- Art Gallery -

 

.

De Nederlandsche geslachtsnamen

De Nederlandsche geslachtsnamen
In oorsprong, geschiedenis en beteekenis
Door Johan Winkler
Goedkoope uitgaaf
Haarlem
H. D. Tjeenk Willink
[Inhoud]

Boeck, ey soo men di wil laecken,

Segg’ dat si yet beters maecken.

Laecken end maecken is groet verscil,

Dye nyet en can maecken magh swigen still.

?

D’æbarre traeppet plomp yn ’t gnod,

Oer ’t goe kruwd hinne in sykt de Podd’.

Dy hier uwt naet az fuwl op-syckje,

Momme eack, mey rjuecht, by Rea-schonck lyckje.

Gysbert Japicx.

Wy willen gheerne ’t onse om een beter gheven,

Isser iet ghefaelt, tsy groot oft cleene.

Maer qualick can ment elck te passe gheweven:

Want niemant volmaeckt, dan God alleene.

Marcus van Vaernewyck. [V]

[Inhoud]

Voorbericht.

In dit boekwerk bied ik mynen land- en volksgenooten de vrucht aan van myne onderzoekingen en navorschingen op taal- en geschiedkundig gebied, naar den oorsprong, de geschiedenis en de beteekenis der hedendaagsche nederlandsche geslachtsnamen.

Moge dit werk met zoo veel genoegen aanveerd worden, als waar mede het geschreven is! Maar dit is naueliks te denken. Immers byzonder veel genoegen verschafte my het opstellen van dit namenboek. Allerlei verrassende, ten deele ook belangryke uitkomsten verkreeg ik, vooral op taalkundig gebied, by myne navorschingen in deze zake. En dies leverde my mijn arbeid zoo veel genot op, dat ik hier wel mag herhalen, wat ik in 1873 schreef by ’t voleindigen van mijn Algemeen nederduitsch en friesch Dialecticon. Te weten deze woorden: »de arbeid, aan mijn boek besteed, was my zoo aangenaam »(en leerrijk)”, dat, waneer door een of ander ongelukkig toeval mijn handschrift, terstond na dat ik de laatste letter er van op het papier zette, was vernietigd of verloren geraakt, ik my toch voldoende voor mijn werk beloond zoude gerekend hebben, door het genot dat ik er door gesmaakt had.”

De Nederlanders in ’t algemeen hebben tot nog toe, in wetenschappeliken zin, weinig aandacht aan hunne geslachtsnamen geschonken. Immers meen ik dit te mogen afleiden uit de omstandigheid dat zy er zoo weinig over geschreven hebben. Alles wat er tot nog toe hier te lande over dit onderwerp in het licht [VI]kwam, bestaat uit eenige weinige, veelal kleine en min belangryke opstellen, verspreid in verschillende tijdschriften van deze eeu. Het belangrijkste daar van, wat de nederlandsche geslachtsnamen in ’t algemeen aangaat, is zekerlik de »Historische beschouwing der nederlandsche eigennamen”, van Mr. L. Ph. C. van den Bergh. Ook mag ik, met de noodige bescheidenheid, daartoe tellen de opstellen over de friesche geslachtsnamen die, voor en na, van myne eigene hand verschenen zijn in de tijdschriften De vrije Fries en De Navorscher.

Het is te meer te verwonderen dat dit veld van taal- en geschiedkundig onderzoek in de Nederlanden zoo braak ligt, als men in aanmerking neemt aan den eenen kant de zeer byzondere en eigenaardige belangrijkheid der nederlandsche maagschapsnamen in taal- en geschiedkundig opzicht, en aan de andere zyde waarneemt dat onze hoogduitsche stamverwanten reeds zoo veel belangrijks en merkweerdigs over hunne geslachtsnamen in verschillende, meestendeels wetenschappelike werken, aan het licht gebracht hebben.

Terstond na het voltooien van mijn bovengenoemd Dialecticon voelde ik dan ook den lust in my ontwaken om aan dit onderwerp myne onderzoekingen en mijn verzamel-yver te wyden. Dat ik toen zoo bedroevend weinig over dit toch zoo echt volksaardig-nederlandsch onderwerp door nederlandsche geleerden geschreven vond, noopte my tot jaren lang voortgezet verzamelen van boustoffen en gegevens, eer ik daar aan denken kon, mijn onderwerp nader uit te werken. In der daad, gedurende verscheidene jaren heb ik een goed deel myner anders ledige uren besteed aan het samenbrengen en ordenen van alles wat ik noodig had tot het schryven van dit boek. Had ik dies dubbel moeite en veel arbeid, mijn werk is er ook zoo veel te meer mijn werk door geworden en gebleven. Immers had ik by het schryven van mijn reeds meermalen hier vermeld Dialecticon in veler hulp en medewerking my te verheugen en te roemen, voor dit geslachtsnamenboek stond ik aleen. Maar nu is hier ook alles eigen werk. En daar by, het werk is zoo eigenaardig-nederlandsch als maar mogelik is. Opsettelik heb ik uiterst weinig of ook in het geheel geen kennis genomen van het gene door onze hoogduitsche stamverwanten geschreven is over hunne geslachtsnamen, die ook grootendeels zoo [VII]nau aan de onzen verwant zijn. Zelfs het werk van Pott,1 dat zeker te recht by onze oostelike buren als een standaard-werk over dit onderwerp beschoud wordt, en heb ik met opset nooit geraadpleegd. Ik heb het zelfs nooit gezien.2 Men moge meenen dat deze bezorgdheid om mijn werk louter te houden en zuiver nederlandsch, overdreven is en slechts tot schade voor de volledigheid van dezen arbeid kon gedyen! Wel! ik heb nu toch de voldoening een echt eigen-nederlandsch werk mynen nederlandschen landsgenooten, mynen frieschen volksgenooten te kunnen aanbieden. En hier in verblijd ik my.

Zoo veel ik kon heb ik my in het behandelen der nederlandsche geslachtsnamen voor eenzydigheid willen vrywaren. Ik heb uit het Zuiden gelykelik als uit het Noorden, uit Vlaanderen zoo wel als uit Friesland, uit Holland zoo wel als uit Brabant, uit Limburg zoo wel als uit Zeeland en Gelderland de namen by elkanderen gebracht. En ik heb geen enkel gewest buiten spel gelaten. Maar omdat ik mijn leven lang nooit ergens elders gewoond heb als in Friesland en Holland, zoo zijn my natuurlik de friesche en hollandsche namen bekender en eigener als die uit andere gewesten. Intusschen, het ontbreekt my in geen der andere oorden, in Belgenland zoo min als in Noord-Nederland, aan vrienden en bekenden die my geerne de behulpsame hand boden, door my adresboeken, plaatselike nieusbladen, ambtelike lijsten, enz. uit hunne streken te doen toekomen, als zoo vele mild floeiende bronnen ter verzameling van byzondere namen.

Reeds een vluchtige blik in de volgende bladen doet den opmerksamen lezer bespeuren dat de taal waar in dit boek geschreven is, eeniger mate afwijkt in zinbou, woordegebruik en spelling van de hedendaagsche hollandsche boeketaal. Zeker! Ik ben dan ook geen Hollander. Een Fries ben ik. Maar als zoodanig een goed Nederlander. Waarom zoude ik dan my zelven dwingen om myne gedachten, gelijk zy in friesche bewoordingen, en vooral in friesche [VIII]formen, in mijn friesch brein ontstaan, kunstmatig om te zetten in schoolsch-hollandsche woorden en formen? Zoo doende zoude ik zelve mijn eigen werk bederven, mijn stijl gekunsteld, stijf, gewrongen, onnatuurlik, leelik maken. En zoo dwaas ben ik niet. Ook in deze zake geldt my »Vryheid, blyheid.” En al is dan myne taal niet onnoodiger wyze nieuerwetsch schoolmeesters-hollandsch,—goed-nederlandsch, zuiver dietsch is zy zeker. Zy is louter. Op een enkel kunstwoord na (b. v. patronymikon, dat ik herhaalde malen heb moeten gebruiken ter afwisseling met het anders al te vaak voorkomende woord vadersnaam), is alles zuiver nederlandsch. En dat kan men van de meeste werken der hedendaagsche Hollanders niet getuigen. Ach neen!

Een ingeschapen luide sprekend gevoel van eigenweerde als vrye Fries verbiedt my om, tegen beter weten in, de wetten te volgen waar mede hollandsche geleerden, zeer verdienstelike en hoog geleerde mannen, maar wier opvatting van taal niet de myne is, ons aller algemeen-nederlandsch in byzonder-hollandsche kluisters klinken. Toch is myne kettery niet al te bar, zoud’ ik meenen. De man, die onbevangen oordeelen wil en die de woorden verstaat in hunnen oorsprong, moet my gelijk geven als ik b. v. aleen (al en een), waneer (wan en eer), Engelland (het land der Engelen of Angelen), enz. schryve, in stede van alleen (al en leen?), wanneer (wan en neer?), Engeland (’t land der Engen?) zoo als het algemeene gebruik in Noord-Nederland eischt. Ook zal men vinden dat mijn zinbou en woordvoeging niet altijd en overal overeenkomen met den zinbou en de woordvoeging die door hollandsche schoolmeesters, in schoolschen waan bevangen, aan onze taal tot wet is gesteld. Om een enkel voorbeeld te noemen: in het gebruik van het woordje dan, in plaats van als, na den vergelykenden trap der byvoegelike naamwoorden. Waar de doode regel van den schoolmeester in strijd is met den regel dien de levende spreektaal volgt, daar geldt voor my slechts de laatste. Hier en daar, waar het pas gaf en het my zoo vryelik behaagde, heb ik ook gebruik gemaakt van ’t oude loochenwoordeken en, dat wel door onze hedendaagsche taaldwingelanden verworpen is, maar dat in den volksmond, vooral in onze zuidelike gewesten, en ook hier en daar in Holland, nog leeft, en dat door de beste vlaamsche schryvers nog wel gebezigd wordt, [IX]terwijl het zoo veel bevalligheid en zoetfloeiendheid aan de taal verleent. En ook daar heb ik my nog niet aan vaste regels gebonden, waar ik afwyke van den geijkten regel. Ik spreek en schrijf eenvoudig zoo als my de gedachten in mijn brein ontstaan, en juist zoo als op dat oogenblik mijn geest my de woorden op de tonge legt of uit de pen doet floeien. Al die vryheden neem ik my, naar eigen welbehagen, en in spijt van wien er zich aan moge ergeren.

Dat ik eene, zy het dan ook uiterst bescheidene mate van dank en lof zal oogsten met dit werk, kan ik wel hopen, maar niet verwachten. Menig man zal, om menige redenen, in arren moede dit geschrijf verwerpen. Immers ondervond ik maar al te vaak dat vele lieden byzonder prikkelbaar en gevoelig zijn op het stuk van hunne namen. O! bewijs dien ryken en verwaanden opkomeling niet dat zijn geslachtsnaam van zeer nederigen en eenvoudigen oorsprong is! Toon dien nieu-bakken adeling niet aan dat zijn maagschapsnaam, die nu in spelling een weinig anders is als de gelijkluidende naam van zynen burgerliken buurman, met dien naam oorspronkelik geheel en al eenzelvig is. Immers en zal hy u geen dank wyten. Maar zoo hy u al niet met hoon en smaad overlaadt, zal hy, in het beste geval, uit der hoogte en met voorname minachting op uw werk en misschien op u-zelven nederzien. En dan nog, hoe vele lieden—ja immers een zeer groot gedeelte der menschen, is aangaande zynen geslachtsnaam wat oorsprong en beteekenis aangaat, in krasse vooroordeelen bevangen! Vooroordeelen, die in den regel reeds als erfdeel hunner voorouders hun zijn toegekomen. Tracht die vooroordeelen niet om verre te werpen, zoo uwe vrede u lief is. En overtuig dien lieden niet van hunnen ydelen waan! Gy en zoudt daar geen eere mee behalen. En dank even min. O! ik heb dit herhaaldelik ondervonden.

Toch stuur ik met vrooliken moed dit mijn werk de nederlandsche letterwereld in.

Voor dorre geleerde betoogingen heb ik my, by de samenstelling er van, gewacht. Alle wezen en schijn van boekekast-geleerdheid heb ik gemeden. Immers was het mijn streven dat mijn namenboek (even als vroeger mijn gousprakenboek) ook leesbaar zoude wezen voor den eenvoudigen beschaafden man. Maar tevens heb ik getracht het niet geheel verwerpelik te doen zijn voor den geleerde, [X]voor den taalkundige en den geschiedvorscher in d’ eerste plaats. Ook zal de man, die zich met de geschiedenis en het wezen der beschaving van ons volk inlaat, en die geerne d’ uitingen van ons volksleven gadeslaat, dit boek, zoo ik hope, niet zonder eenige voldoening ter zyde leggen.

Dit werk en bedoelt anders niet als eene eerste poging te zijn op het gebied van de beoefening onzer geslachtsnamen, eenvoudig, sliucht end riucht.

Moge men het, in dezen zin, welwillend aanveerden!

Den vriendeliken lezer een vriendelike groet van

Haarlem,
Midzomer, 1885.

Johan Winkler [1]


1 A. F. Pott, Die Personennamen, insbesondere die Familiennamen und ihre Entstehungsarten auch unter Berücksichtigung der Ortsnamen. Leipzig, 1853.

2 Zelfs de aanhaling van Pott’s werk in de noot op bl. 22 van dit boek, heb ik niet uit eigen aanschouing; zy is overgenomen uit Taylor’s Words and Places, bl. 125.

[Inhoud]

Inleiding.

§ 1. De eerste menschen, of liever zy, wier namen het eerst in onze geschiedboeken vermeld worden, hadden, ieder voor zich, maar éénen enkelen naam. By alle volken der oudheid, by Joden, Egyptenaars, Grieken, Romeinen, by allen, van welken stam ook, was dit oorspronkelik het geval. Een enkele naam werd voldoende geacht voor eenen enkelen persoon. Hoe ouder de namen, of beter: hoe vroeger de menschen leefden, wier namen ons bewaard gebleven zijn, hoe eenvoudiger hunne namen waren. Later kwamen ook samengestelde namen in gebruik, en nog later namen de menschen, de machtigen en voornamen het eerst, ook twee namen aan. Van die twee namen was echter slechts één de eigenlike naam, die uitsluitend voor den persoon gold welke hem voerde. De andere naam was gewoonlik een patronymikon of vadersnaam, soms ook oorspronkelik een by- of toenaam van den man zelven of ook wel van zynen vader; in het laatste geval gold die naam dan voor al de kinderen van eenen en den zelfden vader. Deze tweede namen werden in verloop van tijd ook wel erfelik; zy gingen niet alleen van den vader op den zoon, maar ook wel op de kleinzonen over, en op de volgende nakomelingschap. Dit was de oorsprong van de geslachtsnamen die eigen zijn aan al de leden van eene en de zelfde maagschap. Maar eigenlik gezegde geslachtsnamen, volkomen in den zelfden zin dien de beschaafde volken in den tegenwoordigen tijd aan dat woord hechten, hadden de ouden niet. Deze zaak was by [2]hen niet, of slechts weinig door wetten geregeld. In het aannemen en afleggen van namen, vooral van by- en toenamen, die de plaats vervulden der hedendaagsche geslachtsnamen, gingen de oude volken zeer willekeurig te werk. En onze eigene voorouders vóór 1811, toen de wetgeving op den burgerliken stand, en daar mede op de geslachtsnamen, geregeld werd, deden niet anders.

Juist zóó als by de volken der oudheid, is ook de geschiedenis der persoonsnamen, en der daaruit ontstane geslachtsnamen by onze eigene voorouders, by de Germanen in ’t algemeen. De oudsten onzer voorouders, ’t zy ze van frieschen of van saksischen stam waren, ’t zy ze deel uitmaakten van de talryke kleine stammen—Batauers, Kaninefaten, Maresaten, Sicambriers, Taxandriers, Morinen, Menapiers, waar van er velen later zich onder den naam van Franken vereenigden—zy allen droegen slechts éénen enkelen naam. En hoe ouder, hoe vroeger de namen der Germanen in de geschiedboeken vermeld worden, zooveel te eenvoudiger waren de namen. Abo, Athal, Bercht, Dodo, Edo, Fritho, Gero, enz. waren zulke eenvoudige mansnamen. Deze namen waren, by honderden in getale, by de verschillende volken van germaanschen bloede in gebruik. Eenigen er van zijn ook tot op den dag van heden in gebruik gebleven; by de Friesen vooral is dit met betrekkelik velen dezer namen het geval. Men noemt deze enkelvoudige namen wel naamstammen, wijl de latere samengestelde namen uit deze naamstammen ontstaan zijn en geformd. Weldra toch, by toenemende volkrijkheid, waren deze namen niet meer voldoende ter onderscheiding. Immers kwam het wel voor dat verschillende personen, leden van een en den zelfden stam, soms wel van eene en de zelfde maagschap, den zelfden naam droegen. Dit gaf verwarring; maar tevens aanleiding om nieuwe namen te zoeken. En men vond die, door twee namen, tot dus verre elk op zich zelven in gebruik, te verbinden, saâm te voegen tot éénen enkelen nieuwen naam. Van de enkelvoudige namen of naamstammen Gero en Hart b.v. maakte men Gerhart (Gerard, Gerrit, Geert), van Athal en Win formde men Athalwin (Alewijn), en Thiudo (Tiede) en Rik voegde men samen tot Thiudorik, Theodorik (Diederik, Dirk). De samenstelling dezer namen was aan weinige of geene taalkundige [3]of andere wetten gebonden, behalven aan die der welluidendheid en zoetvloeiendheid. Men kon in den regel de naamstammen samen voegen, gelijk men wilde. Zoo kon men b.v. van de naamstammen Gang en Olf of Wolf zoo wel Gangolf maken als Wolfgang; van Hart en Gero zoowel Gerhart als Hartger; beide formen komen voor. Men had dus tamelik vry spel, en vooreerst geen gebrek aan eigennamen. Want zoo de oude enkelvoudige namen by honderden telden, door willekeurige samenvoeging van al deze naamstammen kon men honderd-duizenden van nieue namen formen. By duizenden zijn deze samengestelde namen ons in oude geschriften en oorkonden overgeleverd geworden; by honderden zijn ze nog onder ons in gebruik. Men kan er duizenden vermeld en beschreven vinden in Förstemann’s Altdeutsches Namenbuch.

Deze namen waren natuurlik geenszins zinledige klanken. Integendeel! zy hadden allen eene beteekenis. Oorspronkelik waren het allen eenvoudige woorden, aan de volksspreektaal ontleend. De namen werden toen nog door het volk verstaan; het waren zinryke namen, en als zoodanig verstond men ze. En wijl alle Germanen oorspronkelik eene en de zelfde stamtaal gesproken hadden—hoe wel dan min of meer gewyzigd in uitspraak en woordenschat by de verschillende stammen—zoo verstonden ook allen deze namen, en gingen die namen, zonder bezwaar, van den eenen volksstam tot den anderen over. Toch waren van ouds her by het eene volk meer deze, by het andere meer gene namen in gebruik, en kon men dus daar uit, met eenige zekerheid, afleiden, tot welk volk, tot welken stam, tot welke maagschap deze of gene persoon behoorde. Maar overigens hadden de namen weinig kenmerken waar uit men weten kon, van welk volk of welke maagschap de dragers dier namen deel uitmaakten. Er waren geene algemeene namen, aan al de leden van een enkel geslacht eigen, en waaraan men elkanderen kennen en herkennen kon. In deze leemte, welke zich, by de toenemende volkrijkheid, vooral ook by het steeds drukker wordende verkeer der menschen onderling, hoe langer hoe meer deed gevoelen—in deze leemte werd voorzien door den kinderen samengestelde namen te geven, waar de namen van vader of moeder, zoo deze namen enkelvoudige naamstammen waren, of ook deelen van de namen der ouders, zoo dezen reeds samengestelde [4]namen voerden, in voorkwamen. Heette de vader b. v. Bruno en de moeder Hildigunda, dan kregen de zonen dezer echtgenooten wel de namen Brungar, Hildebrun, Brunolf, de dochters die van Brunhilda, Hildeberchta, Gundtruda. Deze samengestelde namen waar de namen of naamstammen van vader en moeder in voorkwamen, waren eene eerste, zwakke poging om algemeene namen te formen, die aan alle leden van een gezin iets eigens gaven, waar door zy zich van anderen onderscheidden, en als kinderen van één paar ouders, of als afstammelingen van eenen enkelen stamvader, aan anderen kenbaar waren. Later bereikte men hierin beter doel, door ware patronymika te formen; te weten, door den uitgang ing, op zich zelven een oude naamstam, te voegen achter den naam van den vader. Als b. v. de vader van eenen jongeling die Athalbercht heette, den naam droeg van Athal, dan noemde deze jongeling zich Athalbercht Athaling, dat is Athalbercht zoon van Athal, ter onderscheiding van anderen die ook wel Athalbercht heetten, maar geen zonen van Athal waren. (Athalbercht Athaling, dat is in onze tegenwoordige taal Albert Adeling.) Sedert deze patronymika of vadersnamen in gebruik gekomen waren, was er eenen grooten stap voorwaarts gedaan, ter verkryging van geslachtsnamen. Immers niet aleen Athalbercht voegde dat patronymikon Athaling achter zynen eigenen naam, maar ook zyne broeders Athalgar (Alger), Athalwin (Alewijn) en Athalhart (Allart) deden eveneens, wijl ze ook zonen van Athal, dus ook Athalingen waren. En zoo hadden zy, alle vier gebroeders, in dien gemeenschappeliken vadersnaam eenen band die hen verbond, en waren ze ook aan geheel vreemden, als broeders, als zonen van éénen zelfden vader kenbaar. Deze patronymika, als oorsprong van duizenden hedendaagsche nederlandsche geslachts- en plaatsnamen, zijn in de volgende bladen van dit werk uitvoeriger behandeld en verklaard.

Omstreeks het jaar 1000, ook een paar eeuen vroeger en later, waren deze patronymika by de germaansche volksstammen in volle gebruik, en dienden ze wel als geslachtsnamen. Na de 10de eeu kwamen er ook andere namen in gebruik, ter nadere aanduiding [5]van personen. Dit waren soms bynamen, afgeleid van de eene of andere persoonlike eigenschap van de dragers dier namen, of ontleend aan plaatsnamen, of aan andere byzondere zaken. En het bleek soms, dat deze namen zoo vast verbonden waren aan de personen die ze droegen, dat zy ook op de zoons van die personen overgingen, en later op de kleinzoons; met andere woorden dat zy erfelik werden, en volkomen als geslachtsnamen in gebruik bleven. Tevens kwam er na den jare 1000 nog eene andere wyze om vadersnamen of patronymika te formen, in zwang; eene andere wyze dan de tot dan toe gevolgde door achtervoeging van ing achter den vaders naam. Immers door veelvuldig gebruik, en uitsluitend in dien form, was het woordje ing in onze taal als ’t ware versleten geraakt. Het had by het volk zyne beteekenis verloren; men verstond het niet meer. De namen die op ing uitgingen, en die er nu eenmaal waren, bleven wel voor en na in gebruik, maar men formde geen nieue meer. Was er nu een jongeling die Wolther heette, en zijn vader droeg den naam van Bruno, dan noemde hy zich nu niet meer, naar oude zede, Wolther Bruning, maar Wolther Bruyns soen, Wouter, de zoon van Bruin,—wat overigens geheel op ’t zelfde uitkomt.

§ 2. De kruistochten gaven den menschen aanleiding om hunne vaste, vaak afgezonderd liggende woonsteden te verlaten, en door andere gouen te trekken, door verre landen te zwerven. Zy kwamen, zoodoende, veelvuldig met andere, tot dus verre hen geheel onbekende menschen in aanraking en verkeer. Zy kregen hierdoor hoe langer hoe meer behoefte aan vaste by- of toenamen, ter onderscheiding van de gelijknamige personen, die zy in andere plaatsen gezeten vonden, en die dikwijls in hun gezelschap naar het Heilige-land trokken. Immers vroeger, op de eenzame hoeve, mocht één enkele naam, Hugbrecht b. v., voldoende geweest zijn voor éénen enkelen man,—vroeger, in het kleine dorp waar maar twee mannen waren die Hugbrecht heetten, mocht het voldoende geweest zijn, zoo men dien eenen man Hugbrecht Woltering noemde, naar zynen vader Wolter, en den anderen man Hugbrecht Bernding, naar zynen vader Bernd (Bernhart)—thans, [6]onder die duizenden kruisvaarders, onder dat groote getal tochtgenooten, waar mede zy gezamentlik naar ’t Heilige-land trokken, waren er zoo velen die Hubrecht heetten! Maar er waren slechts weinigen, soms was er ook niemand by de schare, die wist dat de vader van den eenen Hubert den naam had gedragen van Walther, die van den anderen den naam van Berend; dat dus de eene Hugbercht een Woltrink, de andere een Bernharding was. De noodzakelikheid drong dus spoedig om die verschillende Hugberts van elkanderen te onderscheiden. En daarop wist het redzame volk wel raad. Den eenen die eenen rooden baard had, noemde men Hubert Roobaert, den anderen die byzonder lang was van gestalte: Hubert de Langhe. De derde praalde dikwijls met de scherpte van zijn zwaard: de volksgeestigheid had hem weldra, eerst spottender wyze, den toenaam Scerpsweert gegeven. De vierde eindelik had zich in zyne woonplaats Keulen by ’t heir der kruisvaarders gevoegd; dies noemde men hem Hubert de Ceulenaere. En die bynamen bleven in gebruik zoo lang de kruisvaart duurde, en ze bleven ook wel aan de personen hechten, als dezen reeds weder in eigen huis en hof waren terug gekeerd, en gingen ook later wel op hunne kinderen over.

Na de kruistochten was het vooral de opkomst en aanvankelike bloei der steden, met het ontstaan van den derden stand, die der vrye poorters of burgers, welke zeer bevorderlik was aan het ontstaan van by- en toenamen, eerlang ook van vaste geslachtsnamen. In die steden vestigden zich velen van het platte land, die tot dus verre slechts eenen enkelen naam, hoogsten nog een patronymikon daarenboven gevoerd hadden. Vreemdelingen, van heinde en verre soms samengevloeid, of door het grillige noodlot her- en derwaarts verdreven, woonden eerlang als burgers naast elkanderen in de enge straten der opkomende steden. Daar kende men elkanderen niet van vroeger; daar kende men nog veel minder elkanders maagschap, dus evenmin elkanders vadersnamen. Zoo was men genoodzaakt elkanderen nieue toenamen te geven, ter onderscheiding van gelijknamige personen. De poorters der steden oefenden veelal het eene of andere handwerk uit, of dreven de eene of andere koopmanschap. Niets lei dus nader voor de hand, om [7]twee mannen die beiden Godefert heetten, maar waar van de eene kleêrmaker was en de andere in kruideryen handelde, te onderscheiden als Godfried de Crudenier en Govaert Snider, Govert de Sceppere of Goert Schroeder, al naar mate snider, sceppere of schreuder—in Friesland nog heden ten dagen skroar—de gewone benaming was voor kleêrmaker, in de gouspraak der landstreek waarin de stad gelegen was. Ook noemde men den lieden wel naar hun handwerkstuich, of naar hunne koopwaar. Den Govert die kleêrmaker was, noemde men dus ook wel Govert Knipscheer, den Govert die kruidenier was, wel Govert Canneel of Govert Peperman. Liet de eene Govert echter duidelik merken, door zynen tongval, dat hy een Fries was, spoedig hadden zyne nieue stadgenooten hem Govert de Friese genoemd; en vertelde de andere dikwijls van Gent of van Groningen, als deze of gene plaats zyne geboorteplaats was, aanstonds had de volksmond hem Govaert van Ghent of Godefried van Groeninghe gedoopt. Breidde de stad zich uit, nam het getal harer huizen voortdurend toe, dan moesten ook die huizen een herkenningsteeken hebben, eenen naam dragen, ter onderscheiding. Gevelsteenen en gevelteekens, en uithangborden, met afbeeldingen, spreuken en namen, voorzagen in die behoefte. En de namen der huizen gingen veelvuldig over op de personen die in die huizen woonden. Woonde de eene Govert in een huis, waar »Daniel in den Leeuwenkuil” in den gevel stond—Govert in den Leeuwenkuil—eerlang ook enkel Govert Leeuwenkuil—zoo noemde hem de openbare volksstem; terwijl de andere Govert, aan wiens huis geschreven stond: »dit es yn den Wulff”, dien ten gevolge den naam kreeg van Govert de Wolf.

Zeer velen van deze by- en toenamen zijn later vaste geslachtsnamen geworden. En de oorsprong en beteekenis er van kan men in dit boek zoeken en vinden—soort by soort.

§ 3. De zuidelike gewesten, Vlaanderen in de eerste plaats, waren in de middeleeuen den noordeliken gouen verre vooruit in beschaving, in volkrijkheid, in den bloei van hunnen handel en nyverheid; ook in talrijkheid van welvarende steden. Daar deed zich dus de behoefte aan by- en toenamen, eerlang ook aan vaste [8]geslachtsnamen veel eerder gelden, veel dringender gevoelen dan in de veel minder bevolkte en toen nog zoo afgelegene noordelike gouen, waar ook handel, nyverheid en verkeer veel minder tierden. Van daar dat in de middeleeuen de geslachtsnamen veel eerder en veel meer in gebruik waren in Vlaanderen dan in Holland, in Brabant dan in Friesland. In oude oorkonden uit die tyden bewaard gebleven, blijkt dat de ingezetenen der vlaamsche steden in die dagen reeds grootendeels, zoo niet allen, vaste geslachtsnamen voerden, terwijl de Hollanders en Friesen uit die dagen, althans zoo ze niet van adelliken stam of anderszins aanzienlike lieden waren, maar eenvoudige burgers en boeren, slechts eenen enkelen naam droegen, hunnen doopnaam; soms ter onderscheiding daarenboven nog eenen persoonliken, niet algemeen voor hunne verwanten geldigen by- of toenaam. Of zoo zy dezen niet hadden, dan kwam daar een eenvoudig patronymikon voor in de plaats; b. v. Heinrik Allaertssoen. De burgers van Brugge en Gent hadden in de 14de en 15de eeu reeds voor verre weg het grootste gedeelte vaste geslachtsnamen. Die van Amsterdam hadden er, over ’t algemeen, nog geen in de eerste helft der zestiende eeu, en zeer velen, de kleine en geringe lieden, hadden er nog geen in de 17de eeu en later. Maar in de kleine steden van de noordelikste gewesten was de verhouding natuurlik nog geheel anders, wat het voeren van vaste geslachtsnamen aangaat. Ten platten lande kwamen de geslachtsnamen daar eerst in de vorige eeu in gebruik. Ja, in vele afgelegene gewesten en gouen, vooral in Friesland, Groningerland en Drente, duurde het tot in deze eeu eer alle landzaten een geslachtsnaam hadden. En waren daar de lieden, in 1811, by de instelling en wettelike regeling van den zoogenoemden burgerliken stand, niet genoodzaakt, ja gedwongen geworden, vaste geslachtsnamen aan te nemen, menigeen in onze noordelikste en noordoostelikste gewesten zoude nog heden geenen anderen naam voeren, dan zynen eigenen vóórnaam, met zynen vadersnaam in den tweeden naamval, als een patronymikon, daar achter gevoegd. [9]

[Inhoud]

Indeeling.

Dit werk is verdeeld in vier hoofd-afdeelingen. Deze bevatten:

  • I. De geslachtsnamen die ontleend zijn aan mansvóórnamen. Het zijn de zoogenoemde vadersnamen of patronymika. Van § 4 tot § 66.
  • II. De maagschapsnamen van aardrijkskundigen oorsprong. Met andere woorden: die ontleend zijn aan de namen van volken en volksstammen, landen en gewesten, eilanden en gouen, steden en dorpen, rivieren, enz. of aan gemeene zelfstandige-naamwoorden welke als plaatsnamen dienst doen. Van § 66 tot § 108.
  • III. Geeft een overzicht van al de geslachtsnamen die niet tot de beide vorige hoofd-afdeelingen kunnen gebracht worden. Het zijn de namen van allerlei oorsprong. Van § 108 tot § 151.
  • IV. In deze afdeeling vindt men de maagschapsnamen beschoud uit het oogpunt van hunne aardrijkskundige verdeeling in en buiten Nederland; van hunnen oorsprong uit vreemde talen; van hunne verhouding tegen over elkanderen, enz. Van § 151 tot en met § 168.

Deze vier hoofd-afdeelingen zijn elk weêr in verschillende onder-afdeelingen gesplitst, die met de letters van het a-b-c aangeduid zijn.

Hoofd-afdeeling I vervalt nader in

  • A. De patronymika in hunnen oudsten form, op ing uitgaande. Van § 7 tot § 32.
  • B. Die vadersnamen, welke nieue taalformen vertoonen. Van § 32 tot § 66.

[10]

Hoofd-afdeeling II is samengesteld uit de twee onder-afdeelingen

  • A. Waarin de maagschapsnamen behandeld worden die van volkenkundigen aard zijn, of wel ontleend aan byzondere aardrijkskundige namen. Van § 66 tot § 94. En
  • B. Waarin men de geslachtsnamen vermeld vindt, van algemeen-aardrijkskundigen oorsprong. Van § 94 tot § 108.

Hoofd-afdeeling III vervalt in vele onder-afdeelingen. Dit zijn de volgenden:

  • A. Geslachtsnamen, aan de namen van ambten, bedryven, handwerken, enz. ontleend. Van § 108 tot § 124.
  • B. Geslachtsnamen, ontleend aan persoonlike eigenschappen, zoowel lichamelike als geestelike. Van § 124 tot § 128.
  • C. Geslachtsnamen, van huisnamen, gevelteekens, uithangborden, enz. afgeleid. Van § 128 tot § 131.
  • D. Geslachtsnamen, ontleend aan de namen van dieren. Van § 131 tot § 135.
  • E. Geslachtsnamen, aan het plantenrijk ontleend. Van § 135 tot § 137.
  • F. Geslachtsnamen, aan het delfstoffenrijk ontleend. § 137.
  • G. Geslachtsnamen, ontleend aan het heelal, aan natuurverschijnselen, jaargetyden, byzondere dagen, enz. § 138.
  • H. Geslachtsnamen, aan de namen van lichaamsdeelen ontleend. § 139.
  • I. Geslachtsnamen, aan spyzen, dranken, en kleedingstukken ontleend. Van § 140 tot § 142.
  • J. Geslachtsnamen, afgeleid van de namen van munten, geldsoorten, maten en getallen. § 142 en § 143.
  • K. Geslachtsnamen, ontleend aan de verwantschap en de onderlinge betrekkingen der menschen. § 144.
  • L. Geslachtsnamen, ontleend aan de namen van goden en godinnen, kerkheiligen, godsdiensten, enz. § 145.
  • M. Geslachtsnamen, ontleend aan de namen van denkbeelden, zaken, eigenschappen, zoo goede als kwade. § 146.
  • N. Zonderlinge geslachtsnamen. Van § 147 tot § 150.
  • O. Imperativische geslachtsnamen. § 150.

[11]

Hoofd-afdeeling IV is samengesteld uit de volgende onder-afdeelingen:

  • A. De noord- en de zuid-nederlandsche geslachtsnamen. § 151.
  • B. De geslachtsnamen der verschillende nederlandsche gewesten. Van § 152 tot § 156.
  • C. Geslachtsnamen, die kenmerken van nederlandsche gouspraken vertoonen. § 156 en § 157.
  • D. Nederlandsche geslachtsnamen, buiten de hedendaagsche nederlandsche grenzen inheemsch. Van § 158 tot § 162.
  • E. De geslachtsnamen der nederlandsche Israëliten. § 162 en § 163.
  • F. Vreemde geslachtsnamen in Nederland. Van § 164 tot § 167.
  • G. Latynsche en grieksche geslachtsnamen. § 167. Eindelik
  • H. Een paragraaf (§ 168) »Tot besluit”.

[12]

[Inhoud]

I.

Geslachtsnamen, ontleend aan mansvoornamen.

Dit zijn de vadersnamen, de zoogenoemde patronymika.

§ 4. Zoodra zich by de menschen van ’t eene of andere land de behoefte had doen gevoelen om nog eenen toenaam te voegen by den eigenen naam, ter onderscheiding van gelijknamige personen, ontstonden die toenamen, welke afgeleid zijn van den naam des vaders van den betrokkenen persoon. Als er b. v. in eene en de zelfde plaats twee mannen woonden, die beiden Hendrik heetten, maar waar van de eene een zoon was van zekeren Willem, de andere van zekeren Frederik, dan lag er wel niets naders voor de hand, dan dat men den eenen Hendrik, zoon van Willem of Willems-zoon, den anderen Hendrik, zoon van Frederik of Frederiks-zoon noemde.

Deze zeer eenvoudige en natuurlike wyze om aan kinderen, ter onderlinge onderscheiding, toenamen te geven, afgeleid van de namen hunner vaders, is zeer algemeen onder de meeste volken der aarde verspreid geweest. Zy was dit reeds in vroege tyden; de geschiedenis weet daarvan talryke voorbeelden aan te wyzen, by Joden, Persen, Grieken, enz. De bekende namen van Gyges Dascili, van Darius Hystaspis, Zapyrus Megabizi, Xantippus [13]Periclis, Ptolemaeus Lagi, Seleucus Antiochi, enz. kunnen als voorbeelden dienen. Vooral by de Israëliten werd, duidelikheidshalve, en meest als de naam geschreven werd in geslachtsregisters, de vadersnaam, als toenaam, gevoegd achter den naam van iederen man. De bybelboeken geven daar van talryke voorbeelden aan; o. a. het eerste hoofdstuk van ’t boek Numeri. En de Romeinen, uit den tijd toen zy reeds aanmerkelik in beschaving en ontwikkeling waren vooruit gegaan, droegen niet aleen wel tweederlei soort van geslachtsnamen, maar zy voerden buitendien nog dikwijls hun vaders naam in den tweeden naamval daar by. Zoo is ons een Lucius Furius Marci filius Camillus bekend, en een Cneius Cornelius Publici filius Scipio, en meer anderen. En ook nog later, zelfs tot in onzen tijd, is deze naamsforming by sommige volken in stand gebleven, vooral in het oosten. Joden en Arabieren aldaar noemen zich in dezer voege: Jehuda ben Halevi (Juda, zoon van Levi, of van den priester), Abraham ben Esra; Osman ben Omar of Osman ibn Omar (Osman, zoon van Omar), Achmet ben Ali, enz. Grieken, Bulgaren, Bosniaken en andere christelike volken, die tot voor korten tijd nog onder turksche heerschappy stonden, of ten deele ook nog heden staan, hebben mede dit oude gebruik in stand gehouden, wijl de Turken het dragen van vaste geslachtsnamen niet verplichtend stellen. Georgios Michaëlopoulos (Georg of Joris, zoon van Michiel), Dimitri Rafaëlovich (Demetrius, zoon van Rafaël), Spiridion Daniëlowitz, enz. zijn namen, met den vadersnaam als toenaam, van mannen uit die landen. Onder de Russen heerscht deze gewoonte eveneens, wijl ook in Rusland de zaak der geslachtsnamen nog niet vast geregeld is; Paul, die een zoon is van Iwan, noemt zich Paul Iwanowitz (Paul, zoon van Jan, of Paulus Janszoon, of Paul Jansen), en Iwan, wiens vader Paul heet, noemt zich, omgekeerd, Iwan Paulowitz. Maar wy kunnen ook by onze eigene germaansche stamverwanten blyven. Immers tot voor weinige jaren, toen ook in de skandinaafsche landen het voeren van geslachtsnamen nog niet vast geregeld was, volgden Zweden, Noren, Denen en IJslanders eveneens dit gebruik, en zelfs heden is het nog veelvuldig by de [14]Skandinaviers in zwang. Heet de vader Sven, de zoon Harald noemt zich Harald Svensen; draagt de vader van Axel den naam van Thorbrand, eerstgenoemde wordt Axel Thorbrandson geheeten. Zoo heette de vader van Per Thomasson, den zweedschen, in 1818 geborenen dichter, natuurlik Thomas, en wel Thomas Svensson, en zyne moeder Hanna Svensdotter (Sven’s dochter); toeval was het dat zyne beide grootvaders, naar luid der patronymika zyner ouders, Sven heetten. En zelfs onder de hedendaagsche Friesen in Nederland en Duitschland, ofschoon dan in ’t begin dezer eeu reeds het dragen van vaste geslachtsnamen onder hen aan eene vaste regeling werd onderworpen, is dit aloude en waardige gebruik, van gepasten kinderliken eerbied voor den vader getuigende, nog steeds in stand gebleven. Vooral ten platten lande in de friesche gewesten is dit het geval. Daar heeten de mannen nog steeds Frank Eabes, Sybren Hoites, Auke Sjoerds, en de vrouen Sytske Walles, Wybrechtje (of Wibrichje) Teakes, Baukje Tjaards, enz. Althans zóó, en nooit anders, worden Frank, Sybren en Auke, Sytske, Wybrechtje en Baukje in ’t dageliksche leven genoemd, naar de namen hunner vaders Eabe, Hoite en Sjoerd, Walle, Teake en Tjaard. En dit niettegenstaande deze lieden vaste geslachtsnamen hebben, en b. v. als Frank Wynalda, Sybren Ruurda, Auke Rommertsma, en als Sytske Abbinga, Wybrechtje Hoitema, Baukje Heidstra in de boeken van den burgerliken stand ingeschreven staan. Vraagt men den Friesen ten platten lande, hoe deze of gene man heet, gewoonlik zal men u den vóórnaam van dien man noemen, met zynen vadersnaam in den tweeden naamval, b. v. Albert Sierks. Wil men weten hoe de geslachtsnaam is van den eenen of den anderen, dan moet men niet vragen: hoe heet hy? (ho hjit er?) maar: hoe schrijft hy zich? (ho skriuwt er him?) Dan zal men u antwoorden: Remmerda, Oeblema, Hattinga, enz. Zie ook § 37.

En niet aleen in het hedendaagsche, eigentlik zoo gezegde Friesland, het gewest tusschen Fli en Lauers, heerscht nog deze zede; zy is eveneens nog inheemsch, zy het dan ook in eenigszins mindere mate, in de overige gewesten die eene zuiver- of gemengd-friesche bevolking hebben, vooral ook in Groningerland, Oost-Friesland [15]en in ’t eigenlik gezegde Noord-Holland, benoorden ’t Y. In laatstgenoemd gewest, vooral ook aan de Zaan en in Drechterland en West-Friesland, is by eenige oud-ingezetene geslachten de oud-nederlandsche zede bewaard gebleven om zoo wel de zonen als de dochteren des huizes met het patronymikon in vollen form te noemen; b. v. Dirk Evertszoon Fok en Maartje Folkertsdochter Dijk; Albert Leendertszoon Vlak en Guurtje Wybrandsdochter Sloot.—En ook in andere nederlandsche gewesten wordt de geijkte geslachtsnaam in ’t dageliksche leven weinig of niet gebruikt, b. v. in sommige saksische gouen, als in de graafschap Zutfen en in Twente, waar de naam van huis of hoeve veelal by den bewoner of eigenaar daarvan in de plaats treedt van den eigenen geslachtsnaam. Zie § 9.

En juist zoo als de Friesen nog heden doen, zoo gingen ook de oude Nederlanders in ’t algemeen te werk, eer de vaste geslachtsnamen in gebruik waren gekomen. Ewout, die een zoon van Hugo was, noemde zich Ewout Huygenzoon, ter onderscheiding van eenen anderen Ewout, wiens vader Rykaert heette, en die zich dus Ewout Rykertszoon noemde. In ’t dageliksche leven, door ’t vele gebruiken, sleet dit woord zoon (oudtijds soon, soen en seune) weldra af tot sen (Rykertsen, Evertszen), of ook tot se (Evertse, Albertse). Of ook, men liet het woord zoon geheel achterwege, en zette den vaders naam eenvoudig in den tweeden naamval (Huygen, Rykaerts); daar was dan zoon onder verstaan.

Al deze oude formen van vadersnamen hebben aan hedendaagsche geslachtsnamen oorsprong gegeven.

§ 5. Een andere, onder de germaansche volken nog oudere form om van mansvóórnamen, van de vóórnamen of enkele namen der vaders, toenamen voor de kinders af te leiden, bestond hierin, dat men den lettergreep ing achter den oorspronkeliken mansnaam plaatste. Hugo, de zoon van Bartel (Barthold), noemde zich Hugo Barteling, dat is: Hugo, zoon van Barthold; en omgekeerd, Bartel, wiens vader Hugo heette, noemde zich Bartel Hugink, Barthold, zoon van Hugo. Zoo komt van den mansnaam Bruno, de toenaam Bruning; van Nolt, een [16]afgesleten form van den vollen naam Arnold of Aarnout, komt Nolting; van Albert komt Alberdingk, van Wolter komt Woltringh, enz.

Zulke toenamen, op ing eindigende, zijn later ook in grooten getale, tot vaste geslachtsnamen geworden.

§ 6. De namen (toenamen, geslachtsnamen), die door het eene of het andere achtervoegsel, het zy door zoon of ing, van mansvóórnamen afgeleid zijn, noemt men, met een grieksch woord, patronymika, vadersnamen. Reeds de oude Grieken zelven gebruikten dit zelfde woord in dezen zelfden zin. Zoo droegen by hen b. v. Hippias en Hipparchus, zonen van Pisistratus, den naam van: de Pisistratiden. Deze toenaam, in ’t enkelvoud Pisistratides, was een patronymikon, even als de namen Bruins en Bruning, ook Bruinsma en Bruininga, oorspronkelik toenamen, thans geslachtsnamen, nederlandsche patronymika zijn van den mansvóórnaam Bruno, Bruin.

De nederlandsche patronymika laten zich gevoegelik verdeelen in twee groepen; te weten: in die, welke op ing uitgaan, en in die, welke op zoon (son, sen, se) eindigen, of die ook slechts eenen eenvoudigen tweeden-naamvals-uitgang vertoonen.

[Inhoud]

A. De patronymika in hunnen oudsten form, op ing uitgaande.

§ 7. Reeds van overoude tyden af is in nagenoeg alle germaansche talen, de uitgang ing een der algemeenste achtervoegsels achter allerlei woorden geweest. En nog heden komt in alle germaansche talen dit zelfde achtervoegsel (by de Hoogduitschers ung) zeer algemeen voor. Het is hier de plaats niet, om, in taalkundigen zin, verder uit te weiden over den oorsprong en de beteekenis van dit achtervoegsel, noch over de verschillende formen waar onder het in ’t nederlandsch en in de talen onzer stamverwante volken voorkomt. Die hier meer van weten wil, leze een opstel van L. A. Te Winkel, »Over de woorden met den uitgang ing”, in A. De Jager’s Archief voor Nederlandsche taalkunde [17](Amsterdam, 1848), dl. I. bl. 89. Hier is het voldoende op te merken, gelijk ook reeds hier voren geschied is, dat ing achter eenen mansvóórnaam gevoegd, dien naam tot een patronymikon maakt, welke als toenaam gebruikt wordt. En dat dit ing dan beteekent: zoon of nakomeling van den persoon, achter wiens eigennaam het geplaatst werd; b. v. Wolfert, die een zoon van Benno was, noemde zich Wolfert Benning; dat is: Wolfert, zoon van Benno.

Deze wyze om toenamen te formen, van den vadersnaam afgeleid, is reeds zeer oud. En tevens oorspronkelik germaansch. In den gryzen voortijd was zy eigen aan alle germaansche volksstammen. Van daar dat wy zulke patronymika, op ing uitgaande, by alle germaansche volken, by Engelschen, Duitschers en Skandinaviers, zoo wel als by Nederlanders, nog heden als geslachtsnamen zeer talrijk en in volle gebruik vinden.

In de oudste oorkonden en geschriften der germaansche volken treffen wy van deze naamforming reeds voorbeelden aan. In den angelsaksischen Travellersung b. v. lezen we:

»Fin Folcvalding veold Fresna cynne”.

Dat is: Fin, de zoon van Folkwald, regeerde het volk der Friesen. In een ander angelsaksisch geschrift wordt de zoon van Elisa, Elising genoemd, en draagt de zoon van zekeren Godvulf den toenaam van Godvulfing. In de angelsaksische Chronyk wordt de afkomst van de Friesen Hengist en Horsa, de bekende aanvoerders der germaansche stammen die Brittannie veroverden, op de volgende wyze vermeld:

»Heore heretogan woeren twegen gebrothra, Hengest and Horsa, the woeren Withgilses suna. Withgils was Witting, Witta Wecting, Wecta Wodning.

Dat is: Hunne hertogen (aanvoerders) waren twee gebroeders, Hengist en Horsa, die waren Wichtgilses zonen. Wichtgils was de zoon van Witta, Witta de zoon van Wecta, Wecta de zoon van Wodan.

Eindelik nog in de Saxon Cronicle, van ’t jaar 547, lezen wy:

»Ida waes Eopping, Eoppa waes Esing, Esa waes Inguing, Ingui Angenwiting.

Ook in het Oud-Hoogduitsch vinden we dezen naamform. In [18]zynen Althochdeutscher Sprachschatz noemt Graff eene overgroote menigte zulke oud-hoogduitsche, op ing uitgaande patronymika op; b. v. Anninc, Bazmundinc, Hamminc, Lantinc, Lentinc, Husinc, Wibichinc, Puzinc, die blijkbaar geformd zijn van de oud-germaansche mansvóórnamen Anno, Bazmund, Hammi, Lanto, Lento, Huso, Wibicho (Wibeke, Wibe in verkleinform; zie Wiebeking op bl. 28 en 29), Puzo.

Bekend zijn ook nog de namen van sommige koninklike en adellike geslachten onder allerlei oud-germaansche volken; en deze namen zijn oorspronkelik zulke patronymika, zulke door het achtervoegsel ing van mansvóórnamen geformde vadersnamen geweest. Zoo waren de Thuringen of Thuringa’s een bekend geslacht by de West-Gothen, even als de Silingen by de Wandalen; Thuringen en Silingen heetten zoo naar hunne stamvaders Thuro en Silo. Onder de Gothen werden verder nog de Hastings, afstammelingen van zekeren Hasta, als een der edelste geslachten genoemd. Het koninklik geslacht van de Wandalen heette Arding; dat van de Avaren Iring, dat van de Warinen Billing, enz. Eindelik hebben we nog te herinneren aan de namen der bekende koningsgeslachten by de oude Franken, aan de Merovingen, de Carolingen, de Capetingen, die aldus waren genoemd naar hunne stamvaders Merowik of Merou, Karel en Kapet.

§ 8. Zoo als uit de laatstgenoemde voorbeelden blijkt, waren het ook geheele geslachten, en niet slechts aleen de zonen van zeker man, die deze patronymika als toenamen voerden. Maar oorspronkelik en eigenlik komen zulke patronymika aleen den kinderen van éénen enkeling toe, en kunnen ze van rechtswegen door zyne kleinkinderen en verdere nakomelingen niet gedragen worden. Gesteld een man heet Anso, en zyne zonen heeten Benno en Immo; dan dragen beide die zonen het patronymikon Ansing, met volle recht, als toenaam: Benno Ansing en Immo Ansing, dat is: Benno, de zoon van Anso, en Immo, de zoon van Anso. Benno Ansing krijgt later eenen zoon, dien hy Benhart noemt, en Immo Ansing wordt [19]eveneens vader van eenen zoon, die door hem Imhart genoemd wordt. Nu moest, volgens d’ oud-germaansche zede, die Benhart, de zoon van Benno, het patronymikon Benning voeren, en niet het patronymikon Ansing, ’t welk zijn vader Benno voerde naar den naam van zynen grootvader, den ouden Anso. En eveneens Imhart, de zoon van Immo Ansing, moest zich Imhart Imming noemen, naar zynen vadersnaam Immo, en niet Imhart Ansing. Toch gebeurde ’t wel, dat kleinkinderen hunne toenamen niet ontleenden aan den naam van hunnen vader, maar aan dien van hunnen grootvader. Dit geschiedde vooral dan als die grootvader een aanzienlik en geëerd man was, die ook nog lang nadat zyne eigene zonen reeds vaders, en misschien reeds grootvaders waren geworden, toch nog aan het hoofd der maagschap staan bleef, en nog menig tiental jaren zyne waardigheid als stamvader van een geheel geslacht bleef handhaven. En nog zooveel te meer geschiedde dit als al die kinderen en kleinkinderen en verdere naneven by den ouden stamvader op de zelfde uitgestrekte state of sate, heerd of hoeve bleven wonen—gelijk wel gebeurde—of althans in de onmiddellike nabuurschap daarvan hunnen eigenen heerd grondvestten, zoo dat die geheele sibschap eerlang werd tot eenen afzonderliken volksstam, in een afzonderlik oord wonende. Dan bleef wel het patronymikon van den naam des eersten vaders afgeleid, als toenaam in gebruik voor al de kleinkinderen en afstammelingen van dien ouden man, ofschoon dat zelfde patronymikon oorspronkelik en eigenlik slechts den eigenen zonen van dien stamvader toekwam. En zoo bleef dit oude patronymikon wel by het gantsche geslacht van dien eenen man in gebruik, en werd eerlang van eenen toenaam, tot eenen vasten geslachtsnaam.

Die oude patronymika, die als toenamen voor geheele verwantschappen in gebruik waren, gingen ook wel over op de plaatsen, door zulke afzonderlike geslachten bewoond. Met andere woorden, die patronymika hechtten zich wel aan de sate of landhoeve, die door den eersten stamvader, van wiens naam dat patronymikon afgeleid was, eerst bewoond was geworden; en die later ook de vaste woonplaats, de stamsate, van al zyne nakomelingen bleef. Zulk eene oude stamsate werd wel, hoe talryker het geslacht, dat er woonde, aangroeide, door aanbou van meerdere huizen, [20]door ontginning van meer weiden en akkers daar om heen, van eene eenzame hoeve, gelijk het eertijds was, langzamerhand een gehucht. Dat gehucht breidde zich nog meer uit; er werd eene kerk geboud en eene school—het was een dorp geworden. By meerdere ontwikkeling, vooral van handel en nyverheid, klom dat dorp in grootte en aanzien. De inwoners er van omringden hun dorp met muren en wallen. De vorst, in wiens gebied het lag, verleende stedelike rechten—het dorp was eene stad geworden. Maar by al die wisselingen bleef het oude patronymikon gehecht aan sate, gehucht, dorp en stad, en is, als zoodanig, dikwijls nog heden ten dage in stand. Stellen wy een voorbeeld. In een der vroege middeleeuwen leefde er in het friesche land tusschen Fli en Lauers een Fries, die wy Harle willen noemen. Die oude friesche, ook oud-duitsche mansnaam (Harilo) kwam oudtijds meer voor dan tegenwoordig. Nu is hy nagenoeg uitgestorven. In de 15de eeu treffen we hem nog in Friesland aan. De vader namelik van Haio Harles (dat is Haio, zoon van Harle), de uit de geschiedenis welbekende hooftling van Gewarden (Jever), heette alzoo.—Onze Fries Harle werd door de prediking en het voorbeeld van den eenen of anderen ierschen of schotschen monnik, die als zendeling onder de heidensche Friesen het kerstengeloof verkondigde, genoopt om het ruwe jagers- en visschers- of zeerooversleven, of ook het zwervende herdersleven dat hy voerde, te laten varen. Hy vestigde zich hier of daar in het land, waar de gesteldheid van den bodem, de nabyheid van vrienden en verwanten, of iets anders hem daar toe behaagde; stellen wy aan den rechter oever van het Fli. Hy boude hier eene hut of een huis, beboude of beweidde ’t land, en bleef er wonen tot zijn einde. Zijn oudste zoon Sîgbern (Sybren in ’t hedendaagsche friesch), die als toenaam het patronymikon Harlinga of Harling voerde, van den naam zijns vaders Harlo ontleend, bleef in zijn vaders huis, op zijn vaders sate, wonen. En Sîgbern Harlinga’s broeders en zusters, die natuurliker wyze allen ook Harlinga heetten, allen ook Harlingen, dat is: kinderen van Harle waren, bleven ook in het ouderlike huis wonen; of zy bouden zich nieue huizen naast het oude, op het ruime ouderlike erf. En zoo deden na hen, Sîgbern Harlinga’s kinderen, en de [21]kinders en kleinkinders van zyne broeders en zusters, al die Harlinga’s of Harlingen, ook, waardoor er eerlang een gehucht ontstond, ter plaatse die d’ oude Harlo zich eerst tot eene vaste woonstede had verkoren. Die plaats, dat gehucht nu, had uit zich zelve geen naam; want eer Harlo zich daar vestigde, was het een onbewoond en onbenoemd oord. Maar als iemand uit de nabuurschap zich daar heen begeven wilde, zeide hy: »ik ga to den Harlingen; naar de Harlingen of Harlinga’s, zoo als men heden ten dage spreekt. Dit to den Harlingen werd eerlang, door afslyting en in ’t snelle spreken: to ’n Harlingen, to Harlingen. En langzamerhand, na verloop van vele jaren, eeuen misschien, toen de nakomelingschap de oude namen niet meer verstond, toen de taal meer en meer verfloeide, en de woorden versleten, toen zeide men niet slechts: ik ga to den Harlingen, of ik woon to (den) Groningen, maar men vatte dit verbogene woord op alsof het in den eersten naamval stond, alsof die oude, verbogene form werkelik op zich zelven reeds een eigennaam, een plaatsnaam ware, en men zeide: dat gehucht, dat dorp, die stad, of wat het dan geworden was, heet Harlingen, en—de plaatsnaam was kant en klaar, en is nog heden in gebruik. En deze plaatsnaam, oorspronkelik een toenaam voor menschen, gaf op zyne beurt weer oorsprong aan eenen geslachtsnaam, aan Van Harlingen. Zoo kan de hedendaagsche plaatsnaam Harlingen, die zonder eenigen twyfel oorspronkelik een patronymikon is, ontstaan zijn; en zoo is, ongetwijfeld, menige, menige plaatsnaam in alle germaansche landen, ontstaan. Want zulke plaatsnamen, eenvoudige zoowel als in samenstellingen, zijn ongemeen talrijk, overal waar maar ooit Germanen gewoond hebben, of nog wonen.

Het is hier de plaats niet, om over deze plaatsnamen, van patronymika afgeleid, of daar uit bestaande, verder uit te weiden. Die meer van dit belangryke onderwerp wil weten, leze mijn opstel Een en ander over friesche eigennamen, in De Vrije Fries, deelen 13 en 14, en vooral ook Taylor’s Words and places.

Ook kan ik hier niet dieper doordringen in de eigenlike beteekenis, in taalkundigen zin, van dit achtervoegsel ing; noch van het voorkomen er van, ook in plaatsnamen zoo wel als in [22]geslachtsnamen, by al de verschillende germaansche volken. Behalve tot de bron, reeds eerder in dit opstel (bl. 16) door my vermeld, moet ik den belangstellenden lezer verwyzen tot de geschriften, hier beneden aangegeven.1

§ 9. Tot omstreeks het jaar 1000 van onze tijdrekening bleef in de germaansche talen in het algemeen, in de friesche, frankische en saksische, die de voorloopers waren van onze hedendaagsche nederlandsche taal, in het byzonder, de kracht bewaard, om patronymika te formen door ing achter eenen mansvóórnaam te voegen. Na dien tijd verloor de taal onzer voorouders die kracht, en raakte deze naamsforming in onbruik. Men verstond de beteekenis van dit achtervoegsel niet meer; men kende de weerde daar niet meer van. Toen kwam het gebruik in zwang, om het woord zoon achter den vadersnaam in den tweeden naamval, te plaatsen; en dit gebruik verving eerlang geheel de oude zede om de patronymika met ing te formen. De oude patronymika evenwel, die reeds bestonden, en als toenamen, ’t zy dan voor enkele personen, ’t zy voor geheele verwantschappen en geslachten reeds in gebruik waren, bleven voortbestaan. En zeer velen daarvan bestaan nog heden, als plaatsnamen en als geslachtsnamen.

Het gebruik om patronymika met ing te formen, stierf, na ’t jaar 1000, ook niet overal in de nederlandsche gewesten gelijktydig uit. Het eerste geschiedde dit by de frankische en friso-frankische [23]volksstammen in de zuidelike en westelike gouen. By de saksische en friesche stammen in het oosten en in het noorden bleef het langer in gebruik. By de Friesen waarschijnlik wel tot in de veertiende eeu.

Reeds vroeg moeten ook saten of landhoeven, of andere bezittingen en vaste goederen, kortom plaatsen, met die oospronkelike patronymika, met die ingnamen genoemd zijn, gelijk op bladz. 20 en 21 hiervoren aangegeven is. Op eene lijst van landhoeven in Twente, van den jare 1188, die voorkomt by Racer, Overijsselsche gedenkstukken VII, 52–73, vinden wy onder anderen de namen Smedinc, Rotgerinc, Bennekinc, Wescelinc, Elekinc, Ernestinc, Lenderinc, Spelemanninc, Temminc, als eigennamen van zulke hoeven. Dit zijn allen patronymika, ontleend aan de mansvóórnamen Rotger, Benne(ke), Wessel, Ele(ke), Ernest, enz. En deze namen zijn zeker gedragen geweest door de eerste mannen, die deze hoeven eerst geboud en gesticht hebben. De patronymika, de toenamen oorspronkelik uitsluitend den kinderen van deze mannen toekomende, waren dus in de 12de eeu reeds op hunne hoeven overgegaan. Het is, alsof men zeide: het smedink’sche erve, de wesseling’sche hoeve, het temming’sche heem, enz. En toen het geschiedde, dat de nakomelingen van dien ouden Rutger, van dien eersten Wessel, dat die Rotgerinks en die Wesselings eens allen uitgestorven waren op hunne voorouderlike erven, toen kwamen daar andere menschen, uit andere geslachten, op die hoeven wonen. En nu bleek het dat die oude patronymika, ofschoon dan eigenlik uitgestorven met de menschen die ze met recht hadden gedragen, toch zoo taai van leven waren, dat zy bleven voortbestaan als namen der landhoeven zelven, al woonde nu b.v. een Immink op de erve Lenderink, en een Wolterink op de erve Elekink. En niet aleen dat, maar het oude patronymikon was sterker dan het nieue, de oude naam van het goed zat zoo vast in de gedachten der menschen, dat de naam van den nieuen bewoner of eigenaar daarvan, er voor wyken moest. Herbert Folkring b.v. die op de erve Smedink kwam wonen, werd weldra door zyne nieue buren Herbert Smedink genoemd. En zoo is het, vooral in de saksische landstreken van ons land, in een deel van Drente, in Twente, [24]in de graafschap Zutfen (even als in de aangrenzende streken van Westfalen), eene vaste zede geworden en is dit eeuen en eeuen gebleven, dat de tydelike bewoner den naam der hoeve die hy in pacht of in eigendom had, als een toenaam aannam en voerde, in plaats van zynen eigenen oorspronkeliken toenaam, ’t zy dit dan een patronymikon, een bynaam, of wel reeds een vaste geslachtsnaam ware. En zoo is het ook dikwijls voorgekomen, dat zulk een plaatsnaam niet aleen toenaam werd voor den bewoner van die plaats, maar dat zyne kinderen en kindskinderen, ofschoon die niets meer te maken hadden met die hoeve waar hun vader of grootvader op gewoond had, toch den naam van die hoeve, als een vaste geslachtsnaam behielden. Nemen wy een voorbeeld, tot meerdere duidelikheid. Geert was de zoon van eenen man, die Albert heette, en die Albert de Jager genoemd werd, omdat zijn vader een bekend jager was, en deze dien toenaam de Jager reeds by zijn leven gedragen had. Want die oude jager, even als zyne voorouders voor hem, en zijn zoon Albert na hem, had geenen vasten geslachtsnaam, geen patronymikon. Deze lieden immers stamden af uit een geslacht dat in de middeleeuen onvry geweest was, en geen vaste goederen had bezeten. De oude jager en zijn zoon Albert waren dan ook nu geene eigenerfde boeren, die op hun eigen erf zaten, maar zoogenoemde keuterboeren, kotsaten, katers, brinkzitters, die het land dat zy bebouden en waar van zy leefden, van eenen eigenerfden boer als in leen hadden, en die dezen boer daarvoor in den oogsttijd, en anderszins, als arbeiders moesten dienen, gelijk zulks in de Saksische gou, waar zy woonden, van ouds her gebruikelik was. Zy hadden dies ook geenen vasten geslachtsnaam, geen eigen oud patronymikon, zoo als de eigenerfde boeren, en hunne hoeven, wel hadden. Geert, de zoon van Albert, de kleinzoon van den jager, noemde zich dus voluit Geert Albertszoon de Jager. Hy was een spaarzaam en degelik jongman, die door zynen handenarbeid en vlijt eene flinke som had verdiend en bespaard, zoo dat hy, toen het oude geslacht van eigenerfde boeren Poppink uitgestorven was, het huis en de landeryen, die zoo vele eeuen lang aan dat geslacht in eigendom hadden behoord, koopen kon. Hy vestigde zich als boer op dat erve, dat naar zyne oorspronkelike eigenaars [25]steeds het erve Poppink genoemd werd, naar den Saks Poppo, die daar, in den ouden, ouden tijd, reeds voor d’ invoering van het kerstendom, eerst gewoond en het land ontgonnen had. En wijl Geert Albertsz. de Jager nu ’t erve Poppink in eigendom bezat, wijl hy, als boer, de opvolger was der oude Poppinks, zoo ging dat oude patronymikon op hem over. Zijn eigen toenaam de Jager raakte in onbruik en vergeten by de lieden. Weldra was hy slechts als Geert Poppink bekend, ofschoon hy eigenlik geen Poppink was, en geen recht op dien naam had. De zoon van Geert de Jager, die Poppink genoemd werd, heette Harmen. Deze Harmen kreeg, wijl hy een leerzame knaap was, eene geletterde opvoeding; hy volgde zynen vader niet op in het voorouderlike boerenbedrijf, maar vestigde zich in eene stad, waar hy ’t een of ander ambt vervulde. Hier deed zich de behoefte aan eenen vasten toenaam sterker gevoelen dan in het ouderlike dorp, en dies nam onze Harmen Geertsz. den toenaam Poppink in vast gebruik, en noemde zich Herman Poppink of Harmanus Poppingius, ofschoon hy op dezen ouden naam eigenlik nog minder recht had dan zijn vader, die dan toch in den tijd nog het erve Poppink in eigendom had bewoond. Het nageslacht van Herman Poppink behield dezen toenaam, en toen de tijd kwam, in 1811, dat men zich vaste geslachtsnamen kiezen moest, lieten zyne nakomelingen zich als Poppink inschryven. Zoo dat de naam, die zy nu reeds honderd jaren en langer als vaste toenaam hadden gedragen, hun vaste geslachtsnaam werd en tot den dag van heden bleef.

In menige streek van ons vaderland gaat het, in zulke gevallen, nog heden juist zoo als het Geert de Jager, gezegd Poppink, ging. Maar met dit onderscheid, dat zulke toenamen, aan de namen der boerenerven ontleend, tegenwoordig slechts by- of toenamen blyven, en nooit als vaste geslachtsnamen gelden kunnen, al worden de lieden, die ze dragen, altijd met die namen, en nooit anders, genoemd.

Ook in Friesland, waar de voorouderlike adellike en vrye boerenerven in den regel de oude patronymika dragen van hunne eerste stichters en eigenaars, b. v. Abbinga-state, Hellinga-sate, enz.—ook daar is menig hedendaagsch geslacht op de [26]zelfde wyze als in ’t voorbeeld van Geert de Jager-Poppink aangegeven is, aan zynen hedendaagschen geslachtsnaam gekomen. Van daar ook, dat men onder de Friesen, vooral van den kleinen boerenstand, nog heden zoo menigvuldig geslachtsnamen vindt van oude, ’t zy dan adellike of eigenerfde-boerengeslachten, die reeds voor eeuen zijn uitgestorven. Maar die oude patronymika zijn tot op den dag van heden verbonden gebleven aan de stam-staten en stam-saten dier geslachten, en in 1811 of ook eerder, heeft menige Fries, die toevallig die state of sate, soms ook slechts als pachter bewoonde, zich den ouden naam daarvan, die oorspronkelik de naam was van een reeds voor eeuen uitgestorven oud-friesch geslacht, als geslachtsnaam toegeeigend. En al waren ook die oude aanzienlike geslachten van edellieden en eigenerfde boeren nog niet uitgestorven, ofschoon ze dan die stam-staten en stam-saten niet meer in eigendom bezaten, dan kwam het toch wel voor dat de opvolgende eigenaar daar van, of ook maar de tydelike bewoner, zich dat oude patronymikon, dat aan zyne boereplaats verbonden gebleven was, als geslachtsnaam toeeigende.

Ten gevolge van deze eigenlik wederrechtelike handelwyze, leven tegenwoordig in Friesland niet slechts de namen van oude aanzienlike geslachten, die reeds sedert eeuen uitgestorven zijn, nog steeds als hedendaagsche geslachtsnamen voort (b. v. Wiarda, Galama, Dotinga, Offenga), maar dragen dikwijls ook pachters en boerenarbeiders, en de burgery in de steden, de zelfde namen als sommige oude adellike of aanzienlike, nog levende en bloeiende geslachten, waar mede zy niet verwant zijn; b. v. Donia, Hania, Harinxma. Dikwijls zijn die namen in spelling en form een weinig veranderd van den oorsponkeliken form, die nog voor den naam van ’t oorspronkelike geslacht in gebruik bleef; b. v. Eizenga en ook (Van) Eisenga nevens (Van) Eysinga, Kammenga nevens (Van) Cammingha, Buttinga nevens (Van) Buttingha, Zytsema nevens Sytsema, Fynje nevens Finia, enz.

§ 10. De form ing, om patronymika van mansvóórnamen te maken, is de oudste en eenvoudigste. Men kan dezen form de normale noemen. Hedendaagsche nederlandsche geslachtsnamen die dezen form vertoonen, zijn b. v. Benning, Hilverding, Otting, [27]patronymika van de mansnamen Benno (in Friesland Binne), Hilwarth en Otto. Maar by sommige nederlandsche stammen, vooral by de Saksen in Twente en in de graafschap Zutfen (even als in d’aangrenzende gouen van Westfalen) wordt dit ing als ink uitgesproken, en dus ook zoo geschreven. Van daar de hedendaagsche geslachtsnamen in die streken, Bennink, Hilverdink, Ottink. Elders in Nederland, vooral in West-Vlaanderen, spreekt men dit ink als ynk uit, met lange i, en schrijft dan gewoonlik ynck; van daar de westvlaamsche patronymika Gellynck, Cnapelynck, Hallynck, enz. Andere afwykende formen waarin wy het oorspronkelike ing in hedendaagsche geslachtsnamen geschreven vinden, zijn nog ingk, ingh, inghe, inge, eng, ung, ong, enz. Ook komt het wel in versleten form, als ig en ik voor.

By de Friesen neemt het achtervoegsel inga, als uitgang van patronymika, volkomen de zelfde plaats in, die ing en ink by de patronymika der andere Nederlanders bekleedt. Trouens, deze friesche uitgang inga is ook werkelik anders niet dan het ing der andere Germanen. Zoo komen de friesche patronymikale geslachtsnamen Benninga, Bollinga, Poppinga in oorsprong volkomen overeen met Benning en Bennink, met Bolling en Bollynck, met Popping, Poppinge en Poppink, die in andere nederlandsche gewesten inheemsch zijn. Ook by de Friesen is inga de zuiverste en oorspronkelikste form, even als ing by d’ andere Germanen. Maar ook by de Friezen treffen we in hunne patronymikale geslachtsnamen byformen aan, nevens dit inga; namelik enga (Bottenga), ingha (Van Julsingha), unga (Hayunga), enz. En tevens de versletene formen ega (Mennega), ia (Hania), enz.

Van al deze verschillende formen van patronymika wil ik hier eenige geslachtsnamen als voorbeelden vermelden, en nader verklaren.

§ 11. Patronymikale geslachtsnamen, op den oorspronkeliken form ing uitgaande, zijn over geheel Nederland verspreid, en komen ook veelvuldig in Duitschland, Skandinavie en Engeland voor. Reeds by de Angel-Saksen waren zulke patronymika veelvuldig als toenamen van mannen in gebruik. En nog heden is [28]deze ingform de eenige, die in Engeland voorkomt, ’t zy dan by geslachtsnamen (Anning, Elling, Warning), ’t zy by plaatsnamen (Birmingham, Eppingforest, Markington). In Nederland, al hoe talrijk deze patronymika op ing er ook als geslachtsnamen voorkomen, zijn ze toch niet talryker dan die, welke den byform ink vertoonen.

Als voorbeelden mogen de volgende geslachtsnamen hier genoemd worden: Alting, Benning, Damming.2 Zy zijn afgeleid van de mansnamen Alte, Benno, Dammo; beteekenen dus: zoon van Alto, Benne, Damme, Deze namen zijn heden ten dage in Nederland als mansvóórnamen nagenoeg geheel buiten gebruik geraakt. In Friesland kan men nu en dan nog eenen man ontmoeten, die Alte heet; de Benno’s echter, vooral ook in den gewyzigden form Binne, zijn daar niet zeldzaam. Maar de naam Damme is geheel in onbruik gekomen. Nevens de geslachtsnamen Alting, Benning en Damming treft men in Nederland nog de volgende geslachtsnamen aan, die ook allen, als patronymika, van eenen dezer drie mansvóórnamen ontleend zijn: Althing, Alting, Althes en Alts; in Friesland Alta, † Aldinga, † Aldesna, Altena (deze naam kan ook eenen anderen oorsprong hebben; zie § 46), † Altama en Van Altema. Bennink, Benninck, Benningh, Benninge, Bennigsen, in Friesland Benninga, Bennenga, Bennema, Bennen, Bennes, Bensz, Bens, in Engeland Benson. Dammen, Dammes, in Friesland Damminga en Damsma. Volledigheidshalve voeg ik hier ook eenige plaatsnamen by, aan deze namen ontleend: Alting, een gehucht by Beilen in Drente; Altikon, saamgetrokken uit Altinkhoven, een dorp in Zwitserland; Bennekom, dat is oorspronkelik Benninkheim, dorp in Gelderland (deze plaatsnaam verschilt slechts in form van den naam van het oostfriesche dorp Bingum, dat is Binningheim); Benningbroek, dorp in Noord-Holland, en Benningbrough, dorp in Yorkshire, Engeland; Bennebroek, dorp in Kennemerland; Benninghusum, dorp in Noord-Friesland; Bennighofen, dorp by Rotenburg in Hanover; Bennington, [29]in Hertshire, Engeland, enz. En van deze plaatsnamen zijn op hun beurt weêr de geslachtsnamen Van Bennekom en Van Bingum ontleend. Eindelik nog Damsum (Damsheim, Dammo’s woonplaats), dorp by Esens in Oost-Friesland.

De mansvóórnamen waaraan de andere hiervoren opgenoemde geslachtsnamen ontleend zijn, liggen niet allen evenzeer voor de hand, noch zijn allen algemeen bekend. Jan, in Janning, vindt iedereen er terstond wel uit. En voor de Friesen, of voor andere Nederlanders zoo zy geschiedenis en taalkunde beoefenen, zijn ook de namen Fokke, Hart, Imme, Kampo, Menno of Minne, Onno, Poppe, Renso of Rinse, Sybert, geene onbekenden. Twee dezer patronymika zijn ontleend aan eenen mansvóórnaam in verkleinform; te weten Eelking van Eelke, Eelco, oorspronkelik Ele (Edele, Athal), en Wiebeking van Wibeke, oorspronkelik Wibe, Wybo. Deze namen zijn zoowel in den hoofd-, als in den verkleinform, nog heden in Friesland in volle gebruik. Dat Leffring een patronymikon is van Leffert, Lefhart, een naam die in Friesland en elders in de Nederlanden nog wel in gebruik is, en dat Nolting van den verkorten naamform Nolt, voluit Arnolt, Aarnout, afgeleid is, vindt de opmerkzame ook al lichtelik. Maar by de geslachtsnamen Groening, Huising, Uiling en Veering zou men wel geneigd zijn eerder aan de gemeen-zelfstandige naamwoorden groen, huis, uil, veêr te denken, dan aan mansvóórnamen. Toch schuilen ook in deze patronymika wel degelik oud-germaansche, dus ook oud-nederlandsche namen; namelik Grono of Gruno, Huso, Ulo en Faro, die men allen in Förstemann’s Altdeutsches Namenbuch vinden kan. Gruno of Grono komt heden ten dage in de Nederlanden nergens meer voor, en Huso evenmin; maar Ulo is in de verkleinformen Uulke, Uultje (Uilke, Ulco, Uiltje) en Uultsen in Friesland nog in volle gebruik als mansvóórnaam, en Fere (de friesche form van Faro) komt daar ook nog wel een enkele maal als zoodanig voor. Met Groening, Huising, Uiling en Veering zijn de volgende geslachts- en plaatsnamen van de namen Gruno, Huso, Ulo en Faro afkomstig: Groenings, Groeninx, Groeninks, (in Duitschland ook Grüning) Gronenga, Groeninga, Groenia, Groenje. Groningen, [30]de bekende stad; Groeningen, dorp in Noord-Brabant; Grons, sate by Burgwert in Friesland; Groonhusen, gehucht by Grootkerk in Oldenburg; Gröningen, vlek in Zwaben en Gröningen, stadje by Oschersleben in Neder-Saksen. Verder de geslachtsnamen Van Groningen, Van Groeninge, Grüninger, enz. Van Huso: Huizing, Huisinghe, Husink, Olden-Huizing, in Friesland Huisinga, Huisenga, Huizinga, Huizenga; verder: Husen, Huyssoon, Huissen, in verkleinform Huyskes, † Huisama en Huisma. Huisinge is een dorp in Groningerland, en Huysinghe een dorp in Zuid-Brabant. Van Ulo: Ulens, Uilsma, en in Oost-Friesland Uhlen. Uilsmahorn is eene buurt by Tonnaart (Ternaard) in Friesland, Ulbargen een dorp by Aurich in Oost-Friesland, Uhlebüll een gehucht by Niebüll in Noord-Friesland, Uhlentrup (dat is Ulendorp) een dorp by Beckum in Munsterland, Uhlingen een dorp by Lauenburg (Cöslin) in Pommeren, en Ulgeweer (Ulingaweer) eene sate te Larrelt in Oost-Friesland. Van Faro, Fere: behalve Veering nog Fehring, Feringa en Van Feringa, Veeren, Fehres, Veere, Feerma, Ferens, Feersma, Veersma en Veersema; van eenen my niet bekenden plaatsnaam Feringen is de geslachtsnaam Feringer afgeleid; eindelik nog Feerwert een dorp in Groningerland en Feringa-sate te Fisvliet in die zelfde Ommelanden. De oude mansvóórnaam Fere kan echter ook eene samentrekking zijn van Feder, een naam die eveneens by de oude Germanen in zwang was, en waar van de oostfriesche, uitgestorvene geslachtsnaam Federinga het patronymikon is. Van dezen vollen form Federinga zou dan Feringa een saamgetrokken form kunnen wezen.

De mansnaam Tede, waar de geslachtsnaam Teding van is afgeleid, is nog heden, met de byformen Tade, Teade, Tete, Tate, enz. in Friesland in volle gebruik. Met Teding zijn van dezen ouden mansnaam nog afkomstig de volgende geslachts- en plaatsnamen: Tedinga, Thedinga, † Thedema en Tedema. Van Tedinga zijn de geslachtsnamen † Theenga en, in den tweeden naamval, Teengs weêr versletene formen, even als Thema van Thedema. Thedinga was de naam van een oud, aanzienlik klooster by Nüttermoor in Oost-Friesland, maar dat in de [31]16de eeu opgeheven werd. De naam is nog gebleven aan een gehucht dat heden ten dage de plaats van dat klooster inneemt. De byzondere naamsoorsprong van dit klooster is bekend en bewaard gebleven. Thedinga-klooster namelik heette oorspronkelik en eigenlik Syna. Het werd door eenen ryken Groninger, Hatebrand geheeten, in ’t jaar 793 reeds gesticht, en de eerste abt die het bestuur er over uitoefende, heette Theda. Eene oude chronyk vermeldt van dezen abt Theda: »(he) heft dorch syne vramheid (vroomheid) de gemeene lueden aen sich getagen (getogen, getrokken) und den armen groote handreyckinge gedaen, also dat door synen nakomen dat Closter Thedinga-Monniken genoemt is worden.” In 1479 waren beide namen, Syna en Thedinga, nog in gebruik; want de abt Sibrant, die toen leefde, teekent zich: »ghekoren Abbet to Tedingen, anders gheheyten Syna.”3 De naam Thedinga-monniken wil dus zeggen: monniken van Theda, en het patronymikon Thedinga is hier gebruikt in overdrachteliken zin, wijl men den monniken wel den naam van zonen of kinderen van den abt geeft. Hier hebben we dus een nieu bewijs dat het patronymikon, ofschoon oorspronkelik slechts den eigenen zonen van eenen man toekomende, ook wel door anderen, door kleinkinders, door verdere nakomelingen, zelfs wel door onderhoorigen (zie § 45) gedragen werd. Ook van elders is dit genoeg bekend. Nog andere plaatsnamen van den mansvoornaam Tede (Thedo) en van ’t patronymikon Teding afgeleid, zijn: Thedingweert, een landgoed te Kapel-Avezaath in de Betuwe; Thedinghaus, een stadje aan de Weser boven Bremen; Thedafeld, eene sate by Grootkerk of Hohenkirchen, zoo als dat dorp nu hoogduitsch heet, in Wrangerland (Oldenburger Friesland); Thedema- of Thema-burcht te Noordwolde, en Thema-heert, eene sate te Pieterburen, beide in Hunsingo (Groningerland); Tedema-state te Roden in Drente; eindelik nog Dedesdorf, oudtijds Thedestorpe, een vlek in ’t Land Wührden (Oldenburger Friesland).

Nog zy hier vermeld als eene byzonderheid, dat het patronymikon Leffring (zie bl. 28) nog oorsprong gegeven heeft aan [32]den hedendaagschen plaatsnaam Leffrynchoucke (Leffrinkhoek), een dorp by Duinkerke in Fransch-Vlaanderen.

Dat de patronymika, op bl. 28 opgenoemd, ook reeds van zeer oude dagteekening zijn, kan men in Förstemann’s Altdeutsches Namenbuch naslaan, waar we eenen Alting reeds in ’t jaar 793 vinden, eenen Husinc ook reeds in de 8ste eeu, eenen Benning in de 9de eeu, en eenen Imminc en Ulinc vóór het jaar 1100. Wibichinc (Wiebeking) en anderen zijn ons ook reeds uit zeer vroege tijden bekend (zie bl. 18).

Ik heb de patronymikale geslachtsnamen van bl. 28 zoo uitvoerig hier besproken, en andere geslachtsnamen met plaatsnamen van die zelfde oorspronkelike mansvóórnamen afgeleid, zoo volledig hier vermeld, om aan te toonen hoe talrijk de geslachts- en plaatsnamen zijn, die van eenen en den zelfden mansvóórnaam afstammen, hoe al deze namen onderling verwant zijn en samenhangen, en hoe verre zy verspreid zijn over alle landen met eene germaansche bevolking.

§ 12. De oude Nederlanders schreven den uitgang ing gewoonlik als ingh en ook wel als inghe; b. v. coningh, oeffeningh, vergaderinghe, enz. En zoo schreven zy den patronymikalen uitgang van geslachtsnamen ing ook wel als ingh en inghe. By sommigen onzer hedendaagsche patronymikale maagschapsnamen is die oude form nog bewaard gebleven; b. v. by Abbingh, Bussingh, Coelingh.4 Maar slechts drie hedendaagsche geslachtsnamen ken ik, die nog den ouden form inghe vertoonen; dit zijn Muntinghe, Huisinghe en Sinninghe. Al deze ingh- en inghenamen zijn ook echte patronymika, van oud-germaansche mansvóórnamen afgeleid. Wolter (Wouter, Walther), de mansvóórnaam die aan den maagschapsnaam Woltringh ten grondslag ligt, is nog heden ten dage in alle nederlandsche gewesten, als zoodanig vry algemeen in gebruik. Maar Abbe, Adde, Hidde, Ids, Luit, Menso of Minse, Rein, Tabe en Sinne zijn [33]tot Friesland beperkt, ofschoon daar dan geenszins zeldzaam. De mansvóórnamen die aan de andere hiergenoemde patronymika ten grondslag liggen, Hert aan Herdingh, Busse aan Bussingh, Weit aan Weytingh enz., zijn eveneens allen zuiver germaansch, en in Förstemann’s Altdeutsches Namenbuch te vinden.

Een geenszins onverdienstelik letterkundige, die omstreeks de helft dezer eeu werkte, droeg den naam van D. Buddingh. Maar hoe verdienstelik ook op velerlei gebied, als woord-afleidkundige beging hy de grootste flaters; om er niet meer van te zeggen. Zijn werk: Verhandeling over het Westland, Leiden, 1844, kan dit ruimschoots getuigen. Buddingh meende ook dat zijn geslachtsnaam eene samentrekking was van het zelf-gesmede woord »boetding-heer” of boete-rechter. Dies schreef hy zynen naam ook als Buddingh’, om door dat afkappingsteeken het woord heer aan te duiden, dat, naar zyne meening, achter zynen naam weggesleten was. Sommigen zyner geslachtsgenooten schryven hunnen naam nog heden op die wyze.5 Onnoodig hier aan te toonen dat deze zonderlinge meening geheel verkeerd, en de geslachtsnaam Buddingh een oud patronymikon is, van den oud-germaanschen mansvóórnaam Budde, Butte, Botte. Buddingh is dus de weêrga van † Buttinghe en van Bottinga, beide ook patronymika van dezen zelfden mansvóórnaam, al is het dan in eenigszins anderen form. Deze laatste naam is, met Bottenga, ook nog een hedendaagsche nederlandsche geslachtsnaam.

§ 13. In vele gouspraken van het nederlandsche nederduitsch spreekt men nog heden de woorden, welke in onze hedendaagsche algemeene landstaal op ing eindigen, in den ouden form als inge uit; b. v. bloedinge, waarschouinge, bezoekinge, enz. Dit is, onder anderen, vooral het geval in onze noordelike en noordoostelike gouen, onder de friesche en friso-saksische bevolking dier gewesten. En waar men zulke woorden zóó uitspreekt, daar laat men natuurlik die toonlooze e ook hooren achter den patronymikalen uitgang [34]der geslachtsnamen. In Drente en in de zuidelike gouen van Groningerland komt dit meest voor. Vandaar dat men juist in die streken dan ook zulke maagschapsnamen, op inge eindigende, meest aantreft. Zie hier eenigen van die namen, grootendeels van drentschen oorsprong en in Drente, het Oldambt en Westerwolde inheemsch: Alinge, Buninge, Dillinge.6 Al deze namen zijn patronymika van oud-germaansche, ten deele nog hedendaagsch-friesche mansvóórnamen. In Alinge, Ebbinge, Eppinge, Hiddinge, Lubbinge, Uninge, Willinge herkent men gemakkelik de nog heden by de Friesen in volle gebruik zijnde mansvóórnamen Ale, Ebbe, Eppe, Hidde, Lubbe, Une (Oene) en Wille (Wiltje, Wilke of Wilco). Maar ook by Buninge, Dillinge, Hachtinge, Santinge en de anderen, is de oorspronkelike mansnaam, met hulp van Förstemann’s Namenbuch, nog wel min of meer gemakkelik uit te vinden en aan te toonen.

By deze drentsche geslachtsnamen formt de uitgang inge eenen overgang van den algemeenen form van dit achtervoegsel ing tot den byzonder-frieschen form inga. Velen van deze namen komen dan ook als geslachtsnamen zoowel in den algemeen-nederlandschen als in den byzonder-drentschen en byzonder-frieschen form voor, en zijn als zoodanig aan verschillende geslachten eigen. Nevens de maagschapsnamen Buninge, Ebbinge, Eppinge, Elinge, Hiddinge, Santinge bestaan ook Buyning en Buininga; Ebbink en Ebbinga; Epping (ook in Engeland), Eppink en Eppinga; Eeling, Elink, Elinga en Elenga; Hiddingh, Hiddink, Hiddinga en Hiddenga; Zantinga, Zantenga en Zanting. En al deze namen beteekenen het zelfde, namelik: zoon van Buno, van Ebbe, van Eppe, van Ele, van Hidde, van Sante.

Oudtijds, toen men algemeen zoo onstandvastig was in de spelling der woorden, heerschte ook de grootste onregelmatigheid in de boekstaving der eigennamen. De eene schreef den zelfden [35]naam nu eens sus, dan weêr zoo, en de andere weêr geheel anders. Een man b. v. die in Friesland woonde, schreef zynen geslachtsnaam als Hesslinga, omdat hy zynen naam steeds zóó, met het volle inga er achter, door de Friesen, zyne landgenooten, hoorde uitspreken. Zijn broeder woonde in Twente, en deze schreef zynen naam, om de zelfde reden, als Hesselink. Een neef van hem, die den zelfden naam droeg, woonde in West-Vlaanderen, en hy spelde zynen naam als Hesselynck; terwijl weêr een andere, in Holland wonende, dien zelfden naam als Hesseling boekstaafde. Toch moesten al deze verschillende spelwyzen een en den zelfden naam voorstellen. Want al deze vier mannen waren afstammelingen van eenen en den zelfden Hessel. Verder in dit werk zal de gelegenheid zich voordoen, deze onregelmatigheden nader aan te toonen.

Zoo werden oudtijds deze zelfde patronymikale geslachtsnamen ook wel nu eens in den drentschen (friso-saksischen), dan eens in den zuiver frieschen form geschreven. Vooral te Groningen, waar de Drenten in de onmiddellike nabuurschap zaten van d’ ommelandsche Friesen, kwam deze verscheidenheid in spelling dikwijls voor. De namen van sommige oude groninger geslachten vindt men in oude geschriften nu eens als Folkinge, Gelkinge, Gockinge, Haddinge, dan weêr als Folkinga, Gelkinga, Gockinga, Haddinga geschreven. En nog heden ten dage is men in Groningerland en Oost-Friesland onstandvastig in het boekstaven van plaatsnamen, die met zulk een patronymikon samengesteld zijn. De eene schrijft Appingadam, Mensingaweer, Bellingawolda en Eppingaweer; de andere Appingedam, Mensingeweer, Bellingewolde en Eppingeweer, of ook wel Bellingwolda en Eppingwehr. De eene schrijfwyze is goed, en de andere niet minder. En waarom dan zou men deze verschillende schrijfwyzen niet door elkanderen gebruiken, vryelik en naar eigen willekeur? By de geslachtsnamen dient men zich heden ten dage wel by eene enkele schrijfwyze te bepalen, om misverstand, en daar uit voort vloeiende verwarring te voorkomen. By plaatsnamen echter is dit gevaar veel minder groot, ja naueliks aanwezig.

Wijl dus te Groningen een en de zelfde geslachtsnaam oudtijds [36]nu eens op drentsche en dan eens op friesche wyze geschreven werd, zoo is het zeer wel mogelik dat de hedendaagsche drentsche geslachten Buninge, Ebbinge, Elinge, Eppinge, Hiddinge, Tebinge, Uninge, Waninge oorspronkelik de zelfden zijn als de hedendaagsche friesche geslachten Buininga, Ebbinga, Eppinga, Hiddinga, Uninga of Unia, enz. Of ook als de geslachten Buyning, Elink, Tabingh, Waning, die wy elders in de Nederlanden aantreffen. Ja, maar het is even zeer mogelik dat de drentsche Eppinge’s en de zutfensche Eppink’s en de friesche Eppinga’s en de engelsche Epping’s van vier verschillende stamvaders hunnen oorsprong namen, die toevallig alle vier den zelfden voornaam Eppo droegen. Want deze naam, die tegenwoordig nog slechts by de Friesen in zwang is, was oudtijds algemeen eigendom van alle germaansche stammen. En dit is ook van toepassing op de andere bovengenoemde patronymika, en op de mansvóórnamen, waar zy van afgeleid zijn.

§ 14. Even als in de hoogduitsche taal de uitgang ung staat achter de zelfde woordstammen, die in het Engelsch, Nederlandsch, Deensch, enz. den uitgang ing vertoonen (opening en öffnung, bevryding en befreiung), zoo eindigen in Duitschland ook de zelfde patronymikale geslachtsnamen, welke in Engeland en de Nederlanden op ing uitgaan, soms op ung. Een paar van die geslachtsnamen, op ung eindigende, komen ook in de Nederlanden voor, waar zy waarschijnlik uit Duitschland zijn ingevoerd geworden; b. v. Amelung, Hartung (nevens het inheemsche Harting) en Weidung. Ook de verlatynschte maagschapsnaam Hallungius behoort oorspronkelik tot deze groep.

Even zeldzaam komen zulke patronymikale geslachtsnamen onder ons voor, waar by het oorsponkelike ing of ink tot ong en enk veranderd is. My zijn slechts bekend Hartong (nevens Harting en Hartung); Wallenk (naast Wallink) en Wittenck (naast het uitgestorvene Wittinga). Ook komt deze verbasterde form enk nog voor in de samengestelde geslachtsnamen Gussenklo (welke naam ook wel ten onrechte als Gussenk’lo geboekstaafd wordt) en Pippenghegen.—Gussenklo beteekent: eikenbosch van Gussink, van den nakomeling des mans, die Gusse [37](Gosse? Guse?) heette. En Pippenghegen beduidt: de hege of haag, en daar mede (pars pro toto) het omhaagde erve, van Pipping, van den afstammeling des mans die den naam van Pippo droeg. Dit woord hege, haag, vinden wy terug in den oud-saksischen geslachtsnaam Berghege en tevens in Heeger, dat is: Heger, Häger, Hager. Ook in Duitschland komt een enkele maal die zelfde afwyking van den oorspronkeliken form des patronymikons voor. Te weten in den geslachtsnaam Ehrenghaus, dat is Ehringhaus, het huis der Eringen.

§ 15. Naast den oorspronkeliken form ing, komt als uitgang van patronymikale geslachtsnamen eveneens den form ink voor. Dit ink is slechts eene andere uitspraak van ing. Anders niet. Het vindt zynen oorsprong in sommige gouspraken van het Nederlandsch, in welke deze uitgang ing in het algemeen als ink wordt uitgesproken. Dit is vooral het geval in de saksische taal van Twente en de graafschap Zutfen. Daar komen dan ook deze op ink eindigende geslachtsnamen het meeste voor, en van daar zijn zy over de andere streken van Nederland verspreid geworden. Ten platten lande in Twente en de graafschap Zutfen, vooral by den erfgezetenen boerestand in die streken, komen deze geslachtsnamen buitengewoon talrijk, haast algemeen voor. Zy zijn daar ook overgegaan op de landhoeven of boerenerven. Dat dit reeds in overoude tyden het geval was, is op bl. 23 reeds aangetoond. Ook elders vinden wy reeds zeer vroeg zulke ink-namen als toenamen in gebruik; Hugo Radinck b. v. leefde in 1217 te Vollenhove in Overijssel.7 Dit patronymikon, van den oud-germaanschen mansnaam Rado afgeleid, komt, als Ratink geschreven, reeds in 709 voor, zooals Förstemann’s Altdeutsches Namenbuch vermeldt, ja, als Reding, Retinc, enz. nog vroeger. In middeleeusche geschriften komt dit patronymikon herhaaldelik voor, en nog heden bestaat het als geslachtsnaam Radink.8 Over het geheel genomen [38]zijn deze patronymika van hoogen ouderdom; in middeleeusche oorkonden komen zy menigvuldig voor. En, voor zooverre ze nog heden als geslachtsnamen in gebruik zijn, getuigen zy van den degeliken, behoudenden, aan het eervolle oude lofweerdig verkleefden zin van den volksstam die deze namen zoo trou bewaarde en in eere hield.

Ofschoon deze inknamen nergens in de Nederlanden zoo talrijk en algemeen voorkomen als in Twente en de graafschap Zutfen, zoo zijn ze toch niet uitsluitend tot deze gouen bepaald. Behalve in Westfalen, vooral in ’t eigenlike Munsterland bewesten de stad Munster, waar zulke namen onder den erfgezetenen boerestand naueliks minder talrijk voorkomen als in onze saksische streken, treft men deze patronymika ook wel in andere nederlandsche gouen aan, waar ze ook oorspronkelik inheemsch zijn. Dit is vooral het geval in eenige streken van de zuidelike Nederlanden, van Brabant en Vlaanderen. Daar wordt deze uitgang ink gewoonlik inck geschreven, op oud-nederlandsche wyze. Zie hier eenigen van deze geslachtsnamen, zoo wel uit Noord- als uit Zuid-Nederland, en beide schrijfwyzen vertoonende: Arink, Beernink, Bennink.9 Al deze patronymikale geslachtsnamen, op twee na, zijn van oud-nederlandsche mansvóórnamen afgeleid. By sommigen er van kan men deze mansnamen gemakkelik herkennen. B. v. by Dirckinck, van Dirck, Diederik.—Beernink is eene samentrekking van Bernharding, uit den mansvóórnaam Bernhart, Bernard; deze naam wordt nog heden onder de saksische bevolking van ons land als Berend, Beern uitgesproken.—Lamrinck (met Lamring [39]en Lammerding) is oorspronkelik Lammerdink, Lambrechting, Landbrechting, van Landbercht, Lambrecht, Lambert, Lammert, een bekende mansvóórnaam.—Reymerink is versleten van Reinmering, van den mansvóórnaam Reimer, Reinmer, Reimar, Reginmar, Raginmar.—Siegerink komt van den mansvóórnaam Sieger, Siegher, Sîgher, Zeger, dat is gezeid Victor, de overwinnaar.—Volmerinck van Folmer, Fulmar.—Wolberink van Wolbert, Wolbrecht, Wolfbercht.—Benne, Bonte, Haite, Sikke (Sicco), Teie (Teye), waar de patronymika Benninck, Bennink, Bontinck, Haitinck, Sikkink en Teyinck van afgeleid zijn, worden, als mansvóórnamen, in Friesland nog veelvuldig gedragen. Tenckinck komt van Tenke, Tenco, Tinco, en dit is weêr een verkleinform van Tenno, welke mansvóórnaam, volgens Förstemann’s naamboek in de achtste eeu voorkomt, en oorspronkelik slechts een byform is van Tanno. Van dit Tanno is weêr de friesche geslachtsnaam Tanninga afgeleid, die meest in versletenen form als Tania, Tanja, Tanje, en zelfs verfranscht als Tanjé voorkomt. Even als Tenckinck, zoo zijn ook de geslachtsnamen Evekink, Duyckinck, Ikink, Onnekink en Tilekink niet van mansnamen in hunnen oorspronkeliken form afgeleid, maar van verkleinformen (diminutiven). En wel van Eveke, Duike, Ike, Onneke en Tileke, in deze formen, en ook in de oorspronkelike formen Onno, Ide, Tijl, enz. bekende, meest friesche mansvóórnamen.

De twee uitzonderingen, waar ik hier boven van sprak, zijn de maagschapsnamen Johanninck en Teuninck, die niet afgeleid zijn van oud-germaansche mansvóórnamen, maar van eenen bybelschen en van eenen kerkeliken naam. Te weten van Johan, Johannes en van Teun, Teunis, Antonius. Van Johannes zijn ook nog de patronymika Jannink, Jansingh en Janninga ontleend, met den samengestelden naam Johanningmeyer, die allen in Nederland als geslachtsnamen voorkomen; zie ook § 58.

§ 16. Hier volgt nog een enkel twaalftal uit dat overgroote aantal inknamen, dat bepaaldelik eigen is aan de zuiver-saksische gouen van Overijssel en Gelderland: Abbink, Eggink, Makkink.10 [40]Natuurlik zijn ook deze maagschapsnamen allen afgeleid van oud-germaansche mansvóórnamen. Onder dezen zijn Abbe, Egge, Makke, Melle, Roelf (Roelof) en Temme (Tammo) nog heden by de Friesen in gebruik. Reerink en Reering, dat is oorspronkelik Reerdink, Rederding, Retharding, komen van den mansvóórnaam Rethart, Redert; zie § 48. Dit zelfde patronymikon komt in Groningerland onder den byzonder-frieschen form Reeringa voor, en in de westelikste gouen van Westfalen onder den hoogduitschen form Rörink, hoewel er ook aan deze zijde onzer oostelike grenzen Reurink’s, Rörink’s en Rörik’s (dit is een versletene form) wonen. En dit zelfde is het geval met den maagschapsnaam Höpink. Rörink en Höpink zijn oorbeeldige grensnamen. Wilbrenninck komt van Wilbrant. Even zoo heeft ook de eenvoudige mansvóórnaam Brant oorsprong gegeven aan het patronymikon Brennink, versleten van Branding, Brändink. Dit patronymikon maakt ook deel uit van den samengestelden geslachtsnaam Brenninkmeyer.—De maagschapsnaam Roelvink, en ook Roolvink, moest eigenlik met eene f in plaats van met eene v geschreven worden. Want deze naam is anders niet als het patronymikon van den mansnaam Roelf, Roolf, Rolf, Roelof, Rodlof, Rodolf, Rudolf.—Stroink eindelik komt van den mansvóórnaam Stro, Strodo, waarvan ook de friesche patronymika † Stroma, Stroosma en Strooisma afgeleid zijn; zie § 168.

Voor wy overgaan tot het behandelen van andere patronymika, moeten hier nog twee zonderlinge en byzondere maagschapsnamen vermeld worden, die eveneens tot deze saksische inknamen behooren. Namelik: Gyseweenink en Janweenink. De lieden die deze namen, welke ook in de saksische gouen van Gelderland inheemsch zijn, dragen, heeten eigenlik eenvoudig Weenink; zy zijn oorspronkelik Weeninken. Twee broeders uit de maagschap Weenink, beiden met talrijk kroost gezegend, en naast elkanderen wonende, droegen de voornamen Gise (Gijs, Gijsbert, Gyselbrecht) en Jan. Ten einde nu die talryke kinderen der [41]twee gebroeders van elkanderen te onderscheiden, ten einde Harbert en Bartha Weenink van den eenen broeder te onderkennen van Harbert en Bartha Weenink van den anderen, voegde men de vóórnamen der vaders by de oude patronymika, en noemde deze jongelieden Harbert Giseweenink en Bartje Janweenink. En deze onderscheidingsnamen bleven in gebruik, gingen ook later op de kinderen van die Harbrechts en Bartjes over, en werden eindelik vaste geslachtsnamen.

Ten slotte nog een paar incknamen, bepaaldelik uit West-Vlaanderen: Cnapelinck ook Cnapelynck (en, in den tweeden naamval Cnapelincx, Cnapelinckx), Gebberlinck, Ghellinck en Ghellynck, Plettinck, Slabbinck en Vlietinck. Ghellinck is afgeleid van den mansvóórnaam Gelle, die nog heden in Friesland in gebruik is. Dit zelfde patronymikon komt ook nog voor in den samengestelden geslachtsnaam Gellinckhuysen, en in vele plaatsnamen; b. v. in Gellekom of Gellicum (Gellink-heim), een dorp in de Tielerweerd, Gelderland. De geslachtsnamen Terlinck en Teirlinck zijn mogelik slechts het woord teerling (cubus, dobbelsteen), in oude spelling. By de namen Cnapelinck, Plettinck en Vlietinck is de oorspronkelike mansnaam niet zoo gemakkelik aan te toonen. Toch zijn het echte patronymika, en al vermelden de gewone lijsten van nederlandsche en friesche personennamen, van Wassenbergh, Leendertz en Brons geene mansnamen Knapele, Plet of Vliet,—als men maar genoeg zoekt, vindt men die namen ook wel, en kan ze aantoonen. In den jare 1800 woonde er een man te Stramprode in Limburg, die den voornaam Vliet droeg; hy heette Vliet Kluizenaar11. Förstemann vermeldt eenen oud-germaanschen mansnaam Flidulf; en in dezen samengestelden naam is de enkelvoudige naamstam Flid, Vliet, waarvan het patronymikon Vlietinck, begrepen.

§ 17. In de zuidelike Nederlanden, bepaaldelik en vooral in West-Vlaanderen, zijn eenige geslachtsnamen inheemsch die den patronymikalen uitgang in den form ynck vertoonen. Deze schrijfwyze [42]der i als y berust op de uitspraak die in den tongval van dit gedeelte van Vlaanderen, met Zeeusch- en Fransch-Vlaanderen, gehoord wordt. Overigens verschillen deze yncknamen in geen enkel opzicht van de inck-, ink- en inknamen. In den regel zijn het zeer oude namen, nog dagteekenende uit den tijd, toen de eenig goede regel gold: »schrijf zoo als gy spreekt.” Talrijk zijn deze eigenaardige oud-vlaamsche namen niet. Zie hier eenigen er van: Bellynck, Bullynck, Bultynck, Cnapelynck12. Het grootste deel dezer namen is gemakkelik te verklaren. Belle (Belke), Bulle (Boele), Halle, Kempe (Kempo, Kampo) en Wyte (Wite, Witte) zijn mansvóórnamen die men heden nog in de friesche streken in gebruik heeft. Ghellynek is op de vorige bladz. reeds verklaard. Hebbelynck en Gyselynck zijn ontleend aan Hebbele en Gisele, dat weêr verkleinformen (Hebbelyn en Giselyn) zijn van d’ oorspronkelike mansvóórnamen Hebbe of Habbo en Gijs (Gijsbert), die nog wel als zoodanig by ons volk in gebruik zijn, vooral in Friesland.

Opmerkelik is het dat deze eigenaardige westvlaamsche geslachtsnamen in Friesland zoo hunne tegenhangers of weêrgaden hebben. Trouens, d’ overeenkomst tusschen westvlaamsch en friesch is, ook in menig ander opzicht, merkweerdig groot. Naast den westvlaamschen geslachtsnaam Bellynck hebben wy den frieschen maagschapsnaam Bellinga. Even zoo Bullinga nevens Bullynck; Gelkinga (afgeleid van Gelke, Gelleken, de kleengedaante of verkleinform van Gelle) by Ghellynck; Hallinga naast Hallynck, Kempinga naast Kempynck. En nevens Wytynck, voor zoo verre my bekend is, toevallig wel geen Witinga, maar toch wel een Wytema en Witema, eveneens patronymikale geslachtsnamen, zy het dan ook in anderen form, met † Hwytnyngha in het Oud-friesch, en Whiting in ’t Engelsch.

Zoo als men zien kan aan dezen als voorbeeld vermelden ouden geslachtsnaam Hwytnyngha, die in de hedendaagsche spelling als Witteninga zoude geschreven worden, werd oudtijds in Friesland de i van den uitgang ing, in dit geval inga, ook wel [43]als eene y geschreven en gesproken, even als in het hedendaagsche Westvlaamsch. Immers ook de hedendaagsche friesche geslachtsnamen Beninga, Homminga, Idsinga, enz. komen in oude geschriften als Benyngha en Benynghe, als Hummyngha en Idsyngha voor.—

De behandeling dezer patronymikale geslachtsnamen op ing en ink uitgaande, mag niet gesloten worden, zonder dat hier nog kortelik gewezen worde op het oude frankisch-nederduitsche woord eng of enk, dat volgens Van Dale’s Nieuw Woordenboek der nederlandsche taal beteekent: »eene omheinde of afgeslotene streek weiland.” Zoo als te verwachten is, komt dit woord wel als plaatsnaam, ook in samenstellingen voor. Als voorbeelden noemen wy: de heerlikheid den Engh en de ridderhofstad den Engh, de eerste in Linschoten, de tweede in Vleuten, beide gemeenten van het Sticht van Utrecht; de havesate Enghuizen in de geldersche gemeente Hummelo,—het gehucht Westeneng in de geldersche gemeente Ede, enz. En evenzeer als plaatsnamen, zoo bestaan er ook enkele maagschapsnamen uit dit woord, of zijn daar mede samengesteld; b. v. Van Eng, Van den Engh, Westenenk, Buiteneng, Boeienk, Grooteneng, enz. De vermelding en behandeling dezer eenvoudige en duidelike namen had eigenlik moeten geschieden in die afdeeling van dit werk, waar de geslachtsnamen van aardrijkskundigen oorsprong hunne plaats vinden, en waar deze eng- en enknamen dan ook volgens recht toebehooren. Ja, maar toch heb ik juist te dezer plaatse d’ opmerkzaamheid op deze kleine groep van aardrijkskundige namen willen vestigen, omdat velen onzer oude nederlandsche taalkundigen, vooral onzer talryke (onberoepene) naam- en woord-afleidkundigen, den patronymikalen uitgang ing of ink, in plaats- en geslachtsnamen, verwarren met het woordje eng of enk. De verwisseling van d’ onvolkomene e vóór n met d’ onvolkomene i vóór n (b. v. brengen en bringen), aan vele nederlandsche gouspraken eigen, gaf hier toe gereede aanleiding. Toch heeft in der daad dit woord eng met den uitgang ing in het geheel niets te maken, al wil ook heden nog wel deze of gene »beunhaas” op het gebied der nederlandsche taal, de ing- en ink-namen van d’ eng- en enk-namen afleiden, en al is zelfs deze meening nog steeds zeer verbreid by ’t nederlandsche [44]volk, voor zoo verre het dan over den oorsprong en de beteekenis der namen eens nadenkt.

§ 18. Eene byzondere groep van geslachtsnamen wordt geformd door die patronymika, welke achter den uitgang ing nog het aanhangsel son, sen of eene enkele s vertoonen. Die s is hier anders niet als het kenmerk van den tweeden naamval waarin het woord of de naam staat. Het zijn dus namen die te gelijker tijd de kenmerken vertoonen der oude en der nieue patronymikale formen; zie § 4, 5 en 6. In taalkundig opzicht kunnen zy ter nauer nood verdedigd of goedgekeurd worden. In hunnen hedendaagschen, dubbelen form zijn zy ongetwyfeld ontstaan in den tijd toen men de beteekenis van den uitgang ing niet meer kende, dien uitgang niet meer verstond. Dat ontstaan moet verklaard worden op deze wyze: een man heette Leendert en droeg den toenaam van Hemming, een oud patronymikon, ontleend aan den vóórnaam van zynen stamvader Hemmo. De vader, grootvader en nog menig oudvader van Leendert hadden allen reeds dat patronymikon als vaste toenaam gedragen. Door de eene of andere byzondere omstandigheid, misschien ter onderscheiding van andere mannen in de onmiddellike omgeving van Leendert Hemming, die eveneens Leendert heetten, werd onze man in het dageliksche leven door zyne buren, vrienden en verdere tijdgenooten niet by zynen voornaam Leendert genoemd, zoo als anders gebruikelik was, maar by zynen toenaam Hemming. Weldra kende byna niemand hem anders als by den naam Hemming, en raakte zijn voornaam Leendert haast geheel vergeten. Hemming’s zoon Rutger die in den tijd leefde toen de gewoonte in zwang kwam om den voornaam van den vader, in den tweeden naamval, met of zonder zoon daar achter, den zoon als toenaam te geven,—Hemming’s zoon Rutger noemde zich dien ten gevolge dan ook niet Rutger Leenderts zoon, of Rutger Leendertssen, of Rutger Leenderts, zoo als het volgens recht zijn moest, maar Rutger Hemming’s son (zoon). Hy maakte zich een patronymikon als toenaam, naar de gewoonte van den tijd waarin hy leefde. Echter niet van zijn vaders voornaam, maar van het oude patronymikon dat eigenlik zijn vaders toenaam was, [45]ofschoon het in de plaats van den voornaam gebruikt werd. En de kinderen van Rutger Hemmingson (de twee letters s van Hemmings son, in d’ uitspraak niet afzonderlik te hooren, smolten in geschrifte al spoedig tot eene s samen) behielden hun vaders toenaam ook als hunnen toenaam aan. En zoo werd in verloop van tijd dat Hemmingson een vaste geslachtsnaam, zoo als het nog heden is. In plaats van dit son of zoon er achter te voegen, nam men het vaderlike patronymikon ook wel eenvoudig in den tweeden naamval als toenaam aan. En zoo kwam b.v. van het oude patronymikon Alink, de toenaam Alinks (voluit des Alinks zoon), nog heden als geslachtsnaam by ons voorkomende. Strikt genomen wil Hemmingson zeggen: zoon van den zoon van Hemme; en Alinks, zoon van den zoon van Ale. Men gevoelt dat deze naamformen eigenlik monsters, misbaksels zijn, in strijd met het wezen der taal. Zy konden dan ook slechts gemaakt worden en in gebruik komen, toen men de oude patronymika niet meer verstond; toen het volk niet meer wist dat Hemming en Alink reeds zoon van Hemme, zoon van Ale beteekenden; toen men de kracht van dat ing niet meer gevoelde.

Hemme en Ale, waar van bovengenoemde patronymika ontleend zijn, komen by de hedendaagsche Friesen nog dikwijls als mansvóórnamen voor.

Zulke dubbelde patronymika zijn niet aleen in de Nederlanden, maar evenzeer in Engelland, en ook wel in Duitschland, vaste geslachtsnamen geworden.—Zie hier eenigen, die nog heden als nederlandsche maagschapsnamen in gebruik zyn: Beerlings, Bennigsen (oorspronkelik Benningsson, Benning’s son, zie bl. 28).13 Deze patronymika zijn ook allen weêr van mansvóórnamen afgeleid, waar van eenigen nog in gebruik zijn: Bruno, Otto. Anderen komen nog in Friesland voor: Boie, Benne enz. Eldert is ook nog bekend. En Thiadbern, waar Tjaberings van afkomt, is een oud-friesche mansnaam, die voor een paar eeuen nog in de friesche streken tusschen Eems en Weser voorkwam. De overige namen kan men in Förstemann’s Namenbuch nasporen. [46]

§ 19. Als in eenig woord eene k en eene s onmiddellik op elkanderen volgden, dan vervingen de oude Nederlanders, in hun schryven, die twee letters meestal door eene x. Zoo schreven zy b. v. de woorden: des konings brug, des koninks brugge, als sconincx brugghe; monniks-kleêren als munnicx ghewaed. Ook by ’t boekstaven hunner eigennamen handelden zy zoo, en schreven Feddrixma en Haaxbergen, welke namen wy tegenwoordig beter als Feddriksma en Haaksbergen spellen. In sommige eigennamen bleef die x tot den dag van heden in gebruik; b. v. in den frieschen geslachtsnaam Blinxma, dat is Blink-sma, en beteekent: zoon van Blinke. Deze naam is weêr een verkleinform (Blin-ke) van den oorspronkeliken mansvóórnaam Blin, die by Förstemann als Blion, Bliun voorkomt. Verder in de friesche plaatsnamen Boxum, Waaxens, enz. Ook schreef men voor weinig jaren nog algemeen Boxtel, Axel, Nibbixwoud; thans meer Bokstel, Aksel, Nibbikswoud, zoo als ’t ook beter is. Vooral in de zuidelike Nederlanden zit die x in menige eigennaam nog vast in den zadel; b.v. in Dixmude, Exaerde, Sint-Antelinckx, namen die men in de nieuste spelling ook als Dijksmuiden, Eksaarde, Sint-Antelinks boekstaaft. En zoo vinden wy in de zuidelike Nederlanden, vooral in Vlaanderen, die geslachtsnamen, welke eigenlik zijn op ink (inck, ynck) eindigende patronymika, in den tweeden naamval, meestal met eene x geschreven; b. v. Bollinckx, Bruyninckx, Cnapelinckx, Daggelinckx,14 enz. Ook deze patronymikale geslachtsnamen zijn natuurlik allen weêr aan mansvóórnamen ontleend. Het zuidnederlandsche Bruyninckx verschilt slechts in spelling van het noordnederlandsche Bruinings, maar komt er in oorsprong en beteekenis volkomen mede overeen. De maagschapsnamen Duerinckx en Tuerlinckx stammen af van eenen en den zelfden mansvóórnaam; namelik van Dure, Ture, Thuro. Deze naam was reeds by de Gothen in gebruik—immers Thuro was een gothische bevelhebber—, en ook het land Thüringen in Duitschland ontleend zynen naam van dien mansvóórnaam. [47]Tuerle, de naamsform die aan het patronymikon Tuerlinckx ten grondslag ligt, is oorspronkelik anders niet als een verkleinform (Turlyn) van Ture. Ook in Friesland treffen wy dezen ouden mansvóórnaam nog aan in geslachts- en plaatsnamen. Te weten in de geslachtsnamen Duursma, Duursema, During en Duurs, nevens Dürigen en Von Düringsfeldt in Duitschland. Verder in Duurswolde, zoo als een dorp heet in Opsterland (Friesland), en eene landstreek in Fivelgo (Groningerland). Düringen is de naam van een dorp by Bremen. Van den verkleinform Duurke (het zelfde als Tuerle, maar in andere gouspraak) stamt de groninger geslachtsnaam Duurkens, en de plaatsnaam Duurkenakker, een gehucht by Muntendam in Groningerland. De geslachtsnamen Cnapelinckx, Hebbelynckx, Ratinckx, of liever de mansvóórnamen die er aan ten grondslag liggen, zijn op bl. 41, 42 en 37 reeds besproken. Hellynckx en Hellinckx hebben hunne tegenhangers in de friesche patronymikale geslachtsnamen Hellinga en Hellenga. Verder in Hellynck, Hellink, Helling en Hellings, en in den samengestelden maagschapsnaam Hellinghuizer. Al deze patronymika zijn afgeleid van den oud-germaanschen mansvóórnaam Hello, die in Förstemann’s Namenbuch vermeld wordt, en die tevens oorsprong gaf aan vele andere geslachts- en plaatsnamen. Te weten aan Hellema en Helma, Hellen en Helles; aan Hellum, een dorp in Fivelgo, en aan Helwert, een gehucht by Rottum in Hunsego, beide in Groningerland; aan Hellingen, een dorp in Luxemburg; aan Hellinghen, een gehucht by Hérinnes-lez-Enghien in Henegou; aan Hellinghill in Northumberland (Engelland); aan Hellinghausen, een dorp by Lippstadt in Westfalen, enz. In Snellinx en in ’t eveneens voorkomende Snellings vinden we het patronymikon van den oud-germaanschen, in Friesland nog een enkele keer voorkomenden mansvóórnaam Snello, Snel, die ook oorsprong gaf aan de geslachtsnamen Snellen en Snellens, en, in verkleinform, aan Sneltjes, alle drie tweede-naamvalsformen, en zoon van Snello beteekenende. Ook aan de plaatsnamen Snelleghem (dat is eene samentrekking van Snelling-hem, Snellinga-heim) een dorp in West-Vlaanderen, en Schnellingen, een dorp by Hasslach in Baden. Eenen tegenhanger van [48]den vlaamschen geslachtsnaam Surinx vinden wy in den frieschen, in Groningerland inheemschen geslachtsnaam Suringa. Verder in Sühring, dat ik te Bremen vond; in het geldersche Surink; in ’t afgesletene, te Antwerpen voorkomende Suerickx (dat is oorspronkelik ook Suerincks); en hoogst waarschijnlik ook in het nog meer versletene Sury en Surie. In den samengestelden geslachtsnaam Suringbroek komt dit patronymikon almede voor. En Süren en Suersen, namen van buitenlandschen, westfaalschen en noordfrieschen oorsprong, maar die ook in Nederland voorkomen, zijn eveneens patronymika van den ouden, buiten gebruik gestelden mansvóórnaam Suur, Sure. Deze naam is slechts eene samentrekking van den vollen form Suder, Sudhari, een oud-germaansche mansnaam, die blykens de hedendaagsche friesche geslachtsnamen Zuiderma en Zuidersma oudtijds ook door Friesen gedragen werd. De stamform van den mansnaam Sudhari (Suder, Sure) is Sudo, die in Förstemann’s Namenbuch vermeld wordt, en oorsprong gaf aan de friesche geslachtsnamen Sudinga (in Oost-Friesland inheemsch), Zuidinga (in Drente), Suiding, Suydema, Suidema en Zuidema, allen patronymika. Het patronymikon van den mansnaam Sudhar vind ik reeds in de middeleeuen, ook in Vlaanderen; Laureins Zuerinc was een poorter van Brugge, ten jare 132015.

In eene oude oorkonde vind ik nog dat ten jare 1328 zekere Jan Geylincx burger was der stede Geraertsbergen in Vlaanderen. Dat jaartal moet ongeveer de gemiddelde tijd voorstellen waarin deze zonderling geformde dubbelde patronymika eerst opgekomen zijn. In de zuidelike Nederlanden mag dit ook nog wel eene eeu vroeger voorgekomen wezen, even als in de noordelike gewesten eerst een honderdtal jaren later.

§ 20. Eene kleine groep van geslachtsnamen wordt geformd door eenige oude patronymika, die vóór den oorspronkeliken mansvóórnaam, waarvan zy afgeleid zijn, nog een voorvoegsel vertoonen, bestaande uit de woorden groot of klein, oud of nieu. B. v. de geslachtsnamen Grootnibbeling, Kleinstarink, Oudewesseling, [49]Nyemanting, ook wel, en beter, Groot-Nibbeling, Klein-Starink, Oude-Wesseling, Nye-Manting geschreven. Deze geslachtsnamen zijn niet onmiddellik ontleend aan patronymika, die als toenamen van personen in gebruik waren, zoo als dit met alle andere tot hier toe vermelde patronymikale geslachtsnamen wel het geval is. Zy zijn onmiddellik ontleend aan de namen van boerenerven of hoeven; en eerst in de tweede plaats of middellik aan de oude patronymikale toenamen der geslachten welke deze erven in eigendom bezaten en bewoonden. Zie bl. 23. Het ontstaan dezer geslachtsnamen had op de volgende wyze plaats. De boer Gerlof Eitinge, die zynen patronymikalen toenaam ontleende aan den naam van zynen voorvader Eite, en die, even als zyne voorouders, geslachten en geslachten vóór hem, het erve Eitinge, zoo genoemd naar den eigenen toenaam van zijn geslacht, in eigendom bewoonde,—die drentsche boer Gerlof Eitinge had twee zoons. De oudste daar van erfde, naar vaste zede, die voorouderlike bezitting. Maar, ten einde den jongsten zoon, wien hy misschien eene byzondere liefde toedroeg, eenigszins schadeloos te stellen, nam de oude Gerlof nog by zijn leven een deel van de landeryen af van het oude erve, boude daar op een huis, en schonk dit nieue gedeelte dien tweeden zoon. Nu waren er twee afzonderlike landhoeven Eitinge naast elkanderen; beiden ook door eenen Eitinge bewoond. Niets natuurliker dus, dan dat men, ter onderscheiding, het eene, het oorspronkelike erve met den naam Groot-Eitinge noemde, en aan het andere den naam Klein-Eitinge gaf. En deze namen gingen van de hoeven weêr zeer gereedelik over op de bewoners er van, die beiden oorspronkelik reeds Eitingen waren, maar nu Albert Gerlofs Groot-Eitinge en Meindert Gerlofs Klein-Eitinge genoemd werden. Of een andere (ditmaal een geldersch- of liever zutfensch-saksische boer, noemen we hem Garrit Bekkink) ontgon een heideveld dat aan zyne landeryen paalde. Hy boude daar een huis, en richtte alles tot eene nieue hoeve in, voor eenen zyner zonen, om de zelfde reden als boven opgegeven is. Natuurlik moest die nieue hoeve ook den ouden naam Bekkink dragen; ze was immers, als ’t ware, een uitvloeisel van het oude erve Bekkink, en werd ook door eenen Bekkink bewoond. [50]Maar ter onderscheiding noemde men het eene erve Oud-Bekkink, het andere Nieu-Bekkink, en ook deze namen gingen weldra op de bezitters dier hofsteden en op hun nageslacht als vaste toenamen over.

Het getal dezer eigenaardige geslachtsnamen is niet groot, en zy zijn slechts in de saksische gouen van ons land, in Drente, Twente en de graafschap Zutfen inheemsch. In Friesland komen oude patronymika, met de voorvoegsels oud en nieu, groot en klein, en door de zelfde of soortgelyke oorzaken, als hier boven vermeld is, in het leven geroepen, ook wel voor als namen van staten en saten, van edelmans- of boerenerven; b. v. Groot-Aysma, Klein-Donia, Oud-Hemminga en Ny-Hemminga, enz. Maar zulke plaatsnamen, met die voorvoegsels verbonden, zijn dáár nooit als toenamen van personen in gebruik gekomen, noch tot vaste geslachtsnamen geworden, zoo als in de saksische gouen wel het geval geweest is.

De volgende geslachtsnamen stellen deze groep samen: Olden-Banning, Nyen-Banning, Ool-Bekkink.16 De formen old en ny in deze namen, in plaats van oud en nieu, geven getuigenis van het volk van saksischen stam, waar by deze namen eerst ontstonden.—Ool, by Ool-Bekkink, beeldt de eigenaardige uitspraak af van het woord old, zoo als dat by eenige saksische stammen, aan de oostelike grenzen van ons land gezeten, gebruikelik is; zie § 156.

Al deze patronymika zijn weêr van oud-germaansche mansvóórnamen ontleend. By de namen Olde-Bronninge, Ny-Hoving, Olden-Huising zoude men misschien wel aan eene oude bron of put, aan een nieu hof of een oud huis denken. Toch schuilen ook in deze namen echte mansvóórnamen. Huising van Huso is op bl. 29 en 30 reeds besproken. Bronninge en Hoving komen van Bronno en Hove, Houe, Haue, namen die in Friesland nog in gebruik zijn, en waarvan ook de friesche patronymikale geslachtsnamen Bronninga, Hovinga en Hovenga [51]ontleend zijn, met Bronnema, Bronkema, Bronsema, Brondsema, Brontsema en Brons, Hoving en Hofma.

Opmerkelik, maar gemakkelik te verklaren is het dat men, naast bovengenoemde samengestelde patronymika, ook de enkelvoudige formen dier namen als geslachtsnamen in gebruik vindt. Zoo bestaan in Drente, nevens Olden- en Nyen-Banning, Nye-Manting, Ny-Hoving, Ny-Huising, Olden-Wening en Olden-Waving de geslachtsnamen Banning, Manting, Hoving, Huising, Wening en Waving. Elders weêr nevens Ool-Bekkink, Klein-Bentinck, Klein-Budding, Olde-Dubbelink, Klein-Starink en Klein-Ubbink de enkelvoudige namen Bekkink, Bentinck, Buddingh, Dubbelink, Starink en Ubbink.

Dubbelink, in Friesland als Dubblinga voorkomende, is een patronymikon, waar van de oorspronkelike mansvóórnaam niet zoo gemakkelik aan te wyzen is. Die oorspronkelike naam is Dietbolt in oud-saksischen, Thiebald of Thiebaut in oud-frankischen form; voluit Theodbald. Door verzachting en afslyting is die naam in den loop der eeuen by het nederlandsche volk tot Dubbelt, Dubbel, Dobbel geworden. In Friesland komt hy nog heden ten dage in den form Dubbelt, als mansnaam voor. Dubbelink (ook eene havesate in Twente draagt dien naam) is dus een versletene form van ’t oorspronkelike Theodbalding.

§ 21. Naast deze groep van patronymikale geslachtsnamen met een voorvoegsel, bestaat er ook eene groep van zulke namen waar een aanhangsel achter gevoegd is, en wel ’t een of ander gemeen-zelfstandig naamwoord, meestal huis of hof. Een huis of eene landhoeve, die soms eeuen lang door één en het zelfde geslacht in eigendom bezeten en bewoond is, neemt gereedelik den naam van dat geslacht als eigennaam aan, en wordt dan Meininghuis genoemd of Rogerinkhof, naar de geslachten Meining of Rogerink, waaraan ze toebehooren. Kwam nu dit Meininghuis of dit Rogerinkhof later in andere handen, en wel van iemand die b. v. slechts Evert Janszoon heette, maar die geen afzonderliken geslachtsnaam had, dan ging de oude naam van huis of hof wel op den nieuen eigenaar over, en werd [52]hy weldra Evert Jansen Meininghuis of Evert Jansz. Rogerinkhof genoemd, welke naam dan later tot een vaste familienaam van zijn nageslacht werd.

Deze patronymikale geslachtsnamen met een achtervoegsel zijn dus, even als die van de voorgaande groep, eigenlik plaatsnamen en slechts middellik aan eenen mansvóórnaam ontleend, even als dezen.

Talrijk zijn deze geslachtsnamen in de Nederlanden niet. In Duitschland komen zy meer voor; b. v. Ellinghaus (als Van Ellinckhuyzen in Nederland voorkomende), Bellingrath, Collinghorst. En nog veel meer in Engelland: Bolingbroke, Carlingford, Paddington, Elkingham. De volgenden zijn my in de Nederlanden voorgekomen: Barlinckhoff, Bruyninghuys, Bruininkweerd.17 Deze namen zijn allen met ware patronymika samengesteld, die wel geen naderen uitleg behoeven, na alles wat daaromtrent reeds is medegedeeld. De byzondere schrijfwyze van den naam Gussenklo, die op redelike gronden niet verdedigd worden kan, dankt haar ontstaan aan den wensch om de lettergrepen van dezen naam wel te onderscheiden, om wel te doen uitkomen dat het Gussenk-lo is (Gussink-loo ware nog beter), en niet iets anders, b. v. Gussen-klo; wat trouens ook geen verstandig mensch zal meenen. Zie bl. 33.

§ 22. Eene kleine groep van nederlandsche geslachtsnamen omvat oude vadersnamen met eenen latynschen uitgang. Van dezen noemen wy: Gardingius, Grevinchovius, Hachtingius.18—Grevinchovius is verlatynscht van Grevinkhof, een geslachtsnaam tot de voorgaande groep behoorende. Over Hachtingius zie men bl. 34; over Hallungius bl. 36 en 42. Hundlingius heeft den oud-germaanschen mansvóórnaam Hundo, Hunt, Hont tot oorsprong, en wel in verkleinform als Hundle, Hondelyn. Van Hundle, Hondele zijn ook nog de geslachtsnamen [53]Hondelink, Hündling en Hondela, de twee laatsten in Oost-Friesland voorkomende, afgeleid. En van den mansnaam Hunt in zynen oorspronkeliken form: de geslachtsnamen Hondinga in Groningerland (Hondinga-sate is te Pieterburen in Hunsego), misschien ook het verlatynschte Hondius in Holland, Hunting in Friesland en Engelland, met Hunding en Huntington eveneens in Engelland. En van de zeer talryke plaatsnamen van dezen ouden mansnaam afgeleid, noemen we slechts Hondeghem (Hondinga-heim), een dorp in Fransch-Vlaanderen; Hunting, een dorp in Lotharingen; Huntingdon in Engelland; Hündlingen, een dorp in den Elsasz, enz.

§ 23. In de oude friesche taal gaan vele woorden, die in de andere nederlandsche talen en tongvallen, ’t zij dan saksische of frankische, op eene toonlooze e eindigen, of ook zonder openen uitgang zijn, op eene a uit. Zoo luidt ook de uitgang ing (inge, ink) der vadersnamen, die overigens aan alle nederlandsche gouspraken, ja aan alle andere germaansche talen eigen is, in het Friesch als inga. En deze a is ook geheel het eenige wat de friesche patronymika onderscheidt van andere vadersnamen, in de andere nederlandsche gewesten voorkomende. Even als dezen zijn de friesche patronymika louter van mansvóórnamen, natuurlik meest van friesche mansvóórnamen afgeleid. Even als dezen komen ze ook heden ten dage voor in verschillende spellingen, en op verschillende wyzen saamgetrokken of versleten. Ook zijn de friesche vadersnamen van zeer ouden oorsprong. Reeds in de 9de eeu vinden wy het geslacht Cammingha, nog heden bestaande, vermeld. Intusschen zulke patronymika zijn ongetwyfeld nog veel ouder.

De oude friesche patronymika zijn in grooten getale als hedendaagsche geslachtsnamen in leven en gebruik gebleven. Zy zijn over de geheele hedendaagsche provincie Friesland verspreid. Tot dat gewest uitsluitend beperkt, zijn zy echter geenszins. Even als de andere friesche op a eindigende geslachtsnamen (nieuere patronymika en andere formen) komen ze even zeer voor in de oud-friesche landstreken tusschen Lauers en Eems en Weser, in het hedendaagsche Groningerland en Oost-Friesland. Daar zijn deze namen van ouds her even zoo inheemsch en volkseigen als bewesten Lauers. In laatstgenoemde [54]landstreek (het nederlandsche Friesland) zijn ze niet gelijkmatig over het geheele land verspreid. In Oostergo en Westergo komen zy veel talryker voor dan in de Zevenwouden.

Hier volgen eenige oud-friesche vadersnamen, die allen den zuiveren ouden form op inga eindigende, vertoonen: Abbinga, Benninga, Bottinga19. Deze namen komen, met zeer vele anderen soortgelyken, nog heden als geslachtsnamen in de friesche landstreken van Nederland voor, en zijn ook allen ontleend aan mansvóórnamen, die nog heden by de Friesen in volle gebruik zijn. B. v. aan Abbe, Benno (Binne) (zie bl. 28), Botte, Gau (meest in verkleinform als Gauke, Gouke voorkomende), Ubbo of Obbe, enz.

Eenige friesche geslachtsnamen op inga uitgaande, stammen van mansvóórnamen af, die geenszins zoo gemakkelik zijn aan te wyzen als by de bovenvermelde namen het geval is. De mansnamen waar de volgende vadersnamen van zijn afgeleid, komen of slechts in zeer versletenen form voor, of ze zijn by de Friesen in het geheel niet meer in gebruik. Zulke geslachtsnamen zijn b. v. Eckringa, Folkeringa en Folkringa, Kleveringa en Cleveringa20. Eckringa is voluit Eckhardinga, en afgeleid van den mansnaam Ekhart, Ekkehart, Eckart, die in Duitschland nog wel in gebruik is.—Folkringa is oorspronkelik Fulkhardinga, van Fulkhart, Folkert.—Kleveringa en Cleveringa is saamgetrokken en versleten van Klefhardinga, het friesche patronymikon van den oud-germaanschen mansnaam Klefhart, Cleffehart, die weêr eene samenstelling is van den nog ouderen enkelvoudigen naam Cleffo, Claffo en van den naamstam Hart. Even als Fulkhart (Folkert) van Fulco (Folke) en Hart; Ekhart (Ekkert) van Ekke, Ecco en Hart; Rikhart (Richard, Rykaert) van Rico of Rijk en Hart. Hoe oud die naam Cleffo of Claffo reeds is, kan men in Förstemann’s Namenbuch [55]opzoeken. Hy was reeds by de Longobarden in gebruik. Immers Claffo, zoo heette de zesde, en Cleph (’t welk de zelfde naam is in eene andere spelling), de elfde koning van dat oud-germaansche volk. Ook de beteekenis van dezen naam leert Förstemann te zoeken in het oud-hoogduitsche woord klaphôn, in het oud-noordsche woord klappa, waar het begrip van slaan, stooten in ligt opgesloten, en waar ook het woord anaklaf, dat aanval beteekent, van afgeleid is. Die oude woorden hebben dus eene krijgshaftige beduidenis. Maar ook het hedendaagsche woord kleven, ofschoon nu slechts in eene zeer gewyzigde beteekenis in gebruik, zal er wel oorspronkelik mede samen hangen. Van den mansnaam Klefhart, Klevert zijn niet enkel de twee bovengenoemde byzonder-friesche patronymika ontleend, maar ook de vadersnamen in algemeenen form Klevering en Clevering, benevens het nog meer samengetrokkene Cleringa en Klering, alle vier nog hedendaagsche geslachtsnamen. Opmerkelik is het dat al deze zes zoo na verwante geslachtsnamen in Groningerland inheemsch zijn. Zeer waarschijnlik stammen al deze nu verschillende geslachten van één en het zelfde oorspronkelike geslacht Klefhardinga af, en dus ook van één en den zelfden stamvader Klefhart, die dan de eerste grondvester was van de sate Cleveringa-heert te Uithuizen in Hunsego. Het schijnt dat een tak van dit oud-friesche geslacht, of misschien een enkele man er van, deelgenomen heeft aan den gemeenschappeliken uittocht van Angelen, Saksen en Friesen naar Groot-Brittanje. Wy vinden althans dit zelfde patronymikon, in den form Clavering, nog heden ten dage als de naam van een engelsch geslacht. Van Cleffo is de hedendaagsche geslachtsnaam (friesch patronymikon in nieueren form) Kleefsma ook afkomstig, en van den verkleinform Kleefke de geslachtsnaam Kleefkens. Deze zelfde mansnaam gaf ook oorsprong aan den plaatsnaam Kleffens (dat is waarschijnlik eene samentrekking van Kleffingen), zoo als een gehucht heet by ’t dorpke Raart in West-Dongeradeel by Dokkum. En weêr door middel van dien plaatsnaam aan den naam van het in Oostergo gezetene geslacht Van Kleffens, waar van de voorouders, omstreeks het midden der vorige eeu, als landeigenaars op de sate Kleffens woonden, en toen dien geslachtsnaam aannamen. Nog zijn my als plaatsnamen, [56]aan den mansnaam Klefhart ontleend, bekend: Cleverns, een dorp in Jeverland (Oldenburger Friesland); Klieverink, eene havesate by Oldenzaal in Twente, en Kleverskerke, een dorp op ’t eiland Walcheren.

Dat de geslachtsnaam Vitringa het patronymikon is van eenen mansvóórnaam die niet slechts tot onkenbaarheid toe versleten en ingekrompen, maar die tevens verkeerd gespeld is, blijkt uit de letter v, waarmede deze naam begint. Die v is, als beginletter van eenig woord, in de friesche taal volkomen onbekend. De Friesen kunnen die letter op die plaats in het geheel niet uitspreken. Als beginletter spreken zy, en schryven dus zeer te recht ook, eene f, waar de Hollanders en andere Nederlanders eene v noemen; nederlandsch vrede = friesch frede; nederl. vel = fr. fel, enz. Maar zoo wy Vitringa al tot Fitringa maken, dan komen we geen stap nader tot oplossing van de vraag, welke mansvóórnaam ten grondslag ligt aan dezen vadersnaam. Liever verwisselen we dus die onmogelike v met eene w, en denken dat misschien een geleerde man, uit dit geslacht gesproten, drie eeuen geleden, zynen naam Witringa tot Vitringa heeft verlatynscht. Die germaansche w immers is geen latynsche letter, maar werd wel, waar men een germaansch woord dat onmogelik vertaald kon worden, in het Latyn wou schryven, met eene v verwisseld. En Witringa is, door vergelyking met Eckringa van Ekkehart en Folkringa van Fulkhart (zie bl. 54) te verklaren als Withardinga, het patronymikon van Withart, of als Witheringa (de e haast niet te laten hooren) het patronymikon van Wither, Witheri, oud-germaansche mansvóórnamen.

By Kruisinga, Musschenga, Plantinga zou men oppervlakkig eerder denken aan eene afleiding van de gemeen-zelfstandige naamwoorden kruis, musch en plant, dan aan mansvóórnamen. Dat echter ook deze geslachtsnamen echte patronymika zijn, aan mansnamen ontleend, lijdt by my geen twyfel, al kan ik dan die oorspronkelike mansnamen uitvinden noch aantoonen. Over Musschenga en Muischenga hebben de heer P. Leendertz Wz. en ik zelve in het tijdschrift De Navorscher, dl. XXVII, bl. 78 en 80, en dl. XXVIII, bl. 75, het een en ander te berde gebracht. Om herhaling en te groote uitvoerigheid te myden, verwijs [57]ik den belangstellenden lezer dus dáár heen.—Dat Plantinga en Kruisinga ware oude vadersnamen zijn, blijkt my uit zoo menige andere nederlandsche geslachtsnaam, die van den zelfden mansvóórnaam afgeleid moet zijn. Nu er zoo vele geslachtsnamen (oude en nieue patronymika in allerlei formen) bestaan, waaraan dit zelfde Kruse en Plant ten grondslag ligt, kan het niet missen of dit zijn in der daad mansvóórnamen geweest. Die geslachtsnamen zijn Kruizenga, slechts in spelling van Kruisinga verschillende, even als Kruisink en Kruissink. De naam Kruisinga wordt in de friesche streken van ons land natuurlik als Krusinga uitgesproken, en in de friso-saksische en Saksische als Kroesinga, eigenlik Krusinga met hoogduitsche u. Van daar dat in Drente deze geslachtsnaam in den form Kroezinga voorkomt. Verder de patronymika (in nieueren form) † Cruisema (het huis Cruisema is by Hoogkerk in het Westerkwartier van Groningerland), Kruysse en Cruyce.—Behalve Plantinga, Plantenga en Van Plantinga zijn my nog bekend de geslachtsnamen Plantema, Planting, Planten, Plantinus († Plantyn te Antwerpen), die allen van eenen mansvóórnaam Plant moeten afstammen.

§ 24. Even als by sommige geslachtsnamen de patronymikale uitgang ink in enk veranderd is (zie bl. 36), zoo wordt ook by friesche patronymikale namen de uitgang inga wel als enga geschreven. Maar terwijl deze verwisseling van i in e elders zeer zeldzaam is, komt ze in Friesland juist dikwijls voor. In Friesland maken de namen die op den verbasterden form enga uitgaan, in getal wel de helft uit van de namen die op den oorspronkeliken form inga eindigen. Een ander verschil dan in spelling bestaat er overigens niet tusschen deze twee namengroepen. Als voorbeeld van zulke enganamen noemen wy de volgenden: Boyenga (vergelijk Boyunga op bl. 59), Bonnenga, Douwenga21. Een groot deel van deze namen is ontleend aan mansvóórnamen [58]die nog heden by de Friesen in volle gebruik zijn. Namelik aan Boie, Bonne, Douwe, Enno, Homme, Jette (komt meest in verkleinform voor als Jetse, eigenlik Jet-tse, friesch ts, tz = k), Libbe, Minne, Namme (ook meest in verkleinform als Nammele), Offe of Uffo en Wale.—Veenenga komt, met de geslachtsnamen Veninga, † Venia, Veenje, Feninga (de beste form), Fenenga, Fenega, Feening, Fening, Veenink, Venink, allen vadersnamen in verschillende formen, van eenen ouden mansvóórnaam Fene, die waarschijnlik oorspronkelik één is met den oud-germaanschen mansnaam Fin, in Förstemann’s Namenbuch vermeld.—Grimmenga komt van den mansvóórnaam Grim, die tegenwoordig in Nederland als zoodanig uitgestorven is, maar toch oudtijds onder de germaansche volken in gebruik was. Grimmink en Grimminck, de saksische formen van dit patronymikon zijn ook nederlandsche geslachtsnamen, even als de enkelvoudige naam Grim ook. Grimmens, zoo heet een gehucht by Grootkerk of Hohenkirchen in Wrangerland (Oldenburger Friesland); Grimminghe is een dorp in Oost-Vlaanderen; Grimminghausen, een dorp by Herford in Westfalen, en Grimsthorpe in Lincolnshire, Engelland.—Ruidenga is denkelik eene verhollandsching van Ruudinga, en dit weêr eene verbastering van Ruurdinga, het patronymikon van den frieschen mansvóórnaam Ruurd (Ruwart), waarin de Friesen de tweede letter r niet uitspreken.

§ 25. Zoo als reeds een paar malen hier boven gebleken is, komen sommige friesche patronymikale geslachtsnamen in de beide formen voor, zoowel met inga als met enga; b. v. Bottinga en Bottenga, Dallinga en Dallenga, Fellinga en Fellenga, Havinga en Havenga, Kempinga en Kempenga, Oostinga en Oostenga. Dit is in der daad zoo veelvuldig het geval dat het allen schijn heeft als of telkens twee geslachten, die toevallig het zelfde patronymikon als geslachtsnaam hadden, by onderlinge overeenkomst, ter onderscheiding, het ééne geslacht den éénen form, het andere geslacht den anderen form zich had toegeeigend. Het onderscheid tusschen inga en enga blijkt dan ook [59]slechts in geschrifte. By ’t spreken is het niet hoorbaar, ten zy men het dan met opzet wil laten hooren.

§ 26. Andere byformen van ’t oorspronkelike inga komen by de friesche geslachtsnamen weinig of niet voor. De oude schrijfwyze als ingha, vroeger algemeen in gebruik, komt tegenwoordig nog slechts voor by drie namen. Te weten by Van Buttingha, Van Cammingha en Van Julsingha, die toevallig alle drie het voorzetsel van by zich hebben. Door hoogduitschen invloed is in Oost-Friesland het oorspronkelike inga een enkele maal in unga overgegaan; b. v. Boyunga, Hayunga, Sajunga. Maar binnen de nederlandsche grenzen heb ik dezen form niet ontmoet. Het friesche ingha en unga komt natuurlik geheel overeen met de uitgangen ingh, inge, inghe en ung by andere patronymika; zie bl. 32–37. Patronymikale geslachtsnamen, in den tweeden naamval (zie bl. 44), komen onder de friesche namen niet voor. Maar wel zijn er eenigen, die het voorzetsel van by zich hebben. Oorspronkelik behoort dit voorzetsel voor geen ééne friesche geslachtsnaam te staan. Het past er niet by. Het is eene tegenstrydigheid. Aleen in zooverre als men deze namen beschoud als plaatsnamen, als namen van staten en saten, en er dan van voor plaatst, geven zy eenen drageliken zin. Immers die staten en saten, die den patronymikalen naam dragen van het geslacht, dat er eerst in eigendom op gezeten was, b. v. Hottinga-state, Wallinga-sate, Wetsinga-sate, worden in de wandeling ook wel genoemd zonder dat woord state of sate er achter, even als ook in Twente en de graafschap Zutfen de vrye boerenerven zulke patronymika als namen dragen; zie bl. 23. De Friesen zeggen dus ook wel: »Ik ga naar Hottinga”, of »ik woon op Wallinga”, of »dou bist up Wetsinga berne” (gy zijt op Wetsinga geboren), en verstaan daar dan Hottinga-state, Wallinga-sate en Wetsinga-sate onder. En op die wyze kunnen ook de friesche geslachtsnamen met van er voor, ontstaan zijn, en door lieden aangenomen, die, ofschoon oorspronkelik geen Hottinga’s of Wallinga’s zijnde, op de staten of saten dier oude geslachten woonden of gewoond hadden. En waar zulke patronymika met van er voor, de hedendaagsche namen zijn van oud-adellike friesche geslachten, b. v. Van Cammingha, [60]Van Eysinga, daar is dit van een byvoegsel van lateren tijd, toen men dit voorzetsel, door hoogduitschen invloed, als een kenmerk van adeldom beschoude. Want oorspronkelik past van voor geen friesche geslachtsnaam, ten zy dan voor eenen frieschen plaatsnaam (Van Kleffens, zie bl. 55). Behalve de bovengenoemde namen behooren tot deze groep nog de geslachtsnamen: Van Aldringa, Van Andringa, Van Hasinga, Van Hettinga, Van Hottinga, Van Idsinga, Van Wallinga, Van Wetsinga, enz. Grootendeels komen deze namen ook zonder dat overtollige van, als geslachtsnamen voor: Andringa, Hottinga, Hettinga, Idsinga. Het patronymikon van den nog heden by de Friesen in volle gebruik zijnden mansnaam Eise vooral komt in velerlei formen als geslachtsnaam voor; als Eisinga, Van Eysinga, Eisenga, Van Eisenga, Eizenga, Van Eizinga, Eising, Eisink en ook Eysinger; zie bl. 26. Buitendien bestaan nog de patronymikale maagschapsnamen, in nieueren form: † Eyssema, Eizema en Eisma, Eissen en Eises, met het verlatynschte Eyssonius. En de plaatsnamen Eisink, een gehucht by Haren in Groningerland; Eisinghusen, een gehucht by Loppersum, en een ander by Nüttermoor, in Oost-Friesland; Eysinghem, een dorp in Zuid-Brabant; Eisingen, een dorp by Pforzheim in Baden, enz.

§ 27. De patronymikale geslachtsnamen, tot hier toe vermeld, vertoonen allen, in hunne uitgangen, volle formen, al zijn die formen onderling dan ook nog zoo verschillend. Maar by eenige hedendaagsche geslachtsnamen, oorspronkelike patronymika, zijn die volle formen versleten. By namen die voor verre weg het grootste gedeelte, reeds zoo overoud zijn als dit by de ware patronymika het geval is, kan het geenszins bevreemding wekken, dat zy niet allen in hunne volle, oorspronkelike formen tot op onzen tijd in ’t leven gebleven zijn. Integendeel, ’t is eerder byzonder, dat het altijd maar een zeer klein gedeelte is van het groote getal patronymikale geslachtsnamen, dat zoo in versleten staat tot ons gekomen is. De geslachtsnamen Heenk en Oonk b. v., ook Bonga met Van Bonga, en Sinnighe zijn zulke versletene formen. By Heenk en Oonk is eene d en eene i verloren gegaan, by [61]Bonga de lettergreep nin, by Sinnighe en Sinnige eene n. Want deze namen zijn oorspronkelik en voluit Hedink, Odink, Bonninga en Sinninghe geweest. Zie hier nog eenige andere geslachtsnamen tot deze groep behoorende, met de volle formen er achter: Beddigs (Beddings); Bennigsen (Benningsen—zie bl. 28 en 44); Diegerick (Diegerink; de geslachtsnaam Deegerink is slechts een andere form hier van).22 Moeieliker te verklaren zijn de geslachtsnamen Banga, Tjeenk en Swynga. Oppervlakkig zoude men Banga wel houden voor eene samentrekking van Banninga, aan den mansvóórnaam Banne ontleend, die ook aan de geslachtsnamen Banning, Olden-- en Nyen-Banning (zie bl. 50), Bannema en Bans ten grondslag ligt, en even als ook Bonga uit Bonninga is saamgetrokken. Dat Banga echter niet van Banninga, niet van den mansnaam Banne komt, maar van den mansnaam Baue—dat deze geslachtsnaam versleten is uit het oorspronkelike Bauwinga of beter Bauinga, blijkt uit den form Bawnga, waar onder deze naam voorkomt in eene oorkonde, die in de friesche taal opgesteld is en van ’t jaar 1493 dagteekent.23 In deze oorkonde wordt één en de zelfde man, die in een ander stuk van het jaar 148924 Douwa Banga heet, Douwa Bawngha genoemd. Er komt in Friesland nog een andere eigennaam voor, waarin het oorspronkelike patronymikon Bauinga tot Bang versleten is; te weten de naam van het dorp Bangstede, tusschen Emden en [62]Aurich gelegen. Dit dorp heet oorspronkelik Bauingastede, de stede, de woonplaats der Bauinga’s, der Bauingen of Bavingen, der zonen en afstammelingen van den man die Baue of Bavo heette. Op eene oude landkaart van Oost-Friesland, van Ubbo Emmius, uit het laatst der 16de eeu, staat dit dorp nog als Bavestede of Bauestede vermeld. Dat de nog hedendaags by de Friesen in volle gebruik zijnde mansnaam Baue (Bauwe) in het middeleeusche monnikenlatyn als Bavo werd geboekstaafd, is bekend. De heilige Baue is als St. Bavo de patroon van de steden Aardenburg, Gent en Haarlem. En deze zelfde mansnaam heeft nog aan zeer vele andere geslachtsnamen oorsprong gegeven, om niet te spreken van de talryke plaatsnamen die er van afgeleid zijn. Die geslachtsnamen zijn: † Bavinga, † Bauwenga, † Bavema, Bauma, Bauwes, allen in Friesland; Bange, saamgetrokken van Bauinge, als Banga van Bauinga; Bavink, in Engelland als Baving voorkomende, Bauwen, Bauwens, Baafs, Baefs, Baafse, en het verlatynschte Bavius.

De geslachtsnaam Tjeenk is moeielik te verklaren. Ik waag dien aangaande de volgende gissing. Zoo die gissing juist is, dan is Tjeenk niet slechts een zeer oud patronymikon, maar ook een zeer byzonder, als vertoonende zoowel friesche als saksische formen. Tjeenk is dan naar myne meening, eene samentrekking van Tjedink, en dit weêr een door klankwyziging veranderde form van Tjadink, Tjading, Thiading, Thiadinga, het friesche patronymikon van den oud-frieschen mansnaam Thiad, die door de Friesen als Tjaad, Tjade wordt uitgesproken, en, onder dien form, nog wel als mansnaam by hen in gebruik is. Deze naam Tjaad, Tjade moet niet verward worden met den eveneens nog zeer gebruikeliken frieschen mansnaam Tjaard (ook wel Tjeerd), die door de Friesen ook zonder r, als Tjaad wordt uitgesproken, maar oorspronkelik een andere naam is, eene samentrekking van den samengestelden mansvóórnaam Tjadert, Thiadhart. Van dezen eerstgenoemden mansnaam Tjade is ook de geslachtsnaam Tjaden (een tweede-naamvalsform) afgeleid. Die byzondere samenvoeging van een’ frieschen voornaam en een’ saksischen patronymikalen form in één en den zelfden geslachtsnaam, weet ik anders niet te verklaren dan door aan te nemen dat een Fries, die het patronymikon [63]Thiadinga, Tjadinga als toenaam voerde, zich buiten zijn vaderland onder eene saksische bevolking vestigde, waar zijn naam, door den invloed van het saksische taaleigen zyner nieue landgenooten, al spoedig de kenmerkende a als uitgang verloor en de saksische klankwyziging aannam, dus eerst Tjading, dan Tjäding, dan Tjeding werd, allengs ook nog meer den saksischen form als Tjedink vertoonde, om eindelik tot Tjeenk te verslyten. Dit gaat alles zeer geleidelik, en druischt, zoo ver ik weet, tegen geene taalwetten in. Maar dit alles is gissing. Die ’t beter weet mag het zeggen!

De geslachtsnaam Swynga is eene samentrekking van Swyninga, het patronymikon van den frieschen mansvóórnaam Swyn, Swine. Men verwondere zich niet over dezen naam, noch denke dat de oude Friesen hunne zonen zwyn, varken, noemden. Swine is de byzonder-friesche uitspraak van den oud-germaanschen mansnaam Swind, Suint, welke naam vlugheid beduidt. Ons hedendaagsch woord gezwind stamt met dien naam van den zelfden wortel af. Even als Swyn, Swîn, voor Swind, zoo zeggen de Friesen ook wîn voor wind, fine voor vinden, Hînljippen, voor Hindeloopen, enz.

De geslachtsnamen Hoynck en Hoyng behooren ook tot de versletene patronymika; althans zoo men deze namen met y schrijft. De eerstgenoemde behoort dan in de groep der yncknamen, die op bl. 42 besproken is, en heeft eene i verloren. Immers is de oorspronkelike mansnaam waar hy van afgeleid is, Hoi, Hoie, en moet de naam dus voluit Hoiynck geschreven worden.

Boekstaaft men den naam echter op hollandsche wyze met de byzonder-hollandsche letter ij, oorspronkelik i i, dan is de naam als Hoijnck, Hoiinck (Hoi-ink) volkomen. De patronymika Hoying en Hooying, Hooyenga en Hoyenga, alle vier als geslachtsnamen voorkomende, zijn oorspronkelik met Hoynck geheel de zelfde namen. Hoynck wordt dikwijls als ééne lettergreep uitgesproken, alsof oy, oi een tweeklank ware. En zoo doet men ook by de patronymikale geslachtsnamen Stroink, Schaink en Spaink. Dit is verkeerd. Die namen zijn uit twee lettergrepen samengesteld: Hoi-ink, Stro-ink, Scha-ink, Spa-ink; zy dienen ook zoo te worden uitgesproken. Dat men by dit [64]Hoi en Stro (zie ook bl. 40) niet aan de woorden hooi en stroo te denken hebbe, kan men in § 168 nalezen. Ook spa van Spaink komt niet van het woord spa, spade, maar van den mansvóórnaam Spade, die in Förstemann’s Namenbuch als Spatto vermeld is. Over Skade, de mansvóórnaam die aan Schaink ten grondslag ligt, zie men § 28.

Of de friesche geslachtsnaam Sonnega ook tot de versletene vadersnamen behoort, meen ik te moeten betwyfelen. Het zoude kunnen zijn, dat Sonnega oorspronkelik en voluit Sonninga ware, even als Hillega en Mennega (zie bl. 61) oorspronkelik en voluit Hillinga en Menninga zijn. Te meer nog, wijl Sonningha de naam van een thans uitgestorven friesch geslacht geweest is. Toch wil ik hier liever denken aan den naam van het dorp Sonnega, in Stellingwerf (Friesland), waaruit het geslacht Sonnega wellicht afkomstig is. Dit ga als uitgang van friesche plaatsnamen verwarre men niet met den lettergreep ga van den frieschen patronymikalen uitgang inga. Het eerstgenoemde ga is eigenlik in het Friesch gea en beteekent dorp; Sonnega = Sonnedorp (Sonneghem = Sonning-heim is een dorp in Vlaanderen); St. Nicolaasga = St. Nicolaas’dorp; Oudega = Ouddorp, enz.

Ten bewyze van den ouderdom dezer verbasterde, versletene patronymika, tevens als bewijs dat zy werkelik uit de volle formen ontstaan zijn, zy hier nog vermeld dat de oudst bekende der friesche vadersnamen, nog heden de geslachtsnaam (Van) Cammingha, reeds in oorkonden van de 13de eeu als Canga, Kanga werd geschreven.25 Terwijl in een geschrift van het jaar 1495 een der leden van dit overoude, ja alleroudste friesche geslacht zynen naam als Kamga boekstaaft26.

§ 28. Even als de Drenten hunnen eigenen form van patronymika als geslachtsnamen hebben (zie § 13), zoo hebben zy ook eenen eigenaardigen form van versletene vadersnamen, die slechts in hun land inheemsch is. De geslachtsnamen Haange, [65]Luinge (men spreekt natuurlik Luunge, ook wel Luunje), Schaange, Smeenge, Steenge en Hofsteenge vertoonen dien byzonderen form. Haange is eene samentrekking van den vollen form Haninge, het patronymikon van den ouden mansvóórnaam Hano, die by Förstemann vermeld wordt, en die aan den engelschen geslachtsnaam Haning, en aan de friesche geslachtsnamen Hanema en Hania eveneens ten grondslag ligt. Van dezen mansnaam in verkleinform zijn ook de geslachtsnamen Haantjes, Haentjens, die in alle Nederlanden talrijk verspreide patronymika, afkomstig.—Luinge is samengetrokken van Ludinge, het patronymikon van den ouden mansvóórnaam Lude, Lode, Hlude, Hlode, Chlodo. Het drentsche Ludinge en Luinge is volkomen het zelfde als het friesche † Ludinga en † Lunia—zie § 29. Luinge en Lunia worden dan ook beiden wel als Luunje uitgesproken. Oudtijds bestond in Groningerland een geslacht † Luinga; deze naam staat in form midden tusschen het friesche Ludinga en het drentsche Luinge in. Verhollandscht tot Luidinga is dit overoude patronymikon nog een hedendaagsche geslachtsnaam, even als Luding en Ludink.—Schaange is voluit Schadinge, van den frieschen mansnaam Scato. De geslachtsnaam Schaink (Skadink) is de twentsche tegenhanger van den drentschen naam Schaange.—Smeenge is Smedinge; over dezen naam zal in § 31 gehandeld worden.—Steenge is voluit Stedinge, dat, evenals de friesche geslachtsnamen Stada, Stadema, Stades, Stedma en Stedes, en de plaatsnaam Stedum (Steda-heim, woonplaats van Stede), dorp in Fivelgo, van den mansnaam Stede, Stade, by Förstemann als Stad voorkomende, ontleend is. Of zoo men deze afleiding niet wil gelden laten, mag men ook aannemen dat de geslachtsnaam Steenge ontleend zy aan den naam van het aan Drente palende stellingwerfsch-friesche gehucht Steginga of Steggenga, by ’t dorp Oosterwolde, welke naam in de friso-saksische gouspraak van Stellingwerf en Drente ook Steenga of Steenge wordt genoemd.—De oorsprong van den geslachtsnaam Hofsteenge is my duister. Dat hy zoude aangenomen zijn door iemand »die niet als zijne buren op een klein erfjen, maar op eene aanzienlijke hofstede woonde”, gelijk Leendertz (Navorscher, [66]dl. XXVIII, bl. 620) meent, is mogelik, maar komt my toch niet waarschijnlik voor. Liever wil ik hier aan een patronymikon blyven denken. Het is dus twyfelachtig, of de beide laatstgenoemde namen Steenge en Hofsteenge wel tot deze groep van geslachtsnamen moeten gerekend worden, en of zy misschien niet tot de geslachtsnamen, aan plaatsnamen ontleend, behooren.

§ 29. De Friesen hebben in hunne taal veel eigenaardigs, veel byzonders. Dit blijkt ook uit hunne eigennamen. Onder hunne geslachtsnamen zijn vooral die welke op ia eindigen, zeer byzonder. Deze hebben zulk een vreemd voorkomen, Sinia b. v., Runia en Tania, dat niet-Friesen deze namen bezwaarlik als oorspronkelik nederlandsche geslachtsnamen gelden laten. En toch zijn ook dit goed germaansche, echt friesche namen. Want het zijn samengetrokkene, verfloeide, versletene formen van de patronymika, op inga eindigende. Zoo is Bothnia oorspronkelik en voluit Bothinga, Bottinga; Sinia is eigenlik Sininga; Tania is Tanninga, enz.

Deze zonderlinge afslyting van inga tot ia, van Sininga tot Sinia, vond hare eerste aanleiding zekerlik in de byzondere, zachte uitspraak der friesche g. Eene eigenaardige uitspraak die nog zoo veel te flauer wordt, wanneer eene n de g voorafgaat, en daar door de letterverbinding ng geboren wordt, die eigenlik als eene byzondere, op zich zelve staande letter aan te merken is, zoo als in den patronymikalen uitgang inga het geval is. Vele woorden, die in andere germaansche talen met eene g beginnen, hebben in de friesche taal tot eerste letter eene j. Zoo is het nederlandsche woord geven, hoogduitsch geben, engelsch to give, deensch give, zweedsch gifva, in het Friesch jaen, Oud-friesch jeva; zoo is het nederlandsche gave, gift, in het Friesch jefthe; het nederl. gister, hoogduitsch gestern, is in ’t Fr. jister of jüster, en ’t nederl. garen, hoogd. garn, in ’t Fr. jern (men spreekt uit als jen); in beide laatstgenoemde woorden overeenstemmende met het Engelsch, dat de g ook tot j verzacht heeft, in yesterday en yarn. In den hedendaagschen naam van het dorp Dongjum by Franeker, oudtijds Dodinga-heim of de woonplaats der Dodinga’s, der Dodingen, der nakomelingschap van Dodo of Doede—heeft, in [67]de schrijftaal, de oorspronkelike g van het patronymikon Dodinga eene j naast zich gekregen. In de spreektaal echter is de g volkomen door j vervangen, want de Friesen spreken dezen dorpsnaam als Donjum, Doinjum of Dünjum uit; de juiste uitspraak is met nederlandsche klanken moeielik af te beelden. Even zoo is het met den naam van het dorp Dedgum (Deddingum, Deddinga-heim, van den mansnaam Deddo), die steeds als Dedjum uitgesproken wordt; en met den dorpsnaam Pingjum (Pingia-heim, Pinninga-heim, van den mansnaam Pinne, Penne), dien de Friesen als Peinjum, zelfs als Peium uitspreken. De hedendaagsche dorpsnaam Anjum schreef men oudtijds voluit, als Aninghem (Aninga-heim). Het duidelikste voorbeeld om den overgang van inga tot ia, van Sininga tot Sinia aan te toonen, levert het woord penning(a) op, dat in het Friesch als penje, peinje (pennia) uitgesproken wordt, en in het Engelsch tot penny versleten is. Daarentegen heeft dit zelfde volle en oorspronkelike woord penning in het hedendaagsche Hoogduitsch eene n verloren, en is tot pfennig versleten, even als b. v. de geslachtsnaam Huding tot Hudig (zie bl. 61).

Maar bewyzen te over, dat de friesche g wel als j wordt uitgesproken. Passen wy deze uitspraak nu ook op de g van inga toe, dan luidt b. v. Sininga als Sininja. En neemt men dan hier by in aanmerking dat de volle nadruk by deze patronymika op den eersten lettergreep valt, en dat de laatste lettergreep slechts eenen halven klemtoon heeft, terwijl de middelste toonloos is, dan is de overgang van Sininja tot Sinia waarlik niet groot. Integendeel, zeer gemakkelik, geleidelik en als van zelven floeiende. En even zoo leidde ’t oorspronkelike Bottinga, door d’ uitspraak Bottinja tot Botnia of Bothnia, en Tanninga, door Tanninja, tot Tania.

Dat overigens werkelik en in der daad de geslachtsnamen op ia eindigende, ontstaan zijn uit die welke op inga uitgaan, blijkt ook hieruit, dat de naam van ’t oude geslacht † Gratinga, Grætinga of Grettinga (alle drie spellingen komen voor), dat op de nog bestaande Grettinga-state te Almenum (Barradeel, Friesland) gezeten was, en waarvan de buurt Gratinga- of Grettinga-buren, by Harlingen, haren naam ontleend heeft, [68]in oude oorkonden zoo wel Gratinga als Gretnia genoemd wordt. En even zoo wisselen by één en het zelfde geslacht de namen Hottinga en Hotnia, Uninga en Unia, Wyninga en Wyngia en Wynia elkanderen af, in oude geschriften. En eveneens blijkt dit ook hieruit, dat het geslacht Burmania in eene oorkonde van den jare 1300,27 als Burmanninga vermeld wordt.28

In de middeleeuen, toen de friesche taal hare volle formen op a en ia (mula = mond, biwaria = bewaren) nog behouden had, en men die uitgangen nog duidelik, onderscheidenlik uitsprak, toen spraken de Friesen die samengetrokkene namen Sinia (– ⏑ –), enz., ook juist zóo uit, als zy ze schreven, en zóo, als wy ze nu nog schryven. Maar sedert is de friesche taal verloopen, en heeft hare volle formen verloren. Sedert de 16de eeu spreekt men niet meer mula, maar mule (mûle, met hoogduitsche u, ten naaste by als nederlandsch moele dus); en niet meer biwaria, maar biwarje. En juist zóo is ook de uitspraak der geslachtsnamen, die op ia eindigen, veranderd en verloopen. Men spreekt tegenwoordig niet meer voluit Sinia, maar Siinje (Sînje, Synje, – ⏑); niet meer Tania, maar Tanje; niet meer Runia, maar Rûnje (ongeveer Roenje) en Rüünje. Heden ten dage is dit de algemeene en gewone uitspraak dezer namen by de Friesen; en dat deze zelfde uitspraak ook reeds in vorige eeuen bestond, blijkt [69]uit menige oude oorkonde. Zoo vind ik, al weêr in ’t Oorkondenboek van ’t leeuwarder St. Anthonij-Gasthuis, in een stuk van den jare 1542, den geslachtsnaam Donia geschreven als Donye, en in een stuk van het jaar 1562, als Doenye.—Hania staat in het laatstgenoemde stuk als Hanye gespeld. Wyngia, in eene oorkonde van 1558, als Wyngie.—† Ringia, in 1566, als Ryngie; † Fernia, in 1595, als Fernij.—Unia eindelik, in een geschrift van 154729, als Oenye.

Toch begint deze oude, maar niet oudste uitspraak, die in d’ eigenaardige uitspraak der friesche taal in ’t algemeen gegrondvest is, heden ten dage, in den mond van sommige Friesen weêr te wyken voor de uitspraak naar de letter. Hollandsche onderwyzers vooral, die, met de friesche taal volkomen onbekend—dwaas genoeg!—den mond van friesche kinders gewelddadig naar hunne hollandsche uitspraak dwingen, zijn hiervan de oorzaak. En zoo hoort men tegenwoordig de namen Sinia, Tania, Runia wel weêr juist zóó uitspreken als zy geschreven worden. Maar de meeste Friesen, sliucht end riucht, blyven voor en na Siinje, Tanje, Rûnje uitspreken.

Tot een ander, tegenovergesteld uiterste zijn die lieden vervallen, welke deze geslachtsnamen op ia, het eerst zóó geschreven hebben, als men ze uitspreekt; die dus niet slechts Fiinje spraken, zoo als het trouens ook goed was en is, maar die ook Fynje schreven. Ten gevolge van deze slordige, in de vorige eeu meest opgekomene schrijfwyze, vertoonen sommige oud-friesche patronymika op ia, als hedendaagsche geslachtsnamen dien leeliken schrijfform op ja en je eindigende. Rynja, Synje, Bruinje, Veenje, in plaats van Rinia, Sinia, Brunia, Fenia. En Fynje, verbasterd van Finia, is in Holland nog weêr meer verbasterd in spelling en uitspraak beide; te weten als Fijnje, gesproken Feinje! Een gruwelike wanklank in de fijn-gevoelige ooren der Friesen! Maar dwazer nog als deze verbastering is van het friesche Fininga = Finia tot een hollandsch Fijnje = Feinje, ergerliker nog heeft men gehandeld door van den geslachtsnaam Tania, Tanje den schijnbaar-franschen naam Tanjé te maken. [70]Pieter Tania of Tanje, te Bolswart geboren in 1706, was een beroemd plaatsnyder (graveur). Hy vestigde zich in Holland, en droeg daar den naam van Tanjé! Wat een domheid, en wat een kleingeestige elendigheid, om zóó de Franschen na te apen! Zie § 165.

Door hunnen versletenen toestand getuigen de patronymikale geslachtsnamen die op ia eindigen, van hoogen ouderdom. En zeer oud zijn zy in der daad. De Bothnia’s, de Burmania’s, de Donia’s, de Unia’s behooren tot de oudste friesche geslachten, of liever en beter gezeid: hunne namen behooren tot de eersten, tot de oudsten, die in de friesche geschiedenis genoemd worden.

In den tegenwoordigen tijd komen geslachtsnamen op ia, ja en je eindigende, als oorspronkelik inheemsche namen nog slechts in Friesland, en wel meest tusschen Fli en Lauers, dat is in de nederlandsche provincie Friesland voor. In de middeleeuen echter waren deze versletene patronymika ook wel in andere friesche gewesten in gebruik; b. v. † Mormannia, tusschen Lauers en Eems (Groningerland); † Boycmonia, Onnia of Onja, † Tongia, tusschen Eems en Weser (Oost-Friesland), enz. Ja, ook by de Friesen aan de Weser, by de Rustringer-, Ostringer-, Wranger- en Stedinger-Friesen waren ze in zwang. En nog heden ten dage treft men onder hunne afstammelingen, de Friesen in Jeverland, Butjadingerland (Oldenburg), enz. geslachtsnamen aan als Dorrie, Hamje, Hemmie en Hemje, Hennye, Hobbie, ook, in den tweeden naamval als Bunnies en Bunjes (tevens ook de volle form Bunnings) en Jellies. Het lijdt geen twyfel dat deze namen slechts verbasteringen zijn van de volle formen Dorria of Dorringa, Hammia of Hamminga, enz. En in der daad komen deze volle formen Hamminga, Hemminga en Jellinga nog in het nederlandsche Friesland heden ten dage als maagschapsnamen voor. Even als Hammingh, Hamming en Hammink, Hemming en Hemmink, Dorring, Henning en Hobbing in andere nederlandsche gewesten. En allen zijn dit echte patronymika van oud-germaansche, ten deele nog hedendaagsch-friesche mansvóórnamen afgeleid.

Ook in plaatsnamen vindt men in de oud-friesche gouen aan de Weser deze oud-friesche patronymika in versletenen form terug; [71]b. v. in Jelliestede, dat is: Jellia-stede, de stede of woonplaats der Jellinga’s, der Jellingen, der afstammelingen van zekeren ouden Fries Jelle. Eene sate by ’t dorp Grootkerk (Hohenkirchen) in Wrangerland (Oldenburg) heet alzoo.

Van de vele oud-friesche patronymika op ia eindigende, zijn de volgenden nog als hedendaagsche geslachtsnamen in leven. De oorspronkelike, volle formen der patronymika, die ook grootendeels, zoo niet allen, eveneens nog als friesche geslachtsnamen bestaan, zijn er by gevoegd tot vergelyking: Bothnia (Bottinga); Brunia en Bruinje (Bruininga); Burmania, Van Burmania en Burmanje (Burmanninga)30 enz. Al deze patronymika zijn ook weêr van oud-germaansche mansvóórnamen ontleend, waarvan eenigen nog heden by de Friesen als zoodanig in gebruik zijn; b. v. Botho of Botte, Bruno of Bruin, Dodo of Doede, Sine, enz. Over Groenia, Groeninga, afgeleid van Gruno, zie men bl. 29. Over Tania, Tanninga, van Tanno, bl. 39. Over Venia en Veenje, Feninga, van Fene, bl. 57 en 61. En over Hania, Hanje, Haninga, bl. 65.

Friso, Frise, Frese, Friese, in verkleinform ook als Frieske en Vrieske, is een oud-germaansche mansvóórnaam, die ook thans nog wel in gebruik is, hoe wel zeldzaam, en dan nog meest in Friesland. Förstemann vermeldt hem reeds in zijn Altdeutsches Namenbuch en Wassenbergh en Leendertz eveneens in hunne lijsten van friesche en nederlandsche personennamen. Behalve Frisia zijn van dezen mansvóórnaam nog de volgende patronymikale geslachtsnamen ontleend: Friesenga, Vriesinga, Vriesenga, Friesinga, Fresing, Friesema, Friezema, †Friesma, Vriesema, Frezema, Fresema, Fresena, Friesen, Friese en Vriese; verder nog Friso, en misschien ook, althans in sommige gevallen, Vries en Frese, [72]benevens het verlatynschte Fresenius, dat oorspronkelik het patronymikon Fresen is.

Sinia en Synja zijn voluit Sininga, en dit is het patronymikon van den mansvóórnaam Sine, welke, in dien form en ook als Siene en Syno nog heden in Friesland in gebruik is. Waarschijnlik vertegenwoordigt deze naam Sine de byzonder-friesche uitspraak van den oud-germaanschen, door Förstemann vermelden mansnaam Sind. Aangaande deze byzonder-friesche uitspraak van dergelyke woorden en namen vergelyke men bl. 63. De friesche mansvóórnaam Sine, welke dan ook zynen oorsprong zy, ligt nog ten grondslag aan de geslachtsnamen Syna, Sienema, Sienes, Synen en Zijnen, allen patronymika in verschillende tweede-naamvalsformen, en allen nog heden ten dage voorkomende. De laatstgenoemde geslachtsnaam is slechts eene verhollandsching van den oorspronkelik zuiver-frieschen form Synen. Ook de plaatsnaam Syns, een gehucht by Hartwert in Wonseradeel (Friesland), is van den mansnaam Sine afgeleid. En waarschijnlik is dit ook het geval met den naam van het dorp Synghem (Sining-hem? Sininga-heim), in Oost-Vlaanderen gelegen.—Over den hoogst merkwaardigen geslachtsnaam Sminia zal in § 31 nader worden gehandeld.

Buiten Friesland, in Holland en andere nederlandsche gewesten komen eenige geslachtsnamen voor, die ik anders niet weet te verklaren dan door aan te nemen dat het zulke versletene patronymika zijn. Zy zijn dan zekerlik eigen aan oorspronkelik-friesche geslachten, die hun vaderland met der woon verlaten hebben. Deze namen zijn Balje, Havie, Pierie, Schaalje en Schaly, Schoonie, Surie en Sury, Thierie, enz. Zoo als men ziet, vertoonen deze namen ook de volle kenmerken der geheel versletene friesche ia- en ie- en jenamen. Balje zal dan zijn Ballia, Ballinga, het patronymikon van den oud-germaanschen mansvóórnaam Ballo, Balle, die tevens oorsprong gaf aan de geslachtsnamen † Ballama en † Ballema, Balma, Balsma en Bals, en aan de plaatsnamen Ballum, een dorp op ’t eiland Ameland, en Ballingham, in Hereford, Engelland. De in spelling dwaselik verfranschte geslachtsnaam Baljé (een tegenhanger van den op bl. 69 en 70 vermelden maagschapsnaam Tanjé) is oorspronkelik [73]eveneens dit patronymikon Balje, Ballia, Ballinga.—Havie komt ook nog in Friesland in den onversletenen form Havinga voor.—Pierie acht ik oorspronkelik te zijn Pieringa, het patronymikon van den mansvóórnaam Pier, die in Friesland en ook wel in de zuidelike gewesten in gebruik is als eene samentrekking van Pieter of Petrus, en die tevens oorsprong gaf aan de geslachtsnamen Piersma en Piers in Friesland, aan Aupiers (zie § 61 en § 156) in Brabant, en aan Pierson elders voorkomende.—Surie en Sury zijn op bl. 48 reeds verklaard.—Schoonie is eene verbastering van Schonia of Schoninga; deze laatste volle form komt nog als geslachtsnaam in de friesche gewesten voor. De mansvóórnaam die aan dit patronymikon ten grondslag ligt, is de oud-germaansche naam Schone, Skauni, die door Förstemann vermeld wordt. In den tegenwoordigen tijd komt deze naam, althans in de Nederlanden, nog slechts in den vroueliken form, als Schoontje, voor. Ook oudtijds schijnt deze naam niet zeer verbreid geweest te zijn. My zijn althans, behalve Schoninga en Schoonie, geene andere hedendaagsche geslachtsnamen voorgekomen, die tot dezen mansnaam terug gebracht kunnen worden, dan Schöningh, oorspronkelik een westfaalsche geslachtsnaam, maar die ook in Holland ingevoerd is, en den vlaamschen geslachtsnaam Schoentjens. Of de naam van het oud-friesche geslacht Schunia (in beter friesche spelling Skunia), voluit Skuninga, ook van Schone, Skauni moet afgeleid worden, wil ik niet met zekerheid beweren. Deze geslachtsnaam is als zoodanig onder de hedendaagsche Friesen uitgestorven. Maar hy leeft toch nog in den naam van het gehucht Skunia-bûren, by Mirns in Gaasterland. Men verhollandscht dezen naam ook wel tot Schuinjebuurt.

Schaalje is Schalia (Skalia), Schalinga (Skalinga), het patronymikon van den oud-germaanschen, door Förstemann vermelden mansvóórnaam Scal, die vroeger in Friesland als Skele (Schele) in gebruik was, gelijk uit de naamlijsten van Brons en Leendertz blijkt. In den geslachtsnaam Schaallema (Schalema, of Skalama ware beter spelling) vinden we dezen ouden mansvóórnaam terug. Misschien ook in Schalekamp. En zekerlik in Scheelings. [74]

§ 30. In de zuidelike Nederlanden en vooral ook in noordelik en oostelik Frankrijk, maar ook wel in de andere nederlandsche gewesten, en tevens in andere germaansche landen (Engelland en Duitschland), komen geslachtsnamen voor, in grooter of kleiner aantal, die dit gemeenschappelike vertoonen, dat zy op y uitgaan. Maar ook overigens vertoonen deze namen veel gelijkformigheid, zoodat men ze tot eene groep kan samenvoegen. Die gelijkformigheid blijkt vooral uit de omstandigheid dat men deze uitgang y slechts in ing (ink, inga, ynck) behoeft om te zetten, om ware patronymika, echt-germaansche vadersnamen van oud-duitsche mansvóórnamen afgeleid, te verkrygen. Naar myne meening zijn deze ynamen dan ook anders niet als versletene ware patronymika, en wel van byzonder-frankischen form, even als de ia en jenamen versletene patronymika van byzonder-frieschen form zijn. Door den frankischen oorsprong dezer namen kan het voorkomen er van hooftsakelik in de zuidelike Nederlanden, gereedelik verklaard worden. Wijl een goed deel des algeheelen nederlandschen volks van frankischen oorsprong is, zoo moeten de ynamen wel degelik tot de nederlandsche geslachtsnamen gerekend worden. Zie hier eenigen van deze namen tot voorbeeld. De patronymikale geslachtsnamen waar mede zy overeenkomen, heb ik er achtergevoegd. Bonny (Bonnink, Bonninga in Friesland, Bonning in Engelland); Borry († Bornia = Borringa in Friesland)31. Deze byzondere overeenstemming in aanmerking genomen, [75]komt de stelling my niet te gewaagd voor, dat ook deze geslachtsnamen tot de versletene patronymika behooren, al hoe vreemd, hoe ongermaansch hun voorkomen thans ook zy. Trouens, de sprong van ’t oorspronkelike Borring tot Borry is niet grooter dan van Borringa tot Bornia, dan van Bruninga tot Bruinje. Het voorkomen dezer namen in het romaansche Frankrijk laat zich zeer gereedelik verklaren door aan te nemen dat de geslachtsnamen op y verbasteringen zijn van de volle patronymika die als toenamen gedragen werden door de germaansche Franken, Burgundiers, enz. welke een deel van het hedendaagsche Frankrijk bevolkt hebben, en er zelfs hunne namen nog aan lieten (Frankrijk, Bourgondie). In allen gevalle, al vertoonen deze namen nu een vreemd, een romaansch voorkomen, zy zijn toch zuiver germaansch van oorsprong.

§ 31. Tot besluit van deze verhandeling over de oude patronymika, dient hier nog eene kleine groep van zeer byzondere geslachtsnamen vermeld te worden. Deze namen, op ing, ink, inga eindigende, zijn, wat hun form aangaat, echte patronymika. Maar zy onderscheiden zich hier in van alle andere patronymika, dat zy niet van mansvóórnamen afgeleid zijn, maar van woorden, die een beroep of bedrijf of ambt aanduiden; b. v. Jagerink, Meestringa, Vogeding, van de woorden jager, meester en voged, voogd, en dus zoon van den jager, nakomeling van den meester, van den voogd beteekenen. Het ontstaan dezer namen is gemakkelik te verklaren door aan te nemen dat oudtijds deze of gene man, door zyne omgeving en tijdgenooten, in het dageliksche leven, niet by zynen naam genoemd werd, maar by den naam van het bedrijf dat hy uitoefende, of van het ambt dat hy bekleedde. Deze zaak is niet vreemd, en geschiedt nog dageliks, en is ook de oorsprong van al de hedendaagsche geslachtsnamen, als Jager, de Meester, Voogt, die op zich zelven een ambt of beroep aanduiden. Maar in deze byzondere gevallen hadden de beroepsnamen zoo volkomen de plaats der eigennamen ingenomen, dat die eigennamen geheel vergeten en in onbruik geraakt waren, zoo dat de zonen dezer mannen hunne patronymika niet ontleenden aan hun vaders vóórnamen, zoo als de regel was, maar aan [76]hun vaders toenamen. In dit geval, aan de namen van het beroep door hunne vaders uitgeoefend. Dat de naam van eenig beroep zóó volkomen den eigennaam van den persoon die dat beroep vervulde, verdrong, als noodig was om er voor de zonen patronymika van te formen, was zeker slechts by uitzondering het geval. Van daar ook dat zulke oneigenlike patronymika als geslachtsnamen weinig voorkomen. My zijn de volgenden bekend: Beckeringh en Beckering, van becker, bäcker, bakker; Borchgrevink, van borchgreve, burggraaf; Grevinge, Greving, Greevingh, † Grevinga, van greve, graaf.32 Dezen laatsten geslachtsnaam zou men ook nog van eenen mansvóórnaam kunnen afleiden, naar dien Grawo in Förstemann’s Altdeutsches Namenbuch als zoodanig vermeld wordt. Behalve de patronymika Grevinge, enz., bovengenoemd, zijn van dezen zelfden naam nog ontleend de geslachtsnamen Graafsma, Greven en Greeven, met Grevinchovius (zie bl. 52 en 74); waarschijnlik ook nog ’S Graauwen; zie § 64. In overeenstemming met den geslachtsnaam Borchgrevink, waar by aan eenen oorsprong van borchgreve, burggraaf of slotvoogd, niet getwyfeld worden kan, zoude ik by Greving, enz. liever aan het woord graaf, dan aan den mansnaam Grawo denken. Grutterink is van grutter en Maaldrink van maalder, maler, mulder of molenaar. De friesche geslachtsnaam Meestringa, van meester, kwam oudtijds ook in eenen anderen, meer saksischen form voor: zekere Johan Meisterinck toch woonde in den jare 1640 te Groningen.33 Neirinckx en Neyrinckx en Neirynck zijn vlaamsche geslachtsnamen, waarschijnlik ontleend aan het woord neier, neyer, naeyer, naaier, dat in Vlaanderen gebruikt wordt voor het hollandsche woord kleêrmaker. Van daar ook de vlaamsche geslachtsnaam De Naeyer.—Rigterink is van richter, rechter; Ridderink, van ridder; Schildering en Schippering van schilder en schipper; Scholting, Schulting, Scholtink, [77]Schulting zijn afgeleid van het woord scholte, schulte, schout. Dit woord was oudtijds ook wel als mansvóórnaam in gebruik, zoo dat bovengenoemde geslachtsnamen ook wel kunnen worden beschoud als echte, oorbeeldige vadersnamen. Schelte, beter skelta, is de friesche form van het Saksische scholte, schulte, van het frankische schout; en Schelte is tevens nog heden een friesche mansvóórnaam, in volle gebruik. De friesche patronymikale geslachtsnamen Scheltinga en Van Scheltinga, met het saxo-friesche Schultinga in Groningerland, en waarschijnlik ook met Schuitinga en Schuttinga, zijn tegenhangers van Scholting, Schulting, enz.34 Weeveringh en Weverink zijn afgeleid van het woord wever.

Smeding, Smedink en Smedinga zijn patronymikale formen van het woord smid, en beteekenen dus: zoon van den smid. De i van het nederlandsche woord smid gaat, by samenstellingen en in den meervoudsform, in eene e over: smedery, smeden. Zoo is ook het patronymikon van smid Smeding en niet Smidding. Het woord smid op zich zelven luidt trouens ook in menige vlaamsche en brabantsche gouspraak als smet; van daar de geslachtsnamen De Smedt en De Smet in de zuidelike Nederlanden. Afgaande op de verbazende talrijkheid der geslachtsnamen Smid, Smit, Smits, De Smedt, Smets, Schmitt, Schmidt, Schmitz, Smith, Smithson, enz. by Nederlanders, Duitschers en Engelschen, zijn smeden zeker van alle handwerkslieden het menigvuldigst naar hun bedrijf genoemd geworden. En was dit oudtijds reeds het geval, ook nog heden spreekt men zulk eenen man veelal als smid aan, en wordt hy, vooral in dorpen en kleine steden, steeds zóó genoemd, zoodat menigeen die dageliks met den smid omgaat, ’s mans eigen naam niet kent. Van daar dat ook het woord smid, smith zelf by de oude Germanen wel als een mansvóórnaam gebruikt werd. In Förstemann’s Altdeutsches Namenbuch vinden wy eenen man vermeld die in de 9de eeu leefde, en Smido heette. Talrijk zijn de patronymikale geslachtsnamen, die van het woord [78]smid, of van den mansvóórnaam Smido geformd zijn. In alle formen komen ze voor. Behalve de volledige formen Smeding en Smedinga, bestaan er de geslachtsnamen Schmeding en Schmedding, die beiden aan hoogduitschen infloed deze byzondere schrijfwyze danken. Ook Schmeink, waar de d uitgesleten is; zoo spreekt men in Holland het werkwoord smeden ook als smeeën (sme-je) uit. Eindelik ook Smeengh, nog meer samengetrokken. Even als in de friesche taal het werkwoord smeien bestaat tegenover het nederlandsche werkwoord smeden, zoo bestaat in Friesland ook de geslachtsnaam Smeyenga, nevens het oorspronkelike Smedinga. Uit dezen vollen form verfloeid en samengetrokken zijn de friesche geslachtsnamen † Smenga en Smynga, op de wyze als in § 27 is vermeld, en Sminia en Van Sminia, op de manier als in § 29 medegedeeld is. De Saksische namen Smeenk en Smink, even als de naam Smeengh, zijn uit de volle formen Smedink en Smidink samengetrokken; en Smeenks is een tweede-naamvalsform daar van; zie § 18. Het woord of de naam smid, smede is in verkleinform smedeke; van daar de geslachtsnaam Smeeking, die uit Smedeking, het patronymikon van Smedeke is samengetrokken. Pseudo-patronymika, eveneens hedendaagsche geslachtsnamen, van smede zijn nog: Smeda, Schmeda en Smedema, drie friesche formen, benevens Smedes en Schmedes. Al deze geslachtsnamen zijn in de noordelike en oostelike gewesten van Nederland inheemsch; tevens in de aangrenzende noord-westelike gouen van Duitschland. Ook de geslachtsnaam Goldschmeding, van hoogduitschen oorsprong, komt in Nederland (te Amsterdam) voor. Hy is afgeleid van het woord goldschmid, goudsmit, en strekt nog tot een byzonder bewijs dat smid wel degelik het woord is, waar van het patronymikon Smeding is ontleend.

Dat zulke vadersnamen, van beroepsnamen geformd, zeer oud zijn, blijkt uit de op bl. 23 vermelde oorkonde van 1188, waarin de twentsche erven Smedinc en Spelemanninc worden opgenoemd. Is het patronymikon Smedinc, van smid, tot in onzen tijd talrijk en veelvuldig bestaan gebleven, de vadersnaam Spelemanninc, van speleman, speelman (muzikant in nieuerwetsch hollandsch), schijnt uitgestorven te zijn. Een geslachtsnaam Speelmannink is my althans nooit voorgekomen. [79]

Of de patronymikale geslachtsnamen Boerink, Boering, (met Buerinck, Buringh, Buringa en Buiringa, en Burring in Engelland), ook tot deze groep behooren, moet ik in het midden laten. Zy kunnen immers zoo wel tot den mansvóórnaam Bure, Burre, Boere worden terug gebracht, als tot het woord boer, als naam van een bedrijf.

Over deze geslachtsnamen in patronymikalen form, en van beroepsnamen afgeleid, heb ik ook het een en ander medegedeeld in een opstel Eenige nederlandsche geslachtsnamen, voorkomende in het tijdschrift De Navorscher, dl. XXIX, bl. 207.

[Inhoud]

B. De patronymika, die nieue taalformen vertoonen.

§ 32. Behalve de oude, op ing, enz. eindigende vadersnamen, hiervoren vermeld, bestaan er ook vele patronymikale geslachtsnamen, die nieuere taalformen vertoonen. Zy onderscheiden zich hierin van de oude patronymika, dat zy niet het aanhangsel ing (ink, inga) achter den mansnaam dragen, maar achter dien naam de gewone, nog heden in de nederlandsche schrijf- en spreektaal in gebruik zijnde tweede-naamvalsformen, op s en en, vertoonen. Buitendien hebben velen van deze nieuere vadersnamen nog het woord zoon, meestal verkort als son, sen, soms ook tot eene enkele s of z versleten, achter zich. Dit geldt voor de algemeen-nederlandsche patronymika als maagschapsnamen die van nieueren oorsprong zijn. Maar de Friesen hebben buitendien nog vele geslachtsnamen, die eveneens patronymika zijn, in tweede-naamvalsformen van de oud-friesche taal. Deze gaan op eene enkele a, op ma en na, op sma, sema, sna, sena uit. Bruining, Bruinink, Bruininga b. v. zijn oude patronymika; Bruins, Brunen, Bruinsen, Bruna, Bruinema, Bruinsma zijn nieue vadersnamen, en allen te samen, met vele andere geslachtsnamen (Brunings, Brunia, † Brunsema, Bruininkweerd, Van Bruyningen) zyn van éen en den zelfden mansvóórnaam Bruno ontleend.

Even als de oude vadersnamen zijn ook de nieue patronymika afgeleid van de namen van vaders, en door de zonen dier mannen [80]als toenamen, ter onderscheiding, gedragen. In den beginne natuurlik uitsluitend door de zonen. Later kregen deze vadersnamen een meer vasten aard, eene meer algemeene strekking. Niet enkel de zonen, ook de kleinzonen en verdere nakomelingen van den man, wiens eigen vóórnaam tot het formen van een nieu patronymikon gebruikt was, bedienden zich daarvan als van eenen vasten toenaam, eerlang ook als van eenen vasten geslachtsnaam. En niet slechts de zonen, ook de dochters noemden zich oudtijds evenzeer naar den naam van haren vader. Heette een man Albert, zijn zoon Hendrik noemde zich Hendrik Albertszoon, zyne dochter Brechta werd Brechtje Albertsdochter genoemd. De toenaam, het patronymikon Albertszoon, spoedig door het vele gebruik tot Albertsen versleten, of tot Alberts ingekort, kwam als een vaste toenaam, weldra als een vaste geslachtsnaam voor de kinderen en verdere nakomelingen van Hendrik Albertszoon in gebruik, en bleef tot op onzen tijd in het leven. Maar de toenaam van Brecht Albertsdochter verdween toen deze vrou zelve stierf, ook al had zy zonen en dochteren. Deze immers noemden zich weêr naar hunnen vader, niet naar hunne moeder.

De nieue patronymika zijn de oude vadersnamen opgevolgd. Zy zijn van lateren tijd. In de laatste middeleeuen, van de elfde eeu tot de vijftiende, verloor de taal, die, in zoo verschillende formen door het volk tusschen Schelde en Eems gesproken werd, de macht, de kracht, de eigenschap om, door achtervoeging van ing, ink, inga, van mansvóórnamen patronymika te formen. De beteekenis van dit aanhangsel ging voor het volk verloren. Men verstond niet meer wat zulke namen als Huging, Ernestink, Homminga eigenlik beduidden. En zoo maakte men zulke toenamen dan ook niet meer, en raakten ze geheel in onbruik. Overal in de Nederlanden geschiedde dit niet gelijktydig. Hier gebeurde ’t eerder, dáár later. In de zuidelike Nederlanden wel het eerst; later in Holland en Gelderland; het laatst in Friesland. Ook verdwenen de echte patronymika in eenige bepaalde landstreek niet plotseling uit het gebruik. Sedert de eerste nieue patronymika opkwamen, en tot dat de laatste oude vadersnamen in den levenden volksmond nog geformd werden, verliep er allicht eene eeu. [81]

Behalve de nieue patronymika, die vaste geslachtsnamen zijn geworden, zijn deze naamsformen ook buitendien nog by ’t nederlandsche volk tot op dezen tijd in gebruik gebleven, in hunnen oorspronkeliken zin. Jan Smit b.v., die een zoon is van Hendrik Smit, noemt zich nog wel, ter onderscheiding van anderen, die even zoo heeten, Jan Hendriksz. Smit, of Jan Smit Hendrikszoon. Maar sedert de zestiende eeu is dit gebruik toch langzamerhand by ’t nederlandsche volk verminderd, en thans, met uitzondering van de friesche gouen, nergens meer algemeen in zwang. Hier hebben wy ons verder slechts bezig te houden, met die hedendaagsche nederlandsche geslachtsnamen, welke die nieuere patronymikale formen vertoonen.

§ 33. De oudste, tevens de volledigste form van nieue patronymika bestaat uit eenen mansvóórnaam in den tweeden naamval, met het woord zoon daar achter. My zijn slechts een paar hedendaagsche geslachtsnamen bekend, die dezen volledigen form in de hedendaags geldige spelling vertoonen. Het zijn Egbertszoon en Jacobszoon. Buitendien eindigt de geslachtsnaam Moederzoon eveneens in dezen form. Toch behoort deze naam niet tot de patronymika, wijl het eerste lid er van (moeder) geen mansvóórnaam is. In § 60 zal deze byzondere naam nader besproken worden.

Dat het woord zoon in vorige eeuen niet aldus, maar als zone, zoone, sone, soone, soen, soon gespeld werd, is bekend. Van daar dat eenige hedendaagsche geslachtsnamen nog die oude formen en spelwyzen vertoonen. En die namen bewyzen daar door dat zy van oude, gedeeltelik zeer oude dagteekening zijn, terwijl de twee of drie bovengenoemden op zoon uitgaande, juist door dien nieuen form aantoonen, dat hun oorsprong in het laatst der voorgaande of in het begin dezer eeu te vinden is. Zie hier eenigen van die hedendaagsche maagschapsnamen, welke het woord zoon nog in zulke oude spellingen vertoonen: Baertsoen, van den mansvóórnaam Baart, Barend, Bernard, Bernhart;—Bettesone (over den mansnaam Bette zie men § 59); Boecksoone en Boucksoone. De mansvóórnaam Boek, Boeke, die aan laatstgenoemden geslachtsnaam ten grondslag ligt, is waarschijnlik [82]de oud-germaansche, in Förstemann’s Namenbuch vermelde naam Bucco, die als Bokke (waar van de geslachtsnamen Bokkes, Bokkema, Bokma, Bockma, Boksma) nog heden by de Friesen in volle gebruik is. In den form Boek, Boeke vinden wy dezen mansnaam terug in de geslachtsnamen Boeckx in Vlaanderen, Boekema, † Boekma en Boeken in Friesland, allen ook patronymikale formen. Bucing en Bocing kwamen reeds als echte patronymika by de Angel-Saksen35 voor. Dat de geslachtsnamen Beukinga, Beukema en Beuckens ook van dezen zelfden mansvóórnaam afgeleid zijn, komt my zeer waarschijnlik voor.

Claeissone komt van Claei, Claeis, ’t welk de, in West-Vlaanderen volkseigene verkorting van Nicolaas is. Deze geslachtsnaam is dus de zelfde als Klaassen in Holland, Klasema in Friesland, Clausson in Neder-Duitschland, Nicholson in Engelland. Florizoone, van Floris, heeft eene s verloren, even als Florison, een andere form van dezen zelfden geslachtsnaam. Huyssoone en Huyssoon, van den mansnaam Huso (zie bl. 29 en 30). Jansone en Janssone, van Jan, zijn duidelik genoeg. Liefsoons en Lievesoons stammen van den mansvóórnaam Lieven, Lieve, Liwijn, Liefwin. Deze twee laatste geslachtsnamen zijn nog byzonder, wijl ze nog eens, ten tweeden male dus, door de achtergevoegde s, in den tweeden naamval geplaatst zijn. Letterlik beteekenen deze namen dus: zoon van den zoon van Lieven.—Mabesoone weet ik niet te verklaren, even min als Tierssoone en Tryssesoone.—Moyersoen is een andere, oudere form van het hier boven reeds genoemde Moederzoon.—Verheyllesone eindelik is een byzonder metronymikon en wordt in § 60 nader besproken.

Het woord zoon, soon is achter eenige geslachtsnamen ook tot son ingekort. By de Engelschen en Skandinaviers is juist dit de form waar onder deze patronymikale maagschapsnamen, en dat wel zeer veelvuldig, voorkomen. Johnson, Thomson aan den westeliken, Erikson, Björnson aan den oosteliken oever van de Noordzee. Ook in noordelik Duitschland komt deze form geenszins zeldzaam [83]voor. In Nederland is hy oorspronkelik zeldzamer. En dan nog zijn velen dier namen uit Noord-Duitschland naar de Nederlanden overgekomen. Een echt nederlandsch karakter vertoonen ze des niet te min. Zie hier eenigen van die namen: Derkson, Hanson, Jansson met Janson en Johansson,36 enz. De meesten van deze namen eischen weinig nadere toelichting. Derk, de oorspronkelike naam waar Derkson van is afgeleid, is de saksische (geldersche en overijsselsche) form van Dirk, Durk, Diederik, Theodorik.—Pier (waar van Pierson) is eene, vooral in Friesland en Vlaanderen volkseigene verkorting van Pieter, Petrus. Over Hemmingson zie men bl. 44. In dezen naam is een valsch en een echt patronymikon op elkanderen gestapeld. Letterlik beteekent deze naam: zoon van den zoon van Hemmo. Eerst toen men het patronymikon Hemming niet meer verstond, kon men er toe komen om er nog een son achter te voegen. De mansvóórnaam Tammo, Tamme, nog heden by de Friesen in volle gebruik, ligt aan den geslachtsnaam Tamson ten grondslag, even als aan Tamminga, Tammes, Tamming enz. Over den oorspronkeliken mansnaam die aan den geslachtsnaam Muysson ten grondslag ligt, zie men het tijdschrift De Navorscher dl. XXVI, bl. 561, en dl. XXVII, bl. 78 en 80. Neeteson is waarschijnlik ontleend aan den oud-germaanschen mansnaam Nato, die in Förstemann’s Namenbuch vermeld staat. Van dezen zelfden mansnaam, die ook als Natto voorkomt, zijn ook de geslachtsnamen Nettinga, † Nettema, Nettes en Netten, met Nettekoven ontleend. Deze laatste naam is eigenlik een plaatsnaam, en samengetrokken uit den volledigen form Nettinkhoven. Een gehucht by Bonn in de Duitsche Rijnprovincie heet alzoo.

Deze geslachtsnaam Neeteson komt te Antwerpen voor onder den afwykenden form Neettesonne, en dezen zelfden vreemden form vertoonen ook de geslachtsnamen Heylesonne, Leenesonne, Meiresonne.

Patronymikale maagschapsnamen op son eindigende, komen ook veelvuldig onder duitsche Israëliten als geslachtsnamen voor. En [84]met deze lieden zijn eenigen van die namen in de Nederlanden gekomen; b. v. Abrahamson, Davidson, Benjaminson, Levison met Levisson, Salomonson, enz. Eenige namen op sohn uitgaande, zijn natuurlik ook van hoogduitsche inkomelingen afkomstig; b. v. Behrensohn, Elsensohn, Levyssohn en Leefsohn. Ook zijn de namen dezer kleine groep hooftsakelik, zoo niet uitsluitend, aan israëlitische geslachten eigen.

Door hollandsche misspelling is de oorspronkelike uitgang son by eenige nederlandsche geslachtsnamen tot zon geworden. Deze dwaze spelling vinden wy in de namen Gerbenzon, Gosenzon, Hanzon, Harmenzon, Janszon, enz. Gerben, de naam die aan Gerbenzon ten grondslag ligt, is een friesche mansvoornaam, nog heden in volle gebruik. Deze naam gaf ook oorsprong aan de geslachtsnamen Gerbens en Gerbensma.—Gosenzon beteekent: zoon van Gosen, van Gosewyn of Godeswyn, Godswin. Van dezen zelfden schoonen naam (Godswin immers beteekent Gods vriend) zijn ook de veelvuldig voorkomende geslachtsnamen Gozens, Gosens, Goossen, Goossens afgeleid.—Eenen zeer zonderlingen, pruikerig-geleerden form vertoont ook de geslachtsnaam Brouckxon, die in Vlaanderen inheemsch is, en in eenvoudig nederlandsche spelling als Broekson dient geschreven te worden. Nevens dit Brouckxon komen in de vlaamsche gewesten nog de geslachtsnamen Brouckx, Broecx en Broeckx voor, even als in de friesche gouen Broekema, Broeksma, Broeksema en Broekens, allen (zoon) van Broek, Broeke (Bruco) beteekenende. Dat dit Broeke een oude mansvóórnaam is, blijkt ontegenzeggelik uit de bovenstaande patronymikale geslachtsnamen. Hy is my echter in oude geschriften nooit voorgekomen; en evenmin vond ik hem vermeld in de bekende naamlijsten.

In het grootste deel der nederlandsche gouspraken luidt het woord zoon als zeun, seun of seune. Een paar hedendaagsche geslachtsnamen vertoonen dien byzonderen form. Dit zijn Goudezeune en Goudeseune, Janseune en Janszeune, en Lyseseune. De mansvóórnaam Goude, die aan Goudeseune oorsprong gaf, houd ik voor den zelfden naam als Goue, die, meestal in den verkleinform Gouke, nog heden by de Friesen in volle gebruik [85]is. De friesche geslachtsnamen Gouma, Goukema en Goukes zijn daarvan afgeleid. En waarschijnlik ook de friesche dorpsnamen Dola-Goutum, meestal enkel Goutum genoemd, en Scharne-Goutum. De geslachtsnaam Gouwe (Gouwen? een tweede-naamval van Goue?), in Holland voorkomende, zal hier ook wel mede samenhangen. Over Lyse, de stamnaam van Lyseseune, zie men nader § 59.

§ 34. By het grootste deel der nederlandsche nieue patronymika is het oorspronkelike achtervoegsel zoon, soon nog meer versleten en verbasterd, dan in bovengenoemde voorbeelden aangegeven is. Namelik tot zen, sen, se en zelfs tot eene enkele z of enkele s. De geslachtsnamen die deze versletene formen vertoonen, zijn veel talryker dan die welke op de vollere formen son, zon, soone, enz. uitgaan.

Zie hier eenige geslachtsnamen, waar het oorspronkelike soon of zoon tot sen of zen is verbasterd: Freerkszen, Harmszen, Janszen, Janssen, Janzen en Jansen, Klaassen en Klaaszen, Lambrechtsen, Meinertsen, Pietersen, Willemsen.—Freerk, van Freerkszen, is de oud-nederlandsche verkorting van Frederik, die tegenwoordig in Holland door den hoogduitschen form Frits verdrongen is, maar in Friesland nog dikwijls voorkomt.

By eenigen van bovenstaande namen is de tweede-naamvalsform op s, tusschen den oorspronkeliken mansvóórnaam en het achtervoegsel sen of zen behouden gebleven, terwijl die s in andere namen niet meer geschreven wordt. By Harmszen en Janssen (Harm-s-zen, Jan-s-sen) komt zy voor; by Jansen (Jan-sen) en Pietersen (Pieter-sen) is ze verdwenen. Wijl deze s onmiddellik voorafgaat aan de s of z waarmeê de lettergreep sen, zen begint, zoo versmelten deze beide sisklanken in elkanderen, en raakt een er van gemakkelik in het schryven verloren, omdat men hem in het spreken niet afzonderlik kan onderscheiden.

By een paar geslachtsnamen valt juist het tegenovergestelde op te merken. Daar is niet slechts de s van den tweeden naamval behouden gebleven, maar die tweede naamval van den mansvóórnaam vertoont nog den volledigsten form op es, die sedert eeuen reeds uit de nederlandsche schrijftaal verdwenen is. En daarachter [86]volgt dan nog het tot sen versletene woord zoon. Die namen zijn Gerdessen en Hugessen.—Gerd (Gert, saamgetrokken van Gerhart), in ouden tweeden-naamvalsform Gerdes, met sen, zoon daarachter, maakt Gerdessen. Even zoo Hugo, Huge, in tweeden-naamval Huges, met sen er achter: Hugessen. Uit deze samenstelling blijkt ook dat men de stemsate of klemtoon by ’t uitspreken dezer namen niet op den tweeden lettergreep moet laten rusten, zoo als dikwijls geschiedt. De geest onzer taal eischt dat de volle klemtoon op den eersten lettergreep valle.

De Vlamingen en Brabanders zetten van ouds allerlei reeds bestaande toenamen en geslachtsnamen in den tweeden naamval. Zy maakten er patronymika van voor de zoons van de mannen, die reeds zulke toenamen droegen. Ook by zulke eigenaardige namen welke niet in eenen tweeden-naamval gedacht kunnen worden, of waar de genitivus geheel overbodig was, of rechtstreeks tegen den geest der taal indruischte, deden zy toch zoo. Op bl. 46 is reeds op deze eigenaardige naamsforming gewezen; verder op in dit werk zal men ook nog meer voorbeelden daarvan vinden. En zoo komen er, hooftsakelik in de zuidelike Nederlanden, geslachtsnamen voor, waar nog eene geheel overtollige s, als uitgang van eenen tweeden naamval, gevoegd is achter een nieuformig patronymikon, achter eenen naam die reeds in den tweeden naamval staat. Door die opeenhooping van genitiven wordt den geest onzer taal geweld aan gedaan. Zulke namen konden dan ook slechts dáár ontstaan, waar de geest der taal zoo weinig gekend werd, zoo weinig gevoeld, dat men niet eens meer den reeds bestaanden tweeden naamval in de patronymikale namen erkende, dat men die naamsformen niet meer verstond. Adriaenssens, Aertssens, Bastiaenssens, Claeissens, Claessens, Christiaenssens, Diercksens en Dierckxsens, Janssens, Thijssens zijn voorbeelden van zulke dubbele vadersnamen, die onder de zuid-nederlandsche geslachtsnamen geenszins zeldzaam voorkomen. Janssens b. v. beteekent: zoon van den zoon van Jan. Zulke namen zijn ware monsters, echte wanformen. Dierckxsens is ook buitendien nog een monster van wanspelling.

My zijn nog een paar geslachtsnamen bekend, die ook tot deze groep behooren, maar die nog zonderlinger verbastering vertoonen, [87]wijl het aanhangsel sen tot sin geworden is. Bruinssins en Lampsins zijn deze namen. Bruinssins beteekent: zoon van den zoon van Bruno.—Lampsins komt van den mansvóórnaam Lampe, die weinig of nooit meer in gebruik is, maar die in de lijsten van nederlandsche vóórnamen van Wassenbergh en Leendertz nog voorkomt, en ook, als Lampo, in Förstemann’s Namenbuch vermeld staat. Met Lampsins zijn ook de geslachtsnamen Lamping, Lampsma, Lampen, benevens Lampson in Engelland, van dezen ouden mansnaam afgeleid.

§ 35. Eenvoudiger in hun samenstelling zijn de geslachtsnamen waar het reeds verbasterde achtervoegsel sen ook nog de n verloren heeft en se geworden is. Hollanders en Zeeuen in d’ eerste plaats, maar ook wel Vlamingen en Brabanders, laten geerne, in hunne dageliksche spreektaal, de slot-n achter de woorden weg—’t is genoeg bekend. Zoo is in hun mond, b. v. van ’t oorspronkelike Michielszoon, Michielszen, weldra Michielsze of Michielse geworden. En wijl ze zoo spraken, schreven ze ook alzoo. En toen deze losse toenamen eerlang vaste geslachtsnamen werden, bleef die eigenaardige schrijfwyze wel behouden. Dat dit aanhangsel se achter sommige geslachtsnamen in der daad eene verbastering, eene inkorting is van sen, zoon, blijkt ook uit het voorkomen dezer namen meest in Holland en Zeeland, waar juist deze byzondere uitspraak heerscht. In de noordelike en oostelike Nederlanden, onder de friesche en saksische bevolking dier gewesten, waar men de slot-n achter de woorden juist zoo vol en duidelik, als met nadruk hooren laat, zijn deze namen oorspronkelik niet inheemsch. Van daar dat mansvóórnamen, die bepaaldelik in de friesche en saksische streken van ons land in zwang zijn of waren, ook niet als wortelnamen van deze geslachtsnamen voorkomen. Maar integendeel zijn dat juist zulke mansnamen als bepaaldelik in Holland en Zeeland gebruikelik zijn. Met ééne uitzondering—Jarigse, een geslachtsnaam die aan den frieschen mansvóórnaam Jarich ontleend is. Toch komt deze geslachtsnaam in Holland voor, en niet in Friesland; hy zal ook wel in Holland ontstaan zijn, als toenaam voor de zonen van eenen in Holland wonenden Fries Jarich. Echt friesche tegenhangers van dezen geslachtsnaam Jarigse [88]zijn de geslachtsnamen † Jariga en Jarichsma met Jarigsma. De in Holland voorkomende geslachtsnaam Japikse heeft ook half en half een friesch voorkomen, in zoo verre Japik heden ten dage een meest friesche verbastering is van den naam Jacob, en men by dezen naam als van zelven aan den naam van den grooten frieschen dichter Gysbert Japicx denkt. Maar oudtijds kwam ook in Holland en andere nederlandsche gewesten de naam Jacob in den form Japik en Jappick voor, even zeer als nu nog in Friesland. Zoo vermeld nog het gildeboek van het Sint-Sebastiaans-Handboogschuttersgilde te Inghelmunster in West-Vlaanderen, zekeren Joos Jappick, op den jare 1716. De friesche weêrga van den naam Japikse is de geslachtsnaam Jacobsma, en een andere tegenhanger daarvan is de geslachtsnaam ’S Jacob.

Hier volgen nog eenige geslachtsnamen, patronymika op se: Aarnoutse, Adriaanse, Baafse, Faasse37. Deze namen eischen weinig verklaring. De mansnaam Baaf, die aan den geslachtsnaam Baafse ten grondslag ligt, is eene verhollandsching van het latynsche Bavo, en deze naam is oorspronkelik weêr het friesche Baue (zie bl. 62). In den verkleinform Baafje komt deze naam ook nog in Holland en elders als vrouenaam voor. Faasse komt van Faas, eene verkorting van Bonifacius. Van dit zelfde Faas zijn nog afgeleid de geslachtsnamen Fasinga en Fazinga en Faasma; terwijl het patronymikon Faasse nog in allerlei formen, als Faassen, Vaassen, Fasen, Vaesen, Faessen, Fase, zelfs Vase, als geslachtsnaam voorkomt. Lieven, waarvan Lievense, is de oud-nederlandsche afkorting van den vollen oud-germaanschen naam Liefwin, die, als geslachtsnaam, ook in den verbasterden form van Liwijn voorkomt; zie ook bl. 82.

Vooral in Zeeland zijn de nieue patronymika op se eindigende, als geslachtsnamen inheemsch. Opmerkelik is het dat er onder deze zeeusche namen eenigen zijn, die afstammen van mansvóórnamen, [89]welke tamelik ongewoon, of in Nederland weinig meer in gebruik zijn. B. v. Aalbregse, Alewijnse, Boudewijnse.38

De geslachtsnaam Cruyce, ofschoon in zulk eene afwykende spelling voorkomende, behoort ook tot deze namen op se, wijl hy eigenlik als Kruisse (Kruissen, Kruis’zoon) moest geschreven worden. Hy komt dan werkelik ook in den form Kruysse als geslachtsnaam voor. Over den mansnaam waarvan dit patronymikon is afgeleid, zie men bl. 57. Waarschijnlik vertoonen de geslachtsnamen Kroese en Kroeze slechts eenen anderen form van dezen zelfden naam. Intusschen kan aan laatstgenoemde namen ook een ander woord ten grondslag liggen. Te weten: kroes, krullend; zie § 126. Waarschijnlik is de geslachtsnaam Bource ook anders niet dan zulk eene zonderling verkeerde, daarenboven nog half vreemde (fransche ou in plaats van nederlandsche oe) spelling van Boerse, (Boerssen, Boers-zoon) een patronymikon, even als Boeren, Boers en Boersma, van den mansvóórnaam Boere; zie bl. 79.

§ 36. In sommige geslachtsnamen is het woord zoon, soon nog meer verkort, dan tot zen, sen of se; het is samengekrompen tot eene enkele z, die men daarenboven slechts in geschriften ziet, maar in de uitspraak niet hoort. Deze geslachtsnamen, die oorspronkelik grootendeels, zoo niet allen, in Noord-Nederland inheemsch zijn, danken hun ontstaan aan de gewoonte van velen, vooral oudtijds en in de eigenlik-hollandsche gewesten, om hunnen vadersnaam, in den tweeden-naamval en met die z er achter, ter onderscheiding, te voegen tusschen hunnen eigenen vóórnaam en hunnen geslachtsnaam, of achter hunnen geslachtsnaam. Indien b. v. in de zelfde plaats twee mannen wonen, die beiden Jan De Boer heeten, maar de een is een zoon van Willem De Boer, en de vader van den anderen heette Hendrik—dan noemt de eerste zich Jan Willemsz. De Boer, en de andere Jan Hendriksz. De Boer, of Jan De Boer Willemsz. en Jan De Boer Hendriksz., voluit: Jan Willems-zoon De Boer en Jan De Boer Hendriks-zoon. Om de omslachtigheid in het noemen van die volle namen te myden, liet men ook weldra den eigenliken [90]geslachtsnaam (De Boer) weg, en sprak men slechts van Jan Willemsz. en Jan Hendriksz., welke toenamen eerlang volkomen de plaats van den oorspronkeliken geslachtsnaam innamen. Heden ten dage, nu de zaak der geslachtsnamen vast geregeld is, kunnen zulke vadersnamen niet meer in vaste geslachtsnamen overgaan. Maar het gebruik om zulke toenamen, ter onderscheiding, te voeren, is nog hier en daar in zwang, niet het minst ook by de burgers, kooplieden en boeren in de kleine steden en dorpen van Noord-Holland, als overblijfsel van eene goede oud-nederlandsche zede.

Zie hier eenige geslachtsnamen, die tot deze groep behooren: Baltensz, Barendsz, Bruynsz.39 Grootendeels zijn ze van welbekende mansvóórnamen ontleend. Balt, (Bold, Bout) en Hilbert (Hildbrecht), de wortels van Baltensz en Hilbertsz, zijn wel weinig in gebruik, maar toch zeer goede oud-nederlandsche mansvóórnamen. En even zoo is het met den wortel van Duivensz, met den mansvóórnaam Duif, die nog zeldzamer voorkomt, en die, als zoodanig, niet gevonden wordt in de naamlijsten van Wassenbergh, Brons en Leendertz. Dat hy toch in gebruik was oudtijds, kan bewezen worden. In een stuk van den jare 1582, voorkomende in de »Oorkonden der geschiedenis van het Sint-Anthonij-Gasthuis te Leeuwarden”, dl. II, bl. 720, worden vermeld: »die erffgenaemen van Duyff Jelles in Sintte Jacobstraet” te Leeuwarden. Hier is Duyff, Duif ’s mans vóórnaam; Jelles, patronymikon van den nog in volle gebruik zijnden frieschen mansnaam Jelle, de toenaam van Duif. Waarschijnlik hangt deze oude mansnaam samen met den oud-germaanschen mansnaam Dubi, die in Förstemann’s Namenbuch voorkomt. Even als Duyvensz stammen ook de geslachtsnamen Duyfs en Duyvis van den mansnaam Duif af, met Duifjes en Duyfjes, in verkleinform. Waarschijnlik ook het enkele Duif, ofschoon deze naam ook kan ontleend zijn aan den naam van den bekenden vogel, misschien als huisnaam, of van een uithangbord afkomstig. Of de nederlandsche plaatsnamen Duiven, Duivenee, Duivendyke, [91]Duivendrecht, Duivenvoorde, en de namen van de dorpen Duveneck by Hoya in Hanover, Duvenstedt by Hamburg, en Düverodt by Sieg in de Rijnprovincie, ook aan dezen mansvóórnaam ontleend zijn, moet ik in het midden laten, maar komt my toch wel waarschijnlik voor.

Een groot gedeelte van de geslachtsnamen op sz uitgaande, zijn niet van algemeen-nederlandsche, maar van byzonder-friesche mansvóórnamen geformd. Zy komen dan ook meest in Friesland voor. Zie hier eenigen daarvan: Agesz, Edesz, Gelfsz.40—Age, Ede (Edo), Gelf of Gerlif, Halbe, Ige (Ygo), Lolke (verkleinform van Lolle), Meine, Melle, Nanne, Oeble (Oebele (Ubolyn) verkleinform van Oebe, Ubo), Ome (komt vooral in Groningerland en Oost-Friesland in den verkleinform als Oomke, Omke, Umke, Umco voor—van daar de geslachtsnaam Oomkens), Poppe, Rinse, Ruurd, Rouke, Sebe (is vooral aan de Eems in gebruik—van daar de oorspronkelik oostfriesche geslachtsnamen, friesche patronymika, Seba, Seeba en te Amsterdam verhollandscht Zeeba), Sibble, Sibe of Sybo, Sikke of Sicco—dat zijn allen mansvóórnamen in onze friesche gewesten nog in volle gebruik.

De geslachtsnaam Amesz is het patronymikon van den ouden, by Förstemann als Amo, by Leendertz als Ame vermelden mansvóórnaam, waarvan ook de geslachtsnaam † Amama een friesch patronymikon is. Bensz komt van Benne (zie bl. 28) en Lelsz van Lelle, Lello, een friesche mansvóórnaam, die wel zelden voorkomt, maar toch zoo wel door Förstemann, als door Wassenbergh, Leendertz en Brons in hunne lijsten is opgenomen, en die ook oorsprong gaf aan den naam van het dorp Lellens in Fivelgo (Groningen), met Lellingen, een dorp in Luxemburg, en Lelm (Lella-heim), een dorp by Königslutter in Brunswijk.

Eenige geslachtsnamen zijn my nog bekend, die, door verkeerde schrijfwyze, slechts eene enkele z achter den oorspronkeliken mansvóórnaam vertoonen, en waar van de s, het kenmerk van den [92]tweeden naamval verloren gegaan is. Dat zijn Arentz, Baartz, Baerentz, Clootz,41 van de mansvóórnamen Arend, Barend en Leendert, die welbekend, en Baart, Kloot, Feite, Loot en Reit, die minder bekend zijn. Baart, Baert, ook Beert, is eene verbastering van Barend, Bernart; zie bl. 81. De mansnaam Kloot is my, als zoodanig, nooit in Nederland voorgekomen. Dat hy echter moet bestaan hebben, getuigen, nevens Clootz, nog de geslachtsnamen Cloots, Kloots, Klootsema, ook Clootens, Cloetens en Cluytens; misschien ook, in versletenen form, Kloos en Klosma, allen nieue patronymika. Eveneens de oude vadersnamen Clotinck en Cloetingh, en den naam van het dorp Kloetinge, by ter Goes in Zeeland. Kan deze mansnaam Kloot samenhangen met den oud-germaanschen naam, in frankischen form, Chlodio? De nederlandsche form die aan dezen ouden naam beantwoordt, is anders Lode, Lude, Luite. Deze naam Lode, Lote geeft de verklaring van den geslachtsnaam Lootz, met Loots—dit kan ook een beroepsnaam ijn, loods—, Looten, Loten, Lotinga en Lootsma.—Feite en Reit, van Feitz, Feits, Feytama, Feitema, Feites, en van Reitz, Reitinga, Reidinga, Reiding, Reidsma en Reits, zijn nog in volle gebruik als friesche mansvóórnamen.

§ 37. Eene zeer talryke groep van geslachtsnamen wordt door die vadersnamen geformd, by welken het achtervoegsel zoon, ook in zyne verschillende afgesletene formen, volkomen verloren is gegaan, zoo dat slechts een mansvóórnaam in den tweeden naamval is overgebleven. Zulke zeer eenvoudige namen zijn b. v. Bartels, Bastiaans, Commers42. Het grootste deel dezer namen eischt geenen naderen uitleg. Commer, Kommer is een oud-nederlandsche mansvóórnaam die nog heden, vooral ten platten lande in Zuid-Holland wel voorkomt. Koert en Coenders zijn [93]beide ontleend aan samengetrokkene formen van den mansnaam Koenraad; zie bl. 74. Koop, de wortelnaam van Koops en Coops, is eene verbastering van Jacob, vooral in de friso-saksische streken van Drente en Overijssel in gebruik, en die ook aan de geslachtsnamen Kopinga, Copinga en Koopsma oorsprong gaf. Sibout of Sibolt, voluit Sîgbolt, Sîgbalt, is een schoone, volle oud-germaansche mansvóórnaam, die in Friesland en Groningen nog in gebruik is—onder den form Sibout meest in Friesland, als Sibolt meer in Groningerland. En zoo komen ook de geslachtsnamen Sybouts in het eerste, Sibolts in het laatstgenoemde gewest voor.

Onder deze groep van geslachtsnamen komen er ook velen voor, die aan schoone, volle oud-germaansche mansnamen ontleend zijn. Mansvóórnamen die thans in Nederland weinig of niet meer in gebruik zijn, tenzy dan in onze noordelike en noord-oostelike gewesten, onder de friesche en saksische bevolking dier gouen, maar die in de middeleeuen algemeen eigendom waren van alle germaansche volken. Deze patronymika moeten reeds vroeg, vóór 1600, tot vaste toenamen zijn geworden, en bleven later ook als vaste geslachtsnamen in gebruik, terwijl de oorspronkelike namen, waar zy van afstammen, by het nederlandsche volk als mansvóórnamen uitstierven. Zy getuigen nu nog van oude tyden, toen het germaansche taal-bewustzijn by ons volk nog levendig was. Zulke namen zijn: Arkenbouts, Bloemarts, Ganglofs.43 De mansnaam Arkenbout is nog als Archimbald in Engelland in gebruik. Bloemaart, Bloemhart, Bluomhart, een oude, schoone naam, al wordt hy in geen der my bekende lijsten van nederlandsche namen vermeld, is in Friesland althans nog niet geheel uitgestorven. Petrus Bloemerts (dat is Bloemerts-zoon) Prins, geboren te Dwingeloo, was van 1784–1828 predikant te Diever, in Drente. Van dezen zelfden naam stammen nog de geslachtsnamen Van Bloemersma (Bloemersma-sate is te Niekerk in het Wester-kwartier van Groningerland), en Blommerde, [94]beiden patronymika; buitendien nog Blomhert, Blommaert, Bloemert, Blommert, Bloemer, en in Duitschland Blumhart. Bloemhart is een samengestelde naam, van Bloem en Hart, even als Evert, Everhart van Ever en Hart; Rykert, Richard, van Rijk en Hart, enz. De enkele wortel van dezen naam Bloem was oudtijds ook als mansnaam in gebruik. Dit getuigen de hedendaagsche geslachtsnamen Bloeming, Bloemink in Twente, Blumink in Duitschland, Bloomington in Engelland, allen oude vadersnamen. Buitendien nog Bloema, Bloemsma, Blomsma, Bloems en Bloemen, Blommen, Blomme, allen nieue patronymika. Misschien ook het enkelvoudige Bloem, met Blom. Ik vermeld al deze geslachtsnamen hier zoo opzettelik, omdat Wassenbergh, Leendertz en Brons de mansnamen Bloem en Bloemhart niet in hunne lijsten opgenomen hebben, en Förstemann slechts den stamnaam (Blom) vermeldt. Toch blijkt uit al deze geslachtsnamen dat deze mansvóórnamen hier oudtijds niet zoo zeldzaam kunnen geweest zijn.

De mansnamen die aan de overige hier genoemde patronymika ten grondslag liggen, hebben grootendeels ook nog aan andere hedendaagsche geslachtsnamen het aanzijn gegeven. Gerolt (Gerholt, Gerout) b. v. aan † Gerrolluma, † Gerroltsma, † Van Gerolsma, † Gralda, † Graalda, † Grolda, † Groldama, Greults, Gerelts, Gehrels, Gerrelts, Gerlsma, Geerlsma. In den verbasterden form Greult is deze naam onder de Friesen nog als mansvóórnaam in volle gebruik. Van Helmer (Helimar) komt † Helmersma, Helmering en Helmar. Van Remmer (Reginmar) komt Remmersma, Remmersna, Remmers. Van Wigmar, als Wiemer by de Friesen nog in dageliksch gebruik, behalve Wyemars en Wiemers nog Wiemerink.

In Friesland in d’ eerste plaats, maar ook onder de oorspronkelik friesche bevolking onzer andere noordelikste gewesten, is het oude gebruik om den vadersnaam in den tweeden naamval te plaatsen tusschen den eigenen vóórnaam en den eigenen geslachtsnaam nog in zwang gebleven tot op dezen dag. Nog in de vorige eeu heerschte dit gebruik daar algemeen. In deze eeu stierf het er in de steden eenigszins uit; thans is het er hooftsakelik tot het [95]platte land bepaald, en ook daar neemt het reeds af. Ofschoon deze tusschengevoegde vadersnamen (Sibren Tjeerds Veldstra b. v. en Auke Sjoerds Sikkema) geene wettelike namen zijn, ofschoon de mannen die in het dageliksche leven zoo genoemd worden, in de boeken van den burgerliken stand slechts als Sybren Veldstra en Auke Sikkema vermeld staan, zoo hechten de Friesen aan deze patronymikale tusschennamen toch zoo veel weerde, dat zy volkomen de plaats innemen der eigenlike geslachtsnamen. Menigeen is in den kring zyner dageliksche omgeving slechts als Sibren Tjeerds of Auke Sjoerds bekend; en lieden, die dageliks met die mannen omgaan, weten soms in het geheel niet dat hunne geslachtsnamen Veldstra en Sikkema zijn. Zie ook bl. 14. In vorige eeuen, tot in het begin van de tegenwoordige, was dit gebruik nog veel meer in zwang, wijl de meeste Friesen uit de lagere standen toen geene geslachtsnamen hadden, en anderen hunne geslachtsnamen volkomen verwaarloosden. En dit is de oorzaak dat zoo velen van die toenamen, van die patronymika, van die friesche mansnamen in den tweeden naamval, in 1811 als geslachtsnamen aangenomen werden. Het getal dezer namen is zeer groot in alle noordelike gouen van Nederland. Slechts een twaalftal dier namen moge hier eene plaats vinden, als voorbeelden; Boeles, Bokkes, Binkes.44 De wortels dezer geslachtsnamen Boele, Ealse, Renger, enz. zijn allen als mansvóórnamen onder de Friesen in volle gebruik, en hebben buitendien nog aan menig anderen geslachtsnaam het aanzijn gegeven. Om ons tot drie er van te bepalen: Boelema, Boelma en Boelsma, Boelen, Boele, Boels, Boelens, Van Boelens, Bulens, Boelsen en Boelings, ook nog, van verkleinformen dezes naams: Boeltjes, Boeltjens en Boelken. Van Fedde komen Feddinga, Feddema, Fedden en Feddens. Van Rinke, verkleinform van Rinne, Renno, komen Rinkema, Rinken en Rinkens, † Rinnema, Renninghoff, Renning in Engelland, Renkema en Renken, Rentjema, Rintjema, en Rintjes. [96]

§ 38. De oude Nederlanders schreven veelal eene x in plaats van eene ks; zy spelden de woorden bliksem, fluks, hoekske als blixem, flux, hoecxken. Nog veel meer boekstaafden zy hunne eigennamen alzoo, en die oude spelling vinden wy nog in sommige hedendaagsche geslachtsnamen terug. In § 19 zijn reeds eenigen van die namen (op incx uitgaande) behandeld. Hier dienen eenige maagschapsnamen, in nieuen patronymikalen form, welke die vreemde letter behouden hebben, vermeld te worden. Het zijn mansvóórnamen die op zich zelven eene k tot eindletter hebben; b. v. Hendrik, Dirk. Sommigen dezer geslachtsnamen hebben die k nog vóór de x behouden; by anderen is die letter volkomen in de x versmolten. Als voorbeelden noemen we: Bakx, Bax, Boeckx.45—Bakke, waar van Bakx en Bax tweede naamvallen zijn, is een oud-germaansche mansvóórnaam die in Förstemann’s Namenbuch als Bacco vermeld wordt, en waar de geslachtsnamen Baksma, Bakkes en Bakken, en, middellik, Bakhuizen en Van Bakkum ook van afkomstig zijn. Boeckx is op bl. 81 en 82 besproken. Derx is Derks, van Derk, de saksische form van Dirk; zie bl. 83. Farx is Farks, van Farke, een verkleinform van den ouden mansnaam Farre, Fare, Faro, die door Förstemann en Leendertz vermeld wordt. De friesche patronymika Faringa en † Farnia zijn van dezen mansnaam afgeleid, met de engelsche Farringdon en Farrington; en misschien ook wel Vaartjes, van den verkleinform. Hake, Haco is de oud-nederlandsche mansnaam, zoowel door Förstemann als door Leendertz in hunne naamlijsten opgenomen, waar de geslachtsnaam Haex (Haeks) van afgeleid is, met Haakma, Haaksma en Haaxma—deze laatste geslachtsnaam ook weêr met x in plaats van ks geschreven. Marx eindelik is de tweede-naamval van den mansnaam Marco, Marke, Mark (niet te verwarren met Marco, Marc, verkortingen van den bybelschen naam Marcus) een oud-germaansche naam, ook in samenstellingen (Markwart, Markolf) voorkomende. In den form Marks komt dit zelfde patronymikon ook als geslachtsnaam voor, terwijl de mansnaam Mark, [97]Merk nog aan eenige andere geslachtsnamen oorsprong gaf, b. v. aan Markens, Merks, Merkens, enz.

Nog dient hier, wegens zyne byzondere, geheel verouderde spelling vermeld te worden de geslachtsnaam Wincqz. In eenvoudiger spelling is deze naam Winks, een tweede-naamval van den mansnaam Winke, die weêr een verkleinform is van den oud-nederlandschen mansvóórnaam Winne, Wyne of Win, Wyn, ’t welk vriend beteekent in de oud-germaansche talen. Vele oude en volle mansnamen zijn met dit woord win of wyn samengesteld; b. v. Alewijn (Adelwin), Boudewijn (Boldwin, Bolduin), Liefwijn (zie bl. 82 en 88), Harrewijn, Oortwijn, enz. Als Winne en Wyne, Wynke en Winke zijn deze namen nog heden by de Friesen in gebruik. Zy hebben oorsprong gegeven aan de geslachtsnamen Winsma, Wynsma, Wyninga, Winia (zie § 29), Wynen, Wijnne, Wijnkes en Wienken. Misschien ook aan Windsma; zie bl. 63.

§ 39. Aan den Zaankant komen eenige geslachtsnamen voor, die hierin afwyken van andere patronymika, dat ze niet op es of eene enkele s, maar op is eindigen; b. v. Avis, Duyvis. Uitsluitend aan de Zaan eigen zijn deze namen niet. Ze zijn ook wel elders in Noord-Holland ten platten lande inheemsch (Galis, Tamisz), en komen eveneens, maar zeldzaam, in andere nederlandsche gewesten voor (Jonxis, Tanis). De oorsprong van den afwykenden form dezer vadersnamen is te zoeken in de gewoonte, welke sommige nederlandsche schryvers in vorige eeuen hadden, om den tweeden naamval van mansvóórnamen aldus te spellen. Eene gewoonte die in taalkundig opzicht wel verkeerd was, maar waar de eigenaardige uitspraak der volkstaal in sommige landstreken aanleiding toe gaf—gelijk zulks ook nog heden het geval is. Vooral by de Friesen heerscht deze uitspraak, en de spelwyze is in plaats van es achter mansnamen vinden we dan ook nog meest in oude friesche geschriften. In de »Oorkonden der geschiedenis van het Sint-Anthony-Gasthuis te Leeuwarden” kan men van deze spelling vele voorbeelden aanwyzen. In een geschrift van het jaar 1455, in dien bundel voorkomende (dl. 1 bl. 22), vinden we iemand als Hemka Reenkys zoen vermeld; dat is Hemka, [98]Reenkes zoon. In een ander geschrift—aldaar dl. I, bl. 28—, van den jare 1457 komt Jarich Joenkis zoen voor; dat is: Jarich Joenkes zoon. En deze zelfde man heet in eene andere oorkonde van dat zelfde jaar—dl. I, bl. 30—slecht weg Jarich Joenkis. Dan staan nog in deze oorkonden vermeld: Bauke Sickis—in plaats van Sickes, zoon van Sikke—46, Hiilgond Siiurd Buiickis wiif—Hillegonda, de vrou van Sjoerd Buikes (zoon)—47, Jan Nannis48, Jan Mennis49, Trin Jeppis50, en in een register van het jaar 1511, waar in de burgery de stad Dokkum met name wordt vermeld, Take Sapis.51

Merkweerdig is het, dat de geslachtsnamen op is en isz heden ten dage juist niet meer in ’t eigenlike Friesland voorkomen, maar meest in Noord-Holland. Trouens, de Noord-Hollanders zijn oorspronkelik Friesen, en de friesche eigenaardigheden bleven juist aan de Zaan het langst bewaard, tot in deze eeu.

De geslachtsnamen op is en isz, my bekend, zijn de volgenden: Alvis, Arisz, Avis.52 Het grootste gedeelte van de mansvóórnamen, die aan deze patronymika ten grondslag liggen, zijn bepaaldelik friesche namen, of althans by de Friesen meest in gebruik. Ook uit deze byzonderheid blijkt de friesche oorsprong dezer geslachtsnamen. De mansnaam Ave wordt door Leendertz vermeld. In verkleinform, als Aafje of Aafke is hy over geheel Noord-Holland en Friesland nog heden als vrouen-vóórnaam in volle gebruik. Over den naam Duif, waarvan Duyvis een nieue vadersnaam is, zie men bl. 90; over Fene, de stamnaam van Veenis, bl. 58. Jonxis komt van Jonke, Joenke, een oud-friesche mansvóórnaam, die tevens aan de geslachtsnamen Jonks, en † Joenkema oorsprong gaf, en zekerlik één is met den [99]frieschen mansvóórnaam Jonge. Zoo dat ook de geslachtsnamen Jongema, Jongma, Jongsma, Jonges, Jonks enz. met Jonxis uit den zelfden wortel voortspruiten. Gale, tegenwoordig in Friesland ook als Geale voorkomende, is een friesche mansvóórnaam, waarvan, met Galis, nog de geslachtsnamen Galama en Galema, Galen en Gales, en, van den verkleinform, Gaaljema afgeleid zijn.

Niet enkel eenvoudige patronymika, die slechts tweede naamvalsformen zijn, zooals de bovengenoemden, vertoonen den uitgang is in plaats van es, ook in eenige met sen (zoon) samengestelde vadersnamen komt deze byzondere form voor. Het zijn de geslachtsnamen Alberdissen (Alberdes zoon, Alberts zoon), Breunissen (van Bruno? of van Bronno?), Domissen (als tegenhanger van Domis en Dommisse, dat de n verloren heeft, (van den ouden mansnaam Domme; zie § 46). Deze namen behooren dus eigenlik tot die welke in § 34 zijn vermeld, en staan in de zelfde verhouding tot de eenvoudige patronymika op is, als b. v. Bruinssins tot Bruinssens, Gerdessen tot Gerdes.

§ 40. De ryke nederlandsche taal kent twee verschillende wyzen om tweede naamvallen van mansvóórnamen te formen—afgezien nog van de byzonder-friesche wyzen. Te weten op s en op en: Dirks huis en Dirken huis. In de middeleeuen waren beide formen naast elkanderen in gebruik; ja, in vele nederlandsche gouen zal de laatste form wel de meest gebruikelike geweest zijn. Dit is tegenwoordig niet meer zoo. De schrijftaal heeft langzamerhand den form op en verworpen, en dien op s behouden. Heden ten dage is de genitivus op en geheel uit de schrijftaal verdwenen, en dien ten gevolge ook byna geheel uit de spreektaal. Slechts in enkele nederlandsche gouspraken bleef die oude, goede en welluidende form tot op dezen dag in gebruik. Onder anderen in het zoogenoemde Strand-hollandsch, in de volkstaal der hollandsche visschersdorpen aan de Noordzee, Zandvoort, Noordwijk, Katwijk, Scheveningen, enz. Dáár spreekt men nog van Dirken wægen, Gijsen skoit, Louen seun en Krijnen dochter, waar de schrijf- en spreektaal der stedelingen slechts Dirks wagen, Gijsbrechts schuit of Gijs z’n schuit, [100]Laurens’ zoon of Lou z’n zoon en Krijns dochter of de dochter van Quirinus kent.

Natuurlik formde men oudtijds de nieuformige patronymika, die oorspronkelik anders niet zijn dan eenvoudige tweede-naamvals formen, even zoo op en. Zulke namen en toenamen als Marten Huyghen soon, Govert Thysen zone, Gerlof Bruynen zoon en Harm Foppen seun kan men in oude oorkonden zeer talrijk vinden. Het woord zoon sleet in het dageliksch gebruik ook al spoedig achter die toenamen weg, en zoo bleven slechts over: Marten Huyghen, Govert Thysen of Thyssen (zóó geschreven om den scherpen klank der s af te beelden, om te verhoeden dat men Thyzen zou lezen), Gerlof Bruynen, Herman Foppen, enz. Zelfs al hadden de oude Nederlanders reeds eenen vasten geslachtsnaam, dan plaatsten zy nog ten overvloede hunnen vadersnaam in dien byzonderen tweeden-naamval, achter hunnen eigenen doopnaam. Laurens, de zoon van Joost Baeck, een aanzienlik Amsterdammer uit de zeventiende eeu, schreef zynen naam als Laurens Joosten Baeck. En zyne tijdgenooten deden vast allen zoo. Zulke patronymika zijn ook in grooten getale als vaste geslachtsnamen tot op den dag van heden in stand gebleven. Toch is hun aantal niet zoo groot als dat der vadersnamen op s. Dat komt omdat reeds sedert de 16de eeu de schrijftaal den form op s begunstigde boven dien op en, en de meesten dezer toenamen van na dien tijd dagteekenen. Ook zal menigeen, die een zoon was b. v. van Dirk, en die door zyne tijdgenooten steeds (Jan) Dirken genoemd werd, toch dien toenaam, als hy hem schryven moest, wel als Dirks of Dirksz hebben neêrgesteld, wijl de mode dat eischte.

Zie hier eenigen van die geslachtsnamen op en, waar by de opmerking nog gemaakt moet worden, dat ze in alle nederlandsche gouen inheemsch zijn, maar meest by Friesen, Hollanders en Vlamingen: minder of slechts zeldzaam by Gelderschen en Brabanders. Alderden, Barten, Fransen53. Het grootste deel dezer namen is van bekende mansvóórnamen afgeleid, sommigen in [101]oud-hollandsche afkortingen: Bart, Frans, Gijs, Huig, (Hugo), Joris en Goris (oud-nederlandsche formen van den kerkeliken mansnaam Georgius, George), Joost, Kerst (Kerstiaan, Christiaan), Luik (Lucas), Nolt (Arnold), Onno, Otto, Rijk, Thijs (Mattheus). Kees is de gewone nederlandsche verbastering (kosename) van den mansnaam Cornelis. De patronymika Keessen, Krelissen, Nelissen, Knelisse en Cornelissen stammen allen van dezen zelfden mansnaam af. Over den mansnaam Wyn, waarvan Wynen en Wijnne zie men bl. 97. Aan den geslachtsnaam Alderden ligt de volle oud-nederlandsche mansnaam Aldert, in Friesland meest Allert, ook Allart, voluit Adelhart, ten grondslag. De geslachtsnamen Aldringa en Van Aldringa, Aldrink, Alderding, Aaldrink, Alders, Alderts, Aldertsma, Allertsma en Allersma, Alers, Alerding, Alring, met Aldring en Aldrington in Engelland, zijn allen van dezen schoonen naam afgeleid. Zoo mede de plaatsnamen Aldrington in Sussex, Engelland; Aldringa-burcht te Bedum in Hunsego, Groningerland; Audrehem, dat is Alderda-heim, Adelharta-heim, woonplaats van Aldert, in Artesie, Frankrijk; Aldersbach by Vilshofen in Beieren; Allersma-heert te Godlinse in Fivelgo, Groningerland; en Alerdink, eene havesate by Heino in Salland, Overijssel.

De geslachtsnaam Alderden komt te Aalsmeer voor. Opmerkelik is het dat in dit overoude hollandsche dorp zoo vele eigenaardige oud-hollandsche geslachtsnamen, van volle, oud-germaansche mansnamen afgeleid, voorkomen. Trouens, Aalsmeer, dat eeuen lang, zoo lang de Haarlemer-meer nog meer was, een afgelegen dorp bleef, heeft eene eigenaardige bevolking, waaronder Oud-Doopsgezinden en Oud-Roomschen, die tot in deze eeu aan hunne oud-hollandsche, eenvoudige zeden getrou bleven, en zich door allerlei eigenaardigheden in kleeding, levenswyze, enz. van de andere hollandsche dorpelingen bleven onderscheiden. Behalve Alderden bestaan te Aalsmeer nog de soortgelyke geslachtsnamen Lubberden (van Lubbert, Ludbert, Ludbrecht), Syberden (van Sybert, Sîgbrecht), Jooren (van Jore) enz. Deze laatste naam is ook een oud-nederlandsche mansnaam, die door Wassenbergh, Leendertz en Brons in hunne lijsten [102]wordt vermeld, en die ook aan de geslachtsnamen Joors (aan de Zaan) en Jorink (in Twente), en aan den plaatsnaam Jorum (Jora-heim, woonplaats van Jore), zooals eene state heet te Kubaart in Friesland, oorsprong gaf. De geslachtsnaam Kommerden (zie bl. 92) behoort ook tot deze kleine byzondere groep, benevens Blommerde (van Bloemhart, zie bl. 93 en 94) en Remmerde (van Remmer, Reginmar, zie bl. 94); de twee laatste namen in versletenen form, zonder slot-n; zie de volgende §.

By alle geslachtsnamen, patronymika op en, is de oorspronkelike mansvóórnaam niet zoo duidelik aan te toonen als by de bovengenoemden het geval is. Velen zijn van byzonder friesche mansvóórnamen afgeleid, en komen dies den niet-frieschen Nederlander vaak onverstaanbaar voor. Anderen zijn van oude, niet meer gebruikelike namen ontleend. Zie hier eenigen van zulke geslachtsnamen: Binken, Blanken en Blenken, Coelen54. De friesche mansvóórnamen Binke, verkleinform van Binne, Benno (zie bl. 28), Foppe (waarvan ook de geslachtsnamen Foppema, Fopma, Foppes, Foppens), Hedde (waarvan Heddinga, Heddema, Heddes, en Hedding in Engelland), Heere of Hero, Luit, (in verkleinform Luutzen) Makke, Okke of Occo, Poppe, Rense of Renso of Rinse, Sine (zie bl. 72), Temme of Tammo, Uneke of Unico, ook Oenke, Oentsen, alles verkleinformen van Uno, Oene; Warre en Wobbe, in verkleinform Wobke, Wopke, Wopco—die allen weêr aan zeer talryke geslachtsnamen oorsprong gaven, zijn de wortels van velen der genoemde patronymika. Blank, Blanco, waarvan Blanken en Blenken, even als Blanksma en Blanks, is een oud-germaansche, door Förstemann vermelde mansvóórnaam. De geslachtsnamen Coelen, Koelinga, Coelingh, Colinck en Koelinck, met Koolsma en Coolsma, Coolen en Coole, met Coles in Engelland (Coleshill heet eene stad in Warwickshire, Engelland; en Koolskamp is een dorp in West-Vlaanderen); met Kooltjes, van den verkleinform, misschien ook met Kool en Cool, wyzen duidelik [103]op eenen mansvóórnaam Koele of Kole, al is my die naam nergens op zich zelven ontmoet. Hubben (de naam komt te Duinkerke voor) is een patronymikon van den oud-frieschen en ook oud-engelschen mansvóórnaam Hubbe, Hobbe, en bewijst al weêr de byzondere verwantschap van Vlamingen, Friesen en Engelschen. De vóórnaam Hobbe is in Friesland nog in volle gebruik, en gaf oorsprong aan de geslachtsnamen Hobbing, Hobbema, Hobma, Hobbes en Hobbie (zie bl. 70) alle in friesche gouen; Hobbes en Hobson komen ook in Engelland voor. Aan den geslachtsnaam Pollen, zoo mede aan Pollema en Polsma met Polsius in Friesland, Polling in Drente, aan Pols en Pollsen, waarschijnlik ook aan Pol (in Friesland), en aan de plaatsnamen Polleben, dorp by Eisleben in Saksen; Polling, dorp by Weilheim in Beieren; Pollhorn by Rendsburg in Holstein, moet een mansvóórnaam Pol of Polle ten grondslag liggen—al kan ik dien naam niet met bewyzen staven. Deze naam zal wel één zijn met de friesche mansnamen Pelle en Palle, waarvan Pelsma, Pels, Pellens en middellik Van Pellecom, met Palma, Palsma en Pals. Het patronymikon Snellen eindelik, is afgeleid van den oud-hollandschen mansnaam Snel, door Leendertz en Brons vermeld, en welke naam, volgens Förstemann, als Snello, ook aan andere germaansche volksstammen eigen was; zie bl. 47. De geslachtsnamen Snellens en Snellings, met Sneltjes—in den verkleinform—, misschien ook met het enkele Snel, en de plaatsnamen Snelleghem (Snellinga-heim), dorp in West-Vlaanderen, Schnellingen, dorp by Hasslach in Baden en Schnelsen, dorp by Pinneberg in Holstein, stammen allen ook af van Snello, dat is gezeid: de snelle, de vlugge.

By eenige geslachtsnamen, patronymika op en, is de mansvóórnaam die er aan ten grondslag ligt, over ’t algemeen zóó weinig bekend, dat men die namen voor alles eerder zoude houden, dan juist voor wat zy zijn. Immers zullen de meeste menschen, zoo zy deze zaak niet opzettelik onderzocht hebben, eer geneigd zijn in de geslachtsnamen Dyken, Roozen, Staelen, Sterren, Struyken, Veenen, Veeren, Vinken en Vossen meervoudsformen te zien van de woorden, dijk, roos, staal, ster, struik, enz. dan tweede-naamvalsformen van mansvóórnamen. En toch zijn [104]zy dit laatste in der daad. Over de namen Fene en Fere, waar van Veenen en Veeren, kan men bl. 58 en bl. 30 naslaan. Dike, waar Dyken van komt, met Dykama, Dykema, Dikema, Dijkma, Dijksma, Diekes, Dykens en Dijksen, ook met Diekenga en Dikena in Oost-Friesland, en met † Dicing dat reeds een stamnaam was onder de oude Engelschen, is een mansvóórnaam, in Friesland nog in gebruik, en oorspronkelik eene samentrekking van Dideke, dat weêr een verkleinform is van Dide.—Roozen, met Roosen, misschien ook met Rose en Roos, stamt van den oud-nederlandschen, door Leendertz vermelden mansnaam Roos, die ook door Förstemann als oud-germaansch wordt aangegeven. Van dezen mansnaam stammen vele geslachtsnamen, die over alle Nederlanden verspreid zijn, en die het dus byna zeker maken, dat de mansvóórnaam Roos oudtijds hier te lande geenszins zeldzaam moet geweest zijn. Het zijn Rosinga, Rosema, Rozema, Roosma, Rozenga in onze friesche gouen, Rösing in Oost-Friesland, Roosens, Rooses en Reusens in Vlaanderen; en van de verkleinformen: Roosjen in Friesland, Roosjes en Roskes in Holland en Brabant, Röskens in Oost-Friesland.

Het zou waarlik te omslachtig worden, zoo ik hier alle verwante formen van de mansnamen, die aan de overige bovengenoemde geslachtsnamen ten grondslag liggen, en alle geslachtsnamen die er nog verder van afgeleid zijn, uitvoerig wilde aanduiden. Het zy dus genoeg hier nog te melden dat Stale of Stalle, Sterre of Stere of Star, Struuk, Finke (verkleinform van Finne) en Fosse allen goede oud-nederlandsche mansvóórnamen zijn, die allen uit oude oorkonden en andere geschriften kunnen bewezen worden, en allen aan talryke geslachts- en plaatsnamen oorsprong gaven.

Over de beteekenis van de veelvuldig voorkomende geslachtsnamen Franken en Sassen, met Franke en Sasse in versletenen form, die ook tot deze groep behooren, kan men § 69 nazien. Maar een paar regels moeten nog gewijd worden aan den uitleg der geslachtsnamen Thoden, Tholen, Tjaden en Uden, die, in onze friesche gewesten inheemsch zijnde, menigen niet-Fries wel als onverstaanbaar mogen voorkomen, ten zy men Tholen [105]misschien wel voor den naam van het bekende zeeusche stadje zou willen houden. Wat in dit geval niet juist is. Want deze namen alle vier zijn patronymika op en, en afgeleid van de oud-friesche mansvóórnamen Thode of Tode, Thole of Tole, Thiad of Thiado, (door de Friesen als Tjaad uitgesproken, zie bl. 62) en Udo, Oede; deze laatste naam komt meest in verkleinform voor als Udeke (Udico), Oedke, in middeleeusch friesch Oedtse (k = ts), tegenwoordig meest Oetse, Oetzen en Oeds gespeld. Van Thole hebben wy nog de geslachtsnamen Tholema, Tholing, Tolings, Tolens en misschien ook Tool. Van Thiado, Tjaad kwamen in de middeleeuen nog de maagschapsnamen Thiadama en Tyadana, de eerste in West-, de tweede in Oost-Friesland inheemsch. En Udo, Oeds heeft oorsprong gegeven aan Oedsma en Oetsma, Oetzes en Oetzen, Udinga, Udema, Udens en Udink. Deze zelfde naam was oudtijds ook in Holland als mansvóórnaam in gebruik, onder den verkleinform Oetje, Oetjen, dat men op oud-hollandsche wyze ook wel Oetgen schreef, en in Brabant als Oetken; van daar de geslachtsnamen Oetjes, Oetjen en Oetgens en Oetkens. Te Amsterdam is een Oetgenspad, en Oetingen (patronymikon van Udo, in den derden naamval), is de naam van een dorp in Zuid-Brabant.

§ 41. De Hollanders en sommige andere Nederlanders spreken de slot-n achter de woorden niet uit; in § 35 is dit reeds aangetoond. Deze verkeerde uitspraak werd door hen ook wel in geschrifte afgebeeld, en dit is de oorsprong der patronymikale geslachtsnamen die op eene toonlooze e eindigen. Zulke geslachtsnamen zijn anders niet als nieue vadersnamen op en uitgaande, die hunne laatste letter verloren hebben. Velen er van komen dan ook nog in beide formen voor; voluit (Huigen), en afgesleten (Huige). Oorspronkelik komen deze afgesletene namen, die in de zelfde verhouding staan tot de volle naamsformen op en, als de namen op se (Pieterse) staan tot de namen op sen (Pietersen),—oorspronkelik komen zy slechts voor in die gewesten van Nederland, waar dit weglaten der slot-n tot de volkseigene uitspraak der taal behoort. Als voorbeelden van zulke geslachtsnamen vermelden wy: Bane en Baane, [106]Boone, Faasse, Huighe, Koene en Kuene, Koppe, Louwe, Nolte en Steene. Over Faasse en Nolte (Faassen en Nolten) zie men bl. 88 en bl. 101. Huige en Huighe komen van Hugo; zie bl. 100. Koene (Koenen komt ook voor) is het versletene patronymikon van Koen, de gewone verkorting van Koenraad; dit Koen (Kuno) kan echter ook als naamstam op zich zelven gedacht worden. Kuene (en Kuenen, dat ook voorkomt, benevens Kühnen, Kühne en Kühn op hoogduitsche wyze gespeld) is de brabantsche uitspraak en spelwyze van dezen zelfden naam. Koppe en Koppen komen van Kop, een der talryke volkseigene verkortingen van Jacob; zie bl. 93; zoo ook Louwe van Lou, eene hollandsche verkorting van Laurens.—Bane en Baane, Boone en Steene, met de volle formen Banen, Boonen, Steenen en Steinen, stammen alle drie van oud-germaansche mansvóórnamen af, die echter ook alle drie als zoo danig niet meer in gebruik zijn, uitgenomen in Friesland en de skandinavische landen. Dat deze mansnamen oudtijds in Holland zoowel als in Vlaanderen, in Brabant zoo wel als in de nederduitsche gewesten van Noord-Duitschland in gebruik waren, blijkt onweêrsprekelik (of men dit anders ook al niet en wiste) uit deze patronymika, en uit vele andere verwante geslachtsnamen, die over al deze gewesten verspreid zijn. Bane is tegenwoordig in het nederlandsche Friesland als mansvóórnaam ook zeldzaam, maar in Noord-Friesland nog zeer algemeen in gebruik. Behalve Bane, Baane en Banen, zijn van dezen mansvóórnaam nog afgeleid de geslachtsnamen Banema, Baansma, Baning, Banens, Bahnsen, en Bahntje in verkleinform. De oud-germaansche mansvóórnaam Bono, Bone is tegenwoordig in Friesland ook zeldzaam. Leendertz heeft hem nog in zyne naamlijst als Boontje, in den verkleinform. De geslachtsnamen Boning (in Engelland), Boninga (in Groningerland), Böning (in Duitschland), Boonsma (in Friesland), met Boontjes in verkleinform, zijn er van afgeleid. En even zoo de plaatsnamen Boninghall, in Salopshire, Engelland; Boningue, zoo als een dorp heet in Artesie (Frankrijk); Boneburg, een gehucht by Greetsyl in Oost-Friesland.

De mansnaam Steen, ook Stein, Stien en in Skandinavie [107]Sten, is geenszins zoo zeldzaam als Bane en Bone. In Friesland en Noord-Duitschland komt hy nog voor; in Skandinavien nog veelvuldig. Oudtijds was hy over alle Nederlanden verspreid; in Holland was dit nog in de zeventiende eeu het geval. Talryk zijn de geslachtsnamen, van dezen mansnaam afgeleid—om van de plaatsnamen nog niet eens te gewagen. My zijn bekend: † Steninga, Steenema, Steensma, Stiensma, Steens, Stiens, Steins, Steensen en Steenis; zie bl. 98.

§ 42. In de nederlandsche taal is de tweede-naamvalsform op en minstens even oud als die op s, zoo hy niet ouder is. Maar de form op en is uitgestorven, terwijl die op s behouden bleef; zie bl. 99. Er kwam dus eens een tijd, in ’t eene gewest eerder, in ’t andere later, dat het volk dien form op en niet meer verstond; dat het de beteekenis niet meer kende van patronymika of toenamen als Huigen en Joosten. En zoodra dit het geval was, zoo dra men in deze namen slechts eenen klank hoorde en niets meer, toen was ook het tijdstip gekomen dat men zulke namen op nieu in den tweeden naamval plaatste. Ditmaal echter in den nieuen, op s uitgaanden form. Kwam b. v. in zekere plaats een man wonen die Pieter Joosten heette, dan noemde het volk weldra den zoon van dien man—gesteld de jongen heette Klaas—niet Klaas Pieterszoon of Klaas Pieters, zoo als d’oude zede vorderde, maar Klaas Joostenszoon of Klaas Joostens. En dit Joostens, ofschoon het eigenlik een onzinnige naam is, waarin twee genitiven op elkanderen gestapeld zijn, bleef in gebruik, ook tegenwoordig nog, als vaste geslachtsnaam. Deze groep van dubbelde nieue patronymika maakt dus de weêrga uit van de geslachtsnamen op ings, inkx, die in § 18 en 19 besproken zijn. Zy zijn in taalkundig opzicht even onredelik.

De geslachtsnamen op ens zijn over alle Nederlanden verspreid; het meeste komen ze voor in de noordelike gewesten, vooral in Groningerland. Elders zijn ze nergens talrijk. Zie hier eenigen van die namen: Bertens, Dierkens, Eppens.55 Behalve de algemeen [108]nederlandsche mansvóórnamen Bert, Dierk (Dirk, van Diederik saamgetrokken), Hugo en Rijk, van Bertens, Dierkens, Huigens en Rykens, zijn de wortels van deze geslachtsnamen allen friesche mansvóórnamen, die ook nagenoeg allen, Eppe, Feike, Fokke, Foeke, Heike, Leeue of meest Lieue (Lieuwe), Onno, Rouke, Tidde, Tjabbe (Tjebbe), Tonco, Ubbo, Uilke (zie bl. 29 en 30) nog heden by de Friesen in volle gebruik zijn. Al deze mansnamen hebben buitendien aan talryke andere geslachtsnamen oorsprong gegeven; van elk wil ik hier slechts éen vermelden: Eppinga (Epping in Engelland—Epping-forest, een bekend engelsch woud), Feikema, Fockema, Foekema, Heikema, Leeuwinga, Onnes, Rykema, Roukema, Tjabben, Tiddinga, Tonnema, Ubbinga en Uilkema.

Deze geslachtsnamen op ens zijn wel te onderscheiden van sommige namen die dezen zelfden uitgang vertoonen, zooals Martens en Feltens, maar die eenvoudige tweede-naamvalsformen zijn op s, en dus tot de groep behooren die in § 37 behandeld is. De mansvóórnamen, waar deze geslachtsnamen aan ontleend zijn, gaan op zich zelven reeds uit op en. Marten en Felten zijn oud-nederlandsche formen van de volle kerkelike namen Martinus en Valentinus.

En evenmin moeten de geslachtsnamen op ens verwisseld worden met anderen die ook den uitgang ens vertoonen, maar die toch tot de groep der eenvoudige genitiven op s behooren. Zy zijn afgeleid van mansvóórnamen in verkleinform. De verkleinformen (ken en tjen) worden in de zuidelike gewesten gewoonlik met eene n daarachter, in de noordelike zonder die n (als ke en tje) geschreven. Deze groep van geslachtsnamen is dan ook vooral in Vlaanderen en Brabant inheemsch, terwijl de namen met dubbelden genitivus, en en s, ens, meer in het noorden t’huis behooren. Voorbeelden van zulke namen zijn: Arekens, Bollekens, Boomkens.56 Dit zijn allen namen van zuid-nederlandsche geslachten, en allen van oude mansvóórnamen in verkleinform [109]op en (Areken, Scheltjen) afgeleid. In de noordelike Nederlanden daarentegen vinden wy geslachtsnamen als Bantjes, Brantjes, Buyskes,57 ontleend aan verkleinformen op tje en ke, zonder slot-n.

Enkelen van deze namen wil ik nader verklaren. Arekens is het patronymikon van Areken, dat weêr een verkleinform is van den oud-germaanschen, by Förstemann vermelden mansvóórnaam Are. Deze naam gaf ook oorsprong aan de geslachtsnamen Arema in Friesland en Arink te Zwolle; zoo mede aan eenige plaatsnamen, b. v. aan Aringzele, dorp by Kales (Calais) in Frankrijk; dat is: de zele, de zale, de zaal, de halle, het groote huis der nakomelingen van den man die Are heette. Arekens echter zou ook kunnen komen van Areken, Aarnken, verkleinform van Aarn, Arn, samentrekking van den vollen ouden mansnaam Arend. Arnken komt ook als geslachtsnaam voor. Kannekens komt van Kanneke, Kanne, een naam die oudtijds als mansvóórnaam in gebruik moet geweest zijn by de germaansche stammen, al is hy my op zich zelven nooit voorgekomen. Dit blijkt toch uit de geslachtsnamen Kanninga en Cannenga; Cankena (eveneens een patronymikon, en wel van den verkleinform) in Oost-Friesland; Canning en Cannington in Engelland. En uit de plaatsnamen Cantrup (d. i. Kandorp), dorp by Bassum in Hanover; Kanning, dorp by Ernsthofen in Beneden-Oostenrijk; Caneghem (Kaning-heim), dorp in West-Vlaanderen; Canum (Kanna-heim) en Canhusen, dorpen in Oost-Friesland, enz.—Seuntjens komt met Zoontjes, Soenens, Soons, Zoons, Sons, verlatynscht als Sonius, met Sönnichsen (van den verkleinform Sönnicke, Sonneke) en met Zonsma, Sonsma, Sonnema, † Sonningha, misschien ook met Sonnega (zie bl. 64) en met vele plaatsnamen, als Sonnega, dorp in Friesland; Sönnenwerf, gehucht by Okholm in Noord-Friesland; Sonneghem, dorp in Oost-Vlaanderen; Sonsbeek, dorp by Gelder in de Rijnprovincie—allen van den oud-germaanschen, [110]hier en daar in de Nederlanden nog voorkomenden mansnaam Sonne, Sone, Sönne. Hier te Haarlem woont nog iemand die dezen ouden vóórnaam in den verhollandschten form Zone draagt. Maatjes is een patronymikon van Maatje, en dit is een verkleinform van den ouden mansvóórnaam Mate, door Förstemann als Mato vermeld, en die ook aan de geslachtsnamen Maats, Maetens in Vlaanderen, Matena (een oud-oostfriesche tweede-naamvalsform) in Drente enz. oorsprong gaf. Over Bollekens zie men bl. 27, over Schellekens en Scheltjens, twee formen van éen en den zelfden naam, bl. 77; over Vennekens, van Venneken, Venne, Fenne, Fene, bl. 58 en 98; over Bantjes van Bantje, Banne, bl. 51, enz. Brantjes is van Brant, een welbekende mansnaam, en Haantje, Lolke, Mintje, Onneke (Onno), Rinke (Rinne), Solke (Solco), Waalke zijn friesche mansvóórnamen, nog heden in volle gebruik.

Oudtijds schreef deze en gene, hier en daar, het aanhangsel ke, ken of tje, tjen, dat den verkleinform uitmaakt, wel als gen. Woorden als huysgen, kintgen, poertgen voor het hedendaagsche huisje, kindje, poortje treft men menigvuldig in oud-nederlandsche geschriften aan. In sommige nederlandsche gewesten, Groningerland, Drente, Overijssel, en tevens te Dordrecht en elders in ’t overmaassche Holland, laat de volkspraak deze g (gie), ook wel ch (chie, chien), in verkleinwoorden nog heden hooren. Te Dordt, op Beierland, enz. spreekt men van borregie, poregie voor bordje, poortje, te Zwolle van lämmechie, in Drente van lammechien voor lammetje, enz. Natuurlik maakte men de verkleinformen van eigennamen ook op deze wyze, en schreef die namen met g, gen. Namen als Barentgen, Marytgen treft men zeer dikwijls in oud-nederlandsche geschriften aan, gelijk men nog heden in onze noordoostelike gewesten namen als Alechien, Alechina; Lubbegien, Lubbechina (oorspronkelik Lubbrechtje, Lubbrecht, Ludbrechta, Hludberchta), enz. aantreft. Als de namen van groningerlandsche, drentsche en oostfriesche koffen en tjalken en schuiten krijgt men in Holland zulke namen onder d’ oogen.

Deze oude form is in eenige geslachtsnamen tot den dag van heden bewaard gebleven. B. v. in Bontgens, Fortgens, Heyntgens en Heintges, Lutgens, Seipgens, Wintgens, [111]allen patronymika van verkleinformen van oud-nederlandsche mansvóórnamen. Bontgens (Bontjes komt ook voor) is van Bonne; zie bl. 57 en 58. Heyntgens komt van Heintje, van Hein, Hendrik.—Lutgens, met Lutjens, komt van den verkleinform des ouden mansnaams Lute, Lude, Lode, Hlude, Hlode, die in Friesland nog als Luut, Luit, in verkleinform Luutzen, Luitsen, in volle gebruik is. Over Wintgens van Wintje, Winne, Win, zie men bl. 97. Deze kleine groep van geslachtsnamen is meest eigen aan de zuidwestelike gewesten van Nederland, en komt evenzeer voor in de streken van Duitschland, daaraan grenzende, dus in de Rijnprovincie, vooral aan den linker oever, rondom Aken, enz. Daar ook op zich zelven, en zonder patronymikalen form, als Bürsgen (Bürsgens in Nederland), Pörtgen, Röndgen, Wirtgen (Wiertjens in Nederland), enz.

§ 43. De Friesen, in hun taal en zeden zoo eigenaardig en byzonder, hebben ook hunne eigene formen van nieue patronymika als geslachtsnamen, even als zy ook hunne eigene formen van oude patronymikale geslachtsnamen hebben; zie § 23. Zy hebben deze eigene nieue patronymika, die hunnen oorsprong vinden in de wetten en regels der oud-friesche taal, boven en behalven al de andere algemeen-nederlandsche formen van nieue patronymika, die ook allen onder hen in geslachtsnamen voorkomen, gelijk in de vorige bladzyden herhaaldelik aangetoond is.

De byzonder friesche formen van nieue patronymika komen in alle oorspronkelik friesche gouen van noordelik Nederland zeer veelvuldig als geslachtsnamen voor. Behalven in noordelik Noord-Holland—welke uitzondering by de oude patronymika eveneens plaats heeft. Daarentegen zijn deze byzonder-friesche maagschapsnamen in de friesche landen van noordelik Duitschland weinig minder algemeen als in onze gewesten tusschen Fli, Lauers en Eems.

By deze geslachtsnamen kan men drie hoofdgroepen onderscheiden; te weten:

1º. Namen die op eene enkele a eindigen (Gerbranda).

2º. Namen die op ma uitgaan (Abbema). De namen op na (Ukena) formen hier van eene bygroep. [112]

3º. Namen, waar van de laatste lettergreep sma is (Geertsma). Hiervan formen de namen op sema (Geertsema), op sna (Snelgersna) en sena (Sierksena) bygroepen.

§ 44. In de oud-friesche taal wordt de tweede naamval van sommige woorden, vooral van die welke op eene opene lettergreep uitgaan, geformd door achtervoeging van eene a, of door verwisseling der toonlooze e, op het einde van eenig woord, met a. B. v. het woord campa, gevecht, wordt of liever blijft in den tweeden naamval campa, van het gevecht; tunge, tong, wordt in den genitivus tunga, van de tonge; en are, oor, wordt ara, van ’t oor. By eigennamen vooral was deze tweede-naamvalsforming byzonder in zwang, en bleef dat ook nog toen, in de 16de en 17de eeu, die forming op a by gemeene zelfstandige naamwoorden reeds langeren of korteren tijd, in de verschillende gouspraken der friesche taal, uitgestorven was en in onbruik geraakt. De voorbeelden hier van zijn maar voor het grypen in d’ oorkonden die in d’oude friesche taal opgesteld zijn, b. v. in het Register van den aanbreng van ’t jaar 1511 en in de Oorkonden van ’t St. Anthonij-Gasthuis te Leeuwarden. In ’t eerstgenoemde werk b. v. vinden wy eenen man genoemd Jarich Focka zoen, dat is: Jarich Fokke’s zoon, of Jarich Fokkes, zoo als men heden ten dage spreekt en schrijft. Dit Focka is hier niet een vaste toenaam, veel min een vaste geslachtsnaam, die van vader op zoon overgaat, maar eenvoudig een patronymikon, eenvoudig de naam van den vader van dezen Jarich, in den tweeden naamval. En zoo is het ook met de volgende namen en met zeer vele anderen, die allen in bovengenoemde boeken voorkomen. In het Register b. v. Hette Feycka zoen, Renick Homma zoen, Pier Roucka zoen, Gosse Goffa zoen, enz.; in ’t Oorkondenboek, in eene oorkonde van den jare 1436: »om Buwa ende Beyka beda willa”, dat is: om de wille van het verzoek (bede of gebed) van Boue en Beike.

Deze friesche patronymika waren natuurlik oorspronkelik strikt persoonlik, even als de andere patronymikale formen op ing, op s, op en, enz. Maar even als dezen gingen zy, door verloop van tijd, en sedert men van de eigenlike beteekenis dezer toenamen niet zoo duidelik meer bewust was, langzamerhand ook op [113]de zonen en op de verdere nakomelingen over van den man, van wiens naam ze waren afgeleid; zy werden vaste toenamen, later vaste geslachtsnamen. Zoo komt het patronymikon Homma, gelijk Renick Homma zoen bovengenoemd droeg naar den naam zijns vaders Homme, nog heden in Friesland als geslachtsnaam voor. Zoo ook Hommes, dat eveneens een patronymikon is van den zelfden frieschen mansvóórnaam, maar in nieueren form; en al mede Homminga en Hommema, welke namen ook al het zelfde beteekenen.

De geslachtsnamen op eene enkele a uitgaande, behooren, met die op inga eindigende, tot de oudste formen van friesche patronymika. Van daar dat juist deze namen in kleiner aantal onder ons voorkomen, als zulks met de andere formen van friesche geslachtsnamen het geval is. Vele geslachten die zulke oude, eenvoudige namen dragen (Aytta, Hermana, Martena, Folkerda), zijn reeds sedert langen of korten tijd uitgestorven, en wy kennen nu hunne namen slechts uit geschiedboeken, oorkonden en opschriften. Zoo zijn ook de oudste munten de zeldzaamsten. Daarby zijn deze geslachtsnamen dikwijls versleten, samengetrokken uit hunne volle, oorspronkelike formen; of ook afgeleid van mans- en plaatsnamen die tegenwoordig onder de Friesen niet meer bekend of in gebruik zijn. Daardoor zijn ze vaak moeielik om te verklaren. Weêr eveneens als de oudste munten die ’t meeste versleten zijn, en die in hunne opschriften soms personen- en plaatsnamen vermelden, welke men heden ten dage niet meer kent.

In § 91, 101 en 102 worden de hedendaagsche friesche geslachtsnamen vermeld, die door achtervoeging van eene a, van plaatsnamen geformd zijn. Hier hebben wy ons slechts bezig te houden met die geslachtsnamen, welke op de zelfde wyze van mansvóórnamen afgeleid zijn. Zie hier eenigen daar van als voorbeeld: Alberda, Algra, Andla.58 De oorsprong der namen Alberda (met Albarda), Bernarda, Bruna, Menalda, Reinalda (met Reenalda, Renalda, en zelfs verbasterd Ringnalda en [114]Ringenalda) en Wynalda, van de mansvóórnamen Albert, Bernard, Bruno, Menald (Meinout, Meginhold, Meginhalt), Reinald (Reinout, Reginald, Raginholt) en Wynald (Winout, Winhalt), ligt voor de hand; te meer wijl deze vóórnamen nog in gebruik of althans genoeg bekend zijn. Andla en Andela, Gosliga (met Van Gosliga, Goslinga en Van Goslinga), Idsarda (met Idzarda en Idserda), Jilderda, Ruurda, Sjoerda, Tjaarda en Tjarda zijn patronymika van de mansvóórnamen Andle, Goslig (Goslich, Gosling), Idsart of Idsert (Edsart), Jildert, Ruurd, Sjoerd en Tjaard, die allen by de Friesen nog in volle gebruik zijn. Hameka, met Hammeka, komt van Hameke of Hamke, een verkleinform van den oud-germaanschen, by Förstemann vermelden naam Hamo, die als Hamme by de Friesen in gebruik is, en ook aan de geslachtsnamen Hamminga, Hamming, Hammingh, Hammink, † Hammama, Hamje (zie bl. 70) en Hammes met Hamkema oorsprong gaf. Algra en Algera zijn tweede-naamvallen van den oud-germaanschen, in Friesland als Alger nog gebruikeliken mansvóórnaam Algar, Adelger, Athalgar, van welken naam ook de geslachtsnaam Algersma is afgeleid. Popta met Van Popta en Pupts zijn afgeleid van den mansvóórnaam Popt, door Brons als een byzonder friesche vermeld, en die als een byform van den algemeen bekenden mansnaam Pop, Poppe (Popke) te beschouen is. Rembada is een versleten form van Rembalda, overeenkomstig de friesche uitspraak (kald, koud = kâ’d; wrald, wereld = wra’d); en Rembald (Reginbalt, Reinbout) is een volle, oude mansvóórnaam. De mansvóórnaam Rippert, die aan de geslachtsnamen Ripperda en Rypperda ten grondslag ligt, was vroeger algemeen in de Nederlanden in gebruik. In de 17de eeu was hy in Holland geenszins zeldzaam. Ook thans is hy, hier en daar, nog niet volkomen uitgestorven. Over Tjaard zie men bl. 62.

Sjoerda en Sjoorda zijn vadersnamen van den mansnaam Sjoerd, in Friesland een der algemeenste vóórnamen. De oorspronkelike form van dezen naam is Sigurd (Sîg-ûrd), en dit is de byzondere oud-noorsche en oud-friesche form van het hoogduitsche Siegfried, een naam die oudtijds in Holland en elders in de [115]Nederlanden als Sîgfert, Sifert, Sivert, Syvert, Seifert, Sieuert werd uitgesproken, en waar de geslachtsnamen Sieuertz; Siewertsz, Siewertsen, Sieverts, Cijffers nog van afkomstig zijn. De zachte friesche g van den oud-frieschen form dezes naams Sigurd, verfloeide tusschen twee klinkers al spoedig tot eene j: Sigurd, Si-j-urd, Sjûrd, in hollandsche spelling Sjoerd. De duitsche Friesen aan Eems, Weser, Elve en Eider spellen dezen naam nog heden als Siud, Siut, zonder r, wijl zy, en ook de nederlandsche Friesen, in hunne uitspraak van dezen naam de r niet hooren laten (Sjoe’d). In vorige eeuen, toen de aanzienliken, vooral de geleerden onder de Friesen hunne namen verlatynschten, toen zy van Hette maakten Hector, van Tjaard Tarquinius, van Tjibbe Tiberius, toen verformden zy Sjoerd tot het barbaarsche Suffridus, een mansvóórnaam die nog heden onder de Friesen in gebruik is. Nevens Sjoerda en Sjoorda zijn van den mansnaam Sjoerd nog afgeleid de geslachtsnamen Sjoerdinga, Sjoerdema, Sjoerdsma (in oude oorkonden als Siurdisma geschreven), Sjoerds (deze naam heeft in Holland, volgens de hollandsche uitspraak, de d verloren en is tot Sjoers geworden), Siurtz, Siutz, Sjuds, enz. De drie laatsten in Oost-Friesland. Sjoerda-staten eindelik zijn er te Kollum, Oenkerk en Lioessens, allen in Friesland.

De mansvóórnaam Sjaard, ook in Friesland in volle gebruik, en die aan de geslachtsnamen Sjaarda, Sjarda en † Sjaardema ten grondslag ligt, moet met Sjoerd niet verward worden. Sjaard immers is eene verkorting, volgens de friesche uitspraak, van Sighart, Si-j-(h)art, Si-jaart, Sjaart. De beteekenis van dezen naam is zegaart of overwinnaar; hy komt dus overeen met den meer gebruikeliken latynschen naam Victor. Als geslachtsnaam komt deze naam in den form Siegart voor, waarvan Segaar en Siggaar, in Holland inheemsch, zekerlik verbasterde formen zijn. Want aan het woord cigaar is by de verklaring dezer namen niet te denken.

Wiard is een oud-friesche mansvóórnaam, onder de Friesen nog in volle gebruik, evenals Wierd, Wiert, Weert, en, met dezen, eene samentrekking van den vollen naam Wîghart (Wi-j-(h)art). Van dezen naam zijn ontleend de geslachtsnamen Wiarda, die over [116]geheel Friesland tusschen Fli en Weser veelvuldig verspreid is, Van Wyarda, Wearda, Wierda, Weerda, Wiards, Wierts, Wiertz, Weerds, Weerts, Wiertsema, Wiertzema, Wierdsma, Wierdema, enz. In sommige friesche gouspraken luidt de naam Wiard als Weiert; vandaar de geslachtsnamen Wyerda en Weyerda. De naam van het oud-friesche dorp Wiarden in Wrangerland (Oldenburger Friesland), die eveneens van den mansnaam Wiard is afgeleid, wordt in de wandeling ook als Weierden, Weieren, Wei’rn uitgesproken.

Den mansvóórnaam die aan de geslachtsnamen Jorna en Jurna ten grondslag ligt, zoomede aan † Jornsma en misschien ook aan Jörning, zal de niet-friesche lezer niet gemakkelik herkennen. Het is Jorn, en deze naam vertoont de friesche uitspraak van den oud-germaanschen mansnaam Eburwin, die als Eberwein in Duitschland, en als Everwijn in Nederland nog wel als mansnaam in gebruik is. Eburwin of Evorwin, Ivor(w)in, I(v)orin, Jorin, Jorn. In den naam van het friesche dorp Jorwert (waarvan de maagschapsnaam Jorwerda—zie § 91), en in den nog gebruikeliken frieschen mansvóórnaam Jorrit (waarvan de patronymikale geslachtsnamen Jorritsma en Jurritsma), treffen wy deze zelfde byzondere uitspraak aan. Immers de friesche mansvóórnaam Jorrit is de zelfde naam als Eberhart, Everhart, Everaart in andere germaansche talen. Jorrit is eigenlik voluit Jorhart, volkomen zoo als Gerrit eigenlik voluit Gerhart is. In middeleeusche oorkonden en zelfs nog wel in geschriften van lateren tijd staat de hedendaagsche friesche dorpsnaam Jorwert als Everwert of ook Everwirth geboekstaafd. De Angel-Saksen en de hedendaagsche Engelschen, zoo na aan de Friesen verwant, hadden en hebben deze zelfde uitspraak. Den hedendaagschen naam toch van de engelsche stad York, in het Latyn Eboracum, schreven de oude Engelschen Eurewic (Evrewic),59 de Angel-Saksen Eforvic, dat is I(v)or(r)ic of York. De friesche plaatsnaam Jorwert en de engelsche plaatsnaam York moeten dus eigenlik in goed-nederlandsch geschreven worden Everwert en Everwijk. Werkelik schreven dan ook de oude Nederlanders [117]aldus; Kiliaan b. v. heeft: »Eberwijck of Jork.” En de friesche patronymikale geslachtsnamen Jorna en Jorritsma zijn letterlik de zelfde namen als de zeeusche geslachtsnaam Everwijnse (zie bl. 89), als Everijnsz dat ik elders vond, en als Everaarts, Eberhardi, Eberhardts, enz.

Aangaande het verschil tusschen Jorna en Jurna, Jorritsma en Jurritsma, op eene byzonder-friesche uitspraak berustende, zie men § 78, by de namen Van Borkum en Van Burkom.

§ 45. De friesche patronymikale geslachtsnamen op ma eindigende, hebben eenen zeer byzonderen oorsprong. Zy bestaan, in hunnen oorspronkeliken form, uit twee deelen: uit den een of anderen mansvóórnaam in den tweeden naamval, en uit het achtervoechsel ma; b. v. Gercama, bestaat uit Gerca, een oud-friesche tweede-naamvalsform (zie bl. 112) van den nog heden ten dage onder de Friesen in volle gebruik zijnden mansvóórnaam Gerke (een verkleinform van den ouden naamstam Ger, Gero), en uit ma. En dit achtervoechsel ma beteekent eenvoudig man. Dus Gercama is letterlik man (zoon, hoorige) van Gerke of van den kleinen Gero; Lycklama is man van Lykle, een heden ten dage nog in volle gebruik zijnde friesche mansvóórnaam, en dit is weêr een geheel verknoeide vleinaam van den kerkeliken mansnaam Nicolaus. Zoo geven ook de Friesen in het dageliksche leven den naam van Likelsgea of St. Liklesgea aan het dorp St. Nicolaasga (ga of gea is dorp in het Friesch) in Doniawarstal. Zie bl. 64.

Het woord man of ma, de laatste lettergreep der friesche patronymikale geslachtsnamen die op ma eindigen, heeft in dit geval in ’t algemeen de beteekenis zoowel van zoon als van kleinzoon en nakomeling, ook van neef, broeders of zusters zoon, of van jongere broeder, en dan nog van hoorige, volgeling, dienstman. Men stelle zich eenen ouden stamvader voor, een man nog in de volle kracht des levens, ofschoon hy reeds verscheidene volwassene kinderen heeft, en eene geheele school van kleinkinderen. Zyne zonen wonen met hunne vrouen en kinderen by hem op de zelfde stamsate, op de zelfde landhoeve. En ook eene groote schare hoorigen, dienstmannen, knechten en maagden wonen, ten deele met hunne gezinnen, op het heem of in de onmiddellike nabyheid der sate. [118]De oude Gerco, een echte Stand-Fries, is het hoofd van dit groote gezin, welks leden door een zelfde belang verbonden en gebonden zijn. Hy is als een aartsvader, als een kleine koning over dezen stam van volk, over dezen clan, die soms wel uit honderd personen bestaat. Al die lieden noemen zich naar den ouden vader, naar aller hoofd en broodheer. Naar zynen naam noemen zy zich Gercama of Gercamannen, mannen van Gerke.

Het woord man vinden wy in het Oud-friesch gewoonlik als mon, soms ook als man, en als men of mena in het meervoud, ook als mona in den tweeden naamval van het meervoud. Dat het ook wel, door afslyting der slot-n als ma luidde, leert ons het woordje men, dat in ’t Oud-friesch als ma, later ook als me voorkomt, en nog heden wel in dien form door de Friesen in hunne spreektaal gebruikt wordt; b. v. me scoene sizze! men zou zeggen! Dit woordje men (ma, me) is anders niet als het woord man in meervoudsform. En dat ook de hedendaagsche Friesen het aldus opvatten en gebruiken, blijkt uit den meervoudsform, dien zy aan het werkwoord geven, dat door men beheerscht wordt; ma scoene sizze, en niet ma scoe sizze, op de wyze der Hollanders, die het werkwoord dat door hun woordje men beheerscht wordt, in het enkelvoud nemen, en zeggen: men zou zeggen, en niet men zouden zeggen.

Maar genoeg! Het achtervoechsel ma achter vele friesche patronymikale geslachtsnamen is werkelik het woord man in het meervoud. En dit blijkt onweêrsprekelik uit de oude formen waarin deze namen in oude oorkonden voorkomen. Zoo komt de naam Frouwama, eigen aan een geslacht van friesche edelingen, in Hunsego gezeten, in oorkonden der 13de en 14de eeu voor als Frouwamona. (Over de beteekenis van dezen naam zie men § 60). Verder Bolsma als Bolesmona, Sierksma als Sirikesmona, Brongersma als Brungersmona, enz. By verloop van tijd ging deze volle form mona ook, door verfloeiing der klanken, in mena over. Zoo brengt eene oude oorkonde ons den naam der Luidera-mena in Garreweer (Fivelgo). Luidera-mena, dat is letterlik: de Luidera-mannen, de mannen van Luider, een verloopene oud-germaansche mansvóórnaam, die in zynen vollen oudsten form Lutheri (Luther, Lothar, Chlotar) is. Deze oorspronkelike beteekenis der geslachtsnamen [119]op mona, mena, ma eindigende, was den middeleeuschen Friesen, in de 13de en 14de eeu, nog ten vollen bewust. Sicco Siccama b. v. toen ten tyde levende, wist zeer wel dat zijn geslachtsnaam oudtijds voluit Siccamona geweest was, dat hy dus de Sicco of Sikke was der Sicca-mannen, der mannen van Sicco, zynen ouden stamvader, wiens naam hy ook nog als doopnaam droeg. In middeleeusche friesche oorkonden en in middeleeusche chronyken, als deze geschriften in de latynsche taal opgesteld zijn, vindt men deze geslachtsnamen ook verlatynscht, waaruit dan blijkt dat de vertaler zeer wel de beteekenis kende van het achtervoechsel mona, mena, ma. Zoo vind ik in de Gedenkschriften der Abdy Mariëngaarde door Æ. W. Wybrands uitgegeven, op ’t jaar 1224, de Blondera-viri genoemd, en in de aanteekening in dat werk, op bl. 152, de Sembranda-viri, de Ummegga-viri (Umminga-mannen), de Wibrenda-viri en de Herwarda-viri, als vermeld wordende in de Vita Frethrici en in andere levens van oud-friesche geesteliken en heilige mannen. Verder vinden wy nog in oude oorkonden, dat in de 13de eeu te Uithuizen (Groningerland) de Aybadamani (Aybada-mannen, mannen van Aybad, Adelbald) wonen, even als in het naburige Warfum de Dincinga-manni, de Obeka-manni en de Onninga-manni, en dat er te Oldesyl eene area Aylbadis-mannorum was. Zoo ook heerschten in de middeleeuen in oost-friesche gouen de Beninga-mannen, even als tusschen Fli en Lauers de Ludigmannen (Ludinga-mannen), de Fortemannen en Jellamannen aanzienlike geslachten waren.60 (Jellaman, nog heden als geslachtsnaam Jellema bestaande, is man van Jelle, en Jelle is een nog hedendaags zeer gebruikelike friesche mansvóórnaam).

Slechts weinige hedendaagsche friesche geslachtsnamen op ma eindigende, vertoonen nog den mansvóórnaam, die er aan ten [120]grondslag ligt, in den vollen oud-frieschen tweeden-naamvalsform op a (zie bl. 112). Dit zijn b. v. Dykama (zie bl. 104), Donama, Dorama, Ekama, Galama, Gercama, Gratama, Lycklama, namen die juist door deze volle oud-friesche formen hunnen hoogen ouderdom staven. Van sommigen dezer geslachtsnamen komen heden ten dage ook de versletene formen voor, als maagschapsnamen, aan andere geslachten eigen. Zoo bestaan de namen Ekema en Eekma naast Ekama; Galema naast Galama; Gerkema naast Gercama. De mansvóórnamen die aan deze geslachtsnamen ten grondslag liggen, zijn grootendeels nog heden als zoodanig by de Friesen in volle gebruik. Als voorbeeld noemen wy den naamstam van den geslachtsnaam Ekama, den mansvóórnaam Eke, ook als Eco voorkomende. Dit Eke, Eco is anders niet als eene verfloeiing, een versletene form, vooral ook als vleinaam of kosename in gebruik, van den eveneens nog gebruikeliken mansvóórnaam Eelke of Eelco. De vrouelike form van Eelke is Eelkje, en de Friesinnen die dezen naam dragen, worden, by wyze van vleinaam, gewoonlik ook Eeke (Eke) en, weêr verkleind, Eekje genoemd. Nevens den meer frieschen en saksischen form Eelke is ook de meer hollandsche form Eeltje als mansvóórnaam in gebruik. De groote friesche dichter Eeltje Hiddes Halbertsma b. v. heette alzoo. Eelke en Eeltje nu zijn verkleinformen van Ele, Elo, ook in dezen form als mansvóórnaam by de Friesen in gebruik. En Ele is eene samentrekking van Edele, een naam die in haren oudsten form als Adel, Athal onder onze vroegste voorouders niet zeldzaam was, en die in der daad de edele (man), de adellike beteekent. Zoo dat de hedendaagsche nederlandsche geslachtsnamen Ekama met Ekema, Ecoma en Eekma, Eelkinga, Eelking, Eelkema, Eelkes, Eeltjes, Edeling, Adeling, en het uitgestorvene Adelen, allen patronymikale formen, eenvoudig beteekenen: zoon van Athal.

Zeer talrijk zijn de geslachtsnamen op ma eindigende, en waar de oud-friesche tweede-naamvalsform op a van den mansvóórnaam, die aan den geslachtsnaam ten grondslag ligt, in eene toonlooze e is overgegaan; b. v. Ekema, nevens Ekama. Zie hier eenigen van die namen als voorbeeld: Attema, Aukema, Balkema,61 [121]enz. De mansvóórnamen, in deze geslachtsnamen besloten, zijn allen oud-germaansche namen, en grootendeels nog heden ten dage by de Friesen in gebruik. De mansvóórnamen Benno en Otto zijn by de meeste germaansche volkeren, by de Duitschers in de eerste plaats, nog heden in volle gebruik. Zy hebben oorsprong gegeven aan de friesche geslachtsnamen Bennema en Ottema. Ook de mansvóórnaam Klaas, die ten grondslag ligt aan den geslachtsnaam Klasema, is bekend genoeg. Klasema en Lycklama (zie bl. 117) zijn dus twee geslachtsnamen die, met Klaassen, Claessens, Claeissone, Klaaysen, Klazes, Klasinga, Klasing, Clausing, Nicolai en vele anderen, volkomen het zelfde beteekenen. Atte, Auke, Beint, Epke, Feike, enz., de namen die aan de andere ma-namen ten grondslag liggen, zijn als mansvóórnamen by de Friesen nog in volle gebruik.

Als de mansvóórnaam die besloten is in eenig patronymikon op ma eindigende, niet op eenen klinker uitgaat, maar op eenen medeklinker, dan is er gewoonlik, om de wille der welluidendheid, eene e gevoegd tusschen dien mansvóórnaam en het achtervoechsel ma. By Beintema, Gjaltema en Klasema, afgeleid van Beint, Gjalt en Klaas, is dit het geval. Een paar andere voorbeelden van dezen form zijn nog de geslachtsnamen Frankema en Joostema, van de mansvóórnamen Frank en Joost.

De friesche mansvóórnamen die in onze oudste oorkonden veelal met eene a op ’t einde werden geschreven (Humma of Homma, Hetta, Saka, tegenwoordig Homme, Hette, Sake), werden oudtijds, gelijk ook heden nog, even zeer wel met eene o als sluitletter geboekstaafd; b. v. Eelke = Eelco, Otte = Otto, Rinse = Renso, Harke = Harco. De o is in deze namen van jongere dagteekening dan de a, en waarschijnlik door duitschen infloed in gebruik gekomen, toen in de dageliksche spreektaal de oorspronkelike a tot eene toonlooze e verfloeide. Deze o is althans reeds van ouds her, even als nog heden, meer by de Oost-Friesen en Groningerlanders in gebruik achter hunne friesche mansvóórnamen, [122]dan by de westerlauersche Friesen. In deze eeu vooral heeft de schrijfwyze met o weêr meer veld gewonnen, en komt ook by de westerlauersche Friesen meer en meer in gebruik. Het schijnt dat men deze spelling en uitspraak voor fraaier houdt dan die met de toonlooze e. En zy is dit ook in der daad. En dat men ook in vorige eeuen die o reeds voor welluidender, vooral ook voor deftiger hield dan de toonlooze e, bewyzen de zeventiende-eeusche herformde predikanten uit het geslacht Albertema, waarvan eenigen hun ambt in Friesland (te Leeuwarden, Groningen en Emden) vervuld hebben, en die hunnen geslachtsnaam tot Alberthoma verfraaiden. Albert Albertema (dat is: Albert Albertszoon) schreef zynen naam, als dominus: Albertus Alberthoma. Een echt-pruikerige naamsform!

By eenige ma-namen is die o tot op den dag van heden in stand gebleven; b. v. by Deroma, Ecoma, Heeroma, Van Heloma, Tacoma en Takoma, enz.

Velen van deze ma-namen komen ook in eenen verkorten, als het ware in eenen samengekrompenen form voor. Zoo bestaat er nevens Ekema met Ekama en Ecoma ook de geslachtsnaam Eekma; naast Abbema, Bokkema, Bottema, Eikema en Hobbema komen ook Abma, Bokma, Botma, Eickma en Hobma voor. Het is duidelik dat al deze namen oorspronkelik geen verschil opleveren, dat zy allen den zelfden oorsprong hebben en het zelfde beteekenen. Namelik man of zoon van Eke (zie bl. 120), Abbe, Bokke, Botte, Eike en Hobbe, allen nog heden gebruikelike mansvoornamen.

§ 46. Nevens de ma-namen komen in de friesche gewesten ook eenige geslachtsnamen voor die op na uitgaan. Ook dit zijn oud-friesche vadersnamen, en zy leveren met de ma-namen slechts een uiterst gering verschil op. Naar veler meening is er tusschen deze twee namengroepen geen ander verschil dan dat het welk door het verschil in tongval tusschen de Friesen bewesten Lauers en beoosten Eems veroorzaakt wordt. En in der daad kan men opmerken dat de na-namen in Oost- of Duitsch-Friesland volkomen de ma-namen in West- of Nederlandsch-Friesland vertegenwoordigen en dekken. Zoo vindt men in Oost-Friesland van ouds her de [123]geslachtsnamen Attena, Habbena, Sydsena, Ottena enz. nevens Attema, Habbema, Sytsema en Ottema in Friesland tusschen Fli en Lauers.

Den oorsprong, in taalkundigen zin, dezer na-namen, die ook in het nederlandsche Friesland niet ontbreken, kan ik niet met zekerheid aangeven. De uitgang na kan evenzeer als ma, eene verslyting zijn van den vollen oud-frieschen patronymikalen uitgang mona (zie bl. 117). Zoo kan de oostfriesche geslachtsnaam Frouwana zoo wel uit den ouden vollen form Frouwa-mona ontstaan zijn, als de groningsch-friesche naam Frouwama. Het hedendaagsche verschil tusschen m en n kan dan zynen oorsprong hebben in een oorspronkelik gering verschil in uitspraak, volgens tongval of plaatsing van den klemtoon, by Oost- en West-Friesen. Maar de uitgang na kan even zeer beschoud worden als een oud-friesche tweede-naamvalsform, die de zelfde is als de oud-nederlandsche tweede-naamvalsform op en, welke in § 40 besproken is. De omstandigheid dat deze oud-friesche na-form in geschriften uit de 15de en 16de eeu dikwijls vervangen wordt door den nederlandschen tweeden-naamvalsform op en, legt veel gewicht in de schaal ten voordeele van deze zienswyze. Immers is juist de 15de en 16de eeu de tijd dat het zuivere Oud-friesch uitsterft, en door de friso-frankische en friso-saksische mengelspraken van Holland en noordwestelik Duitschland vervangen wordt. In dien tijd van overgang vinden wy den naam van eenen en den zelfden man nu eens op oud-friesche wyze als Ayolt Wibena, dan weer op oud-nederlandsche wyze als Ayolt Wyben geschreven. De beteekenis van deze beide naamformen is de zelfde. Het is duidelik Ayolt, (zoon) van Wibe of Wybo. Een ander man uit dien tijd vinden wy nu eens als Thiark Jellena, dan eens als Tjarck Jellen vermeld. En een derde nu eens als Sibad Atsena, dan eens als Sybolt Atzen. De laatste hooftling van het dorp Berum, in de eerste helft der 15de eeu levende, wordt in oude oorkonden nu eens Marten Sitzena, dan weêr Martinus Sytzen genoemd. En zoo wisselt ook de naam van den bekenden krijchsveerdigen hooftling van Leer af als Fokke Uken en Focke Ukena. En geen wonder! In die dagen verstonden en gebruikten de Friesen nog hunne aloude taal in hare volle, zuivere formen. Maar zy begonnen [124]toen ook al meer en meer de nederduitsche taal, door den infloed hunner saksische en frankische buren in Neder-Duitschland en Nederland, te gebruiken; vooral in hunne geschriften. Voor de 15de en 16de eeusche Friesen was het even duidelik of zy Marten Sytsena zeiden en schreven, of Merten Sytsema of Maerten Sitzen of Sytzen. Alle deze formen immers beteekenen het zelfde. Te weten: Marten, zoon van Sytse, of Marten Sytses, zoo als men heden ten dage in het nederlandsche Friesland spreekt en schrijft. Deze omstandigheid is dan ook oorzaak dat nog heden ten dage alle drie of vier deze tweede-naamvalsformen als samenstellend deel van friesche geslachtsnamen voorkomen; b. v. Epena, Epen, Epema en Epesz, van den frieschen mansvóórnaam Epe afgeleid, en allen (zoon) van Epo beteekenende.

Komen de na-namen meest in de oostfriesche gewesten voor, ja moet men ze als eigenaardig oostfriesche namen beschouen, zy ontbreken toch ook niet in het nederlandsche Friesland. En die welke in de nederlandsch-friesche gewesten voorkomen zijn daar ook niet uit Oost-Friesland ingevoerd, althans niet allen, maar oorspronkelik aldaar inheemsch. En even als Groningerland door zyne ligging tusschen de oost- en de westfriesche gouen, als eene verbinding daar tusschen beschoud moet worden, zoo komen de na-namen ook in de groninger-friesche Ommelanden meer voor dan in het land tusschen Fli en Lauers. Het aantal echter der na-namen staat in de nederlandsch-friesche gewesten in geen vergelyking met dat der ma-namen. Zoo talrijk de laatsten zijn, zoo zeldzaam zijn de eersten. My zijn geene andere bekend dan Altena, Bultena, Domna,62 enz. En deze geslachtsnamen zijn allen van oud-friesche mansvóórnamen afgeleid. Domna b. v. van Domme of Dome, een mansnaam die in de lijsten van Leendertz nog vermeld wordt, en eveneens in Förstemann’s Namenbuch. De geslachtsnamen Dommisse (zie bl. 99) en † Doma zijn ook patronymika van dezen zelfden vóórnaam. Doma-sate is nog de naam eener landhoeve te Anjum in Dongeradeel (Friesland). Heden ten dage wordt de vóórnaam Domme door niemand in Friesland [125]meer gedragen. Welke vader ook zoude eenen naam met zulk eene beteekenis aan zynen zoon geven? Maar die ongunstige beteekenis is slechts schijnbaar. De vóórnaam Domme of Dome heeft niets uit te staan met het byvoegelike naamwoord dom, maar is oorspronkelik ons woord doem (nog in verdoemen over), Oud-hoogduitsch tuom, Oud-noorsch tôm, en judicium, oordeel, beteekenende. Zie Förstemann’s Namenbuch op den naam Dom.

De namen Bultena en Altena dienen hier nog afsonderlik besproken te worden. De eerstgenoemde naam wordt gedragen door een geslacht van vrye friesche boeren, dat gezeten is in de buurschap De Bult by Bellingawolde in Groningerland. En het heeft den schijn alsof deze geslachtsnaam geformd ware naar aanleiding van den plaatsnaam, zoo als trouens vaak geschied is. Intusschen meen ik wel te mogen beweren dat hier slechts eene toevallige overeenkomst aanwezig is, en dat Bultena wel degelik een echt oud-friesch patronymikon is, afgeleid van den mansvóórnaam Bult. Deze oude naam is, met Bultet, een byform van den mansvóórnaam Bulle, Bolle, Boele, Bole, en schijnt, denkelik wel om zyne min-gunstige by-beteekenis, oudtijds weinig in gebruik geweest te zijn. Tegenwoordig is hy volkomen buiten gebruik gesteld. Maar dat hy vroeger wel degelik in gebruik geweest is, blijkt onweêrsprekelik uit de geslachtsnamen Bultema en Bultsma in Friesland, en Bultynck in Vlaanderen. Zoo mede uit den naam van het gehucht Bultinge by Runen in Drente, en misschien ook uit dien van het gehucht Bulthusen by Jemgum in Reiderland (Oost-Friesland).

Alte, de mansvóórnaam waar de geslachtsnaam Altena aan is ontleend, is reeds op bl. 28 besproken geworden. En in zoo verre als Alte een oude mansvóórnaam is, kan er ook geen twyfel bestaan aan den patronymikalen oorsprong van den geslachtsnaam Altena. Maar omdat deze naam toevalliger wyze ook kan opgevat worden als drie nederlandsche woorden, als al te na, zoo is het volksvernuft er mede gaan spelen, even als ook geschiedt met den oostfrieschen patronymikalen geslachtsnaam Denkna, waar van men vertelt dat het oorspronkelik een bevel zoude zijn om na te denken; denk na! Niet te min is Denkna eenvoudig een patronymikon van den oud-germaanschen mansvóórnaam Denke [126]Dank, Tanc, die nog deel uitmaakt van de samengestelde mansvóórnamen Danklef, Dankwart (Tanquart) en Dankret (Tancred). En zoo heeft men ook dien naam Altena gegeven aan huizen en plaatsen, die al te na by iets anders stonden of lagen, vooral ook aan herbergen, die even buiten de poorten eener stad, dus al te na daar by stonden. Volgens de volksoverlevering is dit ook de oorsprong van den naam der stad Altona, even buiten de poorten van Hamburg gelegen. En waarom zoude dit niet het geval wezen? Maar zeker is het dat de herberg aan de Streek, even buiten Dokkum, Altena heet, omdat zy zoo na by de poort der stad gelegen is. En dit is ook het geval met het gehucht Altena by Idsegahuizen, met het voormalige blokhuis Altena vlak tegenover Deventer, met het voormalige kasteel Altena vlak buiten de Schoolpoort te Delft; met Altona, onmiddellik by de stad Gewarden (Jever), met Altona by Sengwarden in Jeverland, met Altona by Tettens in Wrangerland, enz.—deze drie laatste plaatsen in de friesche gouen van Oldenburg. En zoo is dan ook de naam van menig geslacht Altena in Holland en in andere niet-friesche gewesten van Nederland inheemsch, van eenen dezer plaatsnamen afgeleid, en heeft niets te maken met het friesche patronymikon Altena.

§ 47. Strikt genomen formen de friesche patronymikale geslachtsnamen die op sma of sema, sna of sena eindigen, en die ik hier thans nader bespreken wil, geen afzonderlike groep van geslachtsnamen. Eigenlik maken zy slechts eene onder-afdeeling uit van de ma- en na-namen. Want oorspronkelik behoort de s van sma en sna niet tot dit achtervoechsel, maar by den stam van den geslachtsnaam, by den mansvóórnaam die aan den geslachtsnaam ten grondslag ligt. Het dan overblyvende ma (ema) en na (ena) is volstrekt niets anders als het achtervoechsel ma en na, dat in de vorige bladzyden behandeld is. De maagschapsnamen Halbertsma en Geertsema b. v. bestaan niet uit de lettergrepen Halbert en sma, Geert en sema, zoo als gewoonlik aangenomen wordt; maar uit Halberts en ma, uit Geertse (omzetting van Geertes) en ma. En die s, ingeschoven tusschen den stam van den geslachtsnaam of den oorspronkeliken mansvóórnaam, en het achtervoechsel ma, is werkelik [127]niets meer of minder dan de s, waarmede in de nederduitsche en in de nieue friesche mengelspraken (friso-frankisch en friso-saksisch) den tweeden-naamval geformd wordt. Halbertsma wil dus eenvoudig zeggen: de ma of man, dat is: de zoon of de volgeling van Halbert, van den stamvader die Halbert heet; dus Halberts man. En Geertsema is Geertes man, de zoon van Geert.

Uit een taalkundig oogpunt beschoud, zijn deze namen niet onberispelik van form; zy vertoonen zoowel oud-friesche taalformen (de uitgang ma), als saksische of frankische (de s in den tweeden-naamval). Het patronymikon op ma van de mansvóórnamen Halbrecht en Gerhart zoude in zuiver oud-frieschen form Halbertama en Gertama moeten zijn. De sma- (en sema-) namen konden dan ook eerst ontstaan in eenen tijd, toen het gevoel voor taalzuiverheid reeds sterk afnam by het friesche volk in ’t algemeen, en by sommige stammen daarvan, vooral by die welke tusschen Lauers en Eems woonden (de hedendaagsche Groningerlanders), in het byzonder. In eenen tijd toen reeds hier en daar in de aloude friesche taal vreemde formen uit de friso-saksische gouspraken van Neder-Duitschland, uit de friso-frankische tongvallen van Holland werden opgenomen. De sma-namen zijn dan ook van jongere dagteekening als de friesche patronymikale namen die op enkele a, op inga, ma en na uitgaan. In de 13de eeu mogen er reeds hier en daar enkelen van deze sma-namen voor den dag gekomen zijn—dat waren dan ook de allereersten. De anderen zijn allen van lateren tijd. En zeer velen, zoo niet de meesten, dagteekenen eerst uit de vorige eeu, en zelfs uit het begin van dit loopende jaarhonderd. Een der oudste sma-namen, my bekend, is die van het geslacht der Bolesmona dat in de 13de eeu te Stedum in Fivelgo (Groningerland) gezeten was. Bolesmona, Boles mona, dat is: de Boles mannen, de mannen van Bole, en Bole (Bolle, Boele, Bulle, zie bl. 95) is een oud-friesche mansvóórnaam. De oorspronkelike naam Bolesmona treedt later als Bolesma en Bolsma voor den dag, en bestaat in laatstgenoemden form nog als een hedendaagsche geslachtsnaam. Zoo vindt men in oude oorkonden ook de Sirikesmona en de Brungersmona vermeld als friesche geslachten. Die namen, mannen of zonen van Sirik, Sierk en van Brungar, Bronger beteekenende, [128]komen nog heden onder de Friesen als de geslachtsnamen Sierksma en Brongersma voor.

De opmerkzame navorscher heeft by het doorsnuffelen van oude friesche oorkonden en chroniken overvloedig gelegenheid om den langzamen overgang van oud-friesche patronymika, als Bolesmona, tot de hedendaagsche friesche geslachtsnamen op sma eindigende, waar te nemen. Zoo vind ik b. v. in eene oorkonde van den jare 143263 den hedendaagschen geslachtsnaam Sjuksma als Siukisma geschreven. (Aangaande dit byzonder-friesche is in plaats van es, als tweede-naamvalsform achter mansvóórnamen, vergelyke men de hedendaagsche maagschapsnamen die op is uitgaan, en die in § 39 behandeld zijn). De man die in dat stuk Benka Siukisma genoemd wordt, komt in eene oorkonde van 143664 voor als Beenka Siukesma, en in eene andere van 144265 als Beenko Syuxma. Heden ten dage wordt deze naam, een patronymikon van den nog heden voorkomenden frieschen mansvóórnaam Siuk (Sjoek), als Sjuksma gespeld. Hier hebben wy nu drie verschillende formen van eenen en den zelfden naam in een klein bestek by elkanderen—duidelik het ontstaan van het achtervoechsel sma uit esma en isma aantoonende. Tevens als voorbeeld van de onnaukeurigheid en onstandvastigheid onzer voorouders wat het spellen hunner namen betreft. In mijn geschrift Een en ander over friesche eigennamen kan men nog meer dergelyke voorbeelden vinden.

§ 48. De sma-namen zijn zeer talrijk, en hooftsakelik in Friesland tusschen Fli en Lauers inheemsch. In Groningerland zijn zy betrekkelik zeldzaam, en in Oost-Friesland is dit nog meer het geval. In die landstreken worden zy door de sema-namen vervangen. De sma-namen zijn grootendeels echte vadersnamen; dit zijn de ware, de oudste, de oorspronkelike sma-namen. Anderen, allen in de vorige en in het begin van deze eeu ontstaan, zijn geformd door den uitgang sma te voegen achter de namen van ambten en bedryven, of achter allerlei andere woorden. Deze zullen in § 64 en ook nog hier en daar elders in dit werk worden behandeld. [129]Van het groote getal oorbeeldige sma-namen wil ik hier slechts een klein getal vermelden. En dat is voldoende, omdat zy in den regel gemakkelik te verklaren zijn. Zie hier eenigen: Albertsma, Arendsma, Barendsma,66 enz. Van dezen namen zijn Albertsma, Arendsma, Barendsma, Brandsma, Engelsma, Meindertsma met de verwante formen Meinderdsma, Meindersma, Mindertsma en Mindersma, Pietersma met Petersma, enz. afgeleid van mansvóórnamen, van Albert, Arend, Barend, Brand, Engel, Folkert, Gerbert, Hendrik, Jan, Lammert, Meindert (Meinart, Meginhart), Pieter en Peter, Siger of Zeger, die algemeen in Nederland gangbaar zijn. Maar de byzonder-friesche mansvóórnamen Dure (zie bl. 46 en 47), Gelder, Hoite, Jorrit (zie bl. 116), Nammen, Riemer (Redmar), Sierd (Siard, Sîghart), Steen, Tjalle, Tjebbe, Tiemer (Thiadmar), Wiger en Wierd (Wiard, Wîghart) liggen ten grondslag aan Duursma, Geldersma, Hoitsma, enz. Nevens Arendsma komen ook nog de verwante, versletene of eenigszins gewyzigde formen Aartsma en Arensma (oudtijds ook † Aarnsma) voor; nevens Brandsma nog Brantsma en Bransma; verder Folkersma en Volkersma nevens Folkertsma; Lammersma nevens Lammertsma; Siersma en Wiersma nevens Sierdsma en Wierdsma (oudtijds ook † Syardsma en † Wyardsma); Wiegersma, Wygersma en Wiggersma nevens Wigersma, enz. (Dit alles wordt hier slechts vermeld om ook eene enkele maal in dit werk den rijkdom der friesche naamsformen aan te toonen.) De mansvóórnaam Gelder, waar Geldersma van afgeleid is, vindt men ook in den geslachtsnaam Geldra; over Sierd zie men bl. 115; en over Steen bl. 106. Tiemer, de mansvóórnaam die aan de geslachtsnamen Tiemersma en Tymersma ten grondslag ligt, is eene samentrekking van den vollen, oorspronkeliken form Thiadmar, een schoone oud-friesche naam. Van dezen zelfden [130]naam stammen ook de geslachtsnamen † Tiadmersna, Tiedmers, en misschien ook Diemer en Diemers met Dethmers (van Dietmar, den nederduitschen form) af. En verder de plaatsnamen Tjamsweer (samengetrokken uit Tiadmerswere, zoo als het in middeleeusche oorkonden heet), een dorp in Fivelgo by Appingadam; Tiedmerswarfe, een gehucht by den dorpe Tettens in Wrangerland (Oldenburger-Friesland); Tjummarum, een dorp in Barradeel, Friesland, welke naam oudtijds als Tiedmarum (dat is, Tiedmare-heim, Thiadmara-heim, Thiadmars woonplaats) geschreven werd; Timertsma-state te Idaart, enz.

Een byzondere friesche geslachtsnaam is Leefsma, die door een israëlitisch geslacht in Friesland gedragen wordt, en geformd is van den hebreeuschen mansvóórnaam Levi. Deze naam is van zeer jonge dagteekening, van den jare 1811, en in navolging der zuiver-friesche sma-namen opgemaakt. Dat men van Levi en sma niet Levisma gemaakt heeft, is niet vreemd. De form Levisma druischt toch tegen den geest der friesche spraak in; terwijl de form Leefsma, in dat opzicht, onberispelik is, vooral zoo men de f niet te scherp uitspreekt, maar ongeveer Leevsma zeit. Buitendien wordt de vóórnaam Levi by de Joden, in het dageliksche leven, wel verkort als Leev, Leef uitgesproken, en, vooral ook in Duitschland, als Löv, Löw, en zelfs als Löb. Onze nederlandsche form Leip (ten onrechte wel als smaadnaam gebruikt) is daarvan nog eene verdere verbastering. Die verkorte form Leef maakt ook deel uit van den nederlandsch-israëlitischen geslachtsnaam Leefmans. Leefsma is de friesche wederga van de geslachtsnamen Levyssohn en De Levie (de = van), die beiden ook in Nederland voorkomen. Eene zeer zonderlinge samenstelling vertoont deze naam. Hebreeusch en Oud-friesch in één woord vereenigd! Toch is eene dergelyke samenvoeging minder zeldzaam als men wel denken zoude. In vele friesche geslachtsnamen komt zy voor. Te weten: in de geslachtsnamen afgeleid van den eenen of anderen bybelschen of kerkeliken mansvóórnaam, die van hebreeuschen, griekschen, latynschen of anderen oorsprong is; b. v., om ons by de sma-namen te bepalen: Abelsma, Jacobsma, Simonsma (met Siemonsma, Symensma, Siemensma). Maar deze namen komen ons minder vreemd voor, [131]omdat Abel, Jacob en Simon mansvóórnamen zijn die ook door Christelike Germanen worden gedragen, terwijl Levi tot de Israëliten beperkt is.67

Sommige sma-namen, reeds eeuen oud, zijn in zeer versletenen toestand tot ons gekomen, zoo dat de oorspronkelike mansvóórnaam, die aanleiding gaf tot het formen van het patronymikon, [132]naueliks meer te herkennen is. Een voorbeeld daar van is de geslachtsnaam Van Reesema. Als men een oudere form waaronder deze naam ook voorkomt, niet kent, zoude men al licht meenen dat Reesema een patronymikon op ma (en niet op sma) ware van den oud-germaanschen mansnaam Rese, die in de naamlijst van Brons voorkomt, en waar o. a. ook de geslachtsnaam Reesink van afgeleid is. Maar Reesema werd in de vorige eeu nog Reersema geschreven, dat eene samentrekking is van Redersma. Reer, Reder, Redert is een oud-nederlandsche mansvóórnaam die in zynen vollen oudsten form Redart, Redhart is. In de 15de eeu vertoonde deze geslachtsnaam nog zynen vollen form als Redartsma. Toen was Redart Redartsma deken van Oldehove te Leeuwarden.68 In oude geschriften van lateren tijd (16e en 17e eeu) komt deze naam ook als Redertsma, Redersma en Reedersma voor. Rethardisna is een zeer oude oostfriesche form van dit patronymikon, die later in Oost-Friesland ook tot Reersna verloopen is, even als Redartsma tot Reersema en Reesema. Van dezen zelfden ouden mansnaam zijn nog afgeleid de geslachtsnamen Reterink, Reerink, Reering, Reurink, Rörink, Rörik, Rördts, Rierink, Reurts, enz. En tevens de plaatsnamen Rederstall, een dorp in Ditmarschen; Redertshausen, een dorp by Friedbergen in Ober-Beieren; Reringhausen, een dorp by Olpe in Westfalen; Reersum (dat is Rethardesheim) een dorp by Norden in Oost-Friesland, enz.

Bergsma, Brugsma, Hamersma en Wakkersma zijn geslachtsnamen wier oorsprong men ook eer in de woorden berg, brug, hamer en wakker zoude zoeken, dan in mansvóórnamen. Het geslacht Bergsma voert zelfs een varken, friesch baerch, barg, als sprekend wapen. In Kiliaan’s Woordenboek komt dit woord nog voor als »Bergh, Bargh. Maialis, porcus exsectus sive castratus. Ger. Bargh: Ang. Barrowe.” En toch ligt aan dezen geslachtsnaam, zoo mede aan Bargsma, en aan de drie andere bovengenoemde namen een mansvóórnaam ten grondslag. Berg of Barg is eene verkorting van den oud-germaanschen mansnaam Bercht, Barcht, Brecht, Bracht; ook in samenstellingen (Adelbrecht of [133]Albert, Harbrecht of Herbert) zeer algemeen. Andere geslachtsnamen van dezen zelfden mansnaam ontleend, zijn: Bergema, Bergen, Bergs en Bargen; misschien ook Bergman, Bergmans, Barchmans.—Bergsma en Bargsma, naverwante formen van den zelfden oorsprong, staan volkomen in de zelfde verhouding tot elkanderen als Albregt en Albracht, Hermans en Harms, Gerritsen en Garritzen, enz. die ook als geslachtsnamen voorkomen.

Brugsma is een versletene vadersnaam van den mansvóórnaam Brucht, die, ook als Brugt, zelfs als Brug geschreven, nog heden in Friesland in volle gebruik is. Ook kwam hy oudtijds onder alle andere germaansche volken, ook in samengestelde formen voor, als Bruchtert of Burgert (Burghart, Borchart) enz. Met Brugsma komen nog de geslachtsnamen Brugma, Bruggema, Bruchtink, Bruggink, Bruchts en Brugs, waarschijnlik ook Burga, en de plaatsnaam Burchsum (Burch’s heim, Bruchts woonplaats), een dorp op het noordfriesche eiland Föhr, van den mansvóórnaam Burcht.

De geslachtsnamen Hamersma en Hammersma, met Hamringa, Hameringa, † Hammerga en Hammers, en de plaatsnaam Hammerum (Hammara-heim), dorp in Jutland by Ringkiöbing, hebben met het bekende werktuich niets te maken, maar stammen van den oud-germaanschen, door Förstemann ook vermelden mansvóórnaam Hamar (Hamr, Hammer) af. Men houde echter in ’t oog dat deze oud-germaansche mansnaam wel degelik oorspronkelik het zelfde woord is als hamer. De hamer was oudtijds ook een wapen, een oorlochstuich (men denke aan Thor’s hamer), en de Germanen gaven geerne hunnen kinderen de namen van hunne wapens: Ger, Geer (Gerhart, Gerolf) = speer; Bronno = schild, harnas; Brant (Hildubrant, Hadubrant, Adelbrant) = zwaard, enz.

Wakkersma eindelik, met Wakkers en misschien Wakker, en met menige plaatsnaam in germaansche landen, stamt van den ouden mansvóórnaam Wakker, by Förstemann als Vacar, Wacchar, voorkomende.

§ 49. Tusschen de geslachtsnamen die op sma en die op sema [134]eindigen, bestaat geen ander verschil dan in uitspraak. Sma komt als uitgang in den regel in Friesland bewesten Lauers voor, sema in Groningerland en ook in Oost-Friesland; b. v. Geertsma in d’ eene, Geertsema in d’ andere gou. En zoo is ’t ook met Bonsma en Bonsema, met Boersma en Boersema, Bylsma en Bylsema, Duursma en Duursema, Hansma en Hansema, enz. De oorzaak van dit kleine verschil berust enkel en aleen op ’t onderscheid in tongval tusschen de Friesen beoosten en bewesten Lauers. De Friesen in ’t algemeen maakten van hunne mansvóórnamen, sedert zy den oud-frieschen form van den genitivus op a niet meer gebruikten, den tweeden-naamval op is of es. Van den mansvóórnaam Geert b. v. maakten zy in den tweeden-naamval Geertis of Geertes. Kwam daar nu het oude woord ma achter ter forming van een patronymikon, dan ontstond alzoo de geslachtsnaam Geertisma of Geertesma. In oude friesche oorkonden, vooral uit de 14de en 15de eeu, vinden wy vele patronymikale geslachtsnamen in dezen form; Aylufsisma (later Alofsma), Juwisma (Jouwsma), Jarichisma (Jarichsma), Siukesma (Sjoeksma), Siwrdesma (Sjoerdsma), enz. By de Friesen bewesten Lauers krompen deze volle formen gedurende de 16de en 17de eeu in. Zy verloren hunne toonlooze i of e, en werden Alofsma, Sjoerdsma, Geertsma, als boven aangeduid is. Maar by de oosterlauersche Friesen, dat zijn de hedendaagsche Groningerlanders en Oost-Friesen, die in hunnen tongval breeder zijn dan hunne westelike buren, en gerekter spreken, bleef die toonlooze e in deze oude patronymika bewaard. Maar omdat in der daad de volle formen Jeltisma, Geertesma zelfs voor eene groningerlandsche tonge op den duur te zwaarwichtig, te ongemakkelik om uit te spreken zijn, zoo verliepen deze namen van Jeltesma tot Jeltsema, van Geertesma tot Geertsema; by zeer gebruikelike letterkeer sprak men es als se uit. De oorspronkelike formen Geertesma en Hoekesma werden dus by de westerlauersche Friesen samengetrokken tot Geertsma en Hoeksma, by de oosterlauersche tot Geertsema en Hoeksema. En een ander onderscheid bestaat er tusschen deze twee naamformen, tusschen deze twee patronymikale uitgangen niet.

Eenige weinige sma-namen, allen in Friesland tusschen Fli en [135]Lauers inheemsch, hebben deze samentrekking van isma of esma tot sma niet ondergaan, maar hunnen ouden vollen form behouden. Dat zijn b. v. Agesma, Aukesma, Minnesma, Pebesma, Sibesma met Siebesma en Sybesma, afgeleid van de nog heden gebruikelike friesche mansvóórnamen Age, Auke, Minne of Menno, Pebe of Pibo en Sibe. Hadden deze namen, die door hunnen ouden form aanduiden dat zy van oude dagteekening zijn, de gewone samentrekking ondergaan, dan zouden zy nu Aagsma, Auksma, Minsma, Peepsma en Sypsma luiden.

De volgende geslachtsnamen, allen in Groningerland inheemsch, mogen als voorbeelden der sema-namen gelden: Ausema, Bansema, Brondsema69. Deze namen zijn allen patronymika van oud-germaansche, grootendeels bepaaldelik oud-friesche mansvóórnamen. Maar van Ilpsema is de oorsprong my duister. Franssema is van Frans afgeleid, dat weêr eene verkorting is van den kerkeliken naam Franciscus. Echter is deze kerkelike naam oorspronkelik toch een germaansche; de mansvóórnaam Frank ligt er aan ten grondslag. Roelfsema is duidelik genoeg, en stamt met Roelfzema en het westerlauersche Roelofsma af van den bekenden mansnaam Roelf, Roelof, Rudolf. Op bl. 92 is Klootsema reeds verklaard. Ausema komt van den frieschen mansvóórnaam Aue, die hedendaags meest in verkleinform als Auke in gebruik is, en die in zyne onverkleinde gedaante tevens aan de geslachtsnamen † Auwema en Auwen oorsprong gaf. Bansema komt met de maagschapsnamen Banning, Olden-Banning, Nyen-Banning en Bans van den ouden mansvóórnaam Banno.—Brondsema en Brontsema, met Bruntink, Brunten en Brunt, stammen af van Bront of Brunt, een mansvóórnaam die of eene samentrekking is van den samengestelden naam Bronnert, Brunnart, Brunhart, of eene uitbreiding, door zeer gewone aanhanging eener t, van den naamstam Bron, Bronno, beide oud-germaansche mansvóórnamen. Van dezen laatsten naam, die in Friesland nog in gebruik is (my is een man bekend, te Emden geboren, te Leeuwarden wonende, [136]althans van 1850–1870, die Bronno Brons heet), stammen de geslachtsnamen Bronninga, Bronnema, Bronsema en Brons, welke laatste naam veelvuldig voorkomt in alle gouen tusschen Fli en Eems en verder oostelik. De maagschapsnaam Bronkema eindelik is een patronymikon van Bronke, Brunnico, dat is Bronno in verkleinform.—Jelte, Tiete en Weite, waarvan Jeltsema, Tietsema en Weitsema, zijn in onze noordelike gewesten, voor zoo verre de ingezetene bevolking daar van frieschen stam is, in volle gebruik als mansvóórnamen.—Luurtsema eindelik en Luursema zijn met de geslachtsnamen Luurts, Luurs, Luirs, Lührs en Luyrink afgeleid van twee verschillende, maar na-verwante oud-germaansche mansvóórnamen. Te weten: van Luithart, Ludehart en van Luiter, Luther, Lothar of Liudheri, waar Luurt en Luur afgesletene en samengetrokkene formen van zijn. In de formen Luurd, Luyert, Luyer komen deze namen nog eene enkele maal in de friesche, vooral friso-saksische gewesten als mansvóórnamen voor. De maagschapsnamen Luurtsema en Luursema zijn nu slechts in Groningerland inheemsch, maar hadden oudtijds hunne tegenhangers in de namen der nu uitgestorvene geslachten Luyrtsma in Friesland bewesten Lauers, Lyursna in Friesland beoosten Eems.

Door infloed der hollandsche uitspraak en spelwyze, die steeds de s als beginletter van woord of lettergreep, vóór eenen klinker, door de z vervangt, is by eenigen van de sema-namen die uitgang in zema veranderd. Geslachtsnamen, die deze verkeerde, onfriesche spelwyze vertoonen, zijn: Gerzema (de goede form Gersema komt ook voor), Hoekzema (nevens Hoeksema), Roelfzema (naast Roelfsema), Rinzema, Schultzema, Wiertzema en Zetzema. En by sommige sma-namen, waar de mansvóórnaam, die er aan ten grondslag ligt, op k eindigt, is de s van sma met die k tot eene x versmolten. Deze verouderde spelling, op bl. 46 ook besproken, treffen wy aan in de namen Blinxma (zie bl. 46), Boxma, Haaxma (zie Haex op bl. 96), Harinxma en Van Harinxma (de zuivere form Haringsma komt ook voor), Looxma, Sixma (Siksma en zelfs Sixsma bestaan ook), enz. [137]

Eenige geslachtsnamen zijn slechts sema-namen in schijn, maar behooren in der daad tot de ma-namen (zie § 45). Het zijn die namen, waar by de mansvóórnaam, die er aan ten grondslag ligt, reeds op zich zelven op se eindigt; b. v. Reitse, Haitse, Sytse, Ritse, waar de geslachtsnamen Haitsema, Reitsema, Ritsema en Sytsema van afgeleid zijn. Deze geslachtsnamen vervallen dus niet in Hait en sema, maar in Haitse en ma, Reitse en ma, enz. Haitse, Reitse, Ritse en Sytse zijn nog heden in Friesland als mansvóórnamen in volle gebruik, en de patronymikale geslachtsnamen daarvan afgeleid, komen in het westerlauersche Friesland ook in samengetrokkenen form, als Haitsma, Reitsma, Ritsma en Sytsma voor.

De geslachtsnamen die op sna en sena eindigen († Edzardsna, † Sierksena), staan volkomen in de zelfde verhouding tot die welke op na uitgaan (zie § 46), als de sma en sema-namen staan tot die welke ma tot uitgang hebben. Deze sna- en sena-namen komen slechts in Oost-Friesland voor; niet in de friesche gewesten die tegenwoordig deel uitmaken van de Nederlanden. Wy hebben er ons in dit werk dus niet verder mede op te houden. Het is voldoende er op gewezen te hebben, ter wille der volledigheid. Die er meer van weten wil, even als van de andere byzonder-friesche geslachtsnamen in ’t algemeen, leze myne studien over friesche eigennamen in De vrije Fries, deelen XIII en XIV.

§ 50. Onder de oorbeeldig-friesche patronymikale geslachtsnamen, zoowel van ouden als van nieuen form, zijn er eenigen die het voorzetsel van voor zich hebben. In zoo verre als al deze namen vadersnamen zijn, of daar voor gelden, past dit van volstrekt niet vóór deze namen. Van past slechts vóór plaatsnamen. By de samenstelling van deze friesche namen met van er voor is soms domme en dwaze navolging in het spel geweest van het gebruik dat by andere Nederlanders, en vooral by Duitschers, wel in zwang was en nog is, om de geslachtsnamen, als ’t ware, te adelliken, door er van of von voor te zetten.70 Die zoo deden, hebben niet bedacht [138]dat de oude friesche geslachtsnamen (Burmania, Cammingha, Harinxma) uit en op zich zelven reeds tuigen van het edelste bloed onder alle germaansche volken—het bloed der vrye Friesen, die geenen vreemden tooi noodig hebben om hunnen alouden edeldom te staven. Maar waar van zulk eene dwaze naäpery geene sprake kan zijn, daar moeten deze vadersnamen beschoud worden als dienstdoende plaatsnamen. De staten en saten, stinsen en heerden toch der Friesen, de sloten der edelingen, de landhoeven of boereplaatsen der vrye, eigenerfde boeren (Einierden, Erfegsen), dragen in den regel als eigennamen de patronymika der eerste, oorspronkelike stichters en bezitters; b. v. Abbinga-state, Aggema-state, Allinga-sate, Elgera-sate, Cleveringa-heert, Ompteda-burcht, enz. In het dageliksche leven laat men de woorden state en sate wel achterwege, als men van deze plaatsen spreekt, en zeit eenvoudig: »ik woon op Abbinga”, en »ik kom van Allinga”. Neemt men nu aan, dat de friesche geslachtsnamen met van er voor, oorspronkelik zulke plaatsnamen geweest zijn, dat b. v. Van Baarda en Van Bloemersma [139]eigenlik in de plaats staan voor Van Baarda-state en Van Bloemersma-sate—dan ligt er nog eenen redeliken zin in deze namen; maar ook slechts in dat geval. Anders zijn namen als Van Hottinga en Van Buma in het Friesch even dwaas, als b. v. Van Jansen en Van Pietersen in het Hollandsch wezen zouden, als Von Schiller, Von Schumacher, Von Schweitzer in het Hoogduitsch zijn. Zie ook § 26.

Het is wel voorgekomen dat de huurboer of pachter van eene als landhoeve ingerichte adellike state, die den naam droeg van haar eerste stichters en bewoners (nemen we b. v. Olferda-state), dien alouden naam met van er voor, als Van Olferda voor zich en de zynen als eenen vasten geslachtsnaam aannam, ofschoon de oorspronkelike bezitters van die state, tevens de eenigen welke op dien naam recht hadden, nog leefden, ofschoon het oude geslacht Olferda nog bestond en bloeide. De boer, in zyne onnoozelheid, vatte dezen naam eenvoudig als een plaatsnaam op. Hy noemde zich Van Olferda(-state), omdat hy op Olferda(-state) woonde. Hier hebben wy dus het omgekeerde van het gene elders wel voorkomt: de form van den naam zonder van, is hier de oudste en oorspronkelikste, de eenige echte, soms de eenige adellike. Terwijl de form met van eenvoudig een willekeurig aangenomen geslachtsnaam is. Maar ook omgekeerd zijn dikwijls juist de namen der oudste, adellike geslachten by de Friesen met dit van voorzien, terwijl de namen der burgerliken dat voorvoechsel missen. Als dit nu by overigens oorbeeldig friesche geslachtsnamen voorkomt, dan is dit van een byvoechsel van lateren tijd, dan is het een toevoechsel tot den naam, uit de 16de of 17de eeu, uit den tijd van het verval der friesche taal dagteekenende. En dan komt die zelfde naam, in de oudste oorkonden, in zynen oudsten form voor, zonder van, ’t welk er ook niet by behoort. Van Cammingha, Van Bothnia, Van Burmania zijn in de middeleeuen slechts als Cammingha, Bothnia, Burmania bekend.

Zie hier eenige voorbeelden van friesche geslachtsnamen met het voorvoechsel van: Van Goslinga en Van Gosliga, Van Haga, Van Eysinga, Van Hettinga, Van Hanja, Van Abbema, Van Reesema (zie bl. 132), Van Itsma. Tevens bestaan ook de formen zonder van: Goslinga met Gosliga; [140]Haga met Ter Haagha71; Eisinga en Eizenga; Hettinga en Hettenga, Hania en Hanje; Abbema en Abma; Ietsma en Ytsma.

Het overgroote getal friesche geslachtsnamen wordt nog vermeerderd door de verschillende wyzen waarop zy geschreven worden. Deze verschillende formen van namen zijn ook weer eigen aan verschillende geslachten. Elders in de nederlandsche gewesten komt dit ook wel voor (Kranendonk b. v. en Cranendoncq, Derx en Derks), maar nergens zoo veelvuldig als in Friesland. Dat de oude Nederlanders in ’t algemeen zeer onstandvastig waren en zeer onnaukeurig in de wyze waarop zy hunne namen schreven, is bekend. En zoo gebeurde ’t wel dat de eene broêr zynen naam geheel anders spelde als de andere. By meer verwyderde bloedverwanten was dit dikwijls in nog sterkere mate het geval. En zoo liet soms de eene, in 1811, zynen naam op deze wyze, de andere den zelfden naam weêr in anderen form in de boeken van den burgeliken stand schryven en vaststellen. Ook schijnt het wel voorgekomen te zijn dat de hoofden van sommige geslachten, die den zelfden patronymikalen geslachtsnaam voerden, ofschoon zy niet verwant waren, in 1811 overeenkwamen om hunne namen voortaan op verschillende, aan de uitspraak niets afdoende wyzen te schryven, ter meerdere onderscheiding; Kamminga b. v. en Kammenga, Raadersma en Radersma, Attama en Attema.

Ook gebeurde ’t wel dat deze of gene friesche edeling zynen geslachtsnaam en daar mede zijn adeldomsbewijs zóó weinig op prijs stelde, vrywillig zóó verwaarloosde, dat in den loop der tyden zoo wel geslachtsnaam als adeldomsbrieven te loor gingen. Sommige afstammelingen toch der oude, middeleeusche friesche edelen, tot beter en reiner inzicht van de menschelike weerde en bestemming gekomen door de hooge vlucht, die ontwikkeling, beschaving en ware veredeling van den menscheliken geest in den loop der tyden namen, smeten eerlang dien ganschen verouderden, verschimmelden [141]en vermolmden middeleeuschen ridderrommel van zich. Zy herschiepen hunne staten tot saten, hunne sloten en stinsen tot landhoeven, en werden van edellui boeren, vrye eigenerfde friesche boeren, in den besten zin van dit woord, en zonder zich te verboeren, of in beschaving en ontwikkeling achter uit te gaan. Deze edele boeren verloren hunne aloude geslachtsnamen volkomen. Sommigen van hunne nakomelingen, die zelfs de heugenis verloren hadden aan den adeldom en aan den geslachtsnaam van hunne voorouders, namen in 1811 nieue, door hen zelven geformde geslachtsnamen aan. Anderen herinnerden zich nog de geslachtsnamen die hunne voorvaders gevoerd hadden, en zy namen die, maar hunnen adeldom daarom nog niet, in 1811 op nieu aan. En dit is ook eene van de vele redenen, waarom in Friesland sommige adellike en burgerlike geslachten de zelfde namen voeren, en ook waarom in Friesland de geslachtsnamen in zoo verschillende spellingen voorkomen; b. v. Scheltinga en Van Scheltinga, Van Eysinga en Van Eisenga (zie bl. 26 en 60), Van Harinxma en Haringsma, Van Heemstra en Heemstra, Van Cammingha, Kamminga en Cammenga, Aylva en Aleva, Buwalda en Buwolda, Wolda, Walda, Wouda, Walta, enz.

§ 51. Eene kleine groep van nederlandsche geslachtnamen bestaat uit vadersnamen welke geformd zijn van mansvóórnamen met het bepalende lidwoord, eveneens in verbogenen form, daar voor. In de Nederlanden even min als in Engelland en Noord-Duitschland, is men niet gewoon om het bepalende lidwoord voor eenen mansnaam te plaatsen. Men spreekt hier niet van »de Jan, de Piet en de Klaas,” zooals men in Opper-Duitschland wel doet: der Wilhelm, der Joseph, die Maria,” enz. Toch schijnt deze spreekwyze oudtijds hier en daar in Nederland, vooral in Brabant, wel in gebruik geweest te zijn. Anders toch konden wy daar nu geen patronymikale geslachtsnamen ontmoeten, als Swolfs, Smertens, dat is: des Wolfs(zoon), des Mertens(zoon), enz. Want het verbogene lidwoord des (tweede-naamval van de) is by deze namen tot s (’s) versleten, en aan den eersten letter van den oorspronkeliken mansnaam gehecht. Die afslyting komt nog veelvuldig voor; b. v. ’s Heeren goedheid; ’s prinsen beleid; ’s mans berou; voluit: des [142]Heeren goedheid, of de goedheid van den Heer; het beleid van den prins; het berou van den man. Zoo ook Swolfs, ’s Wolfs, des Wolfs zoon, of de zoon van den man die Wolf heet.

Behalven Swolfs en Smertens zijn my van deze soort van geslachtsnamen nog bekend: Smaassen, Spiers, Stielen, Stieltjes, Stiemens, Stillemans, enz.—Smaassen, dat ook als Smasen, Smaasse, Smaessen, Smaesse, en zelfs in Neder-Rijnland tot Schmasen verhoogduitscht voorkomt, is ’S Maassen, des Maassen, des Maassen zoon, de zoon van Maas. En Maas is eene, vooral in Zuid-Nederland gangbare verkorting van den bybelschen mansnaam Thomas.—Speters en Spiers, met de verwante en versletene formen Speers, Spies, Spees, Speessen, is ’s Piers, des Piers zoon, de zoon van Pier, Peer, Pieter, Petrus.—Stillemans komt op deze wyze van den oud-nederlandschen mansvóórnaam Tilleman, Tilman, Tielman, die ook in deze drie formen, en als Tilmans, Tielmans als geslachtsnaam voorkomt.—Stielen en Stieltjes komen eveneens van Tiel en Tieltje, dat is: Tyl, Tilo, welke naam als Tijl, en, in verkleinform, als Tilkin ook als geslachtsnaam voorkomt. Dus beteekent Stieltjes: zoon van den kleinen Tyl.—Stiemens eindelik staat in de plaats van ’S Tiemens, des Tiemens zoon; en Tiemen, Tymen, Tieman, Timan (niet te verwisselen met den griekschen mansnaam Timon) is een oud-nederlandsche mansnaam, die in Friesland en hier en daar in Holland nog heden in volle gebruik is. Van dezen mansnaam, die oorspronkelik Tiedman, Tiudman is, stammen ook de geslachtsnamen Tydeman, Tideman, Tiedeman, Tyman, Tieman, Tiemans en Tiemens af.

De oud-germaansche naam Godfried, vernederlandscht tot Godefert, Godevaert, Govert, Govaert (waarvan de geslachtsnamen Govaerts, Goevaert en Govertz) is de naam waar aan de geslachtsnaam Schoevaerts ontleend is. Deze zelfde naam komt ook als Schovaers, Schoovaert en Schoevaart voor. Schoevaerts is eene wanspelling voor Sgoevaerts, ’S Goevaerts, dat is: des Goevaerts zoon, de zoon van Goevaert of Godfried. Wijl overigens de letterverbinding sg in het begin van een woord of lettergreep in de nederlandsche taal [143]niet voorkomt, zoo kwam men er toe om Sgoevaerts als Schoevaerts te schryven, te meer wijl volgens den byzonder-hollandschen tongval de sch als sg wordt uitgesproken. Deze zelfde vervanging van sg door sch komt ook voor in den vlaamschen geslachtsnaam Keerschieter, die oorspronkelik Keersgieter was, het bedrijf aanduidende van den man die keersen giet, die gegotene kaarsen maakt. (Eene andere zonderlinge verbastering van dezen zelfden naam Keersgieter, die werkelik ook in dezen zuiver geschrevenen form voorkomt, vindt men vermeld in § 165). Zoo zag ik den naam der stad ’s Gravenhage en dien van het dorp ’s Gravezande wel geschreven als Schravenhage en Schravezande, en de geslachtsnaam ’S Grauwen komt ook als Schrauwen voor; zie § 64. In den geslachtsnaam Schoevers vinden wy ’t oorspronkelike Schoevaerts, ’s Goevaerts nog meer verbasterd.

Deze geslachtsnamen met voorgevoegde s, afgesleten uit des, zijn oorspronkelik in de brabantsche en limburgsche gouen van Nederland inheemsch.

Daar is nog een nederlandsche geslachtsnaam die tot deze groep schijnt te behooren, maar waar de s van des niet saamgesmolten is met de eerste letter van den mansnaam; dit is de geslachtsnaam ’S Jacob. Vreemd is het ook dat de naam Jacob zelve hier niet verbogen is. Ware het ’S Jacobs, de oorsprong van dezen naam zoude aan geen twyfel onderhevig zijn. Nu echter ben ik niet zeker; te meer niet, wijl het geslacht dat dezen naam draagt, naar ik meen, niet van nederlandschen oorsprong is. Deze s, van des versleten, ons Nederlanders overigens zoo wel bekend uit sommige plaatsnamen (’s Gravenhage, ’s Hertogenbosch, ’s Heerenberg), maakt ook nog deel uit van een paar andere geslachtsnamen, die in § 64 te vinden zijn.

§ 52. Eene byzondere ondergroep van de patronymikale maagschapsnamen met voorgevoegde s, formen die geslachtsnamen welke met ser en tser beginnen. (Serroelofs, Tserstevens). Deze namen bestaan uit eenen mansvóórnaam, met het woord her, (h)er, heer daarvoor, en tevens met het bepalende lidwoord, in den tweeden-naamval verbogen. Serroelofs b. v. is: Sherroelofs, [144]’s Her Roelofs, des heeren Roelofs, de zoon van den heer Roelof. Of liever nog: de zoon van Heer Roelof; immers het woord her, heer, is in deze namen niet mede verbogen geworden, wijl het met den eigenliken mansvóórnaam zoo vast versmolten was, dat beide woorden slechts als één enkele naam golden (Heer-Roelof), en ook als één enkele naam verbogen werden (des Heer-Roelofs, en niet: des heeren Roelofs). De h van her is weggesleten, door den infloed der scherpe s die voorafgaat, en die de h, in de uitspraak, nagenoeg stom maakt. En dit nog zoo veel te meer, als deze namen slechts in de vlaamsche gewesten voorkomen, hooftsakelik in West-Vlaanderen, waar de volkseigene uitspraak de h als beginletter van woord of lettergreep, toch uiterst weinig, veelal in het geheel niet, hooren laat.

De geslachtsnamen met ser beginnende, zijn allen van hoogen ouderdom. Grootendeels komen zy reeds in de middeleeuen voor. Zy deden toen echter nog gewoonlik slechts dienst als eenvoudige vadersnamen, als toenamen die maar voor eenen enkelen persoon golden; geenszins als eigenlike geslachtsnamen. Zoo vind ik in eene oude vlaamsche oorkonde, welke afgedrukt is in de Annales du Comité flamand de France, Duinkerke, 1853, bl. 244, zekeren Karstiaen ser Boidekins soene vermeld, als schepen van de stad Damme, in 1286. Karstiaen ser Boidekins soene, dat is: Karstiaan, (eene verdietsching van den mansvóórnaam Christianus) de zoon van heer Boidekin, Bodekyn, verkleinform van den ouden mansvóórnaam Bode, Bodo, Botho, Bote. Onder laatstgenoemden form is deze naam nog heden in Friesland in volle gebruik. De geslachtsnamen Botinga, Botenga, Bootsma, Botes, Boten, Boots, enz. zijn er van geformd.

Zie hier eenige geslachtsnamen van deze groep: Serarents, (Serarens, Serraris).72 De mansnamen die aan het grootste deel dezer vadersnamen ten grondslag liggen, Arent, Bruno, [145]Jacob, Lip (Philippus), Neel (Cornelis), Pieter, Rein (Regino, Ragin), Sander (Alexander), Simoen (oud-vlaamsche form van Simon), Staas (Eustatius), Steven, Vrank (beter Frank) (zie bl. 135) en Wouter zijn algemeen bekend. Serdobbels is, gelijk het eveneens voorkomende enkele Dobbels, van den mansvóórnaam Dobbel, Dubbel, Dubbeld, die een verbasterde form is van den vollen haam Dibbolt, Dietbold, Thiebout, Thiudbald; zie bl. 51. Seroyen, ook nog meer samengetrokken als Sroyen voorkomende, beteekent: zoon van heer Oye, dat is eene verfloeiing van Ode, Odo, Udo, een oud-germaansche mansnaam, die aan zeer vele geslachtsnamen en plaatsnamen ten grondslag ligt. De oorsprong der geslachtsnamen Sergeys, Sergeyssens en Sergeysels is waarschijnlik de mansvóórnaam Geys, Gijs, Gîs, Gisil. Die van den geslachtsnaam Serruis, welke naam ook als Serruys, Seruis en Serruus voorkomt, is nog minder zeker. Ruisch is wel een oud-nederlandsche mansvóórnaam, die in de 14de, 15de en 16de eeu te Amsterdam in gebruik was.73 Maar dat Serruis van dezen naam zoude ontleend zijn, betwyfel ik op grond dat juist de West-Vlamingen, by wie deze geslachtsnaam inheemsch is, de sch op ’t einde der woorden wel degelik en duidelik uitspreken, even als de Friesen ook doen. Ruisch kon in hunnen mond dus moeielik tot Ruis (Serruis) versleten zijn, al is dit in de hollandsche spreektaal een zeer gewoon geval. Ware de geslachtsnaam Serruisch, dan zoude ik op deze afleiding niets hebben aan te merken. Thans wil ik liever denken aan den oud-germaanschen mansvóórnaam Huso, Huis, die in den vlaamschen mond de h verloren heeft—Ser(h)uis. Over dezen naam Huso zie men bl. 29. Buitendien blijft de mogelikheid bestaan dat de naam Serruis in het geheel geen vadersnaam is, maar eenvoudig het woord seruis of loodwit. Dit woord, een bastert van het fransche woord céruse, werd in myne jeugd te Leeuwarden steeds gebruikt om de verfstof loodwit aan te duiden; en dit is nog heden in de zuidelike gewesten het geval. In dit geval kan Serruis als naam van eenen schilder of van eenen koopman in verfstoffen in gebruik zijn gekomen. Weiten, de mansnaam waar Serweytens van afgeleid is, komt nog heden [146]wel in Vlaanderen voor, even als in den form Weite, Weit in Friesland. Het is een oud-germaansche vóórnaam, waarvan ook nog de geslachtsnamen Weytingh (zie bl. 32), Weitema, Weitsema (zie bl. 135), Weits en Weitz afgeleid zijn, met de plaatsnamen Weyteghem, een dorp in Oost-Vlaanderen en Weitingen, een dorp by Horb in Würtemberg.

Een paar van deze geslachtsnamen hebben de s op ’t einde verloren, en komen nu als Serdobbel en Serwouter voor. Zoo ook Serbrock, van den mansvóórnaam Brokke afgeleid, die oudtijds zekerlik in de Nederlanden in gebruik geweest is, ofschoon hy my nooit voorkwam. Maar behalven uit den geslachtsnaam Serbrock blijkt my overtuigend dat een mansvóórnaam Brokke of Brok eertijds moet bestaan hebben, uit de geslachtsnamen Brockema en Broksma, Brox en Broks, zoo mede uit de plaatsnamen Broxeele (dat is Brok’s zele, Broks zaal of halle), een dorp in Fransch-Vlaanderen, en Brockum (Brokkeheim), een dorp by Lemförde in Hanover.

Enkelen van deze geslachtsnamen hebben nog eene t vóór de s van ser gevoegd. Het zijn Tserclaes, Tserstevens en Tservrancx, alle drie in de zuidelike Nederlanden inheemsch. Deze voorgevoegde letter t is niet het voorzetsel te, en even min het lidwoord het, by verkorting,—zoo als zy schynen te meenen, die deze namen als ’T Serclaes of T’ Serclaes, ’T Serstevens en T’ Servrancx schryven, gelijk veelal geschiedt. Neen—maar deze t is anders niet als eene verscherpte uitspraak der oorspronkelike d van des. Toen by versnelde uitspraak, en langdurig gebruik, de e uit dit verbogene lidwoord verdween, en de d derhalven onmiddellik voor de s kwam te staan, moest deze letter noodzakelik tot t verscherpt worden. Tser en tseren, in plaats van des heren, komt by schryvers uit de middeleeuen meermalen voor; b. v. Lekenspiegel II, 1, 70:

»Men weet dat ter waerheden,

Dat Maria, na ende vore,

Quam van tser Davids ore.”

En nog aldaar III, 16, 134 (hs. H):

»Omme te hebbene tseren hulde.”74

[147]

Dat overigens dit voorvoechsel ser by patronymikale geslachtsnamen wel degelik eene samentrekking is van ’s her, des heeren, blijkt ook uit sommige zeeusche plaatsnamen, waar dit zelfde ser als sir voorkomt. De namen toch van de gehuchten Sirhelsdorp by Kloetinge op Zuid-Beveland, en van Sirpoppekerke by West-Kappelle op Walcheren, zijn oorspronkelik ’s Heer-Els-dorp en ’s Heer-Poppen-kerke.

Met dezen form sir in bovengenoemde zeeusche plaatsnamen, stemt nog overeen de geslachtsnaam Sirjacobs. Daarnevens komen ook de geslachtsnamen Sirejacobs en Sirejacob voor. De man, die deze namen eerst zóó heeft geschreven, schijnt het voorvoechsel sir, ser aangezien te hebben voor den ouden franschen titel sire, messire. De oud-vlaamsche naam Sirjacobs is ook verfranscht tot Sirjacques en Sirjacq, en komt in die beide formen nog heden als geslachtsnaam in de zuidelike Nederlanden voor.

§ 53. Al deze geslachtsnamen met het voorgevoegde ser in de verschillende formen, zijn oorspronkelik in Vlaanderen en Brabant inheemsch. Maar er zijn my toch ook eenige geslachtsnamen uit de noordelike gewesten bekend, die eveneens vadersnamen zijn met het woord heer of her samengesteld, en die de tegenhangers uitmaken van die zuidnederlandsche namen. Het zijn † Heriwesma, † Herjuwsma en † Heer-Alma uit onze friesche gewesten, en Hereygens en Herreilers, elders in de Nederlanden inheemsch. Bovendien nog Herrijgers en Herroelen, die ik in de zuidelike gewesten vond.

De geslachten die de drie eerstgenoemde namen gevoerd hebben, zijn uitgestorven. Maar hunne namen zijn in de friesche geschiedenis bewaard, en worden daar op verschillende wyzen gespeld: Heerjousma b. v. en Heerywesma; ook Her-Alma. Het zijn patronymika van Heer-Jou, Heer-Ivo en Heer-Alle.—Jou, Juw, meest in verkleinform als Jouke voorkomende, Iwe of Ivo en Alle zijn nog heden als mansvóórnamen in Friesland in volle gebruik.

De friesche geschiedboeken, en de volksoverlevering tevens, vermelden nog den naam van zekeren Heer-Ivo. Van dezen echter stamt het geslacht Heriwesma niet af. Heer Ivo Johannis [148]was de laatste roomsche priester van de kerk van Oldehove te Leeuwarden. Hy overleefde langen tijd den ommekeer in het kerkelike, die in Friesland in de 16de eeu plaats greep. Hy bleef aan de roomsche kerk getrou, en woonde te Leeuwarden in de Groote-Kerkstraat, op den hoek van het straatje dat naar den Boterhoek voert. Hy was zeer bekend en zeer bemind by de burgery der friesche hoofdstad. Het volk maakte zelfs een rijmke op zynen naam: »Her Ief—Heth it folk lief”, zeiden de Leeuwarders van dezen weerdigen man. Zijn naam is te Leeuwarden nog in dageliksch gebruik. Immers het straatje naast zijn huis draagt nog naar hem den naam van ’s Her-Ive-straatje. Er staat wel op het naambordje aan het hoekhuis Hero-Ivo-straatje, als of de naam van zekeren Hero Ivo afkomstig ware (Hero is een friesche mansnaam); en zoo is ook de geijkte spelling die het gemeentebestuur van Leeuwarden volgt. Maar het volk blijft voor en na, en zeer te recht, spreken van Serivestraatsje, met voorgevoegde s. Ook al een bewijs dat het voorvoechsel ser in de geslachtsnamen op bl. 144 genoemd, werkelik eene samentrekking is van ’s her, des heeren.

De patronymika Hereygens, Herrijgers, Herroelen en Herreilers beteekenen: zoon van Heer-Eige, zoon van Heer-Roel (Roelof) en zoon van Heer Eiler. De mansvóórnaam Eige of Eigen is de oud-germaansche, door Förstemann vermelde naam Eigen, Agino, Agin. En Rijger, beter Reiger (zie ook § 134), is waarschijnlik de verloopene form van den vollen oud-germaanschen mansvóórnaam Reingar, Regingar, Ragingar. De naam Eiler is ook bekend, en eveneens in Nederland wel in gebruik. De volle, oude form daarvan is Agilheri, Eilher, en de enkelvoudige geslachtsnaam Eilers is er mede van afgeleid.

§ 54. De nieuste, de jongste wyze om van mansvóórnamen patronymika te maken, bestaat in het voorvoegen van het voorzetsel van, waarby dan de mansnaam zelve onverbogen blijft. Zulke geslachtsnamen komen slechts in kleinen getale in de Nederlanden voor. My zijn geene andere bekend dan: Van Alewijn, Van Ditmar, Van Frank, Van Walraven en Van Marselis, die geen van allen naderen uitleg vereischen. [149]

Deze wyze om vadersnamen te maken; is nog in zwang by sommige spaansch- en portugeesch-israëlitische geslachten in Nederland. Benjamin b. v. die een zoon is van Aron Mendes Chumaceiro, noemt zich Benjamin van Aron Mendes Chumaceiro; Aron, die een zoon is van Josef Vaz Dias, noemt zich Aron van Josef Vaz Dias, en Esther de dochter van Jacob Lopes Quiros wordt genoemd: Esther van Jacob Lopes Quiros. Deze patronymika zijn natuurlik slechts toenamen, die geene geijkte weerde hebben, even min als de gewone patronymika Jan De Groot Corneliszoon b. v. of Sjoerd Aukes De Vries, die by ons eigen volk, als tusschengevoegde toenamen gebruikelik zijn.

§ 55. Dat de oude Nederlanders geerne hunne namen verlatynschten en vergriekschten, is bekend genoeg. Herhaalde malen wordt er in dit werk op gewezen. Ook hunne vadersnamen moesten in dit lot deelen, en velen van deze vertaalde namen komen nu nog onder ons als geslachtsnamen voor. Men volgde tweederlei wyze om de vadersnamen om te zetten. Te weten: men maakte er regelrechte latynsche of grieksche tweede naamvallen van, zoo goed of zoo kwaad als de dikwijls oorspronkelik germaansche naam zich daar toe leende (Hermanides, Conradi). Of wel, men hing eenvoudig eenen latynschen uitgang achter het patronymikon dat men overigens zynen germaanschen form liet behouden; b.v. Reddingius, Jansenius: dat is ius achter de patronymikale namen Redding en Jansen gevoegd.

Het getal der geslachtsnamen die bestaan uit den eenen of anderen mansvóórnaam in eenen griekschen tweeden-naamvalsform, is kleiner dan het getal der namen met latynsche formen. Trouens de kennis der latynsche taal is in Nederland dan ook steeds algemeener verspreid geweest dan die der grieksche. Voorbeelden van zulke geslachtsnamen in den griekschen patronymikalen form zijn: Antonides, Hermanides en Harmanides, Jacobides, Michalides, Nicolaides, Paulides en Simonides, allen van bekende mansnamen, van Antonius, Herman, Jacob, Michiel, Nicolaas, Paulus enz. afgeleid. Andere maagschapsnamen, eveneens in den griekschen form, zijn van byzonder-friesche mansvóórnamen afgeleid, en zijn dan ook oorspronkelik in Friesland inheemsch. Het zijn: Gatsonides, [150]Hajonides, Mensonides, Nolledes, Oneides en Ynsonides, afgeleid van de nog algemeen in gebruik zijnde friesche mansvóórnamen Gatse, Haio, Menso, Nolle, Oene (Uno) en Ynse. De geslachtsnaam Hilarides, in Friesland voorkomende, is wel een grieksche tweede-naamvalsform van den latynschen mansvóórnaam Hilarius, die op zich zelven ook als geslachtsnaam aldaar inheemsch is. En dit Hilarius is op zijn beurt weêr eene verlatynsching van den frieschen mansvóórnaam Hile, Hyle, Hille, ook in verkleinform als Hylke, Hylco, en voor vrouen als Hylkje, Hielkje (Hike in de wandeling) en Hiltje (Hikke), veelvuldig in gebruik. Van dezen naam stammen ook de geslachtsnamen Hielema, Hylen, Hieltjes, Hylkema, Hielkema, Van Hylckama, Hielkes, Hillinga, Hillenga, Hillega (zie bl. 61), Hillema, Hilma, Hillingh, Hilles, Hillen en Hillenius, Hillens en Hillekens af, met vele plaatsnamen. Misschien ook Hiel; zie § 139.

Door een zonderling misverstand is het grieksche patronymikon Hajonides in eenige friesche geslachten als enkelvoudige mansvóórnaam in gebruik,—waar toe het niet past. Men zie dienaangaande De Navorscher, dl. XXXII, bl. 481.

§ 56. De geslachtsnamen die bestaan uit den latynschen tweeden-naamvalsform van eenigen mansvóórnaam, vervallen, even als de grieksche in de vorige afdeeling genoemd, in twee groepen; naar mate de oorspronkelike mansnaam een algemeen-nederlandsche is (van welken oorsprong dan ook), of een byzonder-friesche. Tot de eerste groep behooren de geslachtsnamen Adriani, Alberti, Andreæ75, allen aan welbekende mansvóórnamen ontleend. Winold, Wynald, Wynout, de naam die aan den geslachtsnaam Winoldi ten grondslag ligt, moge tegenwoordig al weinig in gebruik zijn, het is niettemin een volle, oud-germaansche naam, die oudtijds in de Nederlanden geenszins zeldzaam was, en waarvan ook de geslachtsnamen Wynalda en Wynolds, met den plaatsnaam Winaldum [151](Winalda-heim, woonplaats van Winald, Wynout), een dorp in Barradeel, Friesland, afkomstig zijn. Zoo stamt de geslachtsnaam Allebrandi ook van eenen oud-germaanschen mansvóórnaam af, te weten van Albrand, Adelbrant, een naam dien wy terugvinden in de geslachtsnamen Albranda en Albrands en in † Ailbrandesna (zie bl. 137), in Friesland voorkomende, en in de plaatsnamen Albrandeweer (verkeerdelik meestal Olbrandeweer geschreven), een gehucht by Birdaart in Friesland; Albrandswaard, in het Land van Putten, Zuid-Holland; en Albringsweer (voluit Albrandingsweer), ook Albrandswehr, een gehucht by Emden.

»Maar Allebrandi is een italiaansche naam!”, zal men my toevoegen. »De geslachtsnaam Allebrandi is in Italië, te Rome, inheemsch!”—Toegegeven. Maar hy is evenzeer in de Nederlanden inheemsch. En de oorspronkelike naam waar deze geslachtsnaam van is afgeleid, is zonder twyfel van germaanschen, dus ook van nederlandschen oorsprong. Zoo zijn ook Garibaldi en Giraldi italiaansche geslachtsnamen, in eenen romaanschen of latynschen form. Maar de mansvóórnamen die er aan ten grondslag liggen, zijn goed germaansch: Garbald, Gerbout, en Gerald, Gerhold, Gerout.

De geslachtsnaam Gualtherie behoort ook tot deze groep, maar wijkt er eenigszins van af, door de ie op het einde. Dit is eene wanspelling. Eene enkele i zoude niet slechts voldoende geweest zijn, maar ware tevens de eenig goede schrijfwyze. Gualtherus, de mansvóórnaam, waarvan dit patronymikon is afgeleid, is een would-be-latynsche form van den germaanschen mansvóórnaam Walther, Wolter, Wouter, die in het Fransch als Gauthier luidt.

Het gebruik om de mansvóórnamen, en dien ten gevolge de vadersnamen eveneens, te verlatynschen, was oudtijds vooral in Friesland byzonder in zwang. Van daar dat er nog heden in de Nederlanden, en in d’ eerste plaats in Friesland, nog al veel geslachtsnamen voorkomen, die latynsche tweede-naamvallen zijn van byzonder-friesche mansvóórnamen, of althans van zulke namen, gelijk Wybrand, Sybrand, Ysbrand, Wigbold, Wiard, Gerbrand, die oorspronkelik wel algemeen-germaansch eigendom [152]zijn, maar die, elders buiten gebruik geraakt, in Friesland het burgerrecht behouden hebben. Zie hier eenigen van deze geslachtsnamen: Gerbrandy, Idsardi (van Idsard, Idsert), Ypey (van Ipe, Ype, verlatynscht tot Ipeus), Ysbrandi (van Ysbrand).76

De geslachtsnaam Aeneæ houd ik voor een patronymikon, in latynschen form, van Aenea, oorspronkelik Ane, in goed-friesch. Van welken mansnaam ook de geslachtsnamen Aninga, Anema, en, in verkleinform, Aantjes, met de plaatsnamen Anjum (oudtijds, en voluit, Aninga-hem, heim of woonplaats der Aningen, der nakomelingen van Ane), een dorp in Dongeradeel (Friesland); Anewiel, een meerke by Goingaryp (Friesland), enz. afkomstig zijn.

Odolphi eindelik is afgeleid van Odolphus, Odolf, Olof, Olaf, in oud-frieschen form Alef, een oud-germaansche mansvóórnaam, die oudtijds by alle noordelik wonende germaansche volken (Friesen, Angel-Saksen, Skandinaviers) veelvuldig in gebruik was. In de friesche gewesten van Nederland zijn nog de volgende geslachtsnamen inheemsch, die allen afgeleid zijn van dezen zelfden mansvóórnaam: † Aylva en Aleva (beide namen zijn slechts verschillende spelwyzen, eene oudere en eene nieuere, van een en den zelfden patronymikalen form), † Aylufsisma en † Alofsma, † Aylufsisna, Alefs, Alofs, Alofsen, Aalfs, Alvis (zie bl. 98), Alfs, Oleffs en Olfen. Buitendien nog Aalvink (samengetrokken uit Alofink) in onze saksische gouen, een tegenhanger van Roelvink, op bl. 40 behandeld.

§ 57. Aan het slot dezer afdeeling van vergriekschte en verlatynschte vadersnamen, moet hier nog eene kleine groep van maagschapsnamen genoemd worden, welke bestaat uit volle, in zich zelve onveranderd geblevene patronymika, maar waar willekeurig de latynsche uitgang ius achter gevoegd is. Het zijn kwaad-latynsche [153]namen, want die ius-steert kan van oorspronkelik nederlandsche namen en woorden geen latynsche maken. Waren de geslachtsnamen op bl. 150 vermeld, uit een taalkundig oogpunt nog eenigszins te verdedigen, de namen, hier beneden genoemd, zijn ware monsters, en geven in mismaaktheid niets toe aan de namen in § 22 besproken. Die zulke namen eerst bedacht hebben en zich toegeeigend, hebben daar mede een bewijs gegeven dat hun gevoel voor taalzuiverheid weinig ontwikkeld was, en hun smaak verbasterd, al schreef de mode van hunnen tijd deze misformingen dan ook voor. Talrijk komen zulke namen niet meer onder ons voor, al zijn ze dan ook juist niet zeldzaam. Zie hier eenigen er van: Arntzenius, Bolsius, Borgesius.77 Om de oorspronkelike formen van deze namen te vinden, behoeft men dien uitgang ius er slechts achter weg te nemen. De formen Arntzen, Bols, Borges, enz. die men dan verkrijgt, zijn allen zuiver-nederlandsche vadersnamen. Arntzen, Bols, Hajen en Hayen, Heins en Heyns, Hillen (ook versleten als Hille), Jansen, Jansson, Matthes, Metten, Nolten, Tielen (en het versletene Tiele), Straten, komen ook allen nog in hunne onverbasterde formen als nederlandsche geslachtsnamen voor. Arntzen is Arnt-zen, Arnts-zen, Arnts-zoon, de zoon van Arnt, Arent; Eysson en Jansson, zoon van Eyse, Eise, een nog in volle gebruik zijnde friesche mansvóórnaam, en zoon van Jan.—Borg (Burg, Brug, Brucht, zie bl. 133); Haio; Hein (Hendrik); Hille (zie bl. 150); Jan; Matthes (Mattheus); Nolt (Arnold) en Tiel, Tyl, (zie bl. 142) zijn de mansvóórnamen, die aan deze vadersnamen ten grondslag liggen. Bol, Bolle, door Förstemann als Bollo vermeld, is een oud-germaansche mansvóórnaam die, behalven aan Bols, Bolsius, nog oorsprong gaf aan eene geheele reeks van maagschapsnamen; te weten, aan Bollinga, Bolling, Bollinck, Bollinckx, Bolma, Bols, Bolls, Bollen, Bollens, Bolle, Bol. Verder aan Bolks, Bolkens, Bollekens, Boltjes, die uit verkleinformen zijn ontstaan, en, in Engelland, aan Bollington.—[154]Mette is de oud-germaansche mansvóórnaam, in de naamlijst van Brons als een friesche vermeld, die aan de geslachtsnamen Metten en Mettenius ten grondslag ligt. By Förstemann komt deze zelfde naam als Matto voor. Talrijk zijn de nederlandsche maagschapsnamen die aan dezen naam ontleend zijn. Zie hier eenigen er van: † Mettinga, Mettens, Mets en Metz (kan in sommige gevallen ook de naam der lotharingsche hoofdstad zijn), Metting, Mettjes, † Metsema, Metzen en Metskes—de vier laatsten van verkleinformen afkomstig. Straten en Stratenus, met Straatsma, Stratingh en Straatjes, zijn patronymikale maagschapsnamen, waar de oud-germaansche, door Förstemann aangetoonde mansvóórnaam Strato aan ten grondslag ligt. In de lijsten van Wassenbergh vindt men dezen naam, Strate, als een friesche vermeld. De naam van het noordbrabantsche dorp Stratum zal er ook wel van afgeleid zijn (Strate-heim, woonplaats van Strato), en dien ten gevolge dan ook, middellik, de geslachtsnaam Van Stratum.

§ 58. Vadersnamen in ’t algemeen, maar vooral ook de patronymika die nieuere taalformen vertoonen, zijn onder de nederlandsche maagschapsnamen uit der mate talrijk vertegenwoordigd. Er bestaat geene enkele groep van nederlandsche geslachtsnamen, die, ook maar halver wege, zulk eene ryke verscheidenheid zoude kunnen aantoonen. In der daad, aan het getal en aan de verscheidenheid dezer namen, zoo wel wat de verschillende formen en spellingen der patronymikale uitgangen betreft, als wat aangaat het aantal en de onderscheidene formen, spelwyzen, afkortingen, samentrekkingen, afslytingen, verkleinformen en byformen der mansvóórnamen, die er aan ten grondslag liggen, is haast geen einde. Hier en daar in dit werk heb ik, waar het te pas kwam, reeds een en ander maal een gedeelte van die verschillende formen van patronymika uit een en den zelfden mansnaam ontstaan, aangetoond. Maar in den regel was dit nog de helft niet of geen vierde gedeelte van de geslachtsnamen die er bestaan, en die ik zoude hebben kunnen aanwyzen. Ik heb my, om verschillende redenen, zeer moeten beperken. Als een enkel voorbeeld echter van dien rijkdom van verscheidenheden en formen by de patronymikale geslachtsnamen, [155]van eenen enkelen mansvóórnaam afstammende, wil ik hier die geslachtsnamen vermelden welke van den naam Johannes afgeleid zijn.

De naam van den apostel Johannes, tevens die van Johannes den Dooper, is by de Christenen van alle landen en van alle tyden steeds zeer bemind geweest, en steeds in volle gebruik gehouden als mansdoopnaam. Hy was dit reeds in oude tyden—hy is dit nog heden. Johannes is een der meest en algemeenst verspreide namen. Vooral ook in Nederland. By de verschillende volken komt deze naam in verschillende formen voor, min of meer verbasterd van den oorspronkeliken form, al naar de taal des volks het zus of zoo eischte. Zoo hebben de Engelschen hun John, de Skandinaviers hun Jon en Jens, de Duitschers hun Johann en Hans, de Franschen hun Jean, de Spanjaarden hun Juan, d’ Italianen hun Giovanni, de Russen hun Ivan, Polen, Czechen en andere Slaven hun Jan, Janko; de Nederlanders eindelik hun Johannes, Joannes (vooral in de roomsch-katholyke gewesten), Joan (meer in vorige eeuen, vooral in de 17de), Johan, in den laatsten tijd veel in gebruik gekomen, ook door hoogduitschen infloed, Jan (overal in Nederland zeer algemeen), Hans (meest in Friesland en de andere noordoostelike Nederlanden), Janke, Jancko (als verkleinform in Friesland verouderd), Jentje (ook in Friesland, en in het geslacht Wybrandi weêr verlatynscht tot Gentius voorkomende), Jannes, Jannis, Jans, Hannes, Jennis, Jens, Jenniske, enz. enz.—om van de vrouelike formen Johanna, Janna, Jansje, Jenneke, enz. nog niet te gewagen. En van al deze formen aan eenen en den zelfden mansvóórnaam ontleend, zijn weêr allerlei patronymika, in allerlei formen en in allerlei spellingen afkomstig, die als geslachtsnamen in gebruik zijn. Zie hier een lijstje van die, welke my voorgekomen zijn, enkel in de Nederlanden: Johannesma—dit is de eenige onder al die geslachtsnamen, welke den mansnaam nog in den vollen, oorspronkeliken, onversletenen form heeft,—Johansson, Johansing, Johanninck.78 Enkelen van deze namen zijn my [156]slechts zelden voorgekomen, en worden, voor zoo veel my bekend is, slechts door eene enkele maagschap gedragen. Maar anderen zijn geenszins zeldzaam, en velen (al de Jansen’s, met al de verscheidenheden in spelling) zijn zeer talrijk en zeer algemeen, in alle nederlandsche gewesten verspreid. En verre daar buiten, in westelik Duitschland, over die geheele landstreek tot Bremen en Hamburg, Osnabrück en Münster, Keulen en Aken, evenzeer. Langs den geheelen Beneden-Rijn, van Keulen tot onze grenzen, komen de Jansen’s, in allerlei afwykende spellingen, veelvuldig voor. In Oost-Friesland is Jansen een der algemeenste namen. En Strackerjan vermeld in zijn werk Die Jeverlandischen Personennamen, bl. 34, dat in Jeverland (de omstreken van de stad Gewarden of Jever in noord-westelik Oldenburg—eene oud-friesche gou) op de 23,000 inwoners er 1723 zijn die Jansen, Janssen of Janszen heeten! Die verhouding is nog veel grooter dan ergens in de Nederlanden voorkomt, en wel mede een bewijs hoe verre de nederduitsche form Jan van den mansnaam Johannes over geheel den noordwesteliken hoek van Germanie (de Nederlanden daarby begrepen) verspreid is.

§ 59. Al de geslachtsnamen, van § 7 af in dit werk behandeld [157]en vermeld, zijn patronymika, vadersnamen. Eene kleine groep van geslachtsnamen staat in eene byzondere tegenstelling tot deze groote afdeeling. Die kleine en merkweerdige groep wordt geformd door de metronymika, de moedersnamen. Dat zijn namen die volkomen op de zelfde verschillende wyzen als dit by de patronymika is aangegeven, afgeleid zijn van de vóórnamen der moeders van de personen, die eerst met deze namen genoemd werden. De stam of wortel, die aan de metronymika ten grondslag ligt, is dus een vrouenvóórnaam.

Ieder kind heeft een vader, zoowel als eene moeder. Ja—maar de vader is niet altijd bekend. En waar de vader onbekend is, kan zijn naam ook niet dienen om er een patronymikon van te maken, als toenaam voor zijn kind. Dus was men, in die gevallen, wel genoodzaakt, zoo men het kind niet zonder toenaam wilde laten, om met den vóórnaam van de moeder te handelen, zoo als men anders met dien des vaders zoude doen. Dit is wel als de hoofdoorzaak van het ontstaan der metronymika aan te merken.

In De Navorscher, dl. XXVIII, schreef ik, op bl. 74, over metronymika handelende, het volgende: »D’oorsprong van zulke geslachtsnamen van vrouenamen afgeleid, is volstrekt niet verre te zoeken. Integendeel, hy leit voor de hand, en ’t is eerder te verwonderen, dat die metronymika niet meer in Friesland voorkomen. Ongetwyfeld zou dit het geval wezen, ware ’t niet dat er schande in deze namen opgesloten lach voor d’eerste dragers daarvan. Immers men geeft nog heden ten platten lande in Friesland zulke namen uit spot en hoon aan laffe mannen, die verachtelik genoech zijn om onder d’overheersching van hun vrouen te leven. Meer dan één voorbeeld is my persoonlik daar van bekend. Zoo wordt iemand die volgens recht Seerp Tjallings heeten moest, naar z’n vader Tjalling, in ’t dageliksch leven door z’n dorpsgenooten Seerp Grietjes genoemd, omdat-i onder den plak zucht van Griet, z’n boos wijf. Vond zulk een naam soms zoo veel byval, dat de sukkel Seerp Grietjes of Jan Trijntjes zich dezen smaad goedschiks of kwaadschiks moest welgevallen en aanleunen laten, dan ging zoo’n naam soms ook op z’n kinders en kleinkinders over, voor wie d’oorspronkelike beteekenis verloren ging, of hun hoe langer hoe minder ergerde, [158]tot dat de spotnaam op ’t lest werkelik geslachtsnaam werd.”

De heer P. Leendertz Wz. antwoordde hierop, in De Navorscher, dl. XXVIII, bl. 80: »De heer Winkler meent, dat wij hen die familienamen dragen aan vrouwennamen ontleend, Maaikes, Pietjens en dergelijke, als levende gedenkteekenen van pantoffelregeering moeten beschouwen. Mij dunkt er is wel eene andere verklaring voor te vinden. Stel eens, Grietje is in het dorp gewonnen en geboren, en dus bij oud en jong bekend, maar Tjalling, haar man, van buiten ingekomen; of vader Tjalling is kort na de geboorte van zijn kind gestorven, maar moeder Grietje is blijven voortleven. Is het in beide die gevallen wel vreemd, dat men den zoon niet naar den vader maar naar de moeder, niet Seerp Tjallings, maar Seerp Grietjes heet? In Waterland is het my meermalen voorgekomen, dat men die kinderen naar de moeder, niet naar den vader noemde: men sprak b. v. van Klaas van Niesje, Aart van Naatje.”

Behalven in Waterland is deze wyze om mannen te noemen met den naam hunner moeder, ook nog elders ten platten lande, vooral ook op de eilanden, meest waar de bevolking friesch is, nog in gebruik. Zoo vond ik op ’t eiland Ameland iemand genoemd: Betse-Rinse-Piet, dat is: Pieter, zoon van Rins (Rins, Rinske is een bekende friesche vrouenaam), dochter van Betje (zie Friesche Volksalmanak, jaargang 1842, bl. 176). En op ’t eiland Marken een Symen van Neele-Kee’n-Pieters-Dirk, dat is Symen (oorspronkelik Sîgman, niet Simon), zoon van Dirk, zoon van Pieter, zoon van Kee (Cornelis), zoon van Neeltje (Cornelia); zie De Taalgids, dl. IV, bl. 206.

Ook elders onder de friesche eilandbewoners heerscht nog de zonderlinge, maar gemoedelike zede, om de namen van het voorgeslacht in het dageliksche leven nog te hechten aan die der kinderen. En ook om den knapen den naam van hunne moeder, en niet dien van hunnen vader, als toenaam te geven. Het noordfriesche eiland Sylt leverde my een voorbeeld van het eerstgenoemde gebruik, en het oostfriesche eiland Borkum van het tweede. Zoo vind ik in de belangryke geschriften van den bekenden sylter Stand-Fries C. P. Hansen, eene sylter vrou vermeld die in 1746 leefde, en Merret Lorens Petersen Hahn genoemd werd. [159]Dat is: Merret, de dochter van Lorens, die een zoon was van Peter Hahn. Eene andere sylter Friesin, in 1766 levende, heette Moiken Manne Jens Eben, dat is: Moiken, de dochter van Manne, de zoon van Jens, de zoon van Ebe. Deze vrou torschte dus nog den naam van haren overgrootvader. Dit zonderlinge gebruik vindt zynen oorsprong in d’omstandigheid dat de bevolking op de friesche eilanden veelal en veelvuldig onderling verwant is, en daar by gering in aantal. Zoo komen de zelfde namen dikwijls voor by neven en nichten, die in kleine dorpkes en gehuchten samen wonen, als naaste buren. En daarom is ook eene naukeurige onderscheiding van deze personen, door toevoechsels by hunne namen, noodzakelik.

In het Ostfriesisches Monatsblatt, VIII, bl. 200 (Emden, 1880) vinden wy in een schoon gedicht Erinnerungen an Borkum, de volgende regels:

Wuchsen die Kinder heran, so war es besonders die Mutter, Welche den Knaben zu zügeln, das Mädchen zu leiten bestimmt war, Während der Mann abwesend, oft lange, durchkreuzte die Meere. Drum auch hatten die Mütter zu schaffen und galten zuerst auch. Wunderbar war’s also nicht, wenn der Mann nach dem Weibe genannt ward: »Tryntje’s Johann und Geertrud’s Klaas sind binnengekommen,” Hörte man häufig dort sagen, und meistens fehlte das »s” noch, So dass der Name der Frau oft des Mannes Vorname dann wurde: »Tryntje Johann” hiess der Mann und »Geertrude Klaas” hies der andre. Das gab nicht selten den Namenerforschern gewaltig zu denken.

Verder nog schrijft Leendertz, ter boven aangehaalder plaatse: »Laat ik er met een enkel woord bijvoegen dat dit noemen van kinderen naar de moeder, al vrij oud is. Om een paar voorbeelden te geven: Hughe Fs. vheilsoeten (d. i. Hughe filius verHeilsoeten; Hugo, zoon van vrou Heilsoete) komt verscheidene malen voor in de rekening der stad Hulst van 1326, door onzen geachten medewerker, den heer F. Caland uitgegeven; en van eenen ouden dichter Clays ver Brechten sone gewaagt Maerlant, Spiegel historiael. IV. 1, 29 vs. 75.”

Ik kan hier nog byvoegen den naam van Johannes Swanekens, die in 1342 cureet was van der Aa-kerke te Groningen.79 [160]Swane, in verkleinform Swaneke, is een oud-nederlandsche vrouenaam, die als Swaantje, Zwaantje nog heden wel in gebruik is, vooral in de friesche gewesten.

Eene andere oorzaak die het formen van moedersnamen ten gevolge had, vermeldt van den Bergh.80 Hy gewaagt namelik van metronymika, die geformd werden »wanneer de moeder van edeler geboorte dan de vader was. Zoo in een Zeeusch charter van 1290 bij K., Pierre fils Agheten, Heine filz Zuanekin, Hallinc ver Lieven zone, Jeans fils Dame Natalie.” Dit is: Pieter, zoon van Aaght (Agatha); Heine, zoon van Zuanekin, Swanekyn, Swaneke, Zwaantje (zie hier boven); Hallink, zoon van vrouw Lieve. Uit dezen naam blijkt dat de geslachtsnaam Liefsoons, op bladz. 82 genoemd, ook een metronymikon zijn kan, zoo wel als een patronymikon, wijl Lieve een vrouenaam was, even als Lieven een mansnaam.

Ontwyfelbaar echte metronymika komen heden ten dage nog slechts weinig als geslachtsnamen voor. De reden hiervan is uit het bovenstaande gemakkelik af te leiden. My zijn, in de eerste plaats, als zoodanig bekend: Aagtjes, Agneessens, Grietens, Grietjens, Maayen, Maaikes, Magdaleens, Trynes, Trienekens, Truyens en Willemijns. En in de tweede plaats: Veraechtens, Vreven, Vergrietens, Vertruyen, Verheyllesone, Verjans, Verjutten en Vernaleken.

Aagtjes is: de zoon van Aagtje, ook als Aagjen, Aagje, eene zeer gebruikelike verkorting van den kerkeliken vrouenaam Agatha.—Agneessens beteekent: zoon van Agnees, Agnes, een bekende kerkelike vrouenaam. Maayen en Maaikes, met Maeyen, Maayens, Maeyens, die my ook zijn voorgekomen, komen van de vrouenamen Maai en Maaike (Maey, Maeyken), en dit zijn, met Mary en Maryke (Marytje, Maryken, Marytgen), oud-nederlandsche verkortingen, afslytingen of hoe men ze noemen wil (zoogenoemde koseformen) van den vollen bybelschen vrouenaam Maria.—Grietens en Grietjens, Magdaleens en Willemijns, van Griete, Grietje, verkorting [161]van Margaretha, van Magdalena en Wilhelmina, zijn duidelik genoeg. Trynes en Trynekens met Trines en Trienekens, die my ook zijn voorgekomen, zijn afgeleid van Trijn, Trijntje, Tryneke, verkortingen van den vollen kerkeliken vrouenaam Catharina. En Truyens komt van Trui, eene volkseigene afkorting van Geertruida, Gertrudis, een volle oud-germaansche vrouenaam. In vorige eeuen wemelden de nederlandsche steden en dorpen van Maeykens en Trynekens. Thans zijn de Maaikes tot Friesland hooftsakelik beperkt, ofschoon men er in Holland ook nog wel aantreft, vooral ten platten lande in afgelegene gouen, als noordelik Noord-Holland en het Over-Maassche in Zuid-Holland. Trijntjes vindt men nog overal in Noord-Nederland, vooral ten platten lande; Grietjes en Truitjes nog meer, ook in de steden. De namen Agatha, Agnes, Margaretha, Maria, Magdalena, Catharina en Geertruida zijn echte vrouenamen; zy hebben ook geene mannelike tegenhangers. De geslachtsnamen die daar van zijn afgeleid, zijn dus ontwyfelbaar ware metronymika.

Iets anders is het met de geslachtsnamen Aafjes, Betjes, Duyfjes, Elskens, Leentjes en Pietjens. Naar myne meening zijn dit ook metronymika. Maar ontwyfelbaar zeker is het toch niet, dat zy tot de moedersnamen behooren. Aafke of Aafje is wel een vrouenaam, nog heden in Friesland en Noord-Holland in volle gebruik. Duifje, Duveke is een oud-nederlandsche vrouenaam die nog eene enkele maal voorkomt. Leentje (Magdalena of Helena) en Pietje (Petronella) zijn alomme in Nederland als vrouenamen bekend, maar het zijn tevens verkleinformen van mansnamen, van Ave (waar van de geslachtsnaam Avis, zie bl. 98), van Duif (waarvan Duyvis, zie bl. 90), van Leen, Leendert; en van Piet, Pieter, Petrus. In menige streek van ons vaderland worden de mansvóórnamen veelvuldig in verkleinform gebruikt, vooral in Friesland. De verkleinform die men aan de namen van kleine kinderen geeft (Jantje, Pietje, Heintje), blijft wel in gebruik, ook als dat kind een volwassen man, of zelfs vader geworden is. En zoo kunnen de geslachtsnamen Aafjes, Betjes, Elskens, Leentjes, enz. even goed patronymika zijn als metronymika. [162]

»Maar Betjes en Elskens ook?” zal allicht gevraagd worden. »Betje en Elsje, beide verkortingen (koseformen) van den vollen bybelschen vrouenaam Elisabeth, zijn toch stellig vrouenamen!” Niet altijd. Betje kan ook een verkleinform wezen, voor eenen man in gebruik, van den oud-germaanschen, oud-frieschen mansvóórnaam Bette. Deze naam Bette levert met den mansvóórnaam Botte, die in Friesland nog in volle gebruik is, slechts een gering verschil op in tongval, in uitspraak; anders niet. Bette en Botte zijn oorspronkelik twee verschillende formen van éénen en den zelfden mansvóórnaam; de e en de o zijn wisselletters in de verschillende tongvallen der friesche taal. Zoo wisselen de mansvóórnamen Jelle en Jolle, Jelmer en Jolmer, Helmer en Holmer, Werp en Worp, Melle en Molle, Jette en Jotte, en de woorden therp en thorp (in Kollumerland), del en dol, (visch-) net en not, gers en gors (te Molkwerum), bern en born of ben en bon (te Hindeloopen en ter Schelling), enz. In den verkleinform Betse (eigenlik Bettse, Bet-tse == Betke, friesch ts == k) komt de mansnaam Bette nog eene enkele maal in den tegenwoordigen tijd in Friesland voor. De geslachtsnamen Betting, Bettink, Bettenga, Betten, Bettens, Betz en Bets zijn er van afgeleid. Zoo ook de plaatsnamen Betteweer, een verdronken dorp in den Dollart (Oost-Friesland); Bettenwarfen, een gehucht by Secriem in Harlingerland; Bettingburen, een gehucht by Berne in Stedingerland (Oldenburger Friesland), enz.

Elskens kan zoo wel een metronymikon zijn van den vrouenaam Elske, Elsje (Elisabeth) of van den vroueliken form van Else, als een patronymikon van den oud-germaanschen, door Förstemann vermelden mansnaam Alis, Eliso, die in den form Else, Elso, nog heden in Friesland in gebruik is, en dan ook in de naamlijsten van Wassenbergh en Leendertz gevonden wordt. Van dezen mansvóórnaam Else zijn nog afgeleid de geslachtsnamen Elsing en Elzing, Elsinga, Elsenga, Elzinga, Elzenga en Elsen, met de plaatsnamen Elswert, een gehucht by Kantens; Elsinghusen, een gehucht by Flachtwedde, beide in Groningerland; Elseghem (Elsinga-heim), dorp in Oost-Vlaanderen; Elsom (Elsa-heim), eene plaats in het Land van Antwerpen; Elsing, gehucht by Cham in den beierschen Ober-Pfalz, enz. [163]

Leenesonne (zie bl. 83) en Lyseseune (zie bl. 84) zijn ook twee geslachtsnamen, waar van het twyfelachtig is, of men ze tot de vaders- of tot de moedersnamen moet rekenen. Leenesonne kan zoo wel de zoon van Leen (Magdalena, Helena), als van Leen (Leendert, Leonhard, Leeuwenhart) beteekenen. En Lyseseune is naar myne meening wel: zoon van Lyse, Lijsje, Lize (Elisabeth)—maar deze naam kan toch ook evenzeer afgeleid zijn van den oud-germaanschen mansvóórnaam Lis, door Förstemann vermeld. Als Lisse en Lise komt deze naam in Friesland nog wel eene enkele maal als mansnaam voor, en wordt dan ook in de lijsten van Leendertz en Brons gevonden. In sommige friesche geslachten (vooral te Leeuwarden—b. v. Hosbach, Harmenzon, Heeringa), waar deze mansnaam Lise gebruikelik is, heeft men er Eliza, Elisa van gemaakt, volgens den naam van den israëlitischen profeet; als om aan te toonen dat Lise niet een vrouenaam is, maar wel degelik een mansnaam. Overigens heeft het oud-germaansche Lis, Lise met de oud-hebreeusche namen Elisa en Elias natuurlik niets te maken. Van dezen naam zijn nog de geslachtsnamen Liezinga en Lyzenga, echt friesche patronymika, afgeleid; eveneens Lysen. En tevens de plaatsnamen Liesbüttel, dorp by Itzehoe in Holstein; Liessem (Lise-heim), dorp by Bonn aan den Rijn; Liesing, welbekend dorp by Weenen in Oostenrijk, enz.

De metronymikale geslachtsnamen Van Gertruyden, Van Lysebeth en Van Lysebetten vertoonen weêr eenen anderen form, en zijn de vrouelike tegenhangers van de geslachtsnamen Van Frank, Van Alewijn, enz., op bl. 148 vermeld. Wat hunnen oorsprong betreft, zijn ze duidelik. De eerstgenoemde naam is in de zuidelike Nederlanden geenszins zeldzaam, en komt ook onder de formen Van Geertruyden, Van Geertruyen en zelfs versleten als Van Geetruyen voor.

Enkele vrouenamen op zich zelven, zonder eenig voor- of achtervoechsel, komen slechts weinig als geslachtsnamen voor. Zy zijn er dan ook weinig geschikt toe. Hoe men er toe mag gekomen zijn, zulke namen als geslachtsnamen aan te nemen, is my ook niet duidelik. Sommigen er van zullen wel als metronymika in gebruik zijn gekomen; anderen danken wellicht hun ontstaan aan [164]spotterny. My zijn slechts bekend: Cathelijn (Cathelyne, Catheline is een oud-nederlandsche, vooral in de zuidelike gewesten gebruikelike form van Catharina), Henriette, Leysbeth (Elisabeth), Naatje (de gewone hollandsche verkorting en verkleinform van Anna of Wilhelmina, of van eenigen anderen op na eindigenden vrouenaam), Salomé, Sophie, Suzanne, Susanna, Susan en Soesan. Over den oorsprong van dezen laatstgenoemden bybelschen vrouenaam, ook als geslachtsnaam, vindt men iets in De Navorscher, dl. XXXIII, bl. 282. Eindelik is my nog de geslachtsnaam Xantippe voorgekomen; en zoo één naam als maagschapsnaam ongeschikt is, dan is het zeker deze.

§ 60. Ver is eene, in het middeleeusche Nederlandsch zeer gebruikelike, en in middeleeusche geschriften veelvuldig voorkomende verkorting of verslyting van het woord vrou; vooral dan, als de eigennaam van die vrou er op volgt: Ver-Brechte, Ver-Heylsoete, zoo als blijkt uit de voorbeelden op bl. 159 en 160 aangehaald. Eene aanzienlike vrou, te Damme ten jare 1286 wonende, wordt in eene oorkonde van dat jaar, vermeld in de Annales du Comité flamand de France, 1853, bl. 245, genoemd: Ver Gheile van den Dauwe. Dit zelfde woordje ver maakt nog deel uit van eenige hedendaagsche geslachtsnamen, Veraechtens, Vreven, Vertruyen, Vergrietens, Verheyllesone, Verjans, Verjutten en Vernaleken. Deze namen formen eene aardige tegenstelling met die geslachtsnamen, welke met her samengesteld, en in § 52 en 53 beschreven zijn.

Veraechtens, met den volleren form Veraechtenszeune en met den afgesletenen form Veraechten, die beiden ook als geslachtsnamen voorkomen, beteekent: Vrou-Aachten-zoon, de zoon van Vrou-Aagt, van de vrou die Agatha heet. Vreven, en Vreeven, want ook alzoo misspeld komt deze geslachtsnaam voor, is eene samentrekking van Vereven, Ver-Even, Ver-Even-zoon, Vrou-Eva’s zoon, de zoon van vrou Eva, een naam, volgens den bybel, eigenlik op alle menschen toepasselik. Vertruyen is: zoon van Vrou-Truye, van de vrou die Trui, Truda (Gertruda) heet. Vergrietens is: zoon van Vrou-Griete, Margaretha.—Verheyllesone is: zoon van [165]Vrou-Heyle, van de vrou die Heile heet. Heile, (in verkleinform ook Heilke en Heiltje) is een oud-nederlandsche vrouenaam, nog heden ten dage in Friesland in volle gebruik. Verjans en Verjutten beiden beteekenen: zoon van Vrou-Johanna. Immers Jans, Jansje is nog heden in Nederland veelvuldig als zoogenoemde koseform van Johanna in gebruik. In de middeleeuen echter verkortte en verknoeide men den naam Johanna in het dageliksche leven tot Jutte.

Vernaleken eindelik is: der Vern-Aleken sone, de zoon der vrouen (der vroue) Aleke, de zoon van de vrou die Aleke heet. En Aleke (Aaltje) is een verkleinform van Ale, welke naam weer eene samentrekking, inkorting, verfloeiing is van A(de)la, Adela, Athala, (ook Edele, gelijk de moeder heette van den vlaamschen graaf Karel de Goede; zy was eene dochter van koning Knut van Denemarken.) Een volle en schoone oud-nederlandsche, ook algemeen oud-germaansche vrouenaam. In manneliken form is hy op bl. 120 vermeld. Deze edele naam wordt tegenwoordig nog slechts in den franschen form Adèle de eere waardig geacht om door »hollandsche dames” gedragen te worden, ofschoon hy in de formen Aaltje en Aaltien nog steeds voor en na in de friesche en saksische gouen van Nederland in gebruik bleef, en ofschoon nog menige edele Friesin, menige saksische vroue, die zich geenszins haren germaanschen volksaard schamen, met eere dien alouden, zinryken naam blyven dragen.

In de middeleeuen treffen wy de metronymika met ver er voor dikwijls aan. Om nog een enkel voorbeeld te voegen by die op bl. 160 vermeld, noem ik Bouden filius Verheylzoeten, schepen van de stad Sluis in Vlaanderen, in 1345. Zie het tijdschrift De oude Tijd, jaargang 1869, bl. 114.

De friesche taal kent de letter v niet als beginletter van eenig woord. Van daar dat het nederlandsche woord vrou in het Friesch als frou luidt en geschreven wordt, ook overeenkomstig het hoogduitsche frau. En zoo komt ook in het middeleeusche Friesch de versletene form fer voor, in plaats van ver, als elders in de Nederlanden. Dit fer treffen wy aan in den oud-frieschen geslachtsnaam † Ferhildema (Fer-Hildema, Fer-Hilda-ma, man (zoon) van Fer-Hilda, van vrou Hilde), een echt metronymikon. [166]Het geslacht dat dezen naam voerde, is uitgestorven; maar de geslachtsnaam Hildema (zonder het voorvoechsel fer) komt nog in Friesland voor. En ook deze geslachtsnaam schijnt my toe een waar metronymikon te wezen, naar dien d’ oud-germaansche naam Hildis, Hilda, ook in hare samenstellingen Berchthildis, Machthildis (Mathilde), Hlothildis, Chlothildis (Clotilde), byna zonder uitzondering een vrouelike is. Ook nog heden ten dage is deze naam, in den form Hiltje, Hilletje, Hilke, Hilleke (Hillechien) slechts als vrouenvóórnaam in gebruik—hooftsakelik by de Friesinnen, althans by vrouen van frieschen stam, ook in Holland ten platten lande.

In den vlaamschen geslachtsnaam Veranneman treffen wy dit ver == vrou ook aan. Toch kan men dezen naam eigenlik niet tot de echte metronymika, tot de moedersnamen rekenen. Veranneman toch beteekent niet de zoon van Vrou-Anna, maar de man, dat is: de hoorige, de volgeling, de dienstman dier vroue. Zie § 45.

Als een aanhangsel tot de metronymika moeten hier nog de geslachtsnamen Moederzoon, Meyskens, Nonnekens, Vrouwes en Wyvekens vermeld worden. Moederzoon, welke naam ook in de oude spellingen en gedeeltelik versletene formen Moyersoen en Moeyersoon voorkomt, en zelfs weer in tweeden naamval als Moyersons, spreekt duidelik genoeg voor zich zelven. Het is eigenlik slechts eene nederlandsche vertaling van het woord metronymikon, even als de mannelike tegenhanger van dezen naam, de geslachtsnaam Vaarzon en Vaarson (vaders-zoon) als eene nederlandsche overzetting van het woord patronymikon kan beschoud worden. Een Jan Vaderszoon wordt vermeld in Van Lennep en Ter Gouw’s Uithangteekens, bl. 404. Meyskens, de zoon van een meysken, een meisje, eene ongetroude vrou, is ook duidelik genoeg. Maar Nonnekens en Nonkes behoeft men geenszins onvoorweerdelik te beschouen als beteekenende: zoon van een nonneke, van eene non, als tegenhanger dus van de geslachtsnamen Munniks, Munnicks, Munnickx, Munks, Munckx, Muynckx en Munniksma, die zoon van eenen monnik beduiden. Neen—maar Nonnekens en Nonkes kunnen zeer goed afgeleid zijn van den oud-germaanschen, door Förstemann vermelden mansvóórnaam Nunno, Nonno, Nonne, Nunne, Nune, Nono. [167]Deze naam komt, ook in verlatynschten form als Nonus, nog eene enkele maal in Friesland als mansnaam voor, en is dan ook in de bekende lijsten van friesche vóórnamen opgenomen. De oud-friesche patronymikale geslachtsnamen † Nonninga, versleten tot † Nonia (zie § 29), en † Noneka van den verkleinform Noneke (even als Nonnekens en Nonkes), zijn er van afgeleid. Het oud-friesche patronymikon Nuninga komt nog heden in Groningerland voor, in spelling tot Nuinenga verhollandscht. Eindelik nog Noninckx en Noeninckx, Nüninghoff en Nunninghaven (zie bl. 52). De Nonia-sate is te Tonnaart (dat is Ternaard) in Dongeradeel (Friesland), en Nünningen is een dorp by Fallingborstel in Hanover.

De geslachtsnamen Vrouwes en Vrouwe (afgesletene form van Vrouwen) moet men niet beschouen als tweede-naamvallen van het voord vrou. Althans niet onvoorweerdelik. Het kunnen zeer wel goede patronymika zijn, tweede-naamvallen in twee verschillende formen, van den ouden mansvóórnaam Frau, Vrou. Het woord vrou heeft in der daad oudtijds in de germaansche talen eene mannelike beteekenis gehad; in het Gothisch beteekent het woord frauja heer. Van heer (dominus) werd het heerinne of vrou (domina); later vrou (femina). De friesche dienstmaagd spreekt hare meesteresse nog heden aan als frou (domina). Dat Fraw, Frau, Fro een oud-germaansche mansvóórnaam is, kan men in Förstemann’s Namenbuch vinden. En dat deze naam oudtijds ook in Nederland als zoodanig in gebruik was, bewyzen de geslachtsnamen Vrouwes en Vrouwe, met † Froukana, † Frouwama en † Fraukema (van den verkleinform Frauke), en Froma, een nog bestaande oud-friesche geslachtsnaam uit het Westerkwartier van Groningerland, waar wy nog te Lutkegast een Froma-heert, en te Niehove eene Froma-sate vinden.

Wyvekens is, wat zyne afleiding aangaat, ook een twyfelachtige geslachtsnaam. Deze naam kan zoo wel zynen oorsprong gevonden hebben in het woord wijf, in verkleinform wyveke, wijfke, wijfje (dus een tegenhanger formende van den geslachtsnaam Mannekens), als wel in den oud-nederlandschen vrouenaam Wyveke, verkleinform van Wiva, Wive, Wyf, een naam die oudtijds geenszins zeldzaam door nederlandsche vrouen gedragen is. Volgens [168]Leendertz’s naamlijst ook nog na den jare 1500. In den bastaardform Wivina komt deze naam nog heden in Zeeusch-Vlaanderen voor. Elders ook als Wyva, en in Fransch-Vlaanderen nog in den ouden form Wyfken. Maar hoe dan ook—Wyvekens is zoowel in ’t eene als in ’t andere geval een metronymikale geslachtsnaam.

De maagschapsnaam Der Weduwe behoort ook tot deze afdeeling. De beteekenis er van, zoon eener weduwe, is duidelik genoeg. De meervoudsform, waaronder deze naam ook voorkomt, Der Weduwen, dankt zijn ontstaan zeker aan eene misspelling. Een ander geslacht nog spelt dezen zynen naam als Der Weduwé—eenigszins verfranscht.

Zoo eenvoudig en duidelik de naam Der Weduwe te verklaren is, zoo moeielik is het my de eigenlike, oorspronkelike beteekenis van den geslachtsnaam Der Kinderen aan te toonen. Ik vermeld dezen naam, die ook als Van der Kinderen en Der Kinder—beide min zuivere formen—voorkomt, dan ook slechts hier ter plaatse, wijl ik hem eenigszins, wegens zynen form, als een tegenhanger van den vorigen naam, Der Weduwe, beschou. Iemand kan de zoon zijn van eenen man, die ’T Kint genoemd wordt of die zoo heet; immers deze geslachtsnaam bestaat. En zoo die zoon dan van dien toenaam zijns vaders een patronymikon, voor zijn gebruik, wilde maken, dan zou hy zich Jan of Piet Des Kinds moeten noemen. Maar de bestaande geslachtsnaam is duidelik een meervoudsform: Der Kinderen. Aan een patronymikon valt hier dus niet te denken. Dat kinderen gezamenlik, na den dood hunner ouders, in ’t ouderlik huis blyven wonen, en daar ’t ouderlik bedrijf b. v. eene boerdery, met elkanderen, zonder te huwen, blyven voortzetten, komt wel voor. Men noemt hen dan, met elkanderen, de kinderen, ook al zijn het langzamerhand bejaarde lieden geworden. Men zegt: ik ga naar de kinderen. En de boereknecht die in dat huisgezin dient, zegt: ik woon by de kinderen. Heet die knecht Pieter, en is er in zyne nabuurschap nog een andere boereknecht die eveneens Pieter heet, dan onderscheiden de buren den eerstgenoemden van zynen naamgenoot, door hem Pieter der kinderen te heeten. En die toenaam kan een vaste geslachtsnaam geworden zijn. Dit is de eenige verklaring, die ik geven kan van dezen zeer byzonderen naam. [169]

Een andere naam, die my eveneens raadselachtig is, maar die weêr bepaald een metronymikaal voorkomen heeft, is Witvrouwen. De afgesletene formen Witvrouwe, Witvrouw en Wittevrouw komen ook voor. Moeten wy by deze »witte vrou” aan eene non, eene witte nunne denken? In dat geval wil ik dezen naam ook liefst niet als een ware moedersnaam beschouen, maar, even als Der Kinderen, Veranneman, enz., als de toenaam van eenen dienaar, eenen hoorige of iets dergelijks.—Zonderling genoeg zijn de namen Der Weduwe, Der Kinderen en Witvrouwen, met hunne verscheidenheden, geenszins zeldzaam, hooftsakelik in de zuidelike gewesten, en behooren daar aan verschillende, onderling niet verwante geslachten.

§ 61. Eene kleine groep van byzondere geslachtsnamen dient hier nog vermeld te worden. Deze groep bestaat in den regel uit goed geformde vadersnamen; maar de mansnamen, die er aan ten grondslag liggen, zijn dubbel. Zy bestaan uit twee verschillende, saâmgevoegde namen (Woutermaartens); of uit eenen enkelen naam met het eene of andere woord daar voor, als eene nadere bepaling (Jongejans), of daar achter (Janbroers). Soms ook staan deze dubbele namen niet in den tweeden naamval, zijn dus in taalkundig opzicht eigenlik geene patronymika, maar eenvoudig namen op zich zelven (Kleinjan, Langejan, Langclaus, Koppejan). Wijl echter zulke namen tevens ook wel in eenen tweeden-naamvalsform als geslachtsnamen voorkomen (Kleinjans), zoo kan de mogelikheid aangenomen worden dat zy oorspronkelik wel patronymika geweest zijn, maar later door afslyting van dien tweeden-naamvalsform, het kenmerk daar van verloren hebben. In allen gevalle zijn ze zóó na verwant aan de patronymika die deze groep samenstellen, dat ik hen van dezen niet heb willen scheiden, maar hen gelijktydig daar mede hier vermelde.

De volgende maagschapsnamen dan formen, met eenige anderen nog, deze byzondere groep.

Aertgeerts, de zoon van Aert-Geert, van Arend-Geraart.—Hansates, de zoon van Hans-Ate.—Hans is de algemeen bekende inkrimping van Johannes, en Ate is een friesche mansvóórnaam, nog heden onder de Friesen in volle gebruik. [170]De geslachtsnamen Ates, Aats en Aten met Atinga en Atema en † Aatsma, en de plaatsnamen Ateburen, een gehucht by Hieslum in Wonseradeel (Friesland), en Atens (Atingen), een dorp in Butjadingerland (Oldenburger Friesland), danken hun ontstaan eveneens aan den mansnaam Ate.

Coppejans en Coppieters, de zoon van Jacob-Jan of Jacob-Johannes, en die van Jacob-Pieter of Jacob-Petrus. Dat Cop, Coppe, Kop oud-nederlandsche afkortingen, versletene formen zijn van den bybelschen mansnaam Jacob, blijkt o. a. uit eene oorkonde van den jare 1466, waar iemand in vermeld wordt als: »Coppe offt Jacop Meluszoen.”81 Maar ook nog later vindt men in oude geschriften nog menigmaal den mansvóórnaam Kop. De geslachtsnamen Kops, Cops, Koppen, Koppes, Coppens, en zekerlik ook wel het verlatynschte Koppius zijn er van afgeleid.—Koopmeiners is de zoon van Koop-Meiner, van Jacob-Meinert of Jacob-Meinhart. Want even als Kop, zoo is ook Koop, met Jaap, Koben en Kobus, ook met Japik en Jappe, en misschien met Jakkele, eene volkseigene verbastering van den mansnaam Jacob. In sommige streken van Nederland, vooral by de friso-saksische bevolking van noordelik Overijssel, van Drente en Groningerland, is Koop als een byzondere mansvóórnaam nog in volle gebruik. De maagschapsnamen Kopinga en Copinga, Koopsma, Koops, Coops en Kopen zijn er van afgeleid. Het patronymikon Coping, de weêrga van de friesche vadersnamen Kopinga en Copinga, kwam reeds onder de Angel-Saksen voor, even als Coppingsyke nog een plaatsnaam is in Lincolnshire, Engelland. (Zie bl. 131).

Jansegers is de zoon van Jan-Seger, van Johannes-Segher.—Seger is een oud-nederlandsche mansnaam, in Friesland ook als Sieger, Siger, in Holland als Zeger nog heden voorkomende. Van dezen schoonen oud-germaanschen naam (zie bl. 115) zijn onze geslachtsnamen Siegerink, Sigersma en Siegersma, Siegers, Segers en Zegers, met † Sigera afgeleid, en de plaatsnamen Sigerswolde, zoo als een dorp in Opsterland en een [171]gehucht by Garyp, beide in Friesland, heeten; verder Zegerscapel, een dorp in Fransch-Vlaanderen; Siegersleben, een dorp by Neu-Haldensleben in de pruissische provincie Saksen, enz.

Kortjanse is: de zoon van Kort-Jan, van Koenraad-Johannes. Want Kort, met Koort, Koord, Koert, Koen, zijn nederlandsche volkseigene verkortingen van den vollen oud-germaanschen mansvóórnaam Koenraad. Behalven Koenraads en Conradi zijn nog zeer vele andere nederlandsche geslachtsnamen van dezen mansnaam afgeleid. Zie hier eenigen daar van: Koerts, Coerts, Koertssma, Koordes, Kordes, Cordes, Kortenga, Korting, Corty (zie bl. 74), Corting, Korten, Corten, Koens, Koenen, Coenen, Koene, Kundersma, Kuindersma, Kuinders. In de brabantsche streken ook Kuenen, Kuene, Kune, wijl de Brabanders de tweeklank oe als ue uitspreken (groen = gruen) enz. Zie bl. 106. Het is echter ook mogelik dat de geslachtsnaam Kortjanse een patronymikon zy van Kort-Jan, als een bynaam, in den zin van »den korten Jan.”

De maagschapsnamen Janclaes en Pieterhans eischen geene nadere verklaring. Perclaes is: Peter-Klaas; Per, Peer, Peerken is in de brabantsche gouen de volkseigene vleiform van Petrus.—Woutermaartens eindelik en Wautermaertens (deze twee slechts in spelling verschillende formen vervangen elkanderen in Noord- en Zuid-Nederland, en behooren oorspronkelik ongetwyfeld aan eene en de zelfde maagschap) zijn ook duidelik genoeg.

De volgende geslachtsnamen zijn samengesteld uit mansvóórnamen met het eene of andere woord daar vóór gevoegd, als eene nadere aanduiding. Zy zijn oorspronkelik bynamen geweest, ontleend aan de eene of andere byzonderheid die eigen was aan den eenen of anderen, met name genoemden man. B. v. Langewouters beteekent zoon van den langen Wouter; Langejan is duidelik genoeg. Ook Jongejan en Jongejans; Oudejan, Ouwejan en Oudejans, met Oljans, in versletenen saksischen form; Jongeneel, Jongenelen, Jongeneelen, Ouweneel en Oldeneel (Neel is eene verkorting van Cornelis82; Jongepier en Aupiers [172](Pier is eene vlaamsche en friesche verkorting van Pieter, Petrus; Aupiers beteekent: zoon van den ouden Pieter, in brabantsche gouspraak: van den ouen Pier, van den Au-Pier.) Verder Roodhans en Roothans, dat is: de roode Hans. Echter komt Roothaan ook voor als geslachtsnaam (zie § 132), en Roothans zoude daarvan ook een verbasterd patronymikon kunnen wezen. Toch acht ik dit min waarschijnlik. Jongkees (Kees is de bekende volkseigene verkorting van Cornelis), Kleynhens en Cleynhens (Hens, Hans, Johannes), Ouweleen (Leen als verkorting van Leendert), Sterkendries, Langendries en Langhendries (Dries als verkorting van Andries), eischen geen van allen naderen uitleg. Schoonhein; de schoone Hein of Hendrik? Deze naam zoude ook eene verdietsching kunnen wezen van den hoogduitschen maagschapsnaam Schönhain, die geheel iets anders beteekent. Schoonejans en Nevejans, (zoon) van Neef-Jan, zijn duidelik, en worden vooral in de zuidelike Nederlanden door verschillende geslachten gedragen, en verschillend gespeld tevens. Nevens de gewone spellingen toch, boven vermeld, treft men ook Schonejans, Schoonjans, Schonians en het half verfranschte Schoonéans aan, met Nevejan en Neveyans. Een tegenhanger van Schonians, wat de spelling aangaat, is de maagschapsnaam Grotrian, die nevens Groterjan voorkomt, en daarmede oorspronkelik één is, even als met Grotjohan, Grootjan en Grootjans.—Grotrian, Groterjan, Grotjohan en Grotjohann zijn eigenlik nedersaksische (zoogenoemd platduitsche) formen, en uit onze noordoostelike grensgouen afkomstig, even als de tegenhangers van deze namen, Lütjohan, dat is: de kleine Johan, en Lüthenning, de kleine Henning; Henning is het patronymikon van Henne, Hänne, Johannes. De nederlandsche naam Grootjan vindt ook in Nederland zyne weêrga in den oorspronkelik hoogduitschen geslachtsnaam Groshans en in den oorspronkelik franschen maagschapsnaam Grosjean, even als Kleinjan in Petitjean; in Engelland komt Littlejohn als geslachtsnaam [173]voor. Wilderjans is zeker wel (zoon) van den wilden Jan, en doet door die r ook aan hoogduitschen infloed denken; terwijl Heetjans my tamelik duister is. Moet by dezen naam aan het byvoegelike naamwoord heet = warm gedacht worden? of aan heeth, heede, heide? Bruggetijs, ook al een nederlandsche maagschapsnaam, is waarschijnlik Tijs (Matthijs, Mattheus) die aan eene brug woont, of anderszins iets met eene brug te doen had, zoo dat hy dien naam als bynaam verwierf. Kroeseklaas is de kroese, de kroes- of krulharige Klaas of Nicolaas. Het is opmerkelik dat sommige leden van het geslacht dat dezen naam draagt, het byzondere kenmerk van hunnen voorzaat, wien eerst dezen naam als bynaam gegeven werd, nog in sterke mate vertoonen. Poggenklaas is minder duidelik, maar zal oorspronkelik ook wel een bynaam zyn; in sommige nederlandsche gouspraken heet eene padde pogge; zie § 133. Appeljan is oorspronkelik ongetwyfeld een bynaam geweest van eenen Jan die appelen verkocht of op andere wyze iets met die vrucht te doen had. Timmerhans en Timmerjans zijn hoochst waarschijnlik afkomstig van eenen Hans en eenen Jan, die timmerlieden waren, en dies Timmer-Hans en Timmer-Jan werden genoemd. Schipperheyn is oorspronkelik de bynaam van eenen schipper die Hein, Hendrik heette. In de zuidelike Nederlanden, waar deze naam als Schipperein voorkomt, heeft hy, volgens den vlaamschen tongval, de h verloren.

Quahannens eindelik, ook als Quatannens, Quattannens, en Quathannens voorkomende, is eveneens een zuid-nederlandsche geslachtsnaam, zoo als de byzondere en ouderwetsche spelling wel aanduidt, en beteekent: de zoon van Qua-Hannes of van Quaet-Hanne, van den kwaden Johannes. Deze naam is oorspronkelik zonder twyfel een bynaam geweest van eenen man die Hannes of Hanne (Johannes) heette, en die wegens zyne minder loffelike eigenschappen de kwade Hannes, Qua-Hannes genoemd werd. Uit Vlaanderen zijn my nog een paar voorbeelden bekend, uit den ouden tijd, van zulke met kwaad samengestelde geslachtsnamen, tevens ook van zulk eenen bynaam. Een Pietere Quaclaeys (Pieter, de zoon van den kwaden Klaas) woonde in 1500 te Berthen in (Fransch)-Vlaanderen. (Zie de Annales du [174]comité flamand de France, 1853, bl. 236.) En de vrou die in 1520 weerdinne was in »den Engel”, eene herberg aan de zuidzyde van de Groote-Markt te Iperen, heette Elisabeth Quaedjonck. Duidde deze hare geslachtsnaam reeds aan dat een harer voorvaders, wien dezen naam eerst als bynaam gegeven was, kwaadaardig van inborst was geweest,—Elizabeth droeg dien naam te recht, want ook zy was wijd en zijd berucht als een boos wijf. Daar van wisten de reizigers en de bezoekers van hare herberg meê te praten; vooral zy die door eenen schralen buidel genoodzaakt waren weinig vertering te maken. Zy had dan ook van hare omgeving den bynaam Qua-Bette ontfangen. Ook keizer Karel V, de volksaardige Vlaming, die eens, als een eenvoudig reiziger vermomd, in haar huis kwam om te beproeven of het gerucht waarheid sprak, moest haren boozen aard maar al te zeer leeren kennen. Tot haar straf veranderde de keizer den naam van hare herberg. Hy liet »de Engel” wegnemen, en »de Beer” daar voor in de plaats stellen »ter gedachtenis hoe Elisabeth de menschen niet als een engel, maar als eene berin placht te bejegenen.”83 En nog heden staat de herberg »de Beer” te Iperen aan de Markt.

By de volgende geslachtsnamen is het bygevoegde woord niet voor, maar achter den oorspronkeliken mansnaam geplaatst: Dirkzwager (een tegenhanger van Nevejan) en Dirkmaat, Janmaat en Pietermaat. Maat is een volksaardig woord dat in de eerste plaats iemand beteekent die met eenen anderen de zelfde betrekking vervult, maar in de tweede plaats ook wel goede-vriend beduidt; goede-maats, goede-maatjes met iemand wezen, is eene uitdrukking uit de dageliksche volksspreektaal. Het woord is vooral by ons zeevolk in gebruik—bootsmansmaat, verkort tot bootsmaat; koksmaat, timmermansmaat. By de Engelschen heet zelfs de stuurman mate; bedoeld is: de mate van den schipper of kapitein. En Janmaat is de algemeene naam voor den nederlandschen zeeman. De maagschapsnamen Janbaas en Janknegt behoeven geen uitleg. Leentvaar is een gemoedelike naam voor Vader-Leendert, [175]even als Keesom voor Oom-Kees (Cornelis). Deze laatste naam is in noordelik Noord-Holland inheemsch, waar de friesche uitspraak om voor oom oudtijds gelding had, even als nog heden beoosten Fli. Janbroers is: de zoon van Broêr-Jan, van broeder Jan. Maar deze laatste naam kan men ook als het patronymikon van eenen dubbelen mansnaam beschouen, zoo als Woutermaartens is. Immers Broer is een mansvóórnaam, die voornamelik in Friesland nog heden in volle gebruik is, die Förstemann reeds als Brothar vermeldt, en die oorsprong gaf aan de volgende geslachtsnamen: Broers, Broeren, Broersma, Broersema, Broderssen, Broders, Broren, Breuren, Breure, Brören, Brorks, Brorken, Brörkens (van den verkleinform Brörke), enz.

§ 62. Als aanhangsel tot al de vadersnamen in de voorgaande afdeelingen behandeld, moge hier nog eene byzondere groep van geslachtsnamen vermeld worden, welke bestaat uit oude, ten deele zeer oude, ten deele ook verouderde, maar volle en schoone oud-germaansche, dus ook oud-nederlandsche mansvóórnamen, op zich zelven. Zy staan meestendeels niet in den tweeden naamval, en zijn dus ook geene echte patronymika. Toch zijn zy ten naasten aan de vadersnamen verwant, en staan in de plaats daarvan. Immers men kan wel met zekerheid aannemen dat deze hedendaagsche geslachtsnamen in vorige eeuen door de stamvaders dier geslachten als eenvoudige vóórnamen, als eenige namen, zijn gedragen geworden; en dat zy, geheel zoo als patronymika, op de kinderen en het verdere nageslacht van die mannen, eerst als toenamen, ter onderscheiding, zijn overgegaan. Deze geslachtsnamen zijn belangrijk en merkweerdig; want zy toonen ons nog de volle, schoone, volkseigene namen die onze voorouders droegen. Die edele namen vol zin en leven! Ook herinneren zy ons aan menig roemvol feit uit de geschiedenis van ons voorgeslacht, bedreven door mannen die deze zelfde namen droegen. Of zy brengen ons de gestalten te binnen die eene rol vervullen in onze oude volksoverleveringen. Zy spreken ons van de roemryke dagen der Gothen, Friesen, Saksen, Franken, uit den tijd toen het kerstendom met de namen van zynen stoet van bybelsche personen en kerk-heiligen, nog niet [176]begonnen was de roemruchtige, schoone, volkseigene namen van onze eigene voorouders te verdryven.

Zie hier eenigen van deze oude namen, die nu als maagschapsnamen dienst doen, en waarvan er velen bepaaldelik in onze friesche en vlaamsche gouen inheemsch zijn: Alewijn (Adelwyn, Adelwin, Athalwin == edele vriend). Allewaert (Alwart, Athalwart, waar van, in versletenen form, ook de geslachtsnamen Alverdink en † Alvaarsma afkomstig zijn). Beerewoud (Berwalt, Barwold, Barwout, waarvan ook de plaatsnaam Barwoutswaarder, eene gemeente in Zuid-Holland, is afgeleid). Blomhert en Blommaert (zie bl. 93 en 94). Burghardt en Borchart, ook, by letterkeer, Brochard, een volle, oud-germaansche mansnaam, waarvan ook de maagschapsnamen Borgrink, Burgerding, Burgers, Borcherts afstammen. Ditmar; van dezen mansnaam zijn ook nog afgeleid de geslachtsnamen Detmering, Detmers en Dethmers, met Van Ditmar (zie bl. 130 en 148). Eerebout (Erbalt). Einhout (Eginhold of Aginald). Elewaut en Ellewaut, en in samengetrokkenen form Elout (met den plaatsnaam Ellewoutsdijk, dien de Zeeuen als »Ellou’sdike” uitspreken, een dorp op Zuid-Beveland). Gheerbrant, Gillebaert en Gillebert. Ghiselin (Gyselyn, een verkleinform van Gise, Gijs, Gisil; zie bl. 145; van dezen verkorten naam komen ook de patronymikale maagschapsnamen Giezing, Gyssen en Giezen). Gisolf. Haanraadt (dat is oorspronkelik Hagenrad). Harrewijn en Herrewijn (oorspronkelik Herwin, Hariwin). Herrebaut, Heerbout en Herreboudt (Haribald). Herrebrandt. Hillegeer (Hildger, Hildigar); ook verloopen tot den mansvóórnaam Hilger, die weêr oorsprong gaf aan de patronymikale geslachtsnamen Hilgerink en Hillegers. Hillewaert (Hildiward, Hildoard), ook verloopen tot den mansvóórnaam Hilwert, waar de patronymikale maagschapsnamen Hilwerda en Hilverda, Hilwerts en Hilwers, Hilverding, Hilverdink en Hilverink van afgeleid zijn, met de plaatsnamen Hilversum (Hilwarthisheim, Hilwart’s woonplaats), een vlek in het Gooiland; Hilwartshausen, dorp by Einbeck in Hanover, enz.—Hollebrand [177](oorspronkelik Huldbrant; een Hulbrand Sicka zen, dat is: Holbrand, de zoon van Sicko, of Sikkes zoon, wordt vermeld in eene oorkonde van 1465.84 Isenbaert en Ysebaert (Isanbercht, later in Holland en Friesland ook Ysbrecht, waar van de plaatsnaam Ysbrechtum, dat is: Ysbrechta-heim, dorp by Sneek in Friesland). Merwart. Oortwijn (Ortwin is wel bekend uit de Gudrun-sage). Meilof (oorspronkelik en voluit Meginolf, Maginvulf, Meinwolf, Meinolf, by letterkeer Meinlof en eindelik Meilof). Door misverstand, wijl men dacht dat voor dit of eene h was verloren gegaan, heeft men dezen versletenen form Meilof weêr veranderd in Meilhof, ’t welk ook als maagschapsnaam voorkomt. Oswold en Osewoudt (Oswald, Ansowald). Rooryck (oorspronkelik Roderyk, Rodrik, Hrodrik, als Roderich in Duitschland, als Rodrigo in Spanje (uit den Gothen-tijd?) nog voorkomende). Ryckewaert (Ricwart), komt ook voor in de geslachsnamen † Rickwardsma en Riquards. Snellebrand. Thiebaut en Thiebout (Thiudabald, Theudobald, Theobald, Dietbout, Dibbold, Dubbeld, zie bl. 51 en 145). Volbout (Folcbald), in Friesland Folcbald, Folbad, waar van de geslachtsnamen Volbeding (Folcbalding) en Volbeda (Folcbalda). Vrambout en Vroombout (Frombald, Frumold).

Deze namen zijn, als mansvóórnamen, heden ten dage, nagenoeg zonder eenige uitzondering, by de Nederlanders buiten gebruik geraakt. Tot deze groep van geslachtsnamen behooren echter ook eenige namen die als mansvóórnamen onder ons volk nog niet volkomen uitgestorven zijn, al komen zy dan ook zeldzaam voor. Hier toe kunnen gerekend worden de geslachtsnamen: Adelbert, Albracht, Albrecht, Albregt, als Albert nog in volle gebruik. Baudewijn, Boudewijn en Boldewijn, ook verfranscht als Bauduin (Baldwin). Everwijn (Eburwin, zie bl. 116). Godschalk, Gosschalk (Godescalc, Godes knecht, Gods dienaar). Hillebrand en Hildebrandt. Bertram (Berchtraven). Dittlof en Ditloff (Thiudolf, Diedolf, Detelf, Dietlof, Detlef) waarvan de geslachtsnamen Ditlofs, [178]Detelfs, Detlefsen en Detheleven. Leopold (Luitpold, Liutbald). Librecht (Liudbrecht), verbasterd als Liebert, Libbert en Lubbert nog in volle gebruik; en waarvan de geslachtsnamen Liebersma, Lybering, Libbers, Lubberts, Lubbers en Lubberden (zie bl. 101). Walraven en Walraf. Wibaut (Wigbald), als Wibolt nog in de friesche gewesten in gebruik, waarvan de geslachtsnamen † Wibalda, † Wibolda, † Wyboltsma, Wigboldy, Wiebols en de plaatsnaam Wybelsum (Wigboldes-heim), dorp by Emden in Oost-Friesland. Wilmar, met de patronymikale geslachtsnamen Wilmerink, Wilmering, Wilmers. Wolfgang. Udo. Wybo en Wibo. Deze laatste naam komt als geslachtsnaam in Vlaanderen geenszins zeldzaam voor. Als mansvóórnaam, ook onder de formen Wybe en Wiebe, is hy in Friesland nog algemeen in gebruik. De geslachtsnamen Wybinga, Wybenga, Wybema, Wiebes, Wiben, ook in verkleinform Wiebeking, patronymikon van Wibeke, zijn er van afgeleid.

Weêr andere geslachtsnamen tot deze groep behoorende, vertoonen zeer oude formen en spellingen van mansvóórnamen, die in hunne hedendaagsche formen en spelwyzen by ons volk nog in volle gebruik zijn. Voorbeelden van zulke namen zijn: Beernaert, tegenwoordig Bernard, Barend, Berend, Baart, Beert, en de zeer talryke geslachtsnamen daar van afgeleid. Everard, Eberhardt, tegenwoordig Evert, ook als patronymikale geslachtsnamen Everaarts, Everaedts, Eberhardi, met Everda (zie § 44), Everts, Evertsz, Evertszen, Eversma, Evers, enz. Gheeraert (Gerhard), tegenwoordig Gerard, Gerrit, Garrit, Geert, waarvan Gerards, Gerrits, Gerritsen, Garritzen, Geerts, Geertsema en Geertsma, enz. Hughebaert en Huygebaert (Hugibercht), tegenwoordig Hubrecht, Huibert, waarvan Huiberts, Hubrechts, Hubregtse, Hubers, Huiversma, enz. Meynhardt (Meginhart), tegenwoordig Meindert (zie bl. 129). Volkwaert (Fulcwart), tegenwoordig Folkert, Volkert (welke versletene form echter eveneens uit Fulchart ontstaan is), en waarvan de geslachtsnamen Folkerts, Folkertsma (zie bl. 129) en Volquardsen. [179]

Ten slotte mogen hier nog eenige geslachtsnamen genoemd worden, eveneens van zulke volle oud-germaansche mansvóórnamen geformd, maar die in den tweeden naamval staan, dus echte patronymika zijn, en eigenlik in § 37 behoorden vermeld te worden. Het zijn: Ganglofs (Gangulf, Gangwolf, dat is geheel de zelfde naam, maar omgekeerd, als Wolfgang). Gerrebrands (Gerbrand is in Friesland nog wel als mansvóórnaam in gebruik); Gerrebrandt, weer in eenen anderen form, is ook een geslachtsnaam, even als de patronymika Gerbrands in algemeen-nederlandschen, Gerbranda in frieschen, Gerbrandy in verlatynschten form. Gevaerts, en in versletenen form Gevers; de volle, oorspronkelike form Gebhard komt ook als geslachtsnaam voor. Reinouts (Reginhald) met Reinalda (zie bl. 113). Roelants (Hrodlant), met Rolands. Sybouts en Sibolts (Sîgbald), met Sybeda (oudtijds in minder versletene formen als † Sybalda en † Sybada voorkomende), † Sibetsma, Sybolts, Siebolds, Sieboldts, en met de plaatsnamen Sebaldaburen, dorp in het Wester-kwartier, en Siboldaweer, eene sate te Godlinse in Fivelgo, beiden in Groningerland; Sibada-state te Oosterend in Hennaarderadeel (Friesland); Sibetsburg, gehucht by Ni-Ende in Jeverland, en Sibetshus, gehucht by Jever, beiden in het Oldenburger Friesland. Volkmaars (Fulcmar), versleten tot Folmer, Volmer, en nog voorkomende in de geslachtnamen Völlmar, Folmers en Volmers, Volmerinck en Volmerink, enz.

§ 63. Enkelvoudige mansvóórnamen, aan den bybel ontleend, komen ook als geslachtsnamen voor. Het grootste deel dezer namen bestaat oorspronkelik uit de namen van personen die in de boeken van het oude testament voorkomen. Zy worden meest door onze joodsche landgenooten gedragen. Als zoodanig vermeld ik de geslachtsnamen Absalon, Baruch, Boas, David en Davyt.85 [180]Aan namen uit het nieue testament ontleend, zijn de geslachtsnamen Ananias, Bartholomeus,86 enz. Deze namen worden ook wel door oorspronkelik nederlandsche, door germaansche, kerstelike geslachten gevoerd. En wijl deze namen ten deele ook veelvuldig onder ons als mansvóórnamen in gebruik zijn, zoo komen zy ook als vadersnamen voor, en wel tevens in allerlei afgesletene formen. Als voorbeelden voer ik slechts de geslachtsnamen aan die van een paar dezer namen, van Lucas en Stephanus, afkomstig zijn. Van Lucas komen: Lucassen, Luiks, Luickx, Luycks, Luiks, Luiken, Luycken, Luike, Lüken, ook Loeks, dat verkeerdelik op hollandsche wyze geboekstaafd is, Lukenga, Luikenga, Luikinga. En van Stephanus, in het dageliksche leven Steven en Steffen, komen: Stephani Steveninck, Stevensz, Steffens, Steffensma, enz. Verder nog de geslachtsnamen Israël (ook Israëls), Tobias, Daniël (ook Daniëls), Emmanuël, Gabriël en Raphaël, die eveneens aan den bybel ontleend zijn.

Nevens deze bybelsche mansnamen hebben ook de namen van Heiligen der Roomsche kerk veelvuldig oorsprong gegeven aan nederlandsche geslachtsnamen. Deze namen van Kerk-heiligen zijn niet minder dan die van bybelsche personen by ons volk als vóórnamen in gebruik geraakt. Reeds aanvankelik by d’invoering des kerstendoms was dit het geval. En velen daarvan zijn onder ons nog in dageliksch gebruik. Natuurlik hebben deze namen aan zeer vele patronymikale geslachtsnamen oorsprong gegeven. En even natuurlik moesten deze namen, die grootendeels uit vreemde talen, van vreemde volken genomen zijn, in den mond van ons nederlandsche volk vele verkortingen en verbasteringen en omzettingen lyden, eer zy werkelik volkseigendom konden worden. Dien ten gevolge zijn de geslachtsnamen, aan zulke namen van Kerk-heiligen ontleend, heden ten dage dikwijls moeielik te herkennen en te duiden. Vooral als die oorspronkelike namen tegenwoordig by ons volk slechts zelden meer als mansvóórnamen in gebruik zijn. Wie herkent b. v. in de geslachtsnamen Fazinga en Faasma [181](oudtijds ook Phaesma geboekstaafd), in Fasen en Vaasse zoo terstond den kerkeliken mansvóórnaam Bonifacius, verkort tot Faas? Of in Bleesing († Blesingha), Blesen en Blesma den naam Blasius, die oudtijds door het nederlandsche volk als Blees gesproken werd? Of in Kopinga, Jacob? in Tiesma, Mattheus, Matthias, Thijs? in Kastma en Kassen, Christianus, Karstiaan, Karst? in Centen, Vincentius? in Ceelen, Marcelis?

Verstrooid door dit geheele werk zal men zeer vele geslachtsnamen aantreffen die op bovengenoemde wyze aan kerkelike namen ontleend zijn. Hier mogen aleen sommigen van die geslachtsnamen vermeld worden, welke slechts bestaan uit de namen van Kerk-heiligen, in weinig verbasterden of onverbasterden form, en dat wel van zulke namen, die tegenwoordig weinig als mansvóórnamen by het nederlandsche volk in gebruik zijn. B. v. Augustinus (Augustini komt ook voor), Bonefaes, Clement, Dominicus,87 enz.

Eindelik komen onder de nederlandsche geslachtsnamen nog eenige weinigen voor, die de namen zijn van oude Grieken en Romeinen; b. v. Caesar en Cezar, Milo, Plato, Scipio, Felix en Julius. De beide laatstgenoemden zijn minder vreemd, wijl ze ook als mansvóórnamen onder ons in gebruik zijn.

§ 64. Aan het einde van deze verhandeling over patronymikale geslachtsnamen, moeten hier nog twee groote groepen van geslachtsnamen, als aanhangsels dezer hoofdafdeeling, vermeld worden.

Wat hunnen form betreft, zijn deze namen wel patronymika; immers staan zy allen in den tweeden naamval. Maar wat hunnen aard [182]aangaat, wat de oorsprong en eigenlike beteekenis betreft der woorden, die aan deze geslachtsnamen ten grondslag liggen, kan men ze tot de eigenlike patronymika, in den naukeurigen zin van dit woord, niet rekenen. Ik noem ze dus oneigenlike vadersnamen, quasi-patronymika. Zy zijn volkomen op de zelfde wyze ontstaan als de werkelike patronymika. Maar de stam of wortel dezer geslachtsnamen is niet een mansvóórnaam, zoo als eigenlik de conditio sine qua non der vadersnamen is, maar een ander woord. Dit woord kan een ambt, een bedrijf, een beroep aanduiden, of ook het kan ieder ander woord zijn, b. v. een dierenaam, een huisnaam, een bynaam, een byvoegelik naamwoord, een aardrijkskundige naam, of wat dan ook; als het maar als een by- of toenaam voor een man in gebruik geweest is. De quasi-patronymikale geslachtsnamen, waarvan de wortel een naam van eenig beroep is (Timmermans, Scholten, Smolenaars) formen de eerste groep; de anderen (Kieviets, Sleutels, Sterckx, Asselbergs) maken de tweede groep uit.

De oorsprong der geslachtsnamen van de eerste groep ligt voor de hand. Menig man wordt meer genoemd met het woord dat het ambt, beroep of bedrijf aanduidt, ’t welk hy bekleedt of uitoefent, dan met zynen eigennaam. En vroeger was dit nog meer het geval. Dat dus Rutger, die een zoon was van eenen man, welke, in overeenstemming met zijn handwerk, steeds Smit genoemd werd—dat deze jongeling door zyne tijd- en plaatsgenooten gemeenlik Rutger Smits, Rutger Smit’s zoon, Rutger de zoon van den smid werd geheeten, is duidelik. Even zoo was het gegaan met Lieven Vendrickx, de zoon van eenen man die vaandeldrager was en daarom eenvoudig Vendrik genoemd werd. Even zoo ging het ook met de kinderen van den eenigsten molenaar of mulder in zeker dorp, een man die dus nooit by zynen eigenen naam, maar steeds eenvoudig Mulder werd genoemd. Immers die kinderen noemde men Warner Smulders, Gerlof Smolders, Reinout Smolenaers, d. i. des mulders, des molders, des molenaars zoon—al naar de gouspraak dier lieden het eischte.

Byna al deze beroepsnamen, in den tweeden naamval, als hedendaagsche geslachtsnamen voorkomende, zijn, wat hunnen oorsprong of hunne afleiding, hunne beteekenis betreft, duidelik genoeg. Ik [183]kan dus volstaan met eenigen daarvan, als voorbeelden, hier op te sommen. Bakkers, Barbiers, Cassiers, Capiteyns, Cruyniers, Goutsmits.88 De geslachtsnaam Bierstekers (het enkele Biersteker komt ook voor, even als Beerstecher, van platduitschen oorsprong) is afgeleid van het bedrijf van iemand die bier vertapt, die vaten bier aansteekt. Ketelbueters is een brabantsche form voor ketelboeters, d. i. de zoon van den ketelboeter of ketellapper. Wat een man uitvoert die latynhouwer is, waarvan de geslachtsnaam Latynhouwers, beken ik niet te weten.

Hebben wy hier voren gezien dat, in taalkundigen zin, verschillende wyzen van tweede naamvalsforming te pas komen by de patronymikale geslachtsnamen, dit zelfde is ook het geval by de geslachtsnamen aan beroepsnamen ontleend. Want behalven den tweeden naamvalsform op s, in bovenstaande geslachtsnamen voorkomende, bestaan er ook zulke maagschapsnamen die den tweeden naamvalsform op en vertoonen, of dien met het tot s verkorte lidwoord des vóór zich hebben. Zulke namen zijn: Prinsen (en Princen) met den versletenen form Prinse, die ook als Prince geschreven wordt; Greven, de zoon van den greve, den graaf; Schouten met Schoute, Scholten met Scholte, Schulten met Schulte, alles de zoon van den scholte of van den schout beteekenende, ’t zy men aan dit schulte en scholte de saksische (geldersche en overijsselsche) beteekenis hecht van erfgezetene, aanzienlike boer, of de oud-hollandsche van hoofd der policie. Schoutheten, Schoutheete, Schouteden, Schouteeten, Scholtedes, Schautteete, Schouteten is oorspronkelik de zelfde naam, afgeleid van den vollen form Schoutheet, Schultet, Schuldheiss. [184]In latynschen form komt deze geslachtsnaam als Scultetus voor. Dat Schoute, Schulte, Scholte echter ook een mansvóórnaam zijn kan, vindt men op bl. 77 vermeld. Boeren en Boere, Pasteure, enz. zijn ook nog geslachtsnamen die men tot deze afdeeling kan brengen. By Prinsen, Greven, enz. behoeft men niet aan den zoon van eenen werkeliken prins of graaf te denken, even min als by Keizers, Conincks, Coninx, ’S Hertogen, enz. aan den zoon van eenen werkeliken keizer, koning of hertog. Ofschoon de mogelikheid bestaan blijft, dat deze namen wel eens in hunne eigenlike beteekenis bedoeld zijn, zoo zal toch in den regel dit woord keizer, koning, enz. wel als een bynaam voor den eenen of anderen burgerman gegolden hebben; zie § 119. Dit zelfde is ook het geval met zulke namen als Pasteure, Paaps, Papen en Pape (met Spapen en † Papinga), Bisschops, Proostens, Priesters, Munnicks, Munniksma enz. Niet dat ik wil beweren dat geestelike heeren geen zoons hadden. O! dit kwam in de middeleeuen volstrekt niet zeldzaam voor; de geschiedenis toont dat veelvuldig aan. Maar de woorden pasteur of pastoor, paap, monnik, enz. werden ook wel om d’een of andere reden, als bynamen gedragen door mannen die deze ambten geenszins bekleedden. Bottemanne (Bottemannen, de zoon van den botteman, van den botvisscher of botverkooper of botboer, gelijk men in Holland zeit?) is ook een byzondere naam tot deze afdeeling behoorende.

Geslachtsnamen, van beroepsnamen ontleend, met eene voorgevoegde s (des in den tweeden naamval geplaatst, op de wyze als in § 51 en 52 vermeld is) zijn de volgenden: ’S Hertogen en ’SHertoghen, ook samengetrokken tot Sertogen, de zoon van den hertog; Smeyers, de zoon van den meier; Smeysters, van den meyster of meester; Smessemaeckers—van den messemaker; Smoutmaeckers—van den moutmaker. De geslachtsnaam Moltmaker komt ook voor, als tegenhanger van Smoutmaeckers. Laatstgenoemde naam echter kan ook even goed zoon van den smoutmaker beteekenen (smout, Schmalz = gesmolten vet). Smeuninx, de zoon van den monnik; Smulders, Smeulders, Smolders, Smolenaars, Smoolenaers; dezen zijn duidelik genoeg. Snaeyers, de zoon van [185]den naaier, zoo als men in vlaamsche gewesten den kleermaker wel noemt (zie bl. 76); Spapen, Spaepen, Spaapen, zoon van den paap, eene oude benaming voor een geestelik heer in ’t algemeen. Sroevers, zoon van den roover? Het enkele Roevers, nevens Rovers en De Roever, De Rover komt ook voor. Sweerts, zoon van den weert, den waard, den kastelein. Deze naam moet wel onderscheiden worden van Weerts (zie bl. 115) en van Sweers, het patronymikon van den mansvóórnaam Sweer, Sweder, Swither. Deze oud-germaansche mansvóórnaam beschoude men ook wel verkeerdelik als eene verkorting van den naam Ahasveros. En diensvolgens doopte men, in den pruiketijd, de kinderen die naar hun grootvader of oom of peet, Sweer moesten heeten, wel met dien prachtigen (?) bybelschen naam. Eindelik nog Swevers, de zoon van den wever, en ’S Heeren, de zoon van den heer.

De maagschapsnamen Sauwen, de zoon van den auwen, volgens brabantsche uitspraak in plaats van: de zoon van den ouden (man). Slangen en Slanghen, des langen (mans zoon), en Swalens des Walens (zoon), de zoon van den Waal, misschien ook Swildens, Zwildens en Swillens (des wilden mans zoon?)—ofschoon deze namen dan niet van beroeps- of waardigheidsnamen afgeleid zijn, moeten hier, om hunnen form, ook vermeld worden.

In de spelwyze van de geslachtsnamen ’S Graeuwen en ’S Graauwen is, even als in die van ’S Heeren, ’S Hertogen, ’S Jongers, de s met het afkappingsteeken (’S), als versleten overblijfsel van ’t oorspronkelike Des, bewaard gebleven. By de andere namen, die eveneens met dit des zijn samengesteld, wordt meestal die versletene form ’S onmiddellik, als gewone S, aan het hoofdwoord verbonden, en schrijft men, ten onrechte, Smulders Swolfs, enz. Zie ook Sgraeuwen, Sgraauwen en Sgrauen. Volgens de byzonder-hollandsche uitspraak luidt de letterverbinding sgr volkomen zóó als schr. Eerstgenoemde letterverbinding is even zoo ongewoon voor het lezend oog, als de laatstgenoemde gewoon is in de nederlandsche taal. Van daar dat eene maagschap, welke oorspronkelik dezen geslachtsnaam ’SGrauen droeg, haren naam thans als Schrauen spelt. De oorspronkelike beteekenis gaat door deze verkeerde spelwyze geheel verloren. By nog een paar [186]andere geslachtsnamen is de oorspronkelike ’S G of Sg ook in Sch overgegaan. Te weten, by Schravemade (oorspronkelik ’s-Gravemade, des graven made, het hooi- of maailand van den graaf), by Van Schravesande en Van Schravendijk, die aan de plaatsnamen ’s-Gravesande en ’s-Gravendijk ontleend zijn. En tevens by Schoevaerts; zie bl. 142. Zoo kan men te Amsterdam wel op uithangbordjes lezen: »Hier stuurt men de wast op Schraveland”, waar de wasch, het waschgoed, en het gooische dorp ’s-Graveland bedoeld worden.

’S Graeuwen, enz. beteekent: des graauwen (zoon), de zoon van den grauen, van den grau- of grijsharigen man. Het onverbogene De Grauw, De Graeuwe, Den Graeuwe en De Graauwe komt ook als maagschapsnaam voor, zoo wel als De Grijs, De Gryze, Den Gryzen; zie § 126. ’S Graeuwen, vooral ’S Grauen zoude echter ook kunnen beduiden: des grauen, des graven (zoon), de zoon van den graaf. Zie bl. 76.89

Even als er slechts zeer weinig patronymikale maagschapsnamen zijn, die den nieusten tweeden-naamvalsform vertoonen, te weten dien met het voorzetsel van (zie bl. 148), zoo zijn er ook slechts een paar van de oneigenlike vadersnamen, die in deze afdeeling behandeld worden, welke dit zelfde kenmerk aanbieden. Het zijn de geslachtsnamen Van den Boer en Van Koster; dat is (de zoon) van den boer, en (de zoon) van den koster; of, in dit byzondere geval, misschien ook: (de zoon) van Koster, van den man die den beroepsnaam koster reeds als eigennaam voerde.

Ook onder de byzonder-friesche maagschapsnamen treffen wy eenigen van deze, aan beroepsnamen ontleende quasi-patronymikale formen aan. Dit zijn de geslachtsnamen Graafsma, Jagersma, Koksma, Kuipersma en Riddersma, en deze namen, de zoon van den graaf, van den jager, van den kok, enz. beteekenende, zijn duidelik genoeg. Bykersma is afgeleid van het friesche woord byker, ook ymker (zie § 153), het welk een man beteekent, die, om voordeelswille, byen of ymen, immen, houdt; de zoon van den byenhouder dus. Fabersma is een merkweerdige naam, wijl [187]in dezen naam Latyn en Oud-friesch vereenigd zijn. Faber toch, als geslachtsnaam ook afsonderlik veelvuldig voorkomende, is het latynsche woord voor smid (men vergelyke hier den naam Leefsma op bl. 130). Turksma, de zoon van den turk, zekerlik van eenen man, die om de eene of andere reden den bynaam droeg van de turk, is een tegenhanger van Swalens (zie bl. 185) en van Vlaemynckx, Sassen, Frankema (zie § 69), enz. Munniksma, ook tot deze onder-afdeeling behoorende, is op bl. 166 en 184 reeds vermeld. Boersma en Boersema kunnen zoon van den boer beteekenen, en dus friesche tegenhangers zijn van den antwerpschen maagschapsnaam Van den Boer. Toch zou ik by dit patronymikon eerder aan eene afleiding van den mansnaam Boer, Bure denken. Van dezen mansvóórnaam zijn ook de geslachtsnamen Boerema, Boerma, Boering, Buursma, Buirsma, Buursema, Buirsema, Buiring, misschien ook Burema, Buurma, Buirema en Buirma ontleend; zie bl. 79.

Men vergelyke deze groep van geslachtsnamen met die welke in § 108–121 behandeld zijn.

§ 65. De tweede groep van quasi-patronymikale geslachtsnamen op bl. 182 aangeduid, bestaat uit allerlei namen en woorden in den tweeden naamval. Het getal dezer eenigszins onregelmatig geformde namen is niet gering. Vooral in de zuidelike Nederlanden zijn zy algemeen—veel meer dan in het Noorden. De woorden en namen die aan deze geslachtsnamen ten grondslag liggen, loopen wat hunnen aard en oorsprong betreft, wijd uiteen. De eenigste overeenstemming die er tusschen deze geslachtsnamen onderling bestaat, is deze: dat zy allen in den tweeden naamval, op s, staan; en dat de woorden en namen die er aan ten grondslag liggen, oorspronkelik als by- of toenamen van bepaalde personen gegolden hebben, of ook reeds op zich zelven geslachtsnamen geweest zijn. Iemand b. v. die bekend was om zyne veerdigheid in het zwemmen, kreeg allicht den bynaam van »Snoek”; een ander die gewoonlik snel liep, dien van »Kieviet”. De bynaam van eenen derde was »Meulendijk” omdat hy aan den Molendijk, aan of op eenen dijk by eenen molen woonde; die van eenen vierde was »Roô-Leeuw”, omdat hy in een huis woonde, waar »De roode leeuw” in den [188]gevel stond. Die by- of toenamen van de vaders, dikwijls de eenigste namen waaronder zy by hunne tijd- en plaatsgenooten bekend waren, gingen dan soms op hunne zoons over. Jan Snoeks, Piet Kieviets, Klaas Meulendijks, Hein Rooleeuws, zoo werden deze jongelieden genoemd, by verkorting, in plaats van Jan Snoeks zoon, Hein Roô-Leeuws zoon of Jan, de zoon van Snoek,—Hein, de zoon van Roô-Leeuw, gelijk bedoeld en verstaan werd. En had een vader reeds eenen vasten toenaam of geslachtsnaam, waar by hy, te recht, ook steeds genoemd werd, dan nog ging die naam wel, niet rechtstreeks en op zich zelven, zoo als de regel was en nog steeds is, op den zoon over, maar middellik, door er weêr een schijnbaar patronymikon van te maken, door dien naam in den tweeden naamval te plaatsen. Asselbergh b. v. en Bruylant zijn geslachtsnamen die, reeds van ouds, de eerste aan een geslacht te Antwerpen, de andere aan eene maagschap te Brussel eigen zijn. Maar nevens deze namen komen in beide steden ook de geslachtsnamen Asselbergs, en Bruylants en Bruylandts voor. Deze laatste namen moet men beschouen als patronymika van de eersten. Zy zijn ontstaan door dat men den zoon van iemand, die den vasten geslachtsnaam Asselberg of Bruylant droeg, b. v. Karel Asselbergs noemde, of Ferdinand Bruylants, dat is Karel, Asselbergh’s zoon,—Karel, de zoon van Asselbergh, enz.

Van het groote getal dezer minder belangryke geslachtsnamen kunnen hier slechts enkelen genoemd worden. Zy vereischen geenen naderen uitleg. Min belangrijk zijn deze namen, in zoo verre, als zy slechts tweede naamvalsformen zijn van woorden of namen, die overigens op zich zelven genomen, belangrijk genoeg kunnen wezen. Zie hier eenige voorbeelden: Boogaerts, Brabants en Hollants, Couwenberghs90. Het grootste deel dezer namen, zoo niet allen, komt ook op zich zelven voor—Boogaert, Brabant, Couwenbergh, gelijk de aard dezer zake meêbrengt. [189]


1 Förstemann, Altdeutsches Namenbuch, dl. II. bl. 835. Förstemann, Ortsnamen, bl. 178, 204, 245. Grimm, Geschichte d. Deutsch. Spr., bl. 775. Deut. Gramm., dl. II, bl. 349–352. Kemble, Saxons in England, dl. I, bl. 56–63, en 445–480. Kemble, in Philolog. Proceedings, dl. IV, bl. 1–9. Guest, in ib., dl. I, bl. 117. Pott, Personen-namen, bl. 169, 247, 553. Chrichton, Scandinavia, dl. I, bl. 160. Zeuss, Herkunft der Baiern, bl. XII, XXIII, XXXV. Massmann, in Dorow’s Denkmäler alter Sprache und Kunst, dl. I, bl. 185–187. Schott, Deut. Col., bl. 211. Max Müller, Lectures on Language, 2de series, bl. 16. Latham, Ethnol. Brit. Is. bl. 241. Latham, Eng. lang., dl. I, bl. 111. Meyer, Ortsnamen, bl. 139. Bender, Ortsnamen, bl. 103, 104. Vilmar, Ortsnamen, bl. 264, 265. Buttmann, Ortsnamen, bl. 2. Wright, Celt, Roman, Saxon, bl. 438–441. Edinburgh Review, dl. CXI, bl. 374–376. Donaldson, English Ethnography, bl. 61. Taylor, Words and places, bl. 124 en vervolgens.

2 Eelking, Fokking, Groening, Harting, Huising, Imming, Janning, Kamping, Leffring, Menning, Nolting, Onning, Popping, Rensing, Sieberding, Teding, Uiling, Veering, Wiebeking.

3 Zie Zwitzers’ Ostfriesisches Monatsblatt, Jaargang 1882, bl. 531.

4 Addingh, Hammingh, Herdingh, Hiddingh, Idsingh, Julsingh, Luytingh, Mensingh, Oostingh, Reiningh, Staringh, Stratingh, Tabingh, Tullingh, Weytingh, Woltringh.

5 Zie D. Buddingh’. Het boetregt, bevattende een oudheid-, geschied- en letterkundig onderzoek naar oorsprong en naambeteekenis van het geslacht Buddingh’, benevens de genealogische verspreiding van dien stamboom en zijne takken. Delft, 1863. Zie ook De Navorscher, XXXIV, 420.

6 Elinge, Ebbinge, Eppinge, Hachtinge, Hiddinge, Hilbinge, Houwinge, Lubbinge, Lussinge, Meursinge, Santinge, Sinninge, Tabinge, Uninge, Waninge, Wanninge, Willinge, Woltinge. Buiten Drente ook Bonninge, zelfs Bonningue in Fransch-Vlaanderen, Temminge, Soninge, Ubbinge, enz.

7 Zie Driessen, Monumenta Groningana vet. aev. ined. I, pag. 17, X.

8 Behalve Radink zijn van dezen zelfden oud-germaanschen mansvóórnaam Rado ook nog de volgende geslachtsnamen afgeleid: Rattinck, Ratinckx, Radix, Reading in Engeland (?); Rahden, Raats, Raat, Raedt, Raets, Radema Raadsma, Radsma en Ratsma. En de plaatsnamen Radinghem, een dorp in Artesie (Frankrijk); Reading in Berkshire (Engeland); Raddington in Somersetshire (Engeland); Radewert, oorspronkelike naam van de dorpen Rauwert (of Raard) en Raard in Friesland; Raetshove (in het Waalsch Raccourt), stadje in het nederlandsch-sprekende gedeelte van de belgische provincie Luik; Radegast, dorp by Bleckede (Lüneburg) Hanover; Radingsdorf, dorp by Prägarten in Boven-Oostenrijk, enz.

9 Bentinck, Bollinck, Boltinck, Bontinck, Bultinck, Daeninck, Derinck en Derink, Deuninck, Dieperinck en Dieperink, Dirckinck, Elderinck en Elderink, Essink, Goethinck, Haitinck, Hissink, Johanninck, Lamrinck, Reymerink, Ruytinck, Siegerink, Sikkink, Slabbinck, Stalinck, Teyink, Tenckinck, Teuninck, Volmerinck en Volmerink, Wiltinck en Wiltink, Wolberink.

10 Mellink, Reerink, Roelvink, Stroink, Temmink en Temminck, Voetelink, Wassink en Waszink, Wilbrenninck, Wiltink en Weenink.

11 Ch. Creemers, Aanteekeningen over het dorp Stramproy; Roermond, 1871, bl. 53.

12 Ghellynck, Gyselynck, Hallynck, Hebbelinck en Hebbelynck, (Hebbelynckx komt ook voor), Hellynck en Hellinckx, Merghelynck, Kempynck, Wytynck.

13 Bruinings, Boyungs, Eldringson, Ewings, Geerlings, Heymingson, Lammingsen, Merings, Ottings, Schellings, Sillings, Snellings, Stuvinghs, Tellings, Tjaberings, Tolings, Warrings.

14 Bierinckx, Buelinckx, Frelinckx, Hebbelynckx, Hellinckx en Hellynckx, Honinckx, Kranincx, Noninckx, Ooninckx, Pulincx, Ruytinckx, Snellinx, Surinx, Ratinckx.

15 Zie Ad. Duclos, Reivaart. Brugge, 1882, bl. 56.

16 Klein-Bentinck, Olde-Bronninge, Klein-Budding, Klein-Bussink, Olde-Dubbelink, Olde-Eitinge, Ny-Hoving, Olden-Huising, Nye-Manting, Groot-Nibbeling, Klein-Starink, Klein-Ubbink, Olden-Waving, Olden-Wening, Klein-Hiddink, Klein-Wiecherlink.

17 Edixhoven (Edinkshoven), Frelinghuysen, Gussenk’lo, Hennixdael, Haslinghuis, Heusinkveld, Nunninghaven, Olminkhof, Poppinghuis, Renninghoff, Ridderikhof (Ridderinkhof), Rottinghuis, Schortinghuis, Suringbroek, (zie bl. 48), Wanninkhof, Wellinghuysen, Wiggelinkhuizen, Wittinghoff, Yserinkhuizen.

18 Hallungius, Hundlingius, Olingius, Reddingius.

19 Dotinga, Ebbinga, Eppinga, Feddinga, Fokkinga, Gauwinga, Hettinga, Hoitinga, Ypinga, Kempinga, Lettinga, Menninga, Nanninga, Ockinga, Ouwinga, Poppinga, Reininga, Sibinga, Sikkinga, Tamminga, Ubbinga, Wybinga.

20 Kruisinga met Kruizenga en Kroezinga, Muischenga en Musschenga, Plantinga en Plantenga, Vitringa.

21 Ennenga, Veenenga, Grimmenga, Hommenga, Yettenga, Cannenga, Libbenga, Minnenga, Nammenga, Offenga, Peunenga, Ruidenga, Stuivenga, Torenga, Walenga.

22 Donga (Dodinga); Enga en Engga (Enninga, Ennenga, zie bl. 57); Fenega (Feninga, zie bl. 58); Follega (Follinga); Hillega (Hillinga); Hudig (Huding); Immig (Imming, zie bl. 19 en 32); Mennega (Menninga, zie bl. 54); Minnigh (Minning, slechts een andere form als Menninga, maar van den zelfden mansnaam afgeleid); Radix (Radiks, Radinks, Radink, zie bl. 37); Ridderikhof (Ridderinkhof, zie § 22); Schallig (Schalling); Suerickx (Surinkx, Surinks, zie bl. 48); Taank (Tadink); Weddik (Weddink) en Willige (Willinge). Laatstgenoemde naam komt ook in Drente als geslachtsnaam voor, en is met Willink, Wilma, Willes, Willen en ’t engelsche Wilson afgeleid van den ouden mansvóórnaam Wille, die in Friesland nog voorkomt, vooral in de verkleinformen Wilko (Wilco) en Wiltje.

23 Zie Oorkonden der Geschiedenis van het St. Anthony-Gasthuis te Leeuwarden, I, bl. 133.

24 Ibid. dl. I, bl. 112.

25 Eekhoff, Geschiedkundige Beschrijving van Leeuwarden, dl. I, bl. 40.

26 Oorkonden der Geschied. van het St. Ant.-Gasth. te Leeuwarden, dl. I, bl. 141.

27 Van Rijn. Oudheden en gestichten van Friesland, dl. I, bl. 262.

28 Dat men oudtijds, zoo wel in Friesland als elders in de Nederlanden, zeer onnaukeurig, zeer onstandvastig was in de spelling der eigennamen, is overvloedig bekend. Om een enkel voorbeeld te noemen, zoo vind ik den geslachtsnaam Burmania op de volgende wyzen geschreven: in eene oorkonde van ’t jaar 1433, als Burmanningha; in eene andere van 1425: Burmana (als een eenvoudige tweede-naamvalsform op a, van den mansnaam Burman); van 1502: Buyrmangye; van 1507: Bwrmanghie; in een ander stuk van 1507: Burmannie; van 1520: Burmannia; van 1524: Van Buurmanya; van 1546: a Bourmannia en van Bourmannia in ’t zelfde geschrift; van 1558: van Burmanya; van 1562: van Bourmania; van 1563: van Burmannia; van 1574: van Bormannia; van 1580 en ’81: Burmania; van 1582: van Buermannia. Alle deze stukken kan men vinden in de Oorkonden der geschiedenis van het Sint-Anthony-Gasthuis te Leeuwarden. Rienk Burmania nog, die in 1482 Olderman te Leeuwarden was, schreef zynen naam: Burmanghia. En een geestelike der Roomsch-katholyke kerk, die in 1876 te ’s Hertogenbosch woonde, heet Burmanje, naar de hedendaagsch friesche uitspraak.

29 Zie Eekhoff, Geschiedk. Beschrijving van Leeuwarden. dl. I, bl. 376.

30 Donia (Dodinga); Venia, Veenje (Feninga); Finia, Fynia, Fynja, Fynje (Fininga); Vissia (Vissinga, Fissinga); Frisia (Frisinga, Friesinga); Groenia en Groenje (Groeninga); Hania, Hanja, Van Hanja, Hainja, Hanje, Hainje (Haninga); Hunia (Huninga); Inia (Ininga); Lelia (Lelinga); Rinia en Rynja (Rininga); Runia (Runinga); Sinia, Synja (Sininga); Sminia, Van Sminia (Smidinga); Tynje (Tininga); Tania, Tanja en Tanje (Taninga of Tanninga).

31 Corty (Korting, Kortenga, van Kort, Cord, eene bekende samentrekking van Koenraad, Conrad, Konert); Donny (Donga = Dodinga, van Dodo, Doede; of van den mansvóórnaam Donne, die aan den geslachtsnaam Dons oorsprong gaf, en aan den naam van Donningen, een dorp by Clerf in Luxemburg); Emmery (Emmering, van Emmert, Emhart); Ferry († Fernia = Ferringa, van Ferre, ook Fere, zie bl. 30); Grévy (Grevinge, Grevingh, † Grevinga, zie bl. 76, ook Grevinchovius, zie bl. 52); Gerry (Gerring, van Gerre, Ger; ook de geslachtsnamen Gersma en Gersonius komen hier van); Hardy (Harding, Harting, Herdingh, van Hart); Henny (Henning, Hennye in Noordwest-Duitschland; zie bl. 70, van Henne); Hovy (Hoving, Hovinge, Hovingh, Hovinga, zie bl. 50, van Hove, Houe); Rembry, (Remberdink, Remmerding, voluit Remberchting, van Rembert, Rembrecht, Rembercht, Renbercht, Reginbercht); Remy (Remminga); Warny (Warninck); Werry en (half-hoogduitsch) Wehry (Wering, Weringa); Schaly (Schalinga), zie bl. 73.

32 Maaldrink, Meestringa, Meyering, Meyerink, Meyeringh, Neirinckx, Neyrinckx, Neirynck, Ridderink, Rigterink, Schildering en Schilderink, Schippering, Scholting, Schulting, Scholtink, Schultink, Smeding, Smedink, Smedinga, Vissering, Vischering, Vogeding, Weeveringh en Weverink.

33 Zie Drenthsche Volksalmanak voor ’t jaar 1842, Koevorden, bl. 159.

34 Over het woord skelta, schulte, scholte, schout, en over de eveneens luidende mansvóórnamen, met de geslachtsnamen daarvan afgeleid, zie men mijn opstel: »Schelte, Scholte, Schulte, Schout, Schuit”, in De Navorscher, Dl. XXXII, bl. 386.

35 Zie Taylor, Words and Places, bl. 492 en 499.

36 Muysson, Hemmingson, Neeteson, Nicolson, Pierson, Robertson, Sanderson, Stevenson, Tamson, Waleson, Wouterson.

37 Hubregtse, Jansse en Janse, Jooste, Jorisse, Karelse en Carelse, Leendertse, Lievense, Matthysse, Pieterse, Theunisse, Robberse (van Robber, Robbert of Robert, Rodbert, Hrodbercht).

38 Constantse, Davidse, Ferdinandusse, Gideonse, Gilyamse, Jobse, Jonasse, Willeboordse.

39 Duyvensz, Evertsz, Hilbertsz, Klaasesz, Koensz, Laurensz, Woutersz.

40 Halbesz, Igesz, Lolkesz, Meinesz, Mellesz, Nannesz, Oeblesz, Oomsz, Poppesz, Rinsesz, Ruurdsz, Roukesz, Seebesz, Sibblesz, Sybesz, Sickesz.

41 Feitz, Leendertz, Lootz, Reitz.

42 Dirks, Egberts, Engelberts, Folkerts, Gerberts, Gerrits met Geerts, Gheeraerdts en Geeraerts, Hendriks en Heins, Huberts, Koerts en Coenders, Koops, Lodewijks, Roelofs, Rutgers, Sybouts en Sibolts, Stoffels, Wouters.

43 Gerolts, Gerrebrands, Godschalks (en Gosschalk in enkelen form), Helmers, Herrewijns, Hildebrands, Remmers, Roelants, Volkmaars, Wigbolts (en in versletenen form Wiebolts), Wyemars en Wiemers, Willebrands.

44 Doedes, Douwes, Ealzes, Feddes, Rengers, Rinkes, Sierds, Sjerps, Sipkes.

45 Derx, Farx, Franx, Fredrix, Haex, Hendrickx, Hendrykx, Marx.

46 Dl. I, bl. 36—van ’t jaar 1462.

47 Dl. I, bl. 240—van ’t jaar 1530.

48 Dl. I, bl. 313—van ’t jaar 1542.

49 Dl. I, bl. 316—van ’t jaar 1542.

50 Dl. I, bl. 319—van ’t jaar 1542.

51 Register van den aanbreng van 1511. Dl. 1, bl. 169.

52 Domis, Duyvis, Galis, Heinis, Jonxis, Mienis, Stammis, Steenis, Tamisz, Tanis, Veenis, Warris.

53 Gyssen en Giezen, Huygen, Joosten, Jorissen en Gorissen, Keessen, Kersten en Carsten, Luyken, Nolten, Onnen, Oortgysen, Otten, Rijcken, Thijssen, Wynen.

54 Foppen, Hedden, Heeren, Hubben, Luyten, Makken, Okken, Pollen, Poppen, Rensen, Synen en Zynen, Snellen, Themmen, Uniken, Warren en Wobben.

55 Feickens, Fockens, Foekens, Heykens, Huigens, Leeuwens, Meddens, Onnens, Rykens, Roukens, Tjabbens, Tiddens, Tonkens, Ubbens en Uilkens.

56 Haefkens, Haentjens, Kannekens, Lollekens, Luydjens, Mintjens, Schellekens en Scheltjens, Seuntjens, Vennekens.

57 Giltjes, Loosjes, Maatjes, Onnekes, Rinkes, Solkes, Waalkes, Zoontjes en Wulmkes, dat is de mansvoornaam Wilhelm, samengetrokken tot Willem, in verbasterde uitspraak Wullem, in schrijfwyze verkort tot Wulm, in verkleinform Wulmke, in den tweeden naamval Wulmkes.

58 Bernarda, Bruna, Geldra, Gosliga, Hameka, Hoga, Idsarda, Jilderda, Jorna, Yska, Menalda, Popta, Reinalda, Rembada, Reverda, Ripperda, Ruurda, Sjoerda, Tjaarda, Wiarda, Wynalda, Albada, Bloema, Hora, Meina, Rommerda.

59 Taylor, Words and Places, bl. 381.

60 Ik mag hier niet achter wege laten te wyzen op eene verklaring van den uitgang ma achter friesche patronymikale geslachtsnamen, voorkomende in mijn geschrift Een en ander over friesche eigennamen, en die aanmerkelik afwijkt van de verklaring die ik hier aangaande deze namen geef. Nadere onderzoekingen, ten gevolge van het vinden en gebruiken van vele bronnen in oude geschriften en oorkonden, die my vroeger onbekend waren gebleven, of ook ontoegankelik waren, hebben mijn oordeel in deze zake thans volkomen gewyzigd. Ik herroep dus by dezen, wat ik in bovengenoemd opstel ter verklaring der ma-namen heb geschreven.

61 Bennema, Beintema, Bronnema, Dekema, Epema, Epkema, Feikema, Gaikema, Gjaltema, Haitsema, Hobbema, Ykema en (Van) Ikema, Yntema, Klasema, Lieuwema, Mellema, Ottema, Piekema, Ritsema, Sipkema, Tietema, Uilkema, Wierdema.

62 Entena, Epena, Falkena, Frankena, Imckna, Yntena, Matena (zie bl. 110), Sytena, Ubbena, Ukena, Wibena, Wymna.

63 Zie Oorkonden der geschiedenis van het Sint-Anthonij-Gasthuis te Leeuwarden, bl. 5.

64 Ibid. bl. 9.

65 Ibid. bl. 13.

66 Duursma, Engelsma, Folkertsma, Geldersma, Gerbertsma, Hendriksma, Hoitsma, Jansma, Jorritsma, Lammertsma, Meindertsma, Nammensma, Pietersma, Riemersma, Sierdsma, Sigersma, Steensma, Tjalsma, Tjebbesma, Tiemersma, Wigersma, Wierdsma.

67 Namen als Kopinga, Klaassen, Andriessen, Tomson, enz. zijn eigenlik even zonderling samengesteld als Leefsma. Immers ook hier is een vreemde, een hebreeusche naam (Jacob), twee andere bybelsche namen (Andries, Andreas en Tom, Thomas), en een kerkelike naam (Klaas, Nicolaus), allen dus van vreemden oorsprong, verbonden met de germaansche patronymikale uitgangen inga en sen, son (zoon). Zie hier eenigen van die byzondere nederlandsche geslachtsnamen, aan bybelsche en kerkelike mansvóórnamen ontleend, en eigenlik even zonderling van samenstelling, wegens de dietsche en friesche aanhangsels.

Van den bybelschen mansvóórnaam Petrus zijn afgeleid de nederlandsche geslachtsnamen Pietringa (Peterynck vond ik in West-Vlaanderen, als een naam uit de vorige eeu), Pietersma, Pietsma, Piersma, Petersma, Pietema, Pietersen, Pieterse, Pyttersen, Pieters, Piers, Pieren, Pierson, Peterson, Peeters, Peters, Petersen, Petri, Pietjes.

Van Nicolaus: Klazinga, Klasinga, Klasenga, Klasema, Klasing, Clausing, Klaassen, Claeysseune, Claessens, Klaasen, Klasesz, Nicolzon, Nicolai, Lykles, Lyklema, Lycklama (zie § 45).

Van Andreas: Andriessma, Andriessen, Andreessen, Andriesse, Anders, Andersen, Andreæ, Drewes, Dreevsen.

Van Jacob: Kopinga, Copinga, Coops, Koops, Koopsma, Kops, Koppen, Koppe, Jacobs, Jacobson, Jacobi, Japikse, Jaapies.

Van Martinus: Martens, Maartensz, Meertens, Mertens, † Martena, Martini.

Van Thomas: Thomassma, Thomassen, Tomsen, Toms, Tomson.

Van Paulus: Paulusma, Paulsen, Pauwels, Pauwelse, Paulen, Pauli, De Pauly.

Van Caspar: Caspersma, Kaspers, Caspari.

Van Christophorus: Stoffelsma, Stoffels, Stoffers, Christoffels, Stuffers.

Van Christianus: Christiaenssens, Christiaanse, Kerstsma, Kestma, Kastma, Karsten, Carsten, Corst, Cors, Corstiaans, Kersting, Christ, Carstensen, Kersten.

Van Mattheus: Matthyssen, Thyssen, Theys, Tysma, Tiesma, Thysma, Tiesema, Tiessema, Thyssens, Matthes, Mathiessen, Matthaei.

Van Bonifacius: Fazinga, Faasma, Faassen, Fasen, Vaasen, Vase.

De zeer talryke nederlandsche geslachtsnamen, die hunnen oorsprong aan den bybelschen mansnaam Johannes ontleenen, vindt men in § 58 opgenoemd.

68 Oorkonden der geschiedenis van het Sint-Anthony-Gasthuis te Leeuwarden, bl. 82 en 91.

69 Franssema, Hoolsema, Ilpsema, Jeltsema, Klootsema, Luurtsema, Roelfsema, Tietsema, Weitsema.

70 Ten einde geen nederlandsche geslachten misschien te krenken, worde hier als voorbeeld slechts de duitsch-friesche geslachtsnaam Von Ompteda vermeld. De naam waarvan dit patronymikon is afgeleid, is, in zynen oudsten, oorspronkeliksten form Ummo, Omme, en in dien form, ook verkleind als Omke, en als Umo, Ome, Oomke, nog in Friesland in gebruik. Van daar de geslachtsnamen Ommenga, Omenga, Oomkens, Omen, Ooms, Oomsz, Ummen en Umken. Vele friesche mansvóórnamen worden in Friesland door willekeurige achtervoeging eener t verformd; van Haio maakt men Haite, van Ubo, Oebe maakt men Oebt, Oept, Upt, en zoo ook van Ummo, Omme is Umt, Omt geworden. Men ging zelfs verder, en hing er nog eene t achter; zoo kwam van Haite de form Haitet; van Oept, Upt maakte men Uptet, van Umt, Omt werd Umtet, Omtet. Nu neemt in den mond der Nederlanders de m geerne eene p of b achter zich; Middenleek werd Medemlik en Medemblik; Emuden werd Emden, Embden. Zoo ook werd Umtet en Omtet tot Umptet en Omptet. Deze naam door achtervoeging der oud-friesche a in den tweeden naamval geplaatst, geeft het patronymikon Ompteda (niet Ompteta; zoo komt van Albert en Hilwert, ofschoon deze namen beiden op t eindigen, Alberda en Alberdingk, Hilverdink, enz. met eene d). Dit oud-friesche geslacht Ompteda, oorspronkelik gezeten op ’t Zand in Fivelgo, waar de Ompteda-burcht is, is zeer verspreid in de friesche gouen aan beide oevers der Eems. De afstammelingen er van schryven hunnen naam op verschillende wyzen, als Ompteda, Von Ompteda, Umpteda, Omta, Umta, en formen dien ten gevolge nu vijf verschillende maagschappen. Een soortgelyke naam is de geslachtsnaam Impteda, die tegenwoordig, door letterkeer, in den verbasterden form Impeta voorkomt, en een patronymikon is van den mansnaam Imptet, Imtet, Imte, Imt, Immo.

71 Ter Haagha met Van Terwisscha en Van Terwisga (tor wiska is Oud-friesch voor ter weide, zur Wiese, Platduitsch tor Wische, op of aan de weide) zijn de eenigste friesche geslachtsnamen, die dit voorvoechsel ter, dat elders algemeen is, by zich hebben. Zie § 98.

72 Serbruyns, Serclaes, Serdobbels, Sergeys, Sergeyssens, Sergeysels, Serjacobs, Serlippens, Serneels, Serniclaes, Seroyen, Serpieters, Serreyns, Serruys, Sersanders, Sersimoens, Serstaas, Serstevens, Servranckx, Serweytens, Serwouters.

73 De Navorscher, dl. XXVIII, bladz. 28.

74 De Navorscher, deel XXVIII, bladz. 28.

75 Arnoldi, Augustini, Brandi, Conradi, Eberhardi, Gysberti, Hilbrandi, Jacobi, Martini, Matthaei, Meinardi, Michaëlis, Nicolai, Petri, Rudolphi, Simonis, Wilhelmy, Winoldi.

76 Ruardi (van Ruard [Ruwaert], Ruurd), Sybrandi (van Sybrand, Sîgbrant), Taconis (van Taco), Tjallingii (van Tjallingius, Tjalling), Wiardi (van Wiard—zie bl. 115), Wybrandi (van Wybrand, Wîgbrant), Wigboldy (van Wigbold), Wigeri (van Wigerus, Wiger, Wîgher).

77 Eyssonius, Hajenius, Heynsius, Hillenius, Jansenius, Janssonius, Matthesius, Mettenius, Nolthenius, Stratenus, Tielenius.

78 Johannink, Johanningmeyer, Johans, Janninga, Janninge, Janning, Jannink, Janzing, Janssonius, Jansenius, Janszeune, Jansone, Janseune, Janson, Janneson, Jantzon, Janssen, Janssens, Jansse, Jansen, Jansens, Janse, Jansé—in verfranschten form, even dwaas als Tanjé op bl. 69 vermeld; zie ook § 165. Janszen, Jansze, Janzen, Janze, Jansz, Jans, Jannen, Janne, Jannesse, Janesse, Jannissen, Jannisse, Jantz, Jantzen, Jansma, Jansema, Jenning, Jennings, Jenninck, Jentink, Jens, Jensson, (misschien ook Jenny, zie § 30), Jensen, Jensma, Jensema, Jentsema (dit is een oud-friesche verkleinform Jentse, Jen-tse of Jen-ke, Jenke, in ’t Hollandsch Jannetje, friesch ts == k), Jentzema, † Janthiama en † Jantiema (eveneens oud-friesche verkleinformen), Jantjes, Jennen, Jenniskens, Jennissen, Jennessen, Jeenenga, († Jenia, zie § 29), Jeens (de form Jeen komt in Friesland nog als mansvóórnaam voor), Jentjema, Jone, Joons, Hannes, Hanson, Hanssen, Hanssens, Hannessen, Hansen, Hansens, Hanse, Hansma, Hansema, Hensen, Henss, Henssens, Henskens. Dan nog de geslachtsnamen, wier oorsprong van den mansnaam Johannes in versletenen en verkorten form, of van de oud-germaansche mansnamen Hanno, Henno, in verkleinform Hanke (Hancko) en Henke (Hencko), aan twyfel onderhevig is: Hanning, Hannema, † Hankema, Hanken, Hankes, Henning, Hennye, Henny (zie § 30), Hens, Henkema, Henkes, enz. enz.

79 Groninger Volksalmanak, 1838, bl. 142.

80 Historische beschouwing der nederlandsche eigennamen, in De Jager’s Taalkundig Magazijn, dl. IV, bl. 317.

81 Oorkonden der Geschiedenis van het Sint-Anthonij-Gasthuis te Leeuwarden, bl. 46.

82 Toevallig is Oldeneel ook de naam van eene buurtschap by Zwolle. Wat die naam als plaatsnaam beteekent, weet ik niet. Maar het is waarschijnlik dat de eene of andere van de verschillende maagschappen, die den naam Oldeneel dragen, dien naam aan dat gehucht ontleenen, terwijl by anderen de oorspronkelike beteekenis »Oude Cornelis” kan zijn.

83 Zie het toeblaadje (feuilleton) van het nieusblad Volksblad. Enschede. Jaargang 1882, no. 48, onder den titel Kwade Bette door M. J. Wuyster.

84 Oorkonden der Geschied. van het St.-Anthony-Gasth. te Leeuwarden, dl. 1 bl. 39.

85 Eleazar en Eliazar, Elias, Esau, Ezechiël (en Ezechiëls), Jehu, Jeremias, Jesse, Joël, Jonas, Isacq, Juda en Levy (zie bl. 130), Laban, Manasse, Nabal (en Nopol? eene andere uitspraak van dezen naam?), Nathan, Ruben (en als patronymikon Rubens), Salomon en Solomon, Samuël, enz.

86 Clephas, Lazarus, Marcus en Markus, Mattheus en Matthaei (zie bl. 150), Nicodem, Stephanus, Thomas, enz.

87 Germanus, Gratiaen, Gregorius met Gregory en Gregoor, Jeronimus, Ignatius, Julianus, Krispyn, Pancras, Quiryn, Rochus (met Rochusz en Rochussen), Servatius en Zervaas, Severien (met Severijns, Severijnse), Silvester, Urbanus en Uurbanus, Vincent en Valentyn. De geslachtsnaam Kiliaan kan tweederlei oorsprong hebben; hy kan de naam zijn van den heiligen Kilianus, en hy kan ook een latynsche form zijn om aan te duiden, dat de drager van dezen naam een Kieler is, iemand geboortig van, of t’huis behoorende in de stad Kiel in Holstein, of in de Kiel, een buurt by ’t Hoogezand in Groningerland.

88 Jagers, Jaegers, Jaeghers en Jegers, Houtzagers, Keersmaekers en, in wanspelling, Kerssemakers (kaarsemaker); Klerckx en Clerckx, Kosters, Costers en Custers, Kramers, Kremers en Creemers; Kuipers, Kuypers, Cuypers, Kupers, Küppers en het verlatynschte Cuperi; Koopmans, Coopmans, met de versletene formen Coomans en Comans; Lantmeeters, Leydeckers, Meesters, Messemaeckers, Rovers, Olieslagers, Pelsmaekers, Schoenmakers, Schoemaekers en het zuid-nederlandsche Schoesetters; Schrynemaekers, van het verouderde schrijn, kast als meubelstuk (in Friesland heeten de kastmakers nog schrijnwerkers); Snepvangers (snep = snip), Snyders, Snieders en Snyers, Teegelbackers, Waersegers, (waarzegger), Weevers, enz.

89 Zie ook mijn opstel: Brabantsche en flaamsche geslachtsnamen, in De Navorscher dl. XXVIII, bl. 22, 191, 358.

90 Hoefnagels en Houfnaeghels, Hombrouckx, Haseldonckx, Kerekhoffs, Kievits, Koevoets, Quaeyhaegs, Rijsheuvels, Roosbroeckx, Snoeks en Snoucks, Spitaels, Steenackers, Sterckx, Stroobants, Roeyaekers, Vingerhoets, Vloeberghs, Welvaarts.

[Inhoud]

II.

Geslachtsnamen, van aardrijkskundigen oorsprong.

[Inhoud]

A. Geslachtsnamen van volkenkundigen aard, en die aan byzondere aardrijkskundige namen ontleend zijn.

§ 66. Iemand verliet zijn vaderland, waar hy steeds gewoond had, en vestigde zich in een ander land; namelik in het onze. Hier was hy dus vreemdeling, en die vreemdelingschap was het juist, welke byzonder de opmerkzaamheid trok van de lieden in zyne nieue omgeving. Zeer natuurlik dus dat men dien vreemdeling, in zyne nieue woonplaats, al spoedig ging noemen met zynen volksnaam, met den naam van het volk waar toe hy oorspronkelik behoorde. En dit zoo veel te eerder nog, naar mate die vreemdeling eenen eigenen naam had, het zy dan vóór- of geslachtsnaam, die aan zyne nieue buren, land- of plaatsgenooten onbekend was, of die hun moeielik viel om uit te spreken, en dus ook om te onthouden. Eerlang dan was de man in zyne nieue woonplaats niet anders bekend, dan onder den naam van De Waal, Spanjaard, Den Engelschman, of van eenen soortgelyken, al naar dat hy een Waal, een Spanjaard, een Engelschman of iets anders was. En onder zulken naam werd onze vreemdeling al spoedig zoo algemeen bekend, dat die oorspronkelike bynaam hem werkelik als een vaste toenaam eigen bleef, dat die zelfde naam [190]by verloop van tijd, een ware geslachtsnaam werd voor hem, zoowel als voor zyne kinderen en nakomelingen na hem. En dit nog zoo veel te gereeder, als in deze en soortgelyke namen, ofschoon het dan oorspronkelik bynamen zijn, voor den drager niets onteerends ligt. In tegendeel! Men kan zelfs aannemen dat menig vreemdeling het niet ongeerne hoorde, als hy met zynen volksnaam genoemd werd, wijl dit voor hem eene dageliksche, eene gestadige herinnering was aan zijn vaderland, dat hy misschien noode verlaten had, en waaraan hy zich, zijn leven lang, in liefde en trou verbonden bleef gevoelen.

Reeds van ouds hebben zich in de Nederlanden steeds vele vreemdelingen met der woon gevestigd. Om tweederlei redenen. Te weten: om den bloeienden handel die in deze gewesten gedreven werd, om den met recht gevoerden naam van welvaart en rijkdom, die menig jongman uit de aangrenzende minder bevoordeelde landen, vol hoop hier heen deed komen, gelijk dit trouens nog heden steeds plaats vindt. En dan ook om de vryheid van geweten die sedert de kerkherforming hier meer dan in andere landen van het beschaafde Europa heerschte, vooral voor Calvinisten uit andere protestantsche landen verdreven, en voor andere Herformden ook, uit roomsche landen verjaagd. En zoo is het zeer natuurlik dat de namen van volken juist in de Nederlanden zoo veelvuldig als geslachtsnamen voorkomen.

§ 67. De volgende geslachtsnamen, aan namen van volken ontleend, heb ik in de Nederlanden gevonden.

Duitscher en Den Duits of Denduits met Duytsche en Den Duytsen, ook op hoogduitsche wyze als Deutscher en Deutschmann geschreven. Deze namen, weinig in getal, zijn buitendien nog zeldzaam. Dit moet wel eenige verwondering baren, als men bedenkt dat het, van alle vreemdelingen, juist Duitschers zijn, die zich het allertalrijkst in de Nederlanden gevestigd hebben. Maar de Nederlanders hadden gewoonlik weinig reden om dien volksnaam te geven aan de Duitschers, die onder hen kwamen wonen. Ten eersten, omdat de namen dezer Duitschers, zoo wel hunne vóór- als geslachtsnamen, weinig van de onzen afwyken, in den regel daar mede nau verwant zijn, en dus voor ons volk verstaanbaar [191]en gemakkelik te onthouden en te gebruiken. Ten tweeden, omdat men, zoo al niet in Holland en Vlaanderen, dan toch in onze oostelike gewesten, de Duitschers eigenlik weinig als vreemdelingen beschoude, vooral niet als zy uit de aangrenzende westelike streken van Duitschland, uit Westfalen en Neder-Rijnland kwamen, gelijk meestal het geval was. Oost-Friesen, Bentheimers, enz. beschoude men in het geheel niet als Duitschers. Het gevoel van stamverwantschap tusschen d’ oostelike Nederlanders en de westelike Duitschers sprak dan ook, tot diep in deze eeu nog, veel te luid om in Duitschers zulke vreemdelingen te zien als b. v. in Franschen of Polen. Men noemde ook de eigene nederlandsche taal, ’t zy dan geldersch of brabantsch of hollandsch, algemeen, en zeer te recht, nog nederduitsch, zelfs wel duitsch slechtweg. Ja, in Holland zelf deed men dit nog wel in de 17de en 18de eeu.

»Wij spreken immers altemaal,

Oprechte, zuiv’re duitsche taal.”

gelijk Langendijk in een zyner blyspelen eenen Hollander laat zeggen. En Hugo de Groot spreekt ook van zyne »duytsche moedertale,” ofschoon hy een echte Hollander was, en van Delft geboortig. Zoo noemde de nederlandsche volksmond den Hoog-duitschers dan veelal Bovenlanders, in tegenstelling van den eigenen naam Nederlanders, als om twee onderdeelen van eenen en den zelfden volksstam aan te duiden. En deze benaming is by ons volk heden nog wel in gebruik. Eindelik nog is de verdeeldheid der Duitschers, in verschillende volksstammen, die, vroeger meer dan thans, daar te boven ook nog staatkundig verdeeld waren, oorzaak dat de algemeene naam Duitscher weinig als maagschapsnaam by ons volk voorkomt. In plaats daar van hebben wy de geslachtsnamen De Swaef en De Swaaf, met Swaap en Zwaap. Deze twee laatste namen zijn slechts kwade verdietschingen van den hoogduitschen naam Schwab, die ook in Nederland voorkomt. Slechts de twee eerste namen zijn goed-nederlandsch. Verder De Hes, Hes en Hesse; Veling en Velinger met Westfaal en Westphal. De form Veling (beter ware Feling) is de eenige zuiver-nederlandsche van de vier laatstvermelde namen. Nog heden noemt men in onze friesche en friso-saksische gewesten eenen [192]inboorling van Westfalen met dezen naam. De form Velinger, die ook wel gebruikt wordt om eenen »(West-)Faling” aan te duiden, is minder oorspronkelik. Westfaal is verhollandscht van den hoogduitschen form Westphal, die nog, uit den pruiketijd, eene ph in plaats van f vertoont. Munsterlander is iemand uit Munsterland, dat is de westelikste westfaalsche gou die zich langs onze grenzen uitstrekt. Saks, Sax, Sachs en Sachse; de oude, goed-nederlandsche, meest oud-hollandsche form van dezen volksnaam, Sas, is my als maagschapsnaam nooit voorgekomen. Verder De Beyer, Beyer, Beyerman, Bayer en Bayermann. Beyerman kan echter ook beteekenen: iemand die beiert, dat is: de torenklokken op eene byzondere wyze luidt of doet klinken. Frank, met de (hoogduitsche) verkleinformen Fränkel, Frenkel, iemand uit Franken of Frankenland, eene landstreek in Duitschland, in noordelik Beieren. Echter is Frank, met Franke, ook een mansvóórnaam en by ons volk, vooral by de Friesen, niet zeldzaam in gebruik. De maagschapsnaam Frank kan dus in sommige gevallen oorspronkelik ook wel eenvoudig die mansnaam zijn; zie § 69.

Of de maagschapsnamen Duyts, Duits, Duitsch, ook in hoogduitsche spelling als Deutz hier te lande voorkomende, ook te dezer plaatste vermeld dienen te worden, moet ik in het midden laten. Het kunnen ook patronymika zijn (vooral de twee eerstvermelden) van eenen ouden mansvóórnaam Duut, Duyt, Duit, Teut, Teuto. Of wel, Duyts, enz. is eenvoudig de in spelling verdietschte naam van het stadje Deutz aan den Rijn, tegenover Keulen. Misschien is de nederlandsche maagschapsnaam Lalleman eene verdietsching van het fransche L’ Allemand; anders althans is my deze naam onverklaarbaar. In dat geval dient hy te dezer plaatse vermeld te worden. Hy is dan zeker over en uit Frankrijk tot ons gekomen.

Als men den maagschapsnaam Stadlander beschout als aanduidende een man die in Stadland t’ huis behoort, van daar herkomstig is, dan behoort hy zeker op deze plaats te worden genoemd. Immers het Stadland is eene oud-friesche gou in noord-westelik Duitschland, aan den oever der Weser, beneden Bremen.

In de vorige eeu echter, spelende met de beteekenis der woorden [193]stad en land, gaf men dezen naam Stadlander wel aan huizen, buitentjes, optrekjes, herbergen of uitspanningsplaatsen, die wel op het land, ten platten lande, gelegen waren, maar toch in de nabyheid eener stad. Tot in deze eeu was er nog eene uitspanningsplaats, de Stadlander met name, in de nabyheid van Amsterdam. En zoo kan de maagschapsnaam Stadlander ook eenvoudig aan zulk eenen huis- of plaatsnaam ontleend zijn. Maar in jaargang 1846 van den Groninger Volksalmanak vindt men op bl. 146 nog eenen anderen oorsprong vermeld van dezen geslachtsnaam. Daar is er sprake van eene maagschap, die, vroeger in »de stad” (d. i. Groningen) wonende, in lateren tijd naar »het land” verhuisde, en om deze reden dien naam Stadlander zoude aangenomen hebben.

Engelsman, Den Engelsman, Engelschman, Den Engelse, Engelander en Britt. Ook deze maagschapsnamen komen zeldzaam voor in de Nederlanden. Trouens, in vergelyking met andere volken, met Duitschers en Franschen vooral, hebben er zich ook nooit veel Engelschen blyvend onder ons neêrgezet. Immers vryheid van geweten, met welvaart door handel en scheepvaart veroorzaakt, door welke begeerlike zaken zoo vele vreemdelingen bewogen werden zich in de Nederlanden te vestigen—dat hadden de Engelschen in hun eigen land ook, zoo wel als wy.

Schot, Schott, Schotsman en ook als patronymikon, in den tweeden-naamval, Schotsmans. De overeenkomst, in de 17de en 18de eeu, tusschen de schotsche kerk en de noord-nederlandsche, beiden van streng calvinistische richting, was oorzaak dat er in die eeuen tusschen Schotten en Nederlanders nog al talryke betrekkingen bestonden, en dat menige Schot onder ons kwam wonen. Van daar bovengenoemde namen, en van daar ook de betrekkelike menigvuldigheid van byzonder-schotsche geslachtsnamen (Mac-Donald, Mackenzie, Mackay) in de Nederlanden; zie § 164. Maar de roomschgezinde Ieren hadden veel minder, of ook in het geheel geene aanleiding om naar de Nederlanden te trekken. En zoo is een maagschapsnaam »Ier” of »De Ier” my dan ook nooit onder ons volk voorgekomen.

Skandinaviers in ’t algemeen, maar vooral Noren en Denen, hebben steeds met de Nederlanders talryke betrekkingen, door handel en zeevaart in het leven geroepen, onderhouden. Er hebben [194]zich steeds veel Noren en Denen in Nederland gevestigd (meer dan men in ’t algemeen wel denkt); en zulks geschiedt nog dageliks. Van daar de geslachtsnamen Zweed en Sweed, Noorman, Norman, Noorlander, Deen, Den Dene en Jut. Toch zijn deze namen in geenen deele zoo talrijk als men wel zoude moeten denken, de vele Skandinaviers, die zich onder ons hebben neêrgezet, in aanmerking genomen. Dit vindt zyne oorzaak in d’ omstandigheid dat de maagschapsnamen, hooftsakelik patronymika in algemeen-germaansche formen, welke deze vreemdelingen dragen, in den regel weinig verschillen van onze eigene nederlandsche geslachtsnamen, en dus door ons volk gemakkelik worden uitgesproken en onthouden. Ook is my een geval bekend dat een Deen die in Holland zich met der woon neêrzette, zynen deenschen naam in het Hollandsch vertaalde, gelijk in § 104 nader vermeld is. Maar de maagschapsnaam Jut behoort geenszins tot de zeldzaam voorkomenden. Toch is Jutland maar een klein land en zijn er weinig Jutten. Maar de Noord-Friesen, vooral die van de eilanden en halligen, die in de 17de en 18de eeu als bekwame en vertroude, dies zeer begeerde zeelui veelvuldig dienden op onze koopvaardy- en visschersvloot, gelijk ook nog wel heden ten dage, waren toen in Noord-Nederland veelal bekend onder den naam van Jutten, en stonden, onder dien volksnaam, op de monsterrol vermeld. Echter komt deze volksnaam hun geenszins toe, naardien de Noord-Friesen echte Friesen zijn, zoo goed als de beste Stand-Friesen in Oost- of West-Friesland. Maar hun land werd vroeger gedeeltelik tot Jutland gerekend; en zoo ontstond die verkeerde benaming.

In West-Vlaanderen is de maagschapsnaam Daenekindt inheemsch. Het komt my niet onwaarschijnlik voor dat deze naam moet worden verklaard als het kind (de zoon) van den Deen, van den man die een Deen was. Als eene zeer byzondere soort van patronymikon zoude deze naam dan moeten worden geduid, en een tegenhanger dan zijn van den waren vadersnaam Daeninck, ook Daeninckx, die ook als maagschapsnaam in Vlaanderen inheemsch is. Het schijnt in der daad, dat na de invallen der skandinaafsche Vikingen, eenige Denen achter gebleven zijn in het toen reeds bloeiende Vlaanderen. In de 16de eeu vinden wy te Brugge den geslachtsnaam Den Dene. Ook de geslachtsnamen [195]Daane, Daene, Danen, met het hoogduitsche Daehne, zoude men eveneens hier toe kunnen brengen. Intusschen vermeldt Förstemann in zijn Altdeutsches Namenbuch eenen oud-germaanschen mansvóórnaam Dano (toch ook in de beteekenis van den volksnaam Deen). Het is dus evenzeer mogelik dat deze vlaamsche patronymika aan dien mansnaam hunnen oorsprong danken.

De maagschapsnamen Zwitser, Zwitzer, De Zwitser, ook in tweeden naamvalsform Zwitzers, met Switsar, Zweitzer en Schweitzer, vereischen geene nadere verklaring.

Gaan wy thans tot de geslachtsnamen over die aan de namen van romaansche volken ontleend zijn, dan noemen wy in de eerste plaats de namen:

Franschman, Fransman, Frantzmann (zekerlik over Duitschland tot ons gekomen), met Francois, Le Francois en Gallois, en den weêr uit het Fransch in nederlandsche spelling verbasterden form Franswa. Francois kan zoo wel oorspronkelik de bekende mansnaam zijn, als de volksnaam. Franco, in vreemden form, en De Franc wil ik hier liever als verscheidenheden van Franschman rekenen, dan ze tot Frank (uit Frankenland; zie bl. 192) te brengen.

Normand duidt iemand aan uit het fransche gewest Normandye, en Picard iemand uit Picardye. Deze laatste naam komt ook nog al talrijk voor onder de formen Piccardt, Piccaerdt, Pikaar en Pickhardt, ten bewyze (of men het anders ook al niet en wiste) dat oudtijds inwoners van Picardye zich veelvuldig in de Nederlanden hebben gevestigd. En dit is ook in der daad het geval, vooral in Vlaanderen en Brabant. Trouens, de Picardiërs zijn de naaste buren van de fransche Vlamingen, en de picardische gouspraak is met menig oud-nederlandsch woord nog heden vermengd.

Talrijk zijn ook in de Nederlanden de geslachtsnamen De Waal, De Wael, De Waele, Waal, De Walsche, ook in hoogduitschen form Wahle. Maar talrijk ook hebben de Walen, vooral uit Luik en omstreken, de zoogenoemde Luiker-Walen, zich onder ons neêrgezet, vooral als regenschermkooplui, stroohoedenvlechters, oudtijds ook als rarekijk- en tooverlanteernvertooners, enz. My heugt nog uit myne prille jeugd, hoe een Waal, met eene tooverlanteern [196]op zynen rug, ’s avonds door de straten van myne vaderstad Leeuwarden liep te schreeuen: »tòverlantern! frai, curieus en moi!” En andere Walen liepen toen nog, langzaam stappende, en met eenen grooten blikken trommel op den rug, door steden en dorpen, hunne waar, die in fyne manufacturen, vooral shawls en kanten bestond, onder het geschreeu van »doek-madras!” ventende. Van die lieden hebben velen zich blyvend onder ons gevestigd; zie § 164.

De namen Spanjaard, Spanjaerdt en Spanjer (ook in de fransche en hoogduitsche formen Espagniol en Spanier by ons voorkomende), Portegies, Italiaander, Lombard, Lombaerdt en Wallach vereischen weinig nadere verklaring. In de nederlandsche volkstaal gebruikt men gewoonlik den form Italiaander, overeenkomende met het hoogduitsche Italiäner, voor het meer boeksche Italiaan. En Portegies, in plaats van Portugees, was oudtijds de gewone volksuitspraak van dit woord, die ook thans nog van onze zeelui, vooral van die van frieschen stam, gehoord wordt. De geslachtsnamen Lombard, De Lombaerde, De Lombaert duiden iemand aan uit Lombardye; terwijl Wallach iemand uit Wallachye beduidt. Deze laatste naam komt ook als Wallich en Walch voor. Hoe zonderling het schyne, moet ik hier den geslachtsnaam Bloch vermelden, als oorspronkelik geheel het zelfde woord zijnde als Wallach. Namelik, in zoo verre de geslachtsnaam Bloch door duitsch-israëlitische geslachten gedragen wordt. Immers het woord Wallach = Wallachyer wordt in de joodsch-duitsche mengeltaal die in geheel oostelik Europa onder de daar zoo talryke Israëliten in gebruik is, als bloch uitgesproken; walch, wolch, wloch, bloch, de overgang is geleidelik. Ook de Saksen in Zevenburgen noemen den Wallachyer of Rumenier: Bloch. Een volksrijmke by dat volk in gebruik, begint alzoo: »Der Onger, Bloch uch der Zigu” dat is: De Hongaar, Wallach en de Zigeuner1. In Wallachye wonen zeer vele Israëliten, en velen van hen hebben hun land verlaten, steeds westwaarts trekkende naar Duitschland en Nederland. Zoo hebben zy den naam [197]van hunnen landaard—Wallach en Bloch—naar die landen gebracht, en komen deze woorden nu hier als geslachtsnamen voor. De geslachtsnamen Blog en Blok, voor zoo verre ze door Israëliten worden gedragen, behooren ook hier toe. Blog is eene misspelling van Bloch, en Blok is eene vernederduitsching daarvan, in overeenstemming met woorden als ich, fluch, machen, enz., in het Nederduitsch ik, vloek, maken; dies ook Bloch = Blok.

Nederlandsche geslachtsnamen, die oorspronkelik namen zijn van Slavische of andere volken, zijn nog de volgenden:

Rus en Rusman met Moscoviter, Pool en Polak, ook Pohl en Polack. Joden, uit Polen verdreven, of door de welvaart van ons vaderland aangelokt, hebben zich sedert de zeventiende eeu, in aanmerkeliken getale, in de Nederlanden gevestigd. Van daar dat de naam Polak hier zoo veelvuldig door israëlitische geslachten gedragen wordt. In Friesland echter is my ook een christelik geslacht, niet van joodsche afkomst, van dien naam bekend. Of Poolman (met Pohlmann) ook hier toe behoort, schijnt my minst genomen twyfelachtig. Deze naam beschou ik liever als een hoogduitsche form van het nederduitsche Poelman—afgeleid van poel, moeras.—By den Rus behoort ook nog de man wiens landaard wordt aangeduid door den geslachtsnaam Courlander. De geslachtsnamen Bosnak, iemand uit Bosnie, Griek en DeGrieck, en Slowack, iemand uit Slavonie, eischen geenen naderen uitleg.

De naam Oostinjer zal waarschijnlik wel eerst gedragen zijn door iemand die langen tijd in Oost-Indie gewoond had—niet door eenen Javaan, Maleier of anderen Oostindier. De namen De Jode, De Joode, De Jeude en De Jude moeten hier ter plaatse ook genoemd worden, benevens Turk, Turcq, De Turck, en Den Turck, en Moor, De Moor—met Mohr. Dat deze laatste namen eerst gevoerd zijn door lieden die werkelik Turken en Mooren waren, welke zich in de Nederlanden vestigden, schijnt my niet aannemelik, ofschoon het niet onmogelik is. Maar liever wil ik aannemen dat deze namen aan uithangborden of huisnamen ontleend zijn. Huizen, die »de Turk” of »de Moor” heetten, of uithangborden, vooral by tabakshandelaars, waar »de rookende Turk” of »de rookende Moor” op stonden afgebeeld, waren er oudtijds in alle nederlandsche steden. En zy zijn er nog wel. Of de [198]namen Moorman en Mohrmann hier ook behooren, betwyfel ik. Wel noemde men oudtijds eenen Moor ook wel een Moorman (de Statenvertaling des bybels levert daarvan een voorbeeld op.)2 Toch komt het my waarschijnliker voor dat Moorman eenvoudig moerman of veenman beteekent, iemand in de moeren, moerassen of venen wonende, of van daar afkomstig. Zulke moeren noemt men langs onze oostelike grenzen mooren; men herinnere zich ook de oostfriesche dorpsnamen Stapelmoor, Breinermoor, Neermoor, enz., en Moormerland, eene veenryke gou in dat gewest. De namen Moerman en Veenman komen ook als nederlandsche geslachtsnamen voor.

Van de namen van oude, verdwenene volken, natuurlik niet rechtstreeks afkomstig, zijn de geslachtsnamen Romein, Romeyn en Romijn, met den hoogduitschen form Römer, en waarschijnlik ook Romer en Romar—en Batavier. Romein zal oorspronkelik wel meest een huisnaam of een uithangteeken geweest zijn. Römer, Romer en Romar kunnen ook afslytingen zijn van den oud-germaanschen mansvóórnaam Rodmar, Rodmer, die nog heden in Friesland in gebruik is. En ook evenzeer kunnen zy de byzondere naam van een drinkglas wezen, als romer nog heden in Friesland in volle gebruik.

Eindelik, als aanhangsel van deze groep van geslachtsnamen, moeten hier nog vermeld worden de geslachtsnamen Oosterling, Oosterlynck en Den Oosterlingh, met Westerlinck en De Westelinck, en misschien ook met Westerman en Ostermann.

Zonderling genoeg komt de naam van ons eigen volk hier te lande in hoogduitschen form als geslachtsnaam voor; te weten als Niederländer. Maar hoogst waarschijnlik heeft men hier niet te denken aan eenen Nederlander in onzen zin. De naam zal wel afgeleid zijn van eene der vele duitsche landstreken die het »Niederland” genoemd worden, in tegenstelling met eene naburige bergstreek of »Oberland.”

In Vlaanderen komt de geslachtsnaam Stragier voor, die almede in deze afdeeling vermeld moet worden. Deze naam beteekent vreemdeling. [199]Stragier is een oud-vlaamsch bastaardwoord, dat met het fransche étranger en het engelsche stranger den zelfden oorsprong heeft.3 De weêrga van dezen naam »vreemdeling” is de geslachtsnaam Landsaat, ook in misspelling als Landzaad voorkomende.

§ 68. Maar niet slechts van de namen van vreemde volken zijn er nederlandsche geslachtsnamen afgeleid; ook de namen van inlandsche volksstammen en volksafdeelingen komen wel als zoodanig voor. Onder dezen treffen wy in de eerste plaats den geslachtsnaam De Vries aan, met De Fries, De Vriese, De Friese, Friese, Frese, De Vreeze, Vriesman, Vrieseman, Freseman en Vrieslander. De naam De Vries komt in de meeste nederlandsche gewesten talrijk voor; het is in der daad een der algemeenste nederlandsche geslachtsnamen. Aanleiding hier toe heeft gegeven de omstandigheid, dat de Friesen, hoewel in den regel sterk aan hun vaderland gehecht, toch veelvuldig in andere nederlandsche gewesten zich met der woon gevestigd hebben. Friesland was voor de Nederlanden steeds eene mildvloeiende »lüdeborn” eene ware »vagina gentium”. En het is dit nog heden. En daar komt nog by de omstandigheid dat de Friesen hunne eigenaardigheden in hunne eigene uitspraak, kleeding, zeden, enz. steeds behouden, ook al wonen zy jaren en jaren in den vreemde, zoodat men hen steeds gemakkelik als Friesen onderkent. Zonderling echter is het dat juist in de friesche gewesten zelven, en niet het minst in de hedendaagsche nederlandsche provincie Friesland, die naam De Vries zoo byzonder veel voorkomt. Zoo lang immers een Fries in Friesland woont, bestaat er geene reden om hem door dien toenaam byzonder van anderen te onderscheiden. Stammen de lieden die in Friesland wonen en De Vries heeten, dan allen af van voorvaders, die zich vroeger in Holland of ergens elders buiten Friesland vestigden, en daar dien naam van hunne omgeving ontvingen? Die later weêr naar hun oud vaderland terug keerden, en toen dien naam, ofschoon hy hier onder hunne eigene volksgenooten geen de minste reden van bestaan meer had, toch als een vaste geslachtsnaam [200]behielden? Het schijnt vreemd. Toch kan ik het anders niet verklaren. Ook onder de nederlandsche Joden komt deze geslachtsnaam geenszins zeldzaam voor; werkelik zoo veelvuldig, dat er eene byzondere reden voor bestaan moet. Nu is het wel waar dat de friesche volksaard zeer sterk spreekt, zóó sterk dat ook de Joden in Friesland zich aan den infloed daarvan niet kunnen onttrekken—dat ook zy door spraak, kleeding en andere zaken als bepaaldelik friesche Joden zich onderscheiden van de Israëliten in andere nederlandsche gewesten. Maar of dit voldoende is om den oorsprong van al die geslachtsnamen De Vries, by dikwijls in het geheel niet verwante israëlitische geslachten voorkomende, te verklaren, moet ik in het midden laten. De naam De Vries schijnt werkelik byzonder in den smaak gevallen te zijn by sommige lieden, die zich in het begin dezer eeu eenen geslachtsnaam kiezen moesten, zoo dat eenigen dezen naam maar aannamen, zonder daar byzondere reden voor te hebben, of zonder juist van frieschen oorsprong te zijn. My althans verhaalde een geloofweerdig man, dat zijn grootvader in 1811 dien naam De Vries maar had aangenomen om dat hy toch eenen maagschapsnaam hebben moest, en de eene naam, naar zyne meening, zoo goed was als de andere, en deze naam hem nu juist, zonder byzondere reden, behaagde. Een joodsch geslacht voert dezen naam zelfs in den zonderlingen form Vrieslander. Ook onder de Oost-Friesen is de naam De Vries geenszins zeldzaam, terwijl hy ook als Friese en Frese in Duitschland, als Frison te Antwerpen voorkomt. In de zuidelike Nederlanden, bepaaldelik in West-Vlaanderen komt de geslachtsnaam De Vriese, De Vries almede tamelik veelvuldig voor. Geleerden zijn van oordeel, dat een deel van het vlaamsche volk, langs de zeekust gezeten en in de lage landen daaraan palende, van frieschen oorsprong zy. En zy verklaren op deze wyze het voorkomen van dezen maagschapsnaam onder de hedendaagsche Vlamingen. Er is veel, dat sterk voor deze zienswyze pleit.4

De geslachtsnamen Drent en Drenth, Geldersman en Gelderlander, zekerlik ook Gelderman en het patronymikale Geldermans; [201]verder Hollander, De Hollander, Den Hollander, D’Hollander, Zeeuw, De Zeeuw, De Seeuw, Zeelander en Zélander (sic), Vlaming, Vlamingh, Vlaemynck, De Vlaming, De Vlamingh, De Vlaemingh, Fleminck, Vlemynck, De Vleminck, (ook in den tweeden naamval en als patronymika Fleminckx, Vlemynckx, Vlemincks); dan nog De Brabander, Brabänder, Brabänter en De Brabandere eischen geene nadere verklaring, evenmin als Twent (iemand uit Twente), Bilkert, het friesche woord voor iemand afkomstig uit de grieteny het Bilt in Friesland,—Gooyer en Goyjer (iemand uit het Gooiland), en De Kempenaer, Kempenaar, Kempeneer, De Kempenaire, De Kempeneir, Kempenaers, Kempenaars en Kempeneers, de naam der bewoners van de Kempen, eene landstreek in oostelik Brabant.

Van onze eilandbewoners zijn de namen Schellinger, Vlielander, Tesselaar, Schokker en Bevelander afkomstig. Ook Juister, van ’t oostfriesche eiland Juist.

§ 69. Wellicht behooren sommige patronymika, als geslachtsnamen voorkomende, b. v. Friesinga, Sassink, Frankema, Beyerinck en Beyering, Swavink, Daeninck (zie bl. 194), ook tot deze groep van namen, aan de namen van volken ontleend. Maar wijl de namen Fries, Saks, Frank, Beier, Swaaf, Dano, die aan deze geslachtsnamen ten grondslag liggen, zoo wel mansvoornamen zijn als volksnamen, zoo is het twyfelachtig of men hier met het eene te doen heeft of met het andere. Deze geslachtsnamen komen vooral onder de Friesen voor. Behalven de bovengenoemden, die ook onder de formen Fresinga, Friesenga, Vriesinga, Vriesenga, Fresing (met latynschen uitgang Fresenius), en Sassinga met Sassing voorkomen, zijn my nog de volgenden bekend, die allen van gelyken oorsprong zijn: Frisia (saamgetrokken uit Frisinga), Frezema, Friesema, Vriesema, Friesma, Fresena (zie § 46); Frankena, Franckena, Francken, Franken (Vrancken komt ook voor), Frenken; Saxema, Sassema, Sasma, Sassen; Daenen, enz. Zooals op vele voorgaande bladzyden kan worden nageslagen, beteekenen deze namen allen: afstammeling [202]of zoon van eenen Fries, eenen Saks, eenen Frank, eenen Beier, eenen Swaaf, eenen Deen, of van mannen die eenen dezer namen (Friso, Saxo, Frank), als vóórnaam droegen.

Eenige geslachtsnamen wil ik hier nog vermelden, die wel niet rechtstreeks tot bovenstaande namengroepen behooren, maar die toch beschoud kunnen worden, een toevoechsel tot die groepen uit te maken. In de eerste plaats behoort dan tot deze namen de geslachtsnaam Provinciael, waar ik den geslachtsnaam Van Hoofdstadt aan den eenen kant, en de maagschapsnamen Steeman en Stheeman aan den anderen kant tegen over stel. Zoo ook, als tegenhangers, de namen Van der Stad en Van Dorp, die al mede den zelfden zin hebben. Eindelik nog de geslachtsnaam Eilander. Nadere verklaring eischen dezen namen niet. Het zijn, als ’t ware, ook algemeene aardrijkskundige namen (zie § 94), wijl men niet weten kan uit welke provincie, uit welke hoofdstad, uit welke stad en welk dorp, of van welk eiland de eerste dragers dier namen afkomstig waren.

§ 70. Even als de namen van landen en gouen, zoo zijn ook van de namen van steden en dorpen geslachtsnamen gemaakt, en wel juist op de zelfde wyze als boven vermeld is in § 66. Het ligt in den aard der zaak dat zulke namen meest van nederlandsche stads- en dorpsnamen ontleend zijn, naar dien de namen der buitenlandsche plaatsen aan onze spraakmakende gemeente, die deze namen het eerst in gebruik nam, meestal weinig bekend waren. Of iemand uit Darmstad of uit Kassel in de Nederlanden kwam wonen, was voor ons volk zoo tamelik het zelfde. Dat volk immers zag in dien man geen Darmsteder of Kasselaar, maar in ’t algemeen eenen Duitscher, of hoogstens eenen Hes. Men noemde hem dus naar zynen volksnaam, en niet naar den naam zyner geboortestad. Maar iets anders was het, of iemand uit de eene nederlandsche plaats in de andere ging wonen; als b. v. iemand uit Zwolle en iemand uit Leiden beiden zich te Amsterdam vestigden. Want de Amsterdammers merkten natuurlik wel degelik onderscheid tusschen den man uit Zwolle en dien uit Leiden. En dies noemden zy wel degelik den eenen Zwolsman, den anderen [203]Leyenaar, welke toe- of bynamen later vaste geslachtsnamen geworden zijn, en als zoodanig nog onder ons bestaan.

Toch vinden wy nog wel eenige geslachtsnamen, die aan de namen van buitenlandsche plaatsen, op de wyze der volksnamen ontleend zijn. Maar, voor zoo verre dit oorspronkelik nederlandsche geslachtsnamen zijn, en niet uit Duitschland tot ons overgekomen, zoo zijn zy toch meest afkomstig van de namen van steden, niet verre van onze grenzen gelegen, en die by ons volk, reeds van ouds her, genoegzaam bekend waren, b. v. Guliker en De Guliker, Munsterman, Oldenburger,5 enz., van de steden Gulik, Munster en Oldenburg. De volgende geslachtsnamen zijn nog ontleend aan de namen van verder afgelegene, of minder bekende plaatsen: Altorfer (van Altorf, eene stad in Zwitserland), Augsburger (van Augsburg, stad in Zwaben, Beieren), Berliner, Binger (van Bingen, stad in Rijn-Pruissen), enz.6 Deze soort van namen is in Duitschland veel talryker dan in Nederland, en vooral ook onder de duitsche Joden in zwang. Van daar dat zy ook in de Nederlanden veelal voorkomen by israëlitische geslachten, uit Duitschland herkomstig. En tevens dat sommigen, door de wyze waarop zy geschreven worden, nog duidelik hunnen hoogduitschen oorsprong vertoonen; b. v. Darmstädter.

De geslachtsnamen die niet van vreemde, maar van nederlandsche plaatsnamen, op deze wyze geformd zijn, behooren geenszins tot de meest voorkomenden. Immers worden in Nederland de namen [204]van inlandsche plaatsen veel meer tot geslachtsnamen gemaakt door voorvoeging van het woordje van. Behalven Zwolsman en Leyenaar, hier boven reeds genoemd, zijn my nog bekend: Bruggeling (een ingezetene van de vlaamsche hoofdstad Brugge), Oostburger (van het stedeke Oostburg in Zeeusch-Vlaanderen)7, enz. De geslachtsnamen Opzoomer, Opzomer en Opsomer behooren aan verschillende, nog al talryke geslachten, zoowel in Noord- als in Zuid-Nederland inheemsch. Met den geslachtsnaam Bergopzomer8 zijn zy afgeleid van den naam der brabantsche stede Bergen-op-Zoom. Mijn eigen naam Winkler behoort ook hier genoemd te worden, als zijnde, volgens maagschaps-overlevering, ontleend aan den naam van het dorp Winkel by Medemblik in West-Friesland. De naam Winkler, ook Winckler, Winkeler, Winklaar, Winkelaar en Wynkeleer, is vry algemeen; onder beide eerstgenoemde formen vooral ook in Duitschland. Dat komt omdat er ook zoo veel dorpen en gehuchten zijn die Winkel heeten. In Duitschland liggen er wel honderd. Ook [205]in Vlaanderen vinden wy dezen dorpsnaam als Wynkel; van daar ook de vlaamsche form van dezen geslachtsnaam Wynkeleer, met De Winkelair, De Winckeleer, en zelfs half verfranscht als De Winquelair en misschien ook Vinqueleir.

Eindelik nog dient de geslachtsnaam Suringar hier vermeld te worden. Men meent dat deze naam die door dat ar op ’t einde in plaats van het meer gewone er wel wat vreemd schijnt, ontleend zy aan den naam van het friesche dorp Surich (of Zurig en Zurich), en dus Suricher zoude beteekenen. Deze meening krijcht nagenoeg zekerheid als men weet dat oudtijds het byvoegelike naamwoord aan den plaatsnaam Surich ontleend, werkelik suring luidde. In het Register van den Aanbreng van 1511, dl. III, lees ik op bl. 320, in eene oorkonde van den jare 1546 »noch een pondemate op Suringer meden gelegen”. En die zonderlinge uitgang ar in plaats van er, is ook niet zonder voorbeeld. Nevens den geslachtsnaam Switser toch hebben wy ook Switsar (zie bl. 195); nevens Romer ook Romar (zie bl. 198).

§ 71. Met het boven besprokene achtervoechsel er of aar, dat in de nederlandsche taal dienst doet om van plaatsnamen eerst byvoegelike naamwoorden, daarna ook weêr zelfstandige naamwoorden en eindelik geslachtsnamen te formen, stemt volkomen overeen het achtervoechsel stra in het Friesch. Dit stra is Oud-friesch, en luidt in het hedendaagsche Friesch ster; b. v. friesch: de boarnster tûr == de toren van het dorp (Olde-)Boorn; Lemsterland, het land van de Lemmer, naam der grieteny waar van dat friesche vlek de hoofdplaats is. Oud-friesch: Tiettzerckstera dela, heden ten dage Tietjerksteradeel, de naam der grieteny die naar het dorp Tietjerk genoemd is; Kiestra sîl, tegenwoordig Keester zijl, de sluis by het slot Kie of Kee, enz.

In Friesland komen zeer vele geslachtsnamen voor die op dit achtervoechsel stra eindigen. Te dezer plaatse willen wy slechts die genen vermelden van deze stra-namen, welke van plaatsnamen zijn afgeleid. Zy formen de weêrgaden van de boven besprokene algemeen-nederlandsche geslachtsnamen op er of aar uitgaande. Balkstra (van het vlek Balk); Riedstra en Riestra (van het [206]dorp Ried); Speerstra (van het gehucht Speers, ook wel Speersterhuizen, oudtijds Speerstrahusen genoemd, by ’t dorp Deersum), enz.9

§ 71. De oude Nederlanders, vooral in de 16de en 17de eeu, waren liefhebbers om hunne namen te verlatynschen. By de behandeling der geslachtsnamen van mansvóórnamen geformd, heb ik daar reeds op gewezen (zie §§ 22 en 55–58); ik zal er verder in dit werk, in § 167, ook nog nader op te rug komen. Ook met hunne geslachtsnamen, van plaatsnamen ontleend, handelden onze voorouders zoo. Zy vertaalden die namen rechtstreeks in het Latyn; of als dit niet wel ging, dan hingen zy er maar eenen latynschen steert aan. Jacob Harmenszoon van Oudewater (hy was van het zuidhollandsche stadje Oudewater geboortig) b. v. vertaalde zynen naam in Jacobus Arminius Veteraquinas. Maar zekere Hendrik, in het drentsche dorp Beilen geboren, en die in 1602 predikant was te Bloksyl, wist zich niet anders te helpen dan dat hy eenen latynschen uitgang achter den naam van zyne [207]geboorteplaats hing. Hij noemde zich Henricus Beylanus—zoo doende had zijn naam toch eenen latynschen, naar de meening dier dagen eenen geleerden klank. En dien naam dragen zyne nakomelingen nog heden als geslachtsnaam. Verder in dit werk zal nader op dit onderwerp terug gekomen worden. Hier zy slechts vermeld dat er onder ons nog eenige andere geslachtsnamen bestaan, die van plaatsnamen verlatynscht zijn. B. v. Acronius, Neomagus, Roldanus, van de plaatsnamen Akkrum, een dorp in Friesland, van de stad Nymegen, en van Rolde, een dorp in Drente.10 Zekere Ruurd, van Akkrum geboortig, een herformd predikant in de 16de eeu, verlatynschte zynen naam in Ruardus Acronius.11 Hy was de stamvader van het nog bestaande friesche geslacht van dien naam.

§ 72. In plaats van met de namen van volken en volksstammen, of met namen geformd uit de namen van landen en gouen, steden en dorpen, heeft men oudtijds in de Nederlanden vreemdelingen ook wel genoemd naar de enkele namen van de landen en gouen, steden en dorpen, waaruit zy afkomstig waren, zonder die namen door voor- of achtervoechsels te veranderen of te wyzigen. Zulke namen zijn later ook vaste geslachtsnamen geworden, en komen [208]nog onder ons voor; b. v. Italië, Bourgonje, Vlaanderen, Belgrado, Jerusalem, Hinlopen. Even als de geslachtsnamen die de vorige groep formen, komen ook deze enkelvoudige namen betrekkelik zeldzaam voor. Althans veel minder dan de geslachtsnamen met het voorvoechsel van. Eenigen zijn nog al byzonder, of eischen eenige verklaring. America en Oostindië zijn waarschijnlik eerst gedragen door lieden die eenigen tijd, korter of langer, in Amerika en in Oost-Indië hadden gewoond, maar die toch oorspronkelik Nederlanders waren. Spitsbergen is de naam van een onbewoond eiland in de IJszee. In de 17de eeu plachten de nederlandsche walvischvaarders daar de zomermaanden te vertoeven om hun vischspek tot traan te koken. Hunne nederzetting aldaar droeg den naam van Smerenburg. Misschien is de geslachtsnaam Spitsbergen (die ook, volgens den hollandschen tongval, als Spisbergen voorkomt) wel rechtstreeks aan den naam ontleend van een huis, ’t welk men genoemd had naar dat oudtijds by ons zoo bekende eiland. Zuidstrand is de naam van een noordfriesch eiland, dat reeds vroeg in de middeleeuen in de Noordzee verdronken is. Weinig meer dan de naam is er nog van bekend. Of de geslachtsnaam Zuidstrand dus zijn ontstaan aan den naam van dat eiland heeft ontleend, is minstens hoogst twyfelachtig. Misschien is deze geslachtsnaam slechts ontstaan als een tegenhanger van den maagschapsnaam Noordstrand. Dit is oorspronkelik de naam van een ander eiland in Noord-Friesland. Op dit eiland Noordstrand is sedert de 17de eeu eene volkplanting gevestigd van uitgewekene hollandsche boeren, die den Oud-roomschen, zoogenoemd Jansenistischen godsdienst belyden, en nog heden in het kerkelike verbonden zijn met hunne geloofsgenooten in de Nederlanden, van waar zy ook hunne geesteliken bekomen. Door deze omstandigheid is het voorkomen van dezen geslachtsnaam onder ons te verklaren.

De maagschapsnaam Beeuwzier is oorspronkelik een engelsche plaatsnaam, maar in verdietschten en dan nog verbasterden, misspelden form. De kaap Beachy-head aan de zuidkust van Engelland, wel bekend by allen die het Engelsche-kanaal bevaren, draacht van ouds reeds by onze zeelieden den naam van Brevesier, Beevsier of Beeuwzier, en dit is eene verbastering [209]van Pevensey, de naam van het plaatsje dat naby de kaap ligt.12

Nederlandsche geslachtsnamen die oorspronkelik de namen zijn van vreemde landen, gouen en eilanden, zijn, behalven de bovengenoemden, nog: Beyeren, Holstein en het misspelde Holstijn, Maltha, enz.13 Inlandsche landstreken vinden wy genoemd in de maagschapsnamen Brabant (met den patronymikalen form Brabants), Betuwe, Gaasterland (in Friesland), Gelderland, Holland (met de patronymikale formen Hollands en Hollandts), Maaskant, Stellingwerf en Stellingwerff (in Friesland), Vlaanderen en Vlieland. En den geslachtsnaam Zeekant mag men hier ook wel toe rekenen, even als Juist, aan het oostfriesche eiland van dien naam ontleend. Eindelik nog Nederland.

Als nederlandsche maagschapsnamen die oorspronkelik de namen van vreemde plaatsen zijn, noem ik hier, behalven Belgrado en Jerusalem, nog: Barnouw (Barnow, dorp in Pommeren), Bakewel (in Engelland), Bethlehem en Betlem, Bourdeau, enz.14 De oud-nederlandsche form van den naam waaronder by onze [210]voorouders de stad Danzig aan de Oostzee bekend was, luidde »Danswijck,” en Danswijck komt nog heden als geslachtsnaam onder ons voor.—Ik ben niet zeker of ik de geslachtsnamen Romeny en Rummenie ook tot deze groep moet brengen. Wellicht zijn deze namen, die oorspronkelik wel één zullen geweest zijn, en nu slechts in spelling verschillen, ontleend aan den naam van het stadje Romney in Engelland, naby de Singels (Dungeness, zie de noot op bl. 209), aan het Nau van Kales gelegen. Dit oord wordt door nederlandsche zeelui steeds druk bezocht. Misschien ook is Romeny eenvoudig de naam van romenye, zekere soort van spaanschen wijn, die in de middeleeuen by onze voorouders veel gedronken werd.

Merkweerdig is het dat er onder deze namen nog al velen voorkomen die oorspronkelik de namen van poolsche steden zijn. Deze namen worden hooftsakelik gedragen door israëlitische geslachten, welke uit die steden afkomstig zijn, en die, toen zy zich in ons vaderland vestigden, die stedenamen als geslachtsnamen hebben aanveerd. De naam Konijn, door een Israëlitisch geslacht gedragen, heb ik ook hiertoe gerekend. De mogelikheid bestaat echter dat deze naam ook eenvoudig aan het bekende dier konijn ontleend zy. Waar die zelfde naam, ook als Conijn voorkomende, door een oorspronkelik-nederlandsch geslacht gedragen wordt, gelijk het geval is, neem ik dezen laatstgenoemden oorsprong ook liever aan. Maar by de Joden is het konijn een dier, ’t welk door hunne godsdienstige wet hun verboden is te eten, zoo wel als het zwijn. Dus is het niet waarschijnlik dat een Jood zich zoude genoemd hebben naar een, voor hem onrein dier. Toch draagt een israëlitisch geslacht den naam Haas, niettegenstaande in de joodsche spijswetten ook de haas, zoowel als het konijn en het zwijn, tot de onreine dieren wordt geteld.

Dat reeds in de 17de eeu, en ongetwyfeld nog veel vroeger, zulke namen van vreemde plaatsen, eerst als by- of toenamen, later als vaste geslachtsnamen in gebruik waren, leert ons Cornelis Hendricxz Compostel, die in 1644 een der schepenen was van Hoorn. Deze naam Compostel is oorspronkelik de naam van de stad Sint-Jacob van Compostella of Santiago de Compostella, in Spanje; eene stad, die oudtijds door Nederlanders zeer veelvuldig in bedevaart bezocht werd. Die spaansche plaatsnaam [211]Santiago de Compostella is, hoe vreemd het schyne, eene verbastering van het latynsche Sanctus Jacobus Apostolus.15 En dat die spaansche verbastering Compostella in Nederland op hare beurt niet slechts tot Compostel, maar ook nog verder werd ingekort, zien wy in het tijdschrift De Navorscher, waar (deel XXXII, bl. 247) een zestiende-eeusche Nederlander, namens »Jacob van Compostelle of Stelle” vermeld wordt. Wie zou in dezen eenvoudigen nederlandschen geslachtsnaam Stelle den spaanschen naam Compostella en het latynsche woord apostolus vermoeden?

§ 73. Wijl er steeds zeer vele Duitschers in de Nederlanden zich gevestigd hebben, zoo ligt het voor de hand dat ook zeer vele duitsche plaatsnamen hier als geslachtsnamen moeten voorkomen. En dit is in der daad het geval. Zulke geslachtsnamen zijn zoo talrijk, dat ik hier slechts enkelen daar van opnoemen kan; Anspach, Bamberg (Ansbach, ook even vaak Anspach geschreven, en Bamberg zijn steden in Frankenland, Beieren); Berlijn en Berlin; Byleveld, Bylefeldt, Bielevelt. Laatstgenoemde naam, op verschillende wyzen geschreven, komt zoo veelvuldig voor, omdat de westfaalsche stad Bielefeld, waar hy aan ontleend is, oudtijds eenen drukken handel in lijnwaad met de Nederlanden dreef. Uit die reden vonden vele ingezetenen dier stede aanleiding zich onder ons te vestigen. Verder Breslau en Breslou, Darmstadt, Dortmund en Dortmond,16 enz. Dit zijn allen namen van groote of van welbekende steden in [212]Duitschland. Maar in grooter aantal nog komen, als nederlandsche geslachtsnamen, de namen van kleine en minder bekende plaatsen voor, die in westelik Duitschland, ten deele ook niet verre van onze grenzen gelegen zijn. Uit die plaatsen immers was en is het grootste deel afkomstig van de Duitschers die zich in Nederland vestigen. Zie hier eenigen van die namen: Achenbach (dorp by Siegen in Westfalen), Ahaus (stadje in Westfalen, naby onze geldersche grenzen), Aurik (stad in Oost-Friesland).17 In hunne spelling zijn deze soort van geslachtsnamen vaak gewyzigd naar de nederlandsche boekstaving; b. v. Boerlage en Buurlage, Geelkerken, Gilhuys, Meurs, in de plaats van Burlage, Geilenkirchen, [213]Gildehaus en Mörs, zoo als de hoogduitsche rechtschryving eischt.

Ten slotte mogen hier nog enkele nederlandsche geslachtsnamen eene plaats vinden, die ontleend zijn aan de namen van kleine en minder bekende steden en dorpen, verderop in Duitschland gelegen. Dit zijn: Bischoffsheim (dorp in Rijn-Hessen), Breidenbach, ook in hollandsche misspelling als Brijdenbach, en verdietscht als Breedenbeek (dorp in Hessen aan de Lahn), Görlitz (stad in het koninkrijk Saksen), Kaub (stadje aan den Rijn in Nassau), Märkelbach en Merkelbach, ook in misspelling als Markelbach (dorp in Nassau), Oppenheim (stadje in Rijn-Hessen), Oschatz (stad in het koninkrijk Saksen), Stevenhagen (dit is de nederduitsche form, ook wel samengetrokken en verbasterd tot Stemhagen, van den hoogduitschen naam van het stadje Stavenhagen in Mecklenburg), Trarbach (stadje in de Rijn-provincie, aan de Moesel), Wertheim (stad aan de Main in Baden), enz.

De geslachtsnaam Sarlouis is ontleend aan den naam van het stadje Sarlouis of Saarluis, in Lotharingen. Ook als Sarluis en Serlui, en zelfs geheel verbasterd als Scharlewie komt deze zelfde geslachtsnaam in Nederland voor. Of de geslachtsnaam Charlouis ook aan dezen zelfden plaatsnaam ontleend zy, waag ik niet te beslissen, maar komt my zeer waarschijnlik voor. Misschien echter is hy ook afkomstig, evenals de geslachtsnamen Sjaarlouis, Sjaarloos en Saarloos, van den naam van het overmaassche dorp Charlois, in Zuid-Holland. Al deze geslachtsnamen zijn in spelling en uitspraak zoo verbasterd, dat men ze kwalik meer van elkanderen onderscheiden kan, veel min met zekerheid hunnen oorsprong kan aangeven.

Hernals is de naam van een dorp in Oostenrijk, by Weenen. Deze naam heeft waarschijnlik wel oorsprong gegeven aan de geslachtsnamen Hernalsteen, Ernalsteen en Ernaelsteen, die in de zuidelike Nederlanden voorkomen, en die ik anders niet weet te verklaren. Misschien ligt er by dit dorp wel een burcht, die den naam van Hernals-stein voert, en kunnen van dien naam nog nader de bovengenoemde geslachtsnamen ontleend zijn. De omstandigheid dat de zuidelike Nederlanden in de 17de en [214]18de eeu onder oostenrijksche heerschappy stonden, waardoor er wel oostenrijksche beambten in die gewesten werden aangesteld, die hunne oostenrijksche namen daar invoerden, geeft aan bovengenoemde vooronderstelling te meer grond. Volgens de eigenaardige vlaamsche uitspraak is de oorspronkelike letter h in Ernalsteen verloren gegaan, en toont Ernaelsteen nog grooter verbastering, volgens de zuid-nederlandsche spelling.

De geslachtsnaam Nederkoorn, te Haarlem niet zeldzaam, zal wel eene verdietsching zijn, in spelling en uitspraak, van den naam van het dorp Niederkorn of Nieder-Korn (daar is ook een Ober-Korn), in Luxemburg.

De geslachtsnamen Emmerik en Emrik eindelik, zijn hoogst waarschijnlik wel afgeleid van den naam der stad Emmerik in de Rijn-provincie, naby onze geldersche grens. Emmerik, Emmerich is echter eveneens een oud-germaansche mansvóórnaam, en deze mansnaam kan dus ook de oorsprong der genoemde geslachtsnamen zijn. Aan het patronymikon Emmeriks, ook als geslachtsnaam voorkomende, ligt hy zonder twyfel ten grondslag.

§ 74. Wat nu de geslachtsnamen betreft, die oorspronkelik de namen zijn van nederlandsche steden en dorpen, vlekken en gehuchten,—dezen zijn, uit den aard der zake, zóó talrijk, dat er geen denken aan is, hier ook slechts een honderdste gedeelte van al die namen op te noemen. Slechts eenige weinigen, opzettelik uit alle verschillende nederlandsche gewesten genomen, kunnen hier vermeld worden: Dokkum, Dronrijp, Hinlopen.18 Dit zijn allen namen van welbekende plaatsen. Maar ook vele maagschapsnamen [215]zijn ontleend aan de namen van kleine gehuchten, die weinig bekend zijn buiten hunnen naasten omtrek. De verklaring van die namen ligt dus niet zóó voor de hand. Zulke maagschapsnamen zijn: Bakhuizen (een zeer klein dorpke, eigenlik slechts een gehucht, in Gaasterland, Friesland), Reen (gehucht by Lutke-Wierum, Friesland), Tjallewal (gehucht by Schagen, West-Friesland), Knossens en Cnossens (gehucht, of eigenlik slechts eene enkele sate in de zoogenoemde Sneeker-Vijfga, Friesland), Bobeldijk (gehucht by Berkhout, Noord-Holland), Delfgaauw en Delfgou (gehucht by de stad Delft), Harscamp (een landgoed by ’t geldersche dorp Ede), Onsenoort (gehucht by Heusden in Noord-Brabant), enz. Wie zoude ook niet in de maagschapsnamen Stroobos en Valom veel eerder iets anders zoeken dan juist plaatsnamen? En toch zijn zy oorspronkelik wel degelik de namen van de gehuchten Stroobos in Achtkarspelen, en Valom in Dantumadeel, beiden in Friesland. Zelfs aan de namen van enkele huizen, buitenverblijven, bekende herbergen, enz. zijn maagschapsnamen ontleend; b. v. Slangenburg, landgoed by Deutinchem in Gelderland, Spannenburg, naam van eene herberg naby de stad Sloten in Friesland, aan den Lemster-straatweg; Luchtenveld, eveneens de naam van eene herberg in Friesland, by het vlek de Joure; Spaarenberg, de naam van eene buitenplaats by Haarlem; Rustenburg, de naam van vele onderscheidene buitenplaatsen en herbergen, overal in de Nederlanden verspreid, enz. De geslachtsnamen Hoogerbeets en Hogerbeets, die geenszins zeldzaam zijn, en aan verschillende, onderling niet verwante geslachten behooren, dienen hier ook vermeld te worden. De bekende Rombout Hoogerbeets voerde dezen zynen toenaam naar eene hofstede van dien naam in of by het dorp Beets in West-Friesland by Hoorn gelegen, welke hofstede, naar alle waarschijnlikheid, op eene eenigszins verhevene plaats zich bevond. Zijn bloedverwant, de minder bekende dichter Johan Beets, ontleende weer zynen toenaam aan dien van het dorp zelven, waar de hofstede gelegen was, die denkelik van ouds eigen was aan de maagschap, waar Rombout en Johan deel van uitmaakten.19 [216]Nog heden, ’t is genoeg bekend, komt de maagschapsnaam Beets in Holland voor. En ook in Friesland, waar hy wel aan den naam van het friesche dorp Beets, in Opsterland, zal ontleend zijn. De geslachtsnaam Gonggrijp is eigenlik de naam van het dorpke Goingaryp, in Doniawarstal (Friesland), in verbasterden form. Maar Deutekom, als maagschapsnaam voorkomende, kan naueliks als een verbasterde form van den plaatsnaam Deutinchem (stadje in Gelderland) beschoud worden, naardien »Deutekom” werkelik de algemeen gebruikelike uitspraak van dezen naam voorstelt. De geslachtsnaam Nierop (even als Van Nierop), ook nog meer samengetrokken als Nierp voorkomende, is eigenlik de naam van het noord-hollandsche dorp Niedorp, in de volksspreektaal »Nierop” of zelfs »Nierp” genoemd, even als het volk in Holland ook »Rarop”, »Apkou” (Abcoude), »Berkou” en »Boref” zegt en gedeeltelik ook wel schrijft, in stede van de volle namen der dorpen Ransdorp, Abekenwoude, Berkwoude en Bodegraven. Den maagschapsnaam Tra (Traa komt ook voor, met Van Traa) ziet men zynen oorsprong van den plaatsnaam Ter-Aa ook niet op het eerste gezicht aan. Ter-Aa of Nieuwer-ter-Aa voluit, is een dorpke in het gewest van Utrecht. De maagschap, die dezen naam draagt, voert tevens den geslachtsnaam Kranen (»Tra Kranen”). Voegt men deze twee namen samen, gelijk veelal by misverstand gebeurt, als Trakranen, dan schijnt de beteekenis nog duisterder.20 De naam van het dorp Stolwijk, by Gouda gelegen, wordt in de wandeling tot »Stolk” samengetrokken, en komt ook in dien versletenen form—Stolk—als geslachtsnaam voor. De geslachtsnamen Grol en Groll zijn eveneens samentrekkingen, volgens het alledaagsche spraakgebruik, van den naam dien het geldersche stedeke Groenloo in den volksmond draagt. Oldenzeel, als maagschapsnaam voorkomende, vertoont de dageliksche volksuitspraak van Oldenzaal, [217]het stadje in Twente. De geslachtsnaam Bellingwout moet beschoud worden als eene omzetting in byzonder-hollandsch van den naam des dorps Bellingawolde in Groningerland. Maar de maagschapsnamen Wildervank en Wildervanck zijn niet ontleend aan den naam van het vlek Wildervank in Groningerland. Het omgekeerde is waar! Immers hier is het de plaatsnaam die aan den geslachtsnaam ontleend is. Het vlek draagt zynen naam naar dien van den stichter dier plaats, in de eerste helft der zeventiende eeu, naar Adriaan Geerts Wildervanck of Wildvang, een toenaam, die te kennen geeft »iemand die wild vangt”; die dus, met »Wildschut”, jager beteekent.

Holierook en Olierook zijn nederlandsche maagschapsnamen, die zekerlik door niemand zoo terstond zullen worden beschoud als afgeleid te zijn van plaatsnamen, ten zy dan van eenen engelschen naam »Holyrock”, gelijk men eens heeft willen beweren, en tegenover my heeft staande gehouden. De oorsprong van deze zonderlinge namen is als volgt: Van ouds lag, niet verre van Schiedam, het huis van een adellik geslacht, en dat huis droeg den verstaanbaren, duideliken, zuiver nederlandschen naam van Hooglede (Hoog-Lede). Maar deze naam werd door het volk al spoedig verbasterd en verkort. Natuurlik sleet de laatste lettergreep er spoedig af, en de g werd, op oud-nederlandsche wyze, zoo zacht mogelik uitgesproken, dat deze letter weldra in eene j (of i, y) verfloeide, eerlang ook geheel uit het oorspronkelike woord sleet. Eene andere eigenaardigheid, de byzonder-hollandsche uitspraak van menige e als i (ee als ie, been = bien), deed mede haren infloed op den naam Hooglede gelden. Met dat gevolg dat Hooglede in den mond des volks nog slechts voorkwam als Hooilee, Holee, Holy of Holi. De Schiedammers echter, als zoo vele andere Nederlanders, laten de h geerne achterwege in hunne uitspraak, zoo dat Holy nog meer inkromp en Oli werd. De weg die van ouds uit Schiedam voerde naar het huis Hooglede, de Hooglederweg dus, is dan ook te Schiedam nog slechts bekend als de »Olieweg”. Immers, de zoo erg mishandelde naam Oli kon door het volk niet meer verstaan worden; zoo dacht men dan aan het woord olie, en—de schiedamsche »Olieweg” had nu eenen verstaanbaren naam. Ook in hedendaagsche maagschapsnamen [218]vinden wy deze min of meer versletene formen terug; namelik in Van Hoylede en in Van Holy.

Zeker oord in de nabyheid van het huis Hooglede werd, om de eene of andere reden, die tot onze zaak niet afdoet, de Hooglederhoek genoemd, en de polder, daar bestaande, is nog heden bekend onder den naam van Hooglederhoeksche polder. Maar even als ’t oorspronkelike Hooglede tot Holy was verbasterd, zoo maakte het volk van Hooglederhoek ook Holyerhoek, Holiërhoek, en dien ten gevolge ziet men den naam van den polder dan ook wel als »Holiërhoeksche polder” geschreven; b. v. in Witkamp’s Aardrijkskundig Woordenboek. De schielandsche in- en omwonenden van Hooglederhoek of Holiërhoek kapten, naar schielandsche gewoonte, in hunne uitspraak die h weêr weg, en maakten van dezen plaatsnaam: ’oliër’oek, Olieroek. Met dezen form Olieroek weet het volk nu weêr geen weg. Het maakt er dus Olierook van. Daarin is ook nog wel geenen duideliken zin opgesloten, maar olie en rook zijn toch twee woorden die het volk kent, en daarmede is men dan te vreden gesteld. Zoo zijn de maagschapsnamen Olierook en Holierook waarvan de laatste ten minste nog de beginletter h bewaard heeft, ontstaan uit den plaatsnaam Hooglederhoek, en daarvan verbasterd.

§ 75. De geslachtsnamen Duinkerken en Hazebroek moeten hier ook genoemd worden, zoowel als Belle, Peene en Linzeele, op bl. 214 vermeld. Want al behooren de steden, wier namen oorsprong gaven aan deze geslachtsnamen, thans (nog) tot Frankrijk, zy zijn toch oorspronkelik echt vlaamsch, zuiver nederlandsch, gelijk hunne namen duidelik uitwyzen, en gelijk de volkstaal dezer plaatsen dan ook nog steeds is. Het schijnt dat vooral uit de stad Hazebroek vele ingezetenen, zoo voor als na, in andere plaatsen, zoo wel van Noord- als van Zuid-Nederland, zich met der woon hebben gevestigd. Immers komt de maagschapsnaam, aan dezen stadsnaam ontleend, dikwijls en veelvuldig onder ons voor, en wel onder allerlei formen, als: Hazebroek, Hasebroeck, Haesebroeck, Haesebroek, Haesebrouck, (met Van Hazebroek), enz. en behoort aan verscheidene, onderling niet verwante geslachten. De geslachtsnaam Hautryve (met Van Houtryve) is ontleend [219]aan den naam van het westvlaamsche dorp Hautryve. Deze naam is van romaanschen oorsprong: alta ripa, haute rive, hooge oever, namelik van de Schelde, waaraan dit dorp gelegen is. Toch zijn de bewoners van dit dorp vlaamsch-sprekende Vlamingen.—De maagschapsnamen Doornik, Luik en Luyk zijn afkomstig van de namen der bekende steden in het waalsche gedeelte van België. Slechts voor zoo verre deze namen zuiver nederlandsch zijn, behooren zy hier vermeld te worden.

§ 76. Ten slotte mogen hier nog eenige zeer byzondere namen vermeld worden, die tot deze groep behooren. Het zijn de geslachtsnamen Remmerswaal, Aalbertsberg, Blydenstein, Diepenhorst, Tetrode en Rodenburg. De dorpen Bloemendaal en Overveen, by Haarlem, droegen in de middeleeuen de namen Aalbertsberg en Tetrode; het stadje Aardenburg in Vlaanderen heette oorspronkelik Rodenburg; Diepenhorst is de oude naam van het dorp Ouddorp op ’t eiland Goeree; en een klooster van Benedictyner monniken, dat in de middeleeuen na by ’t dorp Runen in Drente lag, maar reeds in de 16de eeu opgeheven werd, droeg den naam van Blidestat (de blyde stede), ter blider steden, ter blider steên, later Blidensteen en Blijdenstein. Deze naam ging ook over op het dorp, dat rondom dit klooster ontstond, maar dat thans den naam van Runerwolde draagt.21 Deze zes oude plaatsnamen behooren in de middeleeuen t’ huis, en zijn thans nog slechts aan geschiedkundigen bekend. De hedendaagsche geslachten die deze namen dragen, vertoonen juist in die middeleeusche namen, die sedert de 16de eeu en vroeger reeds als plaatsnamen verdwenen zijn, het bewijs van hunne oudheid. Nevens Rodenburg bestaat ook Roodenburch en Roodenburg als geslachtsnaam, en nevens Tetrode nog Tetroode, Tetterode en Tettero, by verschillende geslachten. Hier uit zoude men wel kunnen afleiden, dat het hedendaagsche dorp Overveen in de middeleeuen geen onaanzienlike plaats moet geweest zijn. Van Aardenburg is het bekend dat dit thans zoo stille, kleine stedeke in de middeleeuen eene groote en bloeiende havenplaats was. Over den naam Remmerswaal zie men § 88. [220]

Nog al byzonder is ook de geslachtsnaam Waterloo, die natuurlik ontleend is aan den naam van het dorp Waterloo in Zuid-Brabant, waar in 1815 de bekende veldslag plaats vond. Later dan 1811 kan de geslachtsnaam Waterloo moeielik ontstaan zijn. Hy dagteekent dus nog uit den tijd vóór den slag, toen Waterloo nog, als een klein afgelegen dorpke zeer weinig bekend was. Merkweerdig dat de naam van dit eertijds zoo onbeduidende plaatske juist een geslachtsnaam worden moest!

De geslachtsnaam Deurloo is ook zeer byzonder. Dit is de naam van het zeegat aan den mond van den Hont of Wester-Schelde in de Noordzee (zie § 104).

§ 77. De bewoners van verschillende wyken of buurten in groote steden zijn elkanderen veelal zoo vreemd, als anders de bewoners van twee kleine steden of dorpen onderling zijn. Zoo konden de geslachtsnamen Oudschans, Kattenburg en Buitenkant, te Amsterdam voorkomende, ontstaan. Zy zijn ontleend aan de namen van drie welbekende oud-amsterdamsche buurten, waar de eerste dragers dier namen zekerlik gewoond hadden, »gewonnen, geboren en getogen” waren, eer zy in andere amsterdamsche wyken kwamen wonen, waar deze namen als toenamen, als »kenmerk van herkomst” hun gegeven werden. De geslachtsnaam Van Cattenburch echter heeft eenen anderen oorsprong, is van eenen anderen plaatsnaam ontleend. In zeer vele nederlandsche steden is er eene Peperstraat; het is gewoonlik de straat waar in de middeleeuen de kooplieden in speceryen, »die crudenieren” hunnen handel dreven en hunne winkels hadden. De maagschapsnamen Peperstraete en Van Peperstraete zijn ontleend aan dezen straatnaam, zekerlik op de zelfde wyze als boven beschreven is aangaande de namen Oudschans, enz. Tot deze zelfde groep van geslachtsnamen behooren verder nog Austraete (brabantsch voor »Oudestraat”;—deze naam is dan ook in Zuid-Brabant inheemsch); Billestraete, Binnekade, Damsteeg, Diepenstraten, Groenestege, Hoogeweg en Hoogewegen, Hoogenstraten, Kampsteeg en Kamsteeg, Mommersteeg, Muntstege, Nieuwesteeg, Kerkbuurt, Vierstraete, Weststrate, Zeestraten, Scheldstrate [221]en Schelstraete, enz. Deze laatste straatnaam komt als maagschapsnaam ook voor in de formen Verschelstraete en Verscheldstraete, dat is: Van der Scheldestrate, van de Scheldestraat. Hy moet dus oorspronkelik zijn uit de eene of andere plaats aan de rivier de Schelde gelegen. In der daad zijn deze vier geslachtsnamen dan ook eigen aan vlaamsche maagschappen.—De geslachtsnaam Vreeburg doet thans wel denken aan het bekende marktplein in de stad Utrecht. Maar deze naam kan evenzeer onmiddellik ontleend zijn aan den naam van het oude kasteel dat in den spaanschen tijd verwoest werd, en waaraan ook het hedendaagsche plein zynen naam te danken heeft. Immers daar ter plaatse stond die oude burcht.

§ 78. De grootste groep van nederlandsche geslachtsnamen, of liever die groep welke het grootste aantal namen omvat, is zonder twyfel de groep die uit namen bestaat, welke met het voorvoechsel van zijn samengesteld. In der daad, zulke namen komen uit der mate veelvuldig voor by het nederlandsche volk. Die van-namen zijn byna zonder uitzondering van aardrijkskundigen oorsprong, en men kan ze onderscheiden in byzondere en algemeene. De byzondere aardrijkskundige van-namen bestaan uit de namen van landen, gouen, eilanden, steden, dorpen en gehuchten (buitenlandsche natuurlik even zeer als binnenlandsche), allen met het voorvoechsel van er voor; b. v. Van Engeland, Van Wieringen, Van Deventer, Van Keulen. De algemeene aardrijkskundige van-namen bestaan uit gemeene zelfstandige naamwoorden die eene algemeene aardrijkskundige beteekenis hebben (berg, dijk, heide), maar die als byzondere aardrijkskundige namen dienst doen; eveneens met van er voor, en zoo wel met als zonder een lidwoord. B. v. Van Dijk, Van Sluis, Van den Berg, Van der Heide.

De byzondere talrijkheid dezer van-namen, voor zoo verre zy aan de namen van uitheemsche landen en plaatsen ontleend zijn, strekt ten bewyze van de talrijkheid der vreemdelingen, die zich onder ons hebben neêrgezet. En voor zoo verre zy afkomstig zijn van de namen van inheemsche gouen en plaatsen, kan men daaruit [222]afleiden de veelvuldigheid waar mede de Nederlanders, binnen hunne eigene landpalen, hunne woonplaatsen verwisseld hebben.

§ 79. De maagschapsnamen met van samengesteld, en aan de namen van vreemde landen ontleend, zijn, uit den aard der zake, het minst talrijk. Zie hier die, welke my bekend zijn: Van Beyeren, Van Boheme, Van Bourgondien en Van Bourgonje.22 In de zuidelike Nederlanden komen de geslachtsnamen Van Ingelandt en Van Inghelant voor, als tegenhangers van den noord-nederlandschen geslachtsnaam Van Engeland; »Ingelant” toch, of »Inghelandt” is eene oud-nederlandsche spelwyze van ’t woord Engelland, eene spelwyze die overeenstemt met de vlaamsche en friesche volksuitspraak. Twyfelachtig zijn my de geslachtsnamen Van Cornewal en Carnewal. Zijn zy ontleend aan den naam van de engelsche gou Cornwallis?—Een Franschman, Adrien geheeten, verliet in de laatste helft der zeventiende eeu zyne woonplaats, de stad Rochelle, en vestigde zich in Nederland. Hier noemde hy zich Adrien de Charente, naar het gewest Charente, waar in zyne geboorteplaats Rochelle ligt. Later verdietschte hy dien aangenomen franschen toenaam tot Van Charante, en in dezen form wordt die naam nog heden door zyne nakomelingen als geslachtsnaam gedragen.23

Werd op bl. 193 de opmerking gemaakt dat de volksnaam Ier niet als geslachtsnaam schijnt voor te komen, hier kan toch op den naam Van Ierland gewezen worden.

Het oostfriesche eiland Borkum, het eerste oostwaarts in de reeks der friesche eilanden die niet tot Nederland behooren, kan ter nauer nood voor een vreemd eiland gelden. Niet slechts omdat de Borkumers echte Friesen zijn, maar vooral ook omdat zy door zoo vele banden aan de Nederlanden en de nederlandsche koopvaardy- en visschersvloot gehecht zijn.24 Immers nog tot voor weinige jaren [223]was dit wel het geval; in de eerste helft van deze eeu en in vorige eeuen, tydens den bloei van den nederlandschen handel en van de visschery, natuurlik nog veel meer. Aan den naam van dit, in menig opzicht zoo hoochst merkweerdige eiland zijn de geslachtsnamen Van Borkum, Van Burkom en Van Burkum ontleend, met het enkele Borkum en waarschijnlik ook met Van Buurkom. Deze geslachtsnamen komen geenszins zeldzaam voor, en behooren aan verschillende, onderling niet verwante geslachten. Ook al een bewijs voor de talrijkheid der betrekkingen die er steeds tusschen dat eiland en de Nederlanden bestonden. De form Van Burkom en Van Burkum is volgens de friesche uitspraak; naukeuriger nog zou de spelling »Börkum” zijn, gelijk d’Oost-Friesen zelven ook spreken. Zoo luidt de geslachtsnaam Van Gorkum in den mond der oude Leeuwarders ook als »Van Gurkum”; de plaatsnaam Workum als »Wurkum”, het woord vork als »furk”, enz.

De bovengenoemde geslachtsnamen zijn weinig in getal; maar die welke ontleend zijn aan de namen van nederlandsche gouen, landstreken, eilanden, zijn even min talrijk. My zijn, als tot deze afdeeling behoorende, slechts bekend de geslachtsnamen Van Braband, Van Friesland, Van Holland, Van Drenth, (misschien ook Van Kempen), Van Marken, Van Proostdy (zoo heet eene kleine landstreek in de provincie Utrecht, gemeente Abkoude), Van Schouwen, Van Urk, Van Veluwe, Van Vlaanderen, Van Waas, Van Walcheren en Van Walchren, Van Wieringen en Van Wieringhen, en Van Zeeland.

De geslachtsnaam Van Graefschepe dient hier ook vermeld. Dit is eigenlik een algemeene aardrijkskundige naam, wijl niet blijkt welk graafschap bedoeld is. De oude graafschappen Zutfen en Benthem dragen beiden by de in- en omgezetenen den naam van »de Graafschap” als by uitnemendheid. Waarschijnlik is bovengenoemde geslachtsnaam aan eene dezer twee graafschappen ontleend. [224]

§ 80. Geslachtsnamen samengesteld uit de namen van uitheemsche steden en dorpen, met het voorvoechsel van daar voor, zijn uit den aard der zake talryker dan die aan de namen van landen en gouen ontleend. Zie hier eenigen van die namen: Van Basel, Van Bremen, Van Costenoble25 (het enkelvoudige Costenoble komt ook voor), enz. Costenoble, Costenoblen, Constenoblen is de form waarin de naam der stad Constantinopel in oude, middeleeusche vlaamsche oorkonden geschreven staat. De geslachtsnaam Van Costenoble komt dan ook in Vlaanderen voor, en wel in het hedendaagsche Fransch-Vlaanderen. Oogenschijnlik is deze naam reeds zeer oud. Hy dagteekent wellicht nog uit den tijd der kruistochten, toen vooral ook Vlamingen naar de hoofdstad van het turksche rijk kwamen. Immers ook juist onder de Vlamingen waren, van alle nederlandsche stammen, het eerst geslachtsnamen in gebruik.—De geslachtsnaam Van Bethlehem zal wel uit eenen huisnaam geformd zijn. Want dat hy rechtstreeks aan den naam der bekende plaats in Palestina zoude ontleend zijn, door een voormalig ingezetene dier stede, schijnt my minder aannemelik, ofschoon het mogelik blijft.—Leinsele, een dorp in Fransch-Vlaanderen en waarvan de geslachtsnaam Van Leynseele ontstaan is, kan naueliks als een vreemde plaatsnaam gelden. (zie bl. 218).

De geslachtsnaam (Van den Berg) Van Saparoea is ook een zeer byzondere. Hy is, zoo verre ik weet, d’eenigste in Nederland, die ontleend is aan den naam eener plaats in Indië. Zie [225]hier den oorsprong van dezen naam, volgens het tijdschrift De Navorscher, deel XXX, bl. 322.

»Saparoea is een welbekend eiland in den Molukschen archipel en behoort tot de Nederlandsch-indische bezittingen. Daar ter plaatse was in der tijd resident J. R. van den Berg, die bij een oproer of amokpartij, in Mei 1817, met zijne geheele familie (zijne echtgenoot Johanna Christina Umbgrove en drie kinderen), is vermoord, uitgenomen een kindje, het oudste zoontje, toen vijf jaar oud, dat door zijne min is gered, doch niet dan nadat het een krisslag had ontvangen, waardoor het eene oor door midden is gespleten. Later is het door de ijverige pogingen van den kapitein ter zee Q. M. R. Ver Huell, die zich in de baai van Saparoea bevond en onderrigt was dat het kind nog leefde, gelukt dat het hem werd uitgeleverd.

»Dit geredde kind is sedert naar Nederland overgevoerd, hier te lande opgevoed, thans (1880) een persoon tusschen de 60 en 70 jaren, een der voornaamste inwoners van Velp bij Arnhem, en sedert verscheidene jaren wethouder der gemeente Rheden.

»Vroeger teekende de bedoelde persoon zich steeds J. L. van den berg, doch aangezien er vele familiën van dien naam zijn, en dit vaak tot verwarring aanleiding gaf, vroeg hij voor een drietal jaren verlof, bij zijnen familienaam te mogen voegen van Saparoea, hetwelk bij koninklijk besluit is toegestaan, en sedert dien tijd voert de familie, waarvan hij thans het waardige hoofd is, den geslachtsnaam van den Berg van Saparoea.

»Omtrent bovenbedoelde moordgeschiedenis te Saparoea kan men nadere bijzonderheden vinden in: Merkwaardige gebeurtenissen uit de Nederlandsche Geschiedenis (te Amsterdam uitgegeven), alwaar in eene noot een verhaal daarvan voorkomt.”

§ 81. Duitschers hebben steeds het grootste gedeelte uitgemaakt van al de vreemdelingen, die in de Nederlanden een nieu vaderland zochten en vonden. En onder dezen waren het natuurlik weêr meest lieden uit de aan Nederland grenzende streken van Duitschland, uit de pruissische Rijnprovincie, uit Westfalen met de graafschap Benthem en het Nederstift van Munster (Arenberg, Meppen), en Oost-Friesland. Dien ten gevolge is het getal geslachtsnamen [226]ontleend aan de namen van plaatsen in die gewesten gelegen, dan ook nog al aanzienlik. Zie hier eenigen van die namen, enkel van nederrijnlandsche plaatsen: Van Aken, Van Aaken en Van Ake, Van Calcar, Van Kleef en Van Cleeff, Van Cranenburgh met Van Kranenburg en Van Cranenborg26, enz.

Niet aleen dat vele Neder-Rijnlanders zich om voordeelswille in de Nederlanden neêrgezet hebben,—velen deden dit ook om redenen van godsdienstigen aard. Immers nadat de kerkherforming aan den duitschen Beneden-Rijn al spoedig grooten opgang gemaakt had, en zeer velen aldaar in de 16de eeu de kerk van Rome verlaten hadden, werden later, in de 17de en ook nog in de 18de eeu, door de wereldlike en geestelike vorsten dier streken, de Protestanten vervolgd en verdreven. Vooral ook de Doopsgezinden of Mennoniten, die geen onaanzienlik deel schynen geformd te hebben van die Herformden, hadden veelvuldige vervolging te dulden. Ofschoon enkele doopsgezinde gemeenten aldaar, onder anderen te Krefeld, Kleef en Emmerik zich nog tot in deze eeu, gedeeltelik nog tot heden toe konden staande houden in naue aansluiting aan de nederlandsche Doopsgezinden, zoo waren toch vele leden dier gemeenten genoodzaakt hun land te verlaten. En waarheen zouden zy gereeder uitwyken dan naar de naburige noordelike Nederlanden, waar de herformde kerk heerschte, en waar men die verdrevenen, die veelal welgestelde, neringdoende en nyvere burgers waren, geerne eene gastvrye ontfangst bereidde! Deze zaak is d’oorzaak dat zoo menig doopsgezind geslacht ons heden ten dage in zynen geslachtsnaam nog zyne afkomst uit Neder-Rijnland vertoont,—dat juist zulke geslachtsnamen aan nederrijnsche plaatsnamen ontleend, veelvuldig [227]onder onze doopsgezinde landgenooten voorkomen. Zie hier eenigen daar van: Van Calcar, Van Gelder, Van Goch, Van Gulik, Van Cleeff, Van Meurs, Van Rees, enz. Ook Van Bracht (tegenwoordig nog als Van Bragt voorkomende), zoo als de schryver heette van het zoogenoemde »Menniste Martelaarsboek”, dat is: Het bloedigh tooneel der doopsgezinde en wereloose Christenen. Bracht is de naam van een dorp by ’t stadje Kempen.

En ook evenzeer als Mennoniten, werden ook Israëliten wel uit nederrijnsche plaatsen verdreven, en zochten in de Nederlanden een vrediger verblijf. Of anderszins, toen handel en nyverheid, dus ook bloei en welvaart in de 17de eeu vooral uit vele nederrijnsche plaatsen weken, ook al ten gevolge van den uittocht der neringdoende Herformden naar de Nederlanden, toen trokken ook de Joden uit, om hier een neringryker oord te vinden. En zoo is het gekomen dat wy zulke namen als Van Kleef en Van Cleef, Van Gelder, Van Goch, Van Creveld, Van Wezel (met Emrik, Kalker, zie § 73), enz. by verschillende israëlitische geslachten in Nederland aantreffen. Maar ook buitendien nog schijnt het dat vele ingezetenen der stadjes Xanten, Calcar, Goch naar Nederland gingen wonen. Immers de geslachtsnamen Van Santen, Van Sante, Van Zanten, Van Zante, Van Calcar, Van Kalker, Van Kalkert, Van Kalkeren (ook het enkele Kalker), Van Goch, Van Gogh, Van Gog, enz. in allerlei verschillende spellingen, komen zeer veelvuldig voor. Zy worden in talrijkheid echter nog verre overtroffen door voormalige ingezetenen van het stadje Gelder, wier nakroost met de geslachtsnamen Van Gelder, Van Gelderen, Van Geldre, Van Geldern, Van Geldere, Van Ghelder buitengewoon talrijk is onder ons. De geslachtsnamen De Gelder, De Gueldre, De Ghelder en De Gheldere, in de beide laatste formen vooral ook in Vlaanderen voorkomende, houd ik voor verfranschte formen van Van Gelder, te meer wijl ik reden heb te vermoeden dat het noordnederlandsche geslacht De Gelder uit Vlaanderen in Holland is komen wonen, terwijl het westvlaamsche geslacht De Gheldere nog het oude wapen van Gelre als geslachtswapen voert. Maar de friesche geslachtsnamen Gelderda, Geldra en [228]Geldersma, evenmin als Gelders, elders in de Nederlanden inheemsch, hebben niets te maken met den plaatsnaam Gelder of Gelre. Deze namen zijn ontleend aan den oud-germaanschen mansvóórnaam Gelder, Gelther.

§ 82. Minder talrijk dan de geslachtsnamen aan plaatsnamen in Neder-Rijnland ontleend, zijn onder ons die maagschapsnamen welke samengesteld zijn uit eenen westfaalschen plaatsnaam en het voorzetsel van. En toch hebben Westfalingen volstrekt niet in kleiner aantal dan Neder-Rijnlanders zich in de Nederlanden neêrgezet. Als slachters en bakkers, als bierhuishouders, vooral ook als handelaars in kleedingstoffen, met hunne talryke knechts, kellners, kantoor- en winkelbedienden en reizigers, zijn de zonen van de »Rothe Erde” rykelik onder ons vertegenwoordigd. Maar deze »Felingen” (zie bl. 191) kwamen meest allen in lateren tijd hier wonen dan de Neder-Rijnlanders. Zy kwamen toch in den regel om den broode, niet om gewetensvryheid. Immers behooren zy grootendeels tot de roomsche kerk. Zy kwamen meest in de vorige en vooral ook in deze tegenwoordige eeu—hunne scharen stroomen ons nog steeds toe; en zy brachten dies hunne geslachtsnamen reeds kant en klaar mede. Zoodat ons volk geene reden had om hen te noemen naar hunne plaatsen van herkomst—ook al ware dit na den jare 1811 nog mogelik geweest.

Eene uitzondering maken d’ inwoners van de graafschap Benthem, welke landstreek tot Westfalen gerekend wordt. Dezen zijn hooftsakelik Herformden, en de nederlandsche taal was tot diep in deze eeu hunne kerktaal, ja, is dat by sommige gemeenten, even als in Oost-Friesland, nog heden. Van daar dat er steeds veel betrekking over en weêr tusschen deze landstreek en onze Nederlanden bestond, ’t welk ook al mede aanleiding gaf (met den grooten hollandschen magneet, welvaart en rijkdom, handel en nering) om Bentheimers, in onze noordelikste gewesten als »Graafschappers” bekend, hier heen te doen trekken. Over de oorbeeldig nederlandsche geslachtsnamen dier Bentheimers zal verder in dit werk gehandeld worden; zie § 159.

Zie hier eenige nederlandsche geslachtsnamen aan westfaalsche plaatsnamen ontleend. De veelvuldig voorkomende naam Van [229]Munster moet in d’ eerste plaats genoemd worden. En dan Van Bekkum (stadje by Munster), Van Byleveld (Bielefeld, zie bl. 211), enz.27 En aan bentheimer plaatsnamen ontleend zijn dezen: in d’ eerste plaats de talrijk voorkomende namen Van Bentheim, Van Benthem, Van Bentem, Van Bentum; verder Van Noothoorn (Noordhoorn, Nordhorn, stadje aan onze twentsche grens), Van Veldhuizen met Van Velthuyse (Velthuizen, Velthusen, thans ook Velthausen genoemd, dorp in die landstreek), enz.28

§ 83. De Oost-Friesen zijn, wat de talrijkheid van hun volk betreft, veel geringer dan de Westfalingen en de Neder-Rijnlanders. Niettemin is het getal der Oost-Friesen, die zich voor en na in de Nederlanden gevestigd hebben, niet geringer dan het getal van onze andere oostelike buren. Vooral ook in onze noordelike gewesten, onder hunne stamgenooten, hebben zich de Oost-Friesen steeds in grooten getale neêrgezet. De omstandigheid dat de Oost-Friesen zich steeds, tot diep in deze eeu, tot de Nederlanders in ’t algemeen, tot hunne volksgenooten bewesten Eems en Lauers in het byzonder voelden aangetrokken, veel meer dan tot Duitschers—dat ook de Oost-Friesen met de Nederlanders in volkstaal, zeden, bronnen [230]van bestaan, godsdienst, enz. ten nausten verbonden zijn, droeg veel daar toe by. En ook boden de bloeiende nederlandsche gewesten den Oost-Friesen meer uitzicht op welvaart aan dan hun eigen land deed, vooral ook meer dan de duitsche landstreken achter hun gewest gelegen.

Uit deze talrijkheid van Oost-Friesen in de Nederlanden, zoude men mogen besluiten dat geslachtsnamen uit oostfriesche plaatsnamen met het voorvoechsel van samengesteld, ook talrijk onder ons zouden moeten voorkomen. Dit is echter het geval niet. Zulke namen zijn er wel, maar geenszins in die mate als men uit het bovenvermelde zoude mogen afleiden. Dat komt omdat de Oost-Friesen de zelfde friesche vóórnamen dragen als de nederlandsche Friesen en als allen die in de Nederlanden van frieschen stam zijn. En omdat de Oost-Friesen van ouds ook juist de zelfde oud-friesche wyze volgden om van hunne vóórnamen patronymika te formen, die dan later tot vaste geslachtsnamen werden, even als dit hier, bewesten Eems, het geval was en is. Zoo hadden dus de nederlandsche Friesen, de Groningerlanders, enz. geene redenen om aan de Oost-Friesen die zich onder hen vestigden, nieue namen, afgeleid van de plaatsen hunner herkomst, te geven. Immers droegen die Oost-Friesen reeds soortgelyke, of ook geheel gelyke, ten deele ook volkomen de zelfde namen, patronymika en andere geslachtsnamen, als de nederlandsche Friesen. Zoo treft men ook thans nog in onze noordoostelike gewesten en in de noordwestelike streken van Duitschland, voor zoo verre er oost en west van de Eems Friesen wonen, of lieden van frieschen stam, geheel de zelfde geslachtsnamen aan. Op deze gelijkheid van geslachtsnamen in Oost-Friesland en in de Nederlanden in ’t algemeen, in het nederlandsche Friesland in het byzonder, zal ik verder in dit werk nog gelegenheid hebben nader te rug te komen. Zie § 160.

Nederlandsche geslachtsnamen, met van er voor, aan oostfriesche plaatsnamen ontleend, zijn de volgenden. In de eerste plaats moet hier de geslachtsnaam Van Emden genoemd worden, die, met Van Embden, Van Emde, Van Embde (en het eenvoudige Emden, Emde), enz. nog al talrijk en algemeen onder ons voorkomt; ook onder onze israëlitische medeburgers. Emden trouens is ook niet slechts de voornaamste en volkrijkste der oostfriesche [231]steden, maar de bewoners van die aloude Eemsstad hebben ook steeds de nauste betrekkingen met de Nederlanden onderhouden. Verder Van Aurich en Van Aurick, Van Bingum, Van Borssum, enz.29

Het schijnt dat vooral ook Israëliten uit Oost-Friesland zich in de Nederlanden hebben gevestigd. Immers treffen wy onder hen, behalven Van Emden, ook de geslachtsnamen Van Geuns, Van Leer en Van Norden aan. Geuns is de nederlandsche form van den naam van het oostfriesche stedeke Gödens of Neustadt-Gödens, welke naam door d’ Oost-Friesen zelven ook als Gööns of Geuns uitgesproken wordt. Hier behoort de geslachtsnaam Van Goens (oe = ö = eu) ook genoemd worden, die even eens aan dit oostfriesche stadje ontleend is. De bekende Gouverneur-Generaal van Neêrlandsch Indië, Ryklof Van Goens was dan ook een Oost-Fries, even als zijn ambtsvoorganger Gustaaf Willem Van Imhoff, en, zoo als Arends zeit: »entweder im Gödenschen oder zu Leer geboren.”30 En dat het juist eene doopsgezinde en eene israëlitische maagschap is, die beiden den geslachtsnaam Van Geuns dragen, is ook niet zonder beteekenis. Het stadje Geuns toch was oudtijds eene byzondere stede, waar lieden van allerlei godsdienst en kerk mochten wonen en vryelik hunne geloofsplechtigheden verrichten. Iets wat in andere oostfriesche plaatsen (’t en zy dan Emden) niet, of althans niet in die mate geoorloofd was.

§ 84. Na al deze namen aan buitenlandsche plaatsnamen ontleend, zijn thans de geslachtsnamen, geformd met het voorzetsel van, uit de namen van nederlandsche steden, dorpen en gehuchten, noord en zuid, aan de beurt om hier besproken te worden. Byzonderheden leveren deze geslachtsnamen weinig op. Ook eischen zy, uit den aard der zake, voor den nederlandschen lezer geenen [232]naderen uitleg. Zulke namen toch als Van Groningen, Van Vlissingen, Van Gent, Van Leuven zijn voor iedereen duidelik, en gemakkelik verklaarbaar. Wijl ik in dit werk van alle groepen en soorten van geslachtsnamen die ik bespreek, voorbeelden heb aangevoerd, wil ik ook hier eenigen van die namen opnoemen, ofschoon het eigenlik onnoodig is, want ieder een kent ze voldoende. Van Dokkum, Van Oosterzee, Van Leens,31 enz.

§ 85. Het aantal dezer geslachtsnamen, in de Nederlanden inheemsch, is verbazend groot. Geformd van plaatsnamen uit alle gewesten, treft men ze in al onze provinciën menigvuldig aan. Toch is de verspreiding dezer namen over alle deelen des lands geenszins gelijkmatig. Zeldzaam zijn zy nergens; maar in de noordelike en oostelike gewesten komen ze betrekkelik weinig voor. Hoe zuideliker van Friesland en Groningen en noordelik Noord-Holland men komt, hoe talryker men ze ontmoet. Het grootste deel is te vinden in de middelste streken der Nederlanden, in westelik en zuidelik Gelderland, in het Sticht van Utrecht, zuidelik Noord-Holland, Zuid-Holland en Noord-Brabant. Het allermeeste in getal treft men deze namen aan in de groote hollandsche steden, daar by te Utrecht, Arnhem, enz; vooral ook te Rotterdam. Nog zuideliker, in Zeeland, de beide Vlaanderen, Antwerpen, Zuid-Brabant, Limburg, treden ze weêr meer op den achtergrond, ofschoon zy in deze gouen toch nog veel talryker zijn dan in Friesland, Groningen, Drente, noordelik Noord-Holland, Overijssel, noordelik en oostelik Gelderland. In ’t algemeen kan men zeggen dat zy onder de frankische bevolking meer voorkomen [233]dan onder de friesche en saksische. In de noordelikste zoowel als in de zuidelikste gewesten treden de vadersnamen meer op den voorgrond. In Friesland daarenboven worden zy nog vervangen door sommige geslachtsnamen op a uitgaande en die van plaatsnamen geformd zijn. En dáár en in Noord-Holland benoorden ’t Y ook door de plaatsnamen op zich zelven, zonder eenig voor- of achtervoechsel; b. v. Dokkum, Deinum, Wydenes, Medemblik.

De plaatsnamen van alle nederlandsche landstreken hebben niet in de zelfde mate bygedragen tot het formen van de geslachtsnamen hier omschreven. Die welke van plaatsnamen uit de noordelike gewesten van ons land geformd zijn, komen niet zoo veelvuldig voor als die welke samengesteld zijn met plaatsnamen uit de middelste gedeelten van Nederland. Velen vooral zijn ontleend aan de talryke noordbrabantsche plaatsnamen. Die in eene onzer groote hollandsche steden woont, neme eens eene uitvoerige landkaart van Noord-Brabant voor zich, en zie eens hoe velen van de plaatsnamen daar op voorkomende, oorsprong gegeven hebben aan geslachtsnamen van personen uit zyne omgeving, of die hy anderszins by name kent.

Uit der mate talrijk zijn in de noordelike Nederlanden de geslachtsnamen Van Staveren en Van Hinlopen, met Hinlopen, Hinlópen, Hinloope, enz. verspreid. Zoo talrijk dat het getal dergenen die deze geslachtsnamen dragen ongetwyfeld veel grooter is dan het getal der inwoners van die friesche stadjes. De reden hier van ligt voor de hand. Staveren en Hindeloopen zijn in vorige eeuen bloeiende, nering- en volkryke steden geweest. Vooral Staveren, d’ aloude friesche hoofdstad, was in de middeleeuen eene belangryke handelsstad, vol volk en rijkdom. Maar toen de handel zich van daar verplaatste, vooral naar Enkhuizen en Amsterdam, welke steden aan den ondergang van Staveren al mede hunne opkomst te danken hebben, en toen de welvaart uit den frieschen Zuidhoek verliep, toen verlieten ook vele inwoners die plaatsen en vestigden zich elders, waar zy al licht van anderen den toenaam: Van Staveren of Van Hinlopen, enz. kregen, en die toenamen als geslachtsnamen behielden.

Zeer talrijk zijn in Holland en elders in de noordelike gewesten [234]ook de geslachten die de namen Van Son en Van Zon, Van Os, Van Oss en Van Osch voeren. Zekerlik wonen er daar meer lieden die Van Son of Van Zon heeten, dan het geheele dorp Son inwoners telt. Wat de reden is dat zoo vele ingezetenen uit die noord-brabantsche plaatsjes hunne geboorteplaats verlaten en zich elders gevestigd hebben, is my niet bekend.

De geslachtsnamen Van Belkum, in Friesland voorkomende, en Belkom, zijn ontleend aan den naam van het dorp Berlikum in Friesland, welke naam door de friesche stedelingen als »Belkum” wordt uitgesproken, terwijl hy in de eigenlike friesche taal »Berltsum” (spreek uit: Beltsum) luidt. Maar de geslachtsnaam Van Berlekom is aan den naam van het noord-brabantsche dorp Berlikum ontleend.

§ 86. Het is bekend dat vooral in de 16de eeu zeer vele nyvere burgers uit Vlaanderen en andere zuid-nederlandsche gewesten, ten deele om geloofsvervolging te ontgaan, ten deele ook aangelokt door den bloei en de welvaart der noordelike, van het spaansche juk bevryde streken, zich in grooten getale alhier, vooral in het eigenlike Holland, hebben neêrgezet. Vele antwerpsche en brugsche kooplieden trokken naar Amsterdam, vele kunstenaars (schilders) en nyveren (spinners, wevers), naar Haarlem en Leiden. Dien ten gevolge treffen wy nog heden in het Noorden zoo vele geslachtsnamen aan, die afgeleid zijn van plaatsnamen in het Zuiden. B. v. Van Aerschot, Van Beveren, Van Bree.32 En de talrijkheid [235]dezer geslachtsnamen staat nog in geen de minste verhouding tot de duizenden van Zuid-Nederlanders die zich in het Noorden hebben neêrgezet, omdat het grootste deel dezer Vlamingen en Brabanders reeds vaste geslachtsnamen had, vóór zy zich hier vestigden. Voor zoo verre het protestantsche, vooral ook doopsgezinde geslachten zijn, die deze geslachtsnamen, aan zuid-nederlandsche plaatsnamen ontleend, voeren, dagteekent het verblijf dezer maagschappen in de noordelike gewesten reeds uit het laatst der 16de en het begin der 17de eeu. Men herinnere zich hier de afsonderlike gemeenten van »Vlaamsche Mennisten,” die tot in het laatst van de vorige eeu in vele noord-nederlandsche steden bestaan bleven. Ook de Vlamingstraat te Haarlem, waarschijnlik ook wel die in andere hollandsche steden (den Haag? Delft? Leiden?), draagt haren naam naar de Vlamingen, die zich aldaar met der woon vestigden. Dat er echter ook reeds vóór de kerkherforming Vlamingen in Holland waren komen wonen, blijkt b. v. uit de »Informacie up den staet van Hollant”, bl. 281, waar wy reeds in 1514 eenen »Jan Van Beveren” vinden als inwoner van het dorp Sassenheim, by Leiden.

De maagschapsnaam Van Bergen-Henegouwen is zeer naukeurig van form, en moet geenszins als een dubbelde naam beschoud worden. Immers draagt Bergen (Mons), de hoofdstad van de Henegou, dezen toenaam ter onderscheiding van zoo menige andere bekende plaats die eveneens Bergen heet; b. v. van St. Winox-Bergen in Vlaanderen, Bergen-op-Zoom in Brabant, Bergen in Kennemerland, Bergen in Noorwegen, enz.

Geslachtsnamen ontleend aan plaatsnamen uit het fransche gedeelte van Vlaanderen komen ook geenszins zeldzaam in Noord-Nederland voor. Zie hier eenigen: Van Belle, Van Grevelingen, Van Duynkerken,33 met het enkele Duinkerken, enz.

§ 87. Omgekeerd komen er in Zuid-Nederland geslachtsnamen [236]voor, die ontleend zijn aan plaatsnamen uit de noordelike gewesten. Maar dezen zijn daar toch niet zoo talrijk als hunne tegenhangers in het Noorden zijn, wijl er zich nooit zooveel Noorderlingen in het Zuiden gevestigd hebben, als omgekeerd. De volgende namen, die deze groep formen, zijn my bekend: Van Biervliet, Van Delft, Van Dieren.34 De namen Van Tilborgh echter, Van Biervliet en Van Yzendijk mogen hier eigenlik niet gelden. Immers de noordbrabantsche stad Tilburg en de stadjes Biervliet en Yzendijk in Zeeusch-Vlaanderen, behooren slechts in staatkundigen, geenszins in geschiedkundigen en volkenkundigen zin tot Noord-Nederland.

§ 88. Natuurlik zijn er onder de maagschapsnamen, tot deze groep (plaatsnamen met van er voor) behoorende, ook eenigen waarvan de oorsprong in sommige opzichten duister is, of naderen uitleg noodig heeft. Sommigen dezer namen toch zijn ontleend aan de namen van kleine, weinig bekende plaatskes, gehuchten, enkele huizen, enz. Ook zijn er die verbasterde naamformen vertoonen, waar door de oorspronkelike naam van de plaats, die aan zulken geslachtsnaam oorsprong gaf, haast onkenbaar geworden is. Of eindelik, de plaats zelve, wier naam nog in eenen maagschapsnaam voort leeft, is reeds van den aardbodem verdwenen. Als voorbeelden kunnen in de eerste plaats gelden de geslachtsnamen Van Akendam, Van Houweninge met Van Houweningen, Van Munnikreede met Van Munnekrede, De Rommerswaele met Remmerswaal, enz. Voor weinige jaren lag nog even benoorden de stad Haarlem, vlak voor de Nieue- of Kennemerpoort aldaar, een gehucht onder het kennemerlandsche dorp Schoten behoorende, en dat den naam van Akendam droeg. De geslachtsnaam Van Akendam is er aan ontleend. Thans is, [237]door uitbreiding der stad Haarlem, en door verandering der grensscheiding tusschen de gemeenten Haarlem en Schoten, dat gehucht geheel verdwenen. De haarlemsche straat die den naam van Schoterweg draagt, met het Frans-Hals-plein en de Frans-Hals-straat, nemen volkomen de plaats in van het oude Akendam.—Houweningen was de naam van een der zuidhollandsche dorpen, die by den tweeden Sint-Elisabeth’s vloed, ten jare 1421, overstroomd werden, en sedert verdronken gebleven zijn ter plaatse waar thans de Biesbosch is.—Munnikreede was in de middeleeuen een vlaamsch stedeken, gelegen by Damme tusschen Brugge en Sluis. Het is thans volkomen verdwenen.35—En Rommerswaele, ook Roemerswaal en Reymerswael, was eene zeeusche stad aan den noordeliken wal van het eiland Zuid-Beveland gelegen, maar in de 17de eeu langzamerhand geheel verzwolgen door de ongebreidelde stroomen der Ooster-Schelde.—De geslachtsnamen nog heden in wezen, houden de herinnering aan deze oude plaatsen levendig. De Rommerswaele (de naam is eigen aan een zuidnederlandsch geslacht) is een verfranschte form. Zie § 165.

Van Bakkenes. Deze geslachtsnaam is ontleend aan den naam van het dorp Bakenes, dat in de middeleeuen benoorden de stad Haarlem lag, aan het Spaarne, maar dat reeds in d’ eerste helft der 14de eeu tot Haarlem is binnengevest. De oude dorpskerk van Bakenes, nog onder den naam van Bakenesserkerk bekend en in gebruik, staat nog heden ten dage binnen de Spaarnestad, en de Bakenessergracht, d’ oude grensscheiding tusschen dorp en stad, is daar nog aanwezig. Het volk te Haarlem spreekt nog steeds »Bakkenes” in plaats van Bakenes, en deze volksuitspraak beeldt de geslachtsnaam ook af.

Eenige geslachtsnamen zijn ook byzonder, omdat zy ontleend zijn aan de namen van middeleeusche sloten of kasteelen, die voor het grootste gedeelte geheel verdwenen zijn, of nog slechts als min of meer belangryke bouvallen bestaan. Zijn de dragers dezer namen in der daad nog afstammelingen van de oude edellieden, die deze sloten of burchten gesticht hebben en bewoond, dan vervalt de [238]byzonderheid. Maar dit komt betrekkelik zelden voor. Meestal zijn het onadellike verwantschappen, die deze oude namen voeren, omdat een hunner voorouders, die eerst dien naam als een toenaam aannam, toevallig op de eene of andere wyze, als hoorige of dienstman of pachter, aan dat oude huis verbonden was, of misschien ook slechts op het grondgebied daar van geboren was. Wy willen slechts een paar van deze geslachtsnamen vermelden; Van Brederode en Van Teylingen.

Indien de hedendaagsche dragers van den naam Van Brederode in der daad afstammelingen zijn der aloude graven van Brederode, gelijk wel beweerd wordt, zoo is deze geslachtsnaam zeker minder byzonder, dan waneer hy enkel ontleend is aan den naam Brederode, als plaatsnaam, als naam van het stamslot van dat oude geslacht van hollandsche edelingen. Dat kasteel, sedert de 15de eeu in verval, ligt reeds sedert de 16de eeu als een schilderachtige bouval in het schoonste oord van Haarlems heerlike omstreken. Het geslacht Van Brederode is dan ook te Haarlem gezeten. Het woord Brederode wordt in den haarlemschen tongval als Breêroô uitgesproken: van daar dat een ander haarlemsch geslacht den naam Van Brero draagt. Tegenhangers van den naam Van Brederode zijn de geslachtsnamen Van Teylingen en Van Hoogteilingen, die eveneens door burgerlike geslachten in Holland gevoerd worden, en afgeleid zijn van het oud-adellike slot Teylingen, dat sedert eeuen reeds in puin ligt by het dorp Sassenheim tusschen Haarlem en Leiden.

§ 89. Een byzondere geslachtsnaam is ook nog Van Bredael (het enkelvoudige Bredael komt ook voor), die te Antwerpen nog al veelvuldig voorkomt. Bredael was in vroegere tyden, hier en daar in de Nederlanden, de volksuitspraak van den naam der stad Breda. Een huis op de Roozegracht te Amsterdam, in de laatste helft der 17de eeu, heette: »Het schip van Breda”; zeker in herinnering aan het turfschip van Breda, waarmede Prins Maurits by verrassing het kasteel van Breda innam. Een feit uit de vaderlandsche geschiedenis, by ons volk zoo wel bekend. De doodgraver van de Westerkerk te Amsterdam, die den naam van dit huis eens in zijn grafboek schryven moest, schreef echter: [239’t schip van Bredael” (eigenlik schreef de man, die al zeer slecht ter penne was: »sep van Bredael.”).36 Die byzondere uitspraak van dezen brabantschen plaatsnaam was dus oudtijds ook te Amsterdam in zwang.

De geslachtsnaam Van Wensveen is ontleend aan den naam van het zuidhollandsche dorp Waddinksveen, welke naam in de volkstaal aldus wordt uitgesproken. Van Beusekom, Van Blarcom, Van Deutekom, afgeleid van de plaatsnamen Beusichem, dorp in Gelderland, Blaricum, dorp in het Gooiland, Deutichem of Doetinchem, stadje in Gelderland, kunnen naueliks voor verbasteringen gelden, omdat de volksmond deze plaatsnamen gemeenlik alzoo uitspreekt. En dit is eveneens het geval met de geslachtsnamen Van Bruyssel, Van Bruysselen en Van Bruyssele, Van Beem en Van Tertholen, die ontleend zijn aan de namen van de stad Brussel, van het dorp Bedum in Groningerland, en van het stadje Tolen in Zeeland. Deze namen luiden in de wandeling Bruessele (by de Zuid-Nederlanders), Beem en Ter Tolen. By dezen laatsten naam, even als by Ter Goes, Ter Gou en misschien ook Ter Mei, in plaats van Goes, Gouda en Ameide, heeft de volksmond den vollen oorspronkeliken naam behouden. De geslachtsnaam Van ter Tholen of Van der Tholen komt ook in samengetrokkenen form voor, als Vertholen.

§ 90. In vorige tyden, in de 16de en 17de eeu vooral, toen de geleerden hunne namen verlatynschten, heeft men het voorzetsel van by de geslachtsnamen die daar mede waren samengesteld, ook in ab of a omgezet, en op die wyze getracht deze namen althans eenigszins een geleerd voorkomen te geven. Overeenkomstig de regelen der latijnsche taal gaf men het voorzetsel van door ab terug, als het daarna volgende woord met eene klinkletter begon (Ab Utrecht), en door a waar dit niet het geval was (A Brakel). Ook voor eene h zette men ab, om dat men deze letter althans als half stom beschoude (Ab Huisen). Men schreef deze a veelal [240]met een teekentje, als à, en doet dit nog wel. Waarom is my niet recht duidelik; goed Latyn is het niet.

Onder de nederlandsche geleerden van de 16de en 17de eeu en ook nog onder hunne nakomelingen in de 18de eeu, treft men menigvuldig zulke geslachtsnamen met ab en a aan. Zie hier eenigen van die namen, die voor zoo verre my bekend is, thans uitgestorven zijn: † Ab Andringa, † A Besten, † A Biler, † A Bolswert, en (men schreef die a gewoonlik klein) † à Laxten, † à Vullen, † à Mark, † ab Oostbroek, enz. Die oude geleerden sprongen soms nog al wonderlik om met deze geslachtsnamen, die eigenlik en oorspronkelik slechts toenamen voor hen waren, naar de plaatsen hunner geboorte. Johannes Gerhardi à Besten, by voorbeeld, predikant te Dokkum in 1620, en die dezen toenaam waarschijnlik droeg naar zynen vader, die dan in het westfaalsche dorp Beesten, by Osnabrück,37 zal geboren zijn, schreef zich ook wel à Groninga, wijl hy een Groninger van geboorte was. En Johannes Fokkes, die te Holwert, een dorp in Friesland, geboren was, verlatynschte en vergriekschte zynen naam, sedert hy hoogleeraar was te Franeker (in het midden der zeventiende eeu), tot Johannes Phocylides ab Holwarda. Deze man overdreef de zaak buiten dien ook nog. Had hy zich nog maar eenvoudig ab Holwert genoemd, hy hadde althans niet dwazer gehandeld dan zoo velen zyner tijd- en ambtgenooten. Maar hy maakte van den enkelvoudigen naam zyner geboorteplaats ook nog eenen oud-frieschen genitivus: ab Holwarda is Latyn en Oud-Friesch te gelijk—eene zonderlinge verbinding!—en beteekent »van van Holwert!” Dit is eene dubbele dwaasheid.

Slechts zeer weinigen van deze namen zijn tot op onze tegenwoordige dagen in het leven gebleven. My zijn slechts de volgenden bekend: A Brakel, (Lycklama) à Nyeholt, A Steringa (Lemke), A Tellinghuis, (Thomassen) à Thuessink (Van der Hoop), en Ab Utrecht (Dresselhuys).

§ 91. In Friesland komen eenige geslachtsnamen voor, die ware [241]tegenhangers zijn van de namen die uit het voorzetsel van en eenen plaatsnaam zijn samengesteld. Het zijn als ’t ware vertalingen van zulke namen in het Oud-Friesch. In het Oud-Friesch namelik wordt eenig zelfstandig naamwoord door achtervoeging van de letter a in den tweeden naamval geplaatst. Zie § 44. Zoo ook zet men friesche plaatsnamen door achtervoeging van eene a in den tweeden naamval; maakt dus van den plaatsnaam Jellum den geslachtsnaam Jelluma, dat »Van Jellum” beteekent. Ofschoon deze oud-friesche taalform, in de volkstaal reeds in de middeleeuen uitstierf, bleef men toch nog lange daar na op deze wyze geslachtsnamen maken. Zie hier een voorbeeld. Wytse Foppes was, in d’ eerste helft der 18de eeu, een eenvoudig man, woonachtig in het friesche dorp Dongjum, dat by Franeker ligt. Hy had geenen eigenen geslachtsnaam. Immers zijn toenaam Foppes was anders niet als de naam van zynen vader Foppe, in den tweeden naamval; dus een patronymikon. Zoo lang Wytse Foppes te Dongjum woonde, was deze eenvoudige naam hem voldoende. Maar toen hy later zich te Leeuwarden als rekenmeester en instrumentmaker vestigde, had hy eenen afsonderliken geslachtsnaam noodig, ter onderscheiding van anderen, die ook deze algemeene namen Wytse Foppes droegen. Ware onze man een Hollander of andere Nederlander geweest, wis hadde hy zich »Van Dongjum” genoemd. Nu echter, als Fries, bezigde hy, zeer gepast, ook eenen frieschen taalform; hy smeedde zich den geslachtsnaam Dongjuma, dat Van Dongjum beteekent.

Reeds in § 44 van dit werk heb ik uitvoeriger over dezen form van friesche geslachtsnamen gesproken; ik kom er ook later op terug. Zie § 101.

Talrijk zijn deze namen in Friesland juist niet, vooral niet in vergelyking met de geslachtsnamen die uit eenen plaatsnaam met het voorzetsel van samengesteld zijn, en ook met die friesche geslachtsnamen, welke eveneens geformd zijn door achtervoeging van die oud-friesche a, maar dan achter eenen mansvóórnaam. Zie Een en ander over friesche eigennamen, in De Vrye Fries, dl. XIII.

De volgende geslachtsnamen, tot deze byzondere groep behoorende, zijn my bekend: Anjema, Aruma, Baarda, Buruma,38 [242]van de namen der dorpen Anjum, Arum, Baard en Burum, alle vier in Friesland tusschen Fli en Lauers, in de hedendaagsche provincie Friesland gelegen. Maar er komen, meest in Groningerland, ook geslachtsnamen voor, die op deze oudfriesche wyze afgeleid zijn van groningerlandsche plaatsnamen; b. v. Beswerda, van het gehucht Beswert by Esinge; Bieruma, van het dorp Bierum in Fivelgo; Enuma, van Enum, eene buurt tusschen Loppersum en het Zand.39 Dit zijn zeker zeer oude geslachtsnamen die nog dagteekenen uit den tijd toen men ook nog in deze landstreek, in ’t oude Friesland tusschen Lauers en Eems, de friesche taal sprak. Dus minstens uit de 16de eeu. Eindelik moet hier nog genoemd worden de geslachtsnaam Smilda, die op oudfriesche wyze geformd is uit den naam van het drentsche dorp de Smilde.

§ 92. By den rijkdom van onzen vaderlandschen bodem aan stroomen en rivieren, enz. is het natuurlik dat er ook vele geslachtsnamen van ons volk ontleend zijn aan de namen van zulke wateren. Deze geslachtsnamen zijn in den regel uit zich zelven duidelik genoeg, en eischen weinig nadere verklaring. Eene eerste plaats onder de namen der kleine rivierkes in Nederland, neemt de naam A of Aa in. Deze naam die eenvoudig water, stroomend water beteekent, is aan vele rivierkes eigen; b. v. aan de Aa by Breda; de Aa by ’s Hertogenbosch; de Aa by Gendringen in [243]Gelderland; de Aa, het bovenpand van den Angstel, in de provincie Utrecht; de Almelosche Aa in Twente; de Mussel-A en de Pekel-A in Groningerland, enz. In overeenstemming met het veelvuldig voorkomen van dezen riviernaam A, komt ook de daarvan afgeleide geslachtsnaam Van der Aa geenszins zeldzaam voor. Andere geslachtsnamen, aan riviernamen ontleend, zijn nog: Van der Aar; de Aar is een stroom die by Alfen uit den Rijn naar de Drecht by Nieuveen vloeit. Van Amstel; deze naam komt in Holland, vooral in Amstelland en Kennemerland algemeen voor. Van Berkel; de Berkel is een rivierke dat te Zutfen in den IJssel valt; maar deze geslachtsnaam kan eveneens aan het zuidhollandsche dorp Berkel ontleend zijn. Van der Does en Verdoes; de Does is een stroom by Leiden.40 [244]

De geslachtsnaam Van Overschelde moge hier ook vermeld worden, al is deze naam niet rechtstreeks aan den riviernaam Schelde ontleend. Immers Overschelde is de naam van eene landstreek over, aan den anderen kant van de Schelde gelegen, even als het Overmaassche over de Maas ligt. Zoo mede de maagschapsnaam Overeem, van het rivierke de Eem by Amersfoort afgeleid.

Ook namen van buitenlandsche stroomen en rivieren zijn in Nederland tot geslachtsnamen geworden; b. v. Van der Hever, Van der Lip met Van der Lippe en Van Wezer. De Weser is bekend genoeg. De Hever is een stroom in Noord-Friesland (westkust van Sleeswijk), vóór de stad Husum, tusschen het eiland Noordstrand en den vasten wal. En de Lippe is een bekende zijdrivier van den Rijn, in Duitschland.—Omdat de Roer (Ruhr) en de Aar (Ahr) beiden ook namen van bekende zijdrivieren van den Rijn in Duitschland zijn, zoo wel als namen van nederlandsche rivieren, zoo zoude men de op bl. 243 genoemde geslachtsnamen Van de Roer en Van der Aar ook evenzeer kunnen rekenen tot de geslachtsnamen aan de namen van buitenlandsche rivieren ontleend.

De maagschapsnaam Jordaan doet aan de bekende rivier in Palestina denken. Toch geloof ik niet dat deze naam van dien riviernaam afkomstig is. Mogelik is het dat de oorsprong van dezen naam te zoeken zy in den naam van die byzondere wijk der stad Amsterdam, welke den naam van »de Jordaan” draagt. Maar het komt my aannemeliker voor te stellen dat de geslachtsnaam Jordaan, met de patronymika daarvan, Jordaans en [245]Jordaens, zynen oorsprong dankt aan den oud-nederlandschen mansvóórnaam Jorden, die ook in latynschen form als Jordanus, en weer verkort als Jordaan voorkomt. De geslachtsnamen Jordensz en Jordens zijn eveneens aan dezen mansnaam ontleend.

§ 93. Een byzonder-friesche form voor deze aan riviernamen ontleende geslachtsnamen ontbreekt ook al niet. Als zoodanig zijn my bekend de geslachtsnamen Eemstra, Rynstra (met den onzinnigen form Van Rynstra) en Scheenstra, afgeleid van de namen der rivier de Eems, van het stroomke de Ryn (Lemster-Ryn), dat uit het Tjeukemeer komende, by de Lemmer in de Zuiderzee floeit, en van het rivierke de Scheene, in West-Stellingwerf, alle drie in Friesland. Men zoude den geslachtsnaam Diepstra hier ook toe kunnen rekenen, omdat ”diep”, in de noordelike gewesten een algemeene naam is voor stroomende waters; het Dokkumerdiep b. v., het Damsterdiep, het Reitdiep, enz. Zoo ook Deelstra. En tevens de geslachtsnamen Boornstra en Boonstra, naar de rivier de Boorn (Boarn, gewoonlik als Boan, Boon uitgesproken); Eestra en Iestra, naar de (Dokkumer-) Ee, volgens friesche uitspraak Ie (dit woord is de friesche weêrga van het algemeen nederlandsche A of Aa—zie bl. 242); Flietstra en Vlietstra, naar het woord fliet of vliet, in Friesland, als elders, aan eenige wateren eigen; Groustra en Grouwstra, enz. Maar het is eigenaardiger deze geslachtsnamen afkomstig te rekenen van de namen der plaatsen die aan deze stroomen liggen, en die daar mede den zelfden naam dragen. Te weten: van het dorp Oldeboorn, in de wandeling enkel Boorn (Boan) genoemd; van het dorp Ee of Ie, in Dongeradeel; van het Vliet, zoo als eene voorstad heet van Leeuwarden, en eene van Franeker; van het dorp Grou, enz. Zie bl. 206. [246]

[Inhoud]

B. Geslachtsnamen, ontleend aan algemeene aardrijkskundige namen.

§ 94. Woorden die ter aanduiding dienen van algemeene formen welke de aardbodem uit nature vertoont (b. v. berg, bosch, meer), en ook woorden die de wyzigingen aanduiden, welke de hand des menschen kunstmatig op onzen aardbodem heeft aangebracht (b. v. terp, gracht, dam), noem ik algemeene aardrijkskundige namen. Ter onderscheiding van de byzondere aardrijkskundige namen, de eigennamen van landen, gouen en eilanden, van rivieren en andere waters, steden en dorpen, heb ik dezen algemeenen naam gekozen, omdat de bovengenoemde woorden en honderden anderen, overal in ons land gelden waar gelyke formen van den aardbodem, of gelyke kunstgewrochten gevonden worden, terwijl de byzondere namen in den regel slechts eene enkele maal voorkomen.

Zeer talrijk zijn de geslachtsnamen die aan deze algemeene aardrijkskundige namen ontleend zijn. Het zy dan dat zulke namen uit niets anders bestaan als uit die enkele woorden (b. v. de maagschapsnamen Dijk, Dam, Berg, Duin)—het zy dat zy nog met lidwoorden (De Bergh, ’T Felt, De Vyver), met voorzetsels (Van Dam, Van Duin, Op Meer (Opmeer), Voor Duin (Voorduin)), of met voorzetsels en lidwoorden beiden (Van den Berg, By de Weg, Ter (dat is: te der) Meulen) zijn samengesteld. En niet aleen dat de geslachten, die deze algemeene en eenvoudige namen dragen, veelal talrijk in leden zijn, maar ook verre weg het grootste gedeelte dezer namen zijn, elk voor zich, weêr aan talryke, onderling niet verwante geslachten eigen. Hoevele maagschappen, by voorbeeld, zijn er niet, die de namen Van den Berg, Van den Bosch, Van Dam, Van Dijk voeren? Te recht moet men zulke namen algemeene aardrijkskundige geslachtsnamen noemen.

Uit den aard der zaak is de oorsprong en beteekenis dezer geslachtsnamen duidelik. Ieder een verstaat ze. Ik zal hier dan ook slechts betrekkelik weinig bladzyden aan de behandeling dezer zoo talryke namengroep kunnen wyden, en slechts een klein getal van die namen, als voorbeelden, vermelden. Byzondere of merkweerdige namen komen er slechts zeldzaam onder voor. [247]

De eenvoudigste geslachtsnamen van deze afdeeling zijn die, welke slechts uit een enkel algemeen aardrijkskundig woord, zonder eenig byvoechsel, bestaan; b. v. Akker en Acker, Baan, Beek.41 Daarop volgen de algemeene aardrijkskundige namen met een lidwoord er voor. Dat zijn b. v. De Baan, De Bergh, De Brinke,42 enz. Winkel, in den naam De Winkel, meen ik hier in de beteekenis van hoek te moeten duiden, zie ook bl. 204. Sas, in den naam ’T Sas (het sas), is het vlaamsche en zeeusche woord voor het algemeen-nederlandsche woord sluis; in de plaatsnamen Sas-van-Gent, Sas-van-Goes, Stryensas komt het eveneens voor. Geest, in De Geest en De Gheest, beteekent een hooge zandgrond, en is in onze noordelike gewesten, even als in noordwestelik Duitschland, ook in den form gast nog in volle gebruik. In de geslachtsnamen Van der Geest en Ter Gast komt dit woord nog voor, even als in Dorregeest, Suydgeest, Brondgeest, Geestman, enz. Ook in de plaatsnamen Oegstgeest, Uitgeest, Groote- en Lutje-Gast, Addinga-Gast, enz.

Vervolgens komen d’algemeene aardrijkskundige namen, met het enkele voorzetsel van er voor. Deze geslachtsnamen zijn veel talryker dan die welke de beide laatstgenoemde soorten uitmaken. Als voorbeelden kunnen dienen: Van Acker en Van Ackere, Van Dale en Van Daele, Van Dam,43 enz. Lede en het versletene lee in de namen Van Lede en Van Lee beteekent, even als lei in de namen Van der Lei, Verleyen en By de Lei, eene (ge)lede, (ge)leide, eene leiding, eene waterleiding. Uit sommige plaatsnamen, waar dit woord in voorkomt, blijkt deze beteekenis [248]nog; b. v. uit den naam van ’t aanzienlike gehucht De Leie, onder de gemeenten Het Bilt, Leeuwarderadeel en Ferwerderadeel in Friesland behoorende, en dat in der daad aan eene leie, eene waterleiding gelegen is. Rode of rade, in plaatsnamen ook als rood en raad, raed, roth, rath geschreven en in versletene formen als rooi, roy, raey en ray, beteekent eene opene plaats in een bosch, waar de boomen gerood, gerooid, uitgeroeid zijn. Behalven in Van Rood, Van ’t Rood, Van Rooy, Van Rooyen, Van Raey, enz. komt dit oude woord ook voor in de geslachtsnamen Winderoode, Hopperaadt, enz. en in vele plaatsnamen, vooral in de zuidelike Nederlanden (om van Duitschland niet te spreken) als St. Oedenrode, Schelderode, ’s Hertogenrade, in de volkstaal Harkenroth en Herkenraai (waarvan de geslachtsnamen † Harkenroth en Herckenrath), in het Hoogduitsch Herzogenrath, in het Fransch Rode-le-Duc, samengefloeid tot Rolduc.—Ooi eindelik in Van Ooi, Van Oye en Van Oyen is eene verfloeiing van het oud-nederlandsche woord ode, dat eene woeste, onbeboude, niet ontgonnene plaats beduidt, ook samenhangt met het hoogduitsche woord oede, woest, eenzaam, en in vele plaatsnamen voorkomt: Amersode (Ammerzoden, Amersooi), St-Josse-ten-Ode, gewoonlik verkeerd St-Josse-ten-Noode geschreven, enz.44 Zijl eindelik, in Van Zijl, Van Zijll, Van Sijll, Van der Zijl en Verzijl, Verzeyl, is een verhollandschte form van het friesche woord sîl, sluis, en komt in vele friesche plaatsnamen voor: Blokzijl, Tacozijl, Delfzijl, Greetsyl, Hilgenriedersyl, enz. En in den frieschen geslachtsnaam Zylstra.

In talrijkheid worden de geslachtsnamen met enkel van er voor nog verre overtroffen door die algemeene aardrijkskundige namen, welke by dit voorzetsel ook nog een lidwoord vóór zich hebben. Dit voorzetsel gaat natuurlik het lidwoord vooraf, als Van den, Van de en Van der (’t welk een zeer goede, maar verouderde form is van het verbogene vrouelike lidwoord) en Van het, dat meestal in samentrekking als Van ’t voorkomt. Voorbeelden van zulke geslachtsnamen zijn: Van den Acker, Van der Baan, [249]Van der Beek, Van der Beeck, Van der Beke, Van der Becke,45 enz.

Verder nog: Van den Broek, Van den Broeke, Van den Broecke, Van den Brouke; broek (brook, broick, bruch) beteekent een laag gelegen, moerassig, door water gebroken veld. Het woord broek komt in vele geslachtsnamen, Beerenbroek, Suringbroek, Biesbrouck, Muelenbroock, Mecklenbroick, Waelbroeck, en in zeer vele plaatsnamen voor. Zie ook § 141.

Van den Bilcke en Van den Bulcke; bilk of bulk is een vlaamsch woord dat een byzonder weiland beteekent, door eene heining, haag of sloot omgeven en afgesloten. De ossebilk is in Vlaanderen, ten platten lande, wel bekend. In den geslachtsnaam Van Keersbilck, ook op vlaamsche wyze geschreven als Van Keirsbilck voorkomende, treft men dit woord ook aan.

Van de Bregge en Van der Breggen is het zelfde als Van de Brug. Bregge is de friesche form van dit woord, en [250]in de friesche gouen nog in volle gebruik, ook wel ten platten lande in Holland. Ter Bregge (dat is: by de brug) is eene buurt aan de Rotte, by Hillegersberg in Zuid-Holland. Ook in den maagschapsnaam Breggeman komt deze form voor.

Van den Dries. Driesch of dries is een zuidnederlandsch woord, dat in verschillende gewesten eene eenigszins verschillende beteekenis heeft. Meestal beduidt het een met gras begroeid stuk land, waar op boomen staan en waar het vee zynen vryen loop heeft. Zie De Bo, Westvlaamsch Idioticon, op het woord dries. Men vergelyke ook den geslachtsnaam Optendrees, in § 96.

Van den Horn en Van den Hoorn; horn, hoorn (herna, horna, herne, horne) is het friesche woord voor hoek, en, in die beteekenis, in Friesland nog in volle gebruik. Het komt ook in de geslachtsnamen Dijkshoorn en Dijkxhoorn, en Droghorn voor, als mede in zeer vele plaatsnamen, ook buiten Friesland.

Van der Horst. Een horst is een klein, dicht begroeid bosch; de groote en ruwe nesten der roofvogels noemt men ook wel horst. Dit woord komt in vele plaatsnamen voor, en niet minder in geslachtsnamen, als: Horstman, Rouwenhorst, Quellhorst, Selhorst, Borghorst, Ter Reehorst, enz.

Van der Koogh en Van der Koog met Van der Kaag. Koog, kaag, keeg zijn allen verschillende formen van een en het zelfde oud-nederlandsche, meest oud-friesche woord, dat polder beteekent, en als plaatsnaam niet zeldzaam is (Koog op Tessel, Koog aan de Zaan, de Kaag by Leiden), ook in Noord-Friesland (Gotteskoog, Ockholmer-Koog, Langenhorner-Koog). Keegstra is de friesche tegenhanger van Van der Koog.

Van de Kreke is een zeeusche geslachtsnaam, en kreke, kreek is een zeeusch woord, het welk een binnenlandsch water beteekent, als een vliet of wetering, en dat vroeger in den regel met de opene zee in verbinding stond.

Van der Made. Eene made is een grasveld, dat gemaad, gemaaid wordt, ten behoeve der hooioogst. In de geslachtsnamen Vermade en Schoonmade komt dit woord ook voor, en tevens in sommige plaatsnamen (Hoogmade, Winkelmade).

Van der Meersch, in vlaamsche spelling Van der Meirsch, in versletenen form Vermeersch, Vermeirsch en zelfs Vermeesch. [251]Een vlaamsch woord is dit meersch, en het beteekent: het vruchtbare veld dat zich, meestal als weiland, langs de oevers van beken en rivieren uitstrekt. ’T is het zelfde woord als mersch en marsch, dat meer in de noordelike gewesten in gebruik is, en aldaar geldt als tegenstelling van geest, gast (zie bl. 247). Ook in de noordelike, bepaaldelik friesche Nederlanden beteekent marsch de vruchtbare landstreek, meestal uit kleigrond bestaande, aan de oevers der zee en der riviermonden. In de maagschapsnamen Van der Marsch, Ter Marsch en Overmars treffen wy dit zelfde woord aan.

Van de Pitte. De vlaamsche en zeeusche form van het woord put is pit of pitte. In den geslachtsnaam Wullepit komt deze form ook voor.

Van ’t Verlaat, Van ’t Zet en Van der Zwet zijn maagschapsnamen die aan de friesche, of in Friesland althans meest gebruikelike woorden verlaat (dubbele sluis), zet of beter set (veer, overzet over een water), en zwette, swette (grensscheiding) ontleend zijn. In den geslachtsnaam Zwetheul komt dit laatste woord ook voor. Deze naam beteekent: grenssloot, en is tevens als plaatsnaam (in de zuidhollandsche gemeente Vryenban) in gebruik. Het woord heul, heule, waarvan de maagschapsnamen Van der Heul en Verheul, misschien ook Verhuel afkomen, heeft in de gouspraken van sommige nederlandsche gewesten de beteekenis van eene smalle sloot tot afvoer van water dienende; in de steden ook wel die van een open riooltje tot afvoer van spoel- en keukenwater. In andere gewesten, zuidelik Zuid-Holland en Zeeland, beteekent het een klein bruchje of vonder, dat over zulk eene sloot of waterloop voert.

Van der Wielen en Van de Wiele, met Van de Wiel en het ontaalkundige Van den Wielen. Een wiel is een klein meerke, in den regel het overblijfsel van eene overstrooming, meestal gelegen achter dat gedeelte van den dijk waar de dijkbreuk heeft plaats gehad, en waar dus het water gewield, in eene kolk gedraaid heeft. De leeuwarder maagschap Van der Wielen draagt haren naam bepaaldelik naar de meerkes de Groote en de Kleine Wielen, in Tietjerksteradeel, beoosten de friesche hoofdstad.

In het oude Antwerpen gaf men aan eenige straat waardoor een [252]water floeide, en die men in Holland »gracht” noemt, den naam van rui; b. v. de Suikerrui. In den vlaamschen maagschapsnaam Blockkeruy meen ik dit woord terug te vinden, al is deze zelfde naam onder den form Blockerye aan een ander vlaamsch geslacht, en onder den form Van de Blocquery aan eene in Holland gezetene maagschap eigen.

§ 95. Deze geslachtsnamen, samengesteld uit een algemeen aardrijkskundig woord met een lidwoord en het voorzetsel Van, zijn buitengewoon talrijk, en formen met elkanderen eene der meest kenmerkende groepen van nederlandsche namen. In alle nederlandsche gewesten zijn zy inheemsch; in de meesten komen zy veelvuldig voor. Dit is vooral het geval in Holland, Vlaanderen en Brabant.

Het voorzetsel van en het verbogene lidwoord der zijn dikwijls in de maagschapsnamen samengefloeid tot een enkel woordje ver. Vermeer by voorbeeld, en Versluys zijn samengetrokken uit Van der Meer en Van der Sluys. Ook deze groep van geslachtsnamen is zeer talrijk. Die namen zijn vooral in onze zuidelike gewesten inheemsch, en dáár het meeste verspreid. Hoe noordeliker in de Nederlanden, in hoe kleiner aantal deze namen optreden. In de friesche gewesten ontbreken ze. Die, welke men dáár aantreft, zijn er niet oorspronkelik inheemsch. Als voorbeelden van deze, op zich zelven meestal onbelangryke namen mogen hier genoemd worden: Verbaan, Verbeek met Verbeeck, Verbeke en Verbeken, Verbrugge met Verbruggen, Verbrugghe en Verbrugghen,46 enz. Zoo als de aard dezer zake meêbrengt, komen de volle formen dezer namen, met van der, in den regel [253]nevens de versletene, met ver, voor. B. v. Verbaan naast Van der Baan, Verkerckhoven nevens Van der Kerkhove, Verschelde naast Van der Schelden, enz.

§ 96. Het voorzetsel van is geenszins het eenichste, dat als voorvoechsel dient, by geslachtsnamen aan algemeene aardrijkskundige namen ontleend. Ook andere voorzetsels treden in dezen rol op, en, even als van, ook met of zonder lidwoord er by. Maar het getal dezer aldus samengestelde geslachtsnamen is uit der mate gering, vergeleken by het zeer groote aantal namen die van by zich hebben.

Die voorzetsels zijn: aan, by, onder, over, te, uit, enz. Zie hier eenige voorbeelden van geslachtsnamen, die daar mede samengesteld zijn.

Met aan: Aan de Kerk, Aan de Brugh, Aan den Boom en Aen den Boom. Het voorzetsel aan wordt in de meeste noord-nederlandsche, vooral hollandsche tongvallen, als an uitgesproken. In dien form komt het voor in den geslachtsnaam An de Weg.

Met by: By de Beek, By de Kerk, By de Kerke, By de Lei, By den Dijk, By de Weg; en in Bey der Wellen, dat van hoogduitschen oorsprong is. Bymholt behoort ook hier toe; want deze naam is eene samentrekking van Bi ’m Holt, Bi dem Holte, by het hout, anders gezeid: by het bosch. Nog meer samengetrokken en versleten, als Bimolt, is het ook de naam van een gehucht aan onze twentsche grenzen, by het bentheimsche dorp Veldhuizen.

Een tegenhanger van Bymholt is de geslachtsnaam Biederlack (Bi der Lack, by de lak of lek). Lack of lak (het woord is ook eigen aan eenige nederduitsche plaatsnamen, b. v. aan Kurslack, een dorp aan de Elve by Hamburg), lack of lak, laak, leek of lek is de naam die aan eenig water, meest aan eenen rivierarm toekomt. Het woord hangt samen met onze woorden lekken en leken, en wordt gegeven aan een water, dat, by geringe beginselen, als ’t ware lekkende, uit eenen grooteren waterstroom [254]voortfloeit. In onzen riviernaam De Lek, in den groningerlandschen dorpsnaam De Leek, in den naam Medemblik of Memelik, zoo als ons volk spreekt, oudtijds Middenleek of Medemelaca, vinden wy dit woord terug. Bie der Lack, een nederduitsche, zoogenoemd platduitsche taalform, is, in taalkundig opzicht, een naam als Bymholt, Bütefür, Lütkebühl, Schöttelndreier, enz. Deze zijn niet hollandsch, kunnen ter nauer nood nederlandsch heeten, maar nederduitsch zijn zy zonder tegenspraak. De maagschapsnaam Ter Laak is de zuiver-nederlandsche tegenhanger van Biederlack.

Met buiten: Buytendijck, Buitendijk, Buitenweerd.

Met binnen: Binnendijck, Binneweg.

Met op: Op den Akker, Op de Beeck, Op den Bosch, Op ’t Broek, Op de Camp, Op de Coul (coul, dat is limburgsche gouspraak voor kuil), Oppedijk (versleten van Op den dijk), Op ’t Einde; Opteynde en Op den Ende, Op de Hoek, Op den Hoff en Op den Hoof, Op den Kelder, Op de Kluis, Op ’t Land, Op de Ley (zie bl. 243), Op de Macks (een naam die my duister van beteekenis is), Op de Weerd en Op de Woerd. De maagschapsnaam Op den Oort komt ook, door verharding der d in eene t, wegens de voorafgaande p, als Optenoort voor; ook als Oppenoorth, by geheele wegslyting der d van het lidwoord, even als in Oppedijk. Buitendien nog, geheel by misverstand en verbastering, als Op ten Noort. Het woord oort of oord beteekent in deze namen een meestal lang gestrekt eilandje in eene rivier, anders gezeid een weert of waard, dat oorspronkelik, met woerd en wierde en wier, wel een en het zelfde woord als oort zal wezen. De nederlandsche maagschapsnamen Op den Oort, Optenoort en Oppenoorth vinden hunne tegenhangers in de hoogduitsche geslachtsnamen Auf ’n Orte en Aufmorth (eene samentrekking van Auf’m Orth, Auf dem Orth) en in Aus ’m Weerth, welke namen alle drie van den Boven-Rijn in de Nederlanden zijn afgezakt. De hoogduitsche en de nederduitsche formen komen vereenigd voor in den byzonderen, aan een nederlandsch geslacht eigenen maagschapsnaam Oppenoorth genaamd Auffmorth (zie Haarlemsche Courant van 20 Juni 1884). Dat overigens deze geslachtsnaam [255]reeds oud is, bewijst Harman opten Ort, burger der stad Leeuwarden, ten jare 1511 (zie Register van den Aanbreng, dl. I, bl. 35).

De zelfde verharding van d tot t, die in Optenoort voorkomt, vindt men ook in de geslachtsnamen Optenberg, (oorspronkelik Op den Berg) en Optendrees, (dat is: Op den Drees, Op den Dries. Aangaande dit woord drees of dries, zie men bl. 250).

De geslachtsnaam Op den Zieke schijnt wel vreemd. Maar deze zonderlingheid verdwijnt, als men weet dat er in sommige hollandsche steden (Haarlem, ’s Gravenhage) eene buurt is, die van ouds her het Zieken of het Zieke heet. Te Haarlem was die buurt in d’ onmiddellike nabyheid van het Stads-Armen- en Ziekenhuis, een gesticht dat in vorige eeuen byzonderlik gediend heeft om er de melaatschen of leprozen, volgens middeleeusche spreekwyze de zieken als by uitnemendheid, te verplegen. Van daar de naam dier buurt, alsof men zeide: ten zieken of by de zieken. Die buurt is in de laatstverloopene jaren door aanbou zeer veranderd, en draagt nu den naam van Schootersingel, Kennemerstraat, enz. Van oude Haarlemers echter kan men nog hooren: »ik woon op het Zieken.” Dit is in nog ouderen form gezeid: Op den Zieke.

De maagschapsnaam Opstelten behoort eigenlik, naar myne meening, hier ter plaatse niet. Wel is hy samengesteld met het voorzetsel op, maar stelten schijnt my geen algemeen aardrijkskundig woord toe. Waarschijnlik is deze naam oorspronkelik wel een bynaam (voor iemand met lange beenen?) Anders weet ik hem niet te verklaren. Ook is my de geslachtsnaam Opscholten niet duidelik.

Met onder: Onderwater, Onder den Boom, Ondereyck, Onder de Linde, Onder de Wijngaard.

Met voor: Voor den Haak (het hoogduitsche Vor der Hake komt ook in Nederland voor, zoo mede het half-hoogduitsche Vor der Wullbecke), Voor ’t Bosch, Voor ’t Hekke, Voorhoeve, Voor der Meulen.

Met achter: Achterberg, Agter den Bosch en Achternbusch, Agterkamp, Agtereek, dat is: achter den eik. [256]

Met over: Overakker, Overbeek, Overdijk, Overdulve (dulve is een zeeusch woord voor sloot, gedolven waterloop, of delf in het Oud-nederlandsch); Overdiep (groningerlandsch deip of diep voor waterstroom, zie bl. 245); Overeem (zie bl. 244); Overgaauw (over het rivierke de Gouwe, by Gouda)? Verder Over de Linde (rivierke in Friesland? of lindeboom?); Overkamp, Overputte, Over ’t Veld, Overvoorde, Over ’t Zet (zie bl. 251).

Met met: Mettepenningen (zie § 142 en 168); Met den Ancxt. Deze laatste zonderlinge maagschapsnaam, in de zuidelike Nederlanden inheemsch, en door zyne byzondere spelling van hoogen ouderdom getuigende, valt moeielik te verklaren. Beteekent hy: met den angst? en is hy dus wellicht oorspronkelik anders niet als de bynaam voor eenen angstigen, vreesachtigen, bangen man? Zie § 148. Beide deze namen, met het voorvoechsel met samengesteld, behooren eigenlik in andere afdeelingen van dit boek vermeld te worden. Immers tot de algemeene aardrijkskundige namen kunnen zy niet gerekend worden.

Met in: Incoul (in kuil, in den kuil, volgens limburgsche spelwyze en uitspraak; men treft dezen zelfden form ook aan in den maagschapsnaam Op de Coul, en, meer verhollandscht, in Leemkoel. Verder Inthof (beter In ’t Hof geschreven); In den Klef (dit klef zal hier wel het zelfde woord zijn als kleef, kleve, klief, klif, en beteekent dan: helling van eenen heuvel, eene hellende vlakte), In ’t Veld, In de Wey, In den Berken.

Met uit: Uit de Broeck en Uyttenbroeck (zie bl. 249); Uyttendaele, Uitterdijk, Uytterhaegen en Uitenhage, Uit den Hoef, Uytterhoeven en Uyterhouve, Uyttenbogaerdt, Uitenbosch, Uitendaal, Uitterschoot, Uytenhoudt, Uiterweer. Ook Uyterelst en Uytterelst, in welke namen het woord elst de beteekenis heeft van elsenbosch, even als in de maagschapsnamen Van der Elst en Verelst, en in menige plaatsnaam in verschillende nederlandsche gewesten. Door den infloed der t van uit is in bovenstaande namen de d van het lidwoord geheel verloren gegaan, of tot eene t verhard; b. v. Uitenbosch in plaats van Uit den Bosch, Uitterschoot in stede van Uit der Schoot. Slecht by een paar dezer namen, [257]by Uyt de Broeck en Uit den Hoef is de volle, oorspronkelike form bewaard gebleven.

Het woordje uit luidt nog heden in het grootste deel der nederlandsche gouspraken, even als oudtijds algemeen, als uut (ût); van daar de byzondere form van den geslachtsnaam Uut het Hooghuis. Dit is een nog al zonderlinge, onregelmatige naam, wegens den nieuerwetschen form van het woord huis, dat, in overeenstemming met uut, hier huus had moeten wezen. Ook in den maagschapsnaam Utenhove vinden wy dit ût, uut, in plaats van uit. Utenhove is de oude form van dezen naam, die ook met van er voor, als Van Utenhove voorkomt. In taalkundigen zin, een onjuiste form. De nieuere form, Uyttenhoven, komt ook als geslachtsnaam voor. Utermöhlen is een maagschapsnaam, die, blijkens de öh, van platduitschen oorsprong is; en Utermark waarschijnlik ook.

In de middeleeuen werd het woordje uit, uyt, uut gewoonlik als wt geschreven, omdat de w oorspronkelik anders niet en is als eene dubbele u (uu, vv, w); in het Engelsch en in het Friesch heet deze letter dan ook nog zóó. Mijn vader, geboren in 1796, in zyne jeugd te Leeuwarden ter schole gaande, leerde aldaar die letter, in het Nederlandsch, nog dubbeld-ou of ook dobbeld-ou (met den klank van het woord rouw) noemen; en omstreeks 1815 werd in het zeeusche stadje ter Goes der jeugd nog geleerd de v als uve, de w als dubbeld-uve te noemen. In vijf hedendaagsche nederlandsche geslachtsnamen komt die overoude schrijfwyze van uit als wt nog voor. Dat zijn Wtteneng (uit den eng; eng, ing, enghe is groenland, grasland, weide; zie bl. 43); Wttewaal, Van Wttberghe, Wtenweerde met Wtenweerden en Wtterwulghe. Wulge is de vlaamsche form van het woord wilg, zekere boomsoort. Dus is wtterwulghe, wt der wulghe, uit de wilg, waarschijnlik oorspronkelik wel de toenaam van eenen man, wiens huis tusschen wilgen verscholen stond. Deze vijf of zes maagschapsnamen brengen, door hunne overoude schrijfwyze, het bewijs hunner eerweerdige oudheid mede. Nevens Wttewaal en Wtterwulghe bestaan ook nog de nieuere formen Uyttewaal, Uytewaal en Utterwulghe als hedendaagsche geslachtsnamen. Voor lieden die de oude schrijfwyze van uit als wt niet en kennen, nog ook de ware uitspraak dezer namen van anderen hebben gehoord, levert deze [258]uitspraak moeielikheden op. Velen weten niet wat zy daar van maken zullen. Zy denken dan dat het eene schrijffout is, dat er eene letter, b. v. eene i uitgevallen is, tusschen de w en de t weg, en spreken Wttewaal dan als Wittewaal uit. Deze uitspraak kan men dikwijls van oningewyden hooren. En deze geheel verkeerde uitspraak is zelfs wel in de schrijftaal overgegaan. Nevens Wtterwulghe en Utterwulghe is er ook een tak van dit aloude zuidnederlandsche geslacht, dat zynen naam als Witterwulghe schrijft. Het komt my waarschijnlik voor dat de geslachtsnaam Wittenrood zijn ontstaan ook aan zulk een misverstand en misspelling heeft te wyten, en dat hy oorspronkelik Wttenrood, Wtenrode (uit den rode—zie bl. 248) geweest zy.

§ 97. In het belangryke werk van Jos. Habets, De Wederdoopers te Maastricht (Roermonde, 1877), wordt op bl. 213 de naam genoemd van eenen limburgschen Wederdooper, die in d’ eerste helft der 16de eeu leefde. Die naam staat daar vermeld als Arnold in gen Esschenbroek. En deze by- of toenaam in gen Esschenbroek heeft klaarblykelik de beteekenis van: in den Esschenbroek, en duidt dus aan dat deze Arnold in eene plaats woonde, die den naam droeg van de Esschenbroek. En in der daad vinden wy nog heden in deze landstreek, naby ’t stedeke Erkelentz, dat tegenwoordig tot Pruissen behoort, en niet verre van onze limburgsche grenzen by Roermond, een dorpke dat den naam Essenbruch draagt, en waar onze Arnold de Wederdooper hoogst waarschijnlik t’huis behoorde of woonde. Alzoo Arnold in den Esschenbroek werd die man te recht genoemd.—Ja! maar in die oude oorkonde, door Habets vermeld, staat: »in gen Esschenbroek.” Is dat gen dan eene drukfout voor den?

Geenszins!—»In gen Esschenbroek” is geschreven zooals in die gouen tusschen Rijn en Mase gesproken wordt. In de verschillende nederfrankische tongvallen van deze landstreken (Limburg, het oude Overkwartier van Gelderland, het Land van Valkenburg, van Gulik en van Kleef, vooral ook te Aken en in d’ omstreken van die stad, en verder aan den Beneden-Rijn, te Bonn, Keulen, Dusseldorp) wordt de n, als sluitletter van eenig woord of lettergreep, veelal met den neusklank, als zoogenoemde nasaal-n, dus [259]ongeveer als ng uitgesproken47. Zoo luiden b. v. de woorden: »geeft hem eenen ring aan de hand, en schoenen aan de voeten,” in de dageliksche spreektaal van de stad Aken: »geft hem ’n reng angen hank, en schong angen puute.” Hier staat dus angen in de plaats van ang de(n), aan de. Zoo luidt ook het woordje onder te Sittard steeds als onger; oorspronkelik ongder, maar de d is daar uit gesleten. En zoo sleet ook die d uit angen (ang den), in bovenvermelden akenschen volzin, en uit ingen (ing den) in bovengenoemden oud-limburgschen naam. Over ’t algemeen slijt de d, in alle nederlandsche tongvallen, zeer licht weg, en vooral ook na zoo’n dreunenden neusklank. En zoo is dus werkelik »in gen Esschenbroeck” eene verkeerde spelwyze voor ing(d)en, in den Esschenbroek.

Nog in eene andere oud-limburgsche oorkonde, van den jare 1447, die vermeld wordt in Jos. Habets’ werk Het vrijdorp Neeritter, bl. 6 en vervolgens, lees ik: »Onser Heeren heerligheyt uit onsen dorpe (gaat) al die syder straet langs...... voert te Winckel neven ’t feldt op gen Quaeckmeer, die eyne syde Toeren-heerlyckheyt, die andere syde Ittereheerlyckheyt; soo voirt op gen Doussenbergh” enz. Op gen staat hier voor op den.

Aldus geven deze oude oorkonden ons eenen sleutel in de hand ter verklaring van sommige geslachtsnamen, in Nederland voorkomende, en die my tot dus verre duister waren en onverklaarbaar. En wis velen met my, voor zoo verre zy geene Limburgers zijn. Deze geslachtsnamen zijn: Aengeveld, Angemeer, Aangevoort (aang (d)e Voorde), Aangevaren (de beteekenis van dezen naam, te Stramprode in Limburg inheemsch, is my niet duidelik), Angenent (ang(d)en Ent)48, enz. Ingenbroich is: in den broich; en broich is de form die tusschen Rijn en Maas [260]geldt voor broek, brook, bruch, moeras,—zie bl. 249. Behalven in de geslachtsnamen Mecklenbroick en Hucklenbroick komt dit zelfde woord ook voor in menigen plaatsnaam in die streken: Grevenbroich, Hackenbroich, Kleinenbroich. Zoo ligt er in den geslachtsnaam Ingenbroich tweemaal het bewijs opgesloten dat hy tusschen Rijn en Maas t’huis behoort. Ingenhousz is: in den huize; housz of hous (huis) is eene byzonder-limburgsche spelling en uitspraak, even als coul voor kuil—zie bl. 254 en 256). Door hollandschen infloed komt deze naam ook voor als Ingenhoes gespeld. Ingenluyff is: in den luif of luifel, zoo als oudtijds aan de gevels der huizen aangebracht was. De limburgsche form luif, in plaats van den hollandschen form luifel, die eigenlik een verkleinform is, is ook eigen aan de friesche taal. Luif is zonder twyfel ook een oudere en betere form van dit woord dan luifel; hy stemt volkomen overeen met het vlaamsche love, het hoogduitsche Laube49. In den maagschapsnaam Opgenhaaffe, op den haaffe, op den hafe, op den have, op den hove, treffen wy nog den ouden form opgen aan, in bovengenoemde oorkonden aanwezig.

§ 98. Behalven het zoo algemeen voorkomende van, is er geen voorzetsel dat in ruimere mate deel uitmaakt van geslachtsnamen dan het voorzetsel te, in verschillende formen, als toe, tot, thoe, en in verschillende samenstellingen, als ten en ter, thor, tom, enz. Toch bedraagt het getal dezer namen zeker nog geen duizendste deel van het getal der namen die met van samengesteld zijn. Deze te-namen kan men beschouen als antwoord gevende op de vraag die men eenen vreemdeling doet: »waar woont Gy?” In tegenstelling met het antwoord op de vraag: »waar komt Gy van daan?” als oorsprong der van-namen. Maar de namen van bekende, groote plaatsen, ’t zy dan van steden of dorpen (landen, gouen, eilanden natuurlik nog veel minder), komen niet of zelden achter deze te-namen voor. Het zijn in den regel namen van enkele landhoeven of van adellike huizen, ook algemeene aardrijkskundige namen, die [261]achter het voorvoechsel te volgen; b. v. Te Boekhorst, Te Lintum, Ten Brink, Ter Horst. Meestal is het de naam van een byzonder huis of van eene byzondere hoeve, die door den bewoner van dat huis of die hoeve, ’t zy hy dan eigenaar of slechts bewoner, huurder of pachter daar van is, als toenaam aangenomen werd, ter onderscheiding, en die later vaste geslachtsnaam werd. De boer Geert b. v., die in 1684 als eigenaar zat op het groote en aanzienlike scholten-erve Lintum, by Winterswijk, wordt in eene oorkonde van die dagen Geert te Lintum genoemd. Die toenaam bestaat nog heden ten dage als vaste geslachtsnaam.50

Verre weg het grootste gedeelte der geslachtsnamen met het voorzetsel te samengesteld, is oorspronkelik inheemsch in de saksische gouen van ons land, bepaaldelik van Overijssel en Gelderland. Zie hier eenigen van die namen als voorbeelden: Te Boekhorst, Te Braake, Te Gempt,51 enz. Brake zal hier wel een byzondere (oud-saksische?) form zijn van het woord broek (zie bl. 249). Het zelfde woord komt voor in de geslachtsnamen Ter Brake en Ten Brake (het geslacht van dit woord schijnt aan twyfel onderhevig te zijn); misschien ook in Braakenburg en Brakenhoff. By de Zuid-Nederlanders komen allerlei namen in samengetrokkenen form voor, vooral ook als er eene h by in het spel is; zoo is de geslachtsnaam Te Hollebeeke in die streken tot Thollebeeke geworden.

Het voorzetsel te werd oudtijds ook wel als the geschreven. Van daar de geslachtsnaam The Pass, gewoonlik als Thepas geschreven, die nevens Te Pass voorkomt. In den maagschapsnaam Theepas meen ik dit zelfde voorzetsel the of te te moeten herkennen, dat door misbegrip vast onkenbaar geworden is. Maar [262]in den geslachtsnaam Tho Pass is de oudste form bewaard gebleven. Een ander geslacht voert dezen zelfden naam in den form Thopas, waar by een oningewyde lichtelik aan zekeren edelsteen, topaas, kan denken. Pas is een algemeen aardrijkskundig woord, dat in sommige oorden van Gelderland gebruikelik is in de beteekenis van boschje, vooral van eene kleine groep boomen, by elkanderen in een open veld staande. Als men dit weet zijn de geslachtsnamen Berkenpas en Wilgenpas duidelik van beteekenis. Zoo ook Uilenpas (pas waar uilen nestelen) en Berenpas, pas waar beren, bessen, te plukken zijn. Men zal hier wel aan de beren van den brummel- of braamstruik te denken hebben. Braam is de hollandsche, brommel, brummel de friesche en saksische form van den naam van deze bekende plant. Beide naamformen vind men terug in de geslachtsnamen Braamcamp en Brummelkamp met Brommelcamp. De geslachtsnaam Weerpas is my niet duidelik, al vind ik er dit woordje pas in. Maar de naam Pasman zal wel oorspronkelik een toenaam geweest zijn voor eenen man wiens huis by of in zulk eene pas stond.

Het hedendaagsch-algemeen-nederlandsche voorzetsel te luidt in onze friesche en friso-saksische gouspraken als to, en werd oudtijds als tho en ook als thoe geschreven. Dit thoe maakt nog deel uit van enkele oud-nederlandsche geslachtsnamen, en komt ook voor als vertaling van het hoogduitsche voorzetsel zu, welks plaats het volkomen inneemt. Immers de duitsche baron Georg Wolfgang Zu Schwarzenberg und Hohenlansberg schreef zynen naam als Thoe Schwarzenberg en Hohenlansberg, sedert hy, in het laatst der zestiende eeu met de friesche jonkvrou Doed Holdinga gehuwd, zich voor vast in Friesland met der woon vestigde. En zyne nakomelingen schryven hunnen naam nog heden aldus. Het adellike friesche geslacht Harinxma was in twee takken verdeeld, waarvan de eene tak te Sneek woonde en de andere te Sloten. De leden van die twee takken onderscheidden zich diensvolgens als (Van) Harinxma thoe Sneek en (Van) Harinxma thoe Slooten. Laatstgenoemde tak van dit aloude geslacht, en zynen naam in dezen ouden form, bloeit nog heden in het friesche vaderland. Een tak van de friesche maagschap (Van) Beyma bezat en bewoonde oudtijds de Kingmastate [263]te Sweins in Franekeradeel. Dies voerde het ter onderscheiding, achter zynen geslachtsnaam den toenaam thoe Kingma. By de hedendaagsche leden van dit geslacht is Van Beyma thoe Kingma nog de vaste naam.

Deze oude form van het voorzetsel te, zonder h als toe geschreven, komt nog voor in de maagschapsnamen Toe Bosch, Toe Brugge, Toe Laer, Toe Poel, Toe Rippel en Toe Reppel (deze twee laatste namen zullen oorspronkelik wel een en de zelfde geweest zijn), Toe Set (dat is: bij de overhaal; zie bl. 251), en Toe Water. Laatstgenoemde naam in de weêrgade van den hier boven vermelden naam Te Water. Omdat men heden ten dage veelal onkundig is van de beteekenis, van de weerde van dit oude voorzetsel toe, zoo schrijft men de geslachtsnamen die er mede samengesteld zijn, gewoonlik als een enkel woord: Toebosch, Toereppel, Toepoel, enz.

Op bl. 252 is aangetoond dat het voorzetsel van wel met het verbogene vrouelike lidwoord der samengesmolten is tot het voorvoechsel ver. Dit is ook het geval met het voorzetsel te en het lidwoord. In dit geval zoo wel met het verbogene mannelike lidwoord den, als met het verbogene vrouelike lidwoord der. En deze samenfloeiing van te en den, van te en der is zelfs regel; regel zonder uitzondering. Immers te den en te der komen als voorvoechsels by geslachtsnamen niet voor. Maar de samengefloeide formen ten en ter wel. En geenszins zeldzaam ook. Even als de maagschapsnamen die door het enkele voorzetsel te voorafgegaan worden, zoo zijn ook de geslachtsnamen die met ten en ter samengesteld zijn, meest allen oorspronkelik inheemsch in de saksische gewesten van Nederland. Tevens ook in de aangrenzende saksische gewesten van Duitschland (Bentheim, Munsterland). Zie hier eenigen opgenoemd van de namen die deze groep formen:

Met ten: Ten Brink, Ten Broecke, Ten Geuzendam, Ten Grootenhuysen52, enz. [264]

Met ter: Ter Hazeborg, Ter Horst (zie bl. 250), Ter Haar,53 enz.

Even als thoe nevens toe, zoo komen ook eene enkele maal then en ther nevens ten en ter voor. Dit is het geval in de geslachtsnamen Then Berge (naast Ten Berge) en Ther Busch, dat volgens deze schrijfwyze zeker een zeer oude naam is.

De oude friesche en friso-saksische formen tho, thoe, to, toe komen ook met het lidwoord samengetrokken als thor en thom, tor en tom voor. Zulke namen zijn zoo wel aan deze als aan gene zyde van onze oostelike grensen oorspronkelik inheemsch. Men behoeft ze, wegens hun eenigermate platduitsch voorkomen, toch volstrekt niet allen over de grensen te wyzen, al zijn zy juist niet oorbeeldig hollandsch, en al staat het van sommigen, b. v. van den geslachtsnaam Thorbecke vast, dat zy over de grensen tot ons gekomen zijn. Slechts in kleinen getale komen deze namen by ons voor. My zijn bekend: Tombal (to’m Bal), Tombeyl, Tombergh, Tombrink, Tombrock, Thomputte en Tomputte. Tongronde is To’n Gronde, to den gronde, aan, by of in den grond of het dal, en is de weêrga van de friesche geslachtsnamen Grondstra en Grunstra (zie § 103.) Thorbecke is tho’r Becke, to’r Becke, to der Becke, to der Beke, by de beek of ter Beke. Deze naam is dus een tegenhanger aan den eenen kant van het hoogduitsche Zumbach, aan den anderen van den hollandschen geslachtsnaam By de Beek, met den frieschen Beekstra.54 Verder nog: Tor Weele (Torweele) nevens Ter Weele (weele == wiele, wiel? zie bl. 251), en Thor Westen.

De oude Nederlanders gebruikten tot in deze eeu, in plaats van te, dit zelfde voorzetsel ook wel in den form tot. Te en tot, dat is oorspronkelik een en het zelfde woord. Nog omstreeks het midden dezer eeu schreef men in Friesland wel op naambordjes [265]tot in plaats van te. B. v. »Abe Elsinga, Schoenmaker tot Warga”, een bordje dat voor de kraam van eenen de markten afreizenden schoenmaker hing. En nu nog krijg ik wel brieven uit Vlaanderen aan myne t’huisrichting (een goed nederlandsch, in Vlaanderen gebruikelik woord voor ons bastertwoord adres): »tot Haerlem.” De oorsprong en de beteekenis der geslachtsnamen met dit tot samengesteld, blijkt hieruit voldoende. Die namen komen slechts in klein aantal voor. Zy zijn meest aan adellike geslachten eigen; hoewel niet uitsluitend. De naam die dan achter tot volgt, is gewoonlik de naam van een slot of ander huis, waarin het geslacht erfelik gezeten is. (Schuller) tot Peursum, (Hugenpoth) tot den Beerenclauw, (De Geer) tot Oudegein, (Van Bevervoorden) tot Oldemeule, (Van Son) tot Gellicum, (Hora Siccama) tot de Harkstede, en anderen, kunnen tot voorbeelden dienen.

Enkele geslachtsnamen zijn zelfs met meer dan één voorzetsel samengesteld; b. v. Van in ’t Veld (meestal Vanintveld geschreven), Van over ’t Veld, Van Utenhove, Van op Bergh, Van op den Bosch, Van Wttberghe. Het ontstaan dezer namen is slechts te verklaren als men aanneemt, dat In-’t-Veld, Op-Bergh, Op-den-Bosch reeds in deze samengestelde formen als plaatsnamen in gebruik waren, eer men er, door van er voor te voegen, geslachtsnamen van maakte.

Er zijn ook eenige geslachtsnamen, die slechts uit een bywoord bestaan, met een voorzetsel (van) daar voor: Van Boven, Van Beneden, Van Onder, Van Achter, eischen geen verklaring. De geslachtsnamen Achterop en Voorby behooren hier ook toe. En een enkele geslachtsnaam bestaat zelfs uit twee voorzetsels en een bywoord daar tusschen; zonder hoofdwoord, ’t zy dan een byzondere of een algemeene aardrijkskundige naam. Toch heeft deze naam eenen goeden zin. Het is de naam Van Ginder-achter.

§ 99. De geslachtsnamen Ten Kate en Ten Cate, hier bovengenoemd, die geenszins zeldzaam en aan verschillende geslachten eigen zijn, geven my aanleiding te dezer plaatse eene kleine, byzondere groep van maagschapsnamen te bespreken. Die groep bevat de namen welke met dit woord kate zijn samengesteld. [266]Kate of kaat is een nedersaksisch woord, dat hut of kleine, geringe boerewoning beteekent. Dit woord kate is oorspronkelik één en het zelfde woord als keet en kot, die beiden in andere nederlandsche gouen in tamelik gelyke beteekenis in gebruik zijn. Van dit woord keet is de geslachtsnaam Houtekeet afgeleid, die in de zuidelike Nederlanden menigvuldig voorkomt, ook onder de formen Hautekeet, Autekeet, Hautekiet en Houtekiet. Terwijl van kot de geslachtsnamen Oldenkot, Walkot en Damkot geformd zijn; zie ook Sevecotius op bl. 207. Verder Van Cooth, Koot, enz. De saksische form kate schijnt uitsluitend aan Twente eigen te zijn. Daar zijn de geslachtsnamen, met dit woord samengesteld, ook hooftsakelik, zoo niet uitsluitend, inheemsch.

Behalven Ten Cate en Ten Kate noem ik hier, als voorbeelden van deze kate-namen: Barnecaten, Ten Bruggencate, Ten Doornkaat, Getkate, Haverkate, Losecaat (met den byform Loosekoot, die ook als maagschapsnaam voorkomt), Van Molecaten, Mokkelenkate, Stekate, Walkate (met den bovenvermelden byform Walkot) en Wyvekate. Waar de lettergreep die aan het woord kate voorafgaat, op eene s eindigt, daar zijn die naast elkanderen komende s en k, sk, tot sch verbasterd. Deze letterverbinding sk toch, aan onze verschillende friesche gouspraken en aan de noordsche talen zoo eigen, is volkomen vreemd aan de saksische en frankische tongvallen der nederlandsche taal, welke daar voor in de plaats sch hebben. En dien ten gevolge is de hedendaagsche schrijfwyze ontstaan der geslachtsnamen Ten Doesschate en Ten Wytschate, uit de oorspronkelike formen Ten Does-kate en Ten Wyts-kate. Zoo ook de plaatsnamen Colmschate, oorspronkelik Colms-kate, dorp in Salland (Overijssel), en Wytschate, oorspronkelik Wyts-kate, dorp in West-Vlaanderen. Zie mijn opstel Wytschaete, in het brugsche tijdschrift Rond den Heerd, jaargang 1884, bl. 1.

Dat kate en kot oorspronkelik slechts twee verschillende schrijfwyzen zijn van een en het zelfde woord (men herinnere zich de zware, naar o zweemende uitspraak der saksische a), blijkt ook uit de geslachtsnamen Walkot en Walkotten, Haverkotte en Havekotte, die nevens Haverkate en Walkate voorkomen. In het aan Twente grenzende deel van Munsterland komt [267]deze geslachtsnaam Haverkate of Haverkotte ook voor. Maar hy is daar in spelling eenigszins verhoogduitscht, tot Haberkotte. Iemand uit dit geslacht vestigde zich in de vorige eeu te Leeuwarden met der woon. De Friesen verstonden natuurlik dien saksischen naamform niet, en maakte er, voor het gemak in d’ uitspraak, maar Habekotte van. Toen er in de laatste tientallen jaren der vorige eeu zoo’n fransche wind over de meeste landen van Europa woei, toen alles eenen franschen zwaai en eenen vreemden draai moest hebben, schoeide de toenmalige drager van den naam Haberkotte, die reeds tot Habekotte versleten was, zynen naam ook op de fransche leest. Te weten: hy liet den vollen nadruk vallen op de laatste e van zynen naam, die uit den aard der tale toonloos is, en maakte er, in uitspraak, Habekotté van. En toen in 1811 ook deze verfranschte oud-saksische naam in de boeken van den burgerliken stand onder eenen vasten form moest worden ingeschreven, geschiedde dit onder den nog meer franschachtigen form Habecotee. Onder dien form komt hy nog heden te Leeuwarden voor. Zoo de geschiedenis van deze vermakelik dwaze naamsverbastering my niet toevallig bekend geweest ware, dan hadde ik den geslachtsnaam Habecotee ook zeker onder § 149, by d’onverklaarbare namen gerangschikt.

§ 100. In den regel stemt, by de geslachtsnamen die met een voorzetsel en een lidwoord samengesteld zijn, het geslacht van het lidwoord, door een voorzetsel beheerscht, overeen met het geslacht van het woord dat er op volgt. Van den Berg b. v. en Ten Berge, omdat het woord berg mannelik is. En Van de Werf en Van der Wal en Ter Stege, omdat de woorden werf, wal en steeg van het vrouelike geslacht zijn. Maar altijd is dit niet het geval. Ook al omdat het geslacht hetwelk de woorden in de volksspreektaal hebben, niet steeds overeenstemt met het geslacht dat in de geijkte boeketaal aan die zelfde woorden toegekend wordt. Zoo heeft het woord wal in de volksspraak het vrouelike geslacht, ofschoon het volgens de hedendaagsche woordenboeken der nederlandsche taal mannelik is. Van daar de form van den geslachtsnaam Van der Wal, en niet Van den Wal, zooals het volgens de taalregels zijn moest. En naar myne meening heeft de volksmond [268]hier al weêr gelijk, en niet de schoolmeester. Immers het woord wal komt in sommigen onzer gouspraken als walle voor. De geslachtsnamen De Walle en Van der Walle stemmen hier ook mede overeen. Het woord hoek heeft in de volkstaal der stad Leeuwarden het vrouelike geslacht (hoeke). Van daar de geslachtsnaam Van der Hoek, te Leeuwarden voorkomende; en niet Van den Hoek. De zelfde naam wordt ook wel, door de eene maagschap in den vroueliken, door de andere in den manneliken form gevoerd. Zoo is het woord burcht, ook borcht, burg, borg, mannelik, volgens de regels onzer taal; en de geslachtsnamen Van den Burg en Van den Borg stemmen daar mede overeen. Ja, maar de geslachtsnamen Van de Burg, Van der Burgh, Van der Borgh, Verborg, Ter Burg en Ter Hazeborg zijn met dien regel in strijd. En de naam van het geldersche stadje Ter Borch is dit eveneens. Die zelfde onstandvastigheid merken wy op in de geslachtsnamen Ten Brake, Ter Brake en Te Braake en in menigen anderen naam. Zie § 157.

§ 101. Ofschoon de geslachtsnamen die geformd zijn uit algemeene aardrijkskundige namen met van, of met van en een lidwoord daar voor, in Friesland geenszins ontbreken, en alhoewel ook zulke namen met andere voorzetsels samengesteld, daar wel voorkomen, zoo hebben toch alle geslachtsnamen, in de laatstvermelde afdeelingen opgesomd, hunne tegenhangers in twee groepen van byzonder-friesche maagschapsnamen. Deze groepen bestaan uit geslachtsnamen, geformd uit algemeene aardrijkskundige namen, ’t zy dan uit de algemeen-nederlandsche, ’t zy uit de byzonder-friesche taal ontleend, maar die, in plaats van door voorzetsels en lidwoorden te worden voorafgegaan, als aanhangsel achter zich hebben eene enkele a of den lettergreep stra. Deze enkele a en dit aanhangsel stra zijn reeds eerder in dit werk besproken geworden. De a, een oud-friesche tweede-naamvalsform, dient ook tot het formen van de eenvoudigste soorten van friesche vadersnamen, gelijk in § 44 vermeld is, en van geslachtsnamen aan byzondere plaatsnamen ontleend, zoo als in § 91 behandeld is. En stra als middel om van byzondere plaatsnamen friesche geslachtsnamen te maken, is in § 71 en 93 nader aangeduid en uitgelegd. Naar die drie afdeelingen [269]kan ik dus hier den lezer, die den oorsprong, de eigenlike beteekenis van de achtervoechsels a en stra wil kennen, verwyzen.

De geslachtsnamen, ontstaan door achtervoeging van eene enkele a achter een algemeen-aardrijkskundig woord, zijn niet zeer talrijk, en komen uitsluitend in onze friesche gouen beoosten Fli voor. Het zijn de friesche tegenhangers, in alle opzichten, van de algemeen-nederlandsche geslachtsnamen, die met het enkele van samengesteld zijn. De geslachtsnaam Berga b. v. beteekent in letterlike vertaling: Van Berg. De maagschapsnaam Bosscha (Van Bosch) vertoont eene verhollandschte schrijfwyze. Deze zelfde naam komt als Boska en Buska, nog in zuiver oud-friesche spelling, in de friesche gouen beoosten Eems voor. Dan nog Burga, Heida, Porta (van porte, poort), enz. Voorda en Voerda komen van het oude woord forth, ford, voorde, doorwaadbare plaats in eenig water. De geslachtsnaam Muda komt van het oude woord mude, dat nog als muide, muiden in zoo menigen nederlandschen plaatsnaam (Muiden, IJsselmuiden, Emuiden of Emden, Ymuiden, Arnemuiden), en als mouth in zoo menigen engelschen plaatsnaam (Yarmouth, Plymouth, Portsmouth) voorkomt, en mond, riviermond, beteekent. Haga, ook in den versletenen form Hage, en tevens als Ter Haagha en Van Haga voorkomende, van het woord haag? Morra en Moora zijn afgeleid van het woord morre, moor, moer, moeras. Morra, Sormorra, enz. zijn ook friesche plaatsnamen. De maagschapsnaam Werda komt van het woord werd, ward, als samenstellend deel van friesche plaatsnamen zoo welbekend: Leeuwarden, Bolsward, Ferwerd, Holwerd, enz. De geslachtsnaam Opwyrda (Op Wyrda ware beter spelling, Op Wierda nog beter) is Wierda, van het friesche woord wierde—in den plaatsnaam Holwierde (Fivelgo)—, en het voorzetsel op.

Swaga, verhollandscht tot Zwaga, komt ook in versletene formen als Swage en Zwage voor. Deze geslachtsnaam is afgeleid van het friesche woord sweach, dat veeweide beteekent55, en veelvuldig in friesche plaatsnamen voorkomt, en wel in den verhollandschten form zwaag. Een dorp by Hoorn in West-Friesland [270]heet enkel Zwaag. Ook vindt men daar een gehucht Zwaagdijk. In Friesland tusschen Fli en Lauers liggen de dorpen en gehuchten Beetsterzwaag, Snikzwaag, Kollumer-Zwaag, enz. In het Oldambt: Scheemderzwaag en Eeksterzwaag; in Oost-Friesland, by het dorp Veenhusen, het gehucht Swoog (volgens de oostfriesche zware uitspraak der volkomene a byna als o) of Schwoog, nog meer verhoogduitscht. En vele andere plaatsnamen in alle friesche en ook friso-saksische gouen van Nederland en Duitschland. In geslachtsnamen komt dit woord eveneens veelvuldig voor; b. v. in Zwaagstra, Swaagstra en Van der Zwaag, in Friesland; Ter Zweege in Drente; Zwaagman en Zweegman. Zoo mede in het westfaalsche Schweigmann, dat ook in Nederland ingeburgerd is.

Het oud-friesche woord wald, walt is het zelfde woord als het saksische wold en het algemeen-nederlandsche woud. Van al deze vier formen waarin dit algemeen-aardrijkskundige woord in Nederland voorkomt, zijn er friesche geslachtsnamen, door achtervoeging eener enkele a, afgeleid; namelik Walda, Walta, Wolda en Wouda.—Buwalda en Buwolda komen van eenen frieschen plaatsnaam Buwald, Buwold, Buwoud (Bouwe-wald?), die oudtijds bestaan moet hebben. Steentilla eindelik beteekent: van de steenen brug. Tille toch, ook voorkomende in de plaatsnamen Kingmatille en Enumatil, het eerste eene buurt in Franekeradeel, het tweede een dorp in het Westerkwartier van Groningerland, is een friesch woord dat »kleine brug” beteekent.

§ 102. Sommigen van bovengenoemde geslachtsnamen, te weten Berga, Bosscha, Burga, Heida, Wolta zoude men ook kunnen beschouen als patronymika, als namen aan mansvóórnamen ontleend, en niet als namen van algemeen-aardrijkskundige woorden afgeleid. Berg, Boske, Burg, Heit, Wolt immers komen ook wel als friesche mansvóórnamen voor, en zijn, ten deele, als afslytingen te betrachten van volle, algemeen-germaansche mansvóórnamen. Aangaande den mansvóórnaam Berg kan men bl. 132 nazien. Het woord of de naam die aan den geslachtsnaam Bosscha, Buska ten grondslag ligt, kan zijn de mansvóórnaam Boske, Buske, een verkleinform van den oud-germaanschen mansvóórnaam [271]Bos, Boso. Deze naam, ook in verkleinform als Bosico, dat is Boske, wordt in Förstemann’s Altdeutsches Namenbuch vermeld, en is nog in Friesland in gebruik; een man die Bose Eelzes Kingma heet, woonde in 1882 te Dokkum. Geslachts- en plaatsnamen van dezen mansnaam afgeleid zijn in Nederland niet zeldzaam. Van den oorspronkeliken form Boso, Bos, hebben wy de geslachtsnamen Bosma, Bossing, Bossinga, Bosingh, Bossen, Bosse, Bos, ook Busma, Bussink, Bussing, Bussen en waarschijnlik Buisinga, Busink, Buysing, Buisma, Buyssens, Buisen, Buyse, Buys, Beusink, Boesema, met de plaatsnamen Bosum, dorp in Friesland; Beusichem, gezegd Beusekom, oudtijds Bosinchem, dat is: Bosinga-heim, de woonplaats der Bosingen of afstammelingen van Boso; het is een dorp in Gelderland. Verder Bosseghem, en Boeseghem, dorpen in Oost- en in Fransch-Vlaanderen, eveneens voluit Bossinga-heim; Bussum, dorp in het Gooi (Holland); Büsum, vlek in Ditmarschen; Bussenhuus, sate by Hamswerum in Oost-Friesland, enz. Van den verkleinform Boske, Buske komen de geslachtsnamen Boskma, Boschma, Boschga, by samentrekking uit Boskinga (men vergete niet dat de Friesen sch als sk uitspreken) Bosken en misschien Bosch; verder Busken, Buschen, Buschkens, Buschgens, ook Böeseken en Buyskes.

Burg, als mansvóórnaam, is eene verslyting van Burgt, Burcht, Brucht; zie bl. 133. Heit, Heite, Heide is een oud-friesche mansvóórnaam, die als Haido, Heido by Förstemann vermeld staat, en die in den verkleinform Heitse, Haitse (beter schrijfwyze ware Heittse, Haittse, dat is: Heitke, Haitke; friesch ts = k) nog in Friesland in volle gebruik is. Van dezen mansnaam bestaan in Nederland nog de patronymika, als geslachtsnamen: Haytema, Haytsma, Haytsema, Haitsma, Haaitsma, Haitzema, Haites, Haaites, Haiting en Haitinck, Heidinga, Heitinga, Heitingh, Heidema, Heites, Heits, Heitsma en Heitsema, en eenige plaatsnamen. De mansvóórnaam Walte eindelik, als oud-germaansche mansnaam onder den form Woldo door Förstemann vermeld, is in Friesland nog heden in volle gebruik, gelijk ook Wassenbergh, [272]Leendertz en Brons getuigen. Deze naam kan ook aan de geslachtsnamen Walta, Walda, Wolda en Wouda ten grondslag liggen, even zeer als dit ontwyfelbaar het geval is by de geslachtsnamen † Waltinga, Woldinga, Woltinge en Woldinge, Woltema, Walts, Wolts, Woltjes, enz.

§ 103. Als voorbeelden van friesche geslachtsnamen op stra eindigende, en aan algemeen-aardrijkskundige namen ontleend (tegenhangers dus der namen in § 71 vermeld), noem ik hier de volgenden: Bergstra, Bogtstra (van bocht of kromming in straat of weg), Broekstra (van broek, moeras; zie bl. 249), Damstra,56 enz. By velen dezer geslachtsnamen zijn de algemeen-aardrijkskundige woorden die er aan ten grondslag liggen, aan de byzonder-friesche, niet aan d’ algemeen-nederlandsche taal ontleend. Dit is het geval by Bartstra, van barte, het friesche woord voor vonder of vondel, een paar samengevoegde planken die tydelik over eene sloot liggen om als brug te dienen—ook een houten stoep of opstap aan en over het water. Dit woord wordt door de Friesen nagenoeg zonder r uitgesproken: van daar de geslachtsnaam Batstra. Het friesche woord voor oever, waterkant, is bird (men spreekt uit bud); de geslachtsnaam Budstra (Birdstra ware beter geschreven) is er aan ontleend; zoo mede de plaatsnamen de Bud of de Bird, een gehucht by ’t dorp Grou, Tjallebird, Luniabird, twee dorpen in Eangwirden, alle drie in Friesland, enz. Dit friesche woord wordt ook wel verhollandscht tot bert. Men schrijft bovengenoemde friesche dorpsnamen ook wel als Tjallebert, Luinjebert, en het maakt in dezen form deel uit van de dorpsnamen Middelbert, Lettelbert, die in de oud-friesche Ommelanden van Groningen voorkomen. De naam van het dorp [273]de Beerta, in het groninger Oldambt, is ook al niet anders als dit oud-friesche woord voor waterkant of oever, en de groninger-friesche geslachtsnamen Beerta en Beerda zijn er aan ontleend. Aangaande dit woord bird leze men een opstel van myne hand »Friesche plaatsnamen”, in het Tijdschrift van het Nederlandsch aardrijkskundig Genootschap,—Nomina Geographica neerlandica—dl. I, bl. 76.

Een gegraven, gedolven vaarwater draagt in Friesland den oud-frieschen naam van deel; het Langdeel, het Scroetsma-deel by verkorting ’t Skroet genoemd, het Naudeel (nau == eng) zijn welbekende vaarwaters in Friesland. De geslachtsnaam Deelstra (zie bl. 245) is van dit woord afgeleid. In den byzonderen tongval der friesche taal die in den zuidwesthoek van Friesland inheemsch is (meest in Hemelumer Oldefert en Noordwolde), en dien men het Zuidhoeksch-friesch noemt, wordt dit woord deel als dol, dolte uitgesproken; b. v. de Dolte, eene gracht in de stad Workum. Van dezen byzonderen form is de geslachtsnaam Dolstra afgeleid. Deze woorden deel en dol (te) heeft men wel, en zeer te recht, verhollandscht tot delf. Zoo schrijft men den naam van een dorp in Schoterland dat in het Friesch Dolstrahusen heet, in geijkt boeke-hollandsch als Delfstrahuizen. Aan dezen verhollandschten form is de geslachtsnaam Delfstra ontleend.

Heem, in Friesland hiem, is het zelfde woord als het hoogduitsche heim en het engelsche home. Als hiem, hieminge beteekent het tegenwoordig in Friesland het erf, of de werf rondom een huis, vooral boerehuis. De geslachtsnamen Hiemstra, Heemstra, Van Heemstra zijn van dit woord afgeleid, even als Hooghiemstra en het half-verhollandschte Hooghiemster. Horn, hern, verhollandscht tot hoorn, zijn de friesche woorden voor hoek. De geslachtsnamen Hornstra, Hoornstra en Henstra (in plaats van Hernstra, omdat de Friesen in deze woorden de r niet uitspreken) zijn er van afkomstig. Hoekstra en Hoeckstra behooren ook hier toe. Over het woord keeg, waarvan de geslachtsnaam Keegstra (misschien ook, by verbastering, Keekstra en Kikstra), zie men bl. 250. Pyp, pîp, is het friesche woord voor eene boochformig geboude steenen brug. Van daar de geslachtsnaam Pypstra. De geslachtsnaam Polstra komt, even als Van [274]der Pol en Van de Poll, van het friesche woord polle, klein eilandje. Een rak, zoo noemt men in Friesland dat gedeelte van eenig vaarwater, dat zich in één zelfde richting uitstrekt. De geslachtsnaam Rakstra is aan dit woord ontleend. En ook de naam van het gehucht Franekerraksend (het einde van het Franekerrak) by de stad Franeker (waar onkundigen wel Franeker-accent van maken); tevens de namen van de amsterdamsche buurten Damrak en Rokin (het rak in).—Over de woorden set en sîl, waar de geslachtsnamen Zetstra en Zylstra aan ontleend zijn, zie men bl. 251 en 248.—Slot, burg, stins zijn woorden van vry wel de zelfde beteekenis. Zy gaven oorsprong aan de geslachtsnamen Slotstra, Burgstra en Stinstra (Stinsstra ware naukeuriger schrijfwyze). Van de Kasteele, Van den Casteele, Van Kasteel met Van den Burg, enz. zijn de tegenhangers van deze friesche namen, in andere nederlandsche gewesten. Een boerehuis, meestal tot eene kleine sate behoorende, waar de schuur, de stalling van het vee en het woonhuis van den boer allen onder één groot dak vereenigd zijn—waar dus dat groote dak als eene stulp of stolp die drie verschillende onderdeelen van een boerehuis overstelpt, heet in Friesland eene stjelp, verhollandscht tot stelp, en in Noord-Holland eene stolp. Het algemeen-nederlandsche woord stulp, geringe boerehut, is van den zelfden oorsprong. Deze woorden liggen aan de geslachtsnamen Stelpstra, versleten tot Stelstra, en Stulpstra, en aan het hollandsche Van der Stolpe ten grondslag. De woorden terp en wier hebben in het hedendaagsche friesche spraakgebruik al zoo tamelik de zelfde beteekenis. Beide woorden, waarvan de geslachtsnamen Terpstra en Wierstra zijn afgeleid (zoo mede Opwyrda, zie bl. 269), komen in friesche plaatsnamen voor. Slappeterp, Greonterp, Ureterp, Allingawier, Offingawier, Poppingawier zijn namen van friesche dorpen; en Hoogterp, Kleiterp, Westerterp, Laasterp, Luitsmaterp, met Heldewier, Noordewier en Rollingswier zijn friesche geslachtsnamen. Een andere form van het woord wier is weer, dat slechts in uitspraak een weinig afwijkt, en meer beoosten Lauers en beoosten Eems, in plaatsnamen voorkomt; b. v. in Mensingaweer, Tjamsweer, Marienweer, Abbingweer, allen [275]dorpen in Groningerland en Oost-Friesland. Langweer en de Wonser-weren zijn echter plaatsnamen uit het westerlauersche Friesland. De geslachtsnamen Weerstra (juist in de Wonser-weren inheemsch, en ongetwyfeld afgeleid van den naam van dat gehucht by ’t friesche dorp Wons) en Walsweer danken aan dit woord weer hun ontstaan. Het woord kerk is in het Friesch tsjerke, waar van de plaatsnamen (in eenigszins verhollandschten form) Tietjerk, Tjerkwerd, Tjerkgaast, enz. allen dorpen in Friesland. De geslachtsnamen Tjerkstra en het half-verhollandschte Kerkstra zijn er van afgeleid. Ten slotte zy hier nog vermeld de geslachtsnaam Waldstra van het friesche woord wald, bosch of woud. Half-verhollandscht komt deze naam ook als Woudstra en Houtstra voor.

Velen van deze stra-namen in Friesland hebben in de andere nederlandsche gewesten hunne tegenhangers in geslachtsnamen die met het voorzetsel van en een lidwoord zijn samengesteld. De aard der zake brengt dit mede. Zoo komt het friesche Baanstra overeen met het algemeen-nederlandsche Van der Baan en met Verbaan; Boomstra met Van den Boom; Kooistra met Van der Kooi (van het woord kooi, eendekooi); Laanstra met Van der Laan; Landstra met Van der Land; Meerstra met Van der Meer en Vermeire (hollandsch en vlaamsch); Walstra met Van der Wal; Wykstra met Van der Wijk. Al dezen namen komen, over en weêr, in beteekenis volkomen met elkanderen overeen.

§ 104. De algemeene aardrijkskundige namen, die aan de geslachtsnamen ten grondslag liggen, welke in de laatstvermelde afdeelingen zijn genoemd, zijn allen eenvoudig. Zij bestaan slechts uit het eenvoudige woord op zich zelven. Maar al die namen komen ook in samengestelden form voor, met nog een woord daar by tot nadere bepaling; b. v. watermeulen, in den geslachtsnaam Verwatermeulen, nevens het eenvoudige woord meulen of molen, in Van der Molen, Vermeulen, enz. Zulke samengestelde namen komen zoowel op zich zelven voor, als met een voorzetsel, of met voorzetsel en lidwoord beiden. Zie hier eenigen van die namen met voorzetsels en lidwoorden: Van den Aardweg met Van den [276]Eertweg, Van den Ertwegh en Van den Eirtweg, allen slechts verschillende schrijfwyzen van eenen en den zelfden naam (zie § 151); Van Bloppoel, waarschijnlik eene verbastering van Blokpoel, welke naam ook aldus op zich zelven voorkomt; de eene form zoo wel als de andere is in Zuid-Nederland inheemsch. Verder Verborghstad, Van den Braambussche, Van den Brandhof, Van der Heymeulen, Verdaasdonk, Verdysseldonk, Van Droogenbroeck, Van de Goorbergh.57 En ook Van de Cleemputte. Dit woord kleemput is slechts een andere form van leemput, een put of kuil of poel waar men leem uitgraaft, zooals vooral in de zuidelike gewesten van Nederland gevonden worden. Talrijk zijn de geslachtsnamen die aan deze leemputten ontleend zijn; b. v. behalven Van de Cleemputte nog Van Cleemput en Van Cleemputten, Cleemput, Leemput, Van de Leemput, Van de Leemputte, Van Leempoel, Leempoel (ook als oneigenlike vadersnaam Leempoels), Tot de Leemcule, Leemkuhl, Leemcoul in Limburg (zie bl. 256), ook verhollandscht tot Leemkoel, enz. Opmerkelik is het dat het grootste gedeelte dezer samengestelde, wel ietwat zwaarwichtige geslachtsnamen in de zuidelike gewesten t’ huis behoort.

Verder zijn nog samengesteld met het woord veld de geslachtsnamen: Booneveld, Daverveldt, Hengeveld, Heukensfeldt, Langeveld, Schooneveld, Roseveldt, Sonnevelt en Zonneveld, Maarleveld.

Met land: Baeckelandt, Dorland, Hartland, Hoogland en Laagland, Veenland, Weiland en Weitland. Wieland echter, ook als geslachtsnaam voorkomende, is oorspronkelik een oud-germaansche mansvóórnaam, die als zoodanig nog niet geheel onder ons buiten gebruik geraakt is. [277]

Met akker: Boonacker, Loerakker, Schoonakker, Wijlacker, Rooyakker, Paanakker.

Met made: Schoonmade, (Van) Venckemay, Dolkemade, Schravemade (zie § 186 en 143).

Met huis: Langenhuyzen, Goedhuis, Leemhuis, Steenhuyze, Jongerhuis, Rodenhuis en Roodhuyzen, Welkhuysen, Wilkeshuis, Wyckhuyse, Jelgerhuis, Norberhuis. Deze laatste naam komt ook in verbasterden en samengetrokkenen form als de geslachtsnaam Norbruis voor. Zoo wordt ook de geslachtsnaam Jelgerhuis (oorspronkelik en voluit Jelgera-huus) te Leeuwarden in de dageliksche spreektaal tot Jellegruis, Jellegruus verbasterd en samengetrokken. De geslachtsnaam Nieuwenhuis dient hier ook vermeld. Deze naam komt, in verschillende formen en spellingen (Nyhuis, Niehuis, Nyenhuis), veelvuldig voor, en zal in de meeste gevallen wel aan het benthemsche stadje Nieuwenhuis, Nienhuis, Nienhaus, tegenwoordig Neuenhaus, tusschen onze drentsche en twentsche grenzen gelegen, zynen oorsprong danken. Immers van ouds her zijn er steeds, jaar op jaar, jongelieden uit alle standen, zoowel mannelike als vrouelike, uit dit stadje naar Holland en Friesland getrokken, om daar werk en brood te zoeken en te vinden. By een, meest in Holland gezeten geslacht Nieuwenhuis heeft deze naam echter eenen byzonderen oorsprong. In de vorige eeu vestigde zich een Deen, Jacob Nyegaard geheeten, in Holland met der woon, en wel te Alkmaar. Het hollandsche volk maakte zich dezen, voor zynen mond eenigszins vreemden naam weldra beter van pas, door er, als in letterspel, »nydigaard” (iemand van nydigen aard) van te maken. Deze verbastering van zynen naam mishaagde onzen Deen. Om dus te voorkomen dat deze verbasterde naam weldra volle gelding, als het ware burgerrecht zoude erlangen, zette hy het deensche Nyegaard in het hollandsche Nieuwenhuis om. Zyne afstammelingen voeren dezen naam nog heden.58 Althuis en Althuysen zijn geslachtsnamen die ook verlatynscht als Althusius en Althuysius voorkomen, en deze [278]latynsche formen zijn weêr in omgekeerden zin half en half terug verloopen in het Nederlandsch, tot Althuizes. In de zelfde verhouding staan ook de geslachtsnamen Heshuysen en Heshusius tot elkanderen. De algemeen-aardrijkskundige namen veld en huis komen beiden voor in den geslachtsnaam Huis-in-’t-Veld.

Met hof: Aldershof, Ameshoff, Attenhoven, Balkenhoven, Bomhoff, Eekhoff, Eeckhoff en Eekhof, Kouwenhoven, Kruythoff, Noordhof, Nyhoff, Rauwenhoff, Sijthoff, Spaenhoven, Uuldershof, Uvenhoven, en het verlatynschte Lindenhovius. Hof, hove, have zijn oorspronkelik de zelfde woorden, in verschillenden form en uitspraak. Zoo zijn b. v. de namen der oostfriesche dorpen Marienhave en Engerhave, tegenwoordig ook wel als Marienhafe en Engerhafe, zelfs wel door misverstand als Marienhafen en Marienhaven geschreven, geenszins van het woord haven afgeleid, maar integendeel van have, hove, hof. Zoo zijn ook de geslachtsnamen Ten Have, Van ’t Haaf, Van der Have en Verhave met Opgenhaaffe (zie bl. 259 en 260), Van Schevichaven, Manhave en Nunninghaven, misschien ook met Seynhaeve en Seynaeve, mijns inziens, samengesteld met have, hof, en niet met haven (portus). Dat have in der daad wel hove is, blijkt ook uit de geslachtsnamen Van Bokhoven, Van Bochove, Verboeckhoven, Verboeckhaven en Verbockhaven, die nevens elkanderen, vooral in de zuidelike Nederlanden voorkomen, en oorspronkelik allen wel van eenen en den zelfden stam, van een en het zelfde algemeen-aardrijkskundige woord (bok- of boekhof, beukenhof) zullen ontleend zijn. Zoo vind ik ook in 1649 iemand die den geslachtsnaam Van Schevinckhoven voert;59 zeer waarschijnlik is dit de zelfde geslachtsnaam die tegenwoordig als Van Schevichaven voorkomt.

Daarentegen meen ik in de geslachtsnamen Van de Haven, Noorderhaven en Oosterhaven het woord haven (portus) te moeten erkennen. Noorderhaven komt, als weêrga van Norbruis uit Norberhuis, ook in samengetrokkenen en verbasterden form als Noordraven voor. [279]

Opmerkelik is het, onder de talryke hofnamen, den form hoff, met twee letters f, zoo veelvuldig aan te treffen.

Met oever: Van Goudoever, Kortenoever, met Ten Oevere, Ten Oever en Van den Oever.

Met berg: Asselbergh (Asselbergs is hiervan een oneigenlike vadersnaam; zie bl. 188), Bloemberg en Bloembergen, Cauwenbergh, Engelenberg, Hazenberg, Kleyberg, Knynenberg, Loosbergh, Halsberghe, Maekelberg, Mijsberg, Schenkenberg. Opmerkelik is het dat er in ons vlakke Nederland zoo byzonder veel namen voorkomen die met het woord berg zijn samengesteld. Zoo is ook de geslachtsnaam Van den Berg een der algemeenste, overal voorkomende namen. Trouens, eene verheffing van den bodem, weinige ellen hoog, wordt door het nederlandsche volk reeds met den naam berg, zoo niet hooge-berg vereerd. De dalen zijn in onze geslachtsnamen oneindig veel geringer in aantal.

Met dal: behalven Van Dale en Van Daele, nog Eikendal, Lovendaal, Boterdael en Botterdaele (ook Van Boterdael en Butterdael) en, als weêrga van dezen naam, Boterberg (beide te Brussel). Verder Diependaele, Candaele, Hennixdael (Hennink’s dal; zie bl. 52), Hinderdael, Hiebendaal, Leeuwendaal, Groenendaal.

Met duin: Noorduyn, Rijsduin, Westerduin, Vredenduin, Zuiderduin.

Met beek: Camelbeek, Geysbeek, Heymbeeck, Ysenbeek, Legebeke, Noordbeek en Noorbeek, Schaeverbeke, Swaanebeek en Zwanenbeek, Siegenbeek, Wolterbeek. In de oostelikste (saksische) gouen van ons land, in Twente en den gelderschen Achterhoek, wordt het woord beek als bek, bekke uitgesproken. Van daar plaatsnamen als de Bekkematte, buurt by Eibergen; Bekveld, buurt by Hengelo (O); de Rammelbekke of Rammelbeek, enz. in die gouen. En van daar ook geslachtsnamen als Schierbeck (het verhollandschte Schierbeek komt ook voor), Thor Becke of Thorbecke (zie bl. 264), Uhlenbeck, Bekhuis nevens Beekhuis, Visbeck nevens Visbeek, Vor der Wullbecke (zie bl. 255), enz. De uitspraak van het woord beek als bek (beck) of bekke strekt zich ook [280]over geheel Westfalen en andere aangrenzende duitsche landen uit, en geslachtsnamen op beck eindigende, komen ook daar menigvuldig voor. Velen van de thans als nederlandsche namen geldende maagschapsnamen met beck samengesteld, zullen dan ook wel over onze oostelike grenzen tot ons gekomen zijn. Geenszins zeldzaam zijn ook in Nederland de hoogduitsche geslachtsnamen die op bach eindigen. Deze namen, als vreemden, kunnen eigenlik in dit werk niet in aanmerking komen. Maar toch dient hier vermeld te worden dat enkelen dezer bach-namen in schrijfwyze verhollandscht zijn, en nu op bagh of op bag uitgaan. Zulke namen zijn: Breydenbagh, Avenbag, Kolbag, Dievenbag (verhollandsching van Tiefenbach?), enz. Andere oorspronkelik hoogduitsche bach-namen zijn geheel vertaald geworden in het Nederlandsch; b. v. Breidenbach tot Breedenbeek; Kalsbach tot Kalsbeek; Stolzenbach tot Stoutenbeek, enz.

Een groot gedeelte van Nederland heeft geene beken, maar zooveel te meer slooten. Toch zijn de maagschapsnamen met het woord beek samengesteld, talrijk in vergelyking met die welke van het woord sloot afgeleid zijn. Behalven Van der Sloot zijn my slechts bekend: Donkersloot en Helsloot (tegenhangers? zie § 168), Ouwersloot, Galesloot, Korsloot, Wykersloot met De Wykerslooth in half-franschen, dus onzinnigen form, enz.

Grachten en vlieten zijn in Nederland al niet minder talrijk dan slooten. Toch zijn ook de maagschapsnamen, aan deze woorden ontleend, zeldzaam. Ik ken slechts Van der Gracht en Van der Graft, Berghgracht (eene min of meer zonderlinge samenstelling), Steengracht en Coenegracht. Deze laatste naam komt ook als oneigenlike vadersnaam, als Coenegrachts voor; en dan ook nog te Hoegaarde (Hougaerde) in Zuid-Brabant, op de grenzen van ons taalgebied, door misverstand en in verbasterden form, als Coenegras. Verder Godvliet, Polvliet met Polfliet en Pollefliet, Schyvliet en Sneevliet met Van Vliet, Van der Vliet en Vervliet.

Water en a of aa (het oud-nederlandsche woord voor water), broek, poel, moer of moor (moeras), meer, vaart en diep zijn allen algemeene aardrijkskundige woorden, die men, in aanmerking genomen de gesteldheid van een zeer groot deel des nederlandschen [281]bodems, met reden in groot aantal als samenstellend deel van nederlandsche geslachtsnamen zoude kunnen verwachten. Toch komen zy zoo byzonder talrijk niet voor. Zie hier eenigen van die namen: Blankwater, Borrewater en Bornwater, Hoekwater, Leegwater, Meulewater, Slagwater met Van de Water en Van de Wateren.—Minderaa, Wykeraa en Van Wiekeraa, Van der Aa en Van der Ouderaa met Van der Auweraa.—Beerenbroek, Biesbrouck, Eysbroek, Hagebrouck, Meulebrouck met Muelenbroock (in Duitschland is Mühlenbruch een tamelik algemeene maagschapsnaam), Slimbrouck, Surenbroek, Rubroek, met Van den Broek, Van de Broecke, Ten Broek, Ten Broeke, Broekstra, Broekman, misschien ook Broeker en Brooker, Brookman en zelfs Brauckmann, met Ten Brake, Braakman, enz. Verder Van der Poel en Poelstra, Toe Poel (zie bl. 263), Poelman en Poelmans, misschien ook Spoelders (’s poelders, des poelderszoon, zie bl. 184), en Poolman, met Abspoel, Zwanepoel, Evenepoel, Polspoel, Rikmenspoel, Vogelpoel (met Van Vogelpoel) en de neder-(plat-)duitsche weêrga van dezen naam Vagelpohl, enz. Deze neder-(plat-)duitsche form van het nederlandsche woord poel, te weten pool of pohl, komt ook voor, nevens Vagelpohl, in de maagschapsnamen Cleypool, Weddepohl en Poolman met Pohlmann; zie bl. 197. Dan Van der Moere met Van der Moer en Vermoure, Moerman en Moorman (zie bl. 198). Eindelik Van der Meer met Belkmeer, Noordermeer, Bennemeer, Leyermeer, Schoffelmeer en Zuidmeer; Van der Vaart met Heyvaert, Poldervaart en Zuidervaart. Wat de maagschapsnaam Heyvaert aangaat, zoo heb ik wel eens hooren beweren dat deze naam van engelschen oorsprong, en eigenlik Hayward was. Ook de geslachtsnaam Engelvaart durf ik naueliks tot de namen rekenen, die met het algemeen-aardrijkskundige woord vaart samengesteld zijn. Wel is er werkelik in Friesland, by het Heerenveen, eene vaart die de Engelenvaart heet, maar deze aardrijkskundige naam is ontleend aan den geslachtsnaam Van Engelen, en de maagschapsnaam Engelvaart heeft er dus niets mede te maken. De Zuid-Nederlanders [282]zeggen, zeer te recht, Godevaart voor Godfried, Govert; zoo kan ook Engelvaart een zuid-nederlandsche form wezen van den oud-germaanschen mansvóórnaam Engelfried. Dezen byzonderen zuid-nederlandschen form vinden wy terug in de vlaamsche dorpsnamen Godveerdeghem en Hemelveerdeghem, heim of woonplaats der Godveerdingen en der Hemelveerdingen, dat is: der nakomelingen van Godveerd, Godevaert, Godfried en van Hemelveerd, Emelveert, Emelvaert, Amelfert.60 Van het groningsch-friesche woord diep voor vaarwater (zie bl. 245) is de maagschapsnaam Westerdiep ontleend.

Waar water is, daar zijn ook dyken, dammen, sluisen, bruggen, veren en voorden. Deze algemeen-aardrijkskundige woorden vinden wy in de maagschapsnamen Van Dijk, zeer talrijk, en Dykstra, eveneens. Verder in Ackersdijk, Bazendijk, Bilderdijk, Burgersdijk, Craandijk, Hofdijk, Hordijk, Soutendijk, Wesseldijk, enz. Ook in Dijkman en Dijkmans. Deze met dijk samengestelde namen komen hooftsakelik, zoo niet uitsluitend, in Noord-Nederland voor, en zijn daar geenszins zeldzaam. Of de maagschapsnaam Kerdijk ook tot deze namen, met het woord dijk samengesteld, behoort, meen ik te mogen betwyfelen, al kan ik hem ook anders niet verklaren. Dam-namen zijn Van Dam, zeer algemeen, ’t welk in ons damrijk land geen wonder is; Verdam, Bekedam, Bondam, Duindam, Hoogendam, Nieuwendam (kan ook een byzondere aardrijkskundige naam zijn, ontleend aan den naam van het dorp Nieuwendam in Noord-Holland aan het Y; zie ook § 156) en Nydam, Ryersdam, Soutendam, Stouwdam.—Beversluis met Van der Sluis en Versluys, misschien ook met Sluizer.—Van ’t Sas is de zeeusch-vlaamsche, Van Zijl (en Zylstra) de friesche tegenhanger van Van der Sluis. Het woord brug vinden wy in de maagschapsnamen Van de Brug, Van der Brug, Van der Breggen, Van Bruggen, Brugman, Bruggeman, Brugmans, in Barenbrugh, Koebrugge, Leembruggen, Meulenbrugge, Mijnsbrughen (zie bl. 276), Niggebrugge, enz. Laatstgenoemde naam zal wel over onze oostergrenzen [283]tot ons gekomen zijn, en dan nieue brug beteekenen, naardien het woord nieu in sommige westfaalsche tongvallen, o. a. rondom Osnabrück, uit welke oorden er steeds zoo velen naar Nederland kwamen afzakken, als nigge wordt uitgesproken. In de maagschapsnamen Van der Veer en Verveer, De Veirman, Veerman, Altveer, Cijfveer(?) en Westveer vinden wy ’t woord veer; misschien ook in De Veer. Maar deze laatste naam is my twyfelachtig—ook al om het afwykende geslacht, dat, blykens het lidwoord, in dezen naam het anders onzydige woord veer heeft. De Veer zoude ook kunnen zijn het woord veêr, veder, vogelveêr, en dan oorspronkelik als huisnaam. Te Amsterdam toch staat nog op den Nieuwendijk een huis, dat »de oude Veêr” heet, en waarin van ouds een beddewinkel (van veêren bedden) was; en te Rotterdam komt nog de geslachtsnaam Veder voor. Het kan ook zijn eene verkorting van het oud-friesche woord feder, vader. Te Hindeloopen spreken de kinderen hunnen vader nog aan als feer; en de maagschapsnaam Vader is niet zeldzaam; in de vlaamsche gewesten komt hy ook in samengetrokken form, als De Vaere voor. Het woord voort, voorde, plaats waar men door het water waadt, komt voor in de maagschapsnamen Van der Voort, Van der Voorde, Vervoort, Vervoorde, Vervoerde, Voorda, Voerda, Voortman, Balfoort, Blankevoort, Langevoort, Markvoort, Gantvoort, Poelvoorde, Vredevoort, Wagenvoorde en Ten Bengevoort (ten Benninge-voorde?).

Oort en weert, weide, veen en heide, bosch en loo, hout en woud, roode, marsch en geest, donk en horst formen eene andere groep van algemeen-aardrijkskundige namen, die grootendeels talrijk voorkomen in allerlei geslachtsnamen. Zie hier eenige voorbeelden: Van Oort en Van Oorde, Op den Oort (zie bl. 254), Bredenoort, Hagoort, Kraayenoord, Schilperoort; Van de Weert, Blyweert, Duyvewaerdt en Flikweert; Lagerwey en Klaverweyden met Van der Weide, Van de Wey, Verwei, Verwey, enz. Van den Bosch, Van den Bussche en Van den Bos met Boschman, Buschman, Bosman, misschien ook met Bosscher, Busscher, Bosker en Busker, en Bosgra, volgens het friesche taaleigen; Bysterbos, [284]Doorenbosch, Doornbosch en Doorenbos, Hulsebos, Strybos, Veenenbos, Wylgenbosch. Opmerkelik, dat by het grootste gedeelte dezer namen het woord bosch zyne ch verloren heeft.—Een loo is een eikenbosch, of naukeuriger gezeid: een oord met jong eikenhout bezet, een akkermaalsbosch, waar men dunne eikenstammetjes kweekt, als hakhout, vooral om de bast er van als looistof te gebruiken. Hangen onze woorden loo en looien niet samen? Wy vinden dit oud-germaansche woord, dat ook in nederlandsche plaatsnamen zoo veelvuldig voorkomt (Almeloo, Beverloo, Eekloo—dat is tweemaal het zelfde gezeid,—Groenloo), terug in de geslachtsnamen Van de Loo, Loman met Looman en den hoogduitschen form Lohmann (alle drie vry algemeen), Apperloo, Boschloo, Biddeloo met Bidloo en misschien ook met Pitlo, en de versletene formen Beeloo en Beelo; verder in Donkerloo, Oosterloo, Tinckloo, Venverloo, Wesseloo, Zelderloo. De byzondere maagschapsnaam Deurloo (zie bl. 220) behoort hier ook genoemd te worden. Het eikenbosch dat aleer dien naam gedragen heeft, ligt nu verdronken in den mond der Hont of Westerschelde, in de Noordzee. De naam echter, een zeer oneigenlike voor eenen riviermond (dies zeit men ook wel »de Rassen”), is tot op den dag van heden aan die plaats gehecht gebleven. De geslachtsnaam Anslo (†?) is ook byzonder, en behoort by deze algemeen-aardrijkskundige namen eigenlik niet. C. Honigh in zyne Reisschetsen uit Noorwegen (De Gids, jaargang 1884, bl. 228) vermeldt het volgende: »Claes Claessen, de grootvader van den zeventiende-eeuwschen dichter Reyer Anslo, en stichter van het Ansloos-hofje in de Egelantiersstraat, was in 1555 in Oslo geboren. Zyne nakomelingen voerden den uit Oslo verbasterden geslachtsnaam Ansloo.” Oslo is de naam van eene oud-noorsche stad, in den jare 1624 verbrand en niet weêr herboud. In plaats daarvan werd de tegenwoordige hoofdstad van Noorwegen, Christiania, gesticht.

Over de beteekenis van het woord rode of rade zie men bl. 248. Behalven de namen, daar ter plaatse opgenoemd, zijn met dit woord nog samengesteld de maagschapsnamen Van Roo, Van Rode, Van de Raadt, Breedenraedt, Bruynseraede, [285]Hoogenraad, Stramrood, Schreveraey (dat beduidt: des graven rade), Tavenraat, Weustenraadt, Mallinckrodt.

Hout en woud in frankischen, holt en wold in saksischen form zijn woorden van eene en de zelfde beteekenis, ook van eenen en den zelfden oorsprong. Behalven in talryke plaatsnamen, en in de eenvoudige maagschapsnamen Van Hout, Van Haute, Van ’t Hout, Van Holte, Van den Haute, Van Houte, Van Houtte, Van Hautte, Op ’t Holt, Houtstra, Van Woude, Van ’t Wout, Van der Woude, Van der Wouw, Verwoude, Verwou, Verwolde, Van de Wolde, Woudstra, Woldstra, Houtman, Wouman, enz. vinden wy deze woorden in de meer samengestelde geslachtsnamen Boekhout, Boekhold, Bouckout, Bouckhaut, enz., Frankenhout, Halverhout, Langhout, Mansholt, Eekhout en verwante formen (zie §135), Moerenhout, Schelfhout (de zelfde naam komt in de zuidelike Nederlanden voor als Schelfaut), Spitholt, Suyderhoud, Vastenhout en Vastenoudt, Wechterholt, Wentholt en Witholt. Deze namen, met hout, holt samengesteld, zijn byzonder talrijk in allerlei formen en schrijfwyzen. En dit is ook met de woud- en wold-namen het geval: Bruinwold en Bruynewold, Duysterwout, Dunnewold, Swartwold, en vooral ook Groenewold, dat met Groenewoud, Groenewoldt en zelfs met het half en heel hoogduitsche Groenewald en Grünewald, vry algemeen is.

Geest en Gast (zie bl. 247), komen voor in Van der Geest, Ter Gast, Geestman, Gastman, Van der Gaast, Geestra en Gaastra, Brondgeest, Houckgeest, Wittegeest, Zuidgeest. Marsch of mersch en meersch in Van der Marsch, Ter Marsch, Wittemarsch, misschien ook in Marsman en Mersman. Verder in Vermeersch, Overmars, enz.

Het woord heide treft men in de maagschapsnamen Van der Heide, Van der Hei, Van Hei, Van Heed, Van Hee, Verhey, Oosthey, enz. Het woord donk in Donck, Van Donck, Van der Donk en Verdonck, Daesdonck, Haseldonck, Kilsdonck, Lindonk, Meynendonk, Kranendonk en Cranendoncq, Stipdonck en Surendonk. Deze geslachtsnamen met donk samengesteld, en eveneens de plaatsnamen op donk eindigende, [286]komen meest in de zuidelike Nederlanden voor. Horst (zie bl. 250) vindt men in Van der Horst, Ter Horst, Ingenhorst en Horstman. Verder in Binkhorst, Bronkhorst, Methorst, Quellhorst, Riedhorst, Rouwenhorst, Selhorst, Snaakhorst.

Eindelik nog eenige veen-namen: Van der Veen en Van der Feen, Feenstra en Veenstra komen zeer talrijk voor, hooftsakelik in de noordoostelike Nederlanden, waar veel venen zijn. Verder: Glimmerveen, Nederveen, Noortveen, Oostveen, Roggeveen, Sureveen, en Roveen, Zwarteveen en Witteveen. Men onderscheid in de veenstreken, naar mate van den byzonderen aart van het veen, roodveen, witveen en zwartveen. Van daar deze maagschapsnamen.

§ 105. Eene laatste groep van algemeen-aardrijkskundige woorden omvat de benamingen van zulke zaken welke meer bepaald aan de werkzaamheid van den mensch hun ontstaan danken; als: burg, zeele, hoek, werf, brink, kamp, laan en baan en weg, kuil en put, wijk, tuin en gaarde. Ook al deze woorden komen veelvuldig in samengestelde en enkelvoudige algemeen-aardrijkskundige geslachtsnamen voor. Enkelen van dat groote aantal dienen hier vermeld te worden.

Met burg en borg (oorspronkelik burcht, borcht, slot, kasteel) zijn samengesteld—behalve Van den Burg, enz.; Buddenborg, Meerburg, Moolenburgh, Ypenburg, Schotborgh, Siedenburg, Smallenburg, Spierenburg, Stekelenburg, Sterkenburg en Starkenborg, Witsenborg, Waterborg, Wekenborg, Meyborg, Pannenborg. In navolging van de namen der middeleeusche burchten, gaven ook vele zeventiende- en achttiende-eeusche Nederlanders, vooral Hollanders, zulke burg-namen aan hunne landgoederen en buitenplaatsen. En ook zulke nieue burg-namen zijn wel als geslachtsnamen in gebruik gekomen. In den regel was het niet de heer, de eigenaar van zulk een landgoed, die den naam daarvan als geslachtsnaam aannam, maar de rentmeester of de tuinbaas of een pachter, als zy er jaren lang gewoond hadden, en als ’t ware met zulk een landgoed vereenzelvigd waren geworden. Men kent [287]zulke nieuerwetsche burgnamen wel aan hunnen soms gewrongenen, ook burgerliken form; b. v. Eendenburg, Paddenburg, Rustenburg, Uilenburg, Vaartburg, Waayenborg, enz. allen hedendaagsche geslachtsnamen.

De namen der middeleeusche burchten en sloten eindigden dikwijls op stein of steen, het zy om aan te duiden dat het vaste huizen waren van steen geboud (stinsen, stenhusen), of dat ze op eenen steen of rots waren gegrondvest. Het eerste was meest het geval in de Nederlanden, waar de woningen der poorters in de steden en vooral ook der boeren ten platten lande, in de middeleeuen doorgaans van hout waren, met riet of stroo gedekt. Het andere kwam uit den aard der zake meer in hooger gelegene landstreken aan en over onze oostelike en zuidelike grenzen voor. Later werden zulke steinnamen, even als de burgnamen, ook dikwijls aan burgerlike landgoederen en buitenplaatsen gegeven, en die namen zijn ook al tot hedendaagsche geslachtsnamen geworden. B. v. Boekestein (ook Boekestijn komt voor, in wanspelling—zie § 157); Druyvesteyn, Oudsteyn, Pecsteen(?), Quakkelsteyn, Sypesteyn, Wecksteen met Wegsteen en Weeksteen, enz. Verder Hoekstein en de hoogduitsche weêrga daarvan, Ekstein en Eckstein, die te Antwerpen nog eens in spelling veranderd als Exsteen voorkomt; buitendien nog Van der Steen, Steenstra, Stienstra, enz. De friesche maagschapsnaam Hoogstins dient hier ook vermeld.

By sommige oud-germaansche volksstammen, onder anderen by de Saksen, voor een deel onze voorouders, werd de groote woning van eenen hoofdman of ander aanzienlik persoon sale of sele genoemd. Dit woord, oorspronkelik na verwant met het woord hal, halle, eene opene, door zuilen geschraagde woning beteekenende, gelijk die oud-germaansche selen veelal waren, bestaat nog in ons woord zaal. En tevens, vooral ook in den form zele, zeel, maakt het deel uit van vele nederlandsche plaatsnamen: Oldenzaal b. v. stad in Twente, en Oudezeele, dorp in Fransch-Vlaanderen; beide namen leveren slechts een verschil op in tongval. Verder in Scherpenzeel, zoo heeten twee nederlandsche dorpen, een in Friesland, en een in Gelderland op de Feluwe; Loenderzeel, Bissezeele, enz. In geslachtsnamen is dit woord tamelik zeldzaam. [288]My zijn bekend: Bruynzeel, Immerzeel, Ipperseel, Nevenzeel; en waarschijnlik ook Wittezaele. Buiten dien nog Verzele.

Stede, steê, woonstede, vinden wy in de geslachtsnamen Borgstede, Alsteede, Damsté, Duynstee, Haagstee, Hoogsteede (het weinig afwykende Hoogstad komt ook voor; dit is waarschijnlik een byzondere plaatsnaam, afgeleid van Hochstadt, een plaatsnaam die veelvuldig in Duitschland voorkomt). Verder Kolstee, Maalsteed (ook half hoogduitsch geschreven als Mahlstede), Volsteedt, enz.—Wijk, een woord van verschillende beteekenissen, komt voor in Damwijk, Frieswijk, Haelewijck, Klapwijk, Kromwijk, Sandwijk, Swaanswijk, Vaerewijck, Woudwijk, enz.

Met hoek samengesteld zijn de geslachtsnamen: Kalishoek, Noordhoek, Kurpershoek, Leegenhouck, Molhoek, Smitshoek, Spieringshoek, Oosthoek, Stegerhoek. Horn en hoorn is het zelfde als hoek. Dit oude woord, van frieschen oorsprong (zie bl. 250), vinden wy in de geslachtsnamen: Barghoorn, Dijkxhoorn, Droghorn, Spilthoorn, Oosterhoorn, Wolthoorn, enz. Een ander woord voor hoek is winkel, waarvan ons woord winkelhaak; zie ook bl. 204. Winkel is het tegenovergestelde van horn; het eerste woord beteekent een binnen-, het andere een buitenhoek. Het woord winkel komt voor in de geslachtsnamen Baerwinckel, Boswinkel, Cramwinckel, Gleenewinkel, Hooghwinkel, Kattewinkel, Hanewinkel, Hasewinkel, Nieuwinckel, Romswinckel; buitendien in Van de Wynckel. In den geslachtsnaam Vettewinkel schijnt het woord winkel my toe de nieuere beteekenis te hebben van een gedeelte van een huis, een voorhuis, waar koopwaren uitgestald zijn en verkocht worden. Een winkel, waar vet, boter, olie, spek en dergelike dingen te koop zijn, noemt men wel een vettewinkel. Den man, die zulk eenen vettewinkel houdt, noemt men te Middelburg, en elders in Zeeland en Vlaanderen, met het zonderling geformde bastertwoord vettewarier, van vette waar afgeleid. De maagschapsnaam Rooswinkel zal wel oorspronkelik de naam zijn van het dorp Roswinkel in Drente.

Werf, brink, kamp, laan, baan, einde, weg, kuil en put, tuin [289]en gaarde zijn algemeene aardrijkskundige woorden, die geenen naderen uitleg eischen, en die in talryke geslachtsnamen voorkomen. Zie hier eenige voorbeelden daarvan:

Met werf zijn samengesteld: Van der Werf, Van de Werve, Bergwerf, Disselwerf, Hoogewerf, Lagewerff.

Met brink: Van den Brink, Van de Brinke, Ten Brink, Brinkman (deze naam is, als Brinkmann, ook dikwijls uit Westfalen, waar hy zeer algemeen is, tot ons overgekomen), Dambrink, Hurrelbrink, Kraayenbrink, Kottelbrink, Kruisselbrink, Sandbrink, Speekenbrink, Veenbrink, Westenbrink. Ook Stornebrink en Störnebrink, dat in Friesland, in uitspraak op friesche wyze verbasterd en op hollandsche wyze geschreven, als Steunebrink voorkomt.

Met kamp: Van der Kamp, Kampstra, Belekamp, Elskamp, Feltkamp en Veldkamp, Hasekamp, Haverkamp, Peperkamp, Reuvekamp, ook op hoogduitsche wyze als Rövekamp geschreven, Schalekamp, Steenkamp, Westerkamp, Witkamp.

Met laan: Van der Laan, Laanstra, Batelaan, Felperlaan, Yperlaan, Langelaan, Zuiderlaan.

Met baan: Van der Baan, Baanstra, Oosterbaan, Schiebaan, Westerbaan, Zuiderbaan.

Met einde of ende: Van der Ende, Van ’t Einde, Endstra, Balkenende, Zuiderend.—Van den Hende, in Vlaanderen inheemsch, behoort waarschijnlik ook wel hier, als eene, in Vlaanderen niet ongewone wanspelling van Van den Ende.

Met weg: Van der Weg, Wegstra, en Weistra (weg = wei in het Friesch), Breedeweg, Groenewegen, Harweg en Harwegen, Heirwegh, Herrewegh, Heerwegh, Hoogeweegen, Hoornweg, Korteweg, Kleiweg, Schuerwegh.

Met kuil: Van der Kuylen en Verkuilen, Koelstra, Ter Kuile, en half-hoogduitsch Ter Kuhlen; verder Leeuwenkuyl, Steenkuyl, Wolfskuyl, Voskuyl en Voskuil. De laatstgenoemde naam is geenszins zeldzaam, en aan verschillende geslachten eigen. Ook als Voskuilen komt hy voor. Hy is ongetwyfeld aan een wezenlik vossehol ontleend, even als de maagschapsnaam Wolfskuyl aan een wolvehol. Maar om het ontstaan van den [290]geslachtsnaam Leeuwenkuyl te verklaren, heeft men aan eenen oneigenliken oorsprong van dezen naam te denken. En wel aan eenen huisnaam, aan eenen gevelsteen, die »Daniël in den leeuwenkuil” voorstelde. De huisnaam is dan hier op den bewoner van het huis overgegaan, gelijk oudtijds geenszins zeldzaam geschiedde. Zie § 128 en vervolgens. Reeds in 1578 was er te Amsterdam een huis, »de kuil der Leeuwen” geheeten; de bewoner van dat huis werd genoemd Simon Pietersz. in den kuyl der Leeuwen61. Over sommige namen, die met coul, een andere form van het woord kuil zijn samengesteld, zie men bl. 256.

Met put: Pitstra, Helleputte, Nechelput, Verseput (dat is een put van versch, zoet water, in tegenstelling van brak of zout water), Waelput, Wullepit. Over put en pit, en over een paar geslachtsnamen, met dit woord samengesteld, zie men bl. 251.

Met tuin: Tuinstra, Houttuyn (de maagschapsnaam Tuinhout komt ook voor; als tegenhanger? zie § 168), Vlastuin, Elsentuin, Blomtuin. Het woord houttuin beteekent eene omtuinde of omheinde plaats, waar timmerhout bewaard wordt. Aan de buitenhelling van den ouden Haarlemmer-dijk te Amsterdam lagen oudtijds zulke houttuinen. Van daar dat de buurt, die later daar ter plaatse ontstond, nog heden den naam draagt van »de Haarlemmer Houttuinen.”

Met gaarde: Diergaarde, Roosegaarde, Schilfgaarde, Oolgaardt. Zoude deze laatste naam geene verbastering zijn van den hoogduitschen naam Oelgarten, dat oorspronkelik een oud-duitsche naam is voor den Olyfberg, anders gezeid Gethsemane, of wel Hofken van Oliveten, gelijk de Vlamingen zeggen. Ook Vergaerde, samengetrokken uit Van der Gaerde, komt voor. In den geslachtsnaam Mergaert meen ik eenen versletenen oud-germaanschen mansvóórnaam (Markwart, Merkart, Merwart?) te vinden.

De maagschapsnaam Noordziek, die aan oningewyden, welke zynen oorsprong niet en kennen, al zeer zonderling moet toeschynen, behoort mede tot de namen van algemeene aardrijkskundige beteekenis. Eigenlik behoort deze naam tot de nederlandsche namen [291]niet. Hy is slechts eene verdietsching van den oorspronkelik hoogduitschen naam Nordsieg of Nordsieck, die onder deze beide formen nog in Duitschland voorkomt. Het woord sieg of sieck in dezen naam, en in eenige andere geslachts- en plaatsnamen voorkomende, is een zoogenoemd algemeen aardrijkskundig woord; het beteekent: een laag, vochtig oord.62 Ook eenige andere maagschapsnamen, thans in Nederland inheemsch, maar die ongetwyfeld van hoogduitschen oorsprong zijn, ofschoon sommigen min of meer verdietscht zijn in spelwyze, zijn met dit woord samengesteld. B. v. Bohnensieg, Braakensiek, Bommelsiek, Brummelsiek, Erdtsieck, Heidsieck, Steinziek, Uhlmansieck en Wellensiek met Siekman, Siegman en Ziekman. Middellik behoort de geslachtsnaam Hagenzieker ook tot deze kleine en byzondere groep. Hy is namelik afgeleid van eenen hoogduitschen plaatsnaam Hagensieck; van deze plaats was de man die eerst den naam Hagenzieker voerde, zeker herkomstig; zie § 70.

§ 106. Daar zijn nog vele andere algemeene aardrijkskundige woorden, die als geslachtsnamen dienst doen. De byzondersten daarvan hier ook slechts te melden, zoude reeds te veel ruimte eischen. Die namen te verklaren, ware ook overbodig; zy zijn in den regel duidelik genoeg. Als voorbeelden kunnen gelden de maagschapsnamen Kalkoven en Tiggeloove (misspelling van Ticheloven), Zeedijk, Hooyschuur, Hogetoorn, Schutstal, Koestal, Schapenstal en Schaaphok, Hofstede en Hofstee, Hoogeboezem. Boezem heet het binnenwater van een waterschap of polder-district; van daar ook de geslachtsnaam Van den Boezem. Verder Voorspuy, Binnekolk en Stouwdam (een dam in stroomend water gelegd om het water op te stuwen of te stouen, in het Hoogduitsch ook stau genoemd), ook namen aan de water-aangelegenheden van onzen bodem ontleend. Dan nog Noordhoek, Bloemhof, Lusthoff, Appelhof, Blomtuin, Wijnberg, Vlasveld, Boomgaard, Wijngaard, Kerkhof. Vooral de drie laatste namen komen menigvuldig [292]en onder allerlei formen voor; als: Kerckhof, Kerckhoff, Van den Kerkhove, Van de Kerckove (dit is een vlaamsche form, zonder h); Van den Wijngaerde, Van den Wingert, Onder de Wijngaard, enz. Maar de formen waaronder het eenvoudige woord Boomgaard als maagschapsnaam voor den dag komt, zijn byzonder groot in aantal. Zie hier slechts eenigen daar van, als een tweede voorbeeld (’t eerste staat op bl. 155 en 156), van den formenrijkdom onzer sprake: Boomgaard, Boomgaerd, Boomgaert, Boomgaerdt, Boogaert, Bogaert, Bogaerdt, Bogert, Bongert, Boomgert, Van den Boomgaard, Van de Boomgaard, Van den Bogaert, Uyttenbogaerdt, Ten Bogaerde, enz. Ook als oneigenlike vadersnamen komen deze namen voor: Bogaerds, Bogaerts, Bogaertz, Bogerts, Bongarts, zelfs Bungartz, en verlatynscht tot Bogardus. De formen Bongert en Bonger echter, met Bongerts en Bongers, kunnen ook afkomstig zijn van het oud-nederlandsche woord »bonger”, ’t welk een speelman beduidt, die op eene bonge of blaas, ’t zy dan onder de gedaante van doedelzak of van rommelpot, ’t zy onder die van boerhalvezeve (tamboeryn) muzyk (?) maakt.

Eene algemeene aanmerking, geldig voor deze geheele afdeeling van maagschapsnamen uit algemeene aardrijkskundige woorden genomen, en waar op ik in het byzonder nadruk leg, dient hier nog vermeld te worden. Onder al de geslachtsnamen, in de laatste §§ opgenoemd, zullen er ongetwyfeld wel eenigen zijn, die, hoewel zij uit algemeene aardrijkskundige woorden samengesteld zijn, toch in werkelikheid de namen zijn van byzondere plaatsen, ’t zy dan in Nederland, ’t zy daar buiten. Namen van groote dorpen of steden zullen dit wel niet wezen, maar namen van kleine dorpkes, van gehuchten en buurten, landhoeven, enkele huizen, enz. kunnen zeer wel hier onder voorkomen. Wie kent al die namen? In dat geval echter behooren zulke namen dan niet in deze afdeeling, by d’ algemeene plaatsnamen, maar integendeel by de maagschapsnamen aan byzondere aardrijkskundige namen ontleend, en die in § 72–78 reeds zijn opgenoemd. Heb ik dus hier eene enkele maal gedwaald, de vriendelike lezer zy dan zoo goed my om deze zake te willen verontschuldigen. [293]

§ 107. Er is nog eene kleine groep van maagschapsnamen, die eveneens tot de namen van algemeenen aardrijkskundigen aard moeten worden gerekend. Velen daar van zijn reeds, verstrooid onder de reeds behandelde groepen, in dit werk ter loops vermeld. Deze namen gaan op man uit, of, in patronymikalen form, op mans. Een man die by eene brug of by eene sluis, aan of op eenen dijk, in een bosch, op eenen heuvel of berg woonde, kreeg al licht, naar die byzondere woonplaats, den bynaam van Bruggeman, Sluisman, Dijkman, Boschman, Heuvelman, Bergman, enz. En deze toenamen, aan de woonplaats, in aardrijkskundigen zin ontleend, zijn veelvuldig tot vaste geslachtsnamen geworden, en als zoodanig tot op onze dagen eigen gebleven aan de afstammelingen van de mannen, wien ze eerst gegeven waren. Als voorbeelden van zulke geslachtsnamen noemen wy Beekman met Beeckman, Beekmans en Beeckmans, Bergman met Berghman, Bergmans, Berchmans, en misschien door eene in de nederlandsche gouspraken zeer gewone verwisseling van er met ar, Bargman (zie bl. 133)—en van g of gh met ch, Barchmans. Verder Brinkman en Brinckman,63 enz. Heiman kan als eene samentrekking van Heideman en Heidtman gelden. Waar deze naam echter, ook als Heyman, Heimans en Heymans, zelfs in wanspelling als Hijman, aan israëlitische geslachten eigen is, daar houd ik hem voor den mansvóórnaam Heiman, die by de nederlandsche Joden, als zoodanig, in gebruik is. Nevens [294]Boschman en Woltman behoort ook Loman, dat ook als Looman, Lomans, enz. en zeer veelvuldig ook in half of heel hoogduitschen form als Lomann, Lohman, Lohmann voorkomt, vermeld te worden. Immers beteekent het oud-germaansche woord loo, loh, leag, waarmede zoo vele plaatsnamen samengesteld zijn, oorspronkelik eikenbosch (zie bl. 284). Van daar ook Lomeyer en Lomuller, dat is: de boer en de molenaar die by het eikenbosch wonen. En naast Straatman en Straetman met Straatmans en Straetmans meen ik nog Strootman te moeten vermelden, als een byform van dezen naam, die in eene byzondere (saksische) uitspraak zyne oorzaak vindt. Zoo komt ook in de nederduitsche gouen langs onze grenzen, te Bentheim, de geslachtsnaam In der Stroth (in de straat, in der Strasse) voor. En in onze geldersch-saksische gouen zijn de geslachtsnamen Te Strote en Ter Stroot (zie bl. 261) inheemsch. De maagschapsnaam Enkelstroth behoort ongetwyfeld ook tot deze byzondere straatnamen. Enkelstroot, Enkelstraat, (in Friesland: Inkelde rige) zoo noemt men eene straat of eenen weg die slechts langs den eenen kant met huizen bezet is.

Hoogduitsche formen, soms ook weêr half verdietscht, van al deze man-namen komen ook zeer veelvuldig in de Nederlanden voor; b. v. Brinkmann en Brinckmann, Mohrman, Mohrmann, Waldman en Waltmann, enz.

Eenigen van de bovenvermelde namen, als Bruggeman, Zijlman, Sluisman, Poortman, kunnen ook even zeer als beroepsnamen worden geduid, en dus by § 118 worden gevoegd. [295]


1 Zie Josef Haltrich, Sächsischer Volkswitz—Overdruk uit een tijdschrift—bl. 6.

2 Zie De Handelingen der Apostelen, hoofdstuk VIII vers 27.

3 Zie Edw. Gailliard, Glossaire flamand, op het woord stragier.

4 Zie mijn opstel Land, volk en taal in West-Vlaanderen, in De Tijdspiegel, 1884, bl. 1.

5 Bremer en Breemer, De Keulenaar, De Ceuleneer, De Ceuleneir en Ceulenaere, Clever, Hamburger, Luykenaar, Reeser en Santenaire. Beide laatstgenoemde namen, waarvan Santenaire (in Vlaanderen voorkomende) in verfranschte spelling, zijn afkomstig van rijnlandsche stedekes, naby de nederlandsche grens gelegen, van Rees namelik en van Xanten.

6 Bregentzer (van Bregentz, stad in Oostenrijk), Dannenfelser (van Dannenfels, dorp in den Beierschen Palts, by Kirchheim-Bolanden), Darmstädter (van Darmstad in Hessen), Eltzbacher (van Eltzbach, dorp by Bischofsheim in Beieren), Kirberger (van Kirberg, vlek in Nassau, by Wiesbaden), Mansvelder, (van Mannsfeld, stad in de pruissische provincie Saksen), Oppenheimer (van Oppenheim, stadje in Rijn-Hessen), Prager (van Praag in Bohemen), Wormser (van Worms in den Rijn-Palts), Venetianer (van Venetië in Italië), enz.

7 Abcouwer (van Abcoude, voluit Abekenwoude, maar in volksuitspraak Apkou—dorp by Amsterdam); Alphenaar (van Alfen, dorp in Rijnland, of ook in Noord-Brabant); Berkouwer (van Berkou, zoo als de volksuitspraak is van Berkwoude, een dorp in Zuid-Holland); Blesker (een friesche form; van De Blesse, een dorp in Friesland op de overijsselsche grens); Brusselaar, Brusselaere en zelfs Bruysselaere, met de patronymika Brusselaers, Brusseleers en Brusseleirs (van de stad Brussel); Dordregter en Dortsman; Hagenaar (een inwoner van ’s Gravenhage); Huyser en Huizer (van Huizen, het gooische dorp, of van Huyssen, het geldersche stadje); De Hulster, D’ Hulster en Den Hulster, misschien ook De Hilster (van de stad Hulst in Vlaanderen); Yperman (van de stad Iperen in Vlaanderen); Kuindersman (van het vlek de Kuinder in Overijssel); Grolman (van Groenlo of Grol in Gelderland); Lekkerkerker (van het dorp Lekkerkerk in Zuid-Holland); Lemmersman (van het vlek de Lemmer in Friesland); Lommelaar (van het dorp Lommel in Belgisch-Limburg); Mechelaire (van de stad Mechelen in Brabant); Meppelder (van de stad Meppel, in de wandeling Meppelt genoemd, in Drente); Oostwouder (van het dorp Oostwoude in Noord-Holland); Ottolander (van het dorp Ottoland in Zuid-Holland); Pekelder (van het vlek de Pekel-A in Groningerland, in de wandeling enkel de Pekel genoemd); Schager (van het vlek Schagen in West-Friesland); Toolenaar (van de stad ter Tolen in Zeeland), enz.

8 Deze naam wordt vermeld in T. D. Wiarda, Ueber Deutsche Namen, bl. 126.

9 Beerstra, van het dorp Beers, moet dus eigenlik Beersstra zijn; Beetstra, van het dorp Beets; Boonstra en Boornstra, van het dorp Olde-Boorn, door de Friesen in de wandeling Boarn, Boon genoemd; Broekstra, van het dorp Broek; Budstra, van het gehucht de Bird, gewoonlik volgens de friesche uitspraak de Bud genoemd, by Grou (deze geslachtsnaam komt dan ook te Grou voor); Dragstra, van het vlek Drachten; Gaastra (eigenlik Gaaststra), van het dorp Gaast; Groustra en Grouwstra, van het dorp Grou; Heegstra, van het dorp Heeg; Ylstra (eigenlik Ylststra), van het stadje Ylst; Joustra en Jouwstra, van het vlek de Joure; Kielstra en Kylstra, van het gehucht de Kiel by ’t Hoogezand in Groningerland; Knypstra en Kniepstra, van het dorp de Knype of Nieu-Brongerga; Kootstra, van het dorp Koten; Lemstra, van het vlek de Lemmer; Nestra (Nesstra ware beter geboekstaafd), van een der drie dorpen Nes, die er in Friesland gelegen zijn; Sneekstra, van de stad Sneek; Steenstra en Stienstra, van het dorp Stiens; Teernstra, van het dorp Teerns; Teunstra, van het dorp Tirus, in friesche uitspraak Tuns of Teuns genoemd; Troelstra, van het dorp Ter Oele, in de wandeling tot Troele samengetrokken; Tzumstra, van het dorp Tzum of Tjum; Wierstra, van het dorp Wier, of van eenig ander wier, welk woord, nevens therp, in het Friesch eene hoochte of heuvel beteekent; Wynstra, van het dorp Wyns of van de buurt Wyns by Oosterend—allen friesche plaatsen. En nog velen meer, die men vinden kan in mijn werk Een en ander over friesche eigennamen.

10 Alstorphius, van Alsdorf, zoo als wel drie dorpen in Rijn-Pruissen heeten, een by Aken, een by Trier, een by Coblentz. Essenius; de plaatsnaam Essen is in Nederland eigen aan drie gehuchten, by Barneveld in Gelderland, by Diepenveen in Overijssel, by Haren in Groningerland; en in Duitschland aan wel vijf verschillende plaatsen. Fledderus, van het drentsche dorp de Vledder; Gronovius, van het westfaalsche stadje Gronau, aan onze twentsche grenzen gelegen; Hempenius, van het dorp Hempens by Leeuwarden; Noordanus, van de stad Norden in Oost-Friesland; Parisis, van Parijs; Schotanus, van het dorp (Olde- en Nye-) Schoot, in Friesland; Sevecotius, van eene plaatsnaam Zevenkoten of Sevecote in Vlaanderen; Staphorstius, van het dorp Staphorst in Overijssel; Stavorinus, van de stad Staveren in Friesland; Tilanus, van de stad Tiel in Gelderland; Swalmius, van het dorp Swalmen by Roermond in Limburg (zie Nav.: XXXIII, 294); Buranus, van het stadje Buren in Gelderland; Verdenius, van de stad Verden in Hanover; Werumeus, van een der in de friesche gewesten talryke dorpen die Wierum of Werum heeten; Winsemius, van het friesche dorp Winsum; Colonius, van de stad Keulen, enz.

11 Zie Navorscher, dl. XXVI, bl. 351 en 362.

12 Zoo geven onze zeelieden, in het Engelsche-kanaal zoo wel bevaren, aan het Nau tusschen Dover en Kales (Calais), aan de vooruitstekende landpunt van Dungeness, waar de ligplaats is onzer loodskotters, en aan den Start-point der Engelschen, nog de oud-nederlandsche namen van »de Hoofden”, »de Singels” en »Goudstaart.”

13 Elzas, Nassau, Navaere (Navarre), Neumark (eene gou van het pruissische gewest Brandenburg), Noorweegen, Oostenrijk, Padmos en Patmos, Piemont, Pommeren, Pruissen, Sauerland (eene gou van Westfalen), Spanje, Tirol en Tyrol, Toscanie, Waldeck, Wetterau (eene hessische gou), enz. Ook nog Portugaels, dat als een patronymikon in den tweeden naamval staat.

14 Brandenburgh en Brandenburg, Calisch met Kalisch, Kalis en Calis (stad in Polen), Clermont, Craeau, Dublin, Edenburg, Fernambucq, Kantelberg (dit is de oud-nederlandsche form van den naam der stad Canterbury in Engelland), Konijn (Conin, stad in Polen; zie ook bl. 210), Lankester, Libau (stad in Koerland), Lion (?), Lissa (stad in Polen), London en Londen, Madras, Marseille, Mesritz en Meseritz (stad in Polen), Mureia, Orleans, Parijs, Presburg, Riga, Robaeys (deze naam, in Vlaanderen voorkomende, vertoont den byzonder-vlaamschen form van den naam der stad Roubaix, oorspronkelik Roodebeke, in Fransch-Vlaanderen), Romen en Roomen, Rouaan en Rowaan, Toledo, Versailles, Wyborgh en Wyburg (stad in Finland).

15 Yonge, Christian Names, dl. I, bl. 54.

16 Dresden, Dusseldorf en Dusseldorp, Frankfort, Halberstadt, Hamburg, Hanou (Hanau is eene stad in Hessen, waarvan d’inwoners veelvuldig in verbinding stonden met Nederlanders, en waar ook nog in deze eeu eene nederlandsche herformde gemeente gevestigd was), Heilbron, Keulen, Lobensteyn, Luneburg, Maagdenburg, Manheim, Metz (deze dikwijls voorkomende geslachtsnaam, en die door verschillende maagschappen gedragen wordt, kan ook een patronymikon zijn, en wel een tweede naamval van den ouden mansvóórnaam Met, Mette; zie bl. 154. Vooral waar hy als Mets geschreven wordt, zal dit het geval zijn). Dan Minden (komt ook, volgens de hollandsche uitspraak, als Minde voor); Neurenberg (en misschien is Neurdenburg hiervan wel eene verbastering); Regenspurg (nog in de oude zuidduitsche spelling, met p in plaats van b), Selle en Zelle (Celle, stad in Hanover), Andernagt, (dat is Andernach aan den Rijn; zie § 156), Sleeswijk, Spandaw (Spandau, Spandow, stad in Brandenburg, Pruissen); Speyer (de hoogduitsche form van den naam der stad Spiers, in den Pfalz); Straatsburg, Weymar, Wolffenbuttel en Zerbst, eene stad in Anhalt.

17 Benraadt (dorp in de Rijnlanden by Dusseldorp), Berssenbrugge (dorp in Hanover by Osnabrück), Burlage, Boerlage, Buurlage (Burlage is een dorp in Oost-Friesland), Brandligt (dorp in de graafschap Bentheim), Dornseiffen (dorp by Siegen in Westfalen), Emmelkamp (dit is de nederduitsche naam van het dorp Emblicheim, in de graafschap Bentheim, aan onze drentsche grens by Koevorden gelegen); Geelkerken, nederduitsche form van den naam van het stadje Geilenkirchen, in de Rijn-provincie, naby onze limburgsche grenzen gelegen, Gescher (dorp in Westfalen naby onze twentsche grens), Gilhuys, nederlandsche form van den naam van het stedeke Gildehaus, in de graafschap Bentheim, naby onze twentsche grens gelegen, Holtrop (dorp in Oost-Friesland); Iburg (vlek in Westfalen, by Osnabrück), Kleinenboich (dorp in de Rijn-provincie, by Gladbach), Kleve (stad in de Rijn-provincie, naby onze geldersche grens), Kloppenburg (stadje in Oldenburg), Kniphuisen (in Jeverland, Oldenburg), Kranenburg en Cranenborg (stedeke in de Rijn-provincie, naby onze geldersche grens), Meurs (Mörs, stadje in de Rijn-provincie, by Keulen), Noordhoorn (Nordhorn, stadje in de graafschap Benthem, aan onze twentsche grens), Norden en Noorden (stad in Oost-Friesland), Pruim (verhollandscht van Prüm, een stadje bezuiden Aken in de Rijn-provincie), Steinvoort, Steinfort en Steinfoorte (Steinfurth, stadje in Westfalen), Tekelenburg en Tecklenborg (stadje by Munster in Westfalen), Tinholt (gehucht by Emlenkamp—zie hier boven), Viersen en Vierssen, Wagtendonk en Wassenbergh (alle drie stadjes in de Rijn-provincie, aan onze limburgsche grens), Weener en Witmond met Witmondt (twee oostfriesche stadjes), Witlage (dorp by Osnabrück), Wittmarschen (Wytmarschen of Wietmarschen, de naam van een oud en beroemd klooster, thans van een klein gehucht in de graafschap Benthem, by Noordhoorn aan onze twentsche grens), enz.

18 Hoogezand, Muntendam, Dwingeloo, Hoogeveen, Vollenhove, Kampen (kan ook een patronymikon zijn), Steenwijk, Appeldoorn, Barneveld, Eibergen, Amerongen, Montfoort, Akersloot, Medemblik, Wydenes, Goudriaan, Pijnacker, Baarland, Cats, Middelburg, Zirkzee (eene wanspelling van Zieriksee), Eindhoven en Enthoven, Oosterwijk, Steenbergen, Broekhuizen en Broekhuyse, Beverloo, Valkenburg, Calmpthout, Hoogstraten en Hoogstraeten, Moll, Aarschot, Loven en Leuven, Oudenaarde, Ronse, Kortrijk, Meenen, Blankenberg, Belle, Peene, Linzeele, enz. Dit laatste (Lynsele, Lijnsele, Leinsele), is de oud-nederlandsche naam van het oud-vlaamsche dorp in Fransch-Vlaanderen, dat thans den verfranschten naam van »Lincelles” draagt.

19 Zie De Navorscher, dl. XXVIII, bl. 88.

20 Eene zonderlinge, den oore beleedigende en de tonge vermoeiende samenstelling van geslachtsnamen, eigen aan een enkel persoon, is Van Taack Trakranen (Van Taack Tra Kranen). Zoo deze naam ook nog eens tot eenen enkelen monsternaam samenvloeide, gelijk Tra Kranen reeds tot één naam geworden is! Vantaacktrakranen!

21 Drentsche Volksalmanak, jaargang 1839, bl. 29 en jaargang 1840, bl. 143.

22 Van Engeland, Van Hessen, Van Holstein, Van Ierland, Van Italië, Van Kent (graafschap in Engelland), Van Liefland, Van Nassau, Van Oostenrijck, Van Polen, Van Pommeren, Van Pruissen, Van Savoyen, Van Saxen, Van Spanje, Van Zweeden en Van Sweden.

23 De Navorscher, dl. XXXIII, bl. 41.

24 Zie myne opstellen »Friesland over de grenzen”, in het tijdschrift De Tijdspiegel, jaargang 1882, en »Eenige bizonderheden aangaande de kleederdracht der Friesinnen”, in het tijdschrift De vrije Fries, dl. XV.

25 Van Dantzig, Van Dresden, Van Edenburg, Van Gosselaar (zoo deze naam althans eene verbastering is van Goslar, eene stad in den Hartz), Van Hamburg, Van Havre, Van Hoey, Van Koppenhagen, Van Leipsig en Van Leipzig, Van Lissa (stad in Polen—zie bl. 210), Van London, Van Luik en Van Luyk, Van Lunenburg. Van Mansfeld en Van Mansvelt (Mannsfeld, stadje in de pruissische provincie Saksen, by Merseburg), Van Memel, Van Messel (dorp in Hessen, by Darmstadt), Van Milaan, Van Namen en Van Naamen, (Namen is eene waalsche, dus voor Nederlanders eene vreemde stad, even als Luik en Hoei), Van Napels, Van Oldenburg en Van Oldenborgh, Van Parijs, Van Praag, Van Rensburg, Van Ryssele, Van Robaeys (Roubaix, stad in Frankrijk—zie bl. 209), Van Rowaen (Rouaan, stad in Frankrijk—zie bl. 209), Van Straatsburg, Van Tonderen, Van Tonningen, Van Toulon, Van Venetië, Van Weenen, enz. Misschien ook Van Oven en Van Ove, van den naam der hongaarsche stad Ofen?

26 Van Crefeld, Van Dorsten, Van Dulken, Van Duren en Van Duuren, Van Dusseldorp, Van Emmerik, Van Erkelens, Van Eupen, Van Gangelt, Van Gelder, Van Goch en Van Gogh, Van Griethuizen en Van Griethuysen, Van Gulik en Van Guylik, Van Heeringen, Van Keeken, Van Kempen, Van Ketwich, Van Keulen en Van Colen, Van Kleef, Van Lennep, Van Meurs, Van Orsoy, Van Rees, Van Rijnberk, Van Santen, Van Schermbeek, Van Siutfyt, Van Sonsbeek en Van Sonsbeeck, Van Stralen, Van Straelen en Van Straalen, Van Suchtelen, Van Trier, Van Viersen en Van Vierssen, Van Wesel, Van Weezel en Van Wezel, enz.

27 Van Bilderbeek (Billerbeck, stadje niet ver van onze geldersche grenzen), Van Brethorst (dorp by Minden), Van Dortmond, Van Koetsveld (Coesfeld, stadje by onze geldersche grens), Van Lingen, Van Loon en Van Lon (Lohn, Stadt-Lohn, stadje aan onze geldersche grens. Deze naam kan echter ook van het belgisch-limburgsche stadje Loon of Looz komen), Van Minden en Van Minde, Van Ogtrop (Ochtrup, stadje aan onze twentsche grens), Van Osenbruggen, Van Ossenbruggen en Van Ossenbrugge (dit is de nederlandsche form van den hoogduitschen naam der stad Osnabrück. Oudtijds was in Friesland ossenbrugsch linnen zeer bekend), Van Asbeck (gehucht by Ahaus), Van Hassbergen (dorp by Osnabrück), Van Riemslo (dorp tusschen Osnabrück en Herford), Van Ledden (gehucht by Ahaus), Van Vrede en Van Vreeden (Vreden, stadje aan de geldersche grens), Van Zoost (Soest, stad in Westfalen; deze naam wordt als Soost, Zoost uitgesproken, ook door de Hoogduitschers), enz.

28 Van Nieuwenhuis (Nieuwenhuis, Nienhuis, Nienhaus, Neuenhaus, een benthemsch stadje aan de drentsche grens), Van Emmelenkamp (zie bl. 212), Van Wittmarschen (Witmarschen, Wietmerschen, zie bl. 212), Van Wilsum en Van Ulsen, dorpen in die landstreek), enz.

29 Van Doornum, Van Geuns en Van Goens, Van Jennelt, Van Jeveren, Van Hinte, Van Leer, Van Lengen, Van Norden en Van Noorden, Van Varelen, enz. Jever en Varel behooren slechts in volkenkundigen zin tot Oost-Friesland, maar in staatkundigen zin tot Oldenburg.

30 Fr. Arends, Erdbeschreibung des Fürstenthums Ostfriesland. Emden, 1824.—bl. 207.

31 Van Haren, Van Assen, Van Coeverden, Van Kampen, Van Deventer, Van Zutphen, Van Tiel, Van Loenen, Van IJsselstein, Van Egmond, Van Haarlem, Van Leyden, Van Alphen, Van Eyndhoven, Van Breda, Van Broekhuizen, Van Weert, Van Tholen, Van Hulst, Van Turnhout, Van Lier, Van Deynze, Van Beveren, Van Aalst, Van Brussel, Van Heyst, Van Houtryve, Van Hautryve, Van Autryve, Van Outrive (aangaande deze vier laatste namen zie men bl. 218), Van Vive, Van Iperen, Van Honschoten, Van Suypeene (Zuid-Peene, dorp in Fransch-Vlaanderen), Van Uxem, dat zijn allen welbekende namen aan welbekende nederlandsche plaatsen ontleend.

32 Van Bergen-Henegouwen, Van Brussel, Van Brugge (veelal Van Bruggen gespeld, en daardoor twyfelachtig), Van Damme, Van Deynse, Van Diest, Van Evere, Van Gaveren (met De Gavere—in franschen form), Van Geel en Van Gheel, Van Gent, Van Gend en Van Ghent, Van Haerlebeke, Van Halmael, Van Hantryve (zie bl. 218), Van Heyst, Van Herzele, Van Herenthals, Van Hoboken, Van Iperen, Van Kanegom en Van Caneghem, Van Lier (één noordnederlandsch geslacht Van Lier is niet afkomstig van de zuidnederlandsche stad Lier, maar van de oostfriesche stad Leer, welke naam vroeger ook wel »Lier” werd geschreven—men spreekt »Leier”), Van Leuven en Van Loven, Van Lommel, Van Lookeren, Van Meenen, Van Moll, Van Moorsele, Van Otichem, Van Peer, Van Pelt, Van Petegem, Van Popering, Van Reekem, Van Sichem, Van Slype (Verslype, dat is Van der Slype, komt nog in Vlaanderen zelve voor), Van Somerghem, Van Sotteghem, Van Staden en Van Staa, Van Stockum, Van Tienen, Van Tongeren, Van Turenhout, Van Tuerenhout en Van Tuerenout, Van Vive, Van Waerschoot, Van Wetteren, Van Zantvliet, enz.

33 Van Hazebrock (met Hasebroek, enz., zie bl. 218), Van Honschoten, Van Mardijck, Van Suypeene, Van Peene en Van Peen, Van Stapele, Van Uxem, Van Wynoxbergen, enz.

34 Van Driel, De Dwingelo (merkweerdiger wyze komt deze naam in verfranschten form voor), Van Gennip, Van Gestel, Van Groeningen, Van Heemskerke, Van Cuyck, Van Lieshout, Van Moock, Van Oirschot, Van Ommeren, Van Os, D’Overschie (ook in franschen form), Van Puyfelick (Pufflik, dorp in Gelderland, in het Maas- en Waalsche), Van Rijswijck, Van Ruynen, Van Schijndel, Van Son, Van Stratum, Van Tilborgh, Van Velsen, Van Zuylen, enz.

35 Zie een opstel over Munnikreede, van H. Q. Janssen, in het jaarboekje Cadsandria, voor 1854, te Schoondyke in Zeeusch-Vlaanderen uitgegeven.

36 Zie N. de Roever, Nadere bizonderheden betreffende Jan Theunisz. Blanckerhoff, voorkomende in het tijdschrift Oud-Holland.—Amsterdam, 1882, jaarg. I, bl. 89.

37 In hoogduitschen form, als Von Beesten, komt een geslachtsnaam, van dezen dorpsnaam ontleend, nog tegenwoordig in de Nederlanden voor; zoo ook Van Besten (te Antwerpen), en elders nog de zuiver nederlandsche form Van Beesten.

38 Deinuma en Deinema, van het dorp Deinum; Dokkuma, van de stad Dokkum; Dongjuma, van het dorp Dongjum; Ferwerda, en het versletene Ferweda, van het dorp Ferwert; Holwerda, van het dorp Holwert; Jelluma, van het dorp Jellum; Jorwerda, van het dorp Jorwert; Kluurda, van het gehucht Kluurd, by Kimswert; Memerda, van het gehucht Memert, by Winsum; Miedema, van het dorp Miedum; Rauwerda, van het dorp Rauwert; Salverda, van het gehucht Salwert by Franeker; Sieswerda en Zieswerda, van het gehucht Sieswert of Sydswert by Hichtum; Weidema, van het dorp Weidum; Wurdema, van het dorp Wirdum (de naam van deze plaats wordt door de Friesen als Wurdum of Wuddum uitgesproken), enz.

39 Helwerda, van het gehucht Helwert by Rottum in Fivelgo; Leta, van de Lete, een gehucht by Bellingawolde; Lula, van de Lule, een gehucht by ’t Hoogezand; Wedda, van het dorp Wedde, en nog velen meer, zoo wel friesche als groningsche, die in mijn werk »Een en ander over friesche eigennamen,” in De vrije Fries, dl. XIII, zijn aangegeven.

40 Van der Dussen, Van der Dusse, Verdussen; de Dusse is een stroomke in Noord-Brabant, in het Land van Altena. Van der Eem en Overeem; de Eem is het rivierke waar Amersfoort aan ligt. Van der Eems, de rivier tusschen Groningerland en Oost-Friesland. Van der Giessen, Van de Giesse, Vergiesse; de Giessen is een stroom in Zuid-Holland, die by Giessendam in de Merwede valt. Van Heule, Verheule, Verheul; de Heule is eene beek in West-Vlaanderen; het woord heule, heul heeft evenwel ook de algemeene beteekenis van waterloop, water-affloeiing. Van IJssel, Van den IJssel, Verysel, in wanspelling ook Van den Eyssel. Van der Lei, Verley, Verleye, By de Lei; de Leie is eene rivier in West-Vlaanderen; maar het woord leie heeft ook de algemeene beteekenis van waterleiding, en komt, b. v. in Friesland, ook als plaatsnaam voor. Van der Lek en Van der Leck. Van der Linde en Van der Linden, ook Verlinde, Verlind; de Linde is een rivierke in Friesland; deze geslachtsnaam kan echter ook afkomstig zijn van den boom die linde heet; zie § 135. Van Maas, Van Maese, Van Maze, Van der Maas, Van der Maesen, Van der Maze, Vermaas, Vermaes, Vermaese. Van de Mandele, Van der Mandele, Van de Mandelen, Van de Mandel, Vermandele, Vermandel, ook door de zeer gewone verwisseling van l en r, Van der Mandere, Vermandere, Vermander; de Mandele of de Mandelbeke is een rivierke in West-Vlaanderen. Van de Merwe, Van de Merwede en Van der Merve. Van de Niers; de Niers is een rivierke in Limburg. Van Rijn, Van Rhijn, Van den Rhijn, in wanspelling ook Van Reyn. Van de Roer; de Roer is eene rivier in Limburg, die by Roermond in de Maas vloeit. Van de Rotte, ontleend aan het zelfde riviertje waar ook Rotterdam zynen naam naar draagt. Van der Schelde, Van der Schelden, Verschelde en Verschelden. Van Schie. Van der Swalm en Van der Zwalm; de Swalm is een rivierke in Limburg. Maar een ander rivierke in Oost-Vlaanderen, by het dorp Strypen, draagt ook den naam van de Zwalm; naar dit rivierke draagt een geslacht Van der Zwalmen zynen naam. Eene hofstede, ter Zwalme genoemd en aldaar gelegen, behoorde oudtijds aan den stamvader van dit geslacht; eene afsonderlike tak van het geslacht Van der Zwalmen heeft zynen naam verlatynscht tot Swalmius (zie Navorscher XXXIII, bl. 467). Van der Vecht, Van der Vegt en Van der Vegte. Van ’t Vlie; het Fli is de stroom voor Harlingen, die tusschen Fliland en ter Schelling in de Noordzee valt. Van de Waal en Verwaal. Van de Werken; de Werke is eene oude, thans meest verloopene rivier in Noord-Brabant by Werkendam. Van de Worm en Van der Worm; de Worm is een rivierke in Limburg. Van Zoom; de Zoom is het rivierke in Brabant, waar de stad Bergen (op Zoom) aan gelegen is.

41 Berg, Brink, Dam, Dijk, Duin, Haven, Hoek en Honck, Hoff, Huis, Kolk, Laan, Oort, Poel, Sluis, Strand, Veen, Veld, Zee.

42 ’T Felt (het veld), De Geest en De Gheest, Den Duyn, De Hoogt, De Hoek, De Hoorn, De Poel, ’T Sas, De Wal en De Walle, De Weide, De Winkel, De Zee.

43 Van Dijk en Van Dijck, Van Duin en Van Duyn, Van Hoeck, Van Hee, Van Houtte, Van Hove, Van Lee en Van Lede, Van Neste, Van Ooi, Van Ooy, Van Oye en Van Oyen, Van Oordt en Van Oorde, Van Rood met Van Rooy, Van Rooyen, Van Raay en Van Raey, Van Veen, Van Vliet, Van Wijk en Van Wijck.

44 Zie mijn opstel: Amerzode, in De Navorscher, dl. XXXIII, bl. 128.

45 Van den Bosch, Van den Bossche, Van den Bussche en Van den Bos, Van den Berg, Van den Bergh, Van den Berge, Van den Berghe, Van den Berghen, Van de Brug, Van den Burg en Van den Borg, Van ’t Einde, Van ’t Ende, Van den Ende, Van den Eynde, Van der Geest (zie bl. 247), Van der Gracht, Van der Graft en Van der Grift—dat zijn drie verschillende formen van één en het zelfde woord. Verder Van der Hage en Van der Haeghen, Van der Heide, Van der Heiden, Van der Heyde, Van der Heyden, ook Van der Heeden (vergelijk Van Hee op bl. 247), en zelfs Vandereyden, op zuidnederlandsche wyze, alles aan elkanderen geschreven, en dat, volgens de vlaamsche uitspraak, de h verloren heeft. Van den Hoek, Van der Hoeven en Van der Houven, Van ’t Hoff en Van den Hove, Van der Hout, Van der Kamp, Van der Laan, Van der Kolk en Van der Kulk, Van der Kuylen, Van der Meere, Van der Meire en Van der Meer, Van den Oever, Van ’t Padje, Van der Poel, Van de Put, Van de Putte, Van ’t Rood, (zie bl. 248), Van der Sluis, Van der Vaart, Van der Veen, Van der Feen, Van der Ven, Van der Venne, Van der Vinne, allen verschillende formen van een en het zelfde woord, maar dat in de verschillende nederlandsche gewesten eene eenigszins verschillende beteekenis heeft. Eindelik nog Van der Veer, Van de Velde en Van der Velden, Van de Voorde, Van de Voordt en Van der Voort, Van der Weg en Van de Weghe, Van der Weide, Van de Woestyne, Van de Woesteyne en Van de Waestine, Van der Woude en Van der Zee.

46 Verburg, Verburgh, Verburgt en Verborg, Vercauteren (cauter, kouter is een zuidnederlandsch woord, en beteekent eene groote uitgestrektheid aanéénliggende boulanden of akkers), Vercruysse, Vercruyssen, Verkruysen, Verdonck, Vergote, Verhage, Verhagen, Verhaege, Verhaeghe, Verhaeghen, Verhave, Verheyden, Verheyen en Verhey, Verhoeven en Verhouven, Verkerk, Verleyen (zie bl. 243), Vermeer, Vermeere, Vermeire, Vermeeren, Vermeiren, ook, half duitsch Vermehr. Verder Vermeersch (zie bl. 250), Vermeulen, Verschuur en Verschueren, Versluys, Versteeg, Verstege, Versteegh, Versteghe en Verstegen, Verstraete en Verstraeten, Vervelde en Vervelden, Vervenne (zie bl. 249), Vervliet, Vervloet, Vervoort en Vervoorde, Verwei en Verwey, Verwerft, Verzele.

47 Oudtijds was deze zonderlinge uitspraak der n als ng ook in sommige hollandsche en andere noordnederlandsche tongvallen zeer algemeen. Onder anderen in dien van Amstelland. Men zie hierover maar eens na hoe Gerbrand Adriaensen Bredero zyne zestiende-eeusche amstellandsche boertjes spreken laat. Ook nog heden hoort men dezen zelfden neusklank der n in den tongval van het dorp Soest by Amersfoort, en elders in Eem- en Gooiland.

48 Angenroen (ang [d]en ro-en, aan den roden, aan de rode, zie bl. 248 en 258), Ingenbleek (ing [d]en bleek), Ingebos, Ingendael, Ingenhaag, Ingenhols (hols, holts, holtz, holt, hout), Ingenhoof, Ingenhorst, Ingenlath, Ingenegeren, Ingenohl, Ingeveld, Opgenhaaffe (zie § 104).

49 Zie mijn opstel: Geslachtsnamen met ingen en angen beginnende, in De Navorscher, dl. XXIX, bl. 33.

50 Zie Craandijk en Schipperus, Wandelingen door Nederland. Supplement.

51 Te Kloeze (kloese is de saksische form van het hollandsche kluis; het adellike huis De Kloese is by Lochem; de geslachtsnaam Van der Kloes komt ook voor). Verder Te Lintelo, Te Lintum, Te Nuil, Te Pass, Te Riele, Te Roller, Te Cock, Te Strote (saksische form van straat, ook voorkomende in de geslachtsnamen In der Stroth en Strootman). Dan nog Te Veltrup, Te Walle, Te Water, Te Welscher, Te Winkel, Te Gussinklo (zie bl. 36), Te Wechel, Te Hennepe, enz.

52 Ten Heuvel, Ten Hove, Ten Cate en Ten Kate, Ten Kley (klei, kleigrond; Van der Klei en Verklei met Kleistra komen ook voor), Ten Oever, Ten Raa (rade, rode, zie bl. 248, 258 en 259), Ten Sythoff en Ten Siethoff (het enkele Sijthof komt ook voor), Ten Wolde, Ten Zeldam.

53 Ter Gouw, Ter Loo, Ter Marsch, Ter Pelkwijk, Ter Schure, Ter Spill, Ter Stege, Ter Velde, Ter Weeme (weême, wedeme, wedem, ook widem, widom is het oud-saksische woord voor het huis van den geestelike, voor de pastory dus. Als zoodanig is dit oude woord in onze noordoostelike gouen nog heden wel in gebruik; de geslachtsnamen Van Weemen en Weemstra zijn er ook van afgeleid). Eindelik nog Ter Weer.

54 Zie De Navorscher, dl. XXIX, bl. 36.

55 De Navorscher, deel XXXIII, bl. 278.

56 Dykstra, Endstra, ook tot Enstra versleten (van end, einde); Vaartstra, ook tot Vaatstra versleten, omdat de Friesen de r van het woord feart, vaart niet laten hooren; Veldstra, ook versleten tot Velstra; Geestra (Geeststra ware beter schrijfwyze) van geest, gast, zandgrond (zie bl. 247); Heidstra en Heitstra, Kampstra, Kamstra en Camstra. Verder Poelstra, Poortstra, Zandstra en Sandstra, ook versleten tot Sanstra, omdat de Friesen in het woord sand, zand, de d niet uitspreken. Verder Schanstra (Schansstra, van schans, ware beter), Strandstra, Toornstra, van toorn, toren, enz.

57 Van den Herreweghen, Van der Hougstraeten, Van Hoonacker, Van Horshoven, Van Issacker, Van der Mensbrugge met Van der Meynsbruggen en het eenvoudige Mijnsbrughen, Van de Meulebroucke, Van der Noordaa, Van Quekelberghe, Van Schevichaven, Van Schilfgaarde met het eenvoudige Schilfgaarde, Van den Sigtenhorst met het eenvoudige Sigtenhorst, Van der Slagmolen, Van den Diepstraten, Van den Weyenberg met het eenvoudige Weyenberg, Verzijlberg, Van de Rovaart, Van den Crommenacker, Van de Veerdonk, Van den Santheuvel, Van den Huygevoort, Van de Siebkamp.

58 Zie Levensbericht van Mr. C. J. Nieuwenhuis, in de Levensberichten der afgestorvene medeleden van de Maatschappij der nederlandsche letterkunde. Leiden, 1882.

59 Zie De Navorscher, jaargang XXXIII, bl. 245.

60 De Navorscher, dl. XXVI, bl. 360 en 363.

61 Van Lennep en Ter Gouw, Uithangteekens, dl. I, bl. 48.

62 »Feuchte Niederung;” zie O. Preuss, Die Lippischen Familiennamen, in het Jahrbuch des Vereins für niederdeutsche Sprachforschung, jaargang IX, bl. 15.

63 Brugman, Bruggeman, Brugmans en Bruggemans, Daalman, Dijkman en Dijkmans, Duinman, Geestman en Gastmans. Geest en gast zijn benamingen van hooge zandgronden, in tegenstelling met marsch, maarsch, meersch, dat lage kleigrond, aan zee of rivier gelegen, beteekent; vandaar Marschman, Maarsman, Meerseman, Mersmans, De Meersseman (echter kan Marsman enz. ook marskramer beteekenen). Verder Heideman, Heuvelman en Heuvelmans, Kolkman, Moerman, Moorman (zie bl. 197 en 198), Poelman, Plasman, Poortman, Slootmans, Polderman, Sluisman en Zijlman met Zijlmans (sluis en zijl is het zelfde; zie bl. 248), Straatman en Stegeman, Veldman met Veltman, Feldman en Feltman, Veenman en Veenemans, Wegman, Weideman en Weydeman (Weiman en Weyman kan hiervan eene samentrekking zijn, maar ook evenzeer jager beteekenen; zie bl. 298), Woldman en Woltman (in onze saksische gouspraken staat wold voor ’t algemeen-nederlandsche woud = bosch), Sandman, enz.

[Inhoud]

III.

Geslachtsnamen van allerlei oorsprong.

§ 108. In deze afdeeling zullen alle geslachtsnamen besproken worden, die niet van mansvóórnamen afgeleid, en niet van aardrijkskundigen oorsprong zijn; alle soorten van geslachtsnamen dus die niet in de beide voorgaande afdeelingen vermeld werden. Zy formen met elkanderen een zeer bont samenstel, wijl zy van zoo zeer verschillenden oorsprong zijn.

[Inhoud]

A. Geslachtsnamen aan de namen van ambten, bedryven, handwerken, enz. ontleend.

Sedert de opkomst der steden in de Nederlanden, sedert de opkomst tevens van den zoogenoemden derden stand, dien der burgers of poorters, kwamen ook de verschillende handwerken in bloei en eere. Handwerkslieden van allerlei soort, kooplieden die met allerlei verschillende waren handel dreven, zy die fynere kunsten uitoefenden en daar mede een bestaan vonden, vereenigden zich in gilden. Deze gilden hadden hunne eigene wetten. En die wetten, welke naar den strengen geest der middeleeuen, geenszins mild te noemen waren, zorgden er vooral voor dat slechts bekwame [296]werklieden, of slechts zy die bewijs konden leveren hun bedrijf of nering of handel uit der mate wel te verstaan, in die gilden werden opgenomen. Daarenboven moest men een eerlijk man zijn, wel te naam en faam bekend, zoo men als gildebroeder zoude worden aangenomen. Het was dus voor den burger eene eere, broeder van dit of dat gilde te zijn, of door de hoofdlieden dier vereenigingen als meester in het eene of andere bedrijf te zijn erkend. Men voegde dan ook geerne den naam van zijn handwerk of bedrijf achter den eigenen persoonsnaam, het zy dan achter den enkelen vóórnaam, of achter vóór- en vadersnaam beiden; b. v. Claes Laeckenwever, of Claes Egbertse Laeckenwever; Symoen de Backer of Simon Henrickszoon de Backer. En in navolging van deze meesters-handwerkers of ambachtslieden, voegden geringere lieden, die het een of ander schameler bedrijf uitoefenden, en die niet in een gilde vereenigd waren, den naam van dat bedrijf ook wel achter hunnen eigennaam; b. v. Pierkin d’ Houtsaegher, Kaerle Ketelboeter. Dat de mannen die aanzienlike ambten, het zy in het wereldlike of in het geestelike bekleedden, of die wetenschappelike betrekkingen vervulden, nog meer dan de handwerkslieden en anderen de namen van hunne ambten en waardigheden achter hunne persoonsnamen voerden, ligt voor de hand: Hillebrant Drossaert, Seger Lievenszoon de Landtheer, Ryklof Proest (Proost), meester Aert Doctoor, enz. zijn zulke namen.

Al deze namen gingen later wel op de zonen en kleinzonen van de mannen die ze eerst gevoerd hadden, als vaste geslachtsnamen over, ook al oefenden dezen het voorvaderlik bedrijf, dat tot het dragen van die namen aanleiding gegeven had, niet meer uit. En zoo zijn honderden van die namen tot op onzen tijd als vaste geslachtsnamen in volle gebruik gebleven.

Het voeren van zulke namen, eerst als toenamen slechts voor eenen enkeling geldig, later ook als geslachtsnamen, klimt reeds tot vroeg in de middeleeuen op. In der daad, deze namen behooren, met de patronymika en de aardrijkskundige namen, tot de oudsten die in gebruik zijn gekomen. Ziet men de naamlijsten in van de poorters van deze of gene nederlandsche stad, in middeleeusche oorkonden ons bewaard, zoo zal men daar onder altijd zeer velen [297]vinden, die toenamen, soms ook reeds ware geslachtsnamen dragen, aan de namen van handwerk, bedrijf of ambt ontleend. Deze zaak is overvloedig bekend aan allen die de geschiedenis der laatste middeleeuen beoefenen of kennen. En ook is het ontstaan van zulke namen, en het voorkomen er van als hedendaagsche geslachtsnamen zoo eenvoudig en geleidelik te verklaren, dat het wel geheel onnoodig is, voorbeelden uit middeleeusche geschriften dienaangaande, hier te vermelden.

§ 109. Onder de zeer talryke hedendaagsche geslachtsnamen aan menschelike bedryven ontleend, zijn er velen die slechts uit het eenvoudige woord, dat eenig bedrijf of ambt aanduidt, bestaan; b. v. Bakker, Bleeker, Boekbinder,1 enz. Anderen hebben het lidwoord er voor behouden; b. v. De Bakker, De Beenhouwer, De Bisschop,2 enz. Dit lidwoord wordt ook wel als den in plaats van de geschreven; b. v. Den Boer, Den Abt, Den Heyer, Den Herder. Opmerkelik is het dat de namen zonder lidwoord meer in de noordelike, en die met lidwoord meer in de zuidelike gewesten voorkomen. Die, welke het lidwoord den hebben, zijn uitsluitend tot de zuidelike Nederlanden, tot Vlaanderen en Brabant met Zeeland en het overmaassche Zuid-Holland beperkt.

Vele maagschapsnamen aan bedrijfsnamen ontleend, staan, als patronymika, in den tweeden naamval; b. v. Bakkers, Brouwers, Kuipers, Schoenmakers. In § 64 vindt men reeds een aantal dezer namen opgesomd en nader besproken. Zy eischen hier geene nadere toelichting.

Over het algemeen genomen, komen de geslachtsnamen aan bedrijfsnamen ontleend, in grooter aantal voor in de zuidelike, dan in de noordelike gewesten. Is de oorzaak hiervan te zoeken in de omstandigheid, dat reeds van ouds her de nyverheid, het handwerk [298]en de kunst, meer in Zuid-Nederland bloeiden dan in het Noorden? Dat reeds in de middeleeuen deze zaken in het zuiden eene groote mate van bloei hadden bereikt, toen zy in de noordelike gewesten nog grootendeels sluimerden? Zulks komt my zeer waarschynelik voor. En dat velen dier zuid-nederlandsche maagschapsnamen, door de byzondere spelling waarin zy nu nog voorkomen, blyken geven van hoogen ouderdom, pleit, dunkt my, ook nog ten voordeele dezer opvatting. Zie hier eenigen van die byzondere zuid-nederlandsche namen: De Cupere, D’Huyvettere (dat is de leêrlooier), Harnisfeger, Raeymaecker (raey == raderen), De Saedelaer, De Scheemaeker, Schrynemaeckers, Selversmet, Swertvagher, Teegelbeckers, De Waepenaert, De Wannemaeker, enz.

§ 110. De eerste menschen waren jagers en visschers. Later werden hunne nazaten herders, en nog later landbouers. Maar het uitoefenen van handel en van handwerken kwam eerst nog veel later in zwang. Het is dus billik dat men, by ’t uitvoerig behandelen der geslachtsnamen aan menschelike bedryven ontleend, beginne met de namen van deze oudste bedryven.

Allereerst vermelden wy dan de geslachtsnamen Jager en De Jager, die nog al algemeen voorkomen. Een oud-nederlandsch woord voor jager is weiman; zoo ook noemde men de jacht wel het weispel. Nog hier en daar aan oude herbergen ten platten lande hangt »de Weiman” uit, in plaats van »De Jager”; b. v. te Santpoort in Kennemerland. Weiman komt ook als maagschapsnaam voor, even als Weyman, en in misspelling Wijman. Een ander oud woord voor jager is wildschut, overeenkomende met het hoogduitsche Schütz, Wildschütz. »De Wildschut” hangt nog, in stede van »de Jager”, uit aan een huis te Amsterdam, by de Munt. Als geslachtsnaam is Wildschut ook niet zeldzaam. Een andere maagschapsnaam met dit woord schut samengesteld, is Busschut, iemand beteekenende die schiet met eene bus of bos, het oud-nederlandsche woord voor schietgeweer, en dat overeenkomt met het hoogduitsche Büchse, waarvoor men in nieu-nederlandsch buks zegt. Reeds in 1511 vinden wy eenen burger van Leeuwarden, die den toenaam Busschut draagt. [299]Een andere form van dezen zelfden naam is Bosschieter, als geslachtsnaam voorkomende. De maagschapsnamen Hazejager, Hoendervanger en Snepvangers behooren tot de jagernamen, zoo mede Vogelvanger, Vinkelaar, Finkeler en misschien het half verfranschte Vinqueleir (zie bl. 205), en Flapper. De drie voorlaatste namen komen overeen met het hoogduitsche woord Finkler, vinkevanger; terwijl in Friesland iemand die met een flapnet allerlei moeras- en veldgevogelte vangt, zoo als daar zeer gebruikelik is, een flapper wordt genoemd. De geslachtsnaam Flapper is dan ook in Friesland inheemsch. De maagschapsnamen Mollevanger en Kraaivanger met Craeyvanger zijn zeker meer namen voor wegvangers van schadelik gedierte, dan voor eigenlike jagers. De Valckenier en Valkenier, met De Valckenaer, Valkenaar, Valckenaar en Valckenaere behooren ook tot de jagernamen, even als Vogelaar, De Voghelaer, De Vogheleir en, in patronymikalen form, Veugelaers. Eindelik dient hier nog vermeld de maagschapsnaam De Strooper.

In ons waterrijk en aan zee gelegen Nederland overtreffen de visschers den jagers in aantal. En zoo zijn ook de geslachtsnamen Visscher met De Visscher, Visser, De Visser, De Visschere, De Vischere, Visker, Fisker en Vissers algemeener dan Jager en De Jager. Vooral in de friesche gewesten is deze algemeene bedrijfsnaam aan vele verschillende geslachten als maagschapsnaam eigen. Byzondere visschers vinden wy onder de geslachtsnamen weinig vertegenwoordigd. My zijn geene andere bekend dan Varkevisser, Botvanger, Botschuyver en Schelvisvanger. Waarschijnlik behooren Botman en Bottemanne (zie bl. 184) ook tot de visschersnamen. Eene byzondere wyze om bot te vangen, is in sommige oorden van ons vaderland gebruikelik, vooral op de slikkerige gronden buitendijks, in onze wadden, riviermonden en zeegaten. De visscherman schuift over die gevaarlike gronden met eene vlakke slede, de botsleê, in het Friesch kraite genoemd. Aan deze eigenaardige visschery is de maagschapsnaam Botschuyver ontleend. Een varkenvisscher is natuurlik niet een man die varkens, zwynen, vischt; maar iemand die bruinvisschen of zoogenoemde tuimelaars vangt. Deze [300]vischvormige zoogdieren, die in grooten getale aan onze kusten en in onze wyde stroommondingen voorkomen, werden in vorige eeuen veel gevangen, en dienden onzen voorouders tot een welkom voedsel. Men noemde die dieren wel zeevarkens of meerzwynen. Nog heden zegt onze zeeman, als hy bruinvisschen en tuimelaars, volgens de gewoonte van die dieren in groote scharen vereenigd, al tuimelende en buitelende ziet voortzwemmen: »kijk! de boer met z’n varkens!” De Franschen noemen den tuimelaar ook marsouin. Dit is eene verwaalsching van het friesche woord mar-swiin, meer-zwijn. En naar deze zeevarkens draagt de varkenvisscher (Varkevisser) zynen naam. Visman is ook nog een visschersnaam, die door een geslacht van visscherliên op het eiland Tessel, als maagschapsnaam gevoerd wordt. Eindelik is nog de geslachtsnaam Commandeur aan de visschery ontleend. Immers »commandeur” was de titel van den hoofdman op eenen »groenlandsvaarder”, die oudtijds, en nog in d’ eerste helft van deze eeu, de walvischvangst in de IJszee bedreef.

Aan het veehoeders- en veehoudersbedrijf danken de geslachtsnamen Herder, De Herder, De Harder, Den Herder hunnen oorsprong. Zoo ook Schaper—dat is schaapherder; en Scheper met het patronymikale Schepers. Immers noemt men in onze saksische gewesten den schaapherder scheper. Het woord schaper of scheper is de nederlandsche weêrga van het hoogduitsche woord Schäfer. Volgens onze geslachtsnamen zijn de hoogduitsche schaapherders (geslachtsnamen Schäfer, Schäffer, Scheffer, Schäfers) talryker onder ons dan de nederlandsche schapers en schepers. Een tegenhanger van den schaper is, in taalkundig opzicht, de geiter, de geitehoeder. In de formen De Geyter en De Geetere komt dit oude woord nog als maagschapsnaam voor. Veeman, Schaepman met Schaapman en Koeman met Koemans en Coeymans, benevens De Schaepmeester en De Schaepdryver zijn eveneens namen aan het veehoudersbedrijf ontleend. Ook voeg ik hier nog by de maagschapsnamen Kalverboer en Bargeboer. Een »bargeboer” is een varkensboer; »baerch, barch” geldt tegenwoordig in Friesland als een woord voor varken in het algemeen. Oorspronkelik echter beteekent het slechts een gelubde beer of gesneden mannelik zwijn. [301]Ook in menige andere gou van Nederland wordt zulk een dier berg genoemd. Zie blad. 132. Het woord geld of gild heeft, by dieren, ook de beteekenis van onvruchtbaar. Van daar het werkwoord gilden, een dier onvruchtbaar maken of lubben. En een gilder is iemand die van deze zaak zijn bedrijf maakt. In De Navorscher, dl. XXXII, bl. 338 vind ik de volgende aanteekening: »In Noord-Brabant onderscheidt men bergen van gilden. Berg is een gewezen beer; gild een gewezen zeug, niet waar? Ik heb in die provincie eene familie Gilders gekend, waarvan de mannelijke leden zich voornamelijk onledig hielden met het verkoopen van te mesten varkens en wat er toe behoort.” Dien ten gevolge dient de geslachtsnaam Gilders ook in deze afdeeling vermeld te worden. En eindelik mag de maagschapsnaam Melkman ook nog wel tot de veehoudersnamen geteld worden, even als De Kaesmaeker en De Caesemaeker met Waaiboer, Waiboer, Soepboer en Molkenboer. Den uitleg van deze namen vindt men op de twee volgende bladzyden.

Aan het landboubedrijf, zoo veel ryker aan byzondere onderdeelen dan het veehoudersbedrijf, zijn ook meer geslachtsnamen ontleend als aan de veehoudery. Behalven al de boeren (De Boer) en meyers (Meyer) mogen hier eerst genoemd worden de geslachtsnamen Landman, Bouwman en Bouman met Bouwknecht, De Zaayer, Zaayer en De Saeyere, Boonzajer, De Maeyer, Hooyer, Hooiman, Stroman, Akkerman, Ackermans, Havermans, Gerstman, Rogmans, en vele dergelyken. Tuinman, Hovenier en Hofman (met Hoffman, Hofmans, Hoffmann, enz.), Bloemist met Gardenier en Gerdenier behooren hier ook toe. Eindelik nog Pachter en De Pachter.

In vorige eeuen, tot in het begin van dit loopende jaarhonderd werden de boeren veelal »huislieden” genoemd; huysman, hûsman, vooral in Holland en Friesland. Van daar de geslachtsnamen Huisman, Huysman, Huysmans, Huesman, enz.

De geslachtsnamen Boer, De Boer, Den Boer zijn uit der mate talrijk, voornamelik in de noordelike gewesten, en in de friesche gouen wel het meest. Boers en Boeren met Boere, (misschien ook de verfranschte (?) formen Boursse en Bource?), [302]als oneigenlike vadersnamen, komen ook voor. En de namen Boerman (met Buhrman) en Boermans reken ik hier ook toe, even als, in sommige gevallen, de friesche geslachtsnamen Boerema, Boerma, Boersma, Boersema.—Boering kan een patronymikon zijn van de soort die in § 31 is vermeld. Echter kan in deze laatstgenoemde friesche namen ook de oude mansvóórnaam Boere, Bure, Bore schuilen; zie bl. 79 en 187. In verkleinform komt het woord boer ook al als geslachtsnaam voor; in Friesland als Boerke, in Holland als Boertje.

Talrijk zijn ook de samengestelde geslachtsnamen die men van het woord boer heeft geformd, door er het eene of andere woord, als tot nadere aanduiding, by te voegen; b. v. Veenboer, Heyboer (heideboer), Hooiboer, Strooboer, Bravenboer, Rijckeboer, Turfboer, Biesboer, Wortelboer en Worteleboer, Jongeboer, Polderboer, Mooyboer, enz. Allen namen, die geene nadere verklaring noodig hebben. Waaiboer, met Waiboer, Molkenboer en Soepboer zijn naverwante namen. Molken is een oud-nederlandsch woord (Kiliaan vermeldt het als byzonder-geldersch) voor zuivel in het algemeen. Als zoodanig zou de Molkenboer by den Veeman en den Melkman, op bl. 301 genoemd moeten zijn. Zoo ook de Waaiboer en de Soepboer, wier samen men in § 140 nader verklaard vindt.

Iemand die nieu op eene boerenhoeve komt wonen, of iemand die eene nieu geboude en nieu ingerichte boereplaats betrekt, noemt het volk, althans in Friesland nog heden, de nieuboer, de nyboer. Aan die benaming danken de geslachtsnamen Nieuwboer, Nieuweboer, Nyboer en ook Niebuhr hun ontstaan. Grooteboer en Lutjeboer formen elkanders weêrga; lutje, lutke, overeenkomende met het friesche woord lîts, het engelsche little, enz. is friso-saksisch voor klein, en nog in onze noordoostelike gouen en de noordwestelikste van Duitschland in gebruik. By den naam van menige plaats in onze friesche gewesten gelegen, komt het nog voor; b. v. Lutje-Broek in noordelik Noord-Holland, Lutke-Wierum in Friesland, Lutje-Gast in Groningerland, Lutje-Wolde in Oost-Friesland, enz.—Sommige boerderyen zijn in oude tyden het byzonder eigendom van kloosters geweest, en anderen zijn wel opgericht ter plaatse waar vroeger een klooster stond. [303]Zulke boerderyen dragen dan nog heden wel den naam van »de Kloosterhoeve” of »de Kloosterplaats,” en de boer die er woont, wordt nog wel »de Kloosterboer” genoemd. Deze toenaam is ook een vaste geslachtsnaam geworden: Kloosterboer. En deze naam werd als zoodanig in 1844 nog gevoerd door den boer die op de Kloosterplaats woonde te Heiligerlee in het Oldambt, ter plaatse waar vroeger een klooster van Norbertyner nonnen stond, tevens de plaats waar in 1568 onze voorouders eene roemryke overwinning behaalden op den spaanschen dwingeland.—De geslachtsnaam Ledeboer is zoowel in de Nederlanden als in Duitschland (als Ledebur en zelfs Von Ledebur), eigen aan verschillende geslachten. Dezen naam weet ik niet met zekerheid te verklaren. De maagschaps-overlevering en het volksverhaal geeft er dezen uitleg van. Een ryke vader, die onder anderen ook vele boerderyen bezat, door pachters bewoond, verdeelde op zijn sterfbed zyne nalatenschap onder zyne zonen, en gaf tevens aan ieder hunner eene aanwyzing welk gedeelte van het bestuur over de boerderyen hy in het vervolg in het byzonder vervullen moest. Zoo zeide die vader ook tot eenen zyner zonen: »lede Du den Buren!” leid Gy de boeren! (de man sprak nederduitsch). En dit bevel was oorzaak dat die zoon in het vervolg den toenaam kreeg van Ledebur of Ledeboer. Volgens deze overlevering zou Ledeboer eigenlik »Boere-leider” beteekenen. Vilmar in zijn Deutsches Namenbüchlein (Frankfurt a/M. 1863), bl. 22, schrijft: »Ledebur (Bauer auf der Lede, d. i. Heide).” Deze afleiding kan ik niet aannemen.—Holsboer kan ik anders niet verklaren als door aan te nemen dat deze naam eene nederlandsche verbastering zy van eenen hoogduitschen naam Holzbauer, die in der daad voorkomt.—In de middeleeuen richtte men op uitgestrekte landgoederen wel groote, van kelders en zolders wel voorziene, ook dikwijls met wallen en torens versterkte en bevestigde gebouen op, om daarin het graan en andere landelike voortbrengselen veilig te kunnen bewaren. Zulke bergplaatsen droegen den naam van »het Spycker”, een bastaardwoord van het latynsche spicarium. Dit woord »spyker” komt nog heden wel als plaatsnaam voor; b. v. het geldersch Spyker, by Arnhem, en het dorp Spyker in Fransch-Vlaanderen, by Duinkerke. Ook maakt het, naar myne [304]meening, deel uit van den geslachtsnaam Spykerboer. Deze naam zal oorspronkelik dus de toenaam geweest zijn van eenen boer, die in, of naby zulk een spyker woonde, of er het opzicht over had.—Ook plaatsnamen maken wel deel uit van geslachtsnamen met boer samengesteld. Velserboer en Beemsterboer namelik zijn afgeleid van de plaatsnamen Velsen, een dorp, en de Beemster, een polder, beiden in Noord-Holland.—De Wilde Boer is van ouds, o. a. te Haarlem en Amsterdam, een huisnaam, een gevelteeken geweest; daarvan is de geslachtsnaam Wildeboer ontleend. Blaauboer, Witteboer en Dubbelboer zijn my moeielik te verklaren. Met Meereboer, Ongerboer, Pinksterboer, Segboer en Traanboer weet ik in het geheel geen weg. De maagschapsnaam Hatenboer zal wel tot de aardrijkskundige namen behooren, en ontleend zijn aan den naam van het gehucht Hateboer, by Roermond.

De meier-namen formen de weêrga van de boer-namen. Immers het woord meier, al heeft het ook verschillende andere beteekenissen, moet, waar het op zich zelven of als samenstellend deel, geslachtsnamen uitmaakt, wel opgevat worden als pachter, boer. In dien zin is het nog heden ten dage in eenige nederlandsche gewesten in gebruik; b. v. in Groningerland, even als ook in de aangrenzende duitsche gouen, vooral van Westfalen, meer byzonder van Munsterland. En juist uit Munsterland, dat reeds van ouds her steeds zoo velen zyner zonen naar de Nederlanden zendt, zijn ons de meesten dezer meiernamen toegekomen. Behalven de enkelvoudige namen Meyer, Meier en De Meier met De Meyere in zuid-nederlandschen form, die geenszins zeldzaam zijn, is het getal der geslachtsnamen met meier (in verschillende spellingen met ei en ey) samengesteld, zeer groot. Zie hier een twaalftal uit die honderden: Bichelmeier, Bredemeier, Brenninckmeier, Bodemeier, Gravemeyer, Kolkmeyer, Krusemeyer, Langemeier, Leidelmeier, Lindemeyer, Tielkemeyer, Winkelmeyer. Van velen dezer namen, zoo mede van Brockmeier, Poolmeyer, Bruggemeyer, Johanningmeyer, Rootmeyer, enz. is de oorsprong gemakkelik na te gaan en de beteekenis te verklaren. Nieuwmeyer, met Nymeyer, Neumeier, Numeyer, Niemeier, is de tegenhanger van [305]Nieuwboer, Nyboer, enz. op bl. 302 besproken, en heeft met dien naam den zelfden oorsprong. Zoo ook Grootmeyer en Greutemeyer met Grooteboer; Luttikmeyer met Lutjeboer; Kloostermeier met Kloosterboer, enz. Een groot aantal dezer meier-namen vindt men opgenoemd in De Navorscher, deel XIX, bl. 44 en 204.

Een paar byzondere meier-namen mogen hier nog nader verklaard worden. In De Navorscher, dl. XXIX, bl. 30, schreef ik: »Dezen zomer (1878) in zekere landstreek van ’t noordelike Westfalen vertoevende, noemde een ingezetene van die streek my verschillende meier-namen op, terwijl hy my de meieryen of landhoeven, waar die namen aan verbonden zijn, aanwees: dort wohnt der Brüggemeier, dort der Niermeier, da der Obermeier, hier der Erlenmeier, enz. Ten slotte nog: und da wohnt der Dreckmeier. By dezen laatsten naam, die ook in Nederland als geslachtsnaam voorkomt, moest ik glimlachen, wijl ik dacht dat hy zoo juist paste aan eenen westfaalschen boer, die gewoonlik zoo morsig is en vuil, als wy ons dat hier te lande gelukkig haast niet voorstellen kunnen. Mijn lachen bemerkende, voegde mijn geleider my toe: Gy lacht wel om dien Dreckmeier? Dat is oorspronkelik niet Dreckmeier maar Dree-eek-meier. Zie maar! daar staan ook dree eeken (westfaalsch-nederduitsch voor drie eiken) by ’t huis!—En zoo was het in der daad. In die drie eeuen-oude eiken is de oorsprong van den naam Dreckmeier te vinden.”

Wien het vreemd moge schynen dat dree-eek tot dreck, drek, en niet tot dreek samengetrokken zy, dien maak ik opmerkzaam dat ook in andere nederduitsche gouspraken en tongvallen deze zelfde verbastering van den tweeklank ei of ee tot onvolkomene e (ek) voorkomt, en wel in dit zelfde woord. Zoo heet de eikenboom te Leeuwarden, even als in Westfalen: eek; men spreekt te Leeuwarden van eekenhout, eekene planken, ’n eekenhoutene kiste. Wat in Holland een runmolen heet, noemt men te Leeuwarden een eekmöln. En als een Leeuwarder ergens komt waar eikenhout in voorraad ligt of verwerkt wordt, dan zeit hy wel: »it ruukt hier eekerich.” Toch heet de eikel, de vrucht van den eek, te Leeuwarden niet eekel, zoo als het zijn moest in overeenstemming met het hollandsche [306]eikel en het hoogduitsche eichel, maar ekkel. Ekkelspek, spek van zwynen die met eikels gemest zijn, houdt men er voor het beste; en aan klierachtige kinderen geeft men daar ekkelkoffi te drinken. Deze naam van de vrucht heeft men er ook weêr terug gebracht op den eek of eikenboom zelven; van daar de geslachtsnaam Ekkelboom, te Leeuwarden. Tegenhangers van den naam Dreckmeier, van de westfaalsche dree eeken, zijn de geslachtsnaam Vijf-eeken (die zekerlik zynen oorsprong dankt aan vijf eiken die by ’t huis van den man stonden, welke eerst dezen toenaam droeg), de plaatsnaam Seveneecke, zoo als een dorp heet in Oost-Vlaanderen, en de engelsche geslachtsnaam Sevenoake.

Uit den geslachtsnaam Wedemeyer (ook komt Wehdemeier voor) is eene m verloren gegaan, in het schryven. In het spreken immers maakt het geen onderscheid of men Wedemeier dan wel Wedemmeyer zegge. De wedemmeier is de boer die op de hoeve woont welke tot de wedeme behoort, of die op de wedem zelve woont, zoo deze eene boerehoeve is. Wedeme, wedem, ook versleten tot weême, is de oude naam (oud-saksisch en oud-friesch withum, dat is: wijddom, het gewyde) dien men hier en daar in de friesche en saksische gewesten van Nederland en Duitschland nog geeft aan de pastory, aan het huis dat tot de kerk of aan de kerkelike gemeente behoort, en tot woning van den geestelike dient. De wedemhoeve wordt tegenwoordig in het nederlandsche Friesland ook wel »de pastory-plaats” genoemd. De weeme zelve is hier en daar ook wel eene boerdery, die dan door eenen pachter of meier, de wedemmeier, wordt bemeierd. Van die pachtpenningen, of anderszins uit de opbrengst der boerdery leeft dan de geestelike. Zoo was het oudtijds in vele dorpen van de noordoostelike Nederlanden en van noordwestelik Duitschland, en zoo is het daar nog wel. Ook in de friesche geslachtsnamen Wymstra en Weemstra (dat is gelyk aan Van der Weeme—zie bl. 264), vind ik dit oude woord terug.

§ 111. De tegenhanger van den landman is de zeeman; de schipper is de weêrga van den boer, zooals de jager is van den visscher. In ons waterrijk, langs zee zich uitstrekkend vaderland zijn er natuurliker wyze vele zeelieden en schippers, en de woorden [307]die hun stand en bedrijf aanduiden, vinden wy in de geslachtsnamen terug. Zie hier eenigen van die geslachtsnamen, die geene verklaring eischen. In d’ eerste plaats Zeeman, en dan Schipper met het patronymikale Schippers. Verder het patronymikale Zeevaarders, met Schipman, Koffeman, Buisman en Buysman met Buismans (de schipper van eene haringbuis), Stuurman, Schieman, Bootsman en Bootsgezel, Matroos en Schuitevoerder. Of de maagschapsnaam Kapitein, met Kapteyn en Capiteyn, van eenen zeeman of van eenen krijchsman, die ja beiden dezen titel voeren, afkomstig zy, moet ik hier in het midden laten. De geslachtsnamen De Reeder, Loots en Tonneboeyer zijn ook al aan het zeemansbedrijf ontleend. En eveneens Kaper. De geslachtsnaam Schuiteboer, of liever het bedrijf waaraan deze naam ontleend is, formt als het ware eenen overgang van den schipper tot den boer. In Friesland wordt de man die binnenlands vracht vaart, gewoonlik met een klein vaartuich turf uit de venen of zand uit »de wouden” naar de steden voert, en van daar stratendrek of andere meststof terug brengt naar heiden en venen, »skuteboer” genoemd. Dit woord vinden wy terug in den geslachtsnaam Schuiteboer, in de friesche gouen inheemsch. Ook de maagschapsnamen Veerman en De Veirman behooren in deze afdeeling. En naar myne meening is dit ook het geval met den geslachtsnaam Schuttevaer. Immers meen ik dezen naam te moeten houden voor eene verbastering van het oud-nederlandsche woord Scutevarer, schuitevaarder, of, in het Friesch skutefarjer. Dit woord komt herhaalde malen voor als toenaam van burgers der stad Leeuwarden, in het begin der 16de eeu. Immers vinden wy in het Register van den Aanbreng van 1511, dl. I, onder de leeuwarder burgery opgenoemd eenen Claes Scuteferger (bl. 4), Hilcke Scutefergier (bl. 5), Upke Scutefergier (bl. 13), Jetthie Scutefergier (bl. 13), Herman Scuteferger (bl. 27), enz. In der daad merkweerdig is het dat de geslachtsnaam Schuttevaer eigen is aan eenen man die zich aan het hoofd stelde der binnenschippers of schuitevaarders (skutefarjers), en met hen eene vereeniging stichtte tot heil der binnenscheepvaart, welke vereeniging ook zynen naam draagt. [308]

§ 112. Van de geslachtsnamen die aan het bedrijf der handwerkslieden ontleend zijn, zal ik er hier slechts eenige weinigen kunnen opnoemen van het overgroote aantal dat er bestaat, en zoo menigvuldig voorkomt in alle nederlandsche gewesten.

De timmerlieden mogen de ry openen, met de maagschapsnamen Timmerman, Temmerman, De Timmerman, De Temmerman, en als patronymikon Timmermans. Het hoogduitsche Zimmermann en het fransche Carpentier zijn als geslachtsnamen in Nederland ook niet byzonder zeldzaam.

Nevens de eigenlike timmerlieden behooren ook de kastemakers of schrijnwerkers, de scheepstimmerlieden, de wagenmakers, en eenige anderen tot dit gilde. Aan hunne bedryven zijn de volgende geslachtsnamen ontleend: Schrynemaeckers en Schryner, Kistemaker, Kistemaecker en Kistemaeckers, Schuitemaker en Schuitmaker, Scheepmaker, Mastenmaker, Breeuwer en Breeuwers. Het bedrijf der wagenmakers vooral heeft aan vele geslachtsnamen oorsprong gegeven. Vooreerst aan Wagenaar met de byformen Wagenaer, De Wagenaere, Wagenaere, De Wageneire, Wegenaar, Wegener, en de meer hoogduitsche formen Wagner en Wegner. Dan aan De Waegemaecker en Swagemakers (zie bl. 184) en aan Stelmaker; want zóó wordt in onze noordoostelike gewesten de wagenmaker genoemd, even als in het Hoogduitsch Stellmacher. Ploegmakers en De Baeremaecker behooren er ook toe, even als Molenmaker, Wielmaker, Rademaker, Raeymaeckers, De Raeymaker, enz.; en Leestemaker kan men er ook toe brengen. Ten slotte nog Drayer, De Saegher, misschien ook Zaagmans, en Houtzager, Houtzagers, Houtsaegher, Holtsager, enz. De kuipers kan men ook nog tot de timmerlui rekenen. Van hun bedrijf hebben wy de geslachtsnamen Kuiper, Kuyper, De Cuyper, De Cuypere, De Cupere, Cuyper, de verlatynschte formen Cuperus en Couperus, met de oneigenlike vadersnamen Kuipers, Kuypers, Cuypers, Küppers, Cuperi, Couperi, enz.

Zeer talrijk zijn ook de namen der smeden onder de geslachtsnamen vertegenwoordigd. Vooreerst het eenvoudige woord smid, in allerlei formen, als Smid, Smit, Smitt, Smidt, Smet, [309]Smedt, De Smet, De Smedt, ook in patronymikalen form: Smits, Smidts, Smedes, Smidtz, en in hoogduitsche en engelsche formen: Schmidt, Smith, enz. En dan de samengestelde namen Ankersmit, Kopersmit, Walsmit, Hoefsmit, Beylsmit en Beilschmidt, Koelensmid, met de hoogduitsche Guthschmidt en Kleinschmit, en in verkleinform Smidje. Ook Slotemaker. Den naam Broeksmit weet ik niet te verklaren, ten zy men hem als eene schertsende benaming voor kleêrmaker wou opvatten—gelijk iemand, die dezen naam droeg, my verzekerde dat het geval is. Men zoude ook kunnen denken aan eenen smid, die in eene der talryke, »het Broek” (het moeras) genoemde streken woonde. De wapensmeden behooren ook tot het smidsgilde; aan hun bedrijf zijn de namen Zwaardemaker, Bussemaker en Bosgieter (bus, bos is de oud-nederlandsche form die met het hoogduitsche bücks overeenstemt, en in eenigen onzer gewesten nog in gebruike is; in Holland zegt men buks, dat zonder verandering van de Hoogduitschers is overgenomen; zie ook bl. 298). Verder De Mesmaecker (met de patronymikale formen Messemaeckers en Smessemaeckers, zie bl. 184), Swertvagher en Harnisfeger.—Zilversmit en Selversmet, Goudsmit en Goldsmit behooren al mede hier toe. En dan nog Silvergieter, Blikslager (misschien ook Blikman), Ketelaer en De Ketelaere, met Ketellapper, Ketelbueters en Panneboeter. Zoo mede Tingieter, Potgieter, Kannegieter, met den hoogduitschen form Kannengiesser, enz.

Nu mogen de steenarbeiders volgen: Steenhouwer, Metselaar, Metzlar, Smetsers (des metsers [metselaars] zoon), en Muirker (zie § 153); ook Opperman en Kalkman. En dan nog de namen van die handwerkslui welke almede by den huisbou te pas komen: Dekker, Decker, De Decker, De Dekkere, Den Dekker, met de patronymikale formen Dekkers en Deckers en den samengestelden form Laeyendecker, en met Leydekkers als patronymikon. Mogelik behoort de geslachtsnaam Quadekker (de kwade dekker?) ook tot deze dekker-namen. Dan nog Verwer en De Verwer in algemeen-nederlandschen, en Varwer met De Varver in gouspraaksform. Ook behooren hier toe de maagschapsnamen Glazemaker met Glaser (dat zekerlik wel van [310]hoogduitschen oorsprong is), en Glaasker met Glasker, zoo als men in onze noordoostelikste gewesten den glazemaker noemt. Zekeren Sybren Glaesker vinden wy reeds in den jare 1511 als burger der stede Dokkum.3

De handwerkslieden die ons spyze en drank bereiden, zijn de bakkers, de koks, de slachters, de brouers, enz. Aan hun bedrijf zijn talryke geslachtsnamen ontleend, die ook grootendeels veelvuldig voorkomen, en aan vele verschillende maagschappen eigen zijn. B. v. Bakker, Backer, De Bakker, De Backer, in verlatynschten form Bakkerus, en als patronymikon Bakkers. Sommige oude Nederlanders zeiden ook baken en baker met opene a, in plaats van het hedendaagsche bakken en bakker. Zoo deden ook de oude Friesen, die den bakker batser (ba-tser; ts == k) noemden; de zeventiende-eeusche Gysbert Japicx schrijft baetsir. Het Engelsch heeft nog heden ten dage dit woord als baker. Die oud-nederlandsche form leeft nog in de geslachtsnamen Baker, De Baker en De Baecker, met Baekers als patronymikon. Men heeft by deze namen, die klaarblykelik van oude dagteekening zijn, natuurlik geenszins te denken aan het hedendaagsch-hollandsche woord baker (de Friesen zeggen naukeuriger baekster) voor kraamwaarster, friesch: kreamwarster of kreamheinster. De geslachtsnamen Bekker, Becker, De Becker en Beckers komen ook menigvuldig onder ons voor. Zy beteekenen bakker, en zijn van hoogduitschen oorsprong. Byzondere bakkers worden nog aangeduid door de geslachtsnamen Bollebakker (bolle wordt in Friesland gezeid voor wittebrood), Bonebakker, Koekebakker en Wafelbakker.

De maagschapsnamen De Koker en De Kokere houd ik voor gelijkbeduidend met Kok, Kock, Cock, De Kok, De Kock, enz. die nog al talrijk voorkomen. Ook is de hoogduitsche form van dezen naam, Koch, geenszins zeldzaam onder ons. Intusschen, alle geslachtsnamen Kock zijn niet aan het koksbedrijf ontleend. Een myner voorouders, de schoonvader van mynen overgrootvader, heette Nicolas Coq. Hy was een Franschman, en, omdat hy een Protestant was, by de herroeping van het Edict van Nantes, door den franschen koning Lodewijk XIV uit zijn land en eigendom [311]verdreven. Hy zette zich, als fransche uitwykeling, in de Nederlanden neêr, en zyne zonen reeds verdietschten hunnen naam, niet volgens de beteekenis, tot Haan, zoo als het toch zijn moest, maar in spelwyze. Zy maakten er namelik Kock van. Deze zelfde naam bestaat nog heden in de namen der maagschappen Kock Beylanus en Kock Winkler.4

Het bedrijf van den slachter heeft de volgende maagschapsnamen doen ontstaan: Slager en Slagter, Vleeschhouwer (zie bl. 320), Beenhouwer en Beenhakker. De namen Vleesman (met den hoogduitschen, ook hier te lande voorkomenden form Fleischmann) en Spekman zijn hier zeker ook toe te rekenen. Misschien ook de anders wel wat zonderlinge namen Van der Spek en Van der Ham.

De Nederlanders zijn van ouds her liefhebbers geweest van »eene goede teuge biers,” en het getal bierbrouers was in vorige eeuen onder de nederlandsche burgery steeds zeer aanzienlik. Geen wonder dan ook dat de geslachtsnamen Brouwer, Brouer, De Brouwer, De Brauwer en De Brauwere zoo veelvuldig onder ons voorkomen. Verlatynscht als Brouerius en in patronymikalen form als Brouwers, komt deze naam ook voor. Hoppenbrouwer met Hoppenbrouwers behooren eveneens tot dit gilde. Eene byzondere soort van bier, reeds in de middeleeuen bekend, gelijk nog heden in sommige streken van de Nederlanden, b. v. in Limburg, draagt den naam van kuit, kuyt, koit. Van daar de geslachtsnaam Kuytenbrouwer. De moutmaker (geslachtsnamen Moltmaker en Smoutmaeckers—met voorgevoegde s, zie bl. 184) behoort ook tot het brouersgild. De bierhandelaar draagt den byzonderen naam van biersteker, en deze naam is als Biersteker, Bierstekers en (half saksisch, half hoogduitsch) Beerstecher tot geslachtsnaam geworden. Bierman behoort hier ook by.

§ 113. Aan het bedrijf der handwerkslieden die voor onze kleeding zorgen, zijn de volgende namen ontleend: Kleermaker, De Kleermaeker, De Cleermaeker, Kleersnyder, Snyder, [312]Snyders en Snieder met Snieders; ook de hoogduitsche Schneider is niet zeldzaam. De fransche Tailleur komt ook voor, zoo wel als de engelsche Taylor. Waarschijnlik was de geslachtsnaam Teyler, in de vorige eeu te Haarlem voorkomende, wel eene halve verdietsching van Taylor. De geslachtsnamen De Naeyer, De Nayer, De Naeyere, Den Naeyer, enz. die meest in de vlaamsche gewesten inheemsch zijn, beteekenen ook kleêrmaker. Men vergelyke ook den geslachtsnaam Neyrinckx, op bl. 76 besproken. Kiliaan heeft nog »naeyer == sartor.” Een andere in Vlaanderen inheemsche geslachtsnaam, en die eveneens kleêrmaker beduidt, is De Schepper, De Scheppere. In oude vlaamsche geschriften komt het woord »schepper” in dezen zin nog voor; men zie Edw. Gailliard’s Glossaire flamand, op het woord »scepper == tailleur”. Ook als geslachtsnaam is dit woord reeds van oude dagteekening; Martin die Sceppere was in 1286 schepen van de vlaamsche stad Damme (zie Annales du comité flamand de France. Duinkerke, 1853, bl. 224). In de friesche en saksische gewesten van Nederland en Duitschland had men oudtijds nog eene andere benaming voor den kleêrmaker. Men noemde hem skrodare, schroder, schröder, schreuder, schrader. Nog heden is het woord skroar, uit het oude skrodare saamgetrokken, in Friesland in volle gebruik om den kleêrmaker zoo wel als zyne vrouelike kunstgenoote, de naaister, aan te duiden. Hier en daar in de saksische gewesten wordt de kleêrmaker ook nog wel schreur, schrör genoemd. Skrodar, skroar, schröder, schreur beteekent letterlik: snyder. Het oud-friesche werkwoord skroda, oud-vlaamsch schrooden, thans schrooien, is snyden, afsnyden. Den franschen koning Filips die een geldsnoeier was, noemen de oud-vlaamsche geschiedschryvers Filips de munteschroodere of munteschrooier.5 Talrijk zijn de nederlandsche geslachtsnamen, die hunnen oorsprong aan dat oude skrodan, schrooden ontleenen; b. v. Schreuder, dat zeer veel voorkomt, Schreur, Schrader, Schroor, als oneigenlike vadersnaam Schreuders en Schreurs, zoo mede het hoogduitschformige Schröder of Schroeder. De samengestelde naam Kampschreur beteekent: dorpskleêrmaker. [313Kamp” (de Kempen, la Campine, la Campagne, Champagne) of »het veld” in tegenstelling van »de stad.” Tot besluit van al deze kleêrmakersnamen, dient hier nog de latynsche form Sartorius (van sartor), die ook als nederlandsche geslachtsnaam voorkomt, vermeld te worden.

In de middeleeuen, en eer de kunst van kousenbreiden (die van betrekkelik jonge dagteekening is) uitgevonden was, sneed en naaide men de kousen van leer of laken of andere stof, even als andere kleederen. En de kousemakers formden toen eene byzondere afdeeling van het kleêrmakersgilde. Aan hun bedrijf zijn ontleend de geslachtsnamen Kousmaker, Kousemaker, De Kausemaeker, De Coussemaeker, De Coussemaecker, De Causmaeker; zoo ook Cousseschepper.

Dan volgt de pelsmaker, wiens bedrijf, dat oudtijds veel meer werd uitgeoefend als heden, aan de geslachtsnamen Pelsmaeker, Pelser, Pelster oorsprong gaf. Het woord pelser is een oudfriesche form voor het woord pelsmaker of pelswerker, zoo als men nu veelal zegt. Eenen Jelke Pelser vind ik reeds opgenoemd onder de burgery der stede Leeuwarden, ten jare 1511.6 Te Groningen is er nog eene Pelserstraat (ook wel Pelsterstraat genoemd); en eveneens te Emden. De fransche en hoogduitsche formen van dit woord, Pelletier en Peltzer, Pelzer komen onder ons ook als geslachtsnamen voor. De laatste naam in schrijfwyze weêr verdietscht, als Peltser.

Hoedemaker en De Hoedemaker komen, vreemd genoeg, slechts zeldzaam als geslachtsnamen voor. En nog zeldzamer is De Capmaker. De schoenmakers daarentegen zijn zeer talrijk vertegenwoordigd, als Schoemaeker, Schoemaker, Schoenmaker, Schoemakers, Schomaker, enz. Ook de hoogduitsche formen Schuhmacher, enz. zijn geenszins zeldzaam in Nederland. In het Latyn heet de schoenmaker sutor. Dit latynsche woord is in de germaansche talen overgegaan; b. v. in het Oud-Engelsch als sooter en in het Oud-Duitsch als suter. Men zeide ook schuh-suter; het hedendaagsch hoogduitsche woord schuster is daar van eene samentrekking. De oude Nederlanders, vooral in de vlaamsche gewesten, verbasterden [314]het latynsche sutor eveneens tot suter, en zetten er dan ook wel hun woord schoe, schoen, nog voor. Ook verbasterden zy dit suter nog wel verder tot sutter, zelfs tot sitter en setter. Van daar de meest in Vlaanderen en Brabant inheemsche geslachtsnamen De Sutter, De Suttere, De Zutter, De Zuttere, De Sittere, De Sitter, De Zetter, Schoesitter, Schoesetters, enz.—By den schoenmaker behoort nog de man, wiens handwerk wordt aangeduid door den geslachtsnaam Klompmaker.

§ 114. Geen bedrijf dat meer aanleiding heeft gegeven tot het ontstaan van maagschapsnamen, dan dat van den molenaar. En de omstandigheid dat juist dit bedrijf in de verschillende gouspraken van Nederland, en naar de onderscheidene tongvallen der Nederlanders, zoo verschillend genoemd wordt, is oorzaak dat hier te lande de namen van allen die naar den molen heeten, zoo veel verscheidenheid aanbieden. Zie hier, in hoofdzaak, die namen opgenoemd: Molenaar, Molenaer, Moolenaar.7 In samenstellingen komt de naam Mulder of Muller ook geenszins zeldzaam voor; b. v. Bergmuller, Kruysmulder, Lindemulder, Kortmuller, Soetmulder, Wijsmuller (zoude dit niet oorspronkelik een hoogduitsche Weissmüller zijn?), Watermulder, Windemuller, Zuidmulder, enz. Het grootste deel dezer namen eischt geene nadere verklaring. De oliemolen, waar men olie uit zaad slaat, draagt hier en daar, byzonderlik in de zuidelike gewesten, den naam van slagmolen. Van dit woord zijn de maagschapsnamen Slagmulder, Slachmulder, Slagmuylder, [315]Slachmuylder, Slaghmulder, Slagmuelder, Slagmolder, met het patronymikale Slachmuylders en met Van der Slagmolen ontleend. De geslachtsnamen Olislager, Olislaeger, Dolislager (waar misverstand het afgekorte lidwoord met het zelfstandige naamwoord heeft doen samensmelten), en Oliemuller hebben de zelfde beteekenis. De grutters behooren ook tot het molenaarsgilde. Aan hun bedrijf zijn de geslachtsnamen Grutter, Gruyter, De Grutter, De Gruyter, De Gruter, enz. ontleend; met Gorter, De Gorter en Gortmaker. De Gruiters zijn meest in de zuidelike gewesten inheemsch, en de Gorters in de noordelike. In de friesche gouen wordt de grutter in den regel gorter of gortmaker genoemd; zie ook § 160. Een molen waar garst of ander graan, ontbolsterd, gepeld wordt, heet in Friesland een pelmolen. En den pelmolenaar noemt men er wel, in den dagelikschen omgang, en by verkorting: pel; b. v. »Baas Pieter Pel.” Dit is de oorsprong van den in Friesland inheemschen geslachtsnaam Pel.

Het bedrijf van den pottebakker (de man heet, meen ik, tegenwoordig »fabrikant in aardewerk”) gaf oorsprong aan de geslachtsnamen Pottebakker, Pannebakker, Panbakker, Potter, De Potter, De Pottere, en, als patronymikon Potters. Potjer en Panjer zijn in Groningerland inheemsch, en volgens het friso-saksische taaleigen geformd; zie § 153. Des steenbakkersbedrijf vindt men in de maagschapsnamen Tichelaar, Tigchelaar, Tiggelaar en Steenbakker. De hoogduitsche form van dezen naam, Ziegler en Ziegeler is mede niet zeldzaam hier te lande, en komt ook, half-verdietscht, als Ziegelaar voor. Zoo de geslachtsnamen Bicker en Bikker aan den steenbikker zijn ontleend (en ik zoude niet weten wat zy anders kunnen beteekenen), dan worden zy gevoegelikst te dezer plaatse vermeld. De tegelbakker behoort ook tot dit gilde; in den patronymikalen geslachtsnaam Teegelbeckers vindt men zijn kunstmatig handwerk genoemd. De looier draagt, vooral in de zuidelike gewesten, nog wel den oud-nederlandschen naam van huidevetter. In vele vlaamsche steden vindt men nog eene Huyvettersstraet of een Huidevettersplaats. Aan dit woord danken de maagschapsnamen Huyvetter, D’Huivetter, D’Huyvettere en D’Huvettere, in Vlaanderen [316]inheemsch, hunnen oorsprong. In Holland is deze naam, door samensmelting der d van het lidwoord aan het hoofdwoord, en door uitslyting der h, tot Duyvetter geworden. De hollandsche geslachtsnaam De Looyer is de weêrgade van den vlaamschen Huyvetter. De kaarsemakers vinden wy weêr meest in de zuidelike gewesten, onder de maagschapsnamen Keersemaeker, De Keersmaeker, De Kersmaeker, Kersemakers, Keersmaekers, Keersgieter, enz. Ook de geslachtsnamen aan het zadelmakersbedrijf ontleend, zijn meest in Zuid-Nederland inheemsch. De zadelmaker draagt daar ook wel den naam van zadelaar, overeenkomstig den hoogduitschen form sattler. En van dezen byzonderen form zijn de maagschapsnamen De Sadelaer, De Sadeleer, De Saedeleer, De Zadeleer en het half verfranschte De Sadelaire met het patronymikale Saelmaekers afgeleid. Andere werklieden in leder zijn nog vertegenwoordigd door de geslachtsnamen De Leersnyder met De Leersnydere, Riemsnyder, Teschemaker (tasschenmaker) en De Scheemaeker. De naam Touwslager eischt geene verklaring, maar Lijnslager, Seeldrayers, Reepmaker wel. Dit zijn oude, byzondere benamingen voor den touslager. Eene andere oude naam van dien handwerksman is Reepslager; van daar nog de Reepslagersbaan (Reepschlägersbahn), eene straat te Hamburg in St. Pauli. Een reep is een plat gevlochten tou. Ten slotte moeten in deze groep nog vermeld worden de geslachtsnamen Wever en De Wever, met het patronymikale Wevers en het hoogduitsche Weber dat vry algemeen is; Zeilmaker en Zeylemaker, met de latynsche formen Velius en Carbasius; Wolkammer, Boendermaker, Verwer, Mandemaker en Korfker (zie § 153), De Wannemaeker, Stoelwinder, Tabakspinder, Zeper, enz. Waarschijnlik behooren de namen Corver en Korver ook te dezer plaatse, als beteekenende korfmaker. Het woord zeepzieder is in het Oud-Friesch sieper (sjiëper), weêr verhollandscht tot zeper. Nog heden wordt deze geslachtsnaam (Zeper) door eenen zeepzieder te Leeuwarden gevoerd, gelijk reeds door zyne voorvaderen, van ouder tot voorouder eveneens geschiedde.

De fynere kunsten zijn vertegenwoordigd in de maagschapsnamen Beeldsnyder, Schilder, Houtsnyder en Holtsnyder, [317]De Munter, Graveur, Drukker en Drucker, Schryver en Schriever, De Schryver, Landmeter, De Landmeter, en, als patronymikon Landmeeters; verder Sanger en De Zanger, Muzykant, Speelman (de oud-nederlandsche benaming van den muzikant), Trompetter, Bonger (zie bl. 292), Pyper en de hoogduitsche formen Pfeiffer, Pheiffer, Feifer, en de daarvan verbasterde formen De Feifer, De Vijver, enz.

§ 115. Een groot aantal andere bedryven en kostwinningen zijn er nog, die men tot de eigenlike handwerken of ambachten niet rekenen kan, en evenmin tot den handel. Ook de namen van zulke bedryven zijn tot geslachtsnamen geworden voor de nakomelingen der mannen, welke die kostwinningen in hunnen tijd uitoefenden, en daar naar toenamen verkregen. Zie hier eenigen van deze maagschapsnamen: De Waard en De Weerdt met Casteleyn, Kastelein en Hospes; Tapper, Wijnschenk en Bierschenk. De geslachtsnaam Kruger behoort hier ook; hy is van hoogduitschen oorsprong en beduidt: kroeg- of tappery-houder. Bleeker, De Bleeker en De Bleeckere, De Mangelaere, en misschien ook Wasman, behooren by elkanderen. Verder Barbier en Barbiers, Scheerder, Pruikemaker en Kapper; ook Uitdrager, Colenbrander en Loteryman. Vrouen, die waarzeggen (kaartleggen, handkyken, koffidikkyken) zijn er nog in alle nederlandsche steden. Oudtijds oefenden ook wel mannen dat bedrijf uit; voor een vijf-en-twintig-tal jaren heb ik er nog eenen gekend te ’s-Gravenhage. Aan dat bedrijf zijn de maagschapsnamen Waersegger en Waersegers ontleend. De geslachtsnamen De Gidts en Lijdsman (Leidsman?), Tolk, Voerman, Reisiger, Reiser en Reizer, De Bo, De Boo, De Boodt, Bode en Boode behooren ook by elkanderen. Denkelik ook Minnebo (Minnebode? de dietsche weêrga van den franschen Postillon d’amour?) en Slotboo (de bode van het slot, van het kasteel?).

Tollenaar en Tollner doen denken aan den tijd toen de steden nog tol eischten van den invoer en uitvoer van allerlei waren, en de tollenaars aan de poorten gezeten, dien tol moesten innen. Het hoogduitsche Zöllner komt ook by ons voor, en ik houd [318]de geslachtsnamen Tullenaar, Tullener en Tullner, met de patronymikale formen daarvan, Tulleners, Tulners, voor halve verdietschingen van dien naam. De Roover is ook een byzondere naam, van duidelike beteekenis. Dat de geslachtsnamen Rovers en Roovers echter als vadersnamen van het woord roover te beschouen zouden zijn, wil ik geenszins beweren. Ter verklaring van dezen naam denk ik liever aan den oud-germaanschen mansvóórnaam Hrodfrid, Rodfried. Even als het patronymikon Govers van den mansvóórnaam Govert komt en deze naam weer eene verslyting is van den vollen form Godfried, zoo komt ook Rovers van Rovert, Rodfried. De oud-germaansche naam Hrodfrid, Rodfried is in Förstemann’s Altdeutsches Namenbuch te vinden, ook in den afgesletenen form Rofred; van Rofred tot Rovert is slechts één stap, niet meer als een zeer gewone letterkeer.—Zeer byzonder, en tevens duidelik, is ook de geslachtsnaam Ziekenoppasser.

Tot de lagere standen der maatschappy afdalende, vinden wy de geslachtsnamen Keetbaas, Den Heyer, Werkman, Sjouwerman, Daggelder, Pakkedrager, Lastdrager, Bierdrager, Drager, Kruyer en Bezorger, Karreman (en, in limburgschen form, als patronymikon Kerremans), Poerstamper (poederstamper, waarschijnlik een werkman in eenen kruitmolen, of een apothekersknecht), Vischschraper enz. aan het werk dier klasse ontleend. Dan volgen nog de geslachtsnamen Baggerman, Modderman en Aschman. De geslachtsnamen Asman en Asmans acht ik niet afkomstig van het bedrijf des mans die asch aan de huizen in ontvangst neemt. In Asman, enz. zie ik liever, met Förstemann, volgens diens Altdeutsches Namenbuch, een oud-germaansche mansvóórnaam, de zelfde waar aan ook de naam van het stadje Assmannshausen aan den Rijn zynen oorsprong dankt. De hedendaagsche Hollanders doen het niet meer, maar de oude Nederlanders in het algemeen onderscheidden wel degelik zeer scherp in hunne uitspraak tusschen asch en as. De hedendaagsche Friesen en Vlamingen doen het nog.

De bedelaar staat op den laagsten trap der samenleving. Aan het woord schooien, nog eene verscherpte uitdrukking voor bedelen, zal wel de geslachtsnaam Schoyer ontleend zijn. Zonderling dat [319]iemand daar ooit vrede meê kon hebben, vrywillig zulk eenen geslachtsnaam aan te nemen of te dragen.

Ten slotte moet ik hier nog, als zeer zonderling, vermelden den geslachtsnaam Kussendrager; en niet minder is dit de geslachtsnaam Tafelkruier, waar ik geenen redeliken oorsprong voor vinden kan. Hoendervoogt en Pluimgraaf, Keukenmeester en Keukenschryver mogen ook wel tot de zonderlinge geslachtsnamen van deze groep gerekend worden, al zijn ze juist niet onverklaarbaar.

§ 116. Maagschapsnamen, aan het bedrijf der kooplieden ontleend, zijn de volgenden. In de eerste plaats het eenvoudige Koopman, Coopman, De Coopman; als vadersnamen Koopmans en Coopmans. Oudtijds zeide men wel, by uitslyting der letter p, cooman in plaats van koopman, en nog meer verbasterd, coomen, gelijk men ook van coomeny sprak in plaats van koopmanny of koopmanschap. Uit de geslachtsnamen De Cooman, Coomen, Koomen en Komen blijkt nog deze oude verbastering. De hoogduitsche en fransche formen Kaufmann en Marchand ontbreken natuurlik ook niet onder onze geslachtsnamen. Verder behooren nog tot deze groep de maagschapsnamen Handelaar, Zeehandelaar, Makelaar en Kramer met al de byformen van laatstgenoemden naam: Kraamer, Cramer, Kremer, Cremer, Cremers en Creemers, en het verlatynschte Cramerus.—Merseman en De Mersseman duiden eenen marskramer aan; misschien ook Marsman; zie echter bl. 293. Kruidenier, De Crudeniere en, in patronymikalen form Cruyniers zijn duidelik van beteekenis; zoo ook Beddekoper, Boterkooper, Blommekoper, Houtkooper, Huidekoper en Huydecoper, Kleerekoper, Paardekooper, Ossekooper, Stofkoper (dit is zekerlik een verkooper van kleedingstoffen), Vellekoper, Vischkooper en Viskoper, enz. Een byzondere tegenhanger van Paardekooper is de zekerlik reeds zeer oude patronymikale maagschapsnaam Hengstmangers. Immers manger of menger, met de byformen monger en minger, is een oud-nederlandsch, ook oud-friesch en oud-engelsch woord voor koopman, slyter; men zie ’t woordenboek van Kiliaan, op het woord: »Mangher, Mengher, [320]vetus. Permutator, commutator mercium, negotiator—appelmangher, vleeschmangher—” enz. In het begin van deze eeu was dit woord onder den form menger of minger nog in de friesche taal in gebruik; zie Wassenbergh, Taalkundige Bijdragen, I, bl. 12. Een Hengstmanger is dus anders niet als een paardekoopman. Ook leeft dit oude woord nog in de eenvoudige maagschapsnamen Manger en Menger.

§ 117. Het aantal der bovenstaande geslachtsnamen, van § 108 af vermeld, en van nog honderden anderen soortgelyken, wordt nog aanmerkelik vermeerderd door de verschillende wyzen waarop deze namen gespeld worden. Oude spelwyzen en boekstavingen volgens de eene of andere gewestelike uitspraak, ook slordige spellingen door afkortingen en afslytingen der oorspronkelike woorden, misspellingen en wanspellingen, alle dergelyke zaken komen by deze geslachtsnamen, zoowel als by anderen, voor. Menig voorbeeld hier van is op de voorgaande bladzyden reeds vermeld, zoo als alle spellingen en formen, waarin de eenvoudige woorden smid en molenaar als maagschapsnamen, op bl. 308 en 314 voorkomen. De woorden vleeschhouwer en rademaker (wielmaker, wagenmaker), waaraan vele geslachtsnamen, vooral in de zuidelike gewesten, ontleend zijn, kunnen nog tot voorbeeld dienen van de groote verscheidenheid waarin deze woorden, als geslachtsnamen, gespeld worden. Zie hier die welke my zijn voorgekomen. Daar zullen er echter nog wel meer zijn. Vleeschhouwer, Vleeshouwer, Vleyshouwer, Vleeschouwer, Vleeschauwer, De Vleeshouwer, De Vleeschouwer, De Vleeschauwer, De Vleesaver, De Vleeschouder, De Vleeschoudere, De Vleschoudere; eindelik nog het hoogduitsche Fleischhauer. Dan Rademaker, Raedemaeker, Raedemaecker, Radermecker, Ramaeker, Raymaecker, De Raedemaecker, De Raedemaeker, De Raeymaker, De Raymaeker, De Reymaeker, en als patronymika Rademakers, Raedemaeckers, Raedemaekers, Ramaeckers, Raemaekers, Raeymaekers, Raaymaakers, Raymaekers, het hoogduitsche Rademacher, enz. in haast oneindige afwisseling, en allen aan verschillende maagschappen eigen. [321]

§ 118. »De vele geslachtsnamen op man uitgaande, die in ons land bestaan, hebben meerendeels hun oorsprong te danken aan het vroeger door een der voorouders uitgeoefend bedrijf.” Zoo zegt J. Soutendam in zijn, voor oudheidkundigen zoo belangrijk geschrift Een wandeling langs Delfts straten en grachten in 1600, bl. 86. En zoo is het in der daad. In dat werk worden dan ook de namen opgenoemd van eenige bedryven, of liever de toenamen van eenige neringdoende burgers van het oude Delft, allen op man uitgaande, en welke toenamen tegenwoordig nog als geslachtsnamen onder ons in gebruik zijn. Onder deze man-namen zijn er eenigen, die thans niet meer in dien form in het hedendaagsche nederlandsch voorkomen, al zijn ze nog als geslachtsnamen bewaard en in gebruik gebleven. By voorbeeld speckman voor varkensslachter; coolman voor groenteboer of warmoezier; brandewijnman, dunnebiersman, enz. Als voorbeelden van zulke hedendaagsche geslachtsnamen, op man uitgaande, en aan het eene of andere bedrijf of handel ontleend, kunnen gelden: Wijnman en Bierman, Spekman en Mostertman, Zoutman,8 enz. Velen van deze namen zijn tegenwoordig niet meer in gebruik om het eene of andere bedrijf aan te duiden; maar met anderen is dit nog steeds het geval. En laatstbedoelde namen vinden wy vertegenwoordigd in de geslachtsnamen Koopman, Speelman, Tuinman,9 enz. Eene andere groep van deze man-namen is niet ontleend aan het eene of andere maatschappelike bedrijf, maar aan de byzondere woonplaats van hem, die eerst met zulken naam genoemd werd. Deze man-namen behooren dus eigentlik niet in deze afdeeling; zy zijn dan trouens ook reeds op bl. 293 vermeld en behandeld.

Nevens deze eenvoudige man-namen staan de patronymika daarvan, [322]die ook eene niet kleine groep van nederlandsche geslachtsnamen formen. Het zijn allen eenvoudige nederlandsche tweede-naamvallen, en gaan dus allen op s, op mans uit. Velen van deze patronymikale man-namen zijn slechts herhalingen van de hier voor reeds genoemde eenvoudige namen; b. v. Biermans, Appelmans, Mosselmans,10 enz. Anderen zijn my slechts in hunnen patronymikalen form voorgekomen; als: Kerremans, d. i. (zoon) van den karreman, Havermans, Slotmans, Costermans, enz. Onder deze mans-namen, waarvan er velen eigen zijn aan de zuidelike, bepaaldelik aan de brabantsche gewesten, zijn er niet weinigen, waarvan my de beteekenis min of meer duister is. Als zoodanigen noem ik: Wittemans, Geloudemans, Mortelmans,11 enz. Beersmans en Breugelmans, beiden in Brabant inheemsch, acht ik afgeleid te zijn van Beersman en Breugelman, in de beteekenis van: een man van of uit Beers, of van of uit Breugel.—Beers en Breugel beide zijn namen van brabantsche dorpen, in de antwerpsche en noord-brabantsche Kempen. Deze beide namen zouden dus tegenhangers zijn van de geslachtsnamen Lemmersman en Kuindersman, op bl. 204 vermeld. Tielemans met Tielmans, en Tillemans met Tilmans zijn eenvoudig patronymika van den oudtijds in de Nederlanden niet zeldzamen, en ook thans nog niet volkomen buiten gebruik zijnden oud-germaanschen mansvóórnaam Tilman, Tielman. Verder Hoosemans, van hoseman, de man die hosen, hozen = kousen maakte of verkocht? En Goemans, Koumans en Coumans met Wakkermans, van Goeman (ook in dezen form voorkomende), Kouman en Wakkerman, eigentlik bynamen? oorspronkelik de goede, de koude, de wakkere man?

§ 119. Zijn al de bovenstaande geslachtsnamen, van § 108 af, zekerlik eerst gedragen geworden door lieden die werkelik de [323]handwerken en bedryven uitoefenden, welke door die geslachtsnamen worden aangeduid, dit is gewis niet het geval by die geslachtsnamen welke ontleend zijn aan de namen van weerdigheden, ambten en bedieningen, zoo wel wereldlike als geestelike. Althans niet wat de namen der hooge weerdigheden betreft. De geslachtsnamen Keizer, Koning, Hertog, Prins, Paus, Bisschop, enz. komen veelvuldig onder ons voor. Niemand zal echter willen beweren dat de voorvaders van al die »Keizers, Koningen, Hertogen, Prinsen, Pausen, Bisschoppen” in der daad de weerdigheden hebben bekleed, die door hunne namen worden aangeduid. En niettegenstaande de voorvaders van hen, die de geslachtsnamen Bakker, Smid, De Boer, De Jager dragen, ongetwyfeld wel degelik bakkers, smeden, boeren, jagers geweest zijn. Die geslachtsnamen Keizer, Koning, Bisschop, enz. zijn zekerlik eerst slechts toenamen of bynamen geweest van mannen, die om de eene of andere reden door hunne tijd- en plaatsgenooten zoo werden genoemd. In de meeste gevallen zal zulk een bynaam wel afgeleid zijn van de opschriften of afbeeldingen op gevelsteenen en uithangborden, dus van de namen van huizen. Huisnamen, gevelsteenen en uithangborden als: »de Keyser van Romen”, »de Koningh van Enghelant”, »de Bisschop van Munster”, enz. kwamen oudtijds veelvuldig voor in alle nederlandsche plaatsen. Van Lennep en Ter Gouw vermelden er velen in hun werk De Uithangteekens. Die namen waren wel wat te lang in het dageliksche gebruik. Men kortte ze dus wel in, en sprak enkel van »de Keizer”, »de Koning”, »de Bisschop”; b. v. ik woon in »de Keizer”, of naast »de Koning”, ik ga naar »de Bisschop.” En zeer geleidelik gingen deze verkorte huisnamen wel over op de lieden welke in die huizen woonden. Leenaert Heyndricks-zoon b. v. die in het huis De Keyser van Duytschlandt woonde, noemde men al spoedig niet meer Leenaert Heyndricksz, maar Leen in »de Keyser.” Maar ook deze benaming was op den duur voor den gemakzoekenden volksmond nog te omslachtig, en eerlang werd het Leen de Keyser. En deze toenaam »de Keyser” ging ook na den dood van Leenaert Heyndricksz wel op zynen zoon Heyndrick Leenaertsz over, vooral als deze [324]ook in het vaderlike huis »de Keyser” bleef wonen,—en hy werd in verloop van tijd een vaste geslachtsnaam voor al de nakomelingen van den ouden Leendert. Ook kan het wel zijn voorgekomen dat deze of gene heerschzuchtige, die reeds als knaap steeds aanvoerder en eerste wilde zijn by het spel met zyne makkers, die later ook als jongeling en man dien trek van zyne inborst niet verloochende, maar soms nog te sterker deed uitkomen, dat zulk een knaap reeds »het koninkje” werd genoemd, of by het noordnederlandsche volk in de dagen van ons gemeenebest, »het prinsje”;—dat die bynaam als »Koning” of »Prins” ook aan den volwassen man bleef hechten, en voor diens nageslacht een vaste geslachtsnaam werd. En nog menige andere redenen zoude men kunnen bedenken die aanleiding verschaften tot het geven of tot het aannemen van dergelyke bynamen.

Dit geldt echter aleen voor de namen van hooge weerdigheden of van zeer aanzienlike ambten. Voor die van lageren rang (ridder, drossaart, hopman, vaandrig, koster) bestaat natuurlik geen enkele reden waarom men niet zoude aannemen dat de voorvader van den hedendaagschen drager van dien naam werkelik die betrekking vervuld heeft, welke door den geslachtsnaam wordt aangeduid.

Hier volgt eene opsomming van de geslachtsnamen aan de namen van allerlei weerdigheden, ambten, bedieningen, betrekkingen en posten ontleend, die my zijn voorgekomen—hoog en laag, aanzienlik en gering, geestelik en wereldlik, van den keizer tot den slaaf, van den paus tot den koster.

Keizer, De Keizer, Keyser en De Keyser; het hoogduitsche Kaiser komt ook voor.—Koning, De Koning, Coninck, Keuning, De Ceuninck, De Ceunynck, De Cueninck, Conninck en het hoogduitsche König.—Hertog, De Hertog, Den Hertog, De Hertoghe, Hartog, Hartoch, Hartogh, De Hartog, Den Hartogh, met het hoogduitsche Herzog en het fransche Le Duc.—Graaf, Graaff, Graeff, De Graaf, De Graaff, De Grave, De Graeve, Greve, De Greef, De Greeve, De Greve, en het fransche Le Comte. Misschien ook De Groof? Dan nog Vorst en het verlatynschte Vorstius. Zeer talrijk komen deze geslachtsnamen ook voor als patronymika: Keizers, Konings, Conincks, [325]Coninckx, Ceunynckx, Connyncks, Cuenyncx, Hertogs, Hartogs, ’S Hertogen, Graven, Graeven, Greven, Grefen, enz. De maagschapsnamen Hoogvorst en D’ Hoogvorst meen ik tot deze groep van namen niet te moeten brengen. Ik vermoed in dezen naam veel eer eenen aardrijkskundigen oorsprong. Vorst, voorst, forst, foorst, foreest is een oud-nederlandsch bastaardwoord, in de beteekenis van woud, bosch. Dus Hoogvorst is het hooge woud.

Nu volgt Ceurvorst, Prins, De Prins, De Prince (als patronymikon Prinsen, Prinssen, Prinsse, zelfs Prince), Markgraaf, De Landgraaf, Burggraaf, Burghgraef, De Borchgrave en Borggreve, met Borchgrevink als patronymikon (zie bl. 76). Baron, Edelman, Edeling, Adeling (zie bl. 120). Jonkheer, Jonker, De Jonckheere, De Jonker, Joncheere, Jonckheere en Jonkers; Ridder, De Ridder, in Vlaanderen, volgens de vlaamsche uitspraak, De Ruddere en De Rudder. De Bontridder behoort zeker ook hier by? wat dat voor een ridder is, weet ik niet.—Stadhouder, Stedehouder en Stehouwer, Landsheer, Landtsheer, Landsheere, De Landtsheer, De Lantsheere, Leenheer en Ambachtsheer met Ambagtsheer. Hierop volgt de eenvoudige heer, als Heer, De Heer, Dheere en D’ Heere. Dit woord heer zal wel te verstaan zijn in de aloude feodale beteekenis, niet in de nieuerwetsche beduidenis, waarin ieder man die een hoed draagt en heele schoenen, als heer geldt. De patronymika Heeres en Heeren meen ik echter niet van den titel heer, maar van den frieschen mansvóórnaam Hero of Here, Heere, Heerke, te moeten afleiden, even als de patronymikale geslachtsnamen Heringa, Heering, Herema, Heerma, Heerkens, enz. ook. Met het bezittelike voornaamwoord er vóór, eigenlik in den vocativus, komt het woord heer ook als geslachtsnaam voor. Te weten als Mijnheer, Menheer en Menheere.

Nevens de heeren, en gelijk met dezen in rang, staan in de friesche gouen de »welgeboren mannen”, de eigenerfden of erfgezetenen, de einierden of erfesgen, de vrye boeren, die op hunne eigene saten zitten. Van hunnen alouden titel »welboren” (wolberne is in het Friesch nog heden gebruikelik) of »welgeboren,” is de geslachtsnaam Welboren [326]afkomstig. In de Informacie up den staet van Hollant ende Frieslant, worden, op bl. 25, die vrye friesche mannen van den dorpe Velsen in Kennemerland afsonderlik vermeld als »Die welgeboren luyden van Velzen”, en als zoodanig wel degelik onderscheiden van »Die huysluyden van Velzen.” Deze laatsten zijn de onvrye boeren, de pachters, de huurboeren met de arbeiders, de keuterboeren of de brinkzitters, gelijk men ze in onze saksische gouen noemt. Hugo de Groot, in zyne »Inleiding tot de Hollandsche Rechtsgeleerdheit”, bl. 22b, schrijft: »’t Schijnt dat wel-gebooren mannen van ouds zijn geweest die van aver tot aver van vrye ende eerlicke luyden waeren gekomen.” Vermoedelik was de man die het eerst den naam van Velserboer (zie bl. 304) droeg of aannam, wel een dezer »welboren” mannen van Velsen. Het schijnt althans dat hy prijs stelde op het voeren van dien naam, als iets byzonders.

De geslachtsnaam Hooggeboren, een tegenhanger van Welboren, komt my voor oorspronkelik een bynaam geweest te zijn, in scherts gegeven, en ironice bedoeld.

Nu komen wy tot de regeerings-ambtenaren: Goeverneur, Senator, Burgemeester met den byform Burgemeestre, Balju en Bailyu, Droste, Drost (misschien ook wel Troste), Drossaart, Schoutheet, Schoutheete, De Schoutheet, De Schoutheete, De Schautheete, De Schauteete, Schauteeten en Schautetten (de twee laatste namen zijn patronymika, in wanspelling), Schout, Scholte, Schulte met den hoogduitschen form Schulze, enz. Over deze namen Schout, Scholte, enz. die evenzeer oorspronkelik mansvóórnamen kunnen zijn, zie men bl. 77 en 184. De geslachtsnamen Commissaris, Klerk, Schryver en Schriever zullen wy ook maar rekenen tot die welke ontleend zijn aan regeerings-ambten. De naam Klerk en De Klerk, ook als patronymikon Klerks, is zeer algemeen, en komt in allerlei spellingen voor. Zie hier slechts eenigen van die byformen: Klerck, Clerck, Clercq, De Clercq, De Klerck, Clercks, Clerqx, Clerckx, enz.

De geslachtsnamen Regter, Richter (ook als patronymika Rigters en Richters), Raadsheer, Boerrichter en Boerrigter met Dorprechter, Procureur, Advokaat en Advookaat, met het oud-nederlandsche Taalman, Deurwaerder en De [327]Deurwaerder, Diender, De Beule en De Beul vertegenwoordigen de rechterlike macht, even als Doctor, Dokter, Docter met het patronymikon Docters, Arts en De Stadbader den geneeskundigen dienst. De laatste naam is zekerlik van zeer oude dagteekening. Hy stamt toch af uit den tijd toen men badstoven, openbare baden had in de nederlandsche steden, gelijk in de laatste middeleeuen het geval was. Deze inrichtingen stonden onder het bestuur van eenen, door de stedelike regeering aangestelden bader of stovenhouder, den stadsbader. Deze man oefende tevens een gedeelte der geneeskunde uit; b. v. het aderlaten, het koppenzetten, en dergelyke geringe zaken, gelijk ook de barbiers deden. In sommige streken van Duitschland, vooral in het Zuiden, draagt nog heden de wondarts (chirurgyn) den naam van »Bader”.

Aan het leeraarsambt zijn de geslachtsnamen Rector en Schoolmeester (ook als patronymikon Schoolmeesters) en Onderwyzer ontleend. De geslachtsnamen Meester, De Meester en Meesters met Mesters voeg ik ook hier by. Andere meesters worden nog vertegenwoordigd door de geslachtsnamen Bouwmeester, Den Boumeester, Boermeester, Hofmeester, Dijckmeester, Rentmeester en Rentmeesters, Waagmeester, De Meulemeester en eindelik Keukenmeester. Onder de burgery der stad Leeuwarden van den jare 1511 wordt reeds een Oeswalt Koeckenmester genoemd.12 De keukenmeester behoorde zeker wel tot eene hofhouding, even als de keukenschryver, wiens post ook als geslachtsnaam (Keukenschryver) voorkomt. Tot zulk eene hofhouding behooren nog andere bedieningen, die door de geslachtsnamen Hoveling, Kamerling, Camerlinck, Camerlynk en Camerlingh (als patronymikon Kemerlinckx), en Schenk worden aangeduid. Schenk is eene oude benaming voor »schenker”; men vergelyke hier de namen Wijnschenk en Bierschenk, reeds op bl. 317 vermeld. De naam van dit ambt komt ook in verlatynschten form, als Schenkius, als geslachtsnaam voor.

De onvryen, de hoorigen, by de germaansche volken, vroeg in de middeleeuen en vóór dien tijd, werden door hunne heeren wel [328]vrygemaakt, vrygegeven, vrygelaten, van verplichte dienstbaarheid ontslagen. Zy kregen dan den naam van laten;—niet waar? Aan dit woord zijn de geslachtsnamen De Laat en De Laet ontleend, die vooral in de zuidelike gewesten inheemsch zijn. Zekerlik waren het vooral deze »laten”, die by de opkomst en bevestiging der steden, den kern formden der burgery, der vrye poorters. De benaming van dezen zoogenoemden derden stand vinden wy terug in de geslachtsnamen De Poortere en De Poorter, Borger, De Borger, De Borgher, Burger, De Burger, Den Burger, Burgerman, enz. Dat de patronymika Borghers, Burghers en Burgers van dit woord burger zouden afgeleid zijn, is niet geheel zeker. De oud-germaansche mansvóórnaam Borchart, Borgert, Burkhard, Burgert kan ook daar aan ten grondslag liggen; zie bl. 176.

De burgery in de steden, voor zoo verre zy tot de handwerkslieden en neringdoenden behoorde, was in gilden verdeeld. Aan het hoofd van elk gild stonden de gildemeesters; de verdere leden van elk gilde bestonden uit meesters of bazen, gezellen en leerlingen. Al deze benamingen komen nog als geslachtsnamen voor; te weten: Gildemeester, Baas, Gezelle, Geselle, Gheselle, Ghezelle, De Gheselle (als patronymikon in den tweeden-naamval Gesellen en Gezellen), en Leerling. De veenbaas, die aan het hoofd der veenarbeiders staat, en wiens naam ook als geslachtsnaam (Veenbaas) voorkomt, behoort meer tot de boeren dan tot de burgers. De knechten, behulpzaam by allerlei bedrijf, staan een trap lager dan de gezellen der ambachten. Hun stand vinden wy vertegenwoordigd in de geslachtsnamen Knegt, Knecht en De Knegt, ook in Bouwknecht, Wagenknecht en Stalknecht. Hier toe behoort ook de geslachtsnaam Koetsier en Coetsier. Ook Koetser, dat my eene halve verdietsching schijnt van het hoogduitsche Kutscher. De beteekenis van den naam Leenknecht is my niet duidelik. Misschien is het wel een gemeenzame form van Leendert de knecht, Leen-knecht, op de wyze als de geslachtsnamen Janknegt, Leentvaar, enz. die op bl. 174 zijn vermeld. Beneden den knecht staat de slaaf; ook dit woord is tot een geslachtsnaam, Slaaff, geworden. Zonderling genoeg komt deze naam juist onder de vrye Friesen, te Leeuwarden [329]voor. Dat deze naam nog zoude dagteekenen uit den tijd toen de Germanen werkelik slaven hielden, acht ik geheel onwaarschijnlik. Zou Slaaff hier ook een volksnaam zijn? Eenen Slavonier beteekenen? Of eene halve verdietsching van eenen hoogduitschen geslachtsnaam Schlaf? Deze naam is my wel nooit voorgekomen. Toch kan hy zeer wel bestaan, gelijk ook het nederlandsche woord slaap een geslachtsnaam formt; zie § 146.

Uit het heir der krijchslieden, uit de verschillende rangen die daar in voorkomen, is ook menige nederlandsche geslachtsnaam genomen, van den hoogsten rang tot den laagsten. Als zoodanig zijn my de volgenden bekend: vooreerst de geslachtsnamen Krijgsman (met Kriegsman), en Ruiter, Ruyter, De Ruiter, De Ruyter, De Ruytter, enz. een krijchsman te peerd beteekenende. Deze namen zijn van algemeenen aard. Daarna staat als de hoogste in rang Veldheer; vervolgens Maarschalk, De Maerschalk, ook verbasterd als De Maeschalck en De Maesschalck voorkomende. Verder Overste, Majoor, Kapitein (zie bl. 307), Hoofdman, Hooftman en Hopman (een nederlandsch bastaardwoord van het hoogduitsche »Hauptmann”, tydens ons gemeenebest by het leger in gebruik), Ritmeester, Sergeant, Korporaal en Corporaal, Vaandrager, Vaandrig, Vendrik, en als patronymikon Vendrickx, Soldaat, Musquetier, De Schutter, De Handschutter (handboogschutter, in tegenstelling van den voetboogschutter), en Schildwagt. Aan de zeemacht in het byzonder zijn de geslachtsnamen Admiraal, Konstabel en Bottelier ontleend. Dan komen nog Trompetter, Tamboer en Pyper, met het patronymikon Pypers. De hoogduitsche form van laatstgenoemden naam, die echter eene meer algemeene beteekenis heeft, Pfeiffer, komt in verschillende formen en spellingen (zie bl. 317) ook geenszins zeldzaam in de Nederlanden voor. Geen wonder! hoe menig bovenlandsche toonkunstenaar is niet reeds onze grenzen overschreden!—Gyzelaars komen meest in oorlogstyden voor, al is dit niet uitsluitend het geval, en al worden ze niet altijd uit den krijchsmansstand genomen. Toch meen ik de geslachtsnamen, aan dien maatschappeliken toestand ontleend, hier te moeten vermelden. Het zijn De Gyselaar, en, als patronymikon, Ghiseleers. [330]

§ 120. Byna alle kerkelike weerdigheden, ambten en bedieningen zijn ook onder de geslachtsnamen vertegenwoordigd. Hier volgen die, welke my bekend zijn. Roomschen en Protestanten door elkanderen—ik kan ze niet schiften.

Van algemeene beteekenis zijn vooreerst de geslachtsnamen Kerckheer, De Kerckheer en De Paap, ook Paap, Pape en De Paepe, met de patronymika Paaps, Spapen, Spaapen en het versletene Spaape. Aangaande de forming van laatstgenoemde namen zie men bl. 184 en 185. Wat de beteekenis eigenlik is van den geslachtsnaam De Boelpaep, die hier ook schijnt te behooren, is my niet duidelik; ’t en zy men hier by aan het oud-nederlandsche woord boel te denken hebbe (?). In aanmerking nemende, dat in dit geval aan het dragen van dezen naam schande zoude verbonden zijn, valt dit naueliks aan te nemen. Maar Langpaep, een lange geestelike, is zoo veel te duideliker.—De volgende namen zijn allen duidelik: Paus, en misschien ook Pous. (Neemt men in aanmerking dat Pau, Pauw in gemeenzame dageliksche spreektaal ook wel in gebruik is als afkorting van den mansvóórnaam Paulus, zoo is het zeer wel mogelik dat deze geslachtsnaam Paus, althans in sommige gevallen, een patronymikon zy van dien mansnaam Pau; b. v. Karel Pauszoon of Karel Pausz, d. i. Karel de zoon van Pau of Paulus). Verder Cardinaal, Bisschop, De Bisschop en Den Bisschop met het verbasterde Busschop en het hoogduitsche Bischoff. Dan Priester en De Priester, Pastoor en, als patronymika, Pastoors en Pasteurs met Pasteuren en Pasteure. Proost en De Proost, De Deken en Den Deken, Dominé, Abt en Den Abt, Prior, Pater en De Pater, Monnik, Munnik, Munk, Monk, De Monnik, De Munnik, De Munnick, De Meuninck, De Munck en De Muynck, met de patronymika Munniks, Munninckx, Meunynckx, Munnyncks, Smeunincks en Munninksma; zie bl. 166. Eindelik Jeswiet en Carmeliet. Omdat een monnik door de Roomsch-Catholyken als »broeder” wordt aangesproken, en men ook van hem spreekt als van »den broeder” of b. v. als »broeder Benedictus”, zoo houd ik het daar voor dat in de geslachtsnamen De Broeder en Den Broeder ook zeer wel een monnik schuilen [331]kan. Cluysenaer, Cluysenaar, Heeremiet en Pelgrim, ook Pelgrum en Pellegrom, met het hoogduitsche Pilger, en de patronymika Pelgrims en Pylgroms. Het woord pelgrim, in den frieschen form Pylgrom, is in Friesland ook nog heden als mansvóórnaam (Pylgrom) in gebruik. En dus kunnen deze patronymika ook zeer wel aan dien mansvóórnaam ontleend zijn, en niet aan het woord pelgrim.—Aan den joodschen eeredienst ontleend, is my enkel de geslachtsnaam Rabbie bekend.

Tot de geslachtsnamen van lagere kerkelike bedieningen afkomstig, reken ik de namen: Kerkmeester, Koster, Coster, De Koster, De Coster, De Custer, De Costere, De Keuster, De Ceuster, met het verlatynschte Costerus en de patronymika Kosters, Custers, Ceusters, ook als Custodis in goed Latyn overgezet. Verder Voorzanger met het hoogduitsche Vorsänger, en Orgelist.

Als aanhangsel tot deze kerkelike namen reken ik nog de geslachtsnamen Apostel, Profeet en De Maertelaere met De Maerteleire (martelaar). Zoo ook Den Heyligen. Waarschijnlik zijn deze namen van huisnamen afkomstig. Te Amsterdam toch was in deze eeu »de Profeet” nog de naam van een huis—althans van eene handelszaak.

§ 121. De vrouen die oudtijds eenig handwerk, nering of bedrijf, als kostwinning uitoefenden, kregen ook wel, even als de mannen, den naam van haar bedrijf als een toenaam gevoegd by haren eigenen vóórnaam. Onder de burgery der stad Leeuwarden, van den jare 1511, vind ik opgenoemd: Alijt Weefster. Hilck Naaister, Gheert Froedmoer, Sack Dekennaister; onder die van Dokkum: Ken Froedmoer, Aecht Baeckster, enz.13 Toch is my geen enkel geval bekend dat de toenaam aan zulk een vrouelik bedrijf ontleend, tot een geslachtsnaam geworden is. Trouens dit is geenszins vreemd. Immers de zoon van Alijt Weefster (ook al had deze Alijt misschien geen man) kon zich toch niet wel naar het handwerk zyner moeder noemen. Hy kon zich b. v. niet Willem Weefster heeten. In dezen naam zoude eene tegenstrydigheid opgesloten zijn. [332]

Toch komt de geslachtsnaam Sangster voor, een naam die, naar myne meening, geene andere beteekenis kan hebben dan die van het meer nieuerwetsche woord zangeres. Is deze naam dan eerst door eenen man gedragen, die de zoon van eene zangeres was, van eene vrou, die algemeen onder dien naam b. v. van »Ghese Sangster” bekend was? Dit is byna niet aan te nemen. Eerder zoude ik geneigd zijn te gelooven dat deze naam Sangster eene halve verdietsching ware van het engelsche woord, misschien ook wel van den engelschen geslachtsnaam Songster. Een woord dat, ten spijt van zynen vroueliken form, toch eene mannelike beteekenis, dien van zanger heeft. Even zoo is het met het engelsche woord webster; ook dit woord vertoont eenen vroueliken form, en beteekent, volgens het engelsche spraakgebruik, toch wever, niet weefster. De geslachtsnaam Webster, van engelschen oorsprong, komt ook in de Nederlanden voor.

Iets anders is het met de geslachtsnamen Beghyn, De Nonne en Quanonne. Dezen zijn zonder twyfel van echt-nederlandschen oorsprong, en duiden, eveneens twyfelloos, iemand van de vrouelike kunne aan. Hoe deze benamingen ooit als geslachtsnamen in gebruik gekomen zijn, verklaar ik niet te kunnen bevroeden. »De Begijn” en »De Non” kunnen nog namen van huizen geweest zijn, (»de Non” althans wordt als huisnaam door Van Lennep en Ter Gouw vermeld), en als zoodanig overgegaan op de bewoners dier huizen. Maar Quanonne, de kwade non! Zeker is wel geen naam ongeschikter om eerst als by- of toenaam, later als geslachtsnaam door eenen man te worden gedragen.

§ 122. Even als met zoo vele andere geslachtsnamen het geval is, zoo zijn er ook eenige geslachtsnamen aan weerdigheden, ambten, bedryven en handwerken ontleend, in het Latyn omgezet geworden. Zie § 167 en bl. 150. Zoo is b. v. de geslachtsnaam Bakker tot Pistorius geworden, Kuiper tot Viëtor enz.

Zie hier eene lijst van die namen: Sartorius, dat is: kleêrmaker, van het latynsche woord sartor; Sutorius, de schoenmaker, van het latynsche woord sutor; Faber, de smid, ook nog meer »verschnörkelt” als Fabricius en Fabritius voorkomende, en in patronymikalen form als Fabri, Fabry en Faberi, dat is: Smids, [333]des smids zoon. Rusticus en Agricola, de boer of de landman; Textor, wever; Carbasius en Velius, zeilmaker; Cantor, de zanger; Mechanicus, de werktuigkundige. Dezen laatsten naam houd ik voor jonger dan de 17de eeu. Waarschijnlik is hy eerst in het laatst van de vorige of in het begin van deze eeu in zwang gekomen. Pistorius is niet de eenigste vreemde form, waarin de naam Bakker is omgezet geworden. Immers Syds Buwes Bakker, die in 1633 predikant was te Dokkum, schreef zynen naam als S. D. Artopaeus. Maar deze naam schijnt weêr met dien man verdwenen te zijn; als hedendaagsche geslachtsnaam is hy my nooit voorgekomen. De geslachtsnaam Nauta, met het ontaalkundige Van Nauta, in Friesland aan verschillende geslachten eigen, kan beschoud worden als eene verlatynsching van den naam Schipper. Immers het woord schipper is in het Latyn nauta. Ook neem ik geerne aan, dat dit met sommigen van deze namen Nauta in der daad het geval is. Maar deze naam kan ook even zeer een eigenaardig friesch patronymikon zijn (zie § 44) van den oud-germaanschen mansvóórnaam Nauto, Naute, die in Förstemann’s Namenbuch voorkomt, en waarvan ook de geslachtsnaam Nauts een vadersnaam is.

In den tijd toen het verlatynschen der geslachtsnamen in gebruik was, gebeurde het ook wel dat men die namen niet in zuiver Latyn vertaalde, maar dat men slechts eenen latynschen uitgang, us of ius, voegde achter den nederlandschen naam. Zeker dwaas genoeg! Eenigen van die namen, aldus van eenen latynschen steert voorzien, zijn tot den dag van heden als geslachtsnamen in wezen gebleven. Sommigen daar van zijn in dit werk reeds genoemd: Bakkerus, Brouerius, Costerus, Cramerus, Cuperus. Anderen zijn nog: Scrinerius, van schryner, schrijnwerker of kastmaker. In het Nederlandsch, en wel in bepaald hollandschen form, als Schrijnder, komt dit woord ook als maagschapsnaam voor. Verder Vorstius, Schenkius (zie bl. 327), Stamperius (Stamper, Poerstamper, zie bl. 318), Schipperus, enz. Ook schijnt de geslachtsnaam Smedicus my toe eene quasi-verlatynsching te zijn van het woord smid.

Titels en weerdigheden komen, als maagschapsnamen, ook al in het Latyn voor. By de namen Doctor, Prior, Rector, [334]Senator, in § 119 reeds vermeld, noem ik hier nog Praetorius en Sindikus. Misschien behoort de maagschapsnaam Factor ook tot deze groep.

De geslachtsnamen Estor, Proctor en Toxopeus hebben ook een latynsch voorkomen. Maar ik kan die namen niet verklaren; ik weet niet wat zy beteekenen, en hun oorsprong is my volkomen duister.

§ 123. Tot besluit van al deze maagschapsnamen, aan ambten en bedryven ontleend, dienen hier nog eenige namen te worden vermeld, die oorspronkelik half uit scherts, half uit spot, als bynamen gegeven zijn aan handwerkslieden, en die aan het gereedschap door die lieden by hun werk meest gebruikt, ontleend zijn. Tot deze namen reken ik b. v. Knipscheer en Vingerhoed, oorspronkelik bynamen voor eenen kleermaker; Knieriem, de spotnaam voor den schoenmaker (in myne jeugd, te Leeuwarden, noemde men iederen schoenmaker wel schertsender wyze: »Baas Knieriem,” of »Baas Pikkedraad”). Verder Hoefnagel, de bynaam van den hoefsmid; Hamer, de bynaam van den timmerman, enz. Deze namen komen geenszins zeldzaam, en in allerlei formen voor; b. v. als Knyrim en Knierum, Vingerhoedt, door uitslyting der h als Vingeroedt, ook als patronymikon Vingerhoets; Hoefnagel, ook als patronymikon Hoefnagels, in Vlaanderen als Houvenaghel en Houvenaeghel, in hoogduitschen form als Hufnagel, enz.

Dikwijls ook is het voorvoechsel van der of van den geplaatst vóór de namen van allerlei handwerksgereedschap, en heeft men op die wyze allerlei tamelik onzinnige maagschapsnamen zich geformd. De slachter noemde zich of werd genoemd Van der Bijl, de kleêrmaker Van der Naald, de schoenmaker Van der Els of Van der Leest, de timmerman Van den Hamer, Van der Zaag of Van der Schaaf, enz. De Friesen volgden weêr hunne eigene wyze om zich, in scherts, zulke geslachtsnamen te formen. De bleeker in Friesland noemde zich Osinga, de slachter Bylsma, de schoenmaker Elsinga, de glazemaker Glasstra, de timmerman Latsma, de schipper Scheepstra, enz. Al die namen bestaan thans nog als geijkte maagschapsnamen, en houden [335]de herinnering aan het voorvaderlike bedrijf levendig. Sommigen van deze namen bestonden reeds, vóór men ze in scherts aan handwerkslieden gaf. Zy waren reeds het eigendom van oude bestaande geslachten, en hadden eenen geheel anderen oorsprong, dan het volk daarin meende te vinden. Met de namen Van der Els (zie bl. 256 en § 135), Osinga, Elsinga (zie bl. 162) is dit o. a. het geval. Men zie aangaande deze en soortgelyke namen ook § 129.

[Inhoud]

B. Geslachtsnamen aan persoonlike eigenschappen ontleend.

§ 124. Dat aan dezen of genen persoon, die de opmerkzaamheid van anderen trekt door de eene of andere byzondere eigenschap van zijn lichaam of van zynen geest, eenen bynaam gegeven wordt naar aanleiding van die eigenschap, is eene zeer alledaagsche zaak, die nog heden veelvuldig onder ons voorkomt. Iedereen kent wel personen in zyne omgeving welke in het dageliksche leven bynamen dragen als: »de lange,” »de dikke,” »de manke,” als zy lang of dik zijn van lichaamsbou, of wel kreupel zijn—of als »de goeie,” »de vrek,” »scherp” als ze byzonder goedaardig, uit der mate gierig, of zoogenoemd scherp, vinnig, bits zijn van inborst. In beschaafde kringen vermijdt men te recht het gebruik van zulke bynamen, die in den regel, ook al zijn ze van onschuldigen aard of al vermelden zy soms wel eene loffelike eigenschap—toch onaangenaam, zoo niet hatelik klinken in d’ ooren van den persoon die zulken bynaam zich hoort toevoegen. Maar in min beschaafde kringen, en in de laagste standen der maatschappy is men geenszins achterhoudend met zulke bynamen. Men spreekt de personen, aan wie ze gegeven zijn, daar wel rechtstreeks mede aan, of noemt hen wel met die namen, ook in hun byzijn. »De rooie,” »de lamme,” »de bult,” »mankpoot” zijn zulke liefelike namen die in onze achterbuurten soms zoo algemeen in gebruik zijn, dat menigeen nooit anders wordt genoemd door de lieden zyner dageliksche omgeving. Zoo dat op het laatst menigeen geenen anderen naam meer kent van de personen die alzoo genoemd worden—[336]en de personen wien het aangaat die bynamen zich dan ook maar goedschiks-kwaadschiks aanleunen laten.

Oudtijds was men ook in beschaafde kringen en in de hoogere standen der samenleving veel minder kiesch wat het geven en gebruiken van zulke bynamen betreft. In middeleeusche oorkonden en ook nog wel in geschriften van lateren tijd, van de 16de en 17de eeu, worden de personen die daarin genoemd worden, dikwijls, ter meerdere duidelikheid of uit gewoonte, met hunnen bynaam vermeld. En deze personen zelven schynen daar dan niets op tegen gehad te hebben. Zulke namen als »Harm Gerloffssoen gezegd Witkop”—»Govert Claessen, dien men noemt Crombeen”—»Egbert Wilminck genoemt de Stercke” komen dikwijls voor in oude geschriften. Een burger der vlaamsche stad Hondschote, ten jare 1568, wordt in eene oorkonde van dien tijd genoemd: »Jehan Scrobbe, alias Cromhals”;14 een burger der stad Alkmaar, ten jare 1514, heette »Willem Roothooft” en zekere »Dirrick Coevoet” was in dat zelfde jaar schepen der stede Gorinchem.15 De naam eener vrouelike ingezetene van Leeuwarden, ten jare 1511, was »Grijthie Onbeleefd”,16 en die van eenen burger van Sluis in Vlaanderen, in het jaar 1526, »Ryckaert de Gryse.”17 En om nog een paar voorbeelden by te brengen, kan ik niet beter doen dan de woorden aan te halen van J. ter Gouw, voorkomende in diens werk Amsterdamsche kleinigheden—Amsterdam, 1864—bl. 58: »Daar klonken wel wat raarder namen in den ouden tijd. Blader de historiën, de oude registers, brieven en keuren maar eens door. Hier treedt u een Luitenant Leepoog tegen, en daar de makelaar Laurens het houten aangezigt. Hier ontmoet gij een deftig poorter, dien ge als Jonge Jan Doet er niet toe hoort aanspreken; elders is het de eerzame Dirk Dirksz, die, om hen van een anderen dubbelen Dirk te onderscheiden, den sierlijken toenaam draagt: »Zoon van bezeten Lijsje!” Ten jare [337]1600 waren er te Delft burgers die met hunne by- en spotnamen in oorkonden en registers vermeld staan; by voorbeeld Mr. Jan Smeer-de-borst en Frans Mont-van-de-hel (zie Soutendam, Een wandeling langs Delfts straten in 1600). Ja, zelfs vorsten en koningen moesten zich, in de middeleeuen, het dragen van zulke bynamen, aan allerlei persoonlike byzonderheden ontleend, laten welgevallen. Men denke aan namen als Floris de Vette, Karel de Kale, Pepyn de Korte, Karel de Eenvoudige, Govert met den Bult, Zwarte Margriet, enz.

Dat het geven van zulke bynamen reeds van zeer oude dagteekening is, daar van kan menige naam, die onder de volken der oudheid in gebruik was, getuigen; Xenarchus Metretes, de dronkaard; Phocion Chrestus, de goede; Pittacus Soropada, breedvoet; Marcus Curius Dentatus, de getande, door byzondere tanden gekenmerkte, enz. Dergelyke namen heeft de geschiedenis ons veelvuldig overgeleverd. En dat zulke bynamen ook reeds vroeg by onze eigene voorouders in zwang waren, leeren ons de oudste oorkonden. Uit de 11de, 12de en 13de eeu kennen wy eenen Frank de roode (ten jare 1050), Giselbrecht de zwarte (1225), Ekbrecht de kale (1162),18 eenen Willem Eenoog, Reiner de kleine,19 enz. En dat deze persoonlike bynamen, door op de kinders van de mannen die eerst met deze bynamen genoemd werden, over te gaan, langzamerhand ook geslachtsnamen konden worden, daar van zien wy ook in oude oorkonden menig voorbeeld. Onder velen: Reinska langhe Symens dochter,” eene leeuwarder vrou ten jare 1534.20

De algemeenheid dezer bynamen in aanmerking genomen, kan het niet anders of velen van deze namen moeten van de vaders, wien ze eerst gegeven waren, op de zoons zijn overgegaan; en van de zoons weêr op de kleinzoons, tot dat het langzamerhand vaste toenamen geworden waren die alle leden van een zelfde geslacht droegen,—tot dat zy eindelik geheel als vaste geslachtsnamen beschoud en in gebruik genomen werden. En deze zaak heeft zich in der [338]daad zeer veelvuldig aldus toegedragen. De talryke geslachtnamen, heden ten dage nog bestaande, en die van ouds eerst als zulke persoonlike bynamen, aan byzondere persoonlike eigenschappen ontleend, ontstaan zijn, strekken ten bewyze daarvan. Merkweerdig is het, dat menig persoon nog de zelfde kenteekens vertoont, die by zynen voorvader aanleiding gegeven hebben tot het in gebruik komen van diens bynaam, welke nu heden ten dage zijn geslachtsnaam is. Menig man, die den geslachtsnaam De Rooi voert, om maar een voorbeeld te noemen, heeft rood haar; en een ander die Kroese heet, heeft eenen gekroesden haardos. Verschillende voorbeelden van dergelyke overeenstemmingen zijn my bekend. Zy kunnen, ja, louter op toeval berusten. Maar zy kunnen tevens zeer gemakkelik verklaard worden door d’ omstandigheid, dat zulke lichamelike kenmerken dikwijls, ja in den regel, van vader op zoon en kleinzoon, door eene lange reeks van nakomelingen heen, overerven. Zie op bl. 173, den naam Kroeseklaas.

§ 125. De geslachtsnamen aan persoonlike eigenschappen ontleend, en die geenszins zeldzaam voorkomen, ook over alle nederlandsche gewesten verspreid zijn, kan men gevoegelik verdeelen in zulken die hun ontstaan danken aan lichamelike eigenschappen, en in die welke ontleend zijn aan byzonderheden van den inborst, het geestesleven der menschen. Als voorbeelden van eerstgenoemde soort kunnen gelden: De Groot, De Witte, Scheluwaert, Breebaart; van laatstgenoemde: De Coene, Sorgeloos, De Vroe. Gebreken, en ook byzonderheden die als schoonheden of volkomenheden gelden (Scheele en Slingervoet tegenover Schoonooghe en Zwaanshals),—ook goede en kwade eigenschappen (De Brave en Welgemoed tegenover De Quay en De Sot) komen gelykelik voor. Eene andere verdeeling zoude men kunnen maken al naar mate deze geslachtsnamen eenvoudig uit byvoegelike naamwoorden bestaan, met of zonder een lidwoord (Schele, De Lange),—dan wel of het zelfstandige naamwoorden zijn (Caluwaert, De Blindeman). Maar ik wil liever deze onderscheidingen achterwege laten, en hier al de namen welke, als tot deze groep behoorende, my bekend zijn, in geleidelike volgorde opsommen. De geslachtsnamen van lichamelike eigenschappen der menschen afgeleid, mogen de [339]ry openen; om te beginnen die welke van algemeenen aard zijn.

De Groote, De Groot, De Groodt, Grote, Groot.—De Reus en Reuse behooren hier ook toe. In tegenoverstelling van deze namen bestaan: De Kleine, De Cleine, De Cleyne, De Cleene, De Klein, De Cleyn, De Cleen, Kleine, Clene, Klein, Cleyn. Ik heb hier de woorden klein en kleen door elkanderen genomen. De form kleen is tegenwoordig nagenoeg volkomen buiten gebruik geraakt in de algemeene nederlandsche taal; althans in de byzonder-hollandsche schrijf- en boeketaal. En waar deze oude form nog voorkomt, wordt hy als volkomen gelijkbeduidend met klein gebruikt. Intusschen is er wel degelik onderscheid tusschen klein en kleen. Het eerste woord is het latynsche parvus; het tweede het latynsche minutus. Onze voorouders, ook in Holland, voor zoo verre zy naukeurig en kiesch waren op hunne taal, onderscheidden wel naukeurig tusschen klein en kleen. De Vlamingen doen het nog heden wel, en de Friesen, die er twee verschillende woorden voor hebben, te weten lîts == klein == parvus, en klien == kleen == minutus, eveneens. Toch raakt tegenwoordig het woordje klien in Friesland en kleen in Vlaanderen zeer in verval, door den infloed van het taalverarmende Hollandsch, dat deze fyne onderscheiding niet meer kent.

De Lange, De Lang, De Langh, Lange, Lang en De Corte, De Kort, De Cort, De Curte, Kort. Ook D’ Hooghe, De Hoogh, De Hoog, Hoog en Laag.

De Vette met Veth, Dik en Den Dubbelden (een zeer dikke man, zoo dik als twee, als een dubbelde man), met Maegherman, Magherman, Magerman, Mager. Ook Schrale en Schraal.

Den Breejen, De Breejen, Breed en Breet, met Smale en Smal.

Den Oudsten, De Oude, De Olde, Den Ouden, Den Oude, Den Ouwen, Dauwe (D’ Auwe, brabantsch, ook als patronymika Dauwen en Sauwen, zie bl. 185), Doude (D’ Oude), Den Olden, Oud en Out (Oldeman en Oudemans reken ik ook hier toe), met De Jonge, De Jonghe, De Jong, De Jongh, De Iong, Jonge en Jong. De geslachtsnamen De Jonge, enz. zijn zeer algemeen en komen zeer veelvuldig [340]voor. Menige zoon droeg den zelfden naam als zijn vader. Ten einde hem nu van zynen vader te onderscheiden lag er dus niets naders voor de hand, dan eenvoudig het byvoechsel »de Jonge” of »de Jong” achter zynen naam te plaatsen, terwijl de vader dan nog ten overvloede wel door het toevoechsel »de Oude” achter zynen naam onderscheiden werd. Deze oorspronkelik slechts persoonlike toenamen gingen wel op de zoons der aldus benoemde mannen over, en zijn in groot aantal tot geslachtsnamen geworden.

Al de hier boven in deze § opgenoemde namen behooren tot de algemeenst voorkomenden. Weinig plaatsen, vooral in de noordelike gewesten, waar deze namen niet voorkomen. Vooral De Groot, Klein, De Lang en De Jong zijn uit der mate talrijk.

Andere persoonlike eigenschappen van algemeen-lichameliken aard worden nog vertegenwoordigd door de geslachtsnamen De Sterke, De Staercke, Sterk, Sterck, Stark; Struis, Struys en misschien ook De Stuers, aangenomen dat deze naam eigenlik een letterkeer zy van De Strues, De Struys—(struisch, in de beteekenis van kloek en krachtig van lichaamsbou, is een woord dat vooral in de zuidelike Nederlanden in gebruik is). Dat de geslachtsnamen De Ronde, De Ronden en Rond hier ook behooren genoemd te worden, in de beteekenis van rond, dik, welgedaan van lichaamsform, acht ik zeer waarschijnlik. Komt nog een zware, grove lichaamsbou by die ronde, welgedane formen, dan ontstaat die gedaante, welke men wel vierkant (een vierkante kerel) noemt. De geslachtsnaam Vierkant is allicht oorspronkelik een bynaam geweest voor iemand die zulken lichaamsform vertoonde. Maar met den geslachtsnaam Eyrond weet ik geen weg; als eene lichamelike eigenschap van eenig mensch althans kan ik hem niet verklaren.

Verder behooren tot deze groep nog de namen De Schoone, De Schoonen, Schoone, Schone, Schoon, met Schoonhoefd, Schoonheere, Schoonman en Schoonejongen. Verder De Fraeye, De Mooi, Mooy en Mooi, met Mooyekind, alsmede het verbasterd hoogduitsche Hupscher (Hübscher). De afleiding van de geslachtsnamen Schone, Schoone en Schoon van het byvoegelike naamwoord schoon, fraai, mooi, is intusschen niet volkomen zeker, hoewel daar aan by De [341]Schoone (wegens het lidwoord), Schoonheere, enz. geen twyfel bestaat. Schoone toch is ook een oud-germaansche mansvóórnaam, die zoo wel op zich zelven als in samenstellingen (Skoniburga, Skonehildis, Sconrat, Sconolf) voorkwam, gelijk men in Förstemann’s Altdeutsches Namenbuch op den naamstam Skauni == de schoone, vinden kan. Zie ook de geslachtsnamen Schoninga, Schoonie en Schoentjens op bl. 73 vermeld.

De geslachtsnamen De Recht en De Regt, in tegenoverstelling met De Crom, Crom en Krom en met Den Bult, moeten hier nog genoemd worden. Zoo ook Stotteraar.

Eindelik zijn nog de geslachtsnamen Blanckaert, Blankaard, Blanquaert, Blankert, De Blancke, Blancke en Blank aan eene algemeen-lichamelike eigenschap ontleend, aan eene byzonder blanke huidkleur. Dat echter de geslachtsnamen Blanks, Blanken en Blenken (dit laatste is slechts eene gewyzigde uitspraak) patronymika zouden zijn van den bynaam blank (van huid), is geenszins zeker. Men vergelyke hetgeen op bl. 102 aangaande de namen Blanken en Blanksma vermeld is.

De geslachtsnamen Blondeel en De Blonde hebben vry wel de zelfde beduidenis als De Blancke. Immers gaan blondheid van haar en blankheid van huid gemeenlik samen. Maar als tegenhangers van deze geslachtsnamen beschou ik de geslachtsnamen Donker en Doncker, met het patronymikon Donkers.

By sommige menschen, lydende aan hartgebreken, vertoont de huid duidelik eene blaue, blau-achtig graue kleur. Ook is dit wel het geval na het gebruik van sommige geneesmiddelen. Waarschijnlik zijn de geslachtsnamen De Blaauwe, De Blaeuwe en Blauwaert oorspronkelik bynamen geweest van lieden, aan wier huid deze byzondere kleur eigen was. Ik kan my althans die namen anders niet verklaren. De naam Blauwaert is geformd als grijsaard, als Caluwaert, Scheluwaert (zie bl. 344 en 345) enz. Blauwert zou men in het Hollandsch zeggen. De naam is vlaamsch, en in Vlaanderen inheemsch. Dat de geslachtsnamen Blaauw, Blaeu, Blaau, Blau en Blauw eveneens aan deze byzonderheid hun ontstaan te danken hebben, schijnt my minst genomen zeer twyfelachtig. Deze namen kunnen ook eenvoudig bestaan uit den oud-germaanschen [342]mansvóórnaam Blau. Dat deze naam oudtijds bestaan heeft, en bepaaldelik in Friesland in gebruik was (al vermeldt Förstemann’s Altdeutsches Namenbuch slechts eenen vrouenaam Blawa, en geenen manneliken form daar van) blijkt my uit den frieschen patronymikalen geslachtsnaam Blauma. Ook is my een geval bekend, dat een blauverwer, in de vorige eeu levende, het woord Blaauw als geslachtsnaam aannam, in zinspeling op zijn beroep. Zoo handelde in dien tijd ook een friesche blauverwer, die zich Blauwstra noemde. In myne jeugd heb ik te Leeuwarden nog eenen blauverwer, Blauwstra geheeten, gekend.

Dat de geslachtsnamen De Groen en Groen ook tot deze groep gerekend moeten worden, durf ik niet beweren. Onmogelik is het niet, naardien werkelik een duidelik groenachtig-gele huidkleur by sommige menschen, als een verschijnsel van leverziekte, wel gezien wordt. Maar deze huidkleur is toch altijd slechts tydelik, en duurt niet lang genoeg om aanleiding te kunnen geven tot eenen bynaam. Daarenboven—de naam Groen is geenszins zeldzaam, en aan vele, onderling niet verwante geslachten eigen. Zoo veel te raadselachtiger is my het ontstaan van dezen naam. Kan er de oud-germaansche mansvóórnaam Gruno (zie 29) in schuilen? Ei ja toch!

§ 126. Deze laatste namen voeren ons geleidelik van de algemeen-lichamelike tot de byzonder-lichamelike eigenschappen over. Te weten tot die geslachtsnamen, welke ontleend zijn aan de byzondere eigenaardigheden van het eene of andere byzondere lichaamsdeel. Nemen wy in d’ eerste plaats die van het haar. De verschillende kleuren van het menschelike haar hebben oorsprong gegeven aan de geslachtsnamen:

De Witte, De Witt, De Wit, De With, Witte en Wit met De Zwarte, De Swarte, De Zwart, De Swart, De Swert, Zwart en Swart, en met de patronymika Swarts, Zwarts, Swartz, enz. Verder De Roode, De Rooy, De Rooi, De Roo, Rood, De Bruine, De Bruin, De Brune, Bruin, Bruyn, De Gryze, De Gryse, De Grysen, De Grijs, Grijs, De Graauwe, De Graeuwe, De Graauw, De Graeu en De Schiere en Schiere. De twee laatste namen, [343]van frieschen oorsprong, zijn ontleend aan het friesche woord skier, dat grijs of grau beteekent, en in Friesland nog in volle gebruik is. Over de patronymika van den naam De Graauwe, Graauw afgeleid, zie men bl. 185. De geslachtsnamen De Bonte, De Bont, Bonte en Bont reken ik ook hier toe. Immers lieden met bont haar, b. v. donker, met hier en daar een lichter gekleurde lok of vlok, zijn geenszins zeldzaam. Verder nog Wittebol en Wittebolle, Withaar en Witkop, Roobol en Roothooft, Swartbol en Swarthoofd. De geslachtsnaam Gryspeerdt, in Vlaanderen inheemsch, behoort ook tot deze groep, hoe vreemd het schijne. Gryspeerdt toch is eene verbastering van Grysperre, zoo als deze zelfde naam nog wel in oude stukken geschreven staat. By de gewone vlaamsche uitspraak is het onderscheid tusschen Gryspeerdt en Grysperre ook minder groot dan het in geschrifte schijnt. »Grys perre” is letterlik grijs hoofd, gryze kop; »perre” is een oud-vlaamsch woord voor hoofd of kop. Het leeft nog in de volksspreektaal, in sommige uitdrukkingen; b. v. »te perre staan” = op het hoofd staan, met de beenen in de lucht, als de spelende knapen wel doen. Men kan er de vlaamsche woordeboeken op na slaan.

Als by bovengenoemde geslachtsnamen het lidwoord staat (b. v. De Wit), dan valt er niet aan te twyfelen dat het byvoegelike naamwoorden zijn, die als persoonlike bynamen in gebruik zijn geweest. Maar iets anders is het als die namen op zich zelven voorkomen (b. v. Wit, Bruin). Dan kunnen deze namen oorspronkelik ook wel anders niet zijn als eenvoudige mansvóórnamen. Immers als oud-germaansche mansvóórnamen, ook by onze voorouders in gebruik, komen Wit of Witte, Root, Brune en Grise wel voor. Men vindt ze allen vermeld, ook in samenstellingen, in Förstemann’s Altdeutsches Namenbuch. De vóórnamen Witte (men denke aan Witte de With) en Bruin of Bruno worden heden nog wel door Nederlanders gedragen. Zeer vele geslachtsnamen, meestal patronymika, zijn van deze mansvóórnamen afgeleid; b. v. Wittinga, Witting (ook in Engelland, met Whittington), Wittenck, Wytynck in Vlaanderen, Witsen, Wits en Wittema, Roding, Roodema, Roden en [344]Rhodens, met Rooikens (dat is Rodekens) in verfloeiden verkleinform, enz. Zie ook bl. 79.

Nog zijn aan byzondere eigenschappen van het haar ontleend de geslachtsnamen Kroese en Kroeze met Kroeskop, Kruishaar (kruis in dezen naam is eene verhollandsching van het saksische en frankische krûs, kroes), Fijnhaar en Lankhaar. Als tegenhanger van Kruishaar kwam in de vorige eeu de geslachtsnaam Gladhair voor. Ongetwyfeld vinden de geslachtsnamen Krul, Krull, Crul, Krol en Crol ook hunnen oorsprong in het krullende haar van hem die eerst zulken naam droeg. De Ruig, Ruig, Ruyg en Ruge zijn geslachtsnamen die zekerlik ook op eenen ruigen haartooi betrekking hebben. Gemis van haar, kaalheid, heeft oorsprong gegeven aan de geslachtsnamen De Caluwe, Kaal, Caluwaert, verbasterd tot Callewaert, en als patronymikon Calluwaerts. Caluwe, kaluw is de oorspronkelike, volle, zuiver nederlandsche, meest byzonder-frankische form van het hedendaagsch algemeen-nederlandsche, meest byzonder-friesche woord kaal, zuiver friesch keal. De woorden caluwe, kaluw en kaal, keal staan in de zelfde verhouding tot elkanderen als zwaluwe, zwaluw, friesch sweal, engelsch swallow; als het vlaamsche geluwe, engelsch yellow, hoogduitsch gelb (b = uw), hollandsch geel, friesch giel; als schaduw, engelsch shadow, zuiver friesch skaed, in de friesche steden ook skat, hoogduitsch schatt(en). Caluwaert, letterlik in het Hollandsch kalert, is geformd als grijsaard.—Dat kruse, kroese oudtijds ook als een mansvóórnaam in gebruik moet geweest zijn, wordt bewezen door de patronymikale geslachtsnamen die daar van afgeleid, en op bl. 57 vermeld zijn.

Niet aan het gemis van haar, maar wel aan het gemis van hoofddeksel, heeft de geslachtsnaam Bloothoofd zynen oorsprong te danken. De oorsprong der geslachtsnamen Brooshooft en Kluifhoofd is minder duidelik. Zou Kluifhoofd niet in de plaats staan van Kloofhoofd? Kluiven, kluifjes toch zijn gekloofde beenderen. Kloofhoofd zou dan een bynaam kunnen geweest zijn voor iemand wiens hoofd (schedel, hersenpan) door eene zware verwonding, eenen sabelhou b. v., als ’t ware door midden was gekloofd geweest, waar van hy zijn leven lang een duidelik zichtbaar likteeken overgehouden had. En Brooshooft kan een bynaam [345]zijn geweest voor iemand wiens schedelbeenderen, door eene ziekelike aandoening, byzonder broos waren, zoodat zy, ook by geringe aanleiding, lichtelik braken.—De maagschapsnaam Schoonhoefd (hoefd == hoofd) dient hier ook vermeld te worden.

By het hoofdhaar behoort de beerd. Aan byzondere hoedanigheden van den beerd zijn ontleend de geslachtsnamen Breebaart, Langebaerd en Langebaard, Robaert en Roobaart, Schoonbaert en Witbaard, welke geen van allen naderen uitleg behoeven.

Byzondere hoedanigheden der oogen gaven aanleiding tot het ontstaan der geslachtsnamen Bruinooge en Bruynooge (eene byzonderheid by ons oorspronkelik blonde, blau-oogde volk), Liefhooghe, Schoonooghe, Spanooghe (wijd open-gespannen oogen), Wijdhooge en Wijdoogen. In de namen Liefhooghe en Wijdhooge is, door misverstand, eene h vóór de eerste letter van het woord oog, ooge, ooghe geplaatst. Deze namen zijn in Vlaanderen inheemsch. De Vlamingen, die de h niet uitspreken, zijn wel onnaukeurig ook in het schryven van die letter, en plaatsen haar wel waar zy niet behoort. Of de geslachtsnaam Boekenoogen ook tot deze groep behoort, en wat of deze naam dan beteekent, en kan ik niet zeggen. Ik en weet het niet. Maar De Scheele en Schele zijn duidelik. Het zelfde beteekent Scheluwaert, een vlaamsche geslachtsnaam, en een oud-vlaamsch woord tevens, dat letterlik schelert is in het hollandsche taaleigen, even als caluwaert en kalert. Het vlaamsche woord scheluwe staat in de zelfde verhouding tot het hollandsche scheel, het friesche skîl(ich), als caluwe staat tot kaal, keal, enz. zie bl. 344. De hollandsche timmerlieden noemen een scheef of scheel getrokken stuk hout nog schelf, dat is schelve, scheluwe.—De Blinde, De Blende en Blindeman zijn maagschapsnamen die ook behooren tot deze groep.

Gebreken aan het oor hebben, voor zoo verre my bekend is, slechts aan éénen geslachtsnaam oorsprong gegeven; aan Den Dooven namelik. Opmerkelik is het dat geen enkele geslachtsnaam zijn ontstaan dankt aan byzondere hoedanigheden van den neus. Althans is er my nooit zulken naam voorgekomen. Bynamen die op den neus betrekking hebben, worden er toch wel genoeg gegeven! Maar de neus is een zeer gevoelig punt voor de menschelike [346]ydelheid. Bynamen die gebreken van andere lichaamsdeelen aanduiden, laat men zich nog des noods welgevallen. Maar niemand wil zynen neus hooren smalen. Immers een leelike of misformde neus mismaakt het geheele gelaat. Geschonden neus is geschonden aangezicht. Dies al werden en worden bynamen als »langneus”, »wipneus”, »klompneus” wel gegeven, niemand laat zich zoo’n bynaam aanleunen; by niemand kon hy vaste toenaam worden en nog veel minder geslachtsnaam. By de oude Romeinen vinden wy den bynaam »neus” wel als een vaste toenaam aangenomen; te weten by Ovidius Naso. En ook het enkele De Neus en Neus is my wel als een nederlandsche geslachtsnaam voorgekomen; zie § 139. Maar deze eenvoudige namen laten het nog te raden over, of men hier oorspronkelik te doen heeft met eenen byzonder mooien of met eenen byzonder leeliken neus.

De mond en het gebit worden genoemd in de geslachtsnamen Suermondt, Guldemond en Goudemond, Hazelip, Iserentant, Yzerentand, Iserbyt en Quatant. Een »zuurmond” is een mond, die door eenen byzonderen trek de verdrietige, ontevredene inborst van den persoon verraadt, wiens eigen hy is. Het volk in Holland zegt nog wel: »zuursmoel”; te Leeuwarden »suertoet”;—»toet”, »tuit” is mond. Guldemond of Goudemond is een bynaam voor een zeer welsprekend man. Deze namen zullen wel geformd zijn in navolging van den griekschen mansnaam Chrysostomus, die eveneens gouden- of guldenmond beduidt; immers recht volksaardig is deze naam by ons niet. Hazelip is een naam voor de bekende misforming, splyting, der bovenlip. De namen Iserentant, Yzerentand, Iserbyt duiden iemand aan, die zulk een krachtig gebit heeft, dat hy er yzer mede zoude kunnen byten. Het tegenovergestelde beteekent Quatant, kwade tand, slecht gebit. Volgens dezen laatsten naam schijnt een slecht gebit of kwade tanden wel eene uitzondering, eene byzonderheid geweest te zijn onder onze voorouders. Anders is het nu!—De geslachtsnamen Quatannens en Quattannens, die op bl. 173 vermeld staan als vadersnamen van Quatannes, Quathannes, den kwaden Johannes, kan men ook beschouen als versletene patronymika van dezen bynaam Quatant.

Aan de gesteldheid van den hals zijn ontleend de geslachtsnamen [347]Corthals en Korthals, Cromhals, Langhals, Scheefhals en Schevenhals, Stijfhals en Zwaanshals, die grootendeels duidelik genoeg zijn. Schevenhals komt door verkeerde uitspraak en misspelling ook voor als Schevenhels en Schevenels.—Dichters mogen eenen blanken, slanken hals by eenen zwaanshals vergelyken, het volk is zoo dichterlik niet in zyne uitdrukkingen. Vooral niet als er sprake is van bynamen, die buitendien in den regel meer van smalenden, dan van pryzenden aard zijn. Men zie er deze geheele lijst van geslachtsnamen aan persoonlike bynamen ontleend, maar eens op na: Schoonman, Schoonheere, Schoonejongen, Liefhooghe en Schoonooghe zijn de eenigste uitzonderingen op dezen regel. Hoogstens dat de overige namen van onverschilligen aard zijn, als de Groot, Langebaard, Bruinooge. Dies wil ik by de verklaring van den geslachtsnaam Zwaanshals liever denken aan den aardrijkskundigen naam Zwaanshals (zoo als b. v. eene buurt heet aan de Rotte, onder Hillegersberg, by Rotterdam), en dien men wel geeft aan een vraagteeken-formig verloopend vaarwater. ’T Swaenshals was ook de naam van eene brouery te Delft in de 18de eeu.

De geslachtsnaam Jukkenekke is oorspronkelik een bynaam voor iemand die met eenen voorwaarts gestrekten, eenigszins styven nek loopt, zooals lieden doen die eene zware vracht dragen aan een juk op den nek, melkboeren, groentevrouen, enz. »Dukelhalsich” zegt men te Leeuwarden daar voor.

Geelhant en Geelhand zijn geslachtsnamen die, naar het my toeschijnt, niet aan eene hand met in het oog loopend gele huidkleur ontleend zijn, maar aan een uithangbord of gevelsteen. Immers »De Ghele Hant” was de naam van een huis op de Verwersgracht te Amsterdam, ten jare 1656. Dit is ook het geval met den geslachtsnaam Guldenarm. Immers een (ver)gulden houten arm, met het eene of andere voorwerp in de hand, was oudtijds een vry algemeen gevelteeken aan de huizen in de nederlandsche steden. Over de gele hand en den gulden arm zie men Van Lennep en Ter Gouw’s Uithangteekens, dl. II, bl. 170 en 171.

Wat de geslachtsnaam Ouwehand eigenlik beteekent, is my niet duidelik. Maar Hardevuust wel; dit is een middeleeusche [348]bynaam, duidelik van beteekenis, en die in Zuid-Nederland nog als geslachtsnaam voorkomt.

Talrijk zijn de bynamen die aan de byzondere gesteldheid van been en voet ontleend zijn: Blaaubeen, Crombeen, De Crombeen, Langbeen, Spillebeen, Strakbeen, Roodbeen zijn namen die geenen uitleg eischen, evenmin als Blaevoet (Blau-voet)21, Slingervoet, Platvoet en Plaetevoet, en Zwartvoet.—Stutvoet is de voet aan een opgekrompen been (door heupziekte), die door een stut wordt ondersteund. Andevoet wordt in sommige gouspraken gezeid voor »eendevoet”. Hy is dus ook een »platvoet”. Ligtvoet zal oorspronkelik wel een bynaam geweest zijn voor iemand die licht te voet, vlug te been was, in loopen, springen of dansen. Holvoet en Hollevoet zijn de tegenhangers van »platvoet,” en aldus genoemd naar den hoog gewelfden form van den voet, waar door de vrye holte onder den voet byzonder groot wordt. Witvoet, enkel naar de witte huidkleur van den voet, als Blaevoet en Zwartvoet? De uitdrukking »witvoet” schijnt oudtijds eene byzondere beteekenis te hebben gehad. Men zegt nog: »by iemand een witten voet (een wit voetje) hebben”, en dat beduidt: »byzonder in iemands gunst staan.” Hazevoet, Haesevoet, en als patronymikon Hasevoets; zou dit geen bynaam zijn voor iemand van eene vreesachtige inborst, snel bereid tot de vlucht? Of voor iemand die zeer snel kan loopen? Het kenmerkende van den hazevoet is overigens, dat ook de zolen behaard zijn. Dit byzondere kenteeken komt echter by menschen, zoo ver ik weet, niet voor, en heeft dus geen aanleiding tot eenen bynaam kunnen geven.—Koevoet [349]en Coevoet, ook als vadersnaam Koevoets, en zelfs Kofoed (als ik my niet bedrieg uit Noorwegen afkomstig), is een geslachtsnaam die geenszins zelden voorkomt. De koevoet, het bekende werktuich, kwam oudtijds ook wel als uithangteeken of gevelsteen, als huisnaam voor. Boven een poortje te Utrecht stond hy in 1867 (en misschien nog heden wel) uitgehouwen, met het opschrift »In den Koeivoet. 1691”.22 Maar dit uithangteeken behoorde toch volstrekt niet tot de meest voorkomenden, en het schijnt my dus wel een weinig gewaagd al die geslachtsnamen Koevoet van huisnamen af te leiden. Ondertusschen weet ik geenen anderen oorsprong van dezen naam aan te geven. Want dat een menschelike voet, al is hy op de eene of andere wyze misformd, met eenen koevoet vergeleken werd, of in de volksspraak zoo genoemd werd, is my nooit voorgekomen. Het vierde gedeelte van eene geslachte koe, behalven kop, ruggestreng en ribben, draagt ook den naam van »koevoet”.—Om een einde te maken aan al deze voeten, vermelden wy nog de geslachtsnamen Barvoet, Barrevoet, Barfoed, Berrevoet, als patronymika Barvoets, Bervoets, Baervoets, enz., ontstaan als bynamen van lieden die men gewoonlik zonder schoeisel zag loopen. Dit gebeurde oudtijds zeker minder zeldzaam dan tegenwoordig, te oordeelen naar de talryke en veelvuldig voorkomende geslachtsnamen, die hierop betrekking hebben.

Slechts een enkele geslachtsnaam is my bekend die aan eene byzondere gesteldheid der toonen ontleend is. Te weten Steketee. Tee, en niet teen, of too, en niet toon, overeenkomende met het hoogduitsche zehe, het engelsche toe, het deensche taa, het zweedsche ) is het oorspronkelike woord, in het enkelvoud. De West-Vlamingen hebben ook hier, als in zoo menig ander geval, den zuiveren woordform behouden. Zy zeggen nog heden tee, tegenover het verbasterde teen of toon der Noord-Nederlanders. Zoo ook gebruiken de West-Vlamingen nog heden den zuiveren ouden form schoe, even als de Friesen skoe, de Hoogduitschers schuh, de Engelschen shoe, de Zweden en Denen sko, tegenover het verbasterde schoen der Hollanders. Deze verkeerde hollandsche formen teen of [350]toon en schoen zijn ontstaan uit de meervoudsformen teeën of tooën en schoeën, die lichtelik in d’ uitspraak tot tee’n of too’n en schoe’n worden samengetrokken. De maagschapsnaam Steketee is eenvoudig steekteen, een tee (teen) die steekt—dus wellicht oorspronkelik de bynaam van eenen man die met likdoorns bezocht was.

Ten slotte moet hier nog de geslachtsnaam Suyckerbuyk en Suikerbuik worden vermeld. Is dit oorspronkelik niet de bynaam voor eenen man die geerne suiker eet, of in meer uitgebreiden zin, voor eenen lekkerbek? En dan nog vier namen afgeleid van eene byzondere gesteldheid van een inwendig lichaamsdeel, van de lever. De volksmeening houdt zich veel met de lever op, en schrijft daar aan allerlei byzonderheden toe. Van den man die veel dorst heeft en veel drinkt, zegt men dat hy eene droge lever heeft. Van eenen man die kort na zijn huwelik zyne vrou door den dood verliest, en by wien dit ongeval zich twee, drie malen herhaalt, zegt het volk, op geheimzinnigen toon, »hy heeft eene witte lever!” Ik hoorde dit nog in myne jeugd, te Leeuwarden. Van daar de geslachtsnamen Droogleever en Witlever. Wat echter oorsprong gaf aan de geslachtsnamen Cortlever, Kortleever en Ringlever en kan ik niet mededeelen, omdat ik het niet en weet.

§ 127. Het getal der geslachtsnamen, die oorspronkelik bynamen zijn aan de eene of andere byzondere eigenschap van de inborst, het gemoed, het zielsleven van dezen of genen persoon ontleend, is nog veel grooter dan het getal der geslachtsnamen in de vorige afdeeling behandeld. Wat de oorsprong dezer namen als bynamen betreft, deze is de zelfde als by de namen aan lichamelike eigenschappen ontleend, aangegeven is: Die oorsprong, en de beteekenis dezer namen, zijn meestal duidelik genoeg.

Uit een taalkundig oogpunt beschoud, kan men deze namen gevoegelik in drieën verdeelen. Namelik voor zoo verre zy uit eenvoudige byvoegelike naamwoorden en bywoorden bestaan (Dapper, Zuinig, Kostelijk)—of uit zulke woorden met een lidwoord er voor (De Goede, De Wreede, De Surgeloose)—of uit een zelfstandig naamwoord, met of zonder lidwoord (Den Held, Zorgdrager, Goedhart). Deze verdeeling is tamelik willekeurig, en ik zal er my, by ’t vermelden der geslachtsnamen [351]van deze afdeeling, dan ook niet streng aan houden. En te meer niet wijl de zin, de beteekenis die in deze geslachtsnamen opgesloten ligt, dikwijls gebiedt om verschillende namen uit de drie onder-afdeelingen by elkanderen te voegen en met elkanderen te vermelden.

Beginnen wy met de goede eigenschappen, dan moeten eerst vermeld worden de geslachtsnamen Goed, Best, Wijs,23 enz. Dan komen Deftig, Droog, Streng24, en daarna Dom, Gram, Slegt.25—De Goede, De Reine en Reyne, De Vroede,26 met De Droog, De Loos en De Looze en De Slegte, De Snoo en Snooy (de snoode) en De Wreede,27 formen de namen onzer tweede afdeeling. Eindelik maken de geslachtsnamen [352]Dapperheld met Vrybloed,28 dan Goethals, De Praeter en De Leener,29 en ook Ledeganck, Hooghart en Quataert30 de namen uit van de derde afdeeling. Laatstgenoemde naam is eene oude spelling van kwaadaard, iemand van kwaden aard, van kwade geaardheid.

Byzondere namen, tot deze groep behoorende, zijn nog: Behaeghel, Behaghel, Behaegel en Behagel, die vooral in de zuidelike gewesten inheemsch zijn. »Behaeghel, behaghel” is eene oudtijds gebruikelike afkorting van »behaeghelick, behagelijk”, gelijk [353]men oudtijds het woord »kostelick” ook wel tot »kostel” afkortte. Door de gewone verwisseling van (vlaamsche en zeeusche) h in g, is van het oorspronkelike zuid-nederlandsche Behagel in Noord-Nederland Begagel geworden. Immers onder dezen zonderlingen form is deze naam te Hoorn als geslachtsnaam inheemsch. De geslachtsnamen Roosenschoon en Vergult kunnen naueliks opgevat worden als bynamen van mannen. Toch moeten zy dit geweest zijn. Maar de reden waarom ze gegeven werden, laat zich achterna moeielik gissen.—By den geslachtsnaam Reukeloos heeft men niet te denken aan de hedendaagsche beteekenis van dit woord (niet riekend, zonder geur), maar aan de oude, verouderde beduidenis van »roekeloos”.—Gouweloose kan ik niet verklaren; beteekent deze geslachtsnaam misschien »goudeloos”, zonder goud, de geldelooze? Hy zoude dan de weêrga zijn van den geslachtsnaam Dhaveloose, dat is D’Haveloose, De Havelooze, welke naam ook nog meer misschreven als Daveloose en Dhavelosse, aan verschillende geslachten eigen, voorkomt. Want ook dit woord haveloos moet niet in de hedendaags meest gangbare beteekenis van verwaarloosd, liederlik vuil worden opgevat, maar in de oude en rechte beduidenis zonder have, zonder bezitting, zonder eigendom.—By nog een paar andere geslachtsnamen is, even als by Dhaveloose, het lidwoord met het byvoegelike naamwoord versmolten; te weten by Doosche en Dedel. De naam Doosche is in West-Vlaanderen inheemsch, en heeft, volgens de vlaamsche uitspraak, en even als Daveloose, eene h verloren. Immers in oude oorkonden komt deze zelfde naam voor als Dhoosche, D’Hoosche, dat is De Hoosche, versleten van De Hoofsche, een naam die dus in beteekenis overeenkomt met den franschen geslachtsnaam Courtois, welke ook in de Nederlanden voorkomt. De geslachtsnaam De Heus heeft volkomen den zelfden oorsprong en de zelfde beteekenis als Doosche. Immers »hoofsch” is in het Hoogduitsch höfisch, en ook de brabantsche en geldersche gouspraken geven aan de o van dit woord den gewyzigden klank: »heufsch”. Van »De Heufsche” kwam »De Heusche” en, als hedendaagsche geslachtsnaam, De Heus. Ook het woord heusch als byvoegelik naamwoord en bywoord, meest in Holland in gebruik, is eene verbastering en afslyting van heufsch, [354]hoofsch. Het hoogduitsche byvoegelike naamwoord en bywoord hübsch, is al mede eene verbastering van hübisch, höbisch, höfisch, en van dezen hoogduitschen form hübsch is ons woord hupsch weêr eene leelike wan-verdietsching. Het hoogduitsche woord hübsch heeft weêr oorsprong gegeven aan den geslachtsnaam Hübscher, in Duitschland niet zeldzaam, en in beteekenis samenstemmende met onze geslachtsnamen De Schoone, De Fraeye, De Mooy. En deze naam Hübscher is in Nederland weêr half verdietscht tot Hupscher. Zoo dat de geslachtsnamen Doosche, De Heus en Hupscher, hoe vreemd het schyne, den zelfden oorsprong hebben, ja de zelfde woorden zijn. De naam Dedel, eigen aan een oud-utrechtsch adellik geslacht, komt in oude oorkonden dikwijls voor als D’Edel en De Edel, ook wel als Den Edelen, by uitbreiding, en als Deel (D’Eel), by inkrimping. Ja, in ééne en de zelfde oorkonde, van het jaar 1420, wordt zeker lid van dit geslacht, Lambert geheeten, afwisselend genoemd Lambert Dedel, L. d’Edel, L. Edelen en L. den Edelen.31 Men vergelyke ook de geslachtsnamen Doude en Dauwe, op bl. 339 vermeld.—

Of Grim, ook in hoogduitsche spelling als Grimm voorkomende, opgevat moet worden als het byvoegelike naamwoord grim, grimmig, dus als de weêrga van den geslachtsnaam Gram, dan wel of deze naam oorspronkelik anders niet en is als de mansvóórnaam Grim, moet ik in het midden laten. De oud-germaansche mansnaam Grim, Grimmo is oudtijds ongetwyfeld ook by onze voorouders in gebruik geweest. Onze patronymikale geslachtsnamen Grimmenga, Grimminck en Grimmink strekken ten bewyze daar van, even als de plaatsnamen Grimmingen, een dorp in Oost-Vlaanderen, en Grimmenes, een gedeelte van Oud-Amsterdam (de hedendaagsche Grimmenesse-sluis heet er nog naar). Verder is nog Grimmen de naam van eene buurt by ’t dorp Grootkerk (of Hohenkirchen) in de oud-friesche gou Wrangerland (Oldenburg); Grimsthorpe ligt in Lincolnshire (Engelland); en Grimminghausen, zoo heeten twee westfaalsche dorpen, een by Herford, ’t andere by Meschede gelegen.

Even als met Grim, zoo is het ook met de geslachtsnamen [355]Snel en Wakker en Wacker. Beide deze namen kunnen oorspronkelik bynamen zijn, en wel de bekende byvoegelike naamwoorden snel en wakker. Maar het kunnen ook evenzeer de oud-germaansche mansvóórnamen Snel en Wakker zijn. Aangaande deze oude mansvóórnamen, en de geslachtsnamen met de plaatsnamen daar van afgeleid, zie men bl. 47 en bl. 133. De geslachtsnaam Dazert heeft de zelfde beteekenis als zot of dwaas. Het woord dwaas wordt in sommige nederlandsche gouspraken, onder anderen in die van West-Vlaanderen (zie L. L. de Bo’s Westvlaamsch Idiotikon) en van Holland, althans te Haarlem nog dageliks, uitgesproken als daas. En dazert of dwazert (dwaas-aard) is daar van afgeleid.—Eindelik moet nog genoemd worden de geslachtsnaam De Nieuwe, als bynaam gegeven aan iemand die ergens nieu kwam wonen; deze naam heeft dus den zelfden oorsprong als Nieuwboer, Niemeyer, Nyman, enz. op bl. 302 en 304 vermeld.

Ook de geslachtsnamen Den Dievel en Den Engel met Engel houd ik voor oude bynamen. Dievel is de oud-vlaamsche form van het woord duivel; Kiliaan vermeldt het nog in dezen form. Ook de friesche taal heeft in overeenkomst met het engelsche woord devil, divel voor duivel. Den Dievel is, als geslachtsnaam, in Vlaanderen inheemsch, en aldaar reeds van oude dagteekening. Immers vermeldt een grafschrift in de St.-Jans-kerk te Sluis in Vlaanderen zekeren Cornelis de Dievele, »die starf in ’t jaer 1496”.32 Dat het volk aan dezen of genen boosaardigen man den bynaam geeft van duivel, komt nog dageliks voor; bynamen als Piet den Duivel, Hein de Duvel of Durk Divel (in Friesland) kan men in onze achterbuurten wel hooren gebruiken. Maar in andere gevallen kan zulk een geslachtsnaam ook wel aan den naam van een huis, waar »de Duyvel” uithing, ontleend zijn. »In de 15de eeuw vindt men onder de regeeringsleden” (van Amsterdam) »een familie Boel, en een tak daarvan voerde den toenaam van Duyvel. In 1420 was Jacob Boel, gezegd Duyvel, Burgemeester, in 1470 Jacob Boel Claasz, gezegd Duyvel, Schepen, en in 1486 Coert Jacobsz. Boel, gezegd Duyvel, Schepen en in 1490 tevens Raad. ’t Is niet te onderstellen, dat [356]men aan mannen, die alzoo bleken het vertrouwen hunner medeburgeren te bezitten, dien leelijken toenaam zou gegeven hebben, of dat zij zich dien zouden hebben laten aanleunen, indien het niet was omdat het huis, door hen bewoond, naar het teeken dat er uithing, dien naam voerde. Ook een geslacht van dien naam was er in de laatste helft der volgende eeuw te Amsterdam bekend en een der leden daarvan behoorde tot de Watergeuzen.”33

De geslachtsnaam Den Engel kan aangenomen zijn als tegenhanger van Den Dievel; zie § 168. Of, met Engel, ook als bynaam voor een byzonder engelachtig man, en dan gewis in scherts bedoeld. Ook kan het zijn dat deze geslachtsnaam oorspronkelik anders niet en is als een huisnaam, aan een gevelteeken ontleend. De geslachtsnaam Coorengel, dien ik niet verklaren kan, moge hier by ook vermeld worden. Engel (zonder lidwoord) kan ook eenvoudig de oud-nederlandsche mansvóórnaam Engel zijn, die in Holland, o. a. te Katwijk, my bekend, nog wel in gebruik is, en ook in Friesland, als Engele, geenszins zeldzaam voorkomt. Van dezen mansnaam zijn ook de patronymikale geslachtsnamen Engels, Engelen en Engelsma ontleend, met Engelkens en Engelkes, in verkleinform. De geslachtsnaam Van Engelen duidt op eenen plaatsnaam. In der daad bestaat er dan ook een dorp Engelen, in Noord-Brabant, by ’s Hertogenbosch.

Ten slotte dienen hier nog eenige geslachtsnamen vermeld te worden, als tot deze groep behoorende, maar die ik moeielik of onmogelik verklaren kan. Zy bestaan uit eenige byvoegelike naamwoorden van smaak en van kleur: De Soete, Soete, Soet, Zoet, met Zuur, Zuure en Bitter. Deze namen weet ik anders niet te duiden, dan door aan te nemen dat zy, als bynamen, in gebruik gekomen zijn om de byzondere gemoedsstemming, in overdrachteliken zin, by dezen of genen aan te duiden. Vooral met den naam De Soete schijnt my dit het geval te wezen, ofschoon eene andere afleiding ook kan gegeven worden. Zoo weet ik b. v. van twee broeders, de eene een apotheker, de andere een kruidenier, die door hunne stadgenooten met de bynamen »de zoete” en »de bittere” werden onderscheiden. Zoo iets kan by [357]’t ontstaan van bovengenoemde geslachtsnamen ook hebben plaats gehad.

De oorsprong van sommige maagschapsnamen, afgeleid van haar- en huidkleur, heb ik op bl. 341–344 vermeld. Waren de namen De Blaeuwe, Blaauw, enz. en De Groen en Groen my reeds twyfelachtig—wat zal ik dan maken van Bladergroen, Hoogbruin en Reynwit? In welken zin kunnen deze namen eerst in gebruik gekomen zijn om mannen aan te duiden? Ik weet het niet. De drie laatstgenoemde namen zijn, op zich zelven genomen, nog verstaanbaar. Maar de geslachtsnamen Croockewit en Hulsewit zijn my volkomen onverklaarbaar. Zoo schijnt ook de geslachtsnaam Bruinzwart, die ook als Bruinswart voorkomt, tamelik vreemd. Maar hier helpt ons de geslachtsnaam Van Bruinzwaard uit de onwetendheid. Immers het voorvoechsel van duidt aan dat wy hier met eenen plaatsnaam te doen hebben. En zoo is het in der daad. Deze drie geslachtsnamen zijn anders niet als verhollandschte formen van den frieschen plaatsnaam Brunswarden, zoo als een gehucht heet by het dorp Rodenkerk in de oud-friesche gou Butjadingerland (Oldenburg). De geijkte naam Brunswarden wordt door het friesche volk steeds als »Brunswert” (natuurlik met hoogduitsche u) uitgesproken, even als de Friesen hunne hoofdstad Leeuwarden ook Liowert noemen, het dorp Sengwarden Sennewert enz. De form van den geslachtsnaam Bruinswart is eene regelrechte verhollandsching; maar Bruinzwart en Van Bruinzwaard zijn verbasterde formen. Die deze namen eerst alzóó hebben geschreven, hebben ongetwyfeld het woord Bruins-wart niet verstaan. Zy hebben gemeend dat het »Bruin-swart” was. De eene heeft daarby waarschijnlik gedacht aan zekere kleur, bruinachtig-zwart; de andere aan een bruin zwaard. Zij hebben de s niet erkend als eindletter van eene lettergreep of een woord (bruins), maar hebben die letter als beginletter (swart of ook swaard, zwaard) aangezien. Zoo kwamen zy er ook toe om die s te verwisselen met eene z, op hollandsche wyze. Volkomen door het zelfde misverstand wordt de geslachtsnaam Van Lamzweerde tegenwoordig aldus geschreven, als of hy bestond uit de woorden lam en zweerde, en niet Van Lamsweerde, gelijk het wezen moeste. Echter draagt eene nederlandsche maagschap dezen naam ook aldus in den goeden [358]form. Immers is deze geslachtsnaam ontleend aan den naam van den polder Lamsweerde, in het Land van Hulst, Zeeusch-Vlaanderen, gelegen. Deze naam Lamsweerde (Lams-weerde) wordt tegenwoordig wel verhollandscht tot Lamswaarde, en nog meer verbasterd tot Lamzwaarde. Zoo ook worden de plaatsnamen Ammersode (Ammers-ode), dorp in den Bommelerweerd, Gelderland, en Walsoorde (Wals-oorde), de veerbuurt aan de Schelde by ’t dorp Hontenisse in het Land van Hulst, heden ten dage wel als Ammerzoden en Walzoorden misformd en onverstaanbaar gemaakt.34 En dat deze verkeerde afbreking der lettergrepen, met de misspelling van s als z, daardoor veroorzaakt, reeds oud is, bewijst de naam van den balju van Rotterdam, Willem van Reymerzwale (dat is: Reymerswale [Reimer ’s wale], de toen nog bestaande zeeusche stad); welke naam alzóó geschreven, voorkomt in eene oorkonde van den jare 1514.35

De geslachtsnaam Oranje komt my voor niet te moeten worden opgevat als de kleurnaam oranje, maar als eene party-leuze, als een bynaam, gegeven aan eenen voorstander van de staatkundige partyschap der aanhangers van het huis van Oranje, in de vorige eeu.

[Inhoud]

C. Geslachtsnamen aan huisnamen ontleend.

§ 128. Even als heden ten dage elk huis in onze steden en dorpen zijn nummer heeft, zoo had oudtijds elk huis zynen eigenen naam, waarby het bekend was, en waardoor men het onderscheiden konde van andere huizen. In de steden voornamelik, maar ook wel in de beboude buurten der groote dorpen, was elk huis voorzien van eenen gevelsteen, van een uithangbord of een uithangteeken, waarop de naam van het huis, ’t zy in beeldtenis, ’t zy in letterschrift, gewoonlik wel in beide formen, vermeld stond. Deze zaak is genoechsaam bekend. Ook zijn er nog heden in onze steden en dorpen zeer vele huizen overgebleven—al mindert hun getal ook [359]dageliks—die zulk eenen naam dragen, en in afbeelding of opschrift aan den gevel vertoonen. Hoe algemeen die huisnamen waren, hoe zy aan alle mogelike dingen en zaken waren ontleend, hoe zy reeds vroeg, by de eerste opkomst onzer steden in de middeleeuen, in gebruik kwamen, en hoe zy stand hielden tot in het begin dezer eeu—dit alles kan men uitvoerig en geestig beschreven vinden in het te recht vermaarde werk van Van Lennep en Ter Gouw, De Uithangteekens.

Het ligt voor de hand dat zulke huisnamen wel overgingen op de personen welke in die huizen woonden. Als b. v. in één en de zelfde stad, of, by groote plaatsen, in één en de zelfde buurt twee mannen woonden die beiden toevallig den zelfden naam droegen, die beiden Harmen of Herman Janssoon of Jansen heetten, maar de eene woonde in het huis de Swaen, terwijl aan het huis, waar in de andere woonde, ’t Fortuyn uithing, dan kreeg al spoedig de eerste Harm Jansze van zyne buren, ter onderscheiding, den naam van Harm Jansz in de Swaen, of Harmen van der Swan, of ook eenvoudig Herman de Swaen of Herm Swaan, al naar dat het viel of den menschen »mundgerecht” was. En de andere werd Harm Fortuyn genoemd. Zulke bynamen waren oudtijds zeer algemeen in gebruik, en een groot aantal onzer hedendaagsche geslachtsnamen dankt aan deze bynamen, aan huisnamen ontleend, zynen oorsprong. In oude geschriften, uit de 15de en 16de eeu vooral, vinden wy vele personen genoemd, die zulke bynamen dragen, en die toen meestal nog woonden in het huis dat hun dien bynaam bezorgde. Laurens Jacobszoon, een man vermaard in de geschiedenis van zyne vaderstad Amsterdam, woonde op het Water (Damrak) in een huis waar »de Gouden Reael” (een muntstuk) uithing. Dies noemde hy zich Laurens Reael; en deze bynaam ging als geslachtsnaam op zyne kinderen en zijn verder nakroost over. »De blaeue Hulck” (hulk is een byzonder vaartuich) was de naam van een huis te Enkhuizen, waar zekere Jacob Sieuwertszoon in woonde, welke dien ten gevolge zich Jacob Sieuwertsz Blaeuwhulck noemde, en onder dien naam burgemeester van Enkhuizen werd. Zulke voorbeelden kunnen by honderden aangebracht worden door iedereen die de geschiedenis onzer oud-nederlandsche [360]steden doorvorscht. Claes in de Gulde Hant, Olfert in de Fuyck, Jan in ’t blaeuwe Paert (zekerlik de oorsprong van den nog hedendaags bestaanden geslachtsnaam Blaauwpaart), Barend Janszoon in den Engelschen Dog, Lysbet in den Zilveren Reael, Goossen Jansz. Reecalf, Claes Cornelis Roôwagen, en nog zeer vele anderen van 16de eeusche amsterdamsche burgers, vindt men vermeld in Van Lennep en Ter Gouw’s werk De Uithangteekens (bl. 47 en 48), waaruit ook vele voorbeelden en namen van personen uit den ouden tijd, verder in deze opstellen vermeld, ontleend zijn.

§ 129. Uit het overgroote aantal van hedendaagsche nederlandsche geslachtsnamen, die oorspronkelik bynamen zijn aan huisnamen ontleend, kunnen hier slechts weinigen van de byzondersten vermeld worden. Het zijn de volgenden:

In de Sleutele. Dezen geslachtsnaam, te Antwerpen inheemsch, zet ik bovenaan, omdat hy zeer byzonder, ja eenig in zyne soort is.—De opschriften aan de huizen vermeldden oudtijds den naam van het huis gewoonlik in dezen form: »In de Sleutele”, »In den Wildeman”, »In den Bonten Mantel,” enz. Ook nog wel vollediger: »Dit is in den grauen Hynxt”, of »Dit es in de dry Keunynghen”, of nog vollediger: »Dit huys is genaemt in die vier Heemskyere.” Vooral in de middeleeuen komen zulke volledige formen voor. Later, sedert de 17de eeu vooral, verkortte men die opschriften meestal, en schreef eenvoudig den naam van het huis onder de afbeelding van het huisteeken; b. v. »De drie Wolven, De gulden hamer, De Vrede, ’t Lam”, enz. Althans in de noordelike Nederlanden was dit het geval. In de zuidelike gewesten bleef men meer het oude gebruik volgen, en behield den volledigen form, tot op dezen dag. Zoo zag ik nog in 1883 te Kortrijk een nieu opschrift: »In den Rifleman.” Nieuerwetscher kan het niet. Dit huis was aldus genoemd naar de engelsche scherpschutters (riflemen), die in de laatste jaren België bezocht hebben om meê te dingen in de vlaamsche en brabantsche kampspelen. In vorige eeuen hing men dit volledige huis-opschrift wel als bynaam achter eenen persoonsnaam; Hendrik Cornelisz. van Marcken in de Roômeulen, [361]Raadsheer van Amsterdam in 1547,—Claes Franszoon in de drie koperen potten, mede een zestiende-eeusche amsterdamsche burger, en anderen, op de voorgaande bladzyde vermeld, kunnen daar van ten voorbeelde strekken. Maar zulke, in het dageliksche gebruik zeker te omslachtige namen hebben geen stand gehouden. Zy zijn allen weêr verdwenen, althans zoo verre ik weet, op dezen eenen hedendaagschen, antwerpschen geslachtsnaam na: In de Sleutele. Dezen zelfden naam vinden wy ook, als toenaam, te Amsterdam, in 1567: Klaes Hendrikszoon in den Sleutel.

Hoorde men oudtijds zekeren man Wouter noemen, en vroeg men: »welke Wouter is dat?” dan luidde het antwoord wel: »Wouter van den Anker”, »Wouter van den Arend”, »Wouter van de Ploeg”, of ook »Wolter uut de drie Rapen”, »Wauter uyt de dry duyfkens”, al na dat die Walther in een huis woonde, waar »het Anker”, »den Arend”, »de Ploegh”, »de drie Raepen”, »de dry Duyfkens” of iets anders uithing. En deze namen werden al spoedig bynamen, later ook geslachtsnamen. Van dezen laatst genoemden form met het voorzetsel uit zijn er slechts zeer weinigen dezer namen als geslachtsnamen tot ons overgekomen; Uut het Hooghuis, en misschien ook Uyttenbogaardt. Maar de bynamen samengesteld uit het voorzetsel van, en het lidwoord, vóór den naam van het huis, zijn in zoo veel te grooter aantal hedendaagsche geslachtsnamen geworden. Als zoodanigen noemen wy, in bonten regel: Van der Maen (de maan, vooral ook »de halve maan,” was oudtijds een algemeene huisnaam); Van der Bijl, Van de Wijnpersse (»in de Wynpaersse” zoo heet nog een huis te Haarlem in de Damstraat; en Aecht Simonsdochter in de Wijnpers was eene ingezetene van Amsterdam, ten jare 1578), Van der Zwaan, Van der Zwan en Van den Zwaene. (»De Zwaan” was steeds, en is nog, een zeer algemeen huisteeken, vooral by herbergen en tapperyen. Swan is de friesche form van het woord zwaan; de oude Hollanders spraken dit woord ook zoo uit. Van der Zwan en Swan zijn, als geslachtsnamen, nog heden in Friesland inheemsch; en Claes in de Zwan was een amsterdamsch burger, ten jare 1481.) Verder Van der Ploeg, Van de Vysel, waar van ook de fransche form als Du Mortier in de [362]Nederlanden als geslachtsnaam voorkomt; Van der Klok, Van der Pijl, Van der Zweep (met Van der Zwiep, volgens de friesche en plat-hollandsche volkstaal), Van der Zaag, Van der Kam, Van den Anker, Van ’t Lam, Van den Arend, Van der Leeuw, Van der Paauw, Van der Beker, Van der Lely, Van der Schaaf, Van der Swaan, Van der Star, Van der Sterre, Van der Starre, Van der Zwaard, enz. »De Spiegel” was oudtijds ook een algemeen voorkomende huisnaam. De bekende zestiende-eeusche Amsterdammer Jan Laurenszoon Spieghel droeg naar dit huisteeken zynen naam. Ook de hedendaagsche geslachtsnamen Spiegel, Van de Spiegel en Van der Spieghele zijn er van afkomstig. Zelfs in eene latynsche vertaling komt deze geslachtsnaam nog heden voor. Te weten als A Speculo, in belgisch Limburg inheemsch.

Het eenvoudigste en sprekendste teeken dat men oudtijds als kenmerk van eene taveerne uithing, was eene kan. De geslachtsnamen Kan, De Kan en Van de Can zijn aan dit teeken ontleend. Om dit uithangteeken nog te meer te doen spreken (en lokken), versierde men deze kan ook dikwijls met eenen krans van groen loof, »de groene kan”. Dit teeken vooral was oudtijds zeer algemeen. Nog in deze eeu, toen de stad Leeuwarden nog in wallen besloten lag, droeg eene buurt, langs den wal (het bolwerk) zich uitstrekkende, naar zulk eene herberg waar »de groene kan” uithing, den naam van »Achter de groene kanne”. Ook de buurt »De Groene-kan”, by Utrecht, onder den dorpe Maartensdijk, heeft aan dit teeken haren naam ontleend, even als ook de geslachtsnaam Van de Groenekan daaraan zynen oorsprong dankt. Men liet ook wel de kan achterwege, en hing enkel den groenen krans uit. Dit laatste teeken kwam al spoedig meer in gebruik dan het oude volledige, met de kan. In de 16de en 17de en 18de eeu was de krans als het teeken van een wijn- of bierhuis zeer algemeen in de Nederlanden in gebruik. Nog heden ziet men het in sommige streken van Duitschland. Van dezen krans zijn de geslachtsnamen Crans, Krans, Van de Krans, Van der Crans afkomstig, en denkelik ook wel, als oneigenlike vadersnamen, Cransen en Kransen.

»De Wereld,” als een wereldbol, soms ook, b. v. in myne [363]jeugd te Leeuwarden nog, als eene zinnebeeldige voorstelling van het geheele zonnestelsel afgebeeld, was oudtijds ook een huisteeken dat veel in gebruik was. De geslachtsnamen Van de Waereld en Van Weerelt zijn er aan ontleend. De friesche geslachtsnaam Wereldsma heeft echter met dit woord wereld niets te maken. Het is veelmeer een patronymikon van den oud-frieschen mansvóórnaam Wereld, eene verbastering van den oud-germaanschen naam Werhald, die in Förstemann’s Altdeutsches Namenbuch voorkomt als Wideralt, Widarolt, Vidarolt, en die ook aan den hoogduitschen, maar ook in de Nederlanden voorkomenden geslachtsnaam Wiederhold oorsprong gaf. Toch is het in het begin dezer eeu voorgekomen dat een friesche zeeman, die misschien reeds »de wereld rond gereisd” had, genoodzaakt zich eenen geslachtsnaam te kiezen, dezen reeds bestaanden naam Wereldsma maar aannam, in zinspeling op zyne tochten.36 Van Lennep en Ter Gouw vermelden:37 »Vóór 1636 stond er” (aan een huis op de Heerengracht te Amsterdam) »de Werelt in den gevel: het huis was gebouwd door Jan van Aldewerelt, die dat uithangteeken zal gekozen hebben met zinspeling op zijn naam.” Hier hebben wy dus de omgekeerde verhouding: het huis genoemd naar den geslachtsnaam van den bewoner. Een paar soortgelyke voorbeelden, uit Leeuwarden, heb ik in De Navorscher, dl. XXVIII bl. 73 vermeld. De naam van Jan van Aldewerelt, boven vermeld, brengt my er toe om ook met een paar woorden dezen geslachtsnaam te bespreken. In verschillende formen komt deze naam voor; als: Van Aldewerelt, Aldewereld, Alderwerelt, Allewerelt, Alleweireld, Alleweireldt, aan verschillende geslachten eigen. Ik vermoed dat deze namen afkomstig zijn van een huis, waar »de oude Werelt” uithing. Denkelik, wegens den form ald = oud, hier of daar aan den Beneden-Rijn, in ’t oude Overkwartier van Gelderland, in het Land van Kleef, of daar omtrent, waar ook nog het dorp Aldekerk (d. i. Oudekerk, als tegenstelling van het naburige dorp Nieukerk) ligt. Te meer denk ik dit, omdat deze naam ook in den saksischen form, als [364]Oldewelt voorkomt. »De oude Werelt,” en »Die nye Werlt” waren oudtijds als huisnamen niet zeldzaam in de nederlandsche steden.

Veel talryker dan de geslachtsnamen, samengesteld uit eenen huisnaam, met een voorzetsel daarvoor, zijn de geslachtsnamen die enkel uit eenen huisnaam bestaan, zelden met, meestal zonder het lidwoord. En evenals de namen der huizen en de uithangteekens aan alle mogelike, soms ook onmogelike zaken en dingen ontleend zijn, zoo treffen wy deze groote verscheidenheid ook by de geslachtsnamen aan, die uit deze namen en teekens ontstaan zijn.

Zoogenoemde heraldische figuren waren vooral in de middeleeuen als huisteekens veel in zwang. En niet minder de namen en afbeeldingen van allerlei wapentuich. Daaraan danken de volgende geslachtsnamen hunnen oorsprong: Moolenyzer en Meulenyzer, Schilt, Silvercruys, Ruitenschild, Arenspoot, Beerepoot, Vogelpoot, Van der Vlugt, Kam, De Kam, Kroon, Helm met Groothelm, Ligthelm en Voorhelm, Degen, Pallast, Sabel, Dolk, Priem, Lans, (Spies—zie bl. 142), Pijl, Piek en Pieck, enz. Ook de samengestelde namen Lancksweirdt, Lancsweert en (in versletenen form) Lanszweert, en Scherpzwaard. De beide eerstgenoemde namen verraden door hunne spelling hunnen hoogen ouderdom. En ook de laatste naam, al komt hy nu in nieuerwetsche spelling voor, is van oude dagteekening. Immers een goudsmid te Utrecht, ten jare 1362, droeg reeds den naam van Elya Scerpswert.38

Uiterst talrijk zijn ook de namen aan allerlei gereedschap en handwerkstuich ontleend: Hamer en Hammer met Hoefhamer, Klaarhamer, Klinkhamer en Voorhamer; Bijl met Berkenbijl, Hakbijl, Klinkenbijl, Quekebijl; Beitel, en Voorbeytel; Kerfyser, Kimmyzer en Schutyzer; Mes en Hakmes; Schaaf en Schaaff, Zaag, Spyker (zie ook bl. 303), Kram en Cramm, enz. De beteekenis van sommigen dezer namen is my niet bekend (Quekebijl, Kimmyzer). Hamer en Hammer kunnen zoo wel oorspronkelik mansvóórnamen [365]zijn, als huisnamen. Immers Hamer, Hamar, Hamr is een oud-germaansche mansvóórnaam, die in Förstemann’s Altdeutsches Namenbuch vermeld wordt. En dat deze naam oudtijds ook wel door onze eigene voorouders gedragen werd, bewyzen onze patronymikale geslachtsnamen Hamers, Hammers, Hameringa, Hamerinck, Hamersma en Hammersma; zie ook bl. 133. Brouwhamer is ook een geslachtsnaam aan eenen huisnaam ontleend. Nog heden is my een huis van dien naam, en dat ook de afbeelding van zulk een werktuich in den gevel voert, te Leeuwarden bekend. Maar wat is een brouhamer? Met brouen, bierbrouen, heeft deze hamer niets te doen. Het woord breeuen, dat is: de naden van een schip dichten, heet in het Friesch brouen. En de hamer waar mede men brout of breeut, waarmede men het werk, het uitgeplozene oud-tou, tusschen de scheepsnaden drijft, is de brouhamer. De geslachtsnaam Brouwer, voor zoo verre deze naam in Friesland inheemsch is, duidt dan ook geenszins in alle gevallen eenen bierbrouer aan, maar is oorspronkelik soms de tegenhanger van den geslachtsnaam Breeuwer, aan de Zaan voorkomende. My is althans een geval bekend dat een friesche scheepstimmerman, een breeuwer, den geslachtsnaam Brouwer aannam, naar aanleiding van zijn bedrijf.

Of de geslachtsnamen Nagel en De Naeghel tot de namen aan werktuigen ontleend, moeten geteld worden, als tegenhangers van Spyker, of dat zy als namen ontleend aan een deel van het menschelik lichaam moeten beschoud worden, en dus in § 139 behooren, kan ik niet uitmaken. De geslachtsnaam De Niet (eene niet is een klein spykerke of nageltje zonder kop) kan hier ook toe gebracht worden. Hoefnagel, Knieriem, Vingerhoed, Knipscheer zijn op bl. 334 reeds besproken. Nevens Knipscheer komt ook nog het enkele woord Schaar en Scheer als geslachtsnaam voor. Van der Scheer echter is geen soortgelyke naam als Van der Schaaf, Van der Zaag, enz. Hy is niet aan eenen huisnaam, althans niet aan een uithangteeken ontleend. Eene oude havesate, tevens een gehucht tusschen Koevorden en Gramsbergen, heet De Scheere. En van dezen plaatsnaam is de geslachtsnaam Van der Scheer, welke ook in die landstreek inheemsch is, ontleend. [366]

Nevens allerlei gereedschap en handwerkstuich is oudtijds ook allerlei huisraad als uithangteeken aan huizen in gebruik geweest, en zijn dien ten gevolge vele geslachtsnamen ontstaan, uit de namen van zulk huishoudelik gereedschap. Zie hier eenigen daarvan, die geene nadere verklaring eischen: Tanghe en De Tanghe, De Rooster, Pot en Pott, Pan.39 De eerste van deze namen kan ook anders worden geduid; te weten als een tegenhanger van den geslachtsnaam Den Dievel. Immers »tange” is een bynaam dien men in West-Vlaanderen den duivel geeft. En wijl juist de geslachtsnamen Tanghe en De Tanghe in dat gewest voorkomen, zoo is het niet onwaarschijnlik dat wy hier oorspronkelik met eenen persoonliken bynaam te doen hebben.

Aan herbergen, waar gelegenheid is om peerden te stallen, hangt dikwijls »de Roskam” uit. Daaraan is de geslachtsnaam Roskam, die ook in oude spelling als Roscamm voorkomt, ontleend. Ander peerdetuich, als huisnamen, vinden wy terug in de geslachtsnamen Den Toom, De Haam, Breydel en Zweep.—Toontuigen werden ook als gevelteekens gebruikt. Reeds in de 16de eeu moet [367]»De Bas” te Amsterdam hebben uitgehangen, zoo als trouens nog heden te Haarlem in de Warmoesstraat het geval is. Pieter Jacobsz Bas en Dr. Dirk Bas, amsterdamsche burgers uit de 16de eeu hadden aan zulk een huisteeken hunnen naam ontleend.40 En nog heden komen de geslachtsnamen Bas en De Bas voor, met Bazuin, Fluit, Trompetje, Viool en Hacquebart. Laatstgenoemde naam vertoont den ouden form en eene oude spelwyze van het woord hakkebord, een oud-nederlandsch toontuich, thans buiten gebruik. De geslachtsnaam De Keghel is zeker ontleend aan een huis waar eene kegelbaan gehouden werd, en dus »De Kegel” uithing. Misschien herinneren de namen Kolff, Kolf en Schaack, Schaak ook aan de spelen van dien naam. Bal en De Bal, Bontenbal, Dobbelsteen en Teerling, Teerlinck, Terlinck danken ook aan speeltuigen hunnen oorsprong. Roosenkrans, Rosenkrans, Rosencrantz en Paternoster zijn aan uithangteekens van gants anderen aard ontleend. »Int Paternoster”, zoo heette een huis te Delft, in 1600. Zie Soutendam, Een wandeling langs Delfts straten en grachten, bl. 34. Den geslachtsnaam Goudschaal reken ik ook van eenen huisnaam afkomstig. Pers en Pars is ontleend aan een huis waar eene »pers” uithing, ’t zy dan eene wijnpers (zie Van de Wijnpersse op bl. 361) of eene drukpers. »De Witte Persse” hing vóór 1610 uit in de Oudebrugsteeg by ’t Water »(te Amsterdam)” en later op ’t Water bij dezelfde steeg, by den boekdrukker Dirck Pietersz, die naar dat symbool den toenaam »Pers” aannam en zich als dichter en historieschryver ook Theodorus Petrejus Persius, ook wel, naar zijne geboorteplaats, »Persius van Emden” liet noemen.41 De geslachtsnaam Guldenarm, aan een huisteeken ontleend, is op bl. 347 reeds verklaard. Een tegenhanger van dezen naam is Goudenhooft. Een gouden manshoofd komt nog heden te Leeuwarden als huisteeken voor. En Andries Boeleszoon in ’t Gouden Hooft was een burger van Amsterdam ten jare 1567. Was zulk een manshoofd uit hout gesneden, niet verguld noch beschilderd, dan noemde men het huis waar dit [368]teeken aan den gevel stond: »het houten Hooft”, of, te Amsterdam in de 16de eeu: »het houten Aangezicht.” In 1600 stond te Delft een huis dat »Int houten Hooft” heette. En in het midden der 16de eeu hing ook te Amsterdam ergens dit huisteeken uit. Immers vinden wy omstreeks dien tijd een amsterdamsch burger, die Laurens ’t houten Aangezicht werd genoemd.42 Ook de heden ten dage nog bestaande geslachtsnamen Houthoofd en Toutenhoofd zijn aan dit huisteeken ontleend. Toutenhoofd is eene samentrekking en misspelling van ’T (H)outenhoofd, het houten hoofd. In Zeeland is deze naam inheemsch. En als Houthoofd in Vlaanderen; uitgesproken »Outooft.” Aan de zeeusche gewoonte om de letter h niet uit te spreken, dankt deze naam zynen hedendaagschen verbijsterden form. De geslachtsnaam Houtekindt, in West-Vlaanderen voorkomende, is vermoedelik ontleend aan een huis waar het houten beeld van een kind, een »houten kind”, als huisteeken aan den gevel gesteld was.—Hoppzak en Haverzak zijn twee geslachtsnamen die ook aan huisnamen ontleend zijn. In den ouden tijd toen hier te lande ook veel hop werd verboud, ten gebruike voor de talryke bierbroueryen, waren er in zeer vele steden herbergen waar »De Hopsack” uithing, en waar brouers en boeren samenkwamen om te handelen. In de 16de eeu heette een huis te Amsterdam »De Hoppezak”, en in de 17de eeu was er een huis van gelyken naam te Dendermonde. In myne jeugd (1850) was er nog eene herberg »De Hopzak” te Leeuwarden in de Kleine Kerkstraat. Ook is »Hoppensack” nog de naam van eene buurt te Hamburg, en eveneens aan een huisnaam ontleend. »De Haverzak” vinden wy, onder anderen, te Amsterdam en te Wijk by Maastricht.43—In 1690 woonde Gerrit Claesz te Amsterdam aan den Singel »in de Blaupot” (een pot met blaue verfstof?), en droeg er zynen toenaam af, die als geslachtsnaam, Blaupot, nog heden bestaat.44 Ook Blaukuip, het waarteeken van den blauverver, komt als geslachtsnaam voor. De byekorf was van ouds een zeer algemeen uithangteeken, vooral [369]by koekbakkers, om den honig. Toch is my een geslachtsnaam, aan dat teeken ontleend, in de noordelike gewesten nooit ontmoet. Wel in Vlaanderen; te weten: als Biebuyk. Dit byzondere woord toch (byebuik, de West-Vlamingen zeggen biebuuk) is in West-Vlaanderen in plaats van het algemeen-nederlandsche byekorf in gebruik.45

Eenige byzondere geslachtsnamen, wier beteekenis my niet ten vollen duidelik is, maar die ik by deze groep meen te moeten voegen, zijn: Den Bandt, Strooband, Ketelbant, Ratelband en Roggeband. Is »De Strooband” een huisteeken geweest, dan moet het oudtijds niet zeldzaam zijn voorgekomen. Immers de naam Strooband is aan vele verschillende geslachten eigen, en komt in allerlei spellingen voor: Strobant, Stroobant, Stroybant, Stroobandt, ook in patronymikalen form: Stroobants, Stroybants.

Dat het dragen van zulke toenamen en geslachtsnamen, aan huisteekens ontleend, en allerlei gereedschap en huisraad noemende, reeds van oude dagteekening is, bewyzen ons, onder vele anderen, de namen van den beroemden en vromen Thomas à Kempis, zoogenoemd naar zyne geboorteplaats Kempen, maar wiens geslachtsnaam eigenlik Hamerken was. Hy leefde in de 15de eeu. Verder Adam Potken, die in 1496 leeraar was in de grieksche taal, te Xanten. De namen dezer inwoners van nederrijnsche stadjes mogen ons zeer wel als voorbeelden dienen. Immers werd die landstreek in de middeleeuen te recht tot Nederland gerekend—en dragen de geslachtsnamen, aldaar inheemsch, nog heden ten duidelikste de nederlandsche kenmerken (zie § 159), gelijk trouens de namen Potken en Hamerken die ook vertoonen. Maar om tot de eigenlike Nederlanden ons te bepalen, zoo vinden wy in den jare 1357 reeds eenen Roger de Hamere te Ingelmunster in West-Vlaanderen. En de naam van Breydel werd reeds in de 13de eeu door een geslacht van brugsche poorters dragen, zekerlik ontleend aan een huis, misschien eene boerenafspanning, waar »De Breydel” uithing, en die misschien stond in de straat die nog heden, te Brugge, de Breydelstraat heet, en die niet naar het geslacht Breydel zoo genoemd is. Wat de vijftiende- en zestiende-eeusche [370]Noord-Nederlanders aangaat, dezen droegen toen ten tyde, zoo zy hunne toenamen ontleenden aan de namen hunner huisteekens, die toenamen nog voluit, met de voorzetsels en lidwoorden er by, en daar door duidelik hunnen oorsprong aanwyzende. Op bl. 360 zijn daarvan reeds eenige voorbeelden genoemd. Zie hier nog eenige dergelyke namen van amsterdamsche ingezetenen uit de 15de en 16de eeu: »Claes Dirksz. in de drie Koningen,” »Jacob Cornelisz. in Sint-Andries,” »Claes in de Gulde Hant,” »Pieter Dirkszoon in ’t Vlasvat,” »Willem Lubbertsz. in den Helm,”46 »Pieter Laurens in den Haen,” »Simon Dirksz. uyt die Poort,” »Arend van den Anxter.”47

Van al de huisnamen, wellicht een zeer enkele uitgezonderd, die, volgens het in deze afdeeling medegedeelde, aanleiding gegeven hebben tot het ontstaan van geslachtsnamen, zijn voorbeelden vermeld in het werk van Van Lennep en Ter Gouw, De Uithangteekens.

§ 130. De oude Nederlanders vergenoegden zich niet met de namen van allerlei handwerkstuich, gereedschap, huisraad, dieren, planten, vruchten, enz. tot hunne huisnamen en uithangteekens te nemen, maar zy ontleenden die ook wel aan de namen van zaken, van denkbeelden, en duidden dezen dan in zinnebeelden op hunne gevelsteenen aan. B. v. »’t Geloof,” »de Hoop,” »de Liefde” kwamen geenszins zeldzaam voor, vooral als er drie gelyke huizen naast elkanderen werden geboud, even als de namen der vijf zintuigen wel moesten dienen by vijf huizen die gelijktydig naast elkanderen werden opgericht. »Het Fortuin,” »De Vrede,” »De Dood,” enz.—allen, en nog velen meer, in het meergemelde boek der Uithangteekens te vinden, zijn eveneens zulke huisnamen. En ook aan deze soort van huisnamen danken eenige hedendaagsche nederlandsche geslachtsnamen hunnen oorsprong. Zie hier eenigen daarvan: De Deugd, De Dood, Dood, Fortuin, Fortuyn en ’t Fortuin (»’t Fortuin” was steeds een veel begeerd uithangteeken—men dacht aan nomen [371]est omen—van daar ook dat dit woord als geslachtsnaam veelvuldig voorkomt). Verder Den Handel, De Hoop, D’Hoop en samengesmolten als Doop, De Liefde, Trouw en De Trouw, Vrede, Vreede, De Vrede en De Vree, Welvaart, ook als patronymikon Welvaerts, Zeevaart, enz. Zelfs de hemel, de hel en het vagevuur, met het paradys en dergelyke zaken, kwamen als huisnamen voor, gelijk men by Van Lennep en Ter Gouw nalezen kan. En ook aan zulke huisnamen zijn maagschapsnamen ontleend; als Paradies en Paradis, Helleput (en misschien ook Nechelput—Neckerput, Nikkerput?), Van de Helle, Hemelrijk, Van Hemelrijck, Van den Hemel, Van den Hemele, Van Hemelen, enz.

Eenige geslachtsnamen, die hier nog moeten worden genoemd als besluit van deze groep, zijn niet aan eenig gevelteeken ontleend, maar wel aan de byzondere gesteldheid van den gevel of van een ander deel des huizes. Naar den byzonder fraaien gevel dien het huis vertoonde, waar hy in woonde, heeft iemand in den ouden tijd zynen toenaam verkregen. Die toenaam is op ’s mans kinderen overgegaan, en een vaste geslachtsnaam geworden, die als zoodanig nog heden voorkomt; te weten: Schonegevel. En zoo ook de maagschapsnaam Gladdegevel. Een zeer oud huis, »De gladde Gevel” genoemd, staat nog heden in de Uniabuurt, zoogenoemd »by den Ossekop,” op den hoek van de Oude Oosterstraat, te Leeuwarden. De gevel van dit zonderbaar bonte huis is geheel opgezet met glimmend-gladde, verglaasde, groene en gele tegeltjes, om en om gezet, als de ruiten van een dambord. Van daar de naam van het huis. Maar of de geslachtsnaam Gladdegevel nu juist aan dit huis te Leeuwarden ontleend is, kan ik niet met zekerheid zeggen.

De maagschapsnaam Van Kimmenaede is een byzondere form en verbastering tevens van het woord kemenade. Dit oud-nederlandsche basterdwoord, thans uit onze taal geheel verdwenen, beteekent eigenlik »stookplaats of vuurheerd, schoorsteen in een vertrek,” en is met het fransche woord cheminée en de italiaansche woorden cammino en camminata van den zelfden oorsprong. Maar in de middeleeuen had het woord kemenade hier te lande, even als in Duitschland, de byzondere beteekenis van »vrouevertrek,” de kamer [372]of de zaal waar eene stookplaats was, en waar de vrouen des huizes gewoonlik samen zaten en hun verblijf hielden. Een deel voor het geheel genomen, ging de naam die oorspronkelik den steenen vuurheerd toekwam, en die later op het geheele vrouevertrek was toegepast geworden, ook over op het geheele huis of slot, waarin zulk eene kemenade gevonden werd, en is dien ten gevolge nog wel aan een enkel huis als plaatsnaam gehecht gebleven. Van daar de geslachtsnaam Van Kimmenaede.

Aan byzondere kenmerken van huizen zijn, naar myne meening ook de geslachtsnamen Pilaar, Poort, Trap, Venster en Portael ontleend. Laatstgenoemde naam komt ook als patronymikon—Portaels—voor. Aan byzonder kenmerkende gedeelten van eenig huis, acht ik dat de volgende maagschapsnamen hun ontstaan danken: Hooghkamer, Van de Kamer, Zaal, Keuken en Poestkoke, Kelder, Op den Kelder en Stall. Een steenen kruis, naby of aan een huis opgericht, gelijk wel voorkomt in streken, waar de inwoners den roomschen eeredienst volgen, heeft zekerlik oorsprong gegeven aan den geslachtsnaam Steenecruys, die dan ook in de zuidelike Nederlanden inheemsch is.

[Inhoud]

D. Geslachtsnamen aan namen van dieren ontleend.

§ 131. Zeer groot is het aantal van geslachtsnamen, die eigenlik de namen zijn van verschillende dieren; b. v. De Leeuw, Calkoen, Kikkert, Den Braasem, Spin, Mossel, enz. Verre weg het grootste deel dezer namen is oorspronkelik aan huisnamen ontleend. Afbeeldingen van dieren toch, en hunne namen als opschriften, waren oudtijds zeer algemeen als huisteekens en huisnamen op gevelsteenen en uithangborden te zien, en algemeen in gebruik. Byna al de maagschapsnamen, aan diernamen ontleend, en in de volgende bladzyden vermeld, kwamen oudtijds, en komen gedeeltelik ook heden nog als huisnamen voor, gelijk men in Van Lennep en Ter Gouw’s Uithangteekens nalezen kan. In dat werk staan ook vele voorbeelden vermeld van personen die zulk eenen diernaam, wijl het hun huisnaam was, als toenaam kregen [373]of namen, en later als geslachtsnaam behielden. B. v. op bl. 36, deel I: »Reeds in de eerste helft der 14de eeuw schijnt er te Delft een aanzienlijk huis geweest te zijn, waar de Mol uithing, en naar ’t welk het geslacht Mol zijn naam voerde.” Verder worden op bl. 47 aldaar vermeld: »Claes in de Cat”, »Fredrik Sieuwertszoon in den Haen”, »Jan in ’t blaeuwe Paert”, »Barend Janszoon in den engelschen Dog”, als de namen van 16de eeusche amsterdamsche burgers. En op de volgende bladzyde nog de namen »Floris Jan Claesz. Otter”, »Goossen Jansz. Reecalf”, »Reynier Paeu”, »Thomas Willemsz. Bontekoe”, »Jacob Huyg Pietersz. Haring”, enz. allen ook aanzienlike Amsterdammers uit dien tijd. Andere dierenamen, die als toenamen en geslachtsnamen reeds van oude dagteekening zijn, vinden wy ook elders evenzeer; b. v. »Huge Spierinck”, schepen van de stad Heusden, »Jan de Beer” in het dorp Oud-Heusden, »Jan de Wolf” in het dorp Eethen (Noord-Brabant), »Heindrick Blieck”, pastoor van het dorp Capelle (op de IJssel in Zuid-Holland), »Gerrit Mol”, »gaermeester” te Bleskensgraaf (Zuid-Holland), enz. allen ten jare 1514.48 In de 14de eeu treffen wy onder de burgery van Leiden reeds eenen »Jan Vos” aan49, en »Jan de Katere” met »Geraerd Dhond” onder de burgers van de stad Sluis in Vlaanderen.50 Het oudste voorbeeld van eenen diernaam als geslachtsnaam, my bekend, is de naam van »Casen de Haene”, een burger van de vlaamsche stad Iperen, ten jare 1127.51

Ofschoon de geslachtsnamen aan diernamen ontleend, wel voor verre weg het grootste gedeelte oorspronkelik huisnamen geweest zijn, zoo is dit toch geenszins met allen het geval. Allerlei oorzaken hebben wel ten gevolge gehad dat deze en gene man eenen diernaam als geslachtsnaam kreeg. Menigeen die de eene of andere diersoort verkocht, of anderszins in zijn bedrijf daar mede te doen [374]had, werd door anderen met den naam van zulke dieren, als toenaam, genoemd. Hendrik Harrewijnsz b. v., die paling ving en verkocht, kreeg al spoedig den bynaam van Hein Paling, en dien bynaam bleef hy behouden, en ging als toenaam op zyne kinderen, als vaste geslachtsnaam op zyne verdere nakomelingen over.52 Het beruchte rotterdamsche wijf Kaat Mossel, die in de staatkundige beroerten van de laatste helft der voorgaande eeu hare rol speelde, had eenen anderen geslachtsnaam. Het grootste deel der Rotterdammers evenwel wist, dat wijf aangaande, anders niet dan dat zy Kaat heette, en dat zy keurster was van de schelpvisch op de rotterdamsche vischmarkt. Daarom noemden zy haar Kaat Mossel, en zóó was zy bekend.53 Een ander weêr kreeg een diernaam tot bynaam, wegens de eene of andere byzondere eigenaardigheid van zijn persoon, ’t zy dan naar het lichaam of naar den geest. Een man b. v., bekend wegens zijn byzonder scherp gezicht, werd wel Jan Valk genoemd. Een ander, zeer vlug te been, wel Klaas Kieviet. Eenen derden, vreesachtig van aard en by ’t minste gevaar op de vlucht gaande, noemde men spottender wyze Hein de Haas, enz. Dan nog zijn vele geslachtsnamen, schijnbaar uit diernamen bestaande, eenvoudig mansvóórnamen, en als zoodanig, als geslachtsnamen in gebruik gekomen of verformd. Valk, Duif, Bot (Botte), Haring, enz. zijn allen oud-nederlandsche mansvóórnamen, gelijk in § 134 nader wordt verklaard. Eindelik nog, hoe zulke namen ook uit misverstand kunnen ontstaan zijn, daar van is my een zonderling geval bekend, het welk ook reeds in De Navorscher, dl. XXVII, bl. 387 door my is medegedeeld. In het midden der vorige eeu kwam een eenvoudig man, die geen geslachtsnaam had, gelijk de meeste Friesen uit den geringen stand in die dagen—uit het dorp Beers in Friesland,54 te Leeuwarden wonen. Laat ons dien man, welke vóór dien tijd altijd te Beers had gewoond, maar [375]Eabe noemen, of Eabe Sytses, met zynen vadersnaam, als patronymikon, daar by. Te Leeuwarden moest onze man nu wel een geslachtsnaam voeren, ter onderscheiding van anderen, die misschien ook Eabe Sytses heetten. En dus noemde hy zich maar (of anderen noemden hem zóó—’t is het zelfde) Eabe Sytses Beers, naar zyne plaats van herkomst. E. S. Beers nu had eenen zoon, die vry wat uit het friesche laag sloeg, die graag den Hollander uithing, en dien de naam Beers wat al te plat in d’ ooren klonk. Hy noemde zich alzoo graag Baars—dat klonk hollandscher, dus voornamer, volgens zijn dom begrip. Beers is immers ook maar het friesche woord voor het hollandsche baars! En in 1811, toen deze dwaas eenen vasten geslachtsnaam in de boeken van den burgerliken stand moet laten inschryven, gaf hy werkelik zynen naam aan als Baars. En zoo heeten natuurlik zyne nakomelingen nog heden. Men oordeele of deze geslachtsnaam Baars oorspronkelik met den naam van den visch iets te maken heeft!—De geslachtsnaam Baars is aan menig nederlandsch geslacht eigen, om van Den Baars niet te spreken. Het grootste deel van deze namen zal wel aan huisnamen of uithangteekens ontleend zijn. Dezen immers, »de Baars” of »de dry Beerskens” of »de gekroonde Baars”, waren oudtijds in ons vischrijk vaderland volstrekt niet zeldzaam. Eene andere zonderlinge wyze waarop iemand eenen diernaam tot maagschapsnaam verkreeg, wordt in § 148 vermeld.

De geslachtsnamen, aan diernamen ontleend, komen in vier verschillende formen voor. Eerst als de enkele namen op zich zelven: Wolf, Kieviet, Kikkert, Schol, Spin. Dan met een lidwoord er voor: De Leeuw, ’T Hoen, De Puyt, De Haay, De Bye. Ten derden met een lidwoord en een voorzetsel: Van der Paerdt, Van den Arend, Van der Steur, Van der Krab. Eindelik in den tweeden-naamval, als oneigenlike vadersnamen: Kieviets, Koekoeks, Spierings, Vliegen. Onder de namen van deze eerste afdeeling schuilen er velen die oorspronkelik mansvóórnamen zijn. Die van de derde afdeeling, welke ook geenszins in grooten getale voorkomen, stammen ongetwyfeld van huisnamen en gevelteekens af. Afsonderlik zullen de namen van deze vier afdeelingen hier niet besproken worden. Om de wille der duidelikheid [376]toch is dit niet noodig. Maar in eene natuurlike volgorde zullen de diernamen, als geslachtsnamen, hier worden behandeld. Wy beginnen echter met den leeu, op de wyze der Ouden, die in hem den koning der dieren zagen. En niet met den aap, zoo als de hedendaagsche dierkundige wetenschap eischt.

Leeuw, De Leeuw, Leeuwen, Leeuwe. De geslachtsnaam De Leu, in Vlaanderen inheemsch, is niet van den leeu afkomstig, maar, zonderling genoeg, van den wolf. Want deze naam is eene halve verdietsching van den waalschen maagschapsnaam Le Leu; d. i. Le Leup, Le Loup, De Wolf. (Zie § 165.) Aangaande de namen Leeuwen en Leeuwe, die ik als patronymika, als tweede-naamvalsformen van eenen mansvóórnaam beschou, zie men § 134. De geslachtsnaam Van der Leeuw is ongetwyfeld aan eenen huisnaam, aan een gevelteeken »De Leeuw” ontleend. Aangaande de taalkundige fout in dezen naam aanwezig, zie men § 157. Ook komt de maagschapsnaam Leeuwin voor; zie § 163. De geslachtsnaam Van Leeuwen is afgeleid van het geldersche dorp Leeuwen, tusschen Maas en Waal gelegen, of van de limburgsche buurt Leeuwen, by den dorpe Maas-Niel.—De oud-nederlandsche naam van den leeu, waar hy als wapenteeken voorkomt, is Liebaert, in Vlaanderen ook wel Klauwaert. De eerstgenoemde bynaam leeft nog in de maagschapsnamen Liebaert en Lybaert, en deze namen zijn zekerlik ontleend aan een wapenschild, dat den »liebaert” vertoonde, en als huisteeken aan eenen gevel pronkte.

Waarschijnlik is de geslachtsnaam Luypaert eene verbastering van Liebaert. In allen gevalle zal deze naam ook wel aan een wapenschild op eenen gevelsteen ontleend zijn.

Kat, Cat, De Kat, De Kadt, De Cat, Cath en Katje. Ook Kats, Cats, Catz? zie § 134. Huizen, die »de Kat” heetten, waren er oudtijds zeer velen. Een huis te Leeuwarden, »over de Brol”, pronkt nog met het zeer fraai in hout gesnedene en vergulde afbeeldsel van eene kat. In dat huis woonde in het midden der 16de eeu de apotheker Jan Huyberts, die zich naar dat huisteeken Jan Huyberts Cathuis noemde. Hy formde zich dus wel eenen geslachtsnaam naar zynen huisnaam, maar deed dit op eene andere wyze als gewoonlik geschiedde. [377]Zyne zonen, waar onder er een hoogleeraar was te Leuven, verlatijnschten dien naam weêr, en maakten er Cathius van, en ook Catzius. Ook waren er onder ’s mans nakomelingen die hunnen geslachtsnaam enkel Cath schreven, en die dus het meest gewone gebruik volgden.55 Een Jan Claesz. Kat was burgemeester van Amsterdam, in 1579.—By de kat behoort de kater, en ook hy kwam oudtijds als huisteeken voor. De geslachtsnamen Kater en De Kater zijn er aan ontleend. Toch kan deze naam ook iets geheel anders beteekenen; zie § 134.

Beer, De Beer, Den Beer, misschien ook, als patronymikon, Beers; zie echter bl. 375.—Wolf, Wulf, De Wolf, De Wulf en Van der Wolf. Over de patronymika Swolfs en Wolfs zie men bl. 142. Het jong van den wolf, en ook wel dat van andere roofdieren, heet welp; en ook deze naam komt als geslachtsnaam, Welp, voor.—Vos, Voss, De Vos, en verlatynscht Vossius.—Hond, De Hond, De Hondt, D’Hondt, Dhont, in verkleinform Hondekyn, verlatynscht tot Hondius. Ook de naam van den manneliken hond komt als geslachtsnaam voor: De Reu. Rassen van honden zijn vertegenwoordigd door de geslachtsnamen Brack en Brak,56 Hazewind en Hazewindt. Deze laatste naam komt ook nog voor als Hazewindus, met eenen latynschen steert opgepronkt. De geslachtsnaam Vliegendehond is ongetwyfeld aan een uithangbord ontleend. My is zulk een gevelteeken wel nooit voorgekomen, maar in Van Lennep en Ter Gouw’s werk over dit onderwerp, vinden wy wel een vliegend hert, een vliegend kalf, een vliegend paard, een vliegende vos en zelfs een vliegend varken als uithangbord vermeld. Dit laatste zonderlinge teeken hing te Amsterdam uit—nog in deze eeu. In 1590 woonde in zulk een huis te Amsterdam: Jacob Jansen Benning in ’t Vliegende Varken,57 die er zynen toenaam af droeg. Waarom dan ook geen »vliegende hond” als huisnaam, nu deze geslachtsnaam bestaat? [378]

By den geslachtsnaam Muyshond, ook als Muyshondt, en versleten als Musont en Mussont en zelfs als Musson voorkomende, heeft men aan geen byzonder soort van hond te denken. In de middeleeuen noemde men de kat wel muyshond, en nog heden draagt in sommige streken van Vlaanderen, in de volkstaal, de wezel wel dezen naam.58 De geslachtsnaam Muysson schijnt slechts eene gewyzigde spelling van Musson, te meer wijl deze naam, ter plaatse waar hy inheemsch is (Heille, in Zeeusch-Vlaanderen), werkelik als Mu-sson wordt uitgesproken. Het kan dit dan ook zeer wel zijn. Maar ook evenzeer kan het, even als Muusses, een patronymikon zijn van den oud-nederlandschen mansvóórnaam Muus, Muys, die nog heden hier en daar in gebruik is, b. v. op het eiland Marken. Deze naam schijnt eene verkorting en verbastering te wezen van den vollen bybelschen mansnaam Bartholomeus.59

By de wezel behoort de bunsing, de otter en ook de das. En aan de namen dezer dieren zijn de geslachtsnamen Mud (het friesche woord voor bunsing; zie § 152), Otter en Das waarschijnlik ontleend.

Mol, Moll, De Mol. Een huis dat de Mol heette, schijnt reeds in de eerste helft der 14de eeu te Delft te hebben bestaan, en aan een geslacht zynen naam te hebben gegeven. De naam van een stadje in de antwerpsche Kempen is ook Moll, en van die plaats kan het eene of het andere van de talryke geslachten die dezen naam voeren, ook wel den zynen ontleend hebben.

Muis, Muys, Muus en Muysken; De Ratte en De Rotte; Konijn en Conijn—zie bl. 210; Haas, De Haas en D’Haese, met den verkleinform Haasken, met Coolhaas en Koolhaas en met Kenniphaas (kennip is het zelfde als hennep). De haas is een liefhebber van kool, en in koolvelden wel te vinden. De naam koolhaas is dus te verklaren, en kwam oudtijds ook meermalen als huisnaam voor. Maar Kenniphaas? Eet de haas misschien ook geerne het groene kruid van de hennepplant?

Aap. Op uithangborden was de aap oudtijds niet zeldzaam. Te Haarlem heb ik nog eene tappery gekend: »het oude Aapje”, [379]by de Kleine Houtpoort. Thans heet dat huis natuurlik »De Poort van Kleef”, en is een »café.” Te Brugge heet nog heden eene herberg: »In den gouden Aap.”

Rob, Bruinvis, Tuimelaar en Tuymelaar (dat is een andere naam voor den bruinvisch of »den boer met zijn varkens”, zie bl. 300), Dolfijn (als huisnaam oudtijds geenszins zeldzaam), Walvis. Vervolgens Oliphant.—Het varken is niet vertegenwoordigd, ofschoon het als uithangbord niet zeldzaam was. Maar wie zoude ook vrywillig »zwijn” of »varken” willen heeten? »Aap” is al slim genoeg! Dus betwyfel ik ook of de geslachtsnaam Schram wel te dezer plaatse moet vermeld worden, al is het woord schram, ook bloedschram, in sommige gouspraken, o. a. in de hollandsche te Haarlem, in gebruik om zeker soort van varken aan te duiden. Liever wil ik den geslachtsnaam Schram afleiden van het woord schram in de beteekenis van likteeken. Denkelik is iemand eerst zoo genoemd, die aan een of ander schramformig likteeken, misschien in zijn gelaat, byzonder kenbaar was. Over de namen Bergsma en Bargsma (berg, barg == varken), zie men bl. 132.

Het woord peerd is my, op zich zelven, nooit als geslachtsnaam voorgekomen. Wel Van der Paardt, duidelik een huisnaam van oorsprong. Verder Hengst, Hingst, Hinxt, Den Hengst, Ros, De Ruyne, Schimmel en Kedde (kedde, in Noord-Holland ket, is het friesche woord voor het hollandsche hit). Of de geslachtsnamen Ket en Ketjen ook tot deze peerdenamen moeten gerekend worden, kan ik niet beslissen. Het kan ook zeer wel zijn dat deze beide laatste namen oorspronkelik de oud-friesche mansvóórnaam Kette (Katte, Kete) zijn, die nog vermeld wordt in de naamlijst van Brons,60 en waarvan de geslachtsnamen Kettema en Ketting, gelijk ook Keta, vadersnamen zijn. Over den mansnaam Kat, Ket zie men verder § 134. De geslachtsnamen Maliepaart en Molenpage reken ik ook tot de peerdenamen, maar Gryspeerdt, op bl. 343 verklaard, behoort daar niet toe. Den maagschapsnaam Eyspaart wist ik langen tijd niet te verklaren. Aan eene verbastering en wanspelling van den oud-nederlandschen mansnaam [380]Isbercht, Ysbrecht, ook als Isanperht, Isanperath by Förstemann vermeld, te denken, kwam my te gewaagd voor, al was deze oorsprong niet onmogelik. Later echter vond ik dat in het West-Vlaamsch eene byzondere soort van ijsslede den naam draagt van »IJspaard”, »IJspeerd.” Men zie de Bo’s Westvlaamsch Idioticon op het woord »ijspeerd.” De geslachtsnaam Eyspaart behoort dus eigenlik niet tot de namen aan diernamen ontleend, maar veel meer op bl. 366 te zijn vermeld. Maliepaart zal wel het zelfde zijn als het oud-vlaamsche woord male peerd, dat verklaard wordt als: »Cheval Malet, l’Equus sarcinarius dont parle Carpentier, Suppl. Duc. vo Maletus; Mallier, dit encore Carpentier au t. IV; le Cheval porte-malle, qui portait la Pera viatoria, la malle de voyage. Kiliaan l’appelle Maelhengst.”61Page is de naam waarmede men in de friso-saksische gouspraken van noordoostelik Nederland, een oud afgeleefd peerd bestempelt. Ook in noordwestelik Duitschland is dit woord inheemsch. Van daar de hoogduitsche geslachtsnaam Pagenstecher (peerdeslachter, peerdevilder, roodschilder), die ook in de Nederlanden voorkomt. Molenpage beteekent dus een oud molenpeerd—een naam die misschien wel oorspronkelik als spotnaam gegeven is.

Koe, De Koe en Bontekoe. »De bontekoe” is als uithangbord aan dorpsherbergen niet zeldzaam. Thomas Willemsz. Bontekoe, een amsterdamsch burger van den jare 157862 droeg waarschijnlik daar zynen naam af. En zeker was dit het geval met Willem Ysbrantsz. Bontekoe, de bekende oud-hollandsche Oostinje-vaarder.—Stier en De Bull komen ook voor, maar een geslachtsnaam aan het woord (en algemeene uithangteeken) »de Os, de deensche Os,” enz.—niet. Daarop was nooit iemand gesteld. De talrijk voorkomende geslachtsnamen Van Os, Van Oss, Van Osch zijn ontleend aan het vlek Os in Noord-Brabant. Eindelik nog Hokkeling, Kalf, Calf, Kalff en ’T Calf.

Schaap, Schaep, De Schaap, Ram, De Ram, Hamel, Lam, Het Lam en ’T Lam, Ooilam en Oylam.—Jongschaep komt ook voor; in scherts genomen voor Lam?—Edelschaap is my onduidelik. [381]

Bok, Bock, De Bok, De Bock, De Buck, Buck, Steenbok. Verder ’T Hert, ’T Hart, Hert en Vliegenthart. Laatstgenoemde naam, de tegenhanger van Vliegendehond (zie bl. 377), is natuurlik weêr aan eenen huisnaam ontleend. Als zoodanig komt ’t Vliegend Hert voor te Naarden en het vlieghenden Hert te Gent.63—Ree, Rhee, De Ree en Reekalf. Deze laatste naam is van oude dagteekening. Immers Goossen Jansz. Reecalf was in 1535 burgemeester van Amsterdam. De maagschapsnaam Van Rhee is natuurlik afgeleid van eenen plaatsnaam, en wel van het gehucht Ree by den dorpe Vries in Drente. Eindelik nog de geslachtsnaam Eland en Elandt, waarin ook nog een mansvóórnaam schuilen kan.

Voor wy met de vogelnamen beginnen, moeten hier nog vermeld worden de geslachtsnamen Wildebeest en Eenhoorn, die ik beiden ook van huisnamen afkomstig reken. Een gevelteeken »’t Wilde beest” is my wel nooit voorgekomen. Maar daarom kan het toch zeer wel bestaan hebben. »De Eenhoorn” echter kwam oudtijds dikwijls als huisnaam voor.64 Aan de fabelachtige dieren, waar van de Ouden bazelden, en die ook als gevelteekens voorkwamen, is nog de maagschapsnaam Zeekat ontleend. Zie § 148.

§ 132. De geslachtsnamen Vogel, Stoorvogel, Vettevogel, Witvogel en Ziervogel moeten, als algemeene namen, vóór de byzondere vogelnamen genoemd worden. Nevens Vogel komen ook Veugel, Voghel, De Vogel, De Voghel, De Veughele en De Veugle als geslachtsnamen voor. Zoo ook als oneigenlike vadersnamen Vogels en Voghels.—Stoorvogel beteekent: groote vogel. Het oud-germaansche woord stor, stur = groot komt in de Nederlanden nog slechts voor als stoer, struisch, stuursch, in drie gewyzigde beteekenissen. In de skandinaafsche talen heeft stor de oude beduidenis behouden. Stoor staat eigenlik tegenover kleen, als groot staat tegenover klein. Stoor en kleen hebben eene zeer stellige, eene zeer zekere beteekenis—groot en klein eene betrekkelike. Zie bl. 339. [382]

Openen wy de reeks van byzondere vogelnamen weêr met den vogel die van ouds als »koning der vogelen” geacht werd, met den arend. Arend, Den Arend en Van den Arend zijn geslachtsnamen die geenszins zeldzaam voorkomen. Trouens, de arend, wiens beeld op zoo vele wapenschilden prijkt, was oudtijds ook als huisnaam en gevelteeken zeer algemeen. Een oude naam van den arend, vooral in de wapenkunde gebruikelik, is adelaar. De naam Adelaar, ook in hoogduitschen form als Adler, komt nog als maagschapsnaam onder ons voor. In myne jeugd woonde er te Leeuwarden een man die Adelaar heette, in een huis waar een adelaar, fraai in hout gesneden, boven de voordeur stond. Ik weet niet wie in dit geval ouder was, de geslachtsnaam of de huisnaam. Andere namen van roofvogels zijn de geslachtsnamen Valk, Valck, De Valk, De Valck, De Valke; Havik, Buizerd, Sperwer, Wikel en Blauwikel. De twee laatsten vertegenwoordigen de friesche namen van den torenvalk (Tinnunculus alaudarius) en van den blauen kiekendief (Circus cyaneus); zie § 152. Verder nog De Gier met Uil, Uyl en Den Uil. Dan volgen Raaf, De Raaf, De Raeve, Kraai, Kraay, Kray, Craey, Craeye en De Kraai, met De Roek, De Rouck, De Gaai, Exter, Den Exter, en, als patronymikon Axters. Verder Koekoek en Koekkoek met Cockuyt en Cocquyt. Deze beide laatste namen komen meest in de vlaamsche gewesten voor. Zy vertoonen niet slechts eene verouderde spelwyze, maar tevens eenen byzonder-vlaamschen en byzonder-frieschen form van dit woord. Zie De Bo, Westvlaamsch Idioticon op het woord koekoek, koekuit. De jeugd in Friesland zingt nog een rijmke, dat begint alzoo: »Koekuut! de broek uut.”, enz.—Specht, Papegaay, IJsvogel, Vink, Vinck, Vyncke, Vinke, De Vyncke en Van der Vink, Geelvink en Rietvink. Maar Roelvink en Aalvink (zie bl. 40 en 152) zijn geen vogelnamen. Putter, Sijs, Van der Sijs. Behoort laatstgenoemde naam wel hier? Of is hy slechts eene verbastering van den naam Van der Chijs, dien ik overigens ook niet verklaren kan. Spreeuw, Musch, Mosch met het nedersaksische Lünink en het hoogduitsche Sperling. Leeuwrik en Lerk, Mees, De Meeze en Koolmees, Meerlaer, De Maerel en De Meerleere en De Lyster. Reeds vroeg treffen [383]wy den laatsten naam als bynaam aan (wegens byzondere veerdigheid in het zingen?): Atte Mockama, alias Lijster, een boer te Ferwert in 1511.65—Nachtegaal, Nachtegaele, De Nagtegaal en Nachtergaal. Zwaluw, Swalue, Swaalf, Swalf, en de friesche formen van dezen naam, Zwaal en Swaal.—Duif, Duyf, De Duve en Duyvejonck. Deze laatste naam weet ik anders niet te verklaren, als door hem hier te plaatsen. De mannelike duif of doffert heet in Vlaanderen Duiver; daar komen ook de geslachtsnamen Duyver en Den Duyver voor. Hoen en ’T Hoen. De Haan is zeer algemeen. Geen wonder; als uithangteeken of huisnaam komt »de Haan” en »’t Haantje” zoo dikwijls voor! Als geslachtsnaam vinden wy den naam van den haan nog in deze formen: Haan, Den Haan, Den Haene en D’Hane. Buitendien nog de samengestelde namen Roothaan (huisnaam De roode haan?), Mouthaan (een haan die mout eet?) en Stoerhaan. Laatstgenoemde naam beteekent groote haan (zie bl. 381 op Stoorvogel), en komt ook als Stuurhaan voor. Tot de hoendernamen behooren verder nog: Hen, Kip, De Kip, Capoen en Capuen (dit laatste is de brabantsche form van dezen naam), Kuiken en Hinnekint. Deze laatste naam acht ik te zijn eene, schertsender wyze gegevene of aangenomene omzetting van den geslachtsnaam Kuiken, een tegenhanger van Duyvejonck, bovengenoemd, en van Jongschaep op bl. 380 vermeld. Veldhoen, Fezant, De Quartel en Quartel met Auerhaan (laatstgenoemde naam zekerlik van hoogduitschen oorsprong) zijn aan de wilde vertegenwoordigers van het hoendergeslacht ontleend. Kalkoen en Calkoen met Pauw, Paauw, Paeu, De Paauw, De Paeuw en De Pauwe zijn ook als geslachtsnamen geenszins zeldzaam.

Struis kan zoo wel den vogel Struis beteekenen, als het byvoegelike naamwoord struisch; zie bl. 340. Als huisnaam was »De vogel Struys” oudtijds niet zeldzaam.66 De Crane, zoo genoemd naar de kraan of den kraanvogel, oudtijds ook als gevelteeken bekend. Een allerbelangrijkste bydrage over dit woord en [384]dezen naam, ook als geslachtsnaam, van de hand des vlaamschen taalgeleerden Guido Gezelle kan men vinden in het tijdschrift Loquela—jaargang 1883, bl. 25.—Plevier, Kievit, Kieviet, en als vadersnaam Kieviets.—Reiger en D’Heygere. Heygere is de oud-vlaamsche naam van den reiger. Kwak, Quack en De Quack67; De Lepeleer, De Lepelaere, De Lepeleir en De Lepeleire; Ooyevaar, Ojevaar, met de oude formen van dit woord Ovaere, Odevaere en Ottevaere, alsmede met den saksischen, ook hoogduitschen en engelschen form Stork. Verder Snippe met Stind, beter stint, de friesche naam van eenen strandvogel, Tringa (zie § 152). Spriet en Schriek—dat zijn twee namen van een en den zelfden vogel (Crex pratensis). Koet, Zwaan, Swaan, Swaen, De Swaen, De Zwaan met Van der Zwaan en de friesche formen Swan en Van der Zwan, algemeen voorkomende, en afgeleid van het huisteeken de Zwaan en ’t Zwaantje, dat veelvuldig in gebruik was en nog is. Gans en De Gans zijn daarentegen zeldzaam, en »de eend” ontbreekt geheel. Taling echter bestaat, en schijnt oorspronkelik als bynaam, aan eenen wildkoopman gegeven te zijn. Rotgans en Slobbe zijn de namen van byzondere soorten van gansen en eenden. Pellekaan en Pillekaan zijn oorspronkelik zeker huisnamen. Eindelik nog Meeuw en Malefijt, Malefeyt en Maelfeyt. De drie laatstgenoemde namen zijn die van eenen kleinen zeevogel, van de zoogenoemde Stormzwaluw (Thalassidroma pelagica). In der daad draagt deze vogel by de nederlandsche zeelieden den naam van malefijt of malefeit, een woord van romaanschen oorsprong, en waarschijnlik van de Portugeezen overgenomen. Wijl echter de stormzwaluw door onze zeelieden slechts in de ruime wereldzee wordt ontmoet, en niet dan hoogst zeldzaam, na hevige stormen, een enkele maal aan het nederlandsche strand gezien wordt, waar zy by het volk nagenoeg onbekend is,—en wijl daarentegen de naam Malefijt, Malefeyt als geslachtsnaam niet zoo byzonder zeldzaam is, maar in Vlaanderen zoo wel als in Holland voorkomt (zie § 151), zoo komt my de afleiding van dezen geslachtsnaam [385]van den vogelnaam wel eenigszins gewaagd voor. Liever wil ik hem houden voor eene verbastering van den franschen geslachtsnaam Malfait, voor de weêrga dus van den franschen naam Bienfait, die ook in Nederland als geslachtsnaam voorkomt.68

§ 133. Aan de namen van amphibiën en dergelyke dieren zijn slechts weinig geslachtsnamen ontleend. Eigenlik geen andere als die van den kikvorsch en de padde. Deze namen zijn: Kikker en Kikkert in Holland, en Puit, Puydt, De Puydt, Den Puydt in Zeeland en Vlaanderen inheemsch. Puit of Puut toch is het zeeusche en vlaamsche woord voor het hollandsche kikkert. Verder de geslachtsnaam Pogge, die padde beduidt. Dat dier toch draagt in onze friso-saksische gouspraken dezen naam, welke ook voorkomt in den geslachtsnaam Poggenbeek.—Slangen en Slanghen (op bl. 185 reeds verklaard) behooren niet tot deze afdeeling, ofschoon het wel den schijn heeft. Maar de geslachtsnamen Griffioen en Draak, De Draak, De Draek, Den Draeck, Den Draak dienen hier vermeld, omdat de fabelachtige dieren griffioen en draak als amphibiën worden voorgesteld. Immers aan deze wanschepsels uit de verbeelding der Ouden hebben wy hier te denken, en niet aan het fladderend hagedisje uit de tropische gewesten van Azië, dat trouens ook tot deze familie behoort. »De draak” en »De griffioen” kwamen oudtijds niet zelden als huisnamen en gevelteekens voor.

De algemeene naam van de orde der visschen, vertegenwoordigd door de geslachtsnamen Vis, Visch, De Vis en De Visch, moge hier weer den byzonderen vischnamen voorafgaan. De Haay, Steur, De Steur en Van der Steur, Rog, Paling, Maeckereel, Schol, Bot, Both, De Both en Botvis, misschien ook Botje—zie bl. 398. Verder Cabeljaeu, Cabeljau, Cabilliauw en Cabliauw, Baekeljau, Schelvisch, Haring, Den Harynck, Den Haerynck, Groenheering, Smelt, Spiering (ook als patronymikon Spierings) en Spierlynck, Meyvis (dat is elft, hoogduitsch Maifisch), Zalm en Salm, De Blieck, Den Braasem, Zeelt, Goudvis, Voorn en Vervoorn (d. i. Van der Voorn), [386]Pos en De Posch, Baars, Beers en Den Baars, ook (in het Friesch) in verkleinform Beerske; Snoek, Snouck en De Snouck. Volgens De Navorscher, dl. XXXII, bl. 573 behoort tot de geslachtsnamen aan vischnamen ontleend, ook de geslachtsnaam Gobius, »daar dit uit Italië stammend, doch sedert de 16de eeuw in Nederland aanwezig geslacht den zijnen ontleend heeft aan de, voornamelijk in de Tyrrheensche zee aanwezige beenige visschen van dien naam; hetgeen ook blijkt uit hun wapen.” Gobius echter is de latynsche naam van den grondel (Gobius niger), een bekend vischje, aan de nederlandsche zeekusten ook voorkomende. Rhijnvis (rijnvisch) is de oud-nederlandsche naam van eene byzondere soort van visch, die ik niet nader kan aanduiden. In Edw. Gailliard’s Glossaire flamand—Brugge, 1882—vind ik: Rynvissche, sorte de poisson de mer.” En daar blijkt ook dat de geslachtsnaam Rynvisch reeds in de middeleeuen te Brugge voorkwam. Aangaande dezen byzonderen naam, die in Nederland (door misverstand) ook als mansvóórnaam in gebruik is (Rhijnvis Feith), zie men ook De Navorscher, dl. XXXIII, bl. 36. De geslachtsnamen Bakvis, Stokvis, Pannevis, Pekelharing enz. zijn eigenlik namen van spyzen, van visch bereid, en worden dus beter in § 140 vermeld.

Ten slotte kunnen als geslachtsnamen, ontleend aan de namen van insekten, schaal- en weekdieren, nog vermeld worden: Kever, Watertor, De Bie, De Bye en Van der By, Hommel, De Mot, Mug, Rups, De Vlieg, Vlieghe en Vliegen. Het komt my waarschijnlik voor dat in den laatstgenoemden naam een persoonsnaam schuilt, dat hy dus een patronymikon is. Oudtijds hingen te Amsterdam aan zeker huis »de Vijf Vliegen” uit, en de bewoner van dat huis droeg daar af den naam van Jan Vijf-Vliegen.69 Een geslachtsnaam, die in Limburg voornamelik inheemsch is, en daar aan verschillende geslachten eigen, is Quaetvliegh (de kwade vlieg). Deze zelfde naam komt in verschillende vormen voor, als Quaedtvlieg, Quadvliegh, Quatfleigh, enz. Wat de oorsprong van dezen zonderlingen naam is en weet ik niet. Omdat de vlieg oudtijds als een kenteeken [387]van den duivel gold, van den »kwade”, zoo gis ik dat de naam Quaetvliegh in eenig verband met den naam van den duivel staat, en als zoodanig tot een geslachtsnaam geworden is. De geslachtsnamen Potvlieghe en Schauvliegh met Schauvliege, die eveneens in de zuidelike gewesten, vooral ook in Limburg voorkomen, zijn my evenmin duidelik, wat hun oorsprong betreft.

Verder komen nog voor de geslachtsnamen De Vloo, Mier, Spin, Kreeft, Kreefft, Krab, Krabbe, Crabbe en Van der Krab, Geirnaert en Garnaat, het eerste de vlaamsche, het tweede de friesche naam van het bekende schaaldiertje dat men in Holland garnaal noemt. Eindelik nog Oester en Mossel.—Willok of Wullok is de vlaamsche naam voor zekere soort van zeeslak (Buccinum undatum), die langs onze Noordzee-stranden en zeegaten veel gegeten wordt, en daar, by Zeeuen, Hollanders en Friesen onder verschillende namen, als alikruuk, kreukel, ulk, wulk, einekoon, enz. bekend is. De vlaamsche naam van dit weekdier komt in Vlaanderen als geslachtsnaam voor. Namelik als Willock en Willocq; ook als patronymikon: Willocks, Willox, Willockx, enz.

Als de laatsten der geslachtsnamen aan diernamen ontleend, moeten nog vermeld worden: Worm, Wurm en Lintwurm. De geslachtsnaam Van der Worm, van anderen oorsprong, is reeds op bl. 244 verklaard. By den geslachtsnaam Lintwurm denke men niet aan het bekende ingewandsdier. De naam Lintwurm is afgeleid van den ouden naam, waaronder de draak of eenig ander fabelachtig ondier in sagen en maren optreedt. Tegenwoordig spreekt en schrijft men van den »Heiligen George met den draak;” oudtijds echter van »St-Joris met den lintwurm.” Eene afbeelding daarvan kwam in vorige eeuen niet zelden als gevelteeken voor. Van daar hoogst waarschijnlik dezen, in den tegenwoordigen tijd zoo zonderling luidenden naam.

Als geslachtsnamen, ontleend aan woorden die byzondere voortbrengselen uit het dierenrijk aanduiden, noem ik hier nog: Koehoorn, Honig, en Parel, met Perel, Paerl, Paerel, en het patronymikale Parels.

§ 134. Sommige namen van dieren komen ook als mansvóórnamen [388]voor. Zulken zijn: Beer, Bero (in Bernhart, Barend, Berend), Ever (in Everhart, Evert), Leeuw, Lieue (in Leonhart, Leeuwenhart, Leendert), Wolf (in Wolfhart, Wolfert), Arend, Swano, enz. En deze mansnamen zijn werkelik, wat hun oorsprong aangaat, de zelfden als deze diernamen. En andere diernamen komen toevalliger wyze overeen, volkomen of ten naasten by, met mansvóórnamen, zoo wel met mansvóórnamen in hunnen oorspronkeliken form, als met verkorte en misformde namen. Voorbeelden hiervan zijn de mansnamen Hase, Bokke, Duif, Valk, Botte, Reiger, enz. die met de dierenamen haas, bok, duif, valk, bot, reiger overeenstemmen, ofschoon zy eenen anderen oorsprong hebben. Muis, Mees, Meeuwe, Haring, Vinke, enz. komen ook als mansvóórnamen voor, en stemmen tevens overeen met de diernamen muis, mees, meeuw, haring, vink. Deze mansnamen vertoonen echter niet hunnen vollen, oorspronkeliken form. Immers Muis, ook Muys of Muus, is eene verbastering en verkorting van den bybelschen mansnaam Bartholomeus; en Meeuwe of Meeuwis is dit ook (even als Teeuwis van Mattheus), zoo mede Mees. Dit wordt duidelik aangetoond en bewezen in De Navorscher, dl. XXVII, bl. 411, 412, 413. De mansvóórnaam Haring is eigenlik het patronymikon van den oud-germaanschen, nu nog in Friesland in volle gebruik zijnden mansnaam Haro, Here. En Vinke, Vink is een verkleinform (Vin-ke = Vin-tje) van den mansvóórnaam Finne.

Het ligt dus voor de hand dat niet alle geslachtsnamen, in de vorige paragrafen opgesomd, van de diernamen zijn afgeