monster uit de hoogte met zijne pijlen. Nog was Iobates niet tevreden, maar toen Bell. op zijn opdracht nog de Solymers en de Amazonen had overwonnen, en eindelijk bij zijn terugkomst de beste soldaten van Lycië verslagen had, die in hinderlaag gelegd waren om hem te dooden, erkende de koning in hem een gunsteling der goden; hij gaf hem zijne dochter tot vrouw en deelde zijn rijk met hem. Maar door zijn geluk overmoedig geworden en steunende op zijn wonderbaar paard, waagde Bell. nu ook eene poging om den Olympus te bestijgen, en dit was zijn ongeluk. Want Zeus maakte zijn paard door een bliksemstraal of door een paardenvlieg schichtig, zoodat het zijn ruiter afwierp, die nu blind en kreupel op de aarde neerviel, terwijl Pegasus naar den Olympus terugkeerde. Sedert dien tijd dwaalde Bell. somber en menschenschuw in de Aleïsche vlakte rond. Te Corinthe werd hij als halfgod hoog vereerd.

Bellocasses, z. Vell(i)ocasses.

Bellōna, 1) eene oorlogsgodin, tot de Di Indigetes behoorende, later vereenzelvigd met de Grieksche Enȳo. Zij vergezelt Mars, wiens zuster, dochter, vrouw, voedster, of wagenmenster zij genoemd wordt, in den strijd. In 296 werd haar door Ap. Claudius Caecus een tempel op het Marsveld gewijd. Hier werd vaak senaatszitting gehouden voor het ontvangen van gezanten van volken, die met Rome geen verbond hadden gesloten, en voor de onderhandelingen omtrent het toestaan van een triumphus aan overwinnende veldheeren (zie triumphus). Zij wordt beschreven als een godin die een speer, een fakkel of een geesel zwaait en op de trompet blaast.—2) eene aziatische godin, wier dienst tijdens de oorlogen met Mithradātes uit Comāna te Rome ingevoerd werd, en die daar sedert dien tijd op oostersche wijze vereerd werd. Op hare feesten trokken hare priesters (Bellonarii) in zwarte kleederen door de stad en brachten zichzelven in heiligen waanzin wonden aan armen en lendenen toe, waarbij zij onder het geraas van pauken en trompetten allerlei voorspellingen deden.

Bellovaci, krijgszuchtig volk in Belgica, met de aanzienlijke hoofdstad Bratuspantium, later Caesaromāgus (Beauvais). Zij waren vrienden en cliënten der Aeduers, op wier bede Caesar hen spaarde.

Bellum sociale, z. Marsicum bellum.

Belus, Βῆλος, 1) zoon van Poseidon en Libye, koning van Aegypte, vader van Aegyptus en Danaüs.—2) eerste koning van Babylon.—3) vader van Dido.

Belus, Βῆλος, kustriviertje in Phoenice, op den Carmel ontspringende, welks fijn zand aanleiding zou gegeven hebben tot de vervaardiging van glas.

Benācus lacus, het grootste meer in Gallia Cisalpīna, thans Garda-meer. De Mincius (Mincio) stroomt er door.

Bendis, Βένδις of Βενδῖς, thracische godin der maan, ook te Athene en elders in Griekenland vereerd, waar men haar met Artemis identificeerde. Haar tempel heette Βενδίδειον, haar feest (19 en 20 Thargelion, begin Juni) Βενδίδεια.

Beneficiarius (miles), een soldaat, die, door het beneficium zijner superieuren, tot belooning of onderscheiding de vacatio munerum castrensium gekregen had en dus vrijgesteld was van corveediensten, werken aan de wallen der legerplaats, het betrekken der gewone wachtposten en derg. De beneficiarii zijn toegevoegd aan de opperofficieren, en worden voor bureauwerk gebruikt. Onder de keizers ontaardde deze vrijstelling in misbruik, daar de centuriones door allerlei plagerij de soldaten zochten te dwingen, zulk een beneficium van hen te koopen, waardoor de dienst voor hen, die het niet konden betalen, des te zwaarder werd. Verslapping der tucht en oproeren waren hiervan het onvermijdelijk gevolg.

Beneventum, vroeger Maleventum geheeten, [124]stad der Hirpīni in Samnium, door Diomēdes gesticht. V. s. werd hier Pyrrhus door M’. Curius Dentātus in 275 verslagen, v. a. werd die slag ergens in Lucanië geleverd. In 268 werd het latijnsche kolonie, waarop de naam boni ominis gratia in Beneventum veranderd werd. Onder de keizers werd het zeer begunstigd. Onder andere oudheden vindt men er nog een zegeboog van Traiānus.

Berecyntus, Βερέκυντος, naam van een landstreek in Phrygia, op de grenzen van Caria en Lydia. De Berecyntes waren een phrygische stam. Bij de dichters is berecyntisch = phrygisch. De mater Berecyntia was Cybele, de heros Berecyntius was haar zoon Midas, de Berecyntia tibia is de dwarsfluit.—Ook op Creta wordt een berg Berecyntus vermeld.

Berenīce, Βερενίκη, 1) dochter van Lagus, gemalin van haar stiefbroeder Ptolemaeus Lagi.—2) dochter van Ptolemaeus II, gehuwd met Antiochus II (z. a.)—3) dochter van Magas van Cyrēne, verloofd met Demetrius, huwde na diens dood (z. Apama no. 2) met Ptolemaeus III, met wien zij vroeger verloofd was geweest. Toen Ptolemaeus behouden van den veldtocht naar Syrië teruggekeerd was, wijdde zij uit dankbaarheid aan Aphrodīte haar om zijn schoonheid beroemd haar; den volgenden dag was het echter reeds uit den tempel verdwenen, en de sterrenkundige Conon verklaarde, dat het door de goden als sterrenbeeld aan den hemel geplaatst was. Haar zoon Ptolemaeus IV liet haar ter wille van zijn gunsteling Sosibius dooden (220).—4) z. Ptolemaeus no. 15.—5) werd door het volk van Aegypte tot koningin verheven, toen haar vader, Ptolemaeus XI verjaagd werd (58). Drie jaar later kwam Ptolemaeus echter met de hulp der Romeinen terug, en nu werd Berenice gedood (z. Archelaus no. 5).—6) zuster van Herodes den Grooten, moeder van Agrippa I.—7) dochter van Agrippa I, werd verdacht van bloedschande met haar broeder Agrippa II. Later werd Titus op haar verliefd; zijn plan om haar tot vrouw te nemen moest hij echter wegens de ontevredenheid der Romeinen opgeven.

Berenīce, Βερενίκη, naam van eenige steden uit het tijdperk der Ptolemaeën, als: 1) in het Zuiden van Aegypte aan de Arabische golf, eene belangrijke stapelplaats voor den handel tusschen Aegypte en het Oosten. Ptolemaeus II liet een karavaanweg aanleggen van daar naar Coptus aan den Nijl. Ter onderscheiding werd dit Berenice Troglodytice bijgenaamd, naar de half wilde Troglodyten of grotbewoners in den omtrek.—2) stad in Cyrenaïca, aan de groote Syrte, vroeger Hesperis of Hesperides; men plaatste hier de tuinen der Hesperiden.—3) stad in Aethiopia, aan de Arabische golf.

Begistāni, een tak van het volk der Ilergetes, tusschen de Pyrenaeën en den Ibērus (Ebro).

Bergōmum, in het gebied der Orobii, municipium in Cisalpīna, tusschen Comum (Como) en Brixia (Brescia). Thans Bergamo.

Bermius mons, Βέρμιον ὄρος, in zuidwestelijk Macedonia.

Beroea, Βέροια, 1) stad in Syria, tusschen Antiochia en Hierapolis, door Seleucus vergroot, thans Aleppo.—2) stad in Macedonia, aan den Mons Bermius.

Berōsus, Berossus, Βήρωσος, Βηρωσσός, babylonisch priester, geboren ten tijde van Alexander den Grooten. Zijne babylonische geschiedenis, in het Grieksch geschreven (Βαβυλωνικὰ ἤ Χαλδαϊκά), waarvan nog enkele fragmenten bewaard gebleven zijn, stond bij de Grieken hoog aangeschreven.

Berȳtus, Βηρυτός, ten Z. van het tegenwoordige Beiroet, overoude havenstad aan de phoenicische kust, tusschen Byblus en Sydon. Het wordt eerst belangrijk in den Romeinschen tijd. Sedert het midden van de 3de eeuw n. C. was hier een beroemde hoogeschool voor Romeinsch recht.

Bes, ⅔ deel van den as. Een muntstuk van deze waarde was er niet.

Bessi, Βησσοί, machtig thracisch volk langs de geheele uitgestrektheid van den Haemus. Door M. Terentius Varro Lucullus (zie Licinii no. 25) werden zij in 72 en 71 aan de Rom. onderworpen. Ze stonden echter herhaaldelijk op, en werden eerst definitief door L. Piso in 11 onderworpen.

Bessus, Βησσός, satraap van Bactrië onder Darīus Codomannus. Toen deze na den slag bij Gaugamēla voor Alexander vluchtte, werd hij door Bessus en eenige anderen, die den oorlog wilden voortzetten, gevangen genomen, en daar zij aan de snelle vervolging van Alexander niet konden ontkomen, brachten zij den koning een doodelijke wonde toe en lieten zij hem op weg achter. Bessus vluchtte nu verder naar de noordelijke provinciën en liet zich als Artaxerxes IV tot koning uitroepen, maar eindelijk werd hij door Alexander ingehaald, in Sogdiāna door Ptolemaeus Lagi gevangen genomen, door eene rechtbank van Perzen en Meden ter dood veroordeeld en gevierendeeld (329).

Bestia, familienaam in de gens Calpurnia (Calpurnii no. 14–16).

Bestiarii werden zij genoemd, die zich verhuurden om in het amphitheater met wilde dieren te vechten. In het eerst bestonden hunne wapenen uit zwaard en schild, doch onder keizer Claudius werd het gebruikelijk, dat de bestiarii slechts met een jachtspriet gewapend waren en een hooggekleurden doek in de hand hadden, zooals in Spanje bij de stierengevechten het geval is. Zij, die tot straf aan de wilde beesten voorgeworpen werden, ad bestias damnati, waren in den regel ongewapend. Voor vrijen was deze straf in het republikeinsche tijdperk onbekend, doch onder de keizers werd zij vooral op de Christenen toegepast.

Betasii, germaansch volk in Belgica, in den omtrek van het tegenw. zuid-brabantsche dorp Beetz.

Betriācum = Bedriācum.

Biānor, zoon van Heracles of van Tiberis en Manto, de mythische stichter van Mantua. [125]

Bias, Βίας, 1) z. Melampus.—2) van Priēne, en van de zeven wijzen. Hij hield Croesus terug van een zeeoorlog tegen de ionische steden; zijn raad, aan de Ioniërs bij de aanvallen der Perzen gegeven, om hunne steden in Azië te verlaten en een groot rijk op Sardinië te stichten, werd niet opgevolgd. Zijn spreuk was: οἱ πλείους κακοί, de meeste menschen deugen niet.

Bibaculus, familienaam in de gens Furia (Furii no. 15).

Bibracte, later Augustodūnum, thans Autun, groote volkrijke hoofdstad der Aeduers in Gallia Transalpīna.

Bibrax, stad der Remi in Gallia Transalpīna, waarschijnlijk Vieux-Laon bij Laon.

Bibulus, familienaam in de gens Calpurnia (Calpurnii no. 17 en 18).

Bidental. Wanneer bij de Romeinen de bliksem ergens in den grond was geslagen, dan moest de daar als het ware gestorven bliksemstraal plechtig ter aarde worden besteld. De aarde der getroffen plek werd dan begraven met een stuk vuursteen, als zinnebeeld van den bliksem, er bij. De getroffen plek was door den bliksemstraal tot een templum gewijd en werd met een muurtje omringd, doch van boven opengelaten, zoodat het geheel op een put geleek en ook puteal genoemd werd met het opschrift: fulgur conditum. Dan werd er een tweejarig offerdier, bidens, geofferd, en hiernaar heette de plek een bidental. Een bidens is een rund of zwijn, doch meestal een schaap, dat beide rijen tanden vol heeft, wat het geval is, als het twee jaar oud is.

Βίδεοι, Βίδυοι, Βιδιαῖοι, een collegie van vijf mannen te Sparta, die den παιδονόμος ter zijde stonden.

Bigati, de gewone benaming voor de Romeinsche zilverstukken (denarii) uit den tijd der Romeinsche republiek. Ze ontleenen hun naam aan het tweespan (bigae) van den beeldenaar; de godheid op het tweespan is eerst Luna (Diana), later gewoonlijk Victoria (Victoriati), maar men vindt ook andere goden. Sommige van deze munten hadden een kartelrand (serrati), om het snoeien tegen te gaan. Soms komt op de denarii een vierspan voor (quadrigati).

Bigerra, stad der Oretāni in Hispania Tarraconensis.

Bigerriōnes, volk in Aquitania, welks naam nog voortleeft in de pyreneesche badplaats Bagnères de Bigorre.

Bilbilis, Βίλβιλις, in Hispania Tarraconensis, geboortestad van den dichter Martiālis, in het gebied der Celtiberiërs aan een zijtak van den Ibērus (Ebro). De stad lag op eene rots en had eene belangrijke nijverheid van wapenfabrieken en goudsmidswerk.

Bilechas, zijrivier van den Scirtus.

Bingium, stad in Belgica, thans Bingen aan den Rijn.

Bion, Βίων, 1) van Smyrna, navolger van Theocritus als bucolisch dichter, dien hij echter niet kon evenaren. Hij stierf omstreeks het einde van de 2de eeuw te Syracuse door vergift. Er zijn nog enkele gedichten in dorisch dialect van hem over.—2) van Borysthenes, beoefende in het laatst der derde eeuw te Athene de cyrenaeische wijsbegeerte en bracht langen tijd aan het hof van Antigonus Gonatas door. Hij is een leerling van Theophrastus. Hij was bekend om zijn vinnige uitvallen; den godsdienst verklaarde hij op dezelfde wijze als Euhemerus (z.a.).

Bisaltae, Βισάλται, thracisch herdersvolk in het macedonische landschap Bisaltia, ten W. van den Beneden-Strymon.

Bisanthe, Βισάνθη, volkplanting van Samus aan de Noordkust der Propontis.

Bistones, Βίστονες, thracische volksstam tusschen den berg Rhodope en de zee, in den omtrek der stad Abdēra, aan het meer Bistonis. Dichterlijk bistonisch = thracisch, Bistonides = Bacchanten, omdat de Bacchusdienst in Thracia te huis behoorde.

Bithynia, Βιθυνία, land aan de Zuidwestzijde van den Pontus Euxīnus en de Oostzijde der Propontis, begrensd door Paphlagonia, Galatia en Phrygia. Het draagt zijn naam naar een der beide thracische stammen, die het bewoonden, de Bithȳni ten O. en de Thȳni ten W., wier gebied door de rivier Sangarius gescheiden was. V.s. zijn beide namen identisch. Noch aan de Perzen, noch aan Alexander d. G. gelukte het, Bithynia geheel of duurzaam te onderwerpen. Na den dood van Alex. behoorde Bithynia tot het gebied van Lysimachus, doch een der mindere legerhoofden, Nicomēdes, slaagde er in, met behulp van keltische huurtroepen hier een koninkrijk te stichten (281–246). De zesde koning dezer dynastie, Nicomedes III, liet in 75 zijn land bij testament aan de Romeinen na. In 63 werd eene strook van Paphlagonia en van Pontus aan de provincie Bithynia toegevoegd, en in 7 na C. nog een stuk. Sedert 63 na C. komt de provincie voor onder den naam Bithynia-Pontus. Plinius de jongere, bekend door zijne Epistulae, werd in 111 door keizer Traiānus tot stadhouder van Bithynia benoemd. Zijne ambtsbrieven aan den keizer en diens antwoorden zijn leerzaam om ons het destijds heerschende centralisatiestelsel te doen kennen. Ook geeft één van deze brieven een verrassenden kijk op de uitbreiding, die het Christendom toen reeds verkregen had. De oude hoofdstad was Bithynium; onder de grieksche vorsten had men drie residenties: Nicomedēa, door Nicomedes I gesticht, Nicaea en Prusa.

Bithynium, Βιθύνιον, de oudste hoofdstad der Bithyniërs, in het binnenland gelegen, later Claudiopolis geheeten.

Biton, Βίτων, z. Cleobis.

Bituriges, aanzienlijk volk in Gallia Transalpīna. Zij werden onderscheiden in Bituriges Vibisci met de hoofdstad Burdigala (Bordeaux) aan den Garumna, en Bituriges Cubi met de hoofdstad Avaricum (Bourges).

Blandusia = Bandusia.

Βλαῦται, Βλαυτία, halve schoenen, die met riemen om de beenen vastgemaakt werden. Het was een voorname dracht.

Blemmyes, Βλέμμυες, een rooversvolk ten zuiden van Aegypte.

Blosius of Blossius (C.), stoicijnsch wijsgeer uit Cumae, een vriend van Tib. Gracchus en [126]deelgenoot van diens plannen. Na Gracchus’ dood vluchtte hij naar Asia, waar hij later zichzelf het leven benam.

Boadicca of juister Boudicca, koningin der Iceners in Britannia, die door de schandelijke hebzucht en handelingen der Romeinen tot opstand gedreven werd (62 v. a. 60 n. C.). Deze opstand breidde zich met groote snelheid uit, het belangrijke Londinium (Londen) en andere plaatsen werden door de woedende Britten veroverd, en meer dan 70000 romeinsche soldaten en burgers kwamen om het leven. Boadicca’s tallooze benden werden echter in hetzelfde jaar door Nero’s dapperen veldheer C. Suetonius Paulīnus geheel verslagen, waarop de koningin zich door vergif het leven benam.

Bocchus, 1) koning in Mauretania, schoonvader van Jugurtha. Eerst was hij op de hand der Romeinen, tot Jugurtha hem door afstand van grondgebied voor zich won. Toen zijne troepen evenwel door Marius bij herhaling verslagen waren, liet hij zich bewegen zijn schoonzoon aan de Romeinen uit te leveren.—2) Bocchus II regeerde met zijn broeder Bogūdes gezamenlijk over Mauretania. In den oorlog van Caesar tegen de partij van Pompeius kozen zij Caesars zijde en kregen tot belooning den titel van koningen. Bogudes droeg er later veel toe bij, om Caesar den slag bij Munda te doen winnen. In den strijd tusschen Antonius en Octaviānus koos Bocchus de zijde van dezen, Bogudes die van Antonius. Bocchus kreeg nu geheel Mauretania, terwijl Bogudes kort na den slag bij Actium sneuvelde. Na Bocchus’ dood (33) werd zijn land eene rom. provincie, maar in 25 werd het aan den jongen Juba afgestaan. (Zie Juba).

Bodotria of Boderia, Βοδερία εἴσχυσις, inham van de Noordzee tusschen Caledonia (Schotland) en Britannia, thans Firth of Forth. Vanhier liep het vallum Antonini tot aan het Clotae aestuarium aan de Iersche zee.

Boebe, Βοίβη, en Boebēis lacus, Βοιβηὶς λίμνη, stad en meer tusschen de thessalische landschappen Pelasgiōtis en Magnesia.

Boëdromia, Βοηδρόμια, feest ter eere van Apollo te Athene en Thebe in de maand Boëdromion gevierd. De Atheners herdachten daarbij de overwinning van Theseus op de Amazonen, of de hulp, die Ion of Xuthus hun tegen de Eleusiniërs verleend had, en sedert 490 ook den slag bij Marathon. In Thebe vierde men het feest ter gedachtenis aan den oorlog met Ergīnus, koning van Orchomenus.

Boëdromion, Βοηδρομιών, 3de maand van het Attische jaar (Sept.–Oct.), z. Annus.

Boeotia, Βοιωτία, landschap van Hellas, voor een groot gedeelte door bergen ingesloten, rijk aan bronnen en vruchtbare valleien, en met een aantal meertjes, die zich in den regentijd tot één groot meer (het meer Copaïs) vereenigden. De bewoners stonden bij de Atheners niet in den reuk van snuggerheid; men hield het er voor, dat de vochtige en dompige lucht benevelend op het verstand der Boeotiërs werkte. De bevolking was uit allerlei oude stammen dooreengemengd. Tot de oudste steden behooren: Orchomenus, dat reeds in den myceenschen en vóór myceenschen tijd bestaan heeft, Arne, dat met een paar andere steden in het meer Copaïs verdronken is, en Thebae. In historischen tijd bestond Boeotia uit een statenbond eerst van 7 steden: Acraephium, Coronēa, Haliartus, Mycalessus, Plataeae (dat zich echter reeds vroeg bij Athenae aansloot), Tanagra, en Thebae, later van 14, na den peloponnesischen oorlog van 10 staatjes, meest met een aristocratisch bestuur. De jaarlijks aftredende overheidspersonen heetten Boeotarchen. Als hoofd van den bond gold Thebae; maar de tweespalt en de somtijds doodelijke haat, die tusschen de boeotische steden heerschte, verlamden de kracht van het volk. In Boeotia behooren de mythen te huis van Antiope en Dirce, van Amphīon en Niobe, van Cadmus en diens dochters Ino en Semele en zijne kleinzonen Actaeon, Melicertes en Pentheus, van Dionȳsus of Bacchus, van Oedipus en diens geslacht, van de gebroeders Trophonius en Agamēdes. Aan de Muzen was de berg Helicon gewijd, die met zijne rijkbegroeide hellingen scherp afstak bij den naakten Cithaeron, den ongeluksberg in de boeotische mythen.

Boeōtus, Βοιωτός, z. Aeolus no. 2. Naar hem zouden de Boeotiërs genoemd zijn.

Boēthus, Βοηθός, van Chalcēdon, bekwaam beeldhouwer uit het begin van de 2e eeuw. Beroemd was onder zijne werken het beeld van een knaap, die een gans den hals omdraait.

Boeum, Βοιόν, stad in het landschapje Doris, tot de dorische tetrapolis behoorende.

Bogūdes, koning in Mauretania. Zie Bocchus II, wiens jongere broeder hij was.

Boii, Βοῖοι, een groot keltisch volk uit meer dan 100 tribus bestaande, dat veel gezworven heeft en waarvan verschillende gedeelten in de Po- en Donaulanden voorkomen, ten N. en ten Z. der Alpen. De Bojers in de Po-vlakte verdreven de Etrusci en de Umbri uit de streek ten Z. van de Po, en namen de Etruscische stad Felsīna in, die later als hun hoofdstad Bononia genoemd werd. Na hevigen strijd werden zij in 224 door de Romeinen ten onder gebracht, doch de inval van Hannibal in Italië bracht hen weder in opstand, en eerst in 191 werden zij door P. Cornelius Scipio Nasīca (Cornelii no. 19) voor goed onderworpen. De Bojers aan den Donau sloegen een aanval der Cimbren en Teutonen af; in Caesars tijd sloot zich een gedeelte, dat zijne woonplaatsen in Boiohaemum (Boheme) verlaten had (± 60) en naar Noricum was getrokken, bij de Helvetiërs aan.

Boiohaemum, Boheme, het land (die Heimath) der Boii.

Boiorix, 1) misschien slechts een titel = Boiorum of Boius rex, koning der Bojers, die volgens het niet geheel betrouwbare verhaal in 194 met de Romeinen gestreden heeft.—2) koning der Cimbren, versloeg en doodde in 105 M. Aurelius Scaurus (z. Aurelii no. 10), maar sneuvelde in 101 in den slag op [127]de Raudische velden bij Vercellae tegen Marius.

Βοιωτάρχαι, de magistraten van het boeotisch verbond, die de uitvoerende macht hadden, in den oorlog het opperbevel voerden, en de besluiten der vier boeotische raden ten uitvoer brachten.

Bola, Βῶλα, oude stad in Latium, die langen tijd in het bezit der Aequi geweest is, en reeds vroeg te gronde is gegaan.

Bolbe, Βόλβη, meer in Macedonia, dat in de golf van den Strymon uitwatert.

Bolbitīne, Βολβιτίνη, thans Rosette, stad in de Nijldelta, waarnaar de westelijke hoofdmonding der rivier ostium Bolbitinum werd genoemd.

Bolissus, Βολισσός, stad in het N.W. van Chius.

Bomienses, Βωμιῆς, volk in het O. van Aetolia, in het brongebied van den Euēnus.

Bomilcar, Βομίλκας, naam van twee carthaagsche veldheeren. De eerste komt voor in den strijd van Carthago tegen Syracūsae, toen Agathocles omstreeks 310 eene landing in Africa deed en de carthaagsche generaals Hanno en Bomilcar versloeg. Later deed Bomilcar eene poging om zich te Carthago van het bewind meester te maken; doch zijn toeleg mislukte en hij stierf aan het kruis.—De andere komt voor in den tweeden punischen oorlog. Hij bracht in 215 versche troepen aan Hannibal en ondersteunde in 214 en 212 Syracusae tegen de Romeinen.—Ook de vertrouwde dienaar van Jugurtha, die voor dezen te Rome den moord op Massīva pleegde, heette Bomilcar. Toen hij later zijn meester poogde te verraden, werd hij door dezen met den dood gestraft (107).

Βωμονῖκαι, heetten de spartaansche knapen, die de geeseling voor het altaar van Artemis Ὀρθία (z. a.) het langst en standvastigst verdroegen.

Bona Dea, eene godin wier eigenlijke aard reeds den Romeinen onduidelijk was, en die daarom soms voor dezelfde als Fauna, Maia, Ops, e. a. gehouden wordt; oorspronkelijk was de naam een attribuut van Fauna, maar daar deze godin uitsluitend door vrouwen vereerd werd, werd de Grieksche godin Damia, wier dienst reeds vroeg, waarschijnlijk 272, na de inneming van Tarente, in Rome werd ingevoerd, met haar vereenzelvigd. De 1e Mei was haar feestdag, maar het voornaamste feest te harer eer werd in het begin van December des nachts ten huize van den hoogsten overheidspersoon door voorname vrouwen en vestaalsche maagden gevierd. Tot beide feesten was de toegang aan mannen ten strengste verboden.

Bondgenootenoorlog, zie Marsicum bellum.

Bonā (fide), te goeder trouw, komt als rechtsterm dikwijls voor. Bonae fidei possessio is het bezit te goeder trouw van eene zaak, waarvan men meent de rechtmatige bezitter te zijn.

Bonna, stad in het gebied der Ubii aan den Rhenus, thans Bonn. Drusus maakte er eene vesting van.

Bononia, Βονωνία, 1) thans Bologna, zeer oude Stad in Gallia Cisalpīna. Eerst was Bononia de hoofdstad der aan den Po gevestigde Etruscers, en heette toen Felsina. Toen de Etruscers door de Galliërs verjaagd waren, werd Bononia de hoofdstad der Bojers. In 189 werd het lat. kolonie. Onder de keizers werd het eene aanzienlijke stad.—2) stad der Morīni, aan het Kanaal, vroeger Gesoriacus portus, thans Boulogne.

Bonorum cessio, vrijwillige afstand van zijn vermogen door een insolventen schuldenaar aan zijne schuldeischers. Zie bonorum emptio.

Bonorum emptio. Wanneer een schuldenaar onwillig bleek zijne schuld te betalen, of wanneer iemand zich schuil hield om eene dagvaarding te ontgaan, konden de belanghebbenden van den praetor eene missio in bona, d. i. eene inbeslagneming van goederen vragen. Werd deze toegewezen, dan liet men nog een termijn voorbijgaan, om den onwillige in de gelegenheid te stellen aan zijne verplichtingen of aan het verlangen der eischers te voldoen; bleef hij in gebreke, dan had ten laatste de executie plaats. Werden iemands bezittingen voor schuld verkocht, dan werden zij in haar geheel bij opbod aan hem toegewezen, die aan de schuldeischers het grootste getal percenten bood. Deze executie had eerloosheid (infamia) tengevolge, die men kon ontgaan door eene bonorum cessio. Het oude recht kende echter deze cessie niet; zij werd eerst wettig ingevoerd onder Caesar, hoewel zij zeker onderhands ook vroeger zal hebben plaats gehad.

Bonorum possessio. Het oude strenge erfrecht bij de Romeinen sloot de cognati en de geëmancipeerde kinderen uit; doch het praetorische recht, dat meer op de aequitas was gegrond, nam deze op. Door dit nieuwe recht konden op grond van bloedverwantschap ook zij tot de erfenis geroepen worden, die door uittreding uit de patria potestas hun erfrecht volgens de lex XII tabularum hadden verloren. Men onderscheidt hierbij verschillende gevallen. Bonorum possessio contra tabulas (testamenti) kon door den praetor verleend worden, wanneer b. v. geëmancipeerde kinderen in het testament waren voorbijgegaan. Bon. poss. secundum tabulas kon toegewezen worden, wanneer b.v. het testament niet aan alle wettelijke vormen voldeed en dus strikt genomen niet geldig zou wezen,—tenzij zich erfgenamen opdeden, die een beter recht konden doen gelden dan de testamentaire erven. Bon. poss. intestati kon plaats grijpen, wanneer er geen testament was. De praetor maakte dan verschillende klassen van erfgenamen. In den eersten graad erfden de kinderen, ontbraken deze, dan kwamen in de tweede plaats de legitimi heredes, bij ontstentenis van deze, de naaste cognaten, enz., tot zeven graden toe.—Zij, die door het praetorische edict aldus tot de erfenis geroepen werden, werden nochtans eigenlijk geene heredes, want de praetor kon [128]geene erfgenamen maken; zij werden loco heredum en hadden slechts de possessio, daar zij geen wettigen titel van eigendom konden doen gelden, tenzij later het recht van verjaring (usucapio).

Bonorum sectio, z. Sectio bonorum.

Bonus Eventus, z. Eventus.

Βοῶναι, te Athene door het volk gekozen personen, die te zorgen hadden, dat het voor de offers en feesten noodige vee in voorraad was.

Boōtes, Βοώτης, sterrenbeeld in de nabijheid van den Grooten Beer, daarom ook Arctūrus of Arctophylax genoemd. Men zag in dit beeld Icarius of Arcas. V. a. was Boōtes een zoon van Demēter en Iasion, die den ploeg had uitgevonden.

Borbetomagus, stad der Vangiones, aan den Rhenus, thans Worms.

Boreadae, Βορεάδαι, Βορεάδες, Zetes, Calaïs, Chione en Cleopatra, kinderen van Boreas en Orithyia.

Boreas, Βορέας, Βορρᾶς, N. O. of N. wind (zie Windstreken), mythologisch de zoon van Astraeus en Eos, die een hol van den thracischen Haemus bewoont. Hij schaakte behalve vele andere vrouwen Orithyia, de dochter van Erechtheus, daarom baden de Atheners tot hem, toen een orakel hun bij het naderen der Perzen bevolen had hun schoonzoon te hulp te roepen, en inderdaad werd een deel van Xerxes’ vloot bij kaap Sepias door storm vernield. Uit dankbaarheid wijdde men hem een tempel aan den Ilissus.

Βορεασμοί, feest ter eere van Boreas te Athene gevierd.

Borsippa, stad aan het Naärsareskanaal, even bezuiden Babylon, met beroemde linnenfabrieken.

Borysthenes, Βορυσθένης, rivier in Sarmatia, later Danapris, thans Dniepr. Aan zijn mond, waar hij zich met den Hypanis (Bug) vereenigt, lag de milesische kolonie Borysthenis of Olbia.

Bosporānum regnum, zie Bosporus.

Bosporus, Βόσπορος, naam van twee zeeëngten. De Bosporus Thracius heet de straat van Constantinopel; de Bosporus Cimmerius is de straat van Kaffa of Jenikale, de invaart der Palus Maeōtis of zee van Azow. Met de palus Maeōtis en den Tanaïs (Don) vormt ze in de oudheid de grensscheiding tusschen Europa en Asia. Uit de milesische kolonie Panticapaeum, ook Bosporus geheeten, thans Kertsch, aan de laatste zeeëngte gelegen, ontwikkelde zich een bosporaansch rijk, dat door Mithradātes VI van Pontus met zijn rijk werd vereenigd en later door Pompeius aan diens zoon Pharnaces werd afgestaan. Als rom. vasalstaat bleef het bestaan tot aan de groote volksverhuizing.

Bostar, Βώσταρ, naam van twee carthaagsche bevelhebbers. De eerste, door Regulus in 256 gevangen genomen, werd later als zoenoffer aan diens familie overgegeven en zou tengevolge van mishandelingen gestorven zijn. De andere, die onder Hasdrubal in den tweeden punischen oorlog in Spanje diende, liet zich door zekeren Spanjaard Abelux verleiden, om de Spaansche gijzelaar, hem door Hannibal ter bewaking toevertrouwd, vrij te laten. Een derde Carthager van dien naam, werd in 215 door Hannibal met een paar anderen als gezant naar Macedonia afgevaardigd; doch het schip, dat hen vervoerde, werd door de rom. vloot buit gemaakt.

Bostra, τὰ en ἡ Βόστρα, stad ten Zuiden van Damascus, in eene oase der syrische woestijn. Het was oudtijds de hoofdstad van de landstreek Auranitis, in het N. O. van Palaestina, later hoofdstad van het koninkrijk der Nabataeërs, en werd ten slotte, bij de inlijving (105 of 106 n. C.) door Traiānus tot hoofdstad der provincie Arabia verheven. Zie Arabia.

Bottia of Bottiaea, Βοττία, -ιαία, -ιαιίς, landstreek van Macedonia aan den Axius, (Vardar) en de Thermaeïsche golf. De oorspronkelijke bewoners, in de 7de of 6de eeuw door de Macedoniërs verdreven, verhuisden naar het noordelijk gedeelte van het schiereiland Chalcidice, dat zij Bottice noemden, terwijl de vroegere woonplaats den ouden naam Bottia of Bottiaea behield.

Βοῦαι, afdeelingen, waarin de spartaansche jongelingschap gedurende de jaren hunner opvoeding verdeeld was. Aan het hoofd van zulk eene afdeeling stond een Βουαγός of Βουάγωρ.

Boudicca = Boadicca.

Βουλή, raad, een lichaam dat in democratische staten in de eerste plaats de staatsaangelegenheden aan eene voorafgaande behandeling heeft te onderwerpen, alvorens ze in de volksvergadering te brengen. Te Athene had de raad volgens de instellingen van Draco 401 leden, zij werden bij loting aangewezen uit de burgers, die ouder dan 30 jaar en in het volle bezit hunner burgerrechten waren. Niemand mocht voor de tweede maal lid van den raad zijn, voordat allen die ertoe gerechtigd waren een beurt gehad hadden. Onder de wet van Solon waren er 400, 100 per phyle, door loting aangewezen uit candidaten die door de phylen gekozen waren. Clisthenes vermeerderde het aantal leden tot 500 (vandaar de gewone naam ἡ βουλὴ οἱ πεντακόσιοι), nl. 50 uit elke van de nieuwe 10 phylen; waarschijnlijk liet hij ook de verkiezing door loting (ἀπό κυάμου λαχεῖν) bestaan. De loting had ook toen plaats uit hen, die door de phylen als candidaten waren aangewezen. Bij de ontwikkeling der democratie werd ook aan de theten het recht toegekend om tot den raad te behooren. Met de vermeerdering van het aantal phylen in den macedonischen tijd vermeerderde ook het aantal raadsleden; Hadriānus verminderde het echter weder tot 500.—Tot de bevoegdheden van den raad behoorde o. a. dat de veldheeren hem verslag gaven van hunne verrichtingen, dat hij vreemde gezanten ontving en ze bij de volksvergadering inleidde, enz. Voorts had de raad [129]het oppertoezicht over het beheer der financiën en beheerde ze gedeeltelijk zelf, leidde hij het onderzoek naar de bevoegdheid der archonten en van andere verkozen ambtenaars (δοκιμασία), en had hij in sommige minder belangrijke gevallen rechtspraak. De raad kon geldboeten opleggen en had het toezicht op alles wat tot de marine behoorde en op de openbare gebouwen. Dikwijls werd hem bovendien door het volk het afdoen van eene of andere aangelegenheid opgedragen; de besluiten, die hij zonder zulk een opdracht neemt, zijn slechts gedurende het loopende ambtsjaar geldig. Z. ook προβούλευμα en ἐκκλησία.—De raad vergaderde dagelijks, behalve op feestdagen, in het raadhuis (βουλευτήριον), zijne vergaderingen waren gewoonlijk openbaar. Met het dagelijksch bestuur was echter altijd slechts eene bij loting aangewezen afdeeling van 50 raadsleden belast (z. Πρύτανις).—De leden van den raad waren vrijgesteld van den krijgsdienst, hadden een afzonderlijke plaats in den schouwburg en ontvingen, waarschijnlijk sedert de tijden van Pericles, een drachme of vijf obolen voor iedere vergadering (μισθὸς βουλευτικός). Wanneer de raad bij zijn aftreden voldoende rekenschap van zijne verrichtingen gegeven had, vereerde het volk hem met een gouden krans, die in een of anderen tempel bewaard werd. Ook in vele andere staten en statenbonden wordt eene βουλή vermeld, over welker samenstelling en bevoegdheden echter weinig of niets bekend is.

Βουφόνια, z. Διιπόλια.

Boviānum, Βοΐανον, hoofdstad der Pentri in Samnium.

Bovillae, Βοΐλλαι, stadje in Latium aan de via Appia, bekend door de ontmoeting tusschen Milo en Clodius Pulcher, die Clodius het leven kostte.

Braccae. De Romeinen en Grieken omwonden wel de beenen met lange strooken lijnwaad (fasciae), en ook kousen waren in de oudheid niet onbekend, doch broeken waren eene kleederdracht der barbaren, o. a. van de oostersche volken en van de transalpijnsche Galliërs. Naar deze kleederdracht werd Gallia Transalpīna dikwerf in de wandeling Gallia braccata genoemd. Hoewel in het tijdperk der keizers deze dracht ook tot Rome doordrong, is zij er nimmer nationaal geworden. Bij de Grieken heette het kleedingstuk ἀναξυρίδες, terwijl meer in het bizonder voor wijde broeken de naam θύλακοι in gebruik was.

Brachmānae, Βραχμᾶνες, de priesterkaste bij de Indiërs, ook de stammen die den godsdienst van Brahma beleden. De Grieken hebben van deze zaken kennis gekregen door de expeditie van Alexander naar Indië; de Grieksche schrijvers uit dien tijd geven zeer betrouwbare berichten.

Bradanus, grensrivier tusschen Lucania en Apulia, die dicht bij Metapontum in de golf van Tarente uitloopt.

Branchidae, Βραγχίδαι, 1) afstammelingen van Branchus, een zoon van Smicrus of van Apollo, die uit Delphi naar Milētus verhuisde en te Didyma een tempel van Apollo stichtte. De Branchidae beheerden dezen later zeer rijken tempel, waarvan niet lang geleden belangrijke overblijfselen zijn opgegraven, en het daarmede verbonden orakel; daar zij echter aan Xerxes bij zijn tocht naar Griekenland de groote schatten van den tempel uitgeleverd hadden, verzochten zij hem na afloop van den veldtocht, uit vrees voor de wraak der Grieken, hun een andere woonplaats aan te wijzen. Sedert dien tijd woonden zij in Bactriāna, waar Alexander hen vond, die hen, tot straf voor de misdaad hunner voorouders, allen liet dooden en hun stad met tempels en heiligdommen geheel liet verwoesten.—2) = Didyma.

Brannovīces Aulerci, z. Aulerci.

Brasidas, Βρασίδας, zoon van Tellis, de dapperste en bekwaamste veldheer der Spartanen in den peloponnesischen oorlog. Nadat hij in het eerste jaar van den oorlog een aanval der Atheners op Methōne had afgeslagen en zich sedert meermalen had onderscheiden, wist hij, gesteund door gezantschappen van Perdiccas en van eenige steden op Chalcidice, de ephoren te overreden dat men de Ath. in hun kolonies en bondgenooten moest aanvallen; in 424 trok hij aan het hoofd van een klein leger door Griekenland, en maakte hij, meer door overreding dan door geweld, vele belangrijke steden in Macedonië en Thracië, o. a. Amphipolis, van de Atheners afvallig. Wel heroverden zij, nadat onderhandelingen over een wapenstilstand mislukt waren, verscheiden steden, maar toen Cleon in 422 bij Amphipolis een slag waagde, behaalde Brasidas een schitterende overwinning, waarbij hijzelf echter doodelijk gewond werd. Hij werd na zijn dood te Amphipolis als heros vereerd.

Bratuspantium, hoofdst. der Bellovaci, tusschen de Sequana (Seine) en de Samara (Somme).

Brauron, Βραυρών, aanzienlijke plaats op de Oostkust van Attica, met een tempel van Artemis. Brauron en Eleusis maakten aanspraak op den naam van πόλις.

Brauronia, Βραυρώνια, feest ter eere van Artemis Brauronia, dat om de vijf jaren gevierd werd en waarbij alle meisjes van vijf tot tien jaar aan de godin gewijd werden; waarschijnlijk een overblijfsel van vroegere menschenoffers.

Brenni of Breuni, Βρεῦνοι, volksstam in de Raetische Alpen, nabij den tegenw. Brenner.

Brennus, Βρέννος, naam van verschillende Gallische vorsten: 1) het opperhoofd der senonische Galliërs, die in 389 de Romeinen bij den Allia versloegen, Rome innamen en het Capitool belegerden. Volgens het verhaal was hij het, die bij het afwegen van het goud zijn zwaard in de weegschaal wierp, en het beroemde vae victis sprak. Het geheele verhaal omtrent hem is onhistorisch, en zijn naam ontleend aan den onder no. 2 genoemden.—2), die in 279 met 65000 of 40000 Galliërs in Macedonia viel, verwoestend tot in Griekenland doordrong, maar, toen hij op [130]Delphi lostrok, door een grieksch legertje van 4000 man verslagen werd en zichzelf om het leven bracht. Een hevig onweder, met aardbeving gepaard, waardoor geheele rotsblokken op de Galliërs neerstortten, deed het verhaal ontstaan, dat de delphische god zelf voor zijn heiligdom gestreden had.

Bretones of Britones. Zie Britannia.

Briareos, Βριάρεως, z. Aegaeon.

Brigantes, Βρίγαντες, het machtigste volk van Britannia, ten oosten van den Abus (Humber), met de hoofdstad Eburācum of Eborācum (York). Zij werden door Cereālis onderworpen.

Brigantīnus lacus, thans Bodensee of meer van Konstanz, door den Rijn gevormd. Het werd ook lacus Rheni, l. Venetus, l. Aeronius genoemd. In een scheepsgevecht op dit meer versloeg Tiberius de Vindeliciërs. De naam l. Brigantinus is ontleend aan de stad Brigantia (Bregenz).

Brilessus, Βριλησσός, berg in Attica = Pentelicus.

Briniātes of Friniates, ligurische volksstam aan de N.-zijde van de Apennijnen, ten Z. van Mutina. Ze werden in 187 door de Romeinen onderworpen.

Brinio of Brinno, aanvoerder der Canninefaten bij den opstand van (Claudius) Civilis tegen Rome in 69 n. C.

Brisēis, Βρισηίς, dochter van Briseus, een priester in Lyrnessus; haar eigenlijke naam was Hippodamēa. Zij was gehuwd geweest met koning Mynes, maar bij de verovering van Lyrnessus werd zij door Achilles gevankelijk medegevoerd. Zij was de oorzaak van zijn twist met Agamemnon, die in de Ilias beschreven wordt, want toen Agam., op aandringen van Achilles, genoodzaakt werd zijne slavin Chrysēis (z. a.) vrij te laten, ten einde het leger van de pest te bevrijden, liet hij Brisēis met geweld uit de tent van Achilles halen, en gaf haar eerst terug toen deze na den dood van Patroclus besloot weder aan den oorlog deel te nemen.

Britannia, Βρεταννία, het tegenw. Engeland en Schotland, met Hibernia (Ierland) en de kleinere bijliggende eilanden samen onder den naam insulae Brittannicae begrepen. Vóór Caesar kenden de Romeinen deze eilanden slechts bij geruchte, en deze geheimzinnigheid prikkelde hem om naar Britannia over te steken; doch zijne beide tochten (55 en 54) hadden weinig gevolg. Eerst ten tijde van keizer Claudius (sedert (43 n. C.) kregen de Romeinen vasten voet in het Zuiden van Engeland; doch er moest nog veel strijd gevoerd en meer dan één opstand gedempt worden (zie o. a. Boadicca), eer Iulius Agricola (78–85) er in slaagde, Engeland geheel tot een wingewest te maken. Daarnaar werd Engeland Britannia Romana, Schotland of Caledonia Britannia barbara geheeten. De naam Albion beteekent bergland. Ten einde de invallen der woeste bergstammen uit Caledonia te keeren, werden er in verschillende tijden twee versterkingsliniën dwars over het eil. aangelegd van den Oceanus Hibernicus (Iersche zee) naar den Oc. Germanicus (Noordzee). De oudste linie, meestal vallum Hadriani geheeten, liep van de Solway Firth in het W. naar de Tyne in het O., en werd aangelegd 122 n. C.; de latere linie, vallum Antonini genaamd, was veel kleiner, liep van Firth of Clyde (Clotae aestuarium) naar de Firth of Forth (Bodotriae of Boderiae aestuarium). Deze had keizer Antonīnus Pius door zijn legaat Lollius Urbicus in 142 n. C. laten aanleggen. Onder keizer Septimius Sevērus werd het land tusschen de beide liniën weder prijs gegeven en trok men zich op de zuiderlijn terug, die nu versterkt werd door eene buitenlinie, uit een gemetselden muur bestaande, met poorten, torens en forten. De Romeinen hadden omtrent de ware ligging van Britannia geene juiste voorstelling en meenden, dat de Oostkust vrij wel evenwijdig aan de belgisch-nederlandsche kust liep. De bevolking was van keltischen oorsprong en werd Bretones of Britanni genoemd, doch was op sommige punten door belgische nederzettingen naar het binnenland teruggedrongen. De Britten waren gewoon lang hoofdhaar en knevels, doch geen baard te dragen en zich blauw te verven. Onder Constantijn vormde Britannia Romana vier provinciën: Britannia I en II in het Noorden, Maxima Caesariensis in het midden, Flavia Caesariensis in het Zuiden. Theodosius de Groote veroverde nogmaals Zuid-Schotland en maakte daarvan de provincie Valentia. Toen in den tijd der groote volksverhuizing de rom. legers uit Britannia teruggetrokken werden, waren de Britten niet meer tegen de Schotten opgewassen en riepen zij in 447 n. C. de hulp der Saksers en Angelen in, die het land wel van de Schotten verlosten, maar het tevens vermeesterden. In de 5de eeuw n. Chr. gaat de naam Britannia over op Bretagne, waar de door de Angelsaksen verdreven Britanni hun toevlucht zochten.

Britannica (arx), de Brittenburg, thans door de zee verzwolgen, een kasteel in het land der Batavieren, aan den middelsten Rijnmond (ten W. van Katwijk). Misschien heette de sterkte zoo, omdat men gewoon was van dáár naar Britannia over te steken.

Britannicus, eigenlijk Claudius Tiberius Britannicus Caesar, stiefbroeder van Nero. Zie Claudius (keizer) en Iulii aan het slot onder f 3.

Britomaris, opperhoofd der senonische Galliërs, liet, uit verbittering over zijns vaders dood, in 283 de rom. gezanten ombrengen en hunne ledematen verstrooien. Toen hij in handen van den consul P. Cornelius Dolabella (Cornelii no. 35) was gevallen, liet deze hem ter dood martelen. De Senones werden uit hun land verdreven, en op den ager Gallicus werd de kolonie Sena (Gallica) gesticht. Het verhaal zelf omtrent Britomaris (Brittomaris) is misschien verzonnen.

Britomartis, Βριτόμαρτις, cretensische nimf, dochter van Zeus en Carme, gunstelinge van Artemis. Minos vervolgde haar negen maanden [131]lang met zijn liefde, zij stortte zich eindelijk in zee, maar werd in visschersnetten gered. Daarop werd zij onder de godinnen opgenomen en onder den naam Dictynna vereerd.—V. a. vluchtte zij voor Minos naar Aegina, maar toen de visscher, die haar had overgezet, haar zelf wilde geweld aandoen, verdween zij in het heilige bosch van Artemis; hier kreeg zij den naam Aphaea.—Evenals Aphaea (z. a.) zijn waarschijnlijk ook Britom. en Dictynna andere namen voor Artemis.

Brixellum, stad aan den Padus (Po) dicht bij Parma, waar keizer Otho zich om het leven bracht.

Brixia, thans Brescia, hoofdstad der Cenomāni, in Gallia Transpadāna, later rom. municipium.

Brizo, Βριζώ, godin die op Delus, vooral door vrouwen, vereerd werd. Zij beschermde de schippers en gaf orakels.

Brogitarus, schoonzoon van den galatischen tetrarch Deiotarus, kocht van den volkstribuun P. Clodius (58) den koningstitel en het priesterschap van de Magna Mater te Pessinus voor geld.

Bromius, Βρόμιος, bijnaam van Dionȳsus.

Βροντεῖον, eene machine, waarmede men achter het tooneel het gerommel van den donder nabootste.

Brontes, Βρόντης, een der Cyclopen.

Bruchēum of -īum, deel van Alexandrië in Aegypte. Z. a.

Bructeri, Βρούκτεροι, machtig germaansch volk aan de Amisia (Eems) en de Luppia (Lippe). Tot dit volk behoorde de profetes Velleda. De Bructeren sloten zich in 69 n. C. bij den opstand der Batavieren aan.

Brundisium, minder juist Brundusium, Βρεντήσιον, thans Brindisi, belangrijke havenplaats aan de Adriatische zee, vanwaar men gewoonlijk naar Griekenland overstak. De stad, op de kust van Calabria gelegen, had eene voortreffelijke, altijd toegankelijke haven, door twee landtongen beschermd; vandaar waarschijnlijk de naam, die oud-italisch hertekop beteekent. Sedert 245 was het lat. kolonie.

Bruttii, ager Bruttius, Βρεττία, Z.W. uithoek van Italia, een bergachtig en ten deele boschrijk gewest, van de riviertjes Laüs en Sybaris tot aan het fretum Siculum (straat v. Messina). Alleen deze streek werd oorspronkelijk Italia geheeten (z. a.). Tegenwoordig heet het Calabrië. Het was sterk bezet met grieksche volksplantingen. In den tweeden punischen oorlog sloten de inwoners zich (in 214) meerendeels bij Hannibal aan. Later moesten zij dit ontgelden en het land geraakte in verval.

Brutus, familienaam in de gentes Iuniae, z. Iunii no. 2 en Iunii no. 1–9.

Bryges, Βρύγες, Βρῦγοι, thracische volksstam in Emathia (Macedonië), verwant met de Phrygiërs. Ze komen ook in andere deelen van het Balkan-schiereiland, vooral in Epīrus en Illyria voor.

Brygus, Βρῦγος, beroemd Atheensch vazenschilder uit het begin van de 5de eeuw. Hij schildert in strengen roodfigurigen stijl. Zijn schoonste vazen heeft hij met zijn naam geteekend.

Bubassus, Βύβασσος, oude kustst. in Caria ten O. van Cnidus, op de Cnidische Chersonēsus.

Bubastis, Βούβαστις, aegyptische godin, misschien zinnebeeld van het vuur, dochter van Osīris en Isis, door de Grieken voor dezelfde als Artemis gehouden. Hare beelden hadden een kattekop. Haar voornaamste tempel was te Bubastis, waar jaarlijks een feest gevierd werd, dat soms door 700000 vreemdelingen bezocht werd.

Bubastis of -tus, Βούβαστος, distrikt en hoofdstad in de Nijldelta, aan den oostelijken Nijlarm, de hoofdzetel van den dienst der godin Bubastis. Beneden deze stad woonden de karische en ionische huurtroepen, die door koning Psammetichus in dienst genomen waren.

Buccina.

Buccina, gebogen hoorn, door herders gebezigd en ook in gebruik bij het romeinsche leger tot het geven van signalen.

Bucephala, Βουκέφαλα, -λια, stad aan den Hydaspes, een der takken van den Indus, door Alexander gesticht ter gedachtenis aan zijn beroemd strijdros Bucephalus. In den slag tegen Porus (326) had dit paard, schoon zwaar gewond, Alexander, die zich te ver had gewaagd, behouden bij de zijnen teruggebracht, en was toen neergestort.

Bucolici, z. Theocritus.

Budīni, Βουδῖνοι, scythisch nomadenvolk, ten O. van den Tanaïs, volgens Herodotus met blauwe oogen en vuurroode kleur en in eene houten stad wonende.

Budorum, Βούδορον, N.W.-kaap en kasteel op het eiland Salamis.

Bulgari, een onderafdeeling der Hunnen, die in de 5de eeuw n. C. voor het eerst optreedt.

Būlis, Βοῦλις. Toen de Spartanen door het vermoorden van perzische gezanten den toorn van den heros Talthybius op zich geladen hadden en bij het offeren geen gunstige voorteekenen konden krijgen, boden Bulis en Sperthias zich aan om aan Xerxes uitgeleverd te worden, ten einde Talthybius te bevredigen. Xerxes zond hen echter terug en nu bleef de toorn van Talthybius op de geslachten van Bulis en Sperthias rusten, wier zonen Nicolāus en Anaristus in den peloponnesischen oorlog in handen der Atheners vielen en gedood werden.

Bulla, medaillon, dat door de kinderen aan een snoer om den hals werd gedragen en een amulet tegen betoovering bevatte. Bij de rijken was de bulla van goud, bij de armeren van leder.

Bulla regia, vesting in Numidia, in het dal van den Bagradas, later tot Africa proconsularis behoorend. [132]

Bupalus, Βούπαλος, zoon van Archermus, beroemd beeldhouwer van Chius. Hij en zijn broeder Athēnis stelden een beeld ten toon van Hippōnax, waarin de kleine en leelijke man bespottelijk gemaakt werd; uit wraak hekelde Hippōnax hen in zijne iamben zoo onbarmhartig, dat zij zich ophingen.

Buprasium, Βουπράσιον, eene stad uit het homerische tijdperk, later verdwenen. Zij lag in Elis aan den Larisus, en werd bewoond door Epeërs.

Būra, Βοῦρα, eene der twaalf oude achaeïsche steden, in 373 door aardbeving verwoest, maar later op een andere plaats herbouwd. De nieuwe stad, waarvan nog belangrijke stukken van den vestingmuur over zijn, lag ten Z. van Helice.

Burchana, Βουρχανίς, oudtijds het voornaamste der Noordzee-eilanden, tgw. Borkum. Het wordt reeds in de 4de eeuw als barnsteeneiland vermeld, onder den naam Abalus; het komt ook voor onder den naam Baunonia of Fabaria, boonen-eiland; zie verder Glaesariae insulae.

Burdigala, thans Bordeaux, aan den Garumna, in het gebied der Bituriges Vibisci, later hoofdstad der provincie Aquitania II. Het was eene aanzienlijke handelsplaats en een zetel der wetenschappen. Ausonius, de dichter der Mosella, was hier geboren.

Burgundi of Burgundiones, vandaalsche of gothische stam, die oorspronkelijk tusschen de Vistula (Weichsel) en de Viadus (Oder) woonde, later westelijk trok, in de 4de eeuw n. Chr. ten oosten van de Alamannen, buiten den vroegeren limes woonde, en zich omstreeks 465 tusschen den Rhodanus (Rhône) en Italië vestigde, waar Lugdūnum (Lyon) en Genava (Genève) hunne hoofdsteden werden.

Burgus is de naam van een klein kasteel, dat tusschen de grootere Castra en Castella gelegen, met deze dient voor de grensverdediging. Het is een oud-germaansch woord, dat in de 2de eeuw n. C. in de latijnsche taal is opgenomen.

Burii, Βοῦροι, germaansch volk, waarschijnlijk in het tegenw. Moravië en Silezië gevestigd. Zij komen als bondgenooten van Traiānus, Marcus Aurelius en Commodus voor, doch later met de Marcomannen en Quaden als vijanden der Romeinen.

Burrus (Afranius). Zie Afranii no. 3.

Bursa (T. Munatius Plancus), zie Munatii no. 3.

Busīris, Βούσιρις, zoon van Aegyptus of van Poseidon en Libye; hij was koning van Aegypte, en zooals de Grieken verhaalden, placht hij de vreemdelingen, die in zijn land kwamen, te offeren, totdat hij door Heracles gedood werd.

Bustum, bustuarii. Bustum is eigenlijk de uitgebrande brandstapel, doch beteekent ook de plaats, waar hij is opgericht, alsmede het graf of de begraafplaats. Wanneer het lijk op den brandstapel was neergelegd, werd deze door een der bloedverwanten met afgekeerd gelaat aangestoken. Was het lijk verteerd, dan werd het vuur met wijn en melk gebluscht en de beenderen werden in eene urn verzameld. Rijken wikkelden vaak de lijken hunner afgestorvenen in een kleed van asbest, opdat de asch zich niet met die van het hout zou vermengen. Evenals men bij vele oude en nog heden bij sommige wilde volken de gewoonte aantreft, op het graf menschen te offeren, hadden bij de Rom. dikwijls rondom den brandstapel gladiatorengevechten plaats. Zulke zwaardvechters die dáár op leven en dood met elkander streden werden bustuarii genoemd. Ten slotte zij opgemerkt, dat in de oudheid zoo wel begraven als verbranden gebruikelijk was.

Buteo, familienaam in de gens Fabia, z. Fabii no. 27.

Būtes, Βούτης, Βούτας, 1) zoon van Pandīon of Teleon en Zeuxippe, landman en stierenherder, priester van Athēna en Poseidon, na zijn dood door de Atheners als heros vereerd. Hij was de stamvader van het geslacht der Butaden of Eteobutaden. Hij nam ook deel aan den tocht der Argonauten.—2) koning op Sicilië, die door Aphrodite bemind werd en bij haar een zoon, Eryx, had. Dikwijls wordt hij met den atheenschen Butes verward, en uit deze verwarring ontstond het verhaal, dat hij bij de terugreis der Argonauten, bekoord door het gezang der Sirenen, in zee gesprongen was, maar dat Aphrodite hem gered en naar Lilybaeum gebracht had.—3) zoon van Boreas, een Thraciër, die, door zijn broeder Lycurgus verbannen, het eiland Strongyle (oude naam voor Naxus) bezette. Bij een inval in Thessalië tijdens een feest van Dionȳsus roofde hij eene van de feestvierende vrouwen, Corōnis, en dwong haar hem te huwen. Op Corōnis’ gebed strafte Dionysus hem met waanzin, zoodat hij zich in een put verdronk.

Buthrōtum, Βουθρωτόν, bloeiende zeestad in Epīrus, tegenover Corcȳra, volgens de sage gesticht door den Trojaan Helenus.

Būto, Βουτώ, stad in de Nijldelta aan den sebennytischen Nijlarm en aan eene lagune, Buto lacus genoemd. De stad had een tempel der godin Buto, met een orakel, dat zeer in eere stond. Buto was de voedster der beide kinderen van Isis en verborg hen op een drijvend eiland voor de vervolgingen van Typhon. De Grieken vereenzelvigden haar met Leto of Latōna.

Buxentum, Πυξοῦς, thans Pilocastro, kolonie der Messaners op de kust van Lucania aan de rivier Buxentius (Busento), gesticht 467, sedert 194 rom. kolonie.

Buzyges, Βουζύγης, oud-attisch heros, die het eerst stieren voor den ploeg spande, v. a. bijnaam van Epimenides of van Triptolemus. Van hem leidde het geslacht der Buzygae, dat de heilige ploegfeesten te Athene bestuurde, zijn oorsprong af.

Byblis, Βύβλις, een meisje uit Milētus, die vurige liefde voor haar broeder Caunus had opgevat. Toen deze daarom het land verliet, stierf Byblis van verdriet; uit hare tranen ontstond een bron. [133]

Bybassus = Bubassus.

Βύβλος, een aegyptische moerasplant, waaruit in de oudheid het papier vervaardigd werd (z. charta). Het grieksche woord voor boek is hiervan afgeleid. Een andere naam voor βύβλος is πάπυρος, waarvan ons woord papier afgeleid is.

Byblus, Βύβλος, oude phoenicische zeestad ten N. van Berȳtus, bekend als zetel der Adonisvereering. De stad had eigen vorsten, waarvan de laatste op last van Pompeius werd ter dood gebracht.

Byrsa, waarschijnlijk = burg, Βύρσα (vandaar de legende der ossenhuid), de burg van Carthago, op eene steile rots van omstreeks 60 meter hoog gebouwd.

Byssa, Βύσσα, z. Agron.

Byzacium of Byzacēna, Βυζάκιον, de zuidelijke helft der provincie Africa, onder Constantijn eene afzonderlijke provincie, met Hadrumētum tot hoofdstad.

Byzantium, Βυζάντιον, later Constantinopolis. Volgens de sage zou Byzas, een zoon van Poseidon, van het delphische orakel den last hebben gekregen, eene stad te stichten tegenover de stad der blinden. Tegenover Chalcēdon gekomen, stichtte hij toen Byzantium, omdat de stichters van Chalcedon blind waren geweest, toen zij voor hunne stad den aziatischen oever kozen. Byzantium was dan ook overheerlijk gelegen aan de zee en aan den inham die nog den naam van gouden hoorn draagt (χρυσοῦν κέρας). Het was een dorische kolonie; gewoonlijk neemt men aan, dat de stad door Megarensers gesticht is. De stad was in de macht der Perzen sedert Darīus’ tocht naar het land der Scythen, en nam deel aan den Ionischen opstand, maar niet aan den slag bij Lade. Na de onderdrukking van den opstand, legden de inwoners van Byzantium samen met de Chalcedoniërs de stad Mesambria (Mesembria) aan (z. a.). Byzantium werd door de Perzen verwoest, maar later herbouwd. In 478 viel de plaats in handen van Pausanias, die haar 7 jaar in zijn macht hield. Nadat deze door de Atheners verdreven was, sloot B. zich aan bij den delisch-attischen bond, en kwam tot grooten bloei. In 411 viel de stad van Athene af, en werd in den winter van 409/408 door Alcibiades hernomen. Na den slag bij Aegospotamos werd ze door Lysander bezet, en bleef in de macht der Spartanen tot ± 390. In de 4de eeuw is Byz. vaak met Athene verbonden, vaak ook Athene vijandig gezind, tot het, door Philippus van Macedonia aangevallen, in den zomer van 341 zich in de armen der Atheners wierp, die de stad en het nabijgelegen Perinthus krachtdadig bijstonden. De stad dreef een uitgebreiden handel, vooral in koren. Onder de rom. heerschappij bleef B. eene civitas libera en nam nog in bloei toe; maar in den strijd tusschen keizer Septimius Sevērus en zijn tegenstander Pescennius Niger werd het na een belegering van 3 jaren (193–196 n. C.) door den eersten grootendeels verwoest. Onder Constantijn den Grooten herrees het met nieuwen luister. Het was op twee heuvels gebouwd; door er nieuwe heuvels aan toe te voegen, wilde de keizer het tot eene tweede stad der zeven heuvelen maken. Hij bracht er zijne residentie over en noemde het nova Roma (330), welke naam evenwel spoedig in Constantinopolis, Κωνσταντίνου πόλις, veranderd werd. De stad had toen een omvang gekregen van twee uren gaans, en werd met hooge muren versterkt en evenals Rome in 14 regiones verdeeld.

Byzas, Βύζης, Βύζας, zie Byzantium.

[Inhoud]

C.

C, aanwijzing in den rom. kalender van een dies comitialis.

Cabalia, Καβαλία, klein gewest in Asia minor, ingesloten tusschen Caria, Lycia, Phrygia en Pisidia, en onder de perzische heerschappij ingedeeld bij de lydische satrapie. De Romeinen deelden het noordelijke deel bij Phrygia, het zuidelijke bij Lycia in. De voornaamste der vier steden was Cibyra, waarnaar het landschap ook Cibyrātis werd genoemd.

Cabillōnum, Καβυλλῖνον, handelsstad der Aeduers in Gallia aan den Arar (Saône), thans Chalons-sur-Saône.

Cabīra, τὰ Κάβειρα, later Diospolis of Sebaste, stad in oostelijk Pontus. Mithradātes werd hier in 71 door Lucullus verslagen en redde ter nauwernood zijn leven door de vlucht.

Cabīri, Κάβειροι, “machtigen”, goddelijke wezens, wier eeredienst in zeer oude tijden uit het Oosten is ingevoerd, doch die later op den achtergrond geraakt zijn en over wier aard en beteekenis dus weinig met zekerheid te zeggen is. Zij werden voornamelijk vereerd op Lemnus, Imbrus en Samothrāce, waar hun dienst met dien van Hephaestus verbonden was, en ook in Boeotië; verder vindt men hen te Pergamus, in Phoenicië en in Aegypte. Later werden de drie Cabiri voor dezelfden gehouden als Demēter, Persephone en Hades, waarschijnlijk omdat zij eveneens met geheime plechtigheden (mysteriën) vereerd werden. Ook met de Corybanten, de Cureten en de Dioscuren worden zij in verband gebracht, en bij de Romeinen met de Penaten. Op hunne afbeeldingen hebben zij gewoonlijk een hamer in de hand. Zie Axierus. Met hen verbonden komt als vierde godheid voor Cadmilus of Casmilus, Καδμῖλος, Κάσμιλος.

Caca, zuster van Cacus. Wegens den dienst, dien zij Hercules bewezen had, genoot zij goddelijke eer (z. Cacus). In haar heiligdom brandde een eeuwig vuur. In werkelijkheid is Caca (evenals Cacus) een oud-italische godheid, [134]van denzelfden aard als Vesta, maar ze is vroeg in vergetelheid geraakt.

Caci scalae, een oude steenen trap, die van uit het dal van den Circus Maximus naar één van de poorten van Roma quadrata op den Palatīnus voerde.

Cacus, zoon van Vulcanus, een vuurspuwende reus, die in een hol van den Aventijnschen berg woonde en de omstreken door roof en moord teisterde. Toen Hercules met de runderen van Geryon daar aangekomen en van vermoeidheid in slaap gevallen was, ontstal Cacus hem eenige runderen, die hij, om den eigenaar het spoor bijster te maken, achterwaarts in zijn hol dreef. Toch ontdekte Hercules hun verblijfplaats, hetzij doordat hij ze in het voorbijgaan binnen hoorde loeien, hetzij door verraad van Caca, de zuster van Cacus, die liefde voor den vreemdeling had opgevat. Na een verschrikkelijk gevecht versloeg hij den roover. Uit dankbaarheid richtte koning Euander van Pallantium, die veel van Cacus te lijden had gehad, een altaar voor den held op, en zoo ontstond de dienst van Hercules, die later door de Romeinen overgenomen werd en aan de zorg van de Potitii en Pinarii toevertrouwd was. Z. Caca.

Cadi, Κάδοι, stad in westelijk Phrygia, dicht bij den berg Dindymus.

Cadmēa, Καδμεία, burcht van Thebae.

Cadmus, Κάδμος, 1) zoon van den phoenicischen koning Agēnor en Telephassa. Toen zijn zuster Europa door Zeus geschaakt was, zond zijn vader hem uit om haar te zoeken, met uitdrukkelijk bevel, niet zonder haar terug te komen. Na lang zwerven kwam hij te Delphi en kreeg daar een orakel, dat hij zijne zuster niet verder zoude zoeken, maar dat hij een koe moest volgen en op de plaats, waar zij zich zoude neerleggen, een stad moest stichten. In Phocis vond hij de bedoelde koe, hij volgde haar tot in Boeotië en stichtte op de aangewezen plaats de stad Thebae. Nu wilde hij de koe offeren en zond eenige van zijne tochtgenooten om water te halen uit eene naburige bron, die aan Ares gewijd was; zij werden echter gedood door een draak, die de bron bewaakte. Toen zij niet terugkwamen, ging Cadmus zelf naar de bron, hij vond den draak en doodde hem met de hulp van Athēna. Op bevel der godin zaaide hij de tanden van het monster in den grond, uit dit zaad kwamen gewapende mannen te voorschijn, die elkander doodsloegen op vijf na, die Sparten (Σπαρτοί) genoemd werden en de stamvaders der Thebanen werden. Wegens het dooden van den draak moest Cadmus acht jaar lang Ares dienen, daarna was de god bevredigd en gaf hij hem zijn dochter Harmonia (z. a.) ten huwelijk. Cadmus regeerde daarna vele jaren over Thebae; later trok hij met Harmonia naar Illyrië, waar hij koning der Enchelēers werd; op hoogen leeftijd werden beide echtgenooten in draken veranderd en naar het Elysium overgebracht. De latere Grieken geloofden dat Cadmus de eerste was die vreemde beschaving in Griekenland had overgebracht; hij zou het phoenicisch letterschrift ingevoerd hebben, het bewerken van metaal geleerd en de eerste waterleiding aangelegd hebben.—2) van Milētus, een der oudste logografen; of hij werkelijk bestaan heeft, wordt echter betwijfeld.

Man met caduceus.

Caduceus of caduceum, uit het aeolische καρύκειον = κηρύκειον ontstaan, in het algemeen de herautenstaf, een olijftak met een witten band omwonden. In het bizonder wordt daarmede de staf bedoeld, dien Hermes of Mercurius als bode der goden droeg. Deze staf was met twee slangen omstrengeld en wordt somtijds van boven met een paar vleugels voorzien. Mercurius wordt bij de dichters vaak caducifer genoemd.

Caducifer, bijnaam van Mercurius, als drager van den vredestaf (caduceus).

Cadurci, volk in Gallia Transalpīna, met de hoofdstad Divona (Cahors) aan den Oltis (Lot), een zijtak van den Garumna.

Cadusii, Καδούσιοι, krijgszuchtig bergvolk in Media, ten Z.W. der Caspische zee.

Cadȳtis, Κάδυτις, de zuidelijkste van de vijf bondsteden van Syria Palaestīna (het land der Philistijnen) = Gaza.

Caeadas = Ceadas.

Caecilia (lex), van den volkstribuun L. Caecilius Rufus (Caecilii no. 29) einde 64 voorgesteld, doch vóór de stemming weder ingetrokken, om aan P. Cornelius Sulla en P. Autronius Paetus, die in 65 wegens ambitus veroordeeld waren, amnestie te verleenen en hen weder in den senatorenstand te herstellen.

Caecilia (lex), van den consul Caecilius Metellus Pius Scipio (Caecilii no. 18) van 52, tot opheffing der lex Clodia de censoria notione, z. Clodiae (leges) no. 4.

Caeciliae (leges), van den volkstribuun Q. Caecilius Metellus Nepos, 62 (Caecilii no. 16). De wetsvoorstellen gingen echter niet door. Het waren de volgende: 1) dat Pompeius, die toen in Azië was, in zijne afwezigheid tot consul mocht verkozen worden;—2) dat Pompeius zou teruggeroepen worden om de beweging van Catilīna te onderdrukken.

Caecilia Cornelia (lex) van de consuls Q. Caecilius Metellus Nepos (Caecilii no. 16) en P. Cornelius Lentulus Spinther (Cornelii no. 50), 57, waarbij aan Pompeius voor een tijdperk van vijf jaar de cura annonae werd opgedragen.

Caecilia Didia (lex) de modo legum promulgandarum van de consuls Q. Caecilius Metellus Nepos en T. Didius (98), dat 1º een wetsvoorstel ten minste drie nundina (24 dagen) vóór de stemming moest worden bekend gemaakt, 2º men geen twee verschillende zaken in één wetsvoorstel mocht vereenigen (de [135]duabus rebus non una lege coniungendis), hetgeen gewoonlijk heet: per saturam ferre. V. a. zijn dit twee wetten.

Caecilii. De gens Caecilia, waarvan de familie Metellus de voornaamste is, was plebejisch. 1) Caecilius Metellus Denter, consul in 284.—2) L. Caecilius Metellus, zoon van no. 1, consul in 251 en 247, was in 251 op Sicilia aan het hoofd van het rom. leger, doch durfde tegen Hasdrubal geen slag wagen uit vrees voor diens olifanten, maar Hasdrubal viel hem het volgend jaar bij Panormus aan, en werd verslagen, waarbij zijn olifanten in handen des overwinnaars vielen, en bij den triumf aan het volk getoond werden. In 249 was hij magister equitum van den dictator A. Atilius Calatinus. In 247 was hij voor de tweede maal consul, wederom op Sicilië. In 243 werd hij pontifex maximus; toen hij in 241 bij het afbranden van den Vesta-tempel Rome’s penaten had gered en daarbij volgens de overlevering het gezicht had verloren, werd hem de onderscheiding toegekend, zich in een draagstoel naar den senaat te mogen begeven.—3) Q. Caecilius Metellus, oudste zoon van no. 2, was consul in 206, dictator comitiorum habendorum causa in 205, vervulde later (186–184) gezantschappen bij Philippus van Macedonia en bij de Achaeërs, en wordt door Cicero als redenaar geprezen. Hij is het, die zich op den dichter Naevius (z. a.) om diens vrijmoedigheid gewroken heeft.—4) L. Caecilius Metellus, tweede zoon van no. 2, deed in 216 na den slag bij Cannae het voorstel, Italië te verlaten, waarvoor hij door de censoren van het jaar 214 onder de aerarii werd gebracht.—5) M. Caecilius Metellus, derde zoon van no. 2, werd in 205 naar Azië gezonden om het beeld der Magna Mater uit Phrygia naar Rome over te brengen.—6) Q. Caecilius Metellus Macedonicus wordt gewoonlijk beschouwd als de oudste zoon, maar is misschien de kleinzoon van no. 3, consul in 143, overwon in 148 als propraetor den macedonischen kroon pretendent Andriscus, richtte Macedonia tot provincie in (147) en versloeg vervolgens in 146 de Achaeërs bij Scarphe (Scarphēa) in Locris, en streed als consul en proconsul tegen de Celtiberiërs. Over Andriscus hield hij een zegetocht. In 131 werd hij de eerste plebejische censor, doch maakte zich door zijne gestrengheid vele vijanden, zoodat zelfs de volkstribuun C. Atinius Labeo, dien hij van de senaatslijst had geschrapt, hem van de tarpejische rots wilde laten werpen. Hij was ook in onmin met Scipio Africanus minor. Hij bestreed Tib. Gracchus in een heftige redevoering, en nam de wapenen op tegen C. Gracchus (121). Hij stierf in 115.—7) L. Caecilius Metellus Calvus, broeder van no. 6, consul in 142.—8) Q. Caecilius Metellus Balearicus, consul in 123, oudste zoon van no. 6, overwon de zeeroovers der Balearische eilanden, waar hij een groot bloedbad aanrichtte, en bracht rom. kolonisten daarheen. In 121 hield hij zijn zegetocht; in 120 was hij censor.—9) L. Caecilius Metellus Diadematus, aldus genaamd naar den haarband, dien hij droeg om een gezwel aan het hoofd te verbergen, tweede zoon van no. 6, was consul in 117.—10) M. Caecilius Metellus, derde zoon van no. 6, consul in 115, zegepraalde in 111 over de Sardiniërs.—11) C. Caecilius Metellus Caprarius, vierde zoon van no. 6, consul in 113, censor in 102, zegepraalde in 111 over de Thraciërs.—12) L. Caecilius Metellus Calvus Dalmaticus, oudste zoon van no. 7, consul in 119, hield in 117 een zegetocht over de Dalmatiërs en was in 115 censor met Cn. Domitius Ahenobarbus (Domitii no. 4).—13) Q. Caecilius Metellus Numidicus, tweede zoon van no. 7, consul in 109, voerde den oorlog tegen Jugurtha en zou dezen vermoedelijk tot de overgaaf hebben genoodzaakt, zoo niet Marius uit Rome ware gekomen om het bevel over te nemen. De senaat kende Metellus de eer van een zegetocht toe. In 102 was hij censor, tegelijk met no. 11. Toen in het jaar 100 Appuleius Saturnīnus de bezwering zijner wetten door de senaatsleden eischte (zie Appuleiae leges), weigerde Numidicus en ging in ballingschap, waaruit hij evenwel een jaar later werd teruggeroepen door de lex Calidia. Hij stierf in 90, naar vermoed werd door vergif.—14) Q. Caecilius Metellus Nepos, zoon van no. 8, was consul in 98. Zie Caecilia Didia (lex).—15) Q. Caecilius Metellus Celer, zoon van no. 14, was in 66 legaat van Pompeius in den mithradatischen oorlog, in 63 praetor, in 60 consul. Als praetor redde hij Rabirius (zie Rabirii no. 1) van eene veroordeeling en vervolgde hij Catilīna. Hij behoorde tot de tegenstanders van Pompeius en verzette zich tegen de akkerwetten van dezen, door L. Flavius voorgesteld (zie Agrariae leges), en van Caesar. Ook kantte hij zich tegen de adoptie van zijn zwager P. Clodius Pulcher door een plebejer. Hij stierf plotseling in 59, naar men vermoedde vergeven door zijne vrouw Claudia maior, zie Claudii no. 18.—16) Q. Caecilius Metellus Nepos, jongere broeder van no. 15, was in 67 legaat van Pompeius in den zeerooversoorlog. Hij was een vinnig vijand van Cicero en dwarsboomde dezen zooveel mogelijk, o. a. door als volkstribuun (10 Dec. 63–10 Dec. 62), hem te beletten, op den laatsten dag van zijn consulaat, de gebruikelijke redevoering te houden; Cicero mocht alleen den gewonen eed afleggen, waarop hij zwoer, dat hij de republiek van den ondergang gered had. Zie verder Caeciliae (leges). Toen hij zijn voorgestelde wetten door den tegenstand van Cato (Porcii no. 8), die ook volkstribuun was, niet doorvoeren kon, begaf hij zich naar Azië tot Pompeius, waarop hij van zijn ambt ontzet werd. Als consul stemde hij in 57 er in toe, dat Cicero uit zijne ballingschap zou worden teruggeroepen. Zie ook Caecilia Cornelia (lex).—17) Q. Caecilius Metellus Pius, zoon van no. 13, aldus bijgenaamd om zijne ouderliefde, daar hij door zijne dringende beden de terugroeping van zijn vader uit de ballingschap [136]bewerkte, versloeg in den bondgenootenoorlog den aanvoerder der Marsi, Q. Pompaedius Silo (88). Tijdens den burgeroorlog behoorde hij tot de senaatspartij; hij voegde zich bij Sulla, toen die uit het Oosten terugkeerde, en was met hem consul in 80; daarna werd hij naar Spanje tegen Sertorius gezonden, waar hij tot 72 bleef, sedert 76 door Pompeius ondersteund.—18) Caecilius Metellus Pius Scipio, aangenomen zoon van no. 17 (zie Cornelii no. 25), bij de schrijvers nu eens P. Scipio Nasīca, dan weer Q. Metellus Scipio, ook wel P. Scipio Metellus genoemd. Zijn werkelijke vader was P. Cornelius Scipio Nasīca, praetor in 94. Metellus Scipio was volkstribuun in 59. Zijne poging om zich voor 52 tot consul te doen verkiezen, mislukte, daar Pompeius consul zonder ambtgenoot werd. Toen echter Metellus aan Pompeius zijne dochter tot vrouw gaf, werd hij gedurende nog vijf maanden diens medeconsul. Later streed hij bij Pharsālus (48) en bij Thapsus (46) tegen Caesar. Bij Thapsus was hij opperbevelhebber, maar hoogst onbekwaam. Op de vlucht gevangen genomen, doodde hij zich zelf. Hij was roofzuchtig van karakter, zelfs tempels waren voor hem niet veilig.—19) Q. Caecilius Metellus Creticus, zoon van no. 11, was een van de drie gebroeders Metellus, die in het proces van Cicero tegen Verres den beklaagde steunden. Hij was het, die voor het jaar 69 met den redenaar Q. Hortensius tot consul werd gekozen. In 68 werd hij uitgezonden om Creta te onderwerpen, dat een broeinest was van de zeeroovers. Hij versloeg de Cretensers bij Cydonia, en nam daarop Cydonia, Cnossus, Lyctus en andere vestingen in en streed met veel geluk en volharding; hij legde hierbij echter zooveel wreedheid en ruwheid aan den dag, dat de inwoners hunne onderwerping aan Pompeius aanboden, die destijds, als opperbevelhebber in den zeerooveroorlog, in Azië was. Metellus ging koelbloedig zijn gang, behandelde de door Pompeius gezonden troepen als vijanden, onder wierp het eiland na vijf jaren strijds, en richtte het in als provincie (64). Door de catilinarische woelingen te Rome kon hij echter eerst in 62 zijn zegetocht houden.—20) L. Caecilius Metellus, broeder van no. 19, was Verres in 70 als stadhouder van Sicilia opgevolgd en trachtte wel, zooveel hij kon, den Siciliërs het doorgestane leed te vergoeden, maar bemoeielijkte toch Cicero’s onderzoek op Sicilia. Hij was consul in 68.—21) M. Caecilius Metellus, broeder van no. 19 en 20, was voor het jaar 69 tot praetor gekozen. Daarom was er Verres zooveel aan gelegen, dat zijn proces op de lange baan geschoven werd tot in 69.—22) L. Caecilius Metellus, zoon van no. 20, wilde als volkstribuun in 49 Caesar beletten het aerarium open te breken. Caesar liet hem later uit Rome verwijderen.—23) Caecilia Metella, dochter van no. 8, huwde met App. Claudius Pulcher (Claudii no. 14), en werd de moeder van den beruchten volkstribuun P. Clodius Pulcher.—24) Caecilia Metella, dochter van no. 12, huwde eerst met M. Aemilius Scaurus en hertrouwde als weduwe met L. Cornelius Sulla, die echter, toen zij ziek werd, van haar scheidde.—25) Caecilia Metella, dochter van no. 6, huwde met P. Cornelius Scipio Nasīca Serapio (Cornelii no. 22).—26) Caecilia Metella, ook Cornelia Metella genaamd, dochter van no. 18, werd de vijfde vrouw van Cn. Pompeius.—27) Caecilia Metella, dochter van no. 19, echtgenoote van M. Crassus (Licinii no. 16). Van haar is het beroemde grafmonument aan de Via Appia, nu Capo di bove geheeten.—28) Q. Caecilius Bassus, vurig aanhanger van Pompeius, die na den slag bij Pharsālus naar Asia vlood en daar jaren lang te Apamēa den strijd tegen de troepen van Caesar volhield. Na Caesar’s dood sloten zijne troepen zich bij Cassius aan.—29) L. Caecilius Rufus, halfbroeder van P. Cornelius Sulla (Cornelii no. 54), trachtte dezen in zijne vorige rechten te herstellen; zie Caecilia (lex). Hij ondersteunde Cicero in diens verzet tegen de akkerwet van P. Servilius Rullus en werkte mede tot Cicero’s terugroeping uit de ballingschap.—30) Q. Caecilius Niger, uit Sicilia, quaestor onder Verres. Tegen hem sprak Cicero zijne bekende divinatio uit.—31) Statius Caecilius, een Insubriër van groot talent, als slaaf naar Rome gekomen, was een beroemd blijspeldichter (180). Hij bewerkte Grieksche stukken (palliatae) vooral van Menander. Cicero, Horatius en Quinctiliānus prijzen hem zeer. Wij hebben van zijne blijspelen slechts fragmenten.—32) Caecilius uit Calacte op Sicilia, beroemd grieksch rhetor en criticus ten tijde van Augustus.

Caecīnae, eene gens, uit de etruscische stad Volaterrae afkomstig. 1) A. Caecina, door Cicero in 69 in een proces over de erfenis van een landgoed verdedigd.—2) A. Caecina, een zoon van no. 1, was bevriend met Pompeius en Cicero. Een beleedigend geschrift tegen Caesar was oorzaak van zijne verbanning, doch later verzoende hij zich met Caesar.—3) Caecina Volaterrānus een vriend van Octaviānus, werd door dezen gebruikt als onderhandelaar met Antonius (44).—4) A. Caecina Sevērus, een beproefd en dapper veldoverste, die met goed gevolg tegen de Bato’s in den pannonisch-dalmatischen opstand streed (6 en 7 na C.). In 14 n. C. was hij legatus van Germania Inferior onder het opperbevel van Germanicus, en wist hij het oproer van het leger niet te beteugelen; eerst aan Germanicus gelukte dit door toegevendheid. Hij neemt deel aan alle veldtochten van Germanicus (14–16), en verwerft in 16 de triumphalia insignia.—5) A. Caecina Aliēnus, quaestor in Baetica (68 n. C.), sloot zich bij Galba aan, maar weldra wegens een veroordeeling op hem verbitterd, wist hij (Jan. 69) met Fabius Valens te bewerken, dat Vitellius door de soldaten aan den Rijn tot keizer werd uitgeroepen. Hij trekt daarop met 30.000 man naar Italia, terwijl hij onderweg de Helvetiërs tuchtigt. Bij [137]Cremōna wordt hij eerst door de Othoniani onder Suetonius Paulīnus verslagen; toen later Fabius Valens met een ander leger zich bij hem gevoegd had, versloegen ze samen de Othoniani bij Bedriācum. Van Vitellius liep hij tot Vespasiānus over, doch werd later, wegens samenzwering tegen dezen in 75 op last van Titus ter dood gebracht.—6) Caecina Paetus, zie Arria.

Caecubus ager, streek aan de zuidelijke grenzen van Latium, tusschen den lacus Fundānus en de zee, wel moerassig, doch beroemd om den voortreffelijken wijn, die er geteeld werd.

Caeculus, italiaansch heros, zoon van Vulcānus, stichter van Praeneste.

Caeles Vibenna, een etruscisch hoofd, die onder de regeering van Romulus (of later) naar Rome verhuisde en zich op den caelischen berg nederzette.

Caelia (lex), tabellaria van den volkstribuun L. Caelius, 107, z. Tabellariae (leges).

Caelii, plebejisch geslacht. 1) L. Caelius Antipater, tijdgenoot der Gracchen, rom. annalist, beschreef den tweeden punischen oorlog.—2) C. Caelius Caldus, volkstribuun in 107, was de maker der lex Caelia tabellaria. In 94 was hij consul. Later streed hij in Hispania tegen Sulla en Pompeius, die hem versloeg.—3) C. Caelius Caldus, kleinzoon van no. 2, volgde Cicero op als stadhouder van Cilicia.—4) M. Caelius Rufus, leerling van Cicero in de welsprekendheid, werd door dezen tegen eene aanklacht van ambitus met goed gevolg verdedigd (56). In 52 was hij volkstribuun en verzette zich krachtig tegen de democratische woelingen; zelfs bewerkte hij de verbanning van den woelzieken Q. Pompeius Rufus (zie Pompeii no. 5). Toen de burgeroorlog losbarstte, koos C. de zijde van Caesar; doch toen hij als praetor in 48 zich door dezen verongelijkt achtte, poogde hij in Zuid-Italië een oproer te verwekken, bij welke poging hij bij Thurii gedood werd. Hij was iemand van losse zeden (bekend is zijn liaison met Clodia), die wel eene aangevatte zaak met kracht kon doorzetten, maar verre van beginselvast was. Zijne briefwisseling met Cicero is zeer belangrijk voor de kennis van dit tijdperk. Als redenaar was hij niet zonder naam. Catullus valt hem heftig aan in zijn gedichten.—5) Caelius Aureliānus, geleerd rom. geneeskundige uit de 5de eeuw na C. te Sicca in Numidia geboren, van wien nog geschriften bestaan.—6) Caelius Apicius, zie Apicii.—7) D. Caelius Calvinus Balbinus, z. Balbinus.

Caelius mons, een der bergen, waarop Rome was gebouwd. Het was een der zeven bergen uit den tijd van het Septimontium, zie Roma. De tweede der veertien wijken of regiones, waarin Rome door Augustus werd verdeeld, heette naar dezen berg Caelimontium.

Caena = coena.

Caeneus, Caenis, Καινεύς, Καινίς, dochter van Elatus en Hippēa; zij werd door Poseidon bemind, en op haar wensch, waarvan de god haar de vervulling vooraf had toegezegd, werd zij in een man veranderd en bovendien onkwetsbaar gemaakt. Caeneus was een van de Argonauten en van de calydonische jagers; in het gevecht tusschen de Centauren en Lapithen op de bruiloft van Pirithoüs werd hij door de Centauren, daar zij hem niet konden wonden, onder boomstammen bedolven en zoo gedood, v. a. vloog hij als een vogel van onder den houtstapel op.

Caeni, Καινοί, thracische volksstam aan de Propontis (zee v. Marmara).

Caenīna, oude stad van Latium, tusschen Rome en Tibur, in ouden tijd bij Rome ingelijfd.

Caeparius (M.), deelgenoot aan de samenzwering van Catilīna, werd 5 Dec. 63 in den kerker ter dood gebracht.

Caepio, familienaam in de gens Servilia (Servilii no. 12–18). Aangaande Q. Caepio Brutus z. Junii no. 9.

Caere, door de Grieken Agylla genoemd, oude stad in het Z. van Etruria, eene der 12 etruscische bondssteden, reeds vroeg machtig en bloeiend. Toen de Galliërs in 390 op Rome lostrokken, verleende Caere een wijkplaats aan de vestaalsche maagden en de romeinsche priesters en verkreeg daarvoor het rom. gastrecht. In 353 evenwel met Rome in onmin geraakt, verloor het de helft van zijn gebied, terwijl aan de inwoners het mindere burgerrecht, zonder het ius suffragii en het ius honorum, opgedrongen werd. Zie ook het volgend artikel. Onder Sulla werd Caere eene soldatenkolonie.

Caerītes, inwoners van Caere. Toen hun het mindere burgerrecht gegeven werd (zie Caere), werden zij in den toestand van aerarii gebracht. Vandaar zijn de uitdrukkingen in tabulas Caeritum referri, op de lijst der Caeriten gebracht worden, en aerarium fieri synoniem. De Caerites behoorden tot de minste klasse der municipes (zie Municipium), daar ze geen eigen bestuur en eigen ambtenaren hadden.

Caerosi, germaansche volksstam aan de Maas in Belgica.

Caesar, Καῖσαρ, familienaam in de gens Iulia, zie Iulii. Na Augustus evenwel wordt deze naam een titel van de prinsen der keizerlijke familie, hetzij zij er door geboorte of adoptie toe behoorden. Hoewel de eerste keizers tot en met Nero door adoptie tot de gens Iulia kunnen gerekend worden, werd toch de gentielnaam Iulius slechts zelden door hen gebruikt. Tiberius begon er mede, den naam Caesar als titel te dragen en weigerde alle andere titels. Na Vitellius, die den titel Caesar weigerde, werd Caesar de vaste keizerstitel, die dan vóór den eigennaam werd geplaatst, terwijl de vermoedelijke erfgenaam van den troon sedert Hadriānus den titel achter zijn eigennaam voerde. Sedert de staatsregeling van Diocletiānus (z. a.) is Caesar de naam van den onderkeizer (hulpkeizer).

Caesaraugusta, vroeger Salduba, thans Saragossa, stad der Edetāni, aan den Ibērus (Ebro), sedert Augustus rom. kolonie. [138]

Caesarēa, Καισάρεια, naam van een aantal steden, ter eere van dezen of genen romeinschen keizer aldus genoemd. De voornaamste zijn: 1) Caesarea ad Argaeum, vroeger Mazaca, oude residentie der cappadocische koningen en door Tiberius tot hoofdstad der rom. provincie Cappadocia verklaard. Het lag aan den mons Argaeus.—2) Caesarea Palaestinae, op de kust gelegen, vroeger Stratonis turris, door Herodes vergroot en verfraaid en ter eere van Augustus Caesarea genoemd (10 of 9). Het was de zetel der romeinsche stadhouders en sedert de verwoesting van Jerusalem hoofdstad der provincie Judaea.—3) Caesarea Paneas of Philippi, door den viervorst Philippus, zoon van Herodes, nabij de bron van den Jordaan uitgebreid en vergroot, en sedert naar hem genoemd.—4) Caesarea ad Libanum, zie Arca.—5) Caesarea Mauretaniae, vroeger Iol, door koning Juba herdoopt ter eere van Augustus, later rom. kolonie en hoofdstad der provincie Mauretania Caesariensis.—6) Caesarea in Phrygia, vroeger Antiochia ad Pisidas (z. Antiochia no. 3).

Caesarion, Καισαρίων, zoon van C. Julius Caesar en Cleopatra, in 47 geb. Toen Antonius hem tot zoon en erfgenaam van Caesar had verklaard en tot mederegent van Aegypte had benoemd, liet Octaviānus na den slag bij Actium den jongen Caesarion ombrengen (30).

Caesarodūnum, thans Tours, hoofdst. der Turones aan den Liger (Loire).

Caesennius Paetus (L.), veldheer van Nero, streed ongelukkig tegen de Parthen (62 n. C.).

Caesetius Flavus (L.), volkstribuun in 44. Hij was een tegenstander van Caesar, die hem hierom met zijn ambtgenoot L. Epidius Marullus uit den senaat stiet en uit zijn ambt ontzette.

Caesia silva, een bergachtige streek in Germania tusschen de Luppia (Lippe) en de Isala (Geld. IJssel).

Caesii. Uit de gens Caesia zijn geen beroemde mannen bekend. De lierdichter Caesius Bassus was een vriend van den satirendichter A. Persius Flaccus.

Caestus.

Caestus, lederen riemen met looden knoppen er in, waarmede men zich de handen omwond voor het vuistgevecht.

Caetra, zie Cetra.

Caīcus, Κάικος, rivier in Mysia, ontspringt op den Temnus, stroomt op niet grooten afstand voorbij de stad Pergamus en valt in de Aegaeïsche zee.

Caiēta, thans Gaëta, kaap en zeestad van Latium in het land der Aurunci, genaamd naar Caiēta, Aeneas’ voedster, die daar begraven werd. Hier had Cicero een villa.

Calabra (curia), z. Curia Calabra.

Calabria, Καλαβρία, niet het thans onder dezen naam bekende gewest, maar het zuidoostelijke schiereiland van Italia, tegenwoordig Terra d’ Otrante genoemd. Iapygia Messapia, Sallentina zijn oude namen voor deze streek. De naam Calabria komt eerst op na de verovering door de Romeinen. Brundisium en Tarente zijn de noordelijkste steden. In ouden tijd was deze thans zoo verwaarloosde uithoek niet onvruchtbaar, hoewel men dikwijls met gebrek aan water had te kampen. Sedert de verovering door de Romeinen neemt de bevolking af. Augustus vereenigde Calabria met Apulia tot de tweede regio Italiae.

Calacte, Καλὴ ἀκτή, stad op de Noordkust van Sicilia.

Calagurris Nasica, thans Calahorra, stad in Tarraconensis aan den Ibērus (Ebro) in het land der Vascones, geboorteplaats van Quinctiliānus.

Calais, Κάλαϊς, en Zetes, de gevleugelde zonen van Boreas en Orithyia (Boreadae, Βορεάδαι). Op den Argonautentocht kwamen zij te Salmydessus en bevrijdden daar hunne zuster Cleopatra, die met hare kinderen door haar gemaal, koning Phineus, gevangen gehouden werd. V. a. bevrijdden zij Phineus van de Harpyiën en kwamen zij om terwijl zij deze vervolgden. Of zij werden door Heracles gedood, omdat zij voornamelijk bewerkt hadden, dat hij op den Argonautentocht in Mysië werd achtergelaten.

Calamis, Κάλαμις, beroemd atheensch beeldhouwer omstreeks 460; zijne beelden stelden zoowel goden als menschen en dieren voor, en muntten uit door kracht en tevens bevalligheid.

Calantica, calautica of calvatica, κρήδεμνον, vrouwenmuts, voornamelijk gedragen door oude dames, die niet veel haar meer hadden.

Calānus, Κάλανος, een gymnosophist, dien Alexander uit Indië medenam; toen hij te Susa ziek werd, maakte hij vrijwillig op den brandstapel een einde aan zijn leven. Zooals hij voorspeld had, stierf Alex. kort daarna.

Calaris = Caralis.

Calatia, stad in Campania tusschen Capua en Beneventum.

Calatōres, eigenlijk roepers om iemand te ontbieden, in het bizonder dienaren der pontifices, die bij de godsdienstige plechtigheden de orde moesten handhaven en bij de comitia calata het volk opriepen. Later werden ze pontifices minores.

Calauria, -rēa, Καλαυρία, -ρεια, eiland op de kust van Argolis, tegenover Troezen, met een beroemden Poseidon-tempel, waar de redenaar Demosthenes in 322 zich door vergif van het leven beroofde.

Calautica = Calantica.

Calchas, Κάλχας, zoon van Thestor uit Mycēnae of Megara, beroemd vogelwichelaar die de Grieken naar Troje vergezelde. Ingevolge zijne uitspraken werd Iphigenīa aan Artemis geofferd en Chrysēis aan haar vader teruggegeven, ook had hij den langen duur van den oorlog voorspeld. Na den oorlog ontmoette hij te Colophon Mopsus, die hem als wichelaar overtrof, waarom hij van verdriet stierf of zich uit spijt doodde. In [139]Apulië had hij een heiligdom met een orakel.

Calchēdon = Chalcedon.

Calceus.
Calceus senatorius.

Calceus. De ouden kenden sandalen, pantoffels, schoenen en laarzen. De calceus is een schoen, die vastgestrikt of geregen wordt. De calceus senatorius had kruisbanden, die om den voet en de kuit werden gebonden. Men vindt de uitdrukking calceos mutare wel gebruikt voor: senator worden. Vóór op den senatorsschoen was een halfmaantje van ivoor, lunula, aangebracht. De calceus behoorde bij de toga; wanneer men deze laatste aflegde en tegen huiskleeding verwisselde, trok men ook de schoenen uit en deed sandalen of pantoffels aan.

Calculus Minervae, de stem waarmede Athēna, toen Orestes voor den Areopagus terechtstond en de stemmen staakten, zich ten gunste van den aangeklaagde verklaard had. Vandaar werd de uitdrukking gebruikt, wanneer een aangeklaagde bij staking van stemmen werd vrijgesproken.

Calda, warm water, dat, evenals frigida, koud water, steeds gereed gehouden werd, om onder den wijn te mengen.

Caldarium, de zweetkamer in eene badinrichting. Zie Balneum.

Cale, stad der Gallaeci aan den mond van den Durius (Duero), thans Oporto.

Caledonia, oude naam voor Schotland. Alleen het zuidelijke deel is eenigen tijd in het bezit der Romeinen geweest. Zie Britannia.

Calendae, meer gewoon Kalendae, de eerste dag der maand. Zie annus.

Calendarium, het renteboek, waarin de bankiers en geldschieters de renterekeningen met hunne klanten boekten. Hoewel de Romeinen ook kalenders of almanakken hadden, is het woord calendarium in deze laatste beteekenis niet klassiek.

Calēnus, familienaam in de gens Fufia.

Cales, oude stad in het N. van Campania, latijnsche kolonie sedert 334. De wijn, vinum Calēnum, die in de omstreken der stad, den ager Calenus, geteeld werd, behoorde tot de voortreffelijkste van Italië.

Caletes of Caleti, een volk aan de kust van Belgica, aan den mond der Sequana (Seine), met de steden Carocotinum (Hâvre de Grace) en Juliobona (Lillebonne).

Calidia (lex), 99, van den volkstribuun Q. Calidius (z. Calidii no. 1).

Calidii, plebejisch geslacht. 1) Q. Calidius bewerkte in 99 als volkstribuun de terugroeping van Q. Caecilius Metellus Numidicus (Caecilii no. 13) uit de ballingschap. Uit dankbaarheid steunde de zoon van Numidicus, Metellus Pius, met alle kracht later (in 80) de candidatuur van Calidius voor het praetorschap.—2) M. Calidius, zoon van no. 1, ijverde als praetor in 57 voor de terugroeping van Cicero uit de verbanning. Later (begin 49) werd hij door Caesar aangesteld tot stadhouder in Gallia Cisalpīna, waar hij weldra gestorven is. Hij was een zeer bekwaam redenaar.

Caligae, soldatenlaarzen, met dikke zolen met spijkers. Zij waren op den voet geheel gesloten.

Caligula, romeinsch keizer, 37–41 na C. Zijn eigenlijke naam was Gaius Caesar, maar van jongs af werd hij Caligula genoemd, omdat hij als kind in de legerplaats zijns vaders soldatenlaarsjes droeg. Zijn vader was de beroemde Germanicus, de zoon van Drusus; zijne moeder Agrippīna was de dochter van M. Vipsanius Agrippa, die met Augustus’ dochter Julia was gehuwd. Caligula regeerde gedurende de eerste acht maanden zacht en rechtvaardig, doch vervolgens als een waanzinnige wreedaard. Hij omgaf zijn lievelingspaard met een hofstoet en wilde het tot consul doen verkiezen, hij beschouwde zichzelf als een god, gaf zich aan dierlijken wellust over, moordde en plunderde rechts en links, tot hij eindelijk met zijne booze gemalin Caesonia en zijne dochter door Cassius Chaerea werd omgebracht (24 Jan. 41).

Callaïci = Gallaeci.

Callātis, Κάλλατις, grieksche volkplanting in Moesia aan den Pontus Euxīnus (Zwarte zee).

Callias, Καλλίας, naam van verscheiden leden van een adellijk atheensch geslacht, dat van Triptolemus heette af te stammen en waarin de waardigheid van fakkeldrager (δᾳδοῦχος) bij de eleusinische mysteriën erfelijk was. Hiertoe behooren o. a. 1) Callias, zoon van Hipponīcus no. 2, de rijkste Athener van zijn tijd; hij streed bij Marathon en onderhandelde in 449 met Perzië over den zgn. cimonischen vrede.—2) zijn kleinzoon Callias, zoon van Hipponīcus no. 3, een lichtzinnig mensch, berucht door zijne zedelooze leefwijze, waardoor hij zijn groot vermogen verkwistte en in zijne laatste jaren gebrek leed. Ook aan het huisvesten en gastvrij onthalen van de sophisten, die Athene bezochten, moet hij veel geld besteed hebben. Hij diende in 391 onder Iphicrates en werd later (371) als gezant naar Sparta gezonden.—Niet tot dit geslacht behooren: 3) Callias, zoon van Calliades, die in 432 als veldheer voor Potidaea sneuvelde.—4) tyran van Chalcis omstreeks 350. Om zich van geheel Euboea meester te maken, wendde hij zich eerst om hulp tot Philippus van Macedonië, later tot Thebe, eindelijk tot Athene, waarmede hij vroeger in oorlog was geweest. Hier vond hij steun bij Demosthenes en inderdaad werd hem hulp gezonden, doch het plan gelukte niet. Later leefde hij te Athene, waar hij het burgerrecht [140]kreeg.—5) atheensch blijspeldichter, jonger tijdgenoot van Cratīnus, schrijver van zes blijspelen, waarvan enkele fragmenten bewaard zijn. Dezen Callias of een naamgenoot wordt een werk toegeschreven, γραμματικὴ τραγῳδία genoemd, over welks inhoud niets bekend is.—6) van Syracūsae, schrijver van een werk over het leven van Agathocles.

Callibius, Καλλίβιος, bevelhebber der Spartanen, die tijdens de regeering der dertig te Athene in bezetting lagen.

Callicles, Καλλικλῆς, beroemd atheensch beeldgieter, tijdgenoot van Pericles.

Callicrates, Καλλικράτης, 1) een der bouwmeesters van het Parthenon. Ook de lange muren naar den Piraeus zijn door hem gebouwd.—2) syracusaansch veldheer, die in 415 in den oorlog tegen Athene sneuvelde.—3) van Tyrus, beschreef omstreeks 280 na C. het leven van keizer Aureliānus.

Callicratidas, Καλλικρατίδας, volgde in 406 Lysander als opperbevelhebber der spartaansche vloot op. In karakter en in zijne opvatting van de wijze, waarop de oorlog behoorde gevoerd te worden, verschilde hij van zijn voorganger, daarom vond hij bij diens vrienden, ook bij Cyrus, in het begin veel tegenwerking. Toch wist hij spoedig de algemeene achting te verwerven en middelen te vinden om zijn vloot uit te breiden. Het gelukte hem, Conon met veertig schepen in de haven van Mytilēne in te sluiten, nadat hij hem dertig ontnomen had. De Atheners zonden daarop honderd vijftig schepen om Conon te ontzetten, en in den beroemden slag bij de Arginusische eilanden viel Callicr. van zijn schip en verdronk.

Callicula, niet hooge berg in Campania, bij Casilīnum, ten Z. of Z. O. van Cales.

Callidromus, Καλλίδρομος, oostelijke tak van het Oeta-gebergte, met den bergpas Thermopylae.

Callifae, stad der Hirpīni in Samnium, tegelijk met Rufrae en Allifae door Livius vermeld, maar verder niet bekend.

Callimachus, Καλλίμαχος, 1) van Aphidnae, sneuvelde als polemarch bij Marathon.—2) van Corinthe, beroemd beeldhouwer, bouwmeester en schilder (omstreeks 400 of vroeger). Hem wordt de uitvinding van het corinthisch kapiteel toegeschreven.—3) van Cyrēne (± 310–235), afstammeling der Battiaden, studeerde te Athene en leefde daarna te Alexandrië, waar hij waarschijnlijk gedurende eenigen tijd hoofd der koninklijke bibliotheek was. Door zijne veelomvattende geleerdheid en groote werkzaamheid heeft hij grooten invloed op de studiën zijner tijdgenooten en navolgers uitgeoefend; de voornaamste taalkundigen, Eratosthenes, Aristophanes van Byzantium, e. a., waren zijne leerlingen en het aantal zijner werken in proza en poëzie wordt op 800 geschat. Hoewel zijne gedichten vooral door de Romeinen ten zeerste bewonderd en dikwijls nagevolgd werden, toonen de weinige die overgebleven zijn meer geleerdheid dan kunst. Tot de meest bekende gedichten behoorden de Ἄτια, waarin o. a. de beroemde roman van Acontius (z.a.) en Cydippe, nu gedeeltelijk teruggevonden, de Hecale, waarvan ook fragmenten gevonden zijn, en de coma Berenices, dat door Catullus vertaald is; geheel bewaard gebleven zijn 6 hymnen en vele epigrammen, opgenomen in de Anthologia Palatina. Onder zijn prozawerken is van beteekenis een beredeneerde catalogus der alexandrijnsche bibliotheek (Πίνακες), waardoor de grondslag gelegd werd voor de beoefening van de geschiedenis der letterkunde.

Callimedon, Καλλιμέδων, Athener, om zijne leelijkheid en zwelgerij dikwijls bespot. Hij behoorde tot de macedonische partij en vluchtte daarom na den dood van Alexander uit Athene, maar werd na afloop van den lamischen oorlog door Antipater teruggebracht. Toen Phocion veroordeeld werd, vond hij het echter geraden de stad voor goed te verlaten.

Callinīcus, Καλλίνικος, bijnaam van Heracles, hem door Telamon gegeven toen zij te zamen Troje veroverd hadden.

Callīnus, Καλλῖνος, van Ephesus, de oudste elegische dichter der Grieken uit de eerste helft der zevende eeuw. Hij dichtte krijgsliederen.

Calliope, Καλλιόπη, oudste der Muzen, godin der epische poëzie. Zij wordt afgebeeld met wastafeltjes in de eene en een schrijfstift in de andere hand.

Calliphon, Καλλιφῶν, grieksch wijsgeer, die als het doel van het leven beschouwde, de vereeniging van genot en zedelijkheid. Hij leefde in de tweede eeuw en behoorde waarschijnlijk tot de peripatetische school.

Callipolis, Καλλίπολις, 1) stad op de Oostkust van Sicilia, nabij den Aetna, ten N. van Tauromenium.—2) stad op de thracische Chersonēsus tegenover Lampsacus, thans Gallipoli. Nog meer steden droegen dezen naam. Zie ook Callium.

Callippus, Κάλλιππος, Athener, vriend van Plato, was aanvankelijk een van de partijgenooten van Dio; later liet hij hem, steunend op de algemeene ontevredenheid met zijne regeering, verraderlijk vermoorden (353). Daarna nam hij zelf de regeering in handen, die hij echter slechts een jaar behield. Z. Dio.

Callipygus, Καλλίπυγος, “met schoone billen”, bijnaam van Aphrodīte. De beelden van deze godin hadden de kleederen tot boven de heupen opgeschort.

Callirrhoë, Καλλιρρόη, 1) dochter van Oceanus, moeder van Echidna en Geryon.—2) dochter van Achelōus, z. Alcmaeon.—3) dochter van Scamandrus, moeder van Ilus. Assaracus en Ganymēdes.—4) een calydonisch meisje; daar zij de liefde van Coresus, een priester van Dionysus, versmaadde, strafte deze god alle calydonische vrouwen met waanzin. Om deze ramp af te wenden moest Call. volgens een orakel door Coresus geofferd worden, doch deze doodde zichzelf in hare plaats, waarop Call. zich in eene bron stortte, die sedert haar naam droeg.—5) bron te Athene, in de nabijheid van [141]het Olympiēum, aan de overzijde van den Ilisus, die, sedert Pisistratus hier een brongebouw stichtte met 9 afzonderlijke waterkranen, ook Ἐννεάκρουνος genoemd wordt. Anderen nemen aan, dat de Ἐννεάκρουνος onderscheiden moet worden van de Callirrhoë, en aan de W.-zijde van de Acropolis gelegen heeft. Uit de Callirrhoë werd het water voor het bruidsbad gehaald.

Calliste, Καλλίστη, oude naam van het eiland Thera.

Callisthenes, Καλλισθένης, 1) van Olynthus, bloedverwant van Aristoteles, die hem tegelijk met Alexander onderwijs gaf; later leefde hij te Athene, waar hij geschiedenis en natuurlijke historie beoefende. Hij voegde zich later bij Alexander op diens tocht door Azië, maar nam hem door zijne vrijmoedigheid zoo tegen zich in, dat deze hem zelfs van medeplichtigheid aan eene samenzwering betichtte en gevangen liet zetten (327) en hem v. s. liet ter dood brengen. Hij beschreef in verscheiden werken, waarvan de bekendste waren de Ἑλληνικά, de geschiedenis van zijn tijd en werd door latere schrijvers dikwijls geraadpleegd. Het eenige overgebleven werk dat zijn naam draagt, de bekende Alexanderroman, is zeker onecht.—2) atheensch redenaar van de anti-macedonische partij, die bij het einde van den heiligen oorlog (z. Phocis) maatregelen nam om de stad te verdedigen; hij was een van de redenaars, wier uitlevering door Alexander geëischt werd. Later werd hij genoemd als een van de personen, die zich door Harpalus hadden laten omkoopen.

Callisto, Καλλιστώ, dochter van den arcadischen koning Lycāon, trouwe jachtgezellin van Artemis. Bij Zeus, die haar onder de gedaante van Artemis bezocht, werd zij moeder van Arcas, waarop zij in een berin veranderd werd, hetzij door Hera uit wraak, hetzij door Zeus om haar voor Hera te verbergen. Zie Arcas.—Ook Artemis zelve had in Arcadië den bijnaam van Callisto.

Callistratus, Καλλίστρατος, 1) een tooneelspeler, die in de stukken van Aristophanes optrad. Onder zijn naam liet Arist. twee van zijn eerste stukken opvoeren. Vgl. Philonides.—2) van Aphidnae, een redenaar, die bij de Atheners in hoog aanzien stond en wiens roem Demosthenes bewoog zich op de studie der welsprekendheid toe te leggen. Hij was vooral werkzaam bij de organisatie van den tweeden attischen zeebond; zijne bekwaamheid als staatsman toonde hij ook in de tijden van de opkomst der thebaansche hegemonie. Als strateeg was hij in 377 de ambtgenoot van Timotheüs en Chabrias, in 373 van Chabrias en Iphicrates, ook was hij de voornaamste bewerker van den vrede, die in 371 tusschen de Atheners en Lacedaemoniërs gesloten werd. Later is hij door de Atheners ter dood veroordeeld, in ballingschap gegaan en bij zijne terugkomst ter dood gebracht (± 355).—3) leerling van Aristophanes van Byzantium, schrijver van eenige met roem genoemde werken over Homerus, Euripides, e. a. oude dichters. Hij leefde omstreeks 150.—4) sophist uit de derde eeuw na C., die in een smakeloos geschreven werk, ἐκφράσεις, beschrijvingen gaf van eenige standbeelden.

Callistus (C. Julius), vrijgelatene van keizer Caligula, nam deel aan de samenzwering tegen hem, en was onder keizer Claudius een van de invloedrijke vrijgelatenen (a libellis). Hij was een tegenstander van Messalīna. Een vermakelijk verhaal vertelt Seneca, hoe de vroegere eigenaar van Callistus, een aanzienlijk Romein, bij den nieuwen minister op audientie ging, maar aan de deur afgewezen werd.

Callium, Κάλλιον, ook Callipolis geheeten, stad in het N. O. van Aetolia.

Calor, rivier in Samnium, waaraan Beneventum lag, zijtak van den Vulturnus.

Calpe, Κάλπη, tgw. Gibraltar, kaap aan het fretum Gaditanum (straat van Gibraltar), met den tegenoverliggenden berg Abyla, de zuilen van Hercules genoemd. Beide zijn oud-phoenicische nederzettingen.

Calpurnia (lex) van 121, van den volkstribuun L. Calpurnius Bestia (Calpurnii no. 14) tot terugroeping van P. Popillius Laenas uit zijne ballingschap.

Calpurnia (lex) de repetundis van 149, van den volkstribuun L. Calpurnius Piso Frugi (Calpurnii no. 2), de eerste wet tegen afpersingen, door rom. overheden in de provinciën gepleegd. Tevens werd door deze wet de eerste quaestio perpetua ingesteld.

Calpurnia (lex) de ambitu, van den consul C. Calpurnius Piso (67), bedreigt ambitus met boete en levenslange uitsluiting van ambten. Zie ook Acilia Calpurnia (rogatio).

Calpurnii, een plebejisch geslacht, waartoe o. a. de familiën Piso, Bestia, en Bibulus behoorden. 1) C. Calpurnius Piso overwon als propraetor (185) in Hispania de Lusitaniërs en Celtiberiërs en hield in 184 een triumftocht.—2) L. Calpurnius Piso, om zijne onkreukbare rechtschapenheid Frugi bijgenaamd, volkstribuun in 149, z. Calpurnia (lex) de repetundis. In 136 streed hij als praetor, in 133 als consul zonder veel gevolg tegen de opgestane slaven op Sicilia. Hij schreef annales, die Livius nog gekend heeft, en die de rom. geschiedenis van Aenēas’ aankomst in Italia tot op zijn eigen tijd behelsden.—3) L. Calpurnius Piso Frugi, zoon van no. 2, diende met eer onder zijn vader in den slavenoorlog (133), en stierf als stadhouder van Hispania (112).—4) Cn. Calpurnius Piso, aanhanger van Catilīna, in 65 als quaestor pro praetore naar Hispania gezonden, werd door spaansche ruiters, die in zijn leger dienden, omgebracht (64).—5) M. Calpurnius Piso streed onder Pompeius tegen Mithradātes en was in 61 consul. Hij was door zekeren Pupius geadopteerd en heette toen M. Pupius Piso Calpurniānus of M. Pupius Piso Frugi. Hij was een goed redenaar.—6) Cn. Calpurnius Piso, zoon van no. 5, was een echt republikein en streed na Caesars dood onder Brutus en Cassius. In [142]23 was hij consul.—7) Cn. Calpurnius Piso, zoon van no. 6, had met groote hardheid het stadhouderschap over Hispania gevoerd, en werd later (18 n. C.) door keizer Tiberius naar Syria gezonden, waar de dood van Germanicus (10 Oct. 19) op zijne rekening werd gesteld. Piso, die het bericht van Germanicus’ dood te Cos ontving, keerde naar Syria terug, en wilde met geweld zich weder van de provincie meester maken. De beschuldiging, dat hij G. zou vergiftigd hebben, kon hij, voor den senaat ter verantwoording geroepen, gemakkelijk weerleggen, niet echter het feit, dat hij met geweld zich van de prov. Syria had willen meester maken. Derhalve vond men hem met afgesneden hals in zijn bed.—8) L. Calpurnius Piso Caesonīnus, consul in 112, sneuvelde in 107 als legaat samen met den consul L. Cassius Longīnus (Cassii no. 3) tegen de Tiguriners, een deel der Helvetiërs.—9) L. Calpurnius Piso Caesoninus, kleinzoon van no. 8, werd de schoonvader van Caesar, met wiens hulp hij in 58 consul werd. Hij was een tegenstander van Cicero, van wien nog eene redevoering in L. Pisonem bestaat.—10) L. Calpurnius Piso Frugi, een zeer rechtschapen man, praetor tegelijk met Verres, wiens tegenstander hij was. Hij was een vriend van Cicero.—11) C. Calpurnius Piso Frugi, zoon van no. 10, verloofde zich in 66 met Cicero’s dochter Tullia, en ijverde in 57 voor Cicero’s terugroeping. Hij stierf nog voordat Cicero uit de ballingschap teruggekeerd was.—12) C. Calpurnius Piso, smeedde eene samenzwering tegen Nero en bracht zich zelf om, toen zij ontdekt was (65 n. C.)—13) C. Calpurnius Piso Liciniānus, door keizer Galba tot zijn opvolger bestemd, werd door de lijfwacht vermoord.—14) L. Calpurnius Bestia, volkstribuun in 121, z. Calpurnia (lex). In 111 was hij consul; hij voerde in Africa oorlog tegen Jugurtha, maar liet zich weldra omkoopen, en sloot een onvoordeeligen vrede met hem. Hij werd hiervoor later veroordeeld.—15) L. Calpurnius Bestia, aanhanger van Catilina en Cicero’s vijand.—16) Een andere L. Calpurnius Bestia werd in 56 door Cicero verdedigd tegen eene aanklacht wegens ambitus. De oratio pro Bestia is verloren.—17) M. Calpurnius Bibulus was tegelijk met Caesar aedilis in 65, praetor in 62, consul in 59. Hij was een van de voorvechters der aristocratie, doch tegen Caesar niet opgewassen. In 51 verwierf hij zich als stadhouder van Syria grooten naam door zijn uitstekend bestuur. In den burgeroorlog voerde hij het bevel over Pompeius’ vloot.—18) M. Calpurnius Bibulus, jongste zoon van no. 17, streed bij Philippi onder Brutus, was later legaat van Antonius in Syria, waar hij stierf (32).

Calumnia, het opzettelijk doen eener valsche aanklacht tegen een onschuldige. Actio calumniae is de actie, die de vrijgesproken beklaagde tegen den valschen aanklager kan instellen, iusiurandum calumniae de eed van den aanklager, dat hij werkelijk zijne tegenpartij schuldig acht en de aanklacht te goeder trouw doet. Wie van calumnia overtuigd werd, kreeg een letter (waarschijnlijk K) op het voorhoofd ingebrand, volgens eene lex Remmia, onzeker van wien en van welk jaar.

Calva, bijnaam van Venus; onder dezen naam werd haar een tempel gewijd, toen in den gallischen oorlog de rom. vrouwen zich de haren afsneden om pezen voor de bogen te laten maken. V. a. beteekent Calva de grillige of bedriegelijke.

Calvatica = Calantica.

Calvīnus, familienaam in meer dan ééne gens: 1) Cn. Domitius Calvinus, tijdgenoot van Caesar, zie Domitii no. 15.—2) C. Sextius Calvinus, zie Sextii no. 3.—3) T. Veturius Calvinus, zie Veturii no. 6.—4) D. Caelius Calvinus Balbinus, zie Balbinus.

Calvisii. 1) C. Calvisius Sabīnus was in den burgeroorlog legaat van Caesar en bestuurde vervolgens Africa (45). Na Caesars dood zond Antonius hem naar zijn stadhouderschap terug, doch de senaat droeg Africa op aan Q. Cornificius, zoodat Calvisius van de provincie geen bezit kon nemen. In 39 was hij consul, in 38 admiraal van de vloot van Octaviānus in den oorlog tegen S. Pompeius, maar werd in 37 afgezet.—2) een andere C. Calvisius Sabinus, oud-consul, komt onder de slachtoffers van Caligula voor (39 n. C.).

Calvus, familienaam in de gens Licinia. Voor den dichter Calvus z. Licinii no. 6. Ook komt Calvus (= kaal) als agnomen nog elders voor, b.v. in de familie der Metelli (Caecilii no. 7 en 12).

Calx, de witte streep in de renbaan, die het einde van den te doorloopen afstand aanwees. Dit woord wordt veel in figuurlijke uitdrukkingen gebezigd, b.v. ad calcem pervenire = zijn doel bereiken, extra calcem excurrere = zijn doel voorbijstreven, a calce ad carceres revocari = opnieuw van voren af moeten beginnen.

Calycadnus, Καλύκαδνος, rivier in Cilicia bij Corycus uitmondend.

Calydnae, Καλύδναι, twee eilandjes op de kust van Troas. Ook eene groep eilanden aan de kust van Caria, waarvan het grootste, Calydna, later Calymna werd geheeten en om zijn geurigen honig bekend was.

Calydnus = Calycadnus.

Calydon, Καλύδων, oude stad in Aetolia aan den Euēnus, het meest bekend door de mythe van het calydonische everzwijn en Meleager. Bij de rom. dichters is Calydonis = Deïanīra, de dochter van koning Oeneus, Calydonius heros = Oeneus’ zoon Meleager, Calydonius amnis = de Achelōus, Calydonia regna = Apulia in Italia, omdat Oeneus’ kleinzoon Diomēdes daar een rijk stichtte.

Calydonische jacht. Bij gelegenheid van een oogstfeest had Oeneus, koning van Calydon, aan alle goden en godinnen offers gebracht, maar Artemis vergeten. Deze zond daarop een reusachtig everzwijn, dat het land verwoestte en ook voor menschen onveilig maakte. Ten einde dit monster met vereende krachten te bestrijden, riep Meleager [143]nu de helden van Griekenland op tot eene gemeenschappelijke jacht, en onder de velen, die aan zijne uitnoodiging gehoor gaven, waren de Dioscuren, Theseus met Pirithoüs, Telamon en Peleus, Iāson, Atalante, enz. De eerste wonde werd het dier toegebracht door Atalante, daarna vielen echter verscheiden helden, totdat Meleager het zwijn door een speerworp doodelijk trof, waarna de overigen het afmaakten. Aan Meleager werden als eereprijs de kop en huid toegewezen.

Calymna, zie Calydnae.

Calynda, Κάλυνδα, stad in Caria, dicht bij Lycia.

Calypso, Καλυψώ, dochter van Atlas of van Oceanus of van Nereus, eene nimf die ver van goden en menschen op het eiland Ogygia in een prachtige grot woonde. Aan Odysseus, die na een schipbreuk op haar eiland landde, beloofde zij de onsterfelijkheid en eeuwige jeugd, indien hij altijd bij haar wilde blijven, en inderdaad gelukte het haar hem zeven jaar lang bij zich te houden. Maar eindelijk kregen de goden medelijden met den held, die door heimwee verteerd werd, en Hermes bracht aan Calypso het bevel hem te laten gaan. Bij Odysseus had zij twee zonen: Nausithoüs en Nausinoüs.

Camalodūnum (ook Camulod. en Camald.), hoofdstad der Trinobanten en eerste rom. kolonie in Britannia, thans Colchester.

Camarīna, Καμάρινα, stad op de Zuidkust van Sicilia, kolonie van Syracusae, gesticht in 599. Aan de eene zijde was de stad gedekt door een moeras, dat denzelfden naam droeg als de stad. Uithoofde van de ongezonde uitwasemingen wilden de inwoners dit moeras droog leggen. Zij raadpleegden echter vooraf het orakel, dat het volgende antwoord gaf: μὴ κίνει Καμάριναν, ἀκίνητος γὰρ ἀμείνων. De raad werd in den wind geslagen, en de stad werd spoedig daarna, juist van den kant waar vroeger het moeras gelegen had, door den vijand veroverd. Vandaar het spreekwoord μὴ κίνει Καμάριναν, van zaken, waaraan men niet moet roeren. De stad is verscheidene malen vernietigd, maar weder opgebouwd. In 552 door de Syracusanen, omdat de stad zich onafhankelijk wilde maken; in 492 door Hippocrates van Gela herbouwd, in 484 door Gelo opgeheven; in 461 werden de verdreven burgers teruggebracht. Tijdens den Peloponnesischen oorlog verhuisde het grootste deel van de bevolking naar Leontīni. In 399 herbouwd door Timoleon, werd C. in 258 voor goed vernietigd door de Romeinen.

Cambunii montes, Καμβούνια ὄρη, bergketen op de grenzen van Macedonia en Thessalia.

Cambȳses, Καμβύσης, zoon en opvolger van Cyrus, koning van Perzië, 529–522. Terstond na het aanvaarden der regeering trok hij naar Aegypte, dat hij in 527 onderwierp; op een tocht naar Aethiopië, dien hij van hier uit ondernam, werd wel Meroë onderworpen, de eigenlijke onderneming mislukte echter door gebrek aan levensmiddelen, terwijl een groot deel van zijn leger in de libysche woestijn door watergebrek omkwam of door zandstormen bedolven werd. Hoewel hij de Aegyptenaren aanvankelijk zachtmoedig behandeld en hun godsdienst geëerbiedigd had, kwam na het mislukken van zijne onderneming tegen Aethiopië zijn achterdochtige en wreede aard boven, en maakte hem tot een dwingeland, die in Aegypte een waar schrikbewind uitoefende, in dronkenschap aanzienlijke mannen en vooral priesters liet dooden, en den godsdienst van het volk voortdurend bespotte. Op het bericht van een opstand in Perzië, waar een magiër, zich uitgevend voor Smerdis, den broeder van Camb., dien deze bij het begin zijner regeering heimelijk had laten dooden, zich van de regeering had meester gemaakt, nam hij den terugtocht aan, maar te Hamath in Syrië had hij het ongeluk zich bij het bestijgen van zijn paard met zijn eigen zwaard een doodelijke wonde toe te brengen. V. a. had hij, bij het hooren dat de omwenteling in Perzië gelukt was, zichzelven gedood.

Camēnae, Casmēnae, Carmēnae, waarzeggende bronnimfen in Italië, later geïdentificeerd met de Muzen. Oorspronkelijk schijnen het godinnen geweest te zijn, die door het zingen van tooverformulieren het baren der vrouwen gemakkelijk maakten. De dienst der Camēnae, die te Rome samen met Egeria een heilig bosch voor de Porta Capēna hadden, was, naar men meende, door Euander ingevoerd.

Cameria of -rium, oude, verdwenen stad in Latium.

Camerīnum, vroeger Camers, Καμαρῖνον, machtige umbrische bergstad op de grenzen van Picēnum. De inwoners heetten Camertes.

Camerīnus, rom. dichter, tijdgenoot van Ovidius. Ook komt Camerinus als familienaam voor o. a. in de gens Sulpicia, klaarblijkelijk ontleend aan Cameria als plaats van afkomst.

Camers = Clusium.

Camīcus, Καμικός, stad op Sicilia dicht bij Agrigentum.

Camilla, dochter van koning Metabus uit de volscische stad Privernum, door haar vader opgeleid als oorlogsheldin en jageres. Zij stond Turnus bij in den oorlog tegen Aenēas en kwam in den strijd om.

Camilli en -lae, knapen en meisjes van aanzienlijken huize, die bij godsdienstige plechtigheden den flamen Dialis en misschien ook anderen priesters ter zijde stonden.

Camillus, familienaam, zie Furii no. 9–14.

Camīrus, Κάμειρος, dorische stad op het eiland Rhodus. Zie ook Ialysus.

Campania, Καμπανία, landschap van Midden-Italia, aan de Tyrrheensche zee. De naam Campania beteekent vlakte, evenals in het Fransch de naam Champagne, en de tegenwoordige Campagna di Roma. Oorspronkelijk was de naam ager Campānus. Met uitzondering van het moerassige noordwestelijke kustland was het klimaat zacht en de bodem vruchtbaar. Als oudste bewoners worden de Osci, Ὀπικοί, genoemd, tot hen hoorden ook de Aurunci (Αὔσονες) en de Sidicīni. Dan [144]zetten Grieken zich neer in Cumae, Dicaearchia (later Puteoli), Neapolis en Pompeii. In de zesde eeuw (± 520) werd het land vermeesterd door de Etruscers, die daar een bond van steden stichtten, waarvan Capua en Nola de voornaamste waren; doch het heerlijke klimaat en de rijke bodem maakte de veroveraars verwijfd, en zij moesten zwichten voor de Samnieten, die in het midden van de vijfde eeuw Campania veroverden (Capua viel in 443, Cumae in 421 in hun handen), en zich met de oorspronkelijke bewoners vermengden. In de vijfde en vierde eeuw dienen deze Καμπανοί als huursoldaten in de grieksche legers. Aan het hoofd van iedere bondsstad staat een meddix, aan het hoofd van den bond een meddix tuticus. De voornaamste stad was Capua. Ook deze veroveraars ondergingen den invloed van het klimaat en waren op hunne beurt niet meer opgewassen tegen een aanval van andere samnietische volken, zoodat Capua zich in 338 in de armen van Rome wierp. Zóó ontstonden de rom.-samnietische oorlogen, die in 272 met de onderwerping van Samnium eindigden. Vóór dien tijd was Campania reeds geheel ingelijfd; in 318 werd de ager Falernus onder rom. burgers verdeeld; verder werden er kolonisten gebracht naar Cales (334), Suessa (313), Sinuessa (296). Als bondgenoot van Rome genoot Capua met zijne omstreken, den ager Campanus (ten Zuiden van de rivier Volturnus), groote voorrechten, doch daar het met andere campaansche steden in den tweeden punischen oorlog de partij van Hannibal had gekozen (216), werd het na de herovering (211) uiterst zwaar gestraft en van alle zelfstandigheid beroofd. Campania telde een aantal van de fraaiste en schoonst gelegen steden van Italia en was als bezaaid met lustverblijven van aanzienlijke Romeinen, vooral aan de golf van Napels, waar men o. a. de steden Baiae, Neapolis, Herculaneum, Pompeii had, te midden van een lusthof van wijnbergen, olijfboschjes en korenvelden.

Campānus morbus, hoornachtige uitwassen of groote wratten, vooral aan het voorhoofd, die, naar het schijnt, in Campania veel voorkwamen en nog voorkomen.

Campe, Κάμπη, een monster, dat op bevel van Uranus de Cyclopen in de onderwereld bewaakte, en later door Zeus gedood werd, toen hij die gevangenen bevrijdde.

Campi Diomēdis, vlakte in Apulia tusschen Arpi en Cannae.

Campi lapidei, vlakte in den omtrek van Massilia (Marseille), met keisteenen bedekt ter grootte van een vuist. Daartusschen wies gras.

Campi macri, Μακροὶ Κάμποι, vlakte in Cisalpīna tusschen Parma en Mutina (Modena).

Campi Phlegraei, vulkanische vlakte in Campania tusschen Capua en Cumae.

Campi Raudii, vlakte in Transpadāna, aan den Padus (Po), bij Vercellae. Hier versloeg Marius de Cimbren, in 101.

Campus Martius, ook wel kortweg Campus, het veld, genoemd, een groot veld buiten het oude Rome tusschen den collis Quirinālis, den mons Palatīnus en den Tiber. Het was aan Mars geheiligd en werd gebruikt voor openbare spelen, monstering van troepen, lichaamsoefeningen, paardrijden, volksvergaderingen (de comitia centuriata werden hier gehouden) en dgl. Het lag eerst buiten de stad, doch werd allengs met prachtige gebouwen en uitspanningsplaatsen versierd, vooral onder de regeering van Augustus, die er de 9de stadswijk of regio van maakte. Aureliānus trok het Marsveld binnen den stadsmuur.

Campus Spartarius, de vlakte bij Carthago nova (Carthagena), aldus genoemd naar het daar groeiende esparto-gras, dat de Carthagers tot scheepstouw verwerkten.

Camulodunum, zie Camalodunum.

Canabae, de burgerlijke nederzetting die zich bij elk vast Romeinsch kamp bevindt, en dikwijls, vooral aan den Rijn, tot een stad uitgroeit.

Canace, Κανάκη, dochter van Aeolus en Enarete, werd door Poseidon bemind en baarde hem verscheiden zonen. Toen zij echter verliefd werd op haar eigen broeder Macareus, verliet Poseidon haar en werd zij door haar vader gedood of tot zelfmoord gedwongen.

Canachus, Κάναχος, van Sicyon, beroemd beeldhouwer uit de 6de eeuw, vooral zijn standbeeld van Apollo te Didyma wordt geprezen.

Canastraeum, Κάναστρον, kaap op Pallēne, de westelijke landtong van Chalcidice.

Cancer, Καρκίνος, het sterrenbeeld de Kreeft; deze kreeft was door Hera onder de sterren verplaatst, omdat zij de hydra van Lerna tegen Heracles had geholpen, door dezen in den voet te bijten.

Candace, Κανδάκη, koningin van Napata, die in 24 een inval in Aegypte deed, maar door den romeinschen stadhouder Petronius teruggeslagen werd. Zie verder Napata.

Candaules, Κανδαύλης, de laatste lydische koning uit het geslacht der Heracliden, zie Gyges.

Candavia mons, bergstreek op de oostelijke grenzen van Illyria. De via Egnatia liep er door.

Candēla, candelābrum. Voordat olielampen bekend waren, gebruikten de Romeinen kaarsen, candelae, waarvan de pit uit een bies bestond. De kandelaar heette candelabrum. Toen echter, althans in de huizen der gegoeden, de kaarsen door de lampen werden verdrongen, werden de candelabra ingericht om lampen op te zetten of aan kettinkjes op te hangen. Zij werden toen zóó hoog, dat men ze niet op tafel, maar op den grond plaatste. Deze lampenstandaards zijn in groote verscheidenheid van vorm en versiering bij opgravingen gevonden.

Candidātus. Wie te Rome naar eenig openbaar ambt wilde dingen, waarvan de begeving aan de volksvergadering stond, begaf zich naar den overheidspersoon, die de comitiën [145]zou leiden en verzocht dezen, zijn naam op de lijst der mededingers te brengen. Deze aangifte heette nomen profiteri. De magistraat behoorde dan te onderzoeken, of de persoon, die zich aanmeldde, op dat oogenblik verkiesbaar was. Zoo ja, dan behoorde hij aan diens verzoek te voldoen, rationem eius habere. Het volk namelijk kon alleen geldige stemmen uitbrengen op hen, die op de lijst waren opgenomen. Dezen kleedden zich nu in eene toga, die in krijtwater gewasschen en dus helder wit was, toga candida, en werden hiernaar candidati genoemd, en bezochten van nu af dagelijks het forum, om zich bij de kiezers aan te bevelen. Zie ook nomenclator.

Candidātus principis. Evenals vroeger sommige ambtenaren door aanzienlijke personen werden aanbevolen, zoo placht Augustus sommige candidaten persoonlijk bij het volk aan te bevelen. Deze gewoonte werd ook door de volgende keizers in acht genomen; zij wezen dan onder de candidati enkelen aan, die moesten gekozen worden. De verkiezingen hadden sedert Tiberius in den senaat plaats. Van de quaestores wijst de keizer er twee aan, de quaestores Augusti, die geregeld candidati principis geheeten worden. Deze quaestoren waren zoo ongeveer secretarissen en adjudanten van den keizer en moesten o. a. de keizerlijke boodschappen en brieven in den senaat voorlezen.

Canephori, Κανηφόροι, jonge meisjes uit de edelste familiën, die te Athene bij sommige processiën korfjes met heilige offergereedschappen, enz. op het hoofd droegen.

Canicula, zie Canis Maior.

Canidia, een tooverkol en giftmengster, die door Horatius in zijne gedichten (vooral de Epoden) bespot en aan de kaak gesteld wordt. Haar eigenlijke naam is Gratidia.

Canidius Crassus (P.), legaat van Lepidus, wist in 43 na Caesars dood het leger van Lepidus op de hand van Antonius te brengen. Later diende hij onder Antonius in Azië en in den slag bij Actium. Octaviānus liet hem in Aegypte, waarheen hij gevlucht was, ter dood brengen.

Caninefātes, een stam, die tot de Batavieren behoorde en aan de kust der tegenw. provincie Noord-Holland woonde, in het tegenwoordige Kennemerland. Zij namen ook deel aan den opstand onder Civīlis. Zij werden niet tegelijk met de Batavieren in het rijk opgenomen, maar eerst onder keizer Tiberius onderworpen.

Caninii, plebejisch geslacht. 1) M. Caninius Rebilus was in 170 rom. gezant bij Perseus van Macedonia.—2) C. Caninius Rebilus diende onder Caesar in Gallia, in Africa, in Hispania. In 45 werd hij tot consul suffectus gekozen, juist tegen het einde van het jaar, zoodat hij nog één dag consul kon wezen. Cicero prijst daarom schertsend de waakzaamheid van Rebilus, die in zijn geheele consulaat niet geslapen had.—3) L. Caninius Gallus, volkstribuun in 56, komt als aanhanger van Pompeius voor.—4) Caninius Satrius, huisvriend van Cicero.

Canis, de vier éénen, de slechtste worp in het dobbelspel. Zie alea.

Canis Maior, Canicula, Sirius, Σείριος, Κύων, het sterrenbeeld de Groote Hond, de voorbode der grootste zomerhitte; oorspronkelijk was deze hond een van de bewakers van Europa geweest, later kwam hij in handen van Cephalus en van Amphitryo (z. a.).—V. a. een hond van Orīon of van Icarius.

Canis Minor, Antecanis, Προκύων, het sterrenbeeld de Kleine Hond, oorspronkelijk een van de honden van Orīon, na diens dood onder de sterren geplaatst.

Cannae, Κάνναι, vlek in Apulia, aan den Aufidus, bekend door de vreeselijke nederlaag, die de rom. consuls C. Terentius Varro en L. Aemilius Paullus er in 216 leden. Of de slag op den noordelijken (rechter) oever of op den zuidelijken (linker) oever van den Aufidus heeft plaats gehad, daarover is men het niet eens. De rechtervleugel der Romeinen, en de linkervleugel der Carthagers sloot aan de rivier de Aufidus aan. Neemt men nu aan, dat de slag op den zuidelijken oever geleverd is, dan waren de Romeinen benedenstrooms van de Carthagers opgesteld. Plaatst men den slag op den noordelijken oever, zooals gewoonlijk geschiedt, dan komt voor het slagveld in aanmerking een veld, dat nu nog “Pezzo del Sangue” heet; de Romeinen hadden dan hun kleine legerplaats en verder de rivier in den rug. Een bezwaar tegen deze opvatting is, dat dan de Romeinen met het gezicht naar het N. staan, hetgeen met sommige berichten in strijd is.

Canōbus, Κάνωβος, aanzienlijke, weelderige stad in de Nijldelta, aan den westelijken of canobischen hoofdmond der rivier. Vóór de stichting van Alexandrīa was Canobus de grootste koopstad van het westelijke deltagebied. Er was een beroemde Serāpis-tempel.

Canon, Κανών, z. Alexandria no. 1 aan het slot.

Cantabri, Κάνταβροι, woest, oorlogzuchtig volk in Hispania, in het tegenw. Biscaye, eerst door Augustus (26–19) tot onderwerping gebracht.

Cantharus, Κάνθαρος, drinkbeker met ooren; de beelden van Dionȳsus hebben meestal zulk een beker in de hand.

Cantium, gewest in het Z. O. van Britannia, thans Kent. De Cantii waren van de Britten het meest beschaafde volk.

Cantium promunturium, het zuidoostelijkste punt van Britannia, thans kaap Paperness in Kent.

Canulēia (lex), plebisciet van den volkstribuun C. Canuleius, 445. Het bepaalde, dat er conubium zou zijn tusschen patriciërs en plebejers. Een ander voorstel van denzelfden, dat één der consuls een plebejer zou kunnen zijn, werd ter zijde geschoven door de instelling van tribuni militum consulari potestate. Dit tweede wetsvoorstel is waarschijnlijk verzonnen, om de instelling [146]van het krijgstribunaat te verklaren. Zie tribuni militum consulari potestate.

Canulēii, plebejisch geslacht. 1) C. Canuleius, volkstribuun in 445, de vader der lex Canuleia de conubio.—2) L. Canuleius Dives, praetor in Hispania in 171, vervolgde op last van den senaat eenige vorige stadhouders van dit gewest wegens afpersingen.

Canusium, Κανούσιον, stad in Apulia aan de via Appia nova, nabij den Aufidus, bekend door den driedaagschen strijd tusschen M. Marcellus en Hannibal (209), waaromtrent de berichten echter geen vertrouwen verdienen. De roode wol en de muilezels van C. waren beroemd. Horatius noemt de Canusiners bilingues, omdat in de stad een sterk grieksch element aanwezig was en men er dus zoowel Grieksch als Latijn sprak.

Capaneus, Καπανεύς, zoon van Hipponoüs, een van de zeven vorsten die met Adrastus tegen Thebae ten strijde trokken. Om hem te straffen voor zijne overmoedige bewering, dat hij zelfs tegen den wil der goden den muur zou bestijgen, doodde Zeus hem, toen hij reeds op den stormladder stond, met den bliksem.

Capella, Capra, Αἲξ, het sterrenbeeld de Geit, dat in het najaar met storm en onweder opkomt; oorspronkelijk de geit Amalthēa, door Zeus onder de sterren geplaatst, omdat hare huid hem in den strijd tegen de Titanen tot schild gediend had.

Capēna, oude stad in het Z.O. van Etruria, later rom. municipium, met een tempel en een grot van Feronia. De porta Capena te Rome voerde niet naar deze stad; ze was waarschijnlijk genoemd naar Capua, en heeft dus haar naam gekregen, toen de via Appia aangelegd is, die langs deze poort de stad verlaat. De overeenkomstige poort van Capua heet porta Romana.

Caphāreus, Καφηρεύς, noordelijkste kaap aan de Zuidoostkust van Euboea, waar de grieksche vloot op haren terugkeer van Troje schipbreuk leed, en in 480 eene perzische vloot van 200 schepen, die Euboea wilde omvaren om de Grieken in den rug aan te vallen.

Capita aut navia, een spel, gelijk aan ons “kruis of munt”, waarbij een geldstuk omhoog werd geworpen. De naam is hieraan ontleend, dat de oudste stempel van den as aan de eene zijde een Januskop, aan de andere de voorsteven van een schip was.

Capite censi. Zóó werden bij de indeeling van het rom. volk in klassen en centuriën diegenen genoemd, die òf niets bezaten òf te weinig om het bij den census in rekening te brengen en die dus alleen hun caput konden aangeven. Ze waren vrijgesteld van krijgsdienst. Zie ook proletarii.

Capitis deminutio is een vermindering van rechtspersoonlijkheid. Er waren drie graden. De cap. dem. minima had plaats, wanneer een romeinsch burger, die sui iuris was, zich tot zoon liet aannemen (arrogatio) en dus alieni iuris werd. Hij verloor dan den status familiae, daar hij ophield pater familias te zijn en als filius familias in de patria potestas van een ander trad.—De cap. dem. media sloot het verlies van het burgerrecht in zich. Zij had plaats door vrijwilligen afstand, reiectio civitatis of door aqua et igni interdictio. Een gewoon exsilium hief den status civitatis niet op, maar schorste dezen slechts. Hij die door deze deminutio getroffen was, kon door eene wet in zijne vorige rechten hersteld worden, restitutio in integrum.—De cap. dem. maxima was het verlies van den status libertatis; men werd dan slaaf. Zij werd o. a. toegepast op de incensi, d.w.z. op hen, die verzuimden zich bij de censoren aan te geven, met het doel, krijgsdienst en belasting te ontduiken, op den fur manifestus, den op heeterdaad betrapten dief, tenzij deze zich vrijkocht, op den schuldenaar (den addictus, niet den nexus, z. a.), die door zijne schuldeischers werd verkocht, in den tijd toen men nog met zijn lijf voor zijne schulden aansprakelijk was, wat in 326 door de lex Poetelia Papiria werd afgeschaft, op den veroordeelden burger, die gegrepen en ter dood gebracht werd, enz.

Capito, familienaam, zie Ateii en Fonteii.

Capitolīnus, familienaam, zie Manlii no. 2, 6–10.

Capitolīnus mons, een der bergen van het oude Rome. In het midden was deze berg lager dan aan de beide uiteinden. Op den Z.W. top was het Capitolium, op den N. top de arx met den tempel van Juno Monēta. Bij de derde uitbreiding der stad (zie Roma), toen de latijnsche gemeente van den Palatīnus zich met de sabijnsche van den Quirinālis vereenigde, werd met het Forum ook de mons Capitolinus bij de stad getrokken en versterkt. Hij lag echter buiten het pomoerium. Op het Capitolium stond de groote driedubbele tempel van Jupiter Capitolinus, Juno en Minerva. Het was een tempel met drie cellae; die van den god was in het midden. Deze tempel werd door Tarquinius Priscus begonnen, door Tarquinius Superbus voltooid en in 509 door den consul M. Horatius Pulvillus ingewijd. Hij brandde driemaal af, in 83, 69 na C. en 80 na C., doch werd telkenmale herbouwd, de laatste maal door keizer Domitiānus, die er 12000 talenten aan besteedde; z. Templum. Het Capitool was het heilige middelpunt van het rom. gebied; dáár brachten de nieuwe consuls hun eerste offer en deden geloften voor het welzijn van den staat; dáár offerde de zegepralende imperator, dáár waren de orakelboeken, de wettafels, de veroverde vaandels geborgen, enz. Behalve den reeds genoemden tempel worden op de daaromheen gelegen ruimte, area Capitolina, nog een aantal andere heiligdommen vermeld: de curia Calabra, vanwaar de pontifices maandelijks op de Kalendae den feestkalender afkondigden, de tempels of tempeltjes van Jupiter Feretrius, van Fides, Mens, Venus Erycīna, Ops en andere, terwijl het aantal beelden en gedenkteekenen zóó groot was, dat het heette: in Capitolio deorum omnium simulacra colebantur. De inzinking [147]tusschen de beide toppen wordt een asylum genoemd. Sedert 192 was hier een heiligdom van Veiovis, en aan de zijde van het forum vond men hier later het Tabularium (z. a.). Naar het Capitool voerde een oploopende weg, clivus Capitolinus, van het forum uit; doch men kon er ook van den zuidwestkant komen langs een trap, in den berg uitgehouwen en de centum gradus geheeten. Deze trap voerde naar een uitspringend gedeelte, saxum Tarpeium, of rupes Tarpeia genoemd, waar oudtijds de plebejische doodstraf werd voltrokken door de veroordeelden van de rots in eene daaronder liggende diepte te werpen.

Capitolium. Zie Capitolinus mons.

Cappadocia, Καππαδοκία, gewest van Asia minor. Het oudste Cappadocia strekte zich uit van den Halys tot aan Armenia langs den Pontus Euxīnus. Onder het perzisch bestuur werden de landstreken Garsaurītis en Cataonia er aan toegevoegd, zoodat het zich ten Z. tot aan het Taurusgebergte uitstrekte; doch daarentegen werd het noordelijke deel als afzonderlijke satrapie er af genomen, onder den naam Cappadocia ad Pontum, waaruit later het koninkrijk Pontus is ontstaan. Het binnenlandsche Cappadocia wist tijdens Alexander d. G. eene zekere onafhankelijkheid te handhaven en bleef als koninkrijk bestaan, tot het door Mithradātes den Grooten, koning van Pontus, veroverd werd; doch Pompeius gaf het in 65 aan Ariobarzanes terug. Het werd nu een vasalstaat van Rome, tot Tiberius in 17 na C. er eene rom. provincie van maakte. Tot welken stam de Cappadociërs behooren, is nog niet uitgemaakt. Slechts weten we, dat reeds omstreeks 1800 de Cheta (Chatti), de Hittiten van het Oude Testament, in Cappadocië, in het tegenwoordige Boghazköi, ten O. van den Halys, het middelpunt van hun rijk hebben gehad. Het noordelijkste distrikt van C., aan de oevers van de rivieren Thermōdon, Iris en Lycus, is door Assyriërs gekoloniseerd, bij de Grieksche schrijvers Σύριοι of Σύροι, of ook wel Leucosyriërs, Λευκόσυροι, genoemd, wegens hunne blanke kleur, terwijl de eigenlijke Syriërs bruin van tint waren. Aan de kust lagen vele grieksche volkplantingen, nederzettingen van Milēte of faktorijen van Sinōpe; de voornaamste zijn van W. naar O.: Amīsus, Themiscȳra, Side (later Polemonium geheeten), Cotyōra, twee steden Cerasus, Tripolis en Trapezus. Zie verder Pontus. Het eigenlijke Cappadocië was, evenals Armenia, een feudaalstaat. De hoofdstad was Mazaca aan den berg Argaeus; ter eere van Tiberius werd de naam veranderd in Caesarēa (ad Argaeum).

Caprae of Capreae palus, de plaats op het Campus Martius, waar Romulus, terwijl hij bezig was een contio te houden, onder storm en onweer van de aarde was weggenomen (z. Quirinus). Ook later werden hier contiones gehouden.

Capraria, het geiteneiland, nabij de etruscische kust, thans Capraja.

Capreae, Καπρέαι, thans Capri, eil. ten Z. van den sinus Cumānus (golf v. Napels), het verblijf van keizer Tiberius in zijne laatste levensjaren. Volgens de sage is het oudtijds bewoond geweest door Teleboërs, onder koning Telon. Grieken uit Cumae hebben het gekoloniseerd, en tot diep in den keizertijd sprak de bevolking Grieksch.

Capricornus, Caper, Αἰγοκέρως, Πάν, het sterrenbeeld de Steenbok, voorbode van storm, oorspronkelijk een afstammeling van Aegipan met horens, bokkepooten en een vischstaart, die met Zeus opgevoed was en hem later in den strijd tegen de Titanen hielp door in een schelp te blazen en zulk een vreeselijk geraas te maken, dat de vijanden verschrikt op de vlucht gingen.

Caprotina, Capratina, bijnaam van Juno, waaronder zij te Falerii e.e. vereerd werd. Te harer eere vierden de vrouwen op den 7den Juli (Nonae Caprotinae, ancillarum feriae) een feest, waaraan ook de slavinnen deelnamen, die zich daarbij vele vrijheden veroorloofden. Ter verklaring van dit feest dient het volgende verhaal, dat aan een fabula praetexta ontleend is: Kort na den gallischen oorlog trokken de Latijnen tegen de Romeinen op en eischten van hen vrouwen ten huwelijk. De Romeinen zonden hun slavinnen als vrije vrouwen gekleed, die nu de vijanden bij een feestmaal dronken maakten en daarna van den top van een wilden vijgeboom (Caprificus) een teeken gaven, waarop de Romeinen de legerplaats overvielen en de vijanden doodden.

Capsa, stad in Numidia midden in eene zandwoestijn. Hier waren Jugurtha’s schatten geborgen. De plaats werd door Marius verwoest, doch later herbouwd en behoorde sedert tot Byzacium.

Capua, Καπύη, vroeger Vulturnum geheeten, voornaamste stad van Campania. Door de Samnieten bedreigd, onderwierp het zich aan Rome (zie Campania). De burgers kregen toen de civitas sine suffragio, terwijl een gedeelte der rechtspraak in handen kwam van de praefecti Capuam Cumas (sedert 318). Na den slag bij Cannae (216) verbond het zich met Hannibal, doch werd na de inname (211) door de Romeinen bloedig gestraft. Zeventig der aanzienlijkste burgers werden ter dood gebracht, honderden in de gevangenis geworpen of als slaven verkocht, een deel der bevolking werd over andere steden verdeeld, en alle rechten en vrijheden aan de stad ontnomen. Het gemeentebestuur werd opgeheven, het grondgebied verbeurd verklaard; op het land langs zee werden twee col. civium Romanorum, Volturnum en Liternum, gesticht, het andere land, de ager Campānus (zie Agrariae leges) tot 59 geregeld verpacht. Door haar gunstige ligging bleef de stad een van de bloeiendste en grootste steden van Italië. Sedert 58 had zij weer een gemeentebestuur.

Caput is de rechtspersoonlijkheid van den rom. burger (zie capitis deminutio). Deze beteekenis heeft dit woord ook in de uitdrukking capite of capitis damnari. [148]

Capys, 1) grootvader van Aenēas (z. Aeneas).—2) tochtgenoot van Aeneas, volgens de sage stichter van Capua.

Caracalla (M. Aurelius Antonīnus Bassiānus), sedert zijn benoeming tot Caesar in 196 n. C. ook M. Aurelius Antonīnus geheeten, zoon van keizer Septimius Sevērus en Julia Domna, volgde met zijn broeder P. Septimius Antoninus Geta zijn vader in 211 op. Het leger had beide broeders slechts te zamen als keizers willen erkennen, hoewel reeds bij huns vaders leven een doodelijke haat tusschen hen heerschte. In 212 stak Caracalla zijn broeder in de armen hunner moeder dood, en veroordeelde den beroemden rechtsgeleerde Papiniānus, die zijne afkeuring te kennen gaf, ook ter dood. Vervolgens trok hij op dolzinnige wijze het rijk door, hier oorlogende (z. Alemanni), daar zijn eigen onderdanen uitplunderende, tot hij eindelijk in 217 door zijn praefectus praetorio Macrīnus te Edessa in Mesopotamia werd omgebracht. Caracalla gaf in 212 aan het geheele rijk het burgerrecht, ten einde ook in de provinciën de vicesima hereditatum, een successierecht van 5 pct., te kunnen innen en aldus de ontvangsten der keizerlijke schatkist te verhoogen. De bijnaam Caracalla is ontleend aan het kleedingstuk van dien naam, een gallischen mantel, dien de keizer droeg. Door Caracalla zijn de beroemde Thermae Antoninianae aangelegd, waarvan nog belangrijke ruïnen over zijn (zie Thermae).

Caractacus, een dapper vorst der Silures in Britannia, zoon van koning Cunobelinus, voerde oorlog met de Romeinen, en werd door de met hen bevriende Cartismandua, koningin der Brigantes, aan hen uitgeleverd. Keizer Claudius liet hem naar Rome voeren, doch schonk hem toen de vrijheid terug, 51 na C.

Caralis, Κάραλις, thans Cagliari, hoofdstad van het eiland Sardinia, aan den Zuidkant gelegen.

Carambis, Κάραμβις, stad en kaap in Paphlagonia.

Caranus, Κάρανος, 1) Heraclide uit Argos, die omstreeks 750 met eene argivische kolonie Edessa innam en de stichter van het macedonische rijk werd; de latere koningen van dit rijk noemden hem hun stamvader.—2) zoon van Philippus en Cleopatra, die door Olympias gedood werd.—3) veldheer van Alexander in den oorlog tegen Perzië.

Caratacus = Caractacus.

Carausius, door Diocletiānus belast met eene vloot de gallische kust tegen frankische en saksische zeeroovers te verdedigen, voer naar Britannia en liet zich daar tot Augustus uitroepen, 286 na C. Hij handhaafde zich, tot hij in 293 vermoord werd.

Carbatinae of Carpatinae, Καρβατίναι, Καρπατίναι, grove schoenen, uit één stuk leder vervaardigd en met kruisbanden om het been bevestigd.

Carbo, familienaam in de gens Papiria. Zie Papirii no. 11–14.

Carcaso, stad van de Volcae Tectosages in Gallia Narbonensis, thans Carcassonne.

Carcer. De carcer Mamertīnus, te Rome aan het forum gelegen, bestond uit drie verdiepingen, waarvan slechts ééne boven den beganen grond was. Hier werden de licht gestrafte gevangenen in hechtenis gehouden (custodia communis). De middelste verdieping was een onderaardsch gewelf, waartoe slechts eene opening in de zoldering toegang verleende en waarin men geketend de zware gevangenisstraf onderging (custodia arcta). Daaronder lag een nog afgrijselijker kerkerhol, evenzeer alleen met eene opening van boven, waarin de doodstraf werd voltrokken. Dit gedeelte, dat het oudste was, werd ook Tullianum geheeten, omdat het vroeger gediend had als vergaarbak voor het water, dat daar uit de rotsen zijpelde. Dáár stierf Jugurtha den hongerdood. Daar werden ook Lentulus (Cornelii no. 48) en de 4 andere Catilinarii gewurgd. Ook in andere plaatsen schijnen de kerkers op deze wijze ingericht geweest te zijn; althans in dien van Herculaneum heeft men de sporen van twee ondergrondsche verdiepingen ontdekt.

Carceres, de stallen aan den ingang van den circus, waarin de wagenmenners, op de bespannen wagens staande, het sein tot den wedren afwachtten. Figuurlijk beteekent carceres ook het begin van iemands loopbaan: a carceribus = van den beginne af. Zie ook calx.

Carcinus, Καρκίνος, van Agrigentum, vestigde zich te Athene als treurspeldichter; zijne werken vonden echter evenmin bijval als die van zijne vier zonen. Zijn kleinzoon, de jongere Carcinus, leefde langen tijd aan het hof van Dionysius van Syracūsae; met zijne 160 stukken behaalde hij elf maal een prijs.

Cardamyle, Καρδαμύλη, 1º. stad aan de Oostzijde van de golf van Messēne.—2º. stad in het N. van Chius.

Cardea, Carda, eene nimf die door Janus bemind werd, en door hem tot godin der deurhengsels, dus ook van huis en huisgezin, verheven werd. Ook beschermde zij kleine kinderen tegen den invloed van booze geesten.

Cardia, Καρδία, stad van de thracische Chersonēsus, aan den sinus Melas, kolonie van de Milesiërs, geboorteplaats van koning Eumenes. De bewoners werden met die van Pactye in 309/308 door Lysimachus naar zijn nieuwe hoofdstad Lysimachia (z. a.) overgebracht.

Cardo. De deuren der rom. huizen hingen niet in scharnieren, maar draaiden op uitstekende pennen, die in bussen sloten, welke in den boven- en den onderdorpel van het deurkozijn waren ingelaten. Deze pennen heetten cardines.—Cardo heet ook de lijn, die de augur bij het nemen der auspiciën van het N. naar het Z. trok. Zie auguria. De Rom. hadden ook eene godin der deurhengsels, Cardea.

Cardūchi, Καρδοῦχοι, thans Koerden, een machtig en krijgshaftig armenisch bergvolk, in welks bergen de Perzen zich niet waagden, [149]toen de 10000 Grieken er binnentrokken.

Carfulēnus (D.), rom. senator, aanhanger van Caesar en tegenstander van Antonius; hij streed samen met Pansa in den mutinensischen oorlog bij Forum Gallorum tegen Antonius; of hij, zooals het eerste bericht luidde, daar gesneuveld is, is niet zeker.

Caria, het zuidwestelijkste landschap van Klein-Azië, aan de kust bezet met grieksche volkplantingen, waarvan Halicarnassus en Cnidus de voornaamste waren. De Cariërs hadden oudtijds een groot gedeelte der eilanden van de Aegaeïsche zee in bezit en dreven zeeroof, totdat zij door de Grieken en vooral door koning Minos van Creta uit de eilandzee verdreven werden. Zij bleven echter een ruw, roofziek volk, wel geschikt voor huursoldaten, doch omkoopbaar. De Κᾶρες, Κρῆτες, en Καππάδοκες werden door de Grieken τὰ τρία Κάππα κάκιστα genoemd. De Westkust van Caria is bezet met ionische koloniën, waarvan Priēne en Milētus de voornaamste zijn en Iassus de zuidelijkste is: de Zuidwestkust en de vóórliggende eilanden hebben een dorische bevolking. In de 4de eeuw maakte Mausōlus, de vorst van Carië, zich onafhankelijk van Perzië, en verlegde zijne residentie van Mylasa naar Halicarnassus (z.a.).

Carinae, voorname wijk te Rome, tusschen den mons Esquilīnus en den mons Caelius.

Carīnus (M. Aurelius), keizer van Rome, 283–285 na C., zoon en opvolger van Carus. Hij was om zijne buitensporigheden en wreedheid gehaat en werd vermoord, na de nederlaag, die hij Diocletiānus in Moesia toegebracht had.

Caristia (Charistia) of Cara Cognatio. Op den 22sten Februari, den dag na de feesten der Feralia (z. a.) of Parentalia, vierde men te Rome dit familiefeest, waarbij de bloedverwanten voor een feestmaaltijd bijeenkwamen.

Carmania, Καρμανία, thans Kerman, perzisch gewest aan de Perzische golf. Herodotus noemt de bewoners Γερμάνιοι.

Carmēlus, Κάρμηλος, thans Carmel = wijnberg, gebergte en kaap op de kust van Palaestina ten Z. van Ace (Ptolemaïs). Ook de hoogste top van den Antilibanus droeg dezen naam.

Carmenta, eene van de Camēnae, moeder van Euander, wien zij de toekomstige grootheid van Rome voorspelde. Zij had een heiligdom aan de Porta Carmentālis, bloedige offers werden haar niet gebracht, en het was verboden iets van leder in den tempel te brengen. Op haar feest, de Carmentalia (11 en 15 Januari), werd zij als beschermster van barende vrouwen onder de namen Postvorta en Antevorta, Porrima of Prorsa aangeroepen.

Carmentālis (porta), poort te Rome aan den voet van den mons Capitolīnus. Door den rechter doorgang (dexter Janus) van deze poort zijn de Fabii uitgetrokken naar de Cremera. Daarom gebruikte men dezen doorgang niet, en heet de poort scelerata.

Carmo of Carmōna, stad in Baetica tusschen Hispalis (Sevilla) en Astigi.

Carna, eene godin, aan wie als doodenoffer boonenmeel geofferd werd op den 1sten Juni, die daarnaar Kalendae Fabariae genoemd wordt. Het feest heette Carnaria. Zie omtrent de andere doodenfeesten onder Lemures.

Carnabon, koning der Geten. Toen Triptolemus in zijn rijk kwam om er den landbouw in te voeren, behandelde C. hem vijandig en doodde hij een van zijne draken. Daarom veranderde Demēter hem in een slang.

Carneades, Καρνεάδης, van Cyrēne, 213–129, stichter der derde of nieuwe academie en hevig bestrijder der stoicijnsche leer, waarvan hij vroeger een aanhanger was geweest. Volgens hem kan men door zinnelijke waarneming slechts waarschijnlijkheid, nooit waarheid, bereiken, en moesten dus de kenmerken der waarheid elders gezocht worden. In 155 werd hij met Critolāus en Diogenes door de Atheners naar Rome gezonden, om vrijstelling van eene opgelegde boete te vragen, en zijne scherpzinnigheid en welsprekendheid vond ook bij de Romeinen grooten bijval.

Carnēus, Κάρνειος, bijnaam van Apollo, onder welken hij bij verscheiden dorische stammen vereerd werd. De Spartanen geloofden, dat zij door dezen god naar de Peloponnēsus teruggebracht waren en vierden ter herinnering daaraan jaarlijks in de maand Carnēus (Aug.-Sept.) een groot feest (Κάρνεια), waarbij zij steeds gewapend waren en over het geheel het leven in den oorlog nagebootst werd.

Carni, Κάρνοι, keltisch bergvolk in den N. O. hoek van Cisalpīna, aan de Carnische Alpen. In hun gebied lagen de steden Julium Carnicum, Tergeste en Aquileia.

Carnifex of carnufex, de scherprechter, een servus publicus, die de doodstraf aan vreemdelingen en slaven voltrok. Aan rom. burgers werd deze straf voltrokken door een lictor.

Carnuntum, Καρνοῦς, Καρνοῦτον, aan den Donau, in Pannonia, belangrijk als vesting, garnizoensplaats en ligplaats der Donau-vloot.

Carnūtes of Carnūti, machtige stam in het hart van Gallia, met de hoofdstad Genabum of Cenabum, het tgw. Orléans, z. Aureliani civitas. In het gebied der Carnuten hielden de Druïden jaarlijks hunne plechtige rechtszitting.

Carocotinum, z. Caletes.

Carpates of Alpes Bastarnicae, thans Karpathen.

Carpathus, Κάρπαθος, eiland in de daarnaar genoemde Carpathische zee tusschen Creta en Rhodus. De zeegod Proteus hield daar verblijf en wordt bij dichters wel Carpathius vates genoemd.

Carpentum, een tweewielig rijtuig met een kap of huif voorzien. Een carpentum funebre was een tweewielige, rondom gesloten lijkwagen.

Carpesii of Carpetāni, Καρπητανοί, machtig volk in Hispania Tarraconensis, met de hoofdstad Tolētum (Toledo).

Carpi, dacische volksstam tusschen den [150]Donau en het westelijke gedeelte der Karpathen, die naar dit volk genoemd zijn. In de 3de eeuw n. C. treden ze meestal op aan den Beneden-Donau, en verwoesten vaak in vereeniging met de Gothen Moesia en Thracië.

Carrae of Carrhae, Κάρραι, in het O. T. Charan of Haran, stad in Mesopotamia, waar Crassus tegen de Parthen sneuvelde (53).

Carrīnas, plebejische familie. 1) C. Carrinas komt in den eersten burgeroorlog 83/82 als een van de aanvoerders der Mariani voor. Na den slag bij de porta Collīna (Nov.82) werd hij gevangen genomen en op last van Sulla ter dood gebracht.—2) C. Carrinas, consul in 43, zoon van no. 1, komt in den tweeden burgeroorlog als aanhanger van Caesar voor; later is hij een aanhanger van Octaviānus, en voert o. a. oorlog tegen S. Pompeius (36); als proconsul van Gallië onderwerpt hij in 30 de Morīni.—3) Carrinas Secundus, rhetor door Caligula in 39 n. C. verbannen, pleegde zelfmoord in de ballingschap te Athene, omdat hij niet in zijn levensonderhoud kon voorzien.—4) C. Carrinas Secundus, zoon van no. 3, werd in 64 n. C. door Nero uitgezonden, om in Griekenland geld in te zamelen.

Carroballista, ballista of blijde op twee wielen en door paarden getrokken.

Carrūca, vierwielig staatsierijtuig, ook wel als reisrijtuig gebruikt (fr. carrosse).

Carseoli of Carsioli, stad in het land der Aequi, sedert 298 latijnsche kolonie.

Carsulae, stad in het Zuiden van Umbria bij Ameria.

Carsus, Κάρσος, riviertje in het O. van Cilicië, bij de Syrische poorten, tusschen Issi (Issus) en Myriandus.

Carteia, Καρτηία, belangrijke phoenicische volksplanting nabij het fretum Gaditanum of Herculis (straat van Gibraltar), sedert 171 lat. kolonie. Bij Carteia versloeg Caesar in 45 de broeders Sextus en Cn. Pompeius.

Carthaea, Καρθαία, stad aan de Z.-zijde van het eiland Ceos.

Carthāgo, Καρχηδών = Nieuwstad, 1) de beroemde stad in Africa, die met Rome de punische oorlogen (z. a.) heeft gevoerd. De stad was ± 800 door tyrische uitgewekenen gesticht, volgens de sage onder aanvoering van Dido of Elissa, zuster van den dwingeland Pygmalion. De stad lag op een schiereiland, door eene niet breede landengte met het vasteland verbonden. Zij had twee havens; de grootste diende voor de handelsvloot, de andere, Κώθων (= beker) geheeten, was de oorlogshaven, door 220 scheepskappen omringd. De acropolis der stad heette Byrsa, Βύρσα (= burcht), en lag op een heuvel van 60 meter hoog. Op den top stond de prachtige tempel van Esmûn of Aesculapius. Aan den burg sloten zich de muren der zoogenaamde oude stad aan, 50 voet hoog en 30 voet breed, verdiepingsgewijze gebouwd, zoodat beneden stalling voor 300 olifanten, daar boven voor 4000 paarden was, en wederom hierboven ruimte voor de soldaten. De hoofdstraten liepen recht op den burg aan en hadden hooge huizen, tot zelfs van zes verdiepingen. Later werd ook de meer noordelijk gelegen voorstad, Megara, Magalia (= hoogte) of Neapolis geheeten, binnen de muren getrokken, en dit gedeelte werd het fraaiste en rijkste der stad, met tempels en prachtige lustverblijven voorzien. Eene waterleiding, 13 uur gaans lang, voorzag Carthago van water. Tot aan de 5de eeuw was het vastelandsgebied van Carthago zeer klein. Eerst in de 5de eeuw onderwerpt en onderdrukt het de omliggende libysche stammen, en verkrijgt het de heerschappij over alle phoenicische nederzettingen en faktorijen in het Westen. Het heeft verscheidene malen getracht Sicilië te veroveren; de eerste poging mislukte in 480 (slag bij de Himera); dan volgen de veldtochten van 409–404, waarbij Selīnus en Himera te gronde gegaan zijn. Dan volgen de oorlogen met Dionysius en de andere tyrannen van Syracusae, en eindelijk de oorlogen met Rome, die aan haar bestaan een einde hebben gemaakt.—Na de verwoesting in 146 bleef de stad in puin liggen, tot C. Sempronius Gracchus er in 121 de colonia Junonia stichtte; deze werd het volgend jaar weer opgeheven, maar de coloni mochten blijven wonen. Daarop heeft Caesar in 44 er eene nieuwe kolonie Carthago gesticht, die in 29 door Augustus versterkt is. Daarnaast bestond een punische stad Carthago, met een afzonderlijk gemeentebestuur, tot nog onder Augustus beide steden samengroeiden. Dit nieuwe Carthago, Colonia Iulia Carthago, ontwikkelde zich snel en werd nog grooter dan het oude, zoodat het na Rome en Constantinopel de meest bevolkte stad van het rijk werd. In 439 na C. werd het de hoofdstad der Vandalen, en na den val van het vandaalsche rijk weder de residentie der oost-rom. stadhouders. De regeeringsvorm van het oude punische Carthago, dat eenmaal 700000 inwoners telde, was oligarchisch. Aan het hoofd der zaken stond een senaat, terwijl de uitvoerende macht aan twee suffeten of rechters was opgedragen. Volksvergaderingen werden alleen in hoogen nood bijeengeroepen.—2) Carthago in Hispania, tot onderscheiding dikwijls Carthago nova genoemd, thans Carthagena, was ± 228 gesticht door Hasdrubal en werd in 209 door Scipio, den lateren Africānus maior, veroverd en tot rom. kolonie gemaakt. In de nabijheid lag de Campus Spartarius.

Cartismandua, koningin der Brigantes in Britannia, die Caractacus aan de Romeinen overleverde.

Carus (M. Aurelius), bevelhebber der praetorianen onder keizer Probus, werd na diens dood in 282 na C. door de troepen tot keizer uitgeroepen en verhief toen zijne beide zoons Carīnus en Numeriānus tot Caesars. Hij was een bekwaam veldheer. Op een tocht tegen de Perzen in 283 werd hij òf door den bliksem getroffen òf door Aper, den bevelhebber zijner lijfwacht, vermoord.

Carventum, oude stad in Latium, met een sterk kasteel. De stad was oorspronkelijk één [151]van de 30 gemeenten van den albaanschen bond (zie Albenses), en later één van de leden van den ouden latijnschen bond, waarvan Aricia en Tusculum de leiding hadden.

Carvilii, 1) Sp. Carvilius Maximus, consul in 293 en 272, overwon de Samnieten in 293, de Lucaniërs en Tarentijnen in 272 en hield twee triumftochten. Van den op de Samnieten behaalden buit bouwde hij een tempel voor de godin Fortuna.—2) Sp. Carvilius Maximus was consul in 234 en 228 en zegevierde over de Corsen en Sarden. Hij was ook augur.

Caryae, Καρύαι, stad in Laconica, door de Spartanen aan de Arcadiërs ontnomen en bekend door een tempel van Artemis Caryātis, wier priesteressen, Caryatides genaamd, eigenaardige dansen uitvoerden.

Caryanda, Καρύανδα, kuststad van Caria.

Caryatides, Καρυάτιδες, 1) zie Caryae.—2) zuilen in den vorm van vrouwenbeelden, die op het hoofd een kapiteel droegen, waarop de balken rustten. De Caryatiden van het Erechtheion op de Acropolis te Athenae worden gewoonlijk Κόραι genoemd.

Carystus, Κάρυστος, stad der Dryopes in het Z. van Euboea, beroemd door haar voortreffelijken wijn en door eene groene marmersoort.

Casca, familie in de gens Servilia. Z. Servilii no. 22.

Cascellius (A.), uitstekend jurist in den eersten tijd van Augustus’ regeering en voorstander der republiek.

Casilīnum, stad van Campania op beide oevers van den Volturnus gelegen, verdedigde zich met heldenmoed tegen Hannibal, totdat de honger zóó nijpend werd, dat de verdedigers zelfs het leder hunner schilden als voedsel trachtten te gebruiken. Eindelijk (215) viel het Hannibal in handen. Later rom. kolonie.

Casinum, volscische stad in Latium, aan de via Latīna; op den berg daarboven ligt het beroemde klooster Monte Cassino.

Casiōtis, Κασιῶτις, streek tusschen Arabia en Aegyptus, nabij Pelusium, met het graf van Pompeius.

Casius, Κάσιον ὄρος, 1) berg in Casiotis.—2) gebergte aan de kust van Syria, ten Z. van Antiochīa.

Casmena, Κασμένη, stad op Sicilia, kolonie van Syracusae, ligging onzeker.

Casperia, oud stadje der Sabijnen.

Caspiae portae, Κάσπιαι πύλαι, bergpas ten Z. der Caspische zee, ten O. der stad Rhagae, in het N. van Media. De pas, die 8000 schreden lang en niet breed was, was door de Perzen met ijzeren poorten gesloten en werd door wachtposten bewaakt. Deze pas was van groot belang, omdat de verbindingsweg tusschen het N.W. en het N.O. van het perzische rijk er door liep.

Caspii, Κάσπιοι, volksstam aan de Westkust der Caspische zee, ten N. van den Cyrus. Ook meer in het algemeen de kustbewoners dezer zee.

Caspii montes, Κάσπια ὄρη, een deel van den Caucasus, tusschen Colchis en de Caspische zee.

Caspium mare, ἡ Κασπία θάλαττα, de Caspische zee. Het zuidelijk deel heet Hyrcanum mare. Omtrent de ware ligging en de grootte dezer zee heerschten bij de ouden zeer uiteenloopende meeningen. Enkelen hielden haar zelfs voor een golf van den Oceaan.

Cassander, Κάσσανδρος, oudste zoon van Antipater, geb. omstreeks 350. Kort voor den dood van Alexander werd hij door zijn vader naar Azië gezonden, waar hij tot 319 bleef; toen keerde hij naar Europa terug om zich van het regentschap meester te maken, dat Antipater bij zijn sterven aan den ouden Polyperchon had opgedragen. Door de hulp van Ptolemaeus en Antigonus gelukte het hem vasten voet in Griekenland te krijgen; daarop deed hij een inval in Macedonië, wist het leger van Polyperchon afvallig te maken, liet Olympias, die met dezen verbonden was, dooden, hield Roxane met haar zoontje gevangen en huwde met Thessalonīce, de zuster van Alexander. Na dien tijd voerde hij, met Ptolemaeus e. a. veldheeren van Alexander verbonden, bijna voortdurend oorlog tegen Antigonus, die hem belette zich van Griekenland meester te maken; hij had in dien oorlog echter weinig geluk en werd zelfs in Macedonië door Demetrius aangevallen, totdat de slag bij Ipsus (301) hem van dezen lastigen vijand bevrijdde. De vrouw en kinderen van Alexander had hij reeds vroeger laten vermoorden, en toen hem nu bij de nieuwe verdeeling der provinciën Macedonië toegewezen werd, kon hij zich tot aan zijn dood (296) ongestoord in het bezit ervan handhaven. In 306 had hij in navolging van Antigonus den titel van koning aangenomen.

Cassandra, Κασσάνδρα, of Alexandra, de schoonste van Priamus’ dochters. Apollo verleende haar uit liefde het vermogen de toekomst te voorspellen, maar daar zijne liefde onbeantwoord bleef, wreekte hij zich door te veroorzaken, dat men haar algemeen voor krankzinnig hield en niemand hare voorspellingen geloofde. Bij de verovering van Troje zocht zij bescherming in den tempel van Athēna, maar Aiax, de zoon van Oīleus, die haar daar vond, onteerde en mishandelde haar. Bij de verdeeling van den buit werd zij aan Agamemnon toegewezen, die haar naar Mycēnae medenam; na zijn dood werd zij met hare beide kinderen ook vermoord. Cass. had te Leuctra in Laconica een tempel, haar graf was te Mycēnae of te Amyclae.

Cassandrēa, Κασσάνδρεια, het vroegere Potidaea, door Philippus van Macedonia verwoest, door Cassander herbouwd.

Cassia (lex) agraria, van den consul Sp. Cassius Viscellīnus, 468, zie Agrariae leges.

Cassia (lex) de senatu, van den volkstribuun L. Cassius Longīnus, 104, dat zij, die door het volk veroordeeld of van hun imperium ontzet waren, geen zitting mochten hebben in den senaat.

Cassia (lex) tabellaria, van den volkstribuun [152]L. Cassius Longīnus, 137. Door deze wet werd de geheime stemming ingevoerd bij de iudicia populi, behalve in zaken van perduellio. Zie Tabellariae leges.

Cassia Terentia (lex) frumentaria van de consuls C. Cassius Longīnus (Cassii no. 7) en M. Terentius Varro Lucullus, 73, tot herstel der korenuitdeelingen, die door Sulla waren opgeheven. Zie annona.

Cassia (via), van Rome over Clusium en Arretium naar Florentia. Van hier gaat een andere weg over de Apennijnen naar Bononia.

Cassii, 1) Sp. Cassius Viscellinus, voor zoover bekend de éénige patriciër onder de Cassii, was in 502 consul en hield als zoodanig een triumftocht over de Sabijnen. In 501 (v.a. 498) was hij magister equitum onder den eersten dictator, T. Larcius Flavus. Toen hij in 493 ten tweeden male consul was, hielp hij, volgens de traditie, de verzoening tot stand brengen tusschen de patriciërs en de uitgeweken plebejers. Hij heeft in dat jaar ook den tempel van Ceres, Liber en Libera in Aventino (z. Ceres) gewijd. Hij heeft toen ook het bondsverdrag met de Latijnen tot stand gebracht. In 486 was hij ten derden male consul en stelde toen de lex Cassia agraria voor, volgens welke de tot ager publicus gemaakte grond der Hernici zou verdeeld worden onder de behoeftige plebejers en de latijnsche bondgenooten. Deze laatste bijvoeging ontstemde de plebs, en het viel den adel niet moeielijk, Cassius verdacht te maken van naar het koningschap te streven; hij werd ter dood veroordeeld en van de Tarpejische rots geworpen, of volgens eene andere overlevering door zijn eigen vader ter dood gebracht. Het verhaal omtrent de akkerwet is onhistorisch, en is afkomstig uit den tijd na C. Gracchus (123–121) en M. Drusus (91). Vast staat alleen het feit, dat Cassius wegens het streven naar de heerschappij ter dood gebracht, en zijn huis afgebroken werd. De latere plebejische Cassii zijn als cliënten te beschouwen van de vroegere patricische gens Cassia.—2) Q. Cassius Longīnus bracht als praetor in 167 koning Perseus als gevangene naar de bergvesting Alba Fucentia. Hij stierf als consul in 164.—3) L. Cassius Longinus, kleinzoon van no. 2, bracht in 111 als praetor koning Jugurtha onder vrijgeleide naar Rome als getuige in zake de gepleegde omkoopingen. Als consul sneuvelde hij in 107 in Aquitanië tegen de Cimbren en de Helvetiërs (de Tigurīni).—4) L. Cassius Longinus Ravilla (= grijsoog), volkstribuun in 137, was de vader der lex Cassia tabellaria. Hij was censor in 125. Als rechter was hij zeer gevreesd, en bekend om zijn: “Cui bono?”—5) L. Cassius Longinus, zoon van no. 4, kenmerkte zich als tegenstander der optimaten en bracht o. a. in 104 als volkstribuun de lex Cassia de senatu tot stand.—6) C. Cassius Longīnus was consul in 171 en censor in 155/4, en wilde een vast theater bouwen; doch P. Scipio Nasīca, die in 155 consul was, belette dit, en een senaatsbesluit van 154 verbood zelfs, de tooneelstukken anders dan staande te aanschouwen.—7) C. Cassius Longinus, consul in 73, hernieuwde de door Sulla gestaakte korenuitdeelingen (lex Cassia Terentia frumentaria). In den zwaardvechtersoorlog werd hij in 72 door Spartacus verslagen.—8) C. Cassius Longinus was quaestor van Crassus, toen deze in 53 tegen de Parthen omkwam, en redde door zijn beleid het overschot van het leger. Hij verdedigde Syria tegen de Parthen en bracht hun in 51 eene groote nederlaag toe. In den strijd tusschen Caesar en Pompeius koos hij de partij van den laatsten en versloeg zelfs Caesars vloot bij Sicilia; doch na den slag bij Pharsālus verzoende hij zich met Caesar, die hem tot zijn legaat aanstelde, zonder hem echter een commando te geven, en hem in 44 de praetuur verschafte. Niettemin stelde Cassius zich met M. Junius Brutus aan het hoofd der samenzwering, die aan Caesar het leven kostte. Uit de briefwisseling tusschen Cicero en Cassius maakt men op, dat Cicero op de stemming van Cassius, en dus indirekt ook op het moordplan invloed heeft geoefend. Hierop vertrok hij naar de provincie Syria, hem door Caesar voor het volgende jaar toegezegd, verdreef den stadhouder Dolabella, aan wien de senaat Syria had toegewezen, nam bloedige wraak op de aanhangers van Caesar in Asia en trok, met Brutus vereenigd, naar Macedonia, waar beiden, na de nederlaag van Philippi (herfst van 42), zich om het leven lieten brengen. Juist zijn samengaan met den onbeduidenden Brutus schijnt zijn verderf geworden te zijn. Zie Junii no. 9.—9) Q. Cassius Longinus, berucht door zijne afpersingen in Hispania als legaat van Pompeius (54), was een der beide volkstribunen (de andere was Antonius), die 7 Jan. 49 uit Rome naar Caesar vluchtten. Caesar nam hem mede naar Hispania en liet hem daar achter als propraetor van H. ulterior, waar echter zijne willekeur een oproer onder het leger verwekte. Toen hij nu met zijne geroofde schatten naar Italië wilde oversteken, leed hij aan den mond van den Ibērus schipbreuk en kwam om (begin 47). Hij heeft door zijn optreden Caesar’s zaak zeer benadeeld, en den grond gelegd voor den opstand der Pompeiani, die in den slag bij Munda onderdrukt werd (45).—10) L. Cassius Longinus, broeder van no. 8, was legatus van Caesar in den oorlog tegen Pompeius, doch als broeder van den moordenaar van Caesar was hij bij Antonius verdacht. Deze belette hem dus het bezoek van de senaatszitting van 28 Nov. 44, waarin A. tegen Octaviānus wilde optreden. Hij ging in 43 naar Azië, maar nam geen deel aan den oorlog, zoodat A. hem in 41 toestond in het vaderland terug te keeren.—11) L. Cassius Longinus, zoon van no. 10, sneuvelde bij Philippi in het leger van zijn oom.—12) L. Cassius Longinus, Cicero’s mededinger naar het consulaat en deelgenoot van Catilina’s samenzwering.—13) C. Cassius Parmensis (van Parma), een der deelnemers aan Caesars moord, vervolgens [153]legaat van no. 8, vereenigde zich na den slag bij Philippi met Sex. Pompeius, ging na diens dood tot Antonius over en werd na den slag bij Actium op last van Octavianus ter dood gebracht. Hij schreef treurspelen en epigrammen.—14) C. Cassius Longinus, proconsul van Asia 40–41 n. C., stadhouder van Syria onder keizer Claudius tusschen 44 en 49, werd in 65 door Nero verbannen, omdat hij in zijn huis de beeltenis van no. 8 had. Vespasiānus riep hem terug. Hij had grooten naam als rechtsgeleerde.—15) C. Cassius Chaerea, krijgstribuun bij de praetorianen onder Caligula en door dezen beleedigd, was het hoofd der saamgezworenen, die in 41 na C. den keizer om het leven brachten. De nieuwe keizer Claudius liet Chaerea terstond ter dood brengen.—16) L. Cassius Hemina, annalenschrijver omstreeks 150, schreef, naar het voorbeeld van Cato, in het Latijn.—17) T. Cassius Sevērus, redenaar van grooten naam onder de eerste twee keizers.—18) Cassius Avidius of Avidius Cassius, waarschijnlijk uit Syria afkomstig, streed onder Marcus Aurelius en L. Verus met veel beleid en geluk tegen de Parthen en elders. Hij veroverde in 163 n. C. Edessa, en joeg de Parthen over den Tigris terug, en zuidelijk trekkende veroverde en verwoestte hij Seleucia en Ctesiphon (164), maar moest later, door honger en pest gedwongen, terugkeeren. In 175 wierp hij zich zelf tot keizer op, doch werd drie maanden later door een zijner onderbevelhebbers vermoord.—19) Cassius Dio, geschiedschrijver, zie Dio Cassius.

Cassiope, -opēa, -epēa, Κασσιέπεια, -όπεια, -όπη, 1) moeder van Andromeda (z.a.). Zij werd met haar echtgenoot en dochter onder de sterren opgenomen.—2) stad en kaap aan de N. O. punt van Corcȳra.

Cassis, 1) oorspronkelijk de helm van metaal in tegenstelling van den lederen helm, galea. Later evenwel werd de naam galea voor alle soorten van helmen gebezigd. Nevenvorm is cassida.—2) een jachtnet.

Cassiterides insulae, Κασσιτερίδες νῆσοι, de Scilly-eilanden ten Z. W. van Britannia. Hierheen brachten de inboorlingen van Cornwallis in met leer overtrokken booten het engelsche tin en lood, dat ze tegen aarde- en koperwerk en zout vooral aan de inwoners van Tartessus verkochten.

Cassivelaunus, aanvoerder der Britten tijdens de tweede landing van Caesar in Britannia.

Cassotis, Κασσοτίς, bron in den delphischen tempel, zie Delphi. Ook de nimf van die bron.

Castalia, Κασταλία, bron op den Parnassus, aan Apollo en de Muzen gewijd; wie van het water uit deze bron dronk, werd met dichterlijke geestdrift vervuld; ook werd het voor reinigingen, enz. in den delphischen tempel gebruikt.—Den naam Castalia had deze bron naar eene nimf, die er in gesprongen was, daar zij de liefde van Apollo niet beantwoordde en aan zijne vervolgingen niet konde ontkomen.

Castalides, Κασταλίδες, de Muzen, zoo genoemd naar de bron Castalia.

Castellum, fort of kleine vesting. In den keizertijd zijn het de kleine wachtposten aan de grenzen, waarover sedert de 3de eeuw de grenssoldaten (de latere milites limitanei) verdeeld werden. Zie verder vicus no. 3. Castellum aquae, reservoir bij eene waterleiding, dikwijls een sierlijk gebouwde en met beeldwerk en zuilen versierde soort van watertoren, vanwaar het water dan naar verschillende fonteinen en gebouwen werd geleid.

Castōlus, Καστωλός, vermoedelijk eene stad in Lydia, in de nabijheid van Sardes, met eene vlakte, die tot verzamelplaats der troepen diende.

Castor, Κάστωρ, 1) z. Dioscūri.—2) schoonzoon van Deiotarus, schreef een vervolg op de Χρονικά van Apollodorus (no. 1), dat tot het jaar 61 liep.

Voorzijde naar den vijand gekeerd.

Achterzijde der legerplaats.

Castra. Als regel gold bij de Romeinen, dat een leger in den oorlog des nachts altijd door een wal en een droge gracht moest beschermd zijn. Wanneer voor de legerplaats eene geschikte plaats was uitgekozen, werd door een metator het kamp met vaantjes uitgebakend en hierop togen de soldaten aan den arbeid, om eene gracht te graven, waarvan de aarde naar binnen [154]werd opgeworpen tot een wal. Volgens de beschrijving, die wij ervan hebben, bood een kamp in de dagen der republiek plaats aan voor twee legioenen met de daarbij behoorende socii. Het vormde een vierkant, zooals de teekening op de vorige pagina te aanschouwen geeft. De wal had vier poorten: 1 porta praetoria, waardoor het leger uittrok, in de naar den vijand toegekeerde zijde, 2 porta decumana aan de achterzijde der legerplaats, 3 porta principalis sinistra, 4 porta principalis dextra. De weg a a, die deze beide uitgangen verbond, heette via principalis, waarschijnlijk omdat ze liep langs het principium, het achterste gedeelte van het kamp, waar het praetorium enz. stond, terwijl de weg b b, die achter de vijfde manipels heen liep, den naam van via quintana droeg. Dit wordt duidelijker door bijgaande schets, waarin een gedeelte der legerplaats grooter is voorgesteld, en waarin tevens de rangschikking der verschillende wapens is aangegeven. Van het praetorium (P), het kwartier van den veldheer, liep de via decumana of praetoria (c c) naar de porta praetoria. Naast het praetorium had men aan de eene zijde het quaestorium (Q) met de tent van den quaestor en, voorzoover noodig, de bergplaatsen van proviand enz., en aan den anderen kant het forum (F). Om het praetorium, quaestorium en forum heen stonden de tenten van de tribuni militum en de praefecti sociorum (5), die der uitgelezen infanterie (6) en cavalerie (7) en vrijwilligers, evocati et selecti pedites et equites, en de keurbenden, onder den naam van extraordinarii pedites et equites uit de contingenten der bondgenooten uitgekozen (8), alsmede de auxilia van vreemde volken, wanneer deze aanwezig waren. Binnen den wal bleef een weg open van 200 voet breedte (intervallum) ten einde den vijand te beletten, door het werpen van brandbare stoffen het kamp in brand te steken. De wal was dikwijls met palissaden voorzien. In de winterkwartieren, hiberna (sc. castra) werden de tenten door houten barakken vervangen.—Het legerkamp van den keizerstijd was bestemd voor drie legioenen met de daarbij behoorende auxilia en de keizerlijke garde (cohortes praetoriae). Het praetorium bevindt zich nu in het midden van het kamp, met het front naar de via principalis, die nu dichter bij de porta praetoria ligt. De via quintana loopt nu achter het praetorium, evenwijdig met de via principalis. Rechts en links van de veldheerstent, op de latera praetorii, kampeeren de staf en de staftroepen (cohortes praetoriae); het voorgedeelte van het kamp, door de via praetoria in tweeën gedeeld, heet praetentura, het achtergedeelte retentura.

Plattegrond van een castra.

Castra, naam van onderscheidene plaatsen, die uit legerkampen zijn ontstaan, doordat zich in de nabijheid van het vaste kamp eene stad of een dorp vormde. Castra Cornelia (Corneliana) in het oude carthaagsche gebied, de landingsplaats van Scipio Africānus maior, waar hij in den winter van 204–203 zijn kamp had, nabij Utica. Castra Batāva, aan de samenvloeiing van den Danubius en den Aenus (Inn), thans Passau. Castra Hannibalis, stad in het land der Bruttii aan de O.-kust, nabij Scyllaceum. Castra Herculis, in de Betuwe, Kesteren. Castra Pyrrhi, aan den Aous, in het landschap Triphylia, in het N. van Epīrus. Castra Regina, in Raetia, tgw. Regensburg. Castra Vetera, in Belgica, nabij den Rijn; de naam leeft voort in den naam van het dorp Birten [155]tegenover Wesel. Uit de nederzetting bij Castra Vetera (de Canabae z. a.) ontstond een stad, die door Traiānus onder de koloniën werd opgenomen, Col. Ulpia Traiana, hoofdplaats van het land der Cugerni, die daarnaar vaak Traianenses heeten. In de 4de eeuw n. C. heet de plaats Tricesima of Tricesimae, tegenwoordig Xanten a/Rhein. De uitgangen -cester, -chester bij vele plaatsen in Engeland zijn verbasteringen van castra of van castrum.

Castra praetoria, vaste legerplaats der praetoriaansche garde, in 23 n. C., onder de regeering van Tiberius, buiten de porta Viminālis gebouwd door den praefectus praetorio Aelius Seiānus.

Castrum, sterkte, kasteel. Zie vicus no. 3. Ook een aantal steden droegen dezen naam. Castrum Inui, zie Inui castrum. Castrum novum, naam van twee rom. koloniën, de eene op de kust van Etruria, tusschen Centumcellae en Pyrgi, de andere op die van Picēnum, in het land der Praetutii. Castrum Verginum (Bergium), in het land der Bergistāni (z. a.).

Castulo, Κασταλών, bloeiende stad der Oretāni in Hispania, aan den bovenloop van den Baetis (Guadalquivir). In den omtrek waren zilvermijnen. De saltus Castulonensis maakte een deel uit der tegenw. Sierra Morena.

Casystes, Κασύστης, haven van Erythrae in Ionia.

Catabathmus, Καταβαθμός, bergstreek en dal aan de kust van Afrika, de grens vormende tusschen Cyrenaïca en Aegyptus.

Catabothra, τὰ Κατάβοθρα, onderaardsche afwateringskanalen van een meer, zooals bij het meer Copaïs in Boeotia, waar men bij lagen waterstand zich zelfs een eind ver in de afvoerwegen kon begeven.

Catadromus, κατάδρομος, schuin gespannen koord, waarlangs koorddansers op- en afliepen.

Catadūpa, τὰ Κατάδουπα, de watervallen van den Nijl aan de aethiopische grenzen.

Catagogia, Καταγώγια, feest ter eere van Aphrodīte op den berg Eryx gevierd, wanneer de godin met hare gewijde duiven van haar jaarlijksche reis naar Libye terugkeerde. Vgl. anagogia.

Catalauni, thans Châlons-sur-Marne, in Gallia, bekend door de nederlaag van Attila in 451 na C.

Catamītus = Ganymēdes.

Catana, Κατάνη, thans Catania, kolonie van Chalcis, omstreeks 725 aan den voet van den Aetna gesticht. Door de vruchtbaarheid van den bodem steeg de stad spoedig tot een hoogen trap van bloei, totdat Hiero van Syracuse ze in 476 veroverde en de bewoners naar Leontīni overbracht, terwijl hij daarentegen Catana weder bevolkte met 5000 Syracusanen en 5000 Peloponnesiërs, en den naam der stad in Aetna veranderde. Na Hiero’s dood (461) hernamen de Cataniërs hunne stad; de door hen verjaagde bewoners verhuisden naar Inessa, dat voortaan Aetna heet. De Cataniërs moesten echter opnieuw zwichten voor Dionysius (403) en later nogmaals voor Agathocles. In den eersten punischen oorlog viel de stad in handen der Rom. Sedert Augustus, die er kolonisten heenvoerde, is het naast Messana de belangrijkste stad van Sicilië.

Cataonia, Καταονία, Z.O. gedeelte van Cappadocia, met verscheidene bergvestingen, zeer vruchtbaar.

Cataphractus, κατάφρακτος, ruiter, wiens lichaam en paard met een schubbenpantser bedekt waren.

Catapulta, καταπέλτης, soort van geschut waarmede men zware werpspiezen en steenen slingerde.

Catarractes of -ta, Καταρράκτης, ook met één r geschreven, rivier in Pamphylia, die met donderend geraas zich boven van de rotsen in zee stort. Ook wordt het woord gebezigd van watervallen in een stroom, vooral van de watervallen in den Nijl. Het woord kan ook een stuw in een rivier of een valdeur in eene vestingpoort beteekenen.

Catasta, verbastering van κατάστασις, schavot of planken verhevenheid tot tepronkstelling van misdadigers of tentoonstelling van slaven ten verkoop.

Cateia, een lange, dunne keltische werpspies, waaraan een riem bevestigd was, waarmede men de spies na den worp weer naar zich toe kon trekken.

Catervarii, zwaardvechters, die niet twee aan twee, maar bij afdeelingen tegen elkander streden.

Cathaei, Καθαῖοι, indisch volk, waartegen Alexander de Groote streed, ten O. van den Acesīnes.

Catharsius, Καθάρσιος, de reinigende, bijnaam van Zeus.

Cathedra, καθέδρα, stoel met rugleuning, doch zonder armleuningen, voornamelijk in gebruik bij de vrouwen en bij de leeraars in philosophie, rhetorica en dgl. Vandaar ons woord katheder.

Catilīna, familienaam in de gens Sergia. Zie Sergii no. 5.

Catilius Sevērus (L.), staatsman onder keizer Hadriānus, viel in ongenade, omdat hij zich tegen de adoptio van Antonīnus Pius verklaarde (138 n. C.). Hij was toen praefectus urbi.

Catillum.

Catillum of -lus, soort van korenmolen. Het graan werd bovenin gestort en viel dan tusschen het binnenste en den mantel. Door nu den mantel rond te draaien, wreef men de korrels fijn tot meel.

Catil(l)us, zie Tiburtus.

Catina = Catana. [156]

Catius, een Insubriër uit Ticinum, epicureïsch wijsgeer uit Cicero’s tijd.

Cato, familienaam in de gens Porcia. Zie ook Valerii no. 37.

Catreus, Crēteus, Κατρεύς, Κρητεύς, zoon van Minos en Pasiphaë, vader van Althaemenes (z.a.), Aërope, Clymene en Apemosyne.

Catti of Chatti, Χάττοι, germaansche stam, Hatten of Hessen, tot de groep der Herminonen behoorende. Hunne hoofdstad was Mattium. Zij wisten tegen de Romeinen hunne vrijheid te handhaven en wonnen zeer in macht na den val der Cheruscers. Een afdeeling van hen vormden de aan de Romeinen onderworpen Mattiaci (z. a.).

Catullus, rom. dichter. Zie Valerii no. 38.

Catulus, familienaam in de gens Lutatia.

Caturīges, volk in Narbonensis in het bovendal van de Druentia (Durance). Hoofdst. Eburodūnum, thans Embrun.

Caucasa, τὰ Καύκασα, stad in het Z. van Chius.

Caucasus, Καύκασος, thans het kaukasisch gebergte, bij de ouden slechts zeer onvolkomen bekend. De Caucasiae portae, Καυκάσιαι πύλαι, waren een bergpas tusschen ontzaggelijke rotsen, door eene onneembare vesting gedekt. Het is waarschijnlijk dezelfde pas als de Sarmaticae portae (z.a.). De mythe laat hier, op bevel van Zeus, Promētheus door Hephaestus aan een rots vastklinken, daar bij de oudste Grieken de Caucasus voor een van de eindpalen der wereld gold. Zijn toppen reikten tot aan den hemel.

Caucasus Indicus, thans Hindoe-koh, uit den latijnschen of griekschen naam verbasterd. Door een misverstand gaf het leger van Alexander dezen naam aan den Paropanīsus.

Cauchi = Chauci.

Caucōnes, Καύκωνες, oud pelasgisch volk, later verdwenen, in Griekenland (Triphylia en Elis) en Klein-Azië (Bithynië). De aziatische komen bij Homerus als bondgenooten der Trojanen voor.

Caudex = Codex.

Caudicaria navis, platboomd vaartuig, zolderschuit, lichter, uit ruwe planken getimmerd, die o. a. gebezigd werden om koren van Ostia naar Rome te vervoeren.

Caudium, oude stad in Samnium aan de via Appia nova. In de nabijheid, tusschen Calatia en Caudium, lag de bergpas, furculae Caudīnae, waar in 321 de consuls T. Veturius Calvīnus en Sp. Postumius Albīnus door de Samnieten werden ingesloten.

Caulon of Caulonia, Καυλωνία, stad aan de Oostkust van het land der Bruttii gelegen, zuidelijkste der achaeische koloniën, òf van uit het moederland, òf door Croton gekoloniseerd. Het was reeds vroeg een bloeiende stad en één van de steunpunten der Pythagoreërs. In 389 werd het door Dionysius den Grooten gesloopt, en de bewoners naar Syracusae overgebracht. Weldra werd het weer opgebouwd, en later in den oorlog met Pyrrhus door campaansche troepen ingenomen. De stad is vroeg vervallen. De meening van sommige grieksche geleerden, dat het oudtijds Aulon of Aulonia geheeten heeft, wordt door de munten weerlegd.

Caunus, Καῦνος, ongezond gelegen stad in het Z. van Caria, geboorteplaats van den schilder Protogenes (± 315). De stad dreef grooten handel in gedroogde vijgen, cauneae.

Caupōna, καπηλεῖον. In de steden en langs de groote wegen vond men oudtijds wel herbergen en logementen, ook deversoria genoemd, doch deze waren meestal slecht en vuil, dikwijls vol ongedierte, en voor lieden van aanzien niet geschikt. Tegen het einde van de republiek werden ze echter ook door rijkere menschen bezocht. Ook wordt caupona gebruikt voor herbergen en kroegen, waar men wijn en dranken en soms ook eetwaren verkocht; in dat geval heeten ze vaak popinae.

Caurus = Corus.

Causia, καυσία, breedgerande hoed van macedonischen oorsprong.

Cautio, elke handeling, hetzij borgstelling, pandgeving, schuldbekentenis, kwitantie of belofte, waardoor men iemand een waarborg geeft tegen mogelijke schade. Cautio de dolo, de gewaarborgde verzekering dat men geen kwaad in den zin heeft.

Cayster of -trus, Κάυστρος, rivier van Klein-Azië, die voorbij Ephesus in de Aegaeische zee valt, en beroemd was door de talrijke zwanenvluchten, die er zich ophielden.

Cavari (Cavares), volksstam in Gallia Narbonensis, aan den linkeroever van de Rhône, tusschen de Druentia (Durance) en Isara (Isère).

Cavarīnus, senonisch Galliër, door Caesar tot koning over de Senones aangesteld, maar door zijne landslieden weder verdreven (54).

Cavaedium, cavum aedium, het holle van het huis, nl. de binnenplaats van een rom. heerenhuis, waarop verschillende vertrekken uitkwamen. Met de toeneming der weelde evenwel werd het cavaedium allengs herschapen in eene binnenzaal op de wijze van het atrium, met dakopening en regenvanger, maar ruimer dan het atrium, en in het midden met bloemen en beelden versierd.

Cavea, in het algemeen een kooi (kevie), traliewerk, afrastering, meer in het bizonder de ruimte, die in amphitheater, circus of theater voor de toeschouwers was bestemd. Zij was in drie rangen verdeeld: ima, media en summa cavea. Zie ook balteus.

Cea, latijnsche naam voor het eiland Ceos.

Ceadas, Κεάδας, Καιάδας, een afgrond te Sparta, waarin misdadigers (later hunne lijken) geworpen werden.

Cebenna mons, τὸ Κέμμενον ὄρος, het woeste gebergte der Cévennes, in Gallia.

Cebes, Κέβης, van Thebe, leerling van Socrates. Denzelfden naam draagt de schrijver van een wijsgeerig gesprek, Πίναξ, bevattende een allegorisch tafereel van het menschelijk leven, dat uit de 1ste eeuw na C. dateert.

Cebren, Κεβρήν, riviertje en stad in Troas aan den Ida, tusschen Scepsis en Neandria.

Cebrēnis, Κεβρηνίς, Oenōne, dochter van den riviergod Cebren. [157]

Cebriones, Κεβριόνης, zoon van Priamus en eene slavin, wagenmenner van Hector, viel door de hand van Patroclus.

Cecīdes, Κηκείδης, van Hermione, dithyrambendichter uit de eerste helft van de vijfde eeuw.

Cecropia, Κεκροπία, oude naam der acropolis van Athenae, bij dichters ook de stad zelve.

Cecropides, Κεκροπίδης, Theseus, afstammeling van Cecrops. Ook in het algemeen, vooral in het meervoud, = Athener.

Cecropis, Κεκροπίς, 1) Agraulus, de dochter, en Procne en Philomēla, de kleindochters van Cecrops.—2) = Attica.—3) een van de 10 phylae, waarin de bevolking van Attica door Clisthenes verdeeld werd.

Cecrops, Κέκροψ, een attisch autochthoon of pelasgisch koning van Attica, stichter der atheensche acropolis, die, evenals het geheele land, naar hem Cecropia genoemd wordt. Hij verdeelde het volk in twaalf gemeenten, en was de grondlegger van beschaving en zachtere zeden door het afschaffen van menschenoffers, het instellen van verschillende godsdienstplechtigheden, enz. In den wedstrijd tusschen Poseidon en Athēna (z. a.) werd hij v. s. tot rechter verkozen. Hij was de vader van Erisychthon, Agraulus, Herse en Pandrosus. Als mythisch wezen wordt hij soms voorgesteld als half mensch, half draak (geminus, διφυής), lateren daarentegen maakten van hem een Aegyptenaar, die uit Sais eene volkplanting naar Attica gebracht zou hebben.

Cecryphalēa, Κεκρυφάλεια, eilandje in de Saronische golf, tot Argolis behoorende.

Cedalio, Κηδαλίων, dienaar van Hephaestus.

Cedides, Κηδείδης = Cecīdes.

Cedreae, Κεδρέαι, of Κεδρεῖαι, stad in Caria aan de Ceramische golf.

Cedrus, κέδρος, 1) de cederboom.—2) de olie of harst, die uit cederhout werd getrokken door het bij het vuur te leggen. Met deze cederolie wreef men de buitenbladen der boekrollen in, om ze te vrijwaren tegen mot.

Celaenae, Κελαιναί, bloeiende stad in het Z. van Groot Phrygia, aan de bronnen van den Maeander en den Marsyas. In Xenophons tijd was er een paleis van den perzischen koning, een van den satraap en een jachtpark. Hier behoort de mythe van Marsyas te huis.

Celaeno, Κελαινώ, eene van de Harpyiën.

Celeia, aanzienlijke rom. kolonie in Noricum, tusschen den Dravus (Drau) en den Savus (Sau).

Celelātes, ligurisch volk ten Z. van den Padus (Po).

Celeres, oudste naam der ruiterij bij het rom. leger, volgens het verhaal ten getale van 300 door Romulus ingesteld. Ze werden aangevoerd door 3 tribuni celerum. Z. verder equites.

Celetrum, Κήλητρον, stad in het macedonische landschap Orestis.

Celeüs, Κελεός, koning van Eleusis, die Demēter gastvrij ontving toen zij hare dochter daar kwam zoeken; hij was haar eerste priester te Eleusis en genoot zelf na zijn dood goddelijke eer. Hij was de vader van Demophon en Triptolemus.

Cella.

Cella. Onder dezen naam verstaat men vooreerst allerlei soorten van kelders en bergplaatsen (cella frumentaria, olearia, vinaria). In de tweede plaats zijn cellae kleine, meest gewelfde, kamertjes of cellen, die tot slaapvertrekjes dienden voor de slaven, in herbergen ook voor reizigers, enz.; zij hadden geen andere opening dan den ingang. Ten derde komen de badkamers in de huizen enkele malen onder den naam cella voor, b.v. cella caldaria = caldarium, enz. Ten vierde is cella het inwendige van een tempel, het tempelruim, waar het beeld der godheid stond.—Onder frumentum in cellam verstaat men het koren, dat de stadhouder voor zich en zijn gevolg noodig had en dat de landbouwers hem tegen een vastgestelden prijs in magazijn moesten leveren.

Celox, κέλης, κελήτιον, snelvarend schip met eene sterke bemanning roeiers en daarom ook zeer geschikt voor zeeroof.

Celsus, 1) Celsus Albinovanus, lierdichter en vriend van Horatius.—2) A. Cornelius Celsus, geneesheer onder de eerste keizers, was de schrijver van eene encyclopaedie de artibus in 20 boeken, waarvan nog 8 de medicina bestaan.—3) P. Iuventius Celsus, vader en zoon, waren beroemde rechtsgeleerden onder Vespasiānus en Hadriānus.—4) Celsus, schrijver van den ἀληθὴς λόγος (± 180 n. C.) de eerste, zeer belangrijke, bestrijding in het Grieksch van het Christendom. De tekst is grootendeels bewaard gebleven door het geschrift van Origenes, waarin hij Celsus wederlegt (248 n. C.).

Celtae, Κελτοί, machtige volksstam, die in ouden tijd het grootste gedeelte van Midden-Europa bewoonde. Vooral woonden zij onder den naam van Galli, Γαλάται, in Gallia. De Kelten of Galliërs schijnen echter zeer treklustig geweest te zijn; er worden verscheidene zwerftochten van hen vermeld. Men vond er in Hispania, in Britannia, in Cisalpīna, in Macedonia, in Asia (waar zij genoodzaakt werden in het naar hen genoemde landschap Galatia vaste woonplaatsen te kiezen). De groote volksverhuizing drong hen naar de kuststreken. Zij waren forsche en gespierde menschen, blond of rossig van haar. De tegenw. bevolking van Wales, de Hooglanden van Schotland, Ierland, Bretagne en de baskische gewesten is nog grootendeels van keltischen oorsprong. Bij grieksche schrijvers staat Κελτοί vaak voor Germani, tegenover Γαλάται = Galli.

Celtibēri, Κελτίβηρες, dapper en vrijheidslievend [158]volk, half van keltischen, half van iberischen stam, in Hispania, op de waterscheiding tusschen den Oceaan en de Middellandsche zee. Eerst steunden zij de Romeinen in den strijd tegen de Carthagers; vervolgens verweerden zij zich dapper tegen Rome, tot met den dood van Sertorius in 72 hunne kracht gebroken was. Numantia (bellum Numantinum 143–133) was een hunner steden.

Cena, zie Coena.

Cenabum of Genabum, het tgw. Orléans, z. Aureliani civitas.

Cenaculum, de bovenverdieping van het huis, oorspronkelijk voor den maaltijd gebruikt, zie Coena.

Cenaeum, Κηναῖον ἄκρον, kaap op Euboea tegenover de Thermopylae, met een tempel van Zeus.

Cenchreae, Κεγχρέαι, een der drie havens van Corinthus, aan de Saronische golf.

Cenomāni, Κενομανοί, keltische volksstam, die zich in de vijfde eeuw in Cisalpīna vestigde in de omstreken van Mantua en Verona. Een ander gedeelte van den stam woonde in Gallia Lugdunensis, ten Noorden van de Loire, zie Aulerci.

Cenotaphium, Κενοτάφιον, ook wel tumulus honorarius of inanis, grafheuvel of graftombe zonder lijk, ter eere van iemand, wiens lijk men niet had kunnen vinden of die elders was begraven.

Censor. Vóór 445 werd de census te Rome door de consuls gehouden, waarbij dan het lot besliste, wie van beiden na afloop daarvan het plechtige reinigingsoffer of lustrum houden zou. Toen nu evenwel in 445 ten gevolge van het canuleïsche wetsontwerp (zie Canulēia (lex)) besloten werd, aan den drang der plebejers om aandeel in het consulaat tijdelijk te gemoet te komen door de verkiezing van tribuni militum consulari potestate, zonder onderscheid van stand promiscue e patribus et plebe, wierpen de patriciërs het bezwaar op, dat wellicht het lot een plebejer tot het houden van het lustrum zou aanwijzen, en wisten hierdoor de instelling van een nieuw patricisch ambt, dat der censoren, te verkrijgen. Waarschijnlijker is het dat de instelling der censuur noodzakelijk was geworden wegens de steeds vermeerderende ambtsbezigheden der consuls, die dit werk in één jaar niet konden voltooien, en dus het lustrum condere aan hun opvolgers moesten overlaten. Misschien ook is de censuur eerst toen ingesteld, en dateert de klassenindeeling van Servius Tullius eerst van dezen tijd. De eerste censoren (443) waren L. Papirius Mugillānus en L. Sempronius Atratīnus. Eerst in 351 komt C. Marcius Rutilus als de eerste plebejische censor voor. In 339 bepaalde de lex Publilia van den dictator Q. Publilius Philo, dat één der censoren uit de plebs moest worden gekozen, waarna in 131 voor de eerste maal twee plebejische censoren voorkomen, Q. Caecilius Metellus Macedonicus en Q. Pompeius. Oorspronkelijk was de duur van het censorsambt vijf jaar; doch reeds in 434 werd het door de lex Aemilia van den dictator Mam. Aemilius Mamercīnus tot 1½ jaar beperkt, zoodat de staat dan 3½ jaar zonder censoren was. Waarschijnlijker is het echter dat deze wet den oorspronkelijk éénjarigen ambtstijd, wegens de vele werkzaamheden aan den census verbonden, tot anderhalf jaar verlengde. Meestal koos men tot deze waardigheid oud-consuls. Onmiddellijk na de verkiezing, die plaats had in comitiis centuriatis, aanvaardden de censoren hun ambt, maar hadden voor het uitoefenen daarvan behalve de gewone rechten der potestas nog een bijzondere bevoegdheid noodig, de censoria potestas, die hun door een lex centuriata de censoria potestate werd verleend. Tot de werkzaamheden der censoren behoorde in de eerste plaats het houden van den census (z. a.) met het daaraan verbonden lustrum (z. a.), vervolgens het opmaken der senatorenlijst voor de eerstvolgende vijf jaar, waarbij zij degenen, die door hen onwaardig werden geacht, uit den senaat konden verwijderen. In de derde plaats behoorde er toe de verpachting van tollen en andere indirecte belastingen (vectigalia publica fruenda locare of vendere), de aanbesteding van openbare werken (opera locare), en de regeling der door elken burger te betalen belasting. Het meest gevreesd waren de censoren om hun toezicht op de zeden, regimen morum. Dikwijls trokken zij streng te velde tegen al wat naar weelde of overdaad zweemde. Zij konden den burgers hun stemrecht ontnemen (zie aerarii), ridders van de ridderlijsten schrappen (zie equites). Zulk eene vernedering en openbare berisping heette nota of animadversio censoria en de daaruit voortvloeiende schande was ignominia. Sulla, die den senaat onafhankelijk van alle ander gezag wilde maken, hief de censuur op, doch toen kwam de schandelijke omkoopbaarheid van tal van senatoren zóó sterk aan het licht, dat men de censuur terug verlangde. In 70 werd zij hersteld, doch de tijden waren er niet meer naar, om het zedenmeesterschap uit te oefenen. De volkstribuun P. Clodius Pulcher bewerkte in 58 door eene wet, dat de censoren niemand meer uit den senaat mochten stooten, die niet formeel door hen was aangeklaagd en door beiden schuldig bevonden was. Onder Augustus werden nog éénmaal censoren gekozen en vervolgens ging de censoria potestas op den princeps over.

Censorīnus, familienaam in de gens Marcia, z. Marcii no. 8–10.

Censorīnus, rom. taalgeleerde van omstreeks 240 na C., van wien nog een werk de die natali bestaat, waarin hij vooral over den invloed van sterren en geesten op ’s menschen geboorte en levenslot handelt. Het werk berust op goede bronnen.

Census. Bij den census moest ieder burger zich bij de censoren aangeven, die hiertoe in de villa publica op den Campus Martius zitting hielden. Bij deze aangifte gaf men onder eede (ex animi sententia) zijn eigen naam, dien van zijn vader, zijn vrouw en kinderen, zijn ouderdom en vermogen op, en hiernaar werd men in de classis ingeschreven, waartoe [159]men behoorde. Ten opzichte van het vermogen moeten wij hier aanstippen, dat de censoren alleen datgene belastbaar achtten, wat men ex iure Quiritium bezat; de ager publicus die slechts in possessione was, en het grondbezit in de provinciën werd niet ingeschreven. Wie verzuimde zich als burger aan te geven, was incensus; de straf was verlies der vrijheid, dus capitis deminutio maxima. Nadat de aangiften waren afgeloopen, moesten de scribae der censoren de verschillende burgerlijsten opmaken: 1º. de lijsten van de leden der tribus, met een lijst der aerarii (z. a.) als aanhangsel. 2º. de lijsten van de leden der centuriae. 3º. de lijsten der belastingplichtigen, z. hieromtrent tributum, orbi et orbae en tribuni aerarii en verder: aerarii. 4º. de lijsten der dienstplichtigen uit de klassen, mannen van 17 tot 46 jaar, tabulae iuniorum, die elk jaar werden bijgewerkt. Wegens verwaarloozing van huiselijke en zedelijke plichten konden de censoren de burgers straffen door hen uit eene tribus rustica in eene tribus urbana over te brengen of wel hen tot aerarii (z. a.) te maken. Met den census ging ook de lectio senatus voor het volgend vijfjarig tijdperk gepaard, en de herziening der ridderlijsten, recognitio equitum, zie equites. Een plechtig offer (zie lustrum) besloot den census.

Strijd der Lapithen en Centauren (Apollo-tempel te Bassae).

Strijd der Lapithen en Centauren (Apollo-tempel te Bassae).

Centauri, Κένταυροι, een woest ruitervolk, dat in de bergen van Thessalië woonde, en door de Lapithen deels uitgeroeid, deels naar de grenzen van Epīrus verjaagd werd. Later stelde men zich voor dat zij half menschen, half paarden waren (Hippocentauri), en dat zij afstamden van Centaurus, den zoon van Ixion (z. a.) en eene wolk. Hun strijd met de Lapithen, die met de volkomen nederlaag der Centauren eindigde, was ontstaan doordat zij, als gasten op de bruiloft van Pirithoüs, zich aan de bruid durfden vergrijpen.—Ook in Arcadië woonden Centauren, die door Heracles gedood of verjaagd werden, omdat zij hem een vat wijn wilden ontnemen, dat Bacchus voor hem bestemd had. Zie ook Pholus en Chiron.

Centimani, Ἐκατόγχειρες, drie reuzen met honderd armen, Aegaeon, Cottus en Gyes, zonen van Uranus en Gaea. Door hun vader in den Tartarus opgesloten, werden zij door Zeus verlost om hem in den strijd tegen de Titanen te helpen, en brachten zij veel bij tot zijne overwinning. De overwonnen Titanen werden nu in hun plaats naar den Tartarus verbannen en onder hunne bewaking gesteld.

Centrītes, Κεντρίτης, zijtak van den Tigris en grensrivier tusschen Armenia en het land der Carduchen.

Centrōnes, min juiste lezing voor Ceutrones.

Centumcellae, thans Cività Vecchia, havenstad in Zuid-Etruria, waar Traiānus eene villa had.

Centum gradus, een van de opgangen naar het Capitolium, aan de Zuidwestzijde, dicht bij de Tarpejische rots.

Centumviri, een rechterlijk collegie, dat ongeveer in het midden van de 2de eeuw te Rome is ingesteld, dat uit vaste leden bestond en recht sprak in processen over quiritarischen eigendom, vooral in erfeniskwestiën. De leden, 105 in getal, 3 uit elke tribus, werden waarschijnlijk oudtijds door den praetor urbanus gekozen, later, toen het getal tot 180 steeg, uit een album door loting aangewezen, en spraken recht in naam van het volk. Zij waren in decuriën verdeeld. Voorzitters waren de praetor urbanus, later oud-quaestoren en sedert Augustus de decemviri stlitibus iudicandis.

Centuria. In de eerste plaats zijn centuriae de onderafdeelingen, waarin de verschillende klassen der burgers, met het oog op de legerindeeling, verdeeld waren volgens de regeling, die op naam van koning Servius Tullius staat. Uit de rijksten der eerste of hoogste klasse werden 18 centuriën ridders [160]gekozen, elke van 100 man. Hiertoe werd sedert de censuur van App. Claudius (312) een in den census aangegeven vermogen van 400000 as gevorderd. De overige burgers der eerste klasse met een vermogen van ten minste 100000 as, waren in 80 centuriën verdeeld en wel 40 centuriae iuniorum (onder 45 jaar) en 40 centuriae seniorum (boven 45 jaar). De tweede klasse (75000–100000 as) telde 10 centuriae iuniorum en 10 centuriae seniorum, evenzoo de derde klasse (minimum 50000 as) en de vierde (25000 as). De vijfde klasse daarentegen (12500 as) telde 2 × 15 centuriën. Vroeger werd de census naar den grondeigendom bepaald, en werd men bij een eigendom van minstens 20 iugera in de eerste klasse geplaatst, bij een van 15 iugera in de tweede, bij 10 in de derde, bij 5 in de vierde en bij 2 in de vijfde klasse. Verder waren er twee centuriën van werklieden, n.l. ééne uit timmerlieden en ééne uit smeden bestaande (fabri tignarii et aerarii), alsmede ééne van hoornblazers, cornicines, en ééne van bazuinblazers, tubicines, en ten slotte ééne C. accensi velati (zie accensus no. 2). Omtrent de toepassing dezer indeeling van het volk op de uitoefening van het stemrecht zie Comitia. Men denke zich elke centurie als eene compagnie onder aanvoering van een centurio. De tweede klasse was minder volledig gewapend dan de eerste, de derde minder dan de tweede, enz. De capite censi waren vrij van belasting en van krijgsdienst, daar men meende, dat de verdediging van den staat moest rusten op hen, die werkelijk iets te verliezen hadden en dus het meeste belang hadden bij rust en veiligheid. De rijksten droegen de zwaarste lasten, doch hadden ook de meeste rechten. De eerste klasse telde, met de ridders mede, 98 van de 193 centuriën en bracht dus 98 van de 193 stemmen uit. De iuniores waren beschikbaar voor den dienst te velde, de seniores voor de verdediging der stad. Zie verder comitia centuriata.

Allengs evenwel liet men voor het leger deze indeeling varen, en werden de soldaten onderscheiden in hastati, principes en triarii. Ten tijde van Polybius was de normale sterkte van een legioen als volgt:

  • 1200 hastati, flos iuvenum pubescentium,
  • 1200 principes, robustior aetas,
  • 600 triarii, veteranus miles spectatae virtutis,

terwijl 1200 velites of lichtgewapenden bij de verschillende afdeelingen waren ingedeeld en dienst deden als plaatsvervangers der gevallenen of als ongeregelde troepen. In hen was minus roboris aetate factisque. Eene centurie hastati of principes bestond uit zes gelederen, elk van tien man, en daarachter twee gelederen velites. Eene centurie triarii bestond uit drie gelederen triarii, dus 30 man, met twee gelederen velites. Aan het hoofd van elke centurie stond een centurio.

Centurio, hoofdman eener centurie. Twee centuriae in het leger vormden één manipulus: de aanvoerder der eerste centurie van elken manipel was centurio prior, die der tweede centurio posterior. De prior stond boven den posterior. De rangorde der centuriones van het legioen was de volgende. Eerst kwamen de 20 centuriones der triarii of pilani, en wel zóó, dat de beide centuriones van den eersten manipel hooger in rang waren dan die van den tweeden, deze weer hooger dan die van den derden, enz. Op dezelfde wijze volgden dan de 20 aanvoerders der principes en daarna de 20 der hastati. De laagste in rang was derhalve de centurio posterior van den tienden manipel der hastati; de hoogste was de centurio prior van den eersten manipel der pilani. Deze werd primus pilus of primipilus genoemd. Tijdens Caesar echter was het legioen in 10 cohorten verdeeld, elk uit één manipel van elke soort bestaande. In iedere cohorte was de rangorde deze: pilanus prior, p. posterior, princeps prior, pr. posterior, hastatus prior, h. posterior. De zes centuriones der eerste cohorte stonden boven die der tweede, enz. Als teeken van zijn rang had de centurio een wijngaardstok (vitis), dien hij soms zeer onzacht wist te gebruiken. Het zwaard droeg hij links, terwijl de soldaten het rechts droegen.

Centuripae, τὰ Κεντόριπα, oude stad op Sicilia aan den Symaethus nabij den Aetna. De burgers van Centuripae waren onder de rom. heerschappij de eenige Sicilianen, die recht van grondbezit over het geheele eiland hadden.

Ceos, Κέως, eiland der Cycladen, niet ver van de Z.O.-punt van Attia, geboorteplaats der lierdichters Bacchylides en Simonides. Zelfmoord op zestigjarigen leeftijd was, naar men vertelt, oudtijds hier in zwang. Van de vier steden was Iūlis de voornaamste.

Cephallenia, Κεφαλληνία, bij Hom. ook Same of Samus genoemd en destijds afhankelijk van Ithaca, het grootste der Ionische eilanden. Van de vier steden was Same de voornaamste. In het begin van den peloponnesischen oorlog sloot het zich bij Athene aan.

Cephaloedis of -dium, Κεφαλοιδίς, -οίδιον, stad op de N.-kust van Sicilia, tusschen Himera en Halaesa.

Cephalus, Κέφαλος, 1) zoon van Hermes en Herse of van Deïon en Diomēde, gehuwd met Procris, dochter van Erechtheus. Hij werd, toen hij op jacht was, door Eos geschaakt, maar zijn onweerstaanbaar verlangen naar zijne echtgenoote maakte, dat hij zich met de liefde der godin niet gelukkig gevoelde. Zij liet hem dan ook gaan, maar eerst nadat zij hem wantrouwen tegen Procris had ingeboezemd. Daarom besloot hij vermomd naar zijne woning terug te keeren en zijne gemalin te beproeven, en ofschoon hij haar eerst nauwelijks konde naderen en zij zeer lang aan zijne verleidelijke aanbiedingen weerstand bood, was zij op het punt toe te geven, toen hij zich bekend maakte. Beschaamd vluchtte zij naar Creta, waar zij van Artemis of Minos een onfeilbare werpspies ten geschenke kreeg en een jachthond, wien niets ontloopen konde. Als jong meisje kwam zij nu bij Ceph. terug, die haar uit begeerte naar de genoemde geschenken zijne liefde beloofde, waarop zij zich op haar beurt [161]bekend maakte. Hierop volgde een verzoening. Maar door jaloerschheid gedreven, volgde Procris eens haar echtgenoot heimelijk toen hij ter jacht ging, en bij deze gelegenheid werd zij door Ceph. zelf, die tusschen het geboomte een wild dier meende te hooren, met de onfeilbare werpspies gedood. Hij werd daarom door den Areopagus verbannen en hielp later Amphitryo in zijn oorlog tegen de Taphiërs, waarvoor hij het eiland Cephallenia tot belooning ontving.—2) van Syracuse, een rijk en beschaafd man, die zich in 447 op raad van Pericles, zijn gastvriend, te Athene vestigde, vader van den redenaar Lysias.

Cerae (open).

Cerae (open).

Cephēis, Κηφηίς, Andromeda, dochter van Cepheus.

Cepheus, Κηφεύς, 1) zoon van Belus en Anchinoë, koning van Aethiopië, vader van Andromeda, werd met zijne vrouw en dochter onder de sterren verplaatst.—2) Arcadiër, zoon van Lycurgus, nam deel aan de calydonische jacht.—3) van Tegea, zoon van Aleüs en Neaera, een van de Argonauten.

Cephisodotus, Κηφισόδοτος, 1) Athener, werd in 359 met eene vloot naar Thracië gezonden, waar hij zich door Charidēmus liet overhalen tot het sluiten van een zoo schandelijken vrede, dat hij bijna ter dood veroordeeld werd; hij werd echter afgezet en voor vijf talenten beboet.—2) atheensch beeldhouwer, vader van Praxiteles, van wien nog een beeld, Vrede en Rijkdom, bestaat.

Cephīs(s)us, Κηφισός, ook wel Κηφισσός, naam van verscheidene rivieren, o. a. 1) in Phocis en Boeotia. Naar deze rivier, die in het meer Copaïs uitloopt, heet dit laatste bij Homerus ook Κηφισίς. De riviergod van dit stroompje was de vader van Narcissus.—2) riv. in Attica, die aan de Westzijde langs Athenae vloeide.—3) rivier in Argolis, die van links in den Inachus uitstroomt.

Cephren, = Chephren.

Cera, κηρός, was, werd door de ouden tot verschillende doeleinden gebruikt. Men bestreek er de houten schrijfplankjes mede, waarop men dan met een stalen schrijfstift of stilus schreef (tabulae ceratae). Soms waren eenige van zulke plankjes tot een boekje vereenigd, zooals bij ons wel met leitjes het geval is; zulk een boekje heette cerae; cera prima, secunda, enz. beteekende dan de eerste, tweede bladzijde. Voor geschriften, die bewaard moesten worden, om zoo noodig in rechten tot bewijsstuk te kunnen dienen, had men tafeltjes, welker inrichting uit nevenstaande afbeelding blijkt. Het eigenlijke stuk staat op de binnenzijde van het eerste en tweede tafeltje, deze twee zijn dichtgebonden met een touw, dat door een opzettelijk daarvoor gemaakte gleuf loopt, en dat bevestigd is door de zegels van getuigen, wier namen naast hun zegel geschreven zijn. Z. de afb. op blz. 162. Op de binnenzijde van het derde tafeltje staat een korte opgave van den inhoud van het document.—Ook werd het was gebezigd tot boetseeren, vooral voor de borstbeelden (of liever maskers) van beroemde voorzaten, imagines maiorum.—Ook schilderde men met wasverven, die vervolgens werden ingebrand, welke bewerking encaustiek heet, ἐγκαυστική, (z. encaustica).

Ceramīcus, Κεραμεικός = pottenbakkersmarkt, plein en fraaie voorstad van Athenae, gedeeltelijk buiten, gedeeltelijk binnen den [162]muur gelegen. In het buitengedeelte werden zij, die in den strijd gevallen waren, van staatswege begraven.

Ceramus, Κέραμος, stad in Caria, aan de golf, die naar haar sinus Ceramicus wordt genoemd.

Cerasus, Κερασοῦς = het kersenrijke, de kersenstad, op de kust van Pontus, een kolonie van Sinōpe, vanwaar L. Licinius Lucullus in 74 de eerste kersen naar Rome overbracht. Een ander Cerasus, meer westelijk gelegen, is later verdoopt in Pharnacia (z. a.).

Cerae (gesloten en verzegeld).

Cerae (gesloten en verzegeld).

Ceraunii montes, Κεραύνια ὄρη, gebergte op de kust van Epīrus, berucht door de vele onweders (κεραυνός). Zie ook Acroceraunia.

Cerberus, Κέρβερος, zoon van Typhon en Echidna, een hond met drie, vijftig of honderd koppen, slangen in plaats van haren, en een staart met een drakekop. Hij hield verblijf in een hol aan gene zijde van de Styx en zorgde dat niemand de onderwereld verlaten konde; daarom moesten zij, die levend in de onderwereld afdaalden, dit monster bedwingen om zich den terugtocht te verzekeren. Orpheus deed hem door de tonen zijner lier in slaap vallen. Het laatste der twaalf werken van Heracles was dat hij den Cerberus naar de bovenwereld bracht, wat des te moeilijker was, daar hij van Pluto slechts verlof er toe gekregen had op die voorwaarde, dat hij hem ongewapend zoude vangen.

Cercasōrum, Κερκάσωρον, stad aan den Nijl, juist waar deze zich in verschillende armen begint te splitsen.

Cercīna, Κέρκινα of Κέρκιννα, twee door eene brug verbonden eilandjes met gelijknamige havenstad op de kust van Africa, in de kleine Syrte. Het kleinste eilandje wordt ook Cercinītis genoemd.

Cercīne, Κερκίνη, gebergte in Macedonia tusschen den Axius (Vardar) en den Strymon (Karasu). Ook een meer, waardoor de Strymon loopt.

Cercinium, Κερκίνιον, sterkte in Thessalia aan het meer Boebēis.

Cercius = Circius.

Cercōpes, Κέρκωπες, een soort kabouters, die bij de Thermopylae, op Euboea of in Lydië woonden. Zij ontstalen Heracles zijne wapenen en werden tot straf door hem aan een balk gebonden, maar hun berouw vermaakte den held zoo, dat hij hen weder losliet.—V.a. een volk dat het eiland Pithecūsa bewoonde. Zij beloofden Zeus hun bijstand tegen de Titanen, maar toen zij het daarvoor bedongen loon ontvangen hadden, hielden zij hun woord niet. Tot straf werden zij in apen veranderd.—Een plaats te Athene, waar veelal gestolen goed verkocht werd, heette Κερκώπων ἀγορά. Cercyon, Κερκύων, zoon van Poseidon of Hephaestus, vader van Alope. Hij woonde bij Eleusis en dwong alle vreemdelingen zich met hem in het vuistgevecht te meten; de overwonnenen bracht hij ter dood. Eerst Theseus gelukte het hem te overwinnen en te dooden.

Cerdiciātes, volk in Liguria, ten Z. van den Padus.

Cerealia, feesten den 19den April te Rome ter eere van Ceres gevierd, met wedrennen en tooneelvertooningen. Sedert 202 begon het feest reeds den 12den April en duurde tot en met den 19den. Men ging in het wit gekleed, zond elkander bloemkransen en noodigde elkander ten maaltijd.

Cereālis, familienaam in de gens Petillia.

Ceres, eene italiaansche godin van den landbouw, die samen met Tellus (z. a.) vereerd werd, maar later door de Romeinen geïdentificeerd werd met Demēter. De eeredienst van de grieksche Ceres werd te Rome ingevoerd en haar eerste tempel gebouwd in [163]493 gedurende een door misgewas ontstanen hongersnood, en ingewijd door den consul Sp. Cassius Viscellīnus. In dezen tempel, waarin zij te zamen met Liber (Dionȳsus) en Libera (Core) vereerd werd (men noemde den tempel aedes Cereris Liberi Liberaeque) en die de aandacht trok als eerste voorbeeld van griekschen bouwstijl, deden grieksche vrouwen, vooral uit Neapolis, dienst, en alle mythen, die op Demeter betrekking hebben, werden op Ceres overgedragen. Vooral den roof en het terugvinden van Proserpina herdachten de romeinsche vrouwen met groote plechtigheid in de maand Augustus en keizer Claudius trachtte zelfs de eleusinische mysteriën naar Rome over te brengen. Haar voornaamste feest bleef echter de Cerealia (z. a.). Ceres werd vooral als eene godin der plebejers beschouwd; haar tempel, waarin het plebejisch archief en afschriften van wetten en senaatsbesluiten bewaard werden, stond in een geheel plebejisch gedeelte van de stad (bij den Circus Maximus aan den kant van den Aventīnus), haar dienst stond onder toezicht der aediles plebeii.

Cerinthus, Κήρινθος, stad aan de O.-kust van Euboea, van Chalcis afhankelijk.

Cermalus, het N.W. gedeelte van den Palatīnus. Het was een onderdeel van het Septimontium, zie Roma.

Cerretāni, Κερρητανοί, iberisch herdersvolk in de zuidelijke dalen der Pyrenaeën, in het tegenw. Cerdagne.

Cersobleptes, Κερσοβλέπτης, zoon van Cotys, werd in 358 koning der odrysische Thraciërs. De thracische Chersonēsus, die door zijn vader veroverd was, moest hij aan de Atheners teruggeven; in 347 ontnam Philippus van Macedonië hem een deel van zijn rijk, en in 342 verloor hij het geheel en moest hij zich aan Philippus onderwerpen.

Cersus, Κέρσος = Carsus, Κάρσος.

Cervi, soort van palissaden of van zoogenaamde spaansche ruiters, uit boomstammen of zware takken bestaande, waaraan men andere takken had laten zitten als het gewei van een hert.

Cerynia, Κερύνεια, stad op de N.-kust van Cyprus.

Ceryx, Κήρυξ, zoon van Hermes en Pandrosus, stamvader van het atheensche priestergeslacht der Cerȳces (Κήρυκες of Κηρυκίδαι).

Cessio, overdracht van eene zaak of van een recht. Eene in iure cessio is eene formeele overdracht ten overstaan van den praetor. Zie ook bonorum cessio.

Cestius, naam van een rom. geslacht. 1) de bouwer van de brug, pons Cestius, die de insula Tiberina met de regio Transtiberina verbindt.—2) C. Cestius, rom. ridder, volkstribuun en praetor, tegenstander van Antonius, waarschijnlijk bij de proscriptiën van 43 omgekomen.—3) C. Cestius Epulo, de man tot wiens gedachtenis door eenige zijner erfgenamen de “pyramide van Cestius” werd opgericht, 37 meter hoog, op een grondvlak van 30 meter lang en breed. Het gevaarte, dat in 330 dagen voltooid werd, bevat slechts eene kleine lijkenkamer.—4) Cestius Gallus, onder Nero stadhouder van Syria, had in 66 na C. met een opstand der Joden te kampen, die de rom. onderdrukking moede waren.

Cestrīne, Κεστρίνη, landschap in Epīrus tegenover Corcȳra.

Cestus, κεστός, de geborduurde gordel van Aphrodīte, die onwederstaanbare bekoorlijkheid gaf.

Cetēi, Κήτειοι, oude stam in Mysia aan de rivier Cetēus, die bij Pergamum in den Caïcus valt.

Cethēgus, zeer oude familie in de gens Cornelia, z. Cornelii no. 30–34.

Ceto, Κητώ, dochter van Pontus en Gaea, gehuwd met haar broeder Phorcys, en bij hem moeder van de Gorgonen, de Sirenen e. a. monsters.

Cetra, klein rond schild, met leder overtrokken, van spaanschen oorsprong, ten tijde van Caesar ook door lichtgewapende rom. troepen gebruikt.

Ceutrōnes, alpenvolk in de provincia Alpes Poenīnae. De weg van Italia naar Lugdunum liep door hun gebied.

Cevenna, = Cebenna.

Ceyx, Κήυξ, 1) koning van Trachis, bij wien Heracles gastvrij opgenomen werd.—2) zoon van Hesperus en Philōnis, gemaal van Alcyone (z. a.).

Chabōras, Χαβώρας, ook Ἀβόρρας, rivier in Mesopotamia, ontspringt bij Resaïna, stroomt door Gauzanītis, neemt den Mygdonius en den Saocoras op, en valt bij Circesium in den Euphraat.

Chabrias, Χαβρίας, atheensch veldheer, die het bevel voerde over de troepen, welke de Atheners aan Euagoras van Cyprus te hulp zonden (388), en later (385) aan het hoofd stond van de grieksche huurlingen in dienst eerst van Acoris en daarna van Nectanebis van Aegypte. Op verlangen der Perzen door de Atheners teruggeroepen, verijdelde hij (378) een inval van Agesilāus in Boeotië door goed bedachte en geheel nieuwe manoeuvres, waardoor hij zich vooral grooten roem verwierf. Nadat hij in den zeeslag bij Naxus de Spartanen had overwonnen (376), werd hij naar Thracië gezonden, waar hij vele bondgenooten voor Athene won, en beschermde hij Abdēra tegen de aanvallen van Charidēmus. Na afloop van den thebaanschen oorlog voerde hij nog het bevel over de vloot van Tachos van Aegypte in diens oorlog tegen de Perzen. Hij sneuvelde in den bondgenootenoorlog bij het beleg van Chius (357), toen zijn schip in de haven van de vloot afgesneden en bijna reeds gezonken was.

Chaerea, hoofd der saamgezworenen tegen Caligula. Zie Cassii no. 15.

Chaerēmon, Χαιρήμων, 1) atheensch treurspeldichter, wiens werken, in weerwil van hunne letterkundige waarde, wegens hunne moeilijkheid meer geschikt werden geacht om gelezen, dan om opgevoerd te worden. Hij leefde omstreeks 375.—2) stoicijnsch wijsgeer van Alexandrië, hoofd der bibliotheek [164]aldaar, kwam naar Rome en werd een der opvoeders van Nero. Van zijne geschied- en oudheidkundige werken is slechts weinig over.

Chaerephon, Χαιρεφῶν, Athener, een van de vurigste vereerders van Socrates. Aan hem werd het bekende orakel gegeven, dat Socrates den wijsten aller menschen noemde. Ook als dichter van een treurspel wordt hij genoemd.

Chaeronēa, Χαιρώνεια, stad in Boeotia, geboorteplaats van Plutarchus, bekend door een drietal overwinningen: 1) van de Boeotiërs op de Atheners in 447;—2) van Philippus van Macedonia op de vereenigde Atheners en Thebanen in 338;—3) van Sulla op Mithradātes’ veldheer Archelāus, in 86. In de 5de eeuw behoorde het tot Orchomenos, later werd het een zelfstandig lid van den boeotischen bond (zie Boeotia).

Chalaeum, Χάλαιον, havenstad der Locri Ozolae aan de noordpunt van de Crisaeïsche golf.

Chalastra, Χαλάστρα, stad in Macedonia aan den mond van den Axius (Vardar).

Chalce, Χάλκη, eilandje ten W. van Rhodus.

Chalcēdon, Χαλκηδών, megarensische kolonie op de kust van Bithynia tegenover het jongere Byzantium, meermalen belegerd en veroverd. In haar gebied lag de havenstad Chrysopolis. Het was de geboortestad van den wijsgeer Xenocrates en had een beroemden Apollo-tempel. Eene andere schrijfwijze is Calchedon, Καλχηδών.

Chalcidice, Χαλκιδική, groot schiereiland aan de macedonische kust, bezet met grieksche volksplantingen, vooral van de euboeïsche stad Chalcis (8ste eeuw). Het splitst zich in drie landtongen: Acte met den berg Athos, Sithonia en Pallēne.

Chalcidicum, χαλκιδικόν, overdekt, van voren open voorportaal of portiek, waarvan het dak door zuilen werd gedragen.

Chalcioecus, Χαλκίοικος, bijnaam van Athēna te Sparta, naar haar met koper versierden tempel, waarin een koperen beeld van de godin stond en waar op de Chalcioecia (Χαλκιοίκια) gewapende jongelingen offerden.

Chalcis, Χαλκίς, oude hoofdstad van Euboea, aan het smalste gedeelte van den Eurīpus gelegen, en sedert 411 door eene brug met het vasteland van Attica verbonden. Chalcis was eenmaal een bloeiende stad, die een groot aantal koloniën uitzond, o.a. naar Chalcidice, Cumae in Italia, Naxus op Sicilia, enz. Met Eretria, dat 3 uur ten Z. van Chalcis ligt, heeft het gedurende een halve eeuw (± 700–± 650) strijd gevoerd om de oppermacht op Euboea en het bezit van de Lelantische vlakte (zie Lelantius Campus), die met de nederlaag van Eretria eindigde. In dezen strijd werd Chalcis door Samus en Corinthe, Eretria door Milete en Megara geholpen. In 506 leed de adel van Chalcis, de ἱπποβόται, een zware nederlaag tegen het democratische Athene, en Chalcis moest de Lelantische vlakte aan Athene afstaan, dat er 4000 kolonisten, κληροῦχοι, heenzond, die echter in 490, bij den aanval der Perzen op Eretria, naar hun land terugtrokken. Sedert 506 is de bloei van Chalcis voorbij, zie Euboea. In den tijd der Diadochen was Chalcis een der sterkste plaatsen van Griekenland, meestal in de macht van Macedonië. De Romeinen konden het in 207 niet innemen. Bij den vrede in 194 werd de stad vrij. In 146 werd ze na den opstand door de rom. troepen geplunderd en de muren gesloopt. Chalcis was de geboortestad van de dichters Lycophron en Euphorion en den redenaar Isaeus.—Ook in Aetolia en in Syria (Ch. ad Belum ten Z. van Beroea), vond men eene stad Chalcis.

Chaldaea, Χαλδαία, het zuidelijke deel van Babylonia, later ook wel als algemeene naam voor het geheele land gebezigd. Zie overigens Babylonia en Chalybes.

Chaldaïcae rationes. Zie Babylonii numeri.

Chaleium, Χάλειον = Chalaeum.

Chalus, Χάλος, riviertje in N. Syria, waaraan Beroea en Chalcis lagen en dat in de woestijn wegsterft.

Chalybes, Χάλυβες, een volk van mijnwerkers in het O. van Pontus, onderdanen der Mossynoeci. Het Grieksche woord voor staal, χάλυψ, is aan hen ontleend. Hiervan moeten die Chalybes onderscheiden worden, die als een strijdhaftig en dapper volk geschilderd worden, en ook wel Chaldaei genoemd worden. Met de babylonische Chaldaei hebben ze niets te maken.

Chalybon, Χαλύβων, stad ten N. van Damascus in Syria, tgw. Helbun. De stad was beroemd om haar wijn.

Chamāvi, Χαμαυοί, Χάμαβοι, germaansche stam, eerst aan den Rijn gevestigd en later aan den Visurgis (Weser). In de 4de eeuw n. Chr. wonen ze wederom aan den Rijn in het latere Hamaland, tusschen Ouden Yssel en Rijn, en behooren zij tot de Salische Franken.

Chaones, Χάονες, ruwe volksstam in Epīrus, wier land, Chaonia, zich langs de kust uitstrekte, van Acroceraunia tot aan de rivier de Thyamis. Bij romeinsche dichters is Chaonius pater = Zeus van Dodona, en columbae Chaoniae = de duiven van Dodona.

Chaos, Χάος, oorspronkelijk de onmetelijke ledige ruimte, die bestond voordat iets geschapen was; volgens lateren de vormlooze massa, waarin alles, wat later een afzonderlijk bestaan kreeg, verward dooreen lag. Chaos bracht Gaea, Tartarus en Eros, later nog Erebus en Nyx voort.

Characēne, dat gedeelte van Susiāna, dat boven Spasinu (Pasinu) Charax (zie Charax no. 1) ligt.

Charādra, Χαράδρα, stad in het N.W. van Phocis, ten O. van Lilaea, aan het riviertje Charādrus, op een rots gelegen. Ook in Messenia en in Zuid-Epīrus vond men eene stad van dezen naam.

Charax, Χάραξ (= palissade, legerkamp), naam van onderscheiden steden. 1) stad in Susiāne aan de monding van den Tigris, door Alexander den Gr. gesticht en Alexandria geheeten, vervolgens verdoopt in Antiochīa naar [165]den syrischen koning Antiochus IV Epiphanes, en ten slotte Charax Spasinu (Pasinu) genoemd naar den arabischen vorst Spasines (Pasines), die de plaats door dammen tegen overstrooming beveiligde.—2) stad op Corsica.—3) stad in Media, nabij de Caspiae portae.

Chares, Χάρης, 1) atheensch veldheer, die door zijne hebzucht en onrechtvaardigheid zoowel als door zijn gebrek aan beleid in den oorlog dikwijls reden tot ontevredenheid gaf, maar zich toch door kunstgrepen en zelfs door omkooping wist staande te houden. Toen hij in den bondgenootenoorlog gedurende een hevigen storm bij een aanval op Samus de nederlaag geleden had (356), bewerkte hij door valsche berichten dat zijne ambtgenooten, Iphicrates en Timotheüs, die den aanval afgeraden hadden, teruggeroepen en beboet werden. Toen hij zich echter door geldgebrek tot een grooten rooftocht tegen eenige perzische steden genoodzaakt zag en bovendien den oproerigen satraap Artabāzus tegen den koning van Perzië steunde, werd hij op verzoek van dezen teruggeroepen. Vruchteloos trachtte hij eenige malen Olynthus tegen Philippus te beschermen, en Byzantium, dat hij eveneens tegen Philippus verdedigen zoude, weigerde zelfs hem te ontvangen. Waarschijnlijk sneuvelde hij in den slag bij Chaeronēa.—2) bronsgieter uit Lindus, maker van het beroemde kolossale beeld van den zonnegod op Rhodus, omstreeks 290. Reeds in 222 is het beeld, dat ± 30 Meter hoog was, tengevolge van een aardbeving ingestort, en zijn de overblijfselen blijven liggen, totdat ze in den byzantijnschen tijd door een arabisch generaal aan een Jood verkocht zijn, die voor het vervoer de beschikking noodig had over 900 kameellasten.

Charicles, Χαρικλῆς, 1) admiraal in den peloponnesischen oorlog, later een van de dertig.—2) schoonzoon van Phocion, liet zich door Harpalus omkoopen en werd ter dood veroordeeld, doch vluchtte (319).

Charidēmus, Χαρίδημος, van Oreüs op Euboea, aanvoerder van huurlingen in atheenschen, perzischen en thracischen dienst. Door zijne verraderlijke handelingen kwam hij dikwijls in moeilijkheden, toch werd hij in Thracië onder de regeering van zijn schoonvader Cotys en van Cersobleptes een man van veel invloed. Hoewel hem door de Atheners het burgerrecht geschonken was, was zijn politiek hun in den regel vijandig; niettemin wist hij sommigen zoo omtrent zijne bedoelingen te misleiden, dat men zelfs voorstelde hem bij eene afzonderlijke wet buitengewone bescherming tegen zijne vijanden toe te zeggen, welk voorstel echter door den tegenstand van Demosthenes en anderen waarschijnlijk verworpen werd (352). Tegen Philippus strijdt hij in 351 in de Chersonesus, in 349 in Chalcidice, in 338 bij Chaeronēa. Hij was een van de mannen wier uitlevering door Alexander na het bedwingen van den thebaanschen opstand geëischt werd. Toen Alexander zich op verzoek van het volk met zijne verbanning tevreden stelde, vluchtte hij naar Perzië, waar hij, wegens al te vrijmoedige afkeuring van de maatregelen van Darīus, door dezen ter dood gebracht werd (333).

Charietto, Χαριέττων, bandiet, die eerst op eigen houtje van Trier uit den strijd begon tegen de in het rijk ingevallen Franken, en daarna door den onderkeizer (Caesar) Julianus aangeworven, door hem gebruikt werd in een guerilla tegen de in de Betuwe en Noord-Braband ingevallen Chamaven, waarbij hij den zoon van hun koning gevangen nam (358 n. C.). Ook gebruikte Julianus hem als gids tegen de Alamannen. Als comes Germaniae utriusque sneuvelde hij in 365 n. C. tegen Alamannen, die wederom in Gallië waren ingevallen.

Charilāus, Charillus, Χαρίλαος, -λεως, Χάριλλος, nageboren zoon van Polydectes, neef en pupil van den wetgever Lycurgus, koning van Sparta. Hij voerde oorlog tegen de Argiven en Tegeaten maar werd door laatstgenoemden gevangen genomen en niet vrijgelaten, voor hij hun beloofd had hen niet weder te bestrijden.

Charis, Charites, Χάρις, Χάριτες, Gratiae, dochters van Zeus en Hera of de Oceanide Eurynome of van Helius en Aegle of van Dionȳsus en Aphrodīte. Zij zijn de godinnen der bevalligheid, zonder wier medewerking ieder feest, ieder kunstwerk, alles wat vreugde en genot schenken kan, zijn rechte waarde mist. Daarom zijn zij de vriendinnen der Muzen, de gezellinnen van Aphrodite, Peitho, Hermes, Apollo en Dionysus, en worden zij dikwijls gemeenschappelijk met deze godheden in dezelfde tempels vereerd, hoewel zij ook op vele plaatsen eigen tempels hadden. Bij Homerus is Charis de gemalin van Hephaestus, de Atheners vereerden twee Chariten, Auxo en Hegemone, de Spartanen eveneens twee, Cleta en Phaënna, gewoonlijk vindt men echter drie genoemd, Euphrosyne, Aglaïa en Thalia. De dienst der Charites verbreidde zich uit het boeotische Orchomenus over geheel Griekenland; aldaar vierde men te harer eer een feest, de Charisia of Charitesia.—Te Athene werden zij met de Horen in verband gebracht en werd haar ook invloed op het weder toegeschreven.—In lateren tijd golden zij ook voor godinnen van dankbaarheid en weldoen.—Gewoonlijk worden de drie Charites met elkander afgebeeld, als schoone, slanke, jonge vrouwen, somtijds met muziekinstrumenten, dobbelsteenen, rozen en mirten als attributen.

Charisius (Flavius Sosipater), taalgeleerde uit Campania, schrijver van een werk, getiteld ars grammatica in vijf boeken, waarvan nog gedeelten van het 1ste, 4de en 5de boek overig zijn. Hij leefde waarschijnlijk in het midden van de vierde eeuw na C.

Charistia, z. Caristia.

Charito, Χαρίτων, van Aphrodisias in Phrygië, schrijver van een griekschen roman in acht boeken: Chaereas en Callirrhoë (waarschijnlijk uit de 2de eeuw n. C.). [166]

Charmādas, Χαρμαδας, een academisch wijsgeer, leerling van Carneades, omstreeks 110 leeraar der wijsbegeerte en redekunst te Athene, v. s. stichter der vierde academie. Cicero roemt zijne welsprekendheid en zijn merkwaardig geheugen.

Charmande, Χαρμάνδη, aanzienlijke stad in Mesopotamia aan den rechteroever van den Euphraat.

Charmides, Χαρμίδης, oom van Plato, sneuvelde in het voorjaar van 403 in een gevecht tegen Thrasybūlus.

Charmīnus, Χαρμῖνος, atheensch vlootvoogd in den peloponnesischen oorlog, leed in 411 de nederlaag in een zeegevecht tegen Astyochus en steunde later de oligarchische bewegingen op Samus.

Charoeades, Χαροιάδης, atheensch veldheer, ondersteunde Leontīni met eene vloot in den oorlog tegen Syracūsae, maar sneuvelde (427).

Charon, Χάρων, 1) zoon van Erebus en Nyx, de veerman der onderwereld, die de schimmen der afgestorvenen van Hermes in ontvangst nam en ze over Styx, Cocȳtus en Acheron naar het rijk der dooden bracht. Tot betaling van het veergeld legde men den dooden een obool in den mond. Slechts zij werden overgezet, wier lichamen behoorlijk begraven of verbrand waren, zoolang dit niet geschied was, bleven zij aan de oevers van de Styx zwerven. Levenden moesten, indien zij overgezet wilden worden, een gouden tak toonen, tot bewijs dat de goden het veroorloofden.—Charon wordt afgebeeld als een oud, vuil en armoedig gekleed man.—2) van Lampsacus, logograaf in de 5de eeuw.

Charondas, Χαρώνδας, beroemd wetgever te Catana op Sicilia (± 550), wiens veelgeprezen wetten in vele chalcidische volkplantingen van Sicilië en Beneden-Italië in zwang waren. Zij waren wel streng, doch rechtvaardig, kort en ondubbelzinnig. Niemand mocht daarin eene verandering voorstellen, tenzij met een strop om den hals, om terstond gewurgd te worden, indien het voorstel werd verworpen. Eens van de jacht komende, kwam hij in de volksvergadering, zonder er aan te denken, dat hij nog gewapend was, en toen een der burgers hem op de overtreding zijner eigene wetten opmerkzaam maakte, bezegelde hij zijne voorschriften met zijn bloed, door zich op staanden voet het zwaard in de borst te stooten.

Charta, χάρτης, papier. De ouden vervaardigden dit uit het merg der papyrusplant. Dit merg werd met een scherp voorwerp in zeer dunne lagen verdeeld, die zoo breed mogelijk genomen werden. De strooken, die men daardoor kreeg, werden op een vochtige plaat naast elkaar uitgespreid, en daarover dwarsstrooken met lijm vastgeplakt. Dan werd het geheel geperst, en in de zon gedroogd; daarop werden de verschillende bladen die men zoodoende kreeg, aan elkaar verbonden tot een rol, en wel zóó, dat de betere bladen aan den buitenkant, die het meest te lijden had, kwamen te liggen. Plinius onderscheidt acht soorten; de fijnste heette Augustea, de daaropvolgende Liviana, de minste soort was charta emporeutica of pakpapier. Bovendien vindt men nog vermeld: charta dentata, dat met een tand (misschien een stuk olifantstand of ivoor) was gladgewreven en gepolijst, en charta bibula, een doorschijnend soort vloeipapier. Naast papyrusrollen gebruikte men ook perkament, en in de 3de en 4de eeuw n. C. werd in het Westen de papyrusrol geheel door het perkament vervangen, terwijl in het Oosten eerst in de 8ste eeuw het katoen- en linnenpapier (charta bombycina) er voor in de plaats komt.

Charūdes, Χαροῦδες = Harūdes.

Charybdis, Χάρυβδις, z. Scylla.

Chasuarii of -ri, Χαττουάριοι, vermoedelijk dezelfden als de Chattuarii of Attuarii, een germaansch volk, eerst aan het Teutoburgerwoud, later aan den Beneden-Rijn en den IJssel woonachtig. Zij maakten later deel uit van het verbond der Franken.

Chatti = Catti.

Chauci, Χαῦκοι, onderscheiden in maiores en minores, een machtige germaansche stam aan de Noordzeekust tusschen de Amisia (Eems) en den Albis (Elbe). Drusus onderwierp ze; in 70 n. C. verbonden zij zich met de Batavieren onder Claudius Civīlis. Later gaan ze op in de Saxones (z. a.).

Χειρονομία, de beweging der handen, in het algemeen de mimische beweging van het lichaam volgens vaste regels bij het dansen; ook een soort spiegelgevecht.

Χειροτονία, het opsteken der handen, de meest gebruikelijke wijze van stemmen in de grieksche volksvergaderingen. De op deze wijze gekozen magistraten werden χειροτονητοί (ook αἱρετοί) genoemd.

Chelidoniae insulae, Χελιδόνιαι νῆσοι = zwaluweilanden, vijf eilandjes tegenover kaap Chelidonium.

Chelidonium promunturium, Χελιδονία ἄκρα ook Promunturium Sacrum genoemd, kaap in Lycia, ten Z. van Phasēlis, uitlooper van den Taurus.

Chelonātas, Χελωνάτας, kaap in Elis, westelijkste punt der Peloponnēsus, de eerste kaap ten Z. van Cyllene.

Cheops, Χέοψ, aegyptisch koning der 4de dynastie, omstreeks 2500, liet de grootste pyramide bouwen.

Chephren, Χεφρήν, broeder of zoon en opvolger van Cheops, die eene pyramide liet bouwen, welke alleen door die van Cheops in grootte werd overtroffen.

Chersonēsus, Χερσόνησος, schiereiland, van χέρσος of χέρρος, vast, en νῆσος, eiland. De meest bekende zijn de volgende: 1) Ch. Thracica, dikwerf kortweg Chersonesus geheeten, het smalle schiereiland tusschen den Hellespont ten O. en den sinus Melas ten W. De hals van het schiereiland was door een muur van 36 stadiën lengte verdedigd tegen invallen van thracische stammen. Er waren vele grieksche, vooral atheensche koloniën, die eerst onder de Perzen, daarna onder de Macedoniërs, ten laatste onder de Romeinen [167]kwamen. Onder Augustus was de geheele Chersonēsus in het bezit van M. Vipsanius Agrippa, en na diens dood van Augustus.—Ook een atheensche stad op de Chersonesus heet Chersonesus (of Agora).—2) Ch. Taurica, thans de Krim, waaruit Griekenland veel koren trok. Dit schiereil. werd ook wel Ch. Scythica of Cimmerica geheeten. In het Z.W. in de bergen woonden de Tauri; in het vlakke Noorden woonden Scythen. Op kaap Parthenium lag de tempel van Artemis Tauropolos, waar ook menschenoffers plaats vonden (mythe van Iphigenīa en Orestes). Ook een stad aan de Zuidwestkust der Chersonesus heet Chersonesus, en werd door de inwoners van Heraclēa Taurica gesticht.—3) Ch. Caria, waarvan het westelijk deel Ch. Cnidia of ἀπό Κνίδου, het oostelijk X. τῆς Βυβασσίης heet.—4) Ch. Thrachēa of Rhodia tegenover Rhodus.—5) Ch. magna, op de kust van Cyrenaïca.—6) Ch. aurea, χρυσῆ, thans Malakka, in Achter-Indië.—7) Ch. Cimbrica, thans Jutland.—8) landtongen: in Argolis naar het N. gekeerd, tegenover Aegīna (hierop lag Methāna); verder: van Athos, bij Sinōpe, bij Carthāgo, enz.

Cherusci, Χερουσκοί, machtig germaansch volk in den omtrek van het tegenw. Brunswijk, van den Albis (Elbe) tot over den Visurgis (Weser). Drusus sloot in 9 met hen een verbond, doch in 9 na C. vielen zij weder af en versloegen in het Teutoburgerwoud de legioenen van Quinctilius Varus. Inwendige verdeeldheden, vooral tusschen Arminius en diens schoonvader Segestes, verzwakten hen, evenwel hielden zij met de hulp van Longobarden en Semnonen den strijd vol tegen Maroboduus en de Marcomannen. In Tacitus’ tijd (± 100 n. C.) waren ze door inwendige twisten zeer verzwakt.

Chiliarchus, Χιλίαρχος, Χιλιάρχης, aanvoerder eener χιλιαρχία, eene afdeeling van 1000 of waarschijnlijk 1024 man, 64 man breed en 16 diep. Men vindt deze regeling bij het Macedonische leger en later bij de Ptolemaeën. Bij de Perzen de aanvoerder der koninklijke lijfwacht, de voornaamste persoon in het rijk na den koning. Het woord wordt ook gebruikt als vertaling van het latijnsche tribunus militum.

Chilo, Χείλων, spartaansch ephoor, als type van een spartaansch staatsman geroemd. Hij was ephoor in 560 of 556, en is misschien de eerste geweest, die dit ambt bekleed heeft. Als een van de zeven wijzen wordt hem de spreuk γνῶθι σαυτόν of τέλος ὁρᾶν μακροῦ βίου toegeschreven.

Chimaera, Χιμαίρα, een vuurspuwend monster, dochter van Typhon en Echidna, door den lycischen koning Amisodārus opgevoed, dat in Lycië groote verwoestingen aanrichtte en door Bellerophon met de hulp van Athēna gedood werd. Haar lichaam was van voren dat van een leeuw, in het midden van een geit, van achteren van een draak; v. a. had zij drie koppen, namelijk die van de genoemde dieren.

Chione, Χιόνη, 1) dochter van Boreas en Orithyia, moeder van Eumolpus.—2) dochter van Daedalion, werd door Hermes en Apollo bemind en, omdat zij op hare schoonheid trotsch was, door Artemis gedood.

Chionides, Χιονίδης, 1) Eumolpus, zoon van Chione.—2) dichter der oude comedie, omstreeks 450.

Chiridōta, χειριδωτός, sc. χιτών, tunica met lange mouwen, eene dracht, welke bij de Romeinen wel goed voor vrouwen, doch ongepast voor mannen werd geacht. Bij barbaren komen kleederen met lange mouwen zeer veel voor.

Chirisophus, Χειρίσοφος, Spartaan, streed in den slag bij Cunaxa onder Cyrus en was met Xenophon aanvoerder der Grieken op hun terugtocht.

Chiron, Χείρων, zoon van Cronus en Philyra, de voortreffelijkste der Centauren, uitmuntend door wijsheid, rechtvaardigheid en kennis. Hij was door Apollo en Artemis onderwezen en werd op zijne beurt de leermeester en opvoeder van vele jonge helden, zooals Iāson, Theseus, Castor en Pollux, Achilles, e. a.; zelfs Asclepius had van hem de geneeskunst geleerd. Toen Heracles hem bij ongeluk met een zijner pijlen eene ongeneeslijke wonde had toegebracht, stond hij, opdat de dood een einde aan de ondragelijke pijn zou kunnen maken, zijne onsterfelijkheid aan Promētheus af, zoodat deze tevens, volgens eene vroegere belofte van Zeus, van zijn lijden bevrijd werd. Chiron werd als boogschutter onder de sterren geplaatst.

Χιτών, het voornaamste kleedingstuk der Grieken, dat zoowel door mannen als vrouwen gedragen werd. De dorische ch. voor mannen was van wol, kort en zonder mouwen; de ionische van linnen, langer en met mouwen. Slaven en arbeiders droegen een ch. waaraan alleen voor den linkerarm een mouw was, (ἑτερομάσχαλος, daarentegen wordt de gewone ch. ἀμφιμάσχαλος genoemd), of soms ontbrak ook deze en werden de twee losse slippen over den linkerschouder vastgeknoopt (ἐξωμίς). De dorische ch. voor vrouwen was eveneens van wol, en niet zeer lang; de voorste en achterste helft waren eerst van onder de armen aan elkander vastgenaaid, terwijl de losse einden op de schouders met haken (περόναι) werden vastgehouden; de ionische was van linnen, zeer lang, wijd en met wijde mouwen. De ch. werd door mannen op het bloote lichaam gedragen; vrouwen droegen gewoonlijk nog een onderhemd (χιτώνιον).

Chius, Chios, Χίος, thans Scio, groot en machtig eiland op de ionisch-aziatische kust. Als oorspronkelijke bewoners worden Lelegers en Pelasgen genoemd; later is het gekoloniseerd van uit Boeotië en Euboea. In den opstand der Ioniërs tegen de Perzen leverde het honderd schepen. In 494 door de Perzen onderworpen, bleef het 15 jaar schatplichtig, viel na den slag bij Lade (479) van Perzië af, en werd (477) als zelfstandig lid in het atheensche zeeverbond opgenomen. In 413 valt Chios van Athene af, en nu volgt voor het eiland een periode van oorlog, [168]binnenlandschen strijd en verwoesting. Van 377–357 is het lid van den tweeden attischen zeebond; toen het van dezen bond was afgevallen, werd het weldra afhankelijk van den Cariër Mausōlus. Het eiland leverde voortreffelijken wijn, mastik, marmer, vijgen en fijne porceleinaarde op. Het was de geboorteplaats van den treurspeldichter Ion, den geschiedschrijver Theopompus en beweerde ook het vaderland van Homerus te zijn. De hoofdstad aan de O.-zijde gelegen, heette ook Chius of Chios.

Chlamys.

Chlamys.

Chlamys, Χλαμύς, een mantel, dien men vooral bij het rijden droeg, oorspronkelijk aan Thessaliërs en Macedoniërs eigen. De atheensche jongelingen kregen zulk een mantel als zij epheben werden. Hij kon los omgeslagen of nauwer aan het lichaam aangesloten worden, en werd voor aan den hals of op den rechterschouder vastgemaakt.

Chloe, Χλόη, bijnaam van Demēter.

Chloris, Χλῶρις, 1) godin der bloemen, gemalin van Zephyrus, door de Romeinen voor dezelfde godin gehouden als Flora.—2) dochter van Amphīon en Niobe; zij en haar broeder Amyclas werden alleen door Apollo en Artemis gespaard (z. Niobe), maar de dood van hare broeders en zusters had haar zulk een schrik aangejaagd, dat men haar naam Meliboea in Chloris (bleeke) veranderde.—3) dochter van een anderen Amphion, gehuwd met Neleus.—4) dochter van Tiresias.

Choaspes, Χοάσπης, 1) rivier in Susiāne, die langs Susa stroomt, beroemd om haar kristalhelder water, dat de perzische koningen op hunne reizen in zilveren kruiken medenamen.—2) stroom in het Indusgebied, zijrivier van den Cophes of Cophen, die in den Indus valt, ook Choës genoemd.

Choerades, Χοιράδες, sc. νῆσοι, rotseilandjes voor de haven van Tarentum.

Choerilus, Χοίριλος, 1) een der oudste atheensche treurspeldichters (omstreeks 524); vooral zijne satyrspelen worden geroemd.—2) van Samus, dichter van een historisch epos, Persēis (omstreeks 400).—3) van Iāsus, tijdgenoot van Alexander den Gr. wiens daden hij in een episch gedicht verheerlijkte.

Χόες, de tweede dag der Anthesteria (z.a.).

Chones, Χῶνες, volk aan de kust van Zuid-Italië, tot de Oenotri behoorend, in de buurt van Metapontum en Siris. Daarnaar heette de kuststreek om de golf van Tarentum Chonia.

Chorāgus, χορηγός, iemand die bij het opvoeren van tooneelstukken, muziek- en dansuitvoeringen, met het bezorgen en bekostigen van het koor belast was. De choregie was een van de kostbaarste liturgieën (z. Liturgia), en bij den wedijver, waarmede de choragen elkander trachtten te overtreffen, stegen de kosten ervan wel eens tot 5000 drachmen. Deze kosten bestonden in de betaling en het onderhoud der choreuten en van den χοροδιδάσκαλος, iemand die het koor oefende en de repetities leidde, verder in prachtige kleederen, gouden kransen, enz., waarmede het koor optrad. De choragus, die den prijs won, richtte ter gedachtenis daaraan een klein marmeren gedenkteeken op, dat door een metalen drievoet gekroond werd. Zie de afbeelding bl. 103.

Chorasmii, Χωράσμιοι, een arische volksstam, die de oase van Chiwa reeds vroeg in cultuur heeft gebracht, en kanalen heeft aangelegd, gevoed door het water van den Araxes of Oxus, om het land te irrigeeren, zooals we dat in Mesopotamië vinden. Het is het stamland van Zarathustra. Zij leverden hulptroepen aan Alexander d. G.

Choraules, χοραύλης, iemand die den zang en dans van een koor op de fluit begeleidt. De benaming zelf komt eerst in den romeinschen tijd voor.

Χορηγία, z. Chorāgus.

Χωρίζοντες werden in den alexandrijnschen tijd de grammatici genoemd, die beweerden dat de Ilias en de Odyssee niet van denzelfden dichter waren.

Chorus, χορός, een zeker aantal personen, die bij godsdienstige feesten reidansen uitvoerden, welke zij door gezang afwisselden. Later werd dit gezang hier en daar afgebroken door alleenspraken en dialogen, en zoo ontstond het drama. In het eigenlijke drama neemt het koor, zonder zelf handelend op te treden, toch aan de handeling deel, en begeleidt de daden der hoofdpersonen met opmerkingen, vermaningen, aansporingen, troostredenen, enz., terwijl het bij zekere rustpunten in de handeling liederen zingt, die daarmede min of meer in verband staan, en dansen uitvoert. Daarmede geeft het uiting aan de gevoelens, die volgens den dichter het stuk bij den toeschouwer moet opwekken. Het koor bestond in het treurspel uit 12, later uit 15, in het blijspel uit 24 personen. Soms zongen allen met elkander, soms bij beurten grootere of kleinere afdeelingen; gesproken werd slechts door den leider van het koor (χορυφαῖος), of in enkele gevallen door de leiders der beide koorhelften (παραστάται). De plaats van het koor was in de orchestra.

Chremonideïsche oorlog (± 265–263), zoo genoemd naar Chremonides, die in dien tijd te Athene aan het hoofd van den staat stond, werd door Athene, Sparta, het achaeisch verbond e. a. grieksche staten gevoerd om de Macedoniërs uit Griekenland te verjagen. De oorlog eindigde, toen Athene zich na een lang beleg aan Antigonus Gonātas had moeten overgeven.

Chrȳsa of -e, Χρύσα, -η, stadje aan de Zuidkust van Troas, aan de Adramyttische [169]golf met een tempel van Apollo Smintheus. Het plaatsje is vroeg verwoest.

Chrysāor, Χρυσάωρ, 1) zoon van Poseidon en Medūsa, die te voorschijn kwam toen zijne moeder door Perseus het hoofd werd afgehouwen.—2) “met een gouden zwaard”, bijnaam van Zeus, Apollo e. a. goden.

Chrysas, Χρύσας, rivier op Sicilia nabij Assōrus, een zijrivier van den Symaethus.

Chryse promunturium, Χρυσῆ χερρόνησος, het schiereiland Malakka.

Chrysēis, Χρυσηίς dochter van Chryses, den priester van Apollo te Chryse. Op een strooptocht werd zij door Achilles gevangen genomen en bij de verdeeling van den buit aan Agamemnon gegeven. Toen haar vader haar wilde loskoopen, maar door Agamemnon beleedigd en weggejaagd was, zond Apollo tot straf de pest in het grieksche leger, die niet ophield voordat Chr. aan haar vader teruggegeven was (z. Brisēis).

Chrysippus, Χρύσιππος, 1) zoon van Pelops en Axioche, werd door zijne stiefbroeders Atreus en Thyestes vermoord.—2) van Soli of Tarsus (282–206), zoon van Apollonius, leerling van Cleanthes en na diens dood hoofd der stoicijnsche school. Hij verdedigde en bevestigde de leer van Zeno in een groot aantal werken, naar men wil 705, waarin hij echter dikwijls zichzelf herhaalde of tegensprak. Hij gold als het ware voor den tweeden stichter der school, getuige het woord: εἰ μὴ γὰρ ἦν Χρύσιππος, οὐκ ἂν ἦν Στοά.

Chrysogonus (C. Cornelius), vrijgelatene van Sulla, als valsche aanklager bekend uit Cicero’s oratio pro S. Roscio Amerino.

Chrysopolis, Χρυσόπολις, versterkte havenstad in het gebied van Chalcēdon in Bithynia, tegenover Byzantium, thans Scutari.

Chrysothemis, Χρυσόθεμις, dochter van Agamemnon en Clytaemnestra.

Chthonius, Χθόνιος, 1) een van de vijf Sparten, die in leven bleven bij het gevecht, dat zij onder elkander leverden (z. Cadmus).—2) Χθόνιος, Χθονία, is een bijnaam van godheden, die met de onderwereld in betrekking staan, als Hades, Demēter, Persephone e. a. Ζεὺς Χθόνιος = Hades.

Χύτροι, de derde dag der Anthesteria (z. a.).

Chytri, Χύτροι, stad op Cyprus, dicht bij de N.-kust.

Cia = Ceos.

Cibalis, Cibalae, stad in Pannonia dicht bij den Donau, tusschen Sirmium en Mursa, waarbij Constantijn de Gr. in 314 na C. zijn zwager Licinius versloeg.

Cibyra, Κίβυρα, hoofdstad van Cabalia (z. a.) of Cibyrātis, 2½ uur gaans in omtrek, bloeiend door hare ijzerfabrikage. Dit Cibyra werd maior bijgenaamd ter onderscheiding van Cibyra minor in Pamphylia.

Cicerēius (C.), rom. praetor in 173, overwon de Corsen en was stadhouder van Sardinia en Corsica. Daar de senaat hem de eer van een zegetocht binnen Rome weigerde, hield hij een zegepraal op den Albaanschen berg.

Cicero, familienaam in de gens Tullia, z. Tullii no. 3–9.

Cicones, Κίκονες, thracische volksstam aan de kust tusschen Abdēra en de monding van den Hebrus. Hun stad heette Ismarus. De streek is vroeg beroemd om den wijn, die er groeit. In hun gebied lag later de ionische stad Maronēa, ook Orthagorēa geheeten.

Cidaris, κίδαρις, κίταρις, het hooge en stijve hoofddeksel der perzische koningen, waaromheen een blauw met witte band liep.

Cierium, Κιέριον, stad in Thessaliōtis, vroeger Arne geheeten.

Cilicia, Κιλικία, landschap in het Z.O. van Asia minor, ten Z. begrensd door de zee en verder ingesloten door den Taurus en den Amānus. Het westelijke deel, bergachtig en boschrijk, werd Cil. aspera, τραχεῖα, geheeten, het oostelijke vlakkere gedeelte Cil. campestris, πεδιάς, ook propria. De bevolking, van syrische afkomst, week voor de grieksche kolonisatie naar de bergen en vormde na den val van het rijk der Seleuciden nog een afzonderlijk staatje in de bergstreken van den Amanus, onder den naam Ἐλευθεροκίλικες. In de westelijke bergstreken woonden pisidische en isaurische stammen, als stoute zeeroovers berucht, totdat Pompeius in 67 en 66 den zeeroof fnuikte. De hoofdstad van eigenlijk Cilicië was Tarsus. Cilicia was, ook onder de perzische opperheerschappij, een koninkrijk, waarvan de vorsten den naam of titel Syennesis (misschien = edel vorst) voerden. Alexanders verovering maakte hieraan een einde. In 75 werd een klein hoekje in het W. door P. Servilius Vatia tot rom. provincie gemaakt, terwijl het overige later door Pompeius werd veroverd. Als rom. provincie heeft Cilicia in verschillende tijden zeer verschillende grenzen en verschillende indeelingen gehad.

Ciliciae portae, bergpas in den Taurus ten N. van Tarsus, door eene rivier doorsneden en door kasteelen versterkt. Door dezen pas kwam men uit het N. Cilicia binnen. De portae Ciliciae et Syriae en de portae Amanides verleenden toegang uit het O.

Cilix, Κίλιξ, zoon van Agēnor, die door zijn vader uitgezonden werd om zijne zuster Europa te zoeken; daar hij haar niet konde vinden, keerde hij niet naar huis terug. Het land, waar hij zich vestigde, werd Cilicia genoemd.

Cilla, Κίλλα, stadje in Troas met een Apollo-tempel, in de buurt van Antandros.

Cilnii, een oud etruscisch geslacht van koninklijken bloede. Hiertoe behoorde C. Cilnius Maecēnas (v. a. heet hij alleen C. Maecenas, en is Maecēnas het nomen gentilicium), de vertrouwde vriend en raadsman van Octaviānus, een voorstander van letteren en kunst en beschermer van dichters, vooral van Vergilius en Horatius. Tweemaal, in 36 en 31, droeg Octavianus gedurende zijne afwezigheid van Rome de zorg voor Rome en Italia aan Maecenas op. Deze was dus stadhouder, maar geheel als privatus, als gelastigde, daar hij nooit eenig openbaar ambt bekleed heeft. In deze betrekking en ook bij verschillende gelegenheden als onderhandelaar [170]bewees Maecenas aan Augustus gewichtige diensten. Hij was het ook, die met Agrippa na den ondergang van Antonius aan Octavianus den raad gaf, de alleenheerschappij te behouden, en hij deed zulks uit volle overtuiging. Terwijl hij als schrijver of staatsman nooit heeft uitgeblonken, is zijn naam Maecenas als kunstbeschermer in wezen gebleven. Hij stierf in het jaar 8, omstreeks 60 jaar oud.

Cimber, familienaam in de gens Tillia.

Cimbri, Κίμβροι, een volksstam van germaansche afkomst, die langs den Oceanus Germanicus (Noordzee) en wel grootendeels op de Chersonēsus Cimbrica in Sleeswijk woonde. Ze behooren tot den stam der Ingaevones of Noordzee-Germanen. Toen door het onderloopen van een gedeelte hunner landerijen, hetzij ten gevolge van hooge zeevloeden, hetzij door een langzame daling van den bodem, het de sterk aangroeiende bevolking aan voedsel begon te ontbreken, trokken zij, met de germaansche Teutonen en de gallische Ambronen en Tiguriners verbonden, zuidwaarts en eischten grond in het rom. gebied, dien zij niet verkregen. In 113 versloegen zij bij Norēia in Noricum den consul Cn. Papirius Carbo (Papirii no. 12), wendden zich toen naar Gallia, waar zij vreeselijke verwoestingen aanrichtten, doch werden door de Belgen verslagen. Hierop trokken zij weder zuidwaarts naar de rom. provincie, eischten opnieuw grondbezit en versloegen, toen de rom. senaat weigerachtig bleef, eerst in 109 den consul M. Junius Silānus (Junii no. 16), en in 107 den legaat M. Aemilius Scaurus, en vernietigden in 105 bij Arausio (Orange) een leger van 80000 man onder den consul Cn. Mallius Maximus en den proconsul Q. Servilius Caepio (Servilii no. 15) bijna tot den laatsten man. Nu richtten zij hun tocht naar Hispania, doch werden door de Celtiberiërs teruggedreven. In 102 keerden zij naar Gallia terug, en verdeelden zich in twee groepen. De Ambronen en Teutonen wilden hun weg over de Zeealpen nemen, maar werden in 102 door C. Marius bij Aquae Sextiae (Aix in Provence) geheel verslagen. De Cimbren trokken naar Noricum en drongen door het dal van den Athesis (Etsch) de Po-vlakte binnen, doch werden in 101 op de Raudische velden bij Vercellae door C. Marius en Q. Lutatius Catulus vernietigd. Een gedeelte van den stam was in het vaderland achtergebleven, en in de 2de eeuw na Chr. woont er nog een afdeeling van hen in het noordelijkste gedeelte van Jutland. Het schiereiland en de noordpunt daarvan is naar hen benoemd.

Ciminius mons en lacus, boschrijke bergrug en meer in Etruria, ten Z.O. van het Volsinische meer.

Cimmerii, Κιμμέριοι, mythisch volk aan den rand van den oceaan, in het uiterste Westen der aarde, waar geen zonnestraal doordringt en alles in eeuwige nevelen is gehuld. Bij de dichters wordt de uitdrukking Cimmerii lacus voor de onderwereld gebezigd. De historische Cimmeriërs woonden in de taurische Chersonesus (de Krim) en verder langs de Palus Maeōtis (zee v. Azow). Voor de Scythen wijkende, trokken zij naar Azië, drongen plunderende tot in Lydia door, vermeesterden omstreeks 650 Sardes, maar werden toen door den lydischen koning Ardys teruggedreven.

Cimolus, Κίμωλος, klein eiland der Cycladen, ten N. van Melos, met zilvererts en fijne kalkaarde, die door de vollers als creta fullonica gebruikt werd tot het wasschen van fijn lijnwaad (zooals bij ons de zeep).

Cimon, Κίμων, 1) zoon van Stesagoras, vader van Miltiades. Hij werd door Pisistratus uit Athene verjaagd, maar keerde later terug. Toen hij met zijne renpaarden ten derden male den eersten prijs te Olympia behaald had, lieten de zonen van Pisistratus hem vermoorden.—2) zoon van Miltiades en Hegesipyle, geb. 504. Daar zijn vader als schuldenaar van den staat gestorven was, miste hij eenigen tijd het burgerrecht, totdat de rijke Callias de schuld voor hem betaalde; daarvoor stond C. hem de schoone Elpinīce af, die zijne halfzuster en tevens zijne vrouw was. Na dien tijd streed hij met veel roem tegen de Perzen, veroverde Eïon in Thracië en het eiland Scyrus, voegde door zijne dapperheid en innemend gedrag vele steden, waaronder sommige niet-grieksche, aan den atheenschen bond toe, versloeg de Perzen bij de rivier Eurymedon in Pamphylië op denzelfden dag te land en ter zee (468), bedwong Naxus, dat getracht had zich van den atheenschen bond los te maken, en bracht eindelijk de geheele Chersonēsus in het bezit der Atheners (476–468). Door deze overwinningen had hij ook in het staatkundige grooten invloed gekregen, en toen Themistocles verbannen en Aristīdes gestorven was, was hij de eerste man van Athene. Hij wist het door te drijven, dat de bondgenooten hunne verplichting om schepen te leveren konden afkoopen, en dwong vele wederspannige staten met geweld in de atheensche symmachie te blijven. Ten gevolge van zijne aristocratische neigingen en van zijne vriendschap voor Sparta stond hij echter voortdurend bloot aan de aanvallen der volkspartij, en hoewel eene eerste aanklacht tegen hem zonder gevolg bleef, werd hij in 460, nadat een leger, dat op zijn raad in den oorlog tegen de Messeniërs aan de Spartanen ter hulp gezonden was, uit wantrouwen was teruggezonden, door het ostracismus verbannen. Hoewel zijn verzoek om in den slag bij Tanagra (457) mede te strijden, werd afgewezen, werd hij niet lang daarna uit zijne ballingschap teruggeroepen en in 451 bewerkte hij een vijfjarigen wapenstilstand tusschen Athene en Sparta. In 449 opnieuw met eene vloot van 200 schepen tegen de Perzen gezonden, stierf hij gedurende het beleg van Citium. De zoogenaamde vrede van Cimon, waarbij de koning van Perzië alle grieksche steden in Klein-Azië onafhankelijk verklaarde en zich verbond geene oorlogsschepen [171]in de Aegaeische zee te zenden, wordt alleen door latere schrijvers vermeld. Deze vrede is in werkelijkheid door Callias gesloten (z. Callias no. 1).—Behalve Cimon’s groote talenten als veldheer, worden ook zijne liefdadigheid en minzaamheid tegenover arme burgers geroemd en de mildheid, waarmede hij groote sommen aan de verfraaiing zijner vaderstad besteedde.

Cinado, Κινάδων, een Spartaan, die in het begin der regeering van Agesilāus eene samenzwering smeedde om de staatsregeling omver te werpen. Het plan werd echter verraden en de saamgezworenen werden ter dood gebracht.

Cinara, Κινάρα, eilandje in de Aegaeische zee, oostwaarts van Naxos, beroemd om zijne artisjokken, κινάραι.

Cincia (lex) de donis et muneribus. Deze wet verbood aan advocaten geschenken aan te nemen van de rechtzoekenden. Zij was een plebisciet, 204.

Cincii. Van dit plebejische geslacht zijn slechts de Alimenti bekend. 1) L. Cincius Alimentus was in 210 en 209 praetor op Sicilia. In 208 deed hij een vruchteloozen aanval op Locri Epizephyrii in Bruttium. Hij werd door Hannibal krijgsgevangen gemaakt. Hij is de schrijver van annales in het Grieksch.—2) M. Cincius Alimentus, volkstribuun in 204, was de vader der lex Cincia.

Cincinnātus, familienaam in de gens Quinctia, z. Quinctii no. 2–5.

Cinctus Gabinus = Gabinus cinctus.

Cineas, Κινέας, 1) thessalisch vorst, die met 1000 ruiters de Pisistratiden kwam helpen, toen de Lacedaemoniërs hen uit Athene wilden verjagen.—2) Thessaliër, vriend en dienaar van Pyrrhus, den koning van Epīrus, wien hij door zijn verstand en zijne welsprekendheid groote diensten bewees. Tevergeefs ontried hij Pyrrhus den tocht naar Italië, wel werd op zijn raad den Romeinen na de eerste overwinning van Pyrrhus vrede aangeboden. Hij ging zelf tweemaal naar Rome om te onderhandelen, de eerste maal na Pyrrhus’ overwinning bij Ausculum (279), maar in weerwil van zijne welsprekendheid wees de senaat, die op hem den indruk maakte van eene vergadering van koningen, zijne voorstellen standvastig af. Hij stierf, naar het schijnt, gedurende den tocht van Pyrrhus naar Sicilië. Ook als schrijver van werken over taktiek en geschiedenis wordt hij genoemd.

Cinesias, Κινησίας, atheensch dithyrambendichter, omstreeks 415, dikwijls bespot om zijne ultra-moderne muziek.

Cinga, zijrivier van den Sicoris (Segre) in Tarraconensis.

Cingetorix, Galliër uit het volk der Treviri ten tijde van Caesar, vriend der Romeinen, die hem het bestuur over zijne onderworpen stamgenooten lieten. Ook naam van een vorst der Britten in denzelfden tijd.

Cingulum, bergvesting in Picēnum, in 63 door Labiēnus aangelegd.

Cinna, familienaam in de gens Cornelia (z. Cornelii no. 39–42) en de gens Helvia.

Cinxia, bijnaam van Juno, als godin van het huwelijk.

Cinyps, gen. -phis, Κίνυψ, rivier op de kust van Africa tusschen de groote en de kleine Syrte, bij Leptis magna. De streek, waardoor zij stroomde, bracht zeer schoonharige geiten voort. Dichterlijk is cinyphius = afrikaansch.

Cinyras, Κινύρας, zoon van Apollo, koning van Cyprus, priester van Aphrodīte. Bij zijne dochter Myrrha verwekte hij, zonder haar te kennen, den schoonen Adōnis; toen hij dit ontdekte, stortte hij zich in zijn zwaard.

Cios = Cius.

Cippus, oorspronkelijk = paal. Deze naam kreeg ook een palissadeering onder water, door Caesar aangelegd in de grachten zijner legerplaats vóór Alesia. Deze versterking bestond in stukken van boomstammen, van boven scherp gepunt en met gekapte takken, die op den bodem der gracht werden neergelaten. Verder wordt het meestal gebruikt voor grenspaal van hout of steen, om den Tiberloop, het pomoerium, de waterleidingen, en de area van een graf aan te wijzen.

Circe, Κίρκη, dochter van Helius en Perse. Zij woonde op het eiland Aeaea, dat zij door hare tooverkunsten in een heerlijk oord herschapen had, waar zij den tijd doorbracht met weven en zingen en door schoone nimfen bediend werd. Toen Odysseus op haar eiland landde, veranderde zij zijne makkers in zwijnen, hijzelf was echter door een kruid, dat hem door Hermes gegeven was, tegen hare toovermiddelen bestand; zelfs dwong hij haar, aan zijne makkers hunne oorspronkelijke gedaante terug te geven. Hij bleef een geheel jaar bij haar en verwekte bij haar drie zonen: Telegonus, den mythischen stichter van Tusculum, Agrius en Latīnus. Toen hij eindelijk op aandringen zijner makkers wenschte te vertrekken, liet zij hem gaan, na hem eerst zijn verdere lotgevallen voorspeld te hebben. Zie Telemachus.

Circeii, oude havenstad in Latium, wegens de overeenkomst van naam door de mythe met Circe in verband gebracht. De nabijgelegen kaap heette promunturium Circeium of Circeius mons. In de 5de eeuw was Circeii in de macht der Volscen, maar in 393 werd het heroverd, en als latijnsche kolonie ingericht, wat het gebleven is tot 90. Onder Circaea moenia bij Horatius moet men niet Circeii, maar Tusculum verstaan (z. Circe).

Circesium, Κιρκήσιον, rom. grensvesting in Mesopotamia aan de samenvloeiing van den Chabōras en den Euphraat. Hier was in 604 koning Necho van Aegypte door Nebukadnezar verslagen.

Circius, Θρασκίας, de noordwestenwind, zie Windstreken. Circius of Cercius ventus, ook ventus Gallicus geheeten, is de naam van een wind, die met groote heftigheid in het Zuiden van Gallia Narbonensis, en Zuidwaarts tot aan Ostia optreedt. Het is de bekende Mistral. In andere streken heet hij Corus of Caurus. [172]

Circumcelliones worden sedert de helft van de 4de eeuw n. C. die Donatisten genoemd, die in Afrika, door den nood gedrongen, monniken en zwervers werden; ze zijn hevig gekant tegen andersdenkenden en tegen de bezittende klassen.

Circus.

Circus.

Circus. Wedrennen behoorden tot de meest geliefde schouwspelen der Rom. Het renperk was eene langwerpige ruimte, aan wier begin de stallen (carceres) zich bevonden. Deze carceres waren in een flauwen boog gebouwd, zoodat de afstand tot aan het eigenlijke aanvangspunt van den rit voor allen gelijk was. Aan het andere eind was de circus afgerond. Langs de renbaan waren de zitplaatsen voor de toeschouwers, op dezelfde wijze als in het amphitheatrum. In de as der baan was eene verhevenheid, de spina, waarop dikwerf altaren, zuilen en dergelijke versierselen stonden. Vóór de beide uiteinden der spina stonden de metae of eindpalen, waarom de wagens moesten heenzwenken. Zulk eene meta bestond uit een steenen voetstuk met drie kegelvormige zuilen. Op de spina, nabij de einden, stonden twee verhevenheden; op de eene lagen zeven groote marmeren eieren, op de andere stonden zeven groote marmeren dolfijnen. Bij elken omrit (curriculum of spatium) werden een ei en een dolfijn afgenomen. Zeven omritten vormden een missus. Wie bij den zevenden omrit het eerst de krijtstreep (zie calx) bereikte, was overwinnaar. Bij elken wedren of missus liepen in den regel vier wagens (zie auriga), terwijl verscheidene missus elkander opvolgden.

Circus maximus.

Circus maximus.

De circus maximus te Rome, gelegen tusschen den Palatīnus en den Aventīnus, herhaaldelijk vergroot, was ten laatste 600 Meter lang en 150 M. breed. Hij kon toen 180,000 toeschouwers bevatten. Behalve dezen telde Rome binnen zijne muren nog een kleineren, den circus Flaminius, door C. Flaminius in 220 gesticht op den Campus Martius ten N.O. van den Capitolinus. De circus max. en de circus Flam. hebben hun naam gegeven aan de 11de en 9de der 14 regiones, waarin Augustus Rome verdeelde.

Cirphis, Κίρφις, zie Parnassus.

Cirrha, zie Crissa.

Cirta, Κίρτα, uiterst sterke stad in Numidia (Africa Nova), koninklijke residentie, later naar Constantijn den Gr. Constantīna genaamd; tgw. Constantine.

Cisalpīna (Gallia), het noordelijk gedeelte van Italië, van de Alpen tot aan de riviertjes Macra en Rubico. Het was gedeeltelijk bevolkt door gallische stammen, die er de Etruscers en Umbriërs uit verdrongen. Het omvatte de landstreken Liguria, Gallia Cispadāna, Gallia Transpadāna, Venetia, Histria.

Cispadāna (Gallia), de oostelijke helft van Noord-Italië bezuiden den Padus (Po).

Cispius (mons), een van de bergen van het Septimontium, zie Roma; hij behoorde tot de wijk Esquiliae, en was gelegen tusschen den Mons Oppius en den Collis Viminālis.

Cissēis, Κισσηίς, 1) Theāno, dochter van den thracischen koning Cisses.—2) Hecabe, dochter van Cisseus.

Cissia, Κισσία, oude naam voor de landstreek Susiāne aan den Choaspes, met eene zeer heldhaftige bevolking.

Cisterna, van boven gesloten vergaarbak, vooral voor regenwater; open vergaarbakken heeten lacus.

Cistophorus, κιστοφόρος, 1) degene, die bij [173]sommige godsdienstige plechtigheden, vooral bij de mysteriën, de heilige kist droeg, waarin zich offergereedschappen, enz. bevonden.—2) aziatische munt ter waarde van 4 drachmen, die tot stempel had een half geopende kist, waaruit een slang te voorschijn kwam.

Cithaeron, Κιθαιρών, woest gebergte tusschen Attica, Boeotia en Megaris, rijk aan ongeluksmythen (Actaeon, Pentheus, Niobe’s kinderen, Oedipus te vondeling gelegd).

Cithara, κιθάρα, κίθαρις, een muziekinstrument, door Amphīon of Linus uitgevonden; het was in vorm nagenoeg gelijk aan onze gitaar en had oorspronkelijk 3 of 4, gewoonlijk 7, later nog meer, eindelijk 15 snaren. Men bespeelde het met de hand of met een plectrum, terwijl men het op den linkerarm liet rusten.

Citium, Κίτιον, een der negen hoofdsteden van Cyprus, op de Zuidkust gelegen. Cimon stierf hier (449).

Cius of Cios, Κίος, oude koopstad aan de Z. kust van de Propontis aan den Cianus Sinus, kolonie van Milētus, door de Macedoniërs verwoest, maar door Prusias van Bithynia herbouwd en Prusias geheeten, niet te verwarren met het zuidelijker gelegen Prusa.

Civīlis (Iulius, niet Claudius), Batavier van edele afkomst, die in de jaren 69–70 na C. het hoofd was van den bataafschen opstand tegen Rome. Een oogenblik nam de opstand onrustwekkende afmetingen aan. Met andere germaansche stammen vereenigd, behaalden de Batavieren meer dan ééne overwinning en belegerden Castra Vetera (Xanten), dat zij ten laatste ook vermeesterden. Ook in Gallië brak een opstand uit, maar gebrek aan samenwerking en aan de noodige eenheid was oorzaak, dat de Galliër Julius Tutor en later ook Civilis door den rom. veldheer Cereālis verslagen werden. Het gelukte den Romeinen, de Batavieren van hunne bondgenooten te scheiden en naar hun eiland terug te dringen (z. ook Batavodurum), waarop Civilis met Cerealis een eervollen vrede sloot en het oude bondgenootschap der Batavieren met Rome werd hersteld.

Civitas, burgerrecht (eigenlijk ius civitatis of ius Quiritium). Volgens de begrippen der oudheid had alleen de burger van den staat vanzelf aanspraak op de bescherming der wetten. Door verdragen met andere staten kon wederzijdsche bescherming worden verleend, doch in het algemeen beschermden de wetten den vreemdeling niet, tenzij een burger zich zijner aantrok en voor hem optrad. Vandaar de groote beteekenis van het burgerrecht in de oude tijden. Men was burger door geboorte of door schenking van het burgerrecht. De rechten, die het Rom. burgerrecht verleende, kunnen onderscheiden worden in iura privata en iura publica. Tot de iura privata behoorden vooral het conubium en het commercium; tot de iura publica in de eerste plaats het ius provocationis, het recht om zich van een vonnis der overheden op de volksvergadering te beroepen. De rom. burger was tijdens de republiek vrij van onteerende straffen; alleen door de volksvergadering kon hij tot geeseling en doodstraf worden veroordeeld. Het ius suffragii en het ius honorum et sacerdotiorum maakten geen noodzakelijk bestanddeel van het rom. burgerrecht uit. Die het hadden, waren cives optimo iure; die het niet hadden, heetten aerarii (z. a.). Keizer Caracalla schonk in 212 na C. het burgerrecht aan alle vrije inwoners van het rom. rijk, ten einde de successierechten op rom. erfenissen door het geheele rijk te kunnen heffen. Zie ook capitis deminutio en πολιτεία.

Civitates. In de oudheid vindt men in hetzelfde land verschillende volken en stammen, soms wel door een verbond vereenigd, maar toch elk met hun eigen gebied en als zelfstandig geheel. Zoo vormden ook de grieksche volksplantingen aan de Middellandsche zee en hare bijzeeën afzonderlijke staatjes. De Rom. lieten dezen toestand bestaan, en waar zij hem niet vonden, riepen zij hem in het leven, door het land in civitates te versnipperen. Hoever deze versnippering ging, blijkt o.a. hieruit, dat op Sicilia 63 civitates bestonden, ieder door een verdrag aan Rome geketend, doch onderling zonder band, zonder conubium of commercium. (Alleen de burgers van Centuripae hadden recht van grondbezit over het geheele eiland). Zoo stond Rome tegenover een aantal kleine gebiedjes of staatjes en bleef het gemakkelijk meester, en dit is het, wat men onder dividere et imperare te verstaan heeft.

Civitates foederatae, liberae, immunes. In het rom. gebied had men ook vrije steden, civitates liberae, met eigen wetten en eigen rechtspraak, waaraan ook de inwonende Romeinen onderworpen waren. De stadhouder der provincie had dáár geen gezag uit te oefenen en geen recht, zich in de iurisdictio dezer staatjes te mengen. Deze vrije gemeenten waren òf civitates liberae et foederatae, die indertijd vrijwillig een foedus met Rome hadden gesloten op den voet van wederzijdsche gelijkheid van rechten,—òf wel alleen civitates liberae, waaraan de vrijheid door eene wet of een senaatsbesluit was geschonken, hetzij voor betoonde trouw of voor vrijwillige onderwerping. Deze laatste soort was aan geldelijke lasten ten bate der rom. schatkist onderworpen, tenzij zij civitates liberae et immunes waren, waaraan alleen in buitengewone gevallen verplichtingen konden worden opgelegd. De uitdrukking civitas foederata zonder bijvoeging van libera sluit geene vrijheid in. Wanneer men civitates foederatae naast socii gebezigd vindt, moeten onder de eerste de civitates in de provinciën, onder de laatste die in Italia verstaan worden. Zie echter socii.

Cladeus, Κλάδεος, beek die langs Olympia stroomend in den Alphēus valt.

Clanis, riv. in Etruria, stroomt langs Clusium en valt in den Tiber.

Clanius, rivier in Campania, ten Z. van den Volturnus, aan zijn monding ook Liternus geheeten. [174]

Clarissimi, titel der derde klasse van ambtenaren onder Constantijn.

Clarus, Κλάρος, stadje in Ionia nabij Colophon, met een tempel en een orakel van Apollo Clarius.

Classiarii. De zeedienst was bij de Rom. veel minder in aanzien dan de krijgsdienst te land. De bemanning der vloot, classiarii, socii navales, werd dan ook uit de armere burgers en uit de vrijgelatenen genomen. In later tijd wordt ook de naam classici gebruikt.

Classici, de burgers, die tot de eerste klasse behoorden. Vanhier de uitdrukking scriptores classici, schrijvers van den eersten rang. Ook = classiarii.

Classicum, trompet- of hoornsignaal, ook gebruikt voor het bijeenroepen der comitia centuriata.

Classis. De rom. burgers waren naar hun vermogen in 5 classes ingedeeld (zie centuria). De eerste klasse werd dikwerf bij uitnemendheid classis geheeten; vandaar de uitdrukking infra classem voor hen, die lager stonden. In het oudere Latijn is classis de onder de wapenen geroepen manschap; vandaar classis procincta, het slagvaardige leger. Ook = vloot. Omtrent de geschiedenis der romeinsche marine valt het volgende te melden. In 426 wordt voor het eerst een zeegevecht vermeld, in 394 gaat een oorlogsschip naar Delphi. In 338 behalen de Romeinen een overwinning ter zee op de Antiaten, in 311 worden de duoviri navales classi ornandae et reficiendae voor het eerst vermeld. In den eersten Punischen oorlog is de vloot zeer belangrijk. Later liet men ze vervallen, of liet men de bondgenooten voor schepen zorgen. Eerst door de troebelen van den zeerooveroorlog komt men er toe weer een voldoende vloot te bouwen (67), en sedert speelt die een groote rol in de burgeroorlogen. Augustus en de latere keizers onderhouden een blijvende vloot, die twee stations heeft, één te Misēnum, één te Ravenna. Ook in de provincies had men vloten, o.a. in Egypte, en op den Donau en den Rijn.

Clastidium, stad der Anares (Anamari) in Gallia Cispadāna, nabij den Padus (Po) op de grens van Liguria. M. Claudius Marcellus (zie Marcelli no. 29) behaalde hier in 222 eene overwinning op de Galliërs en versloeg eigenhandig hun aanvoerder Virdomārus.

Claternae, stad in Gallia Cispadāna aan de Via Aemilia ten O. van Bononia (Bologna).

Claudia (lex) van den volkstribuun Q. Claudius in 218, dat geen senator of senatorszoon een zeeschip mocht hebben van meer dan 300 amphorae (76 hectoliter) inhoud. Hierdoor werd het aan de senatoren onmogelijk gemaakt handel te drijven. Deze maatregel heeft indirekt het grootgrondbezit in Italië in de hand gewerkt, daar de senatoren voortaan hun geld in land belegden.

Claudia (lex) van den consul C. Claudius Pulcher in 177, dat de Latijnen, die zich te Rome ophielden, deze stad moesten verlaten en naar hunne eigene steden terugkeeren. De bedoeling was, de ontvolking der latijnsche steden te voorkomen.

Claudia (lex) van keizer Claudius, een verbod om aan minderjarigen geld te leenen.

Claudiānus (Claudius), een der laatste dichters van het west-rom. rijk, ± 400 na C., geb. te Alexandrīa, bezong in latijnsche verzen den lof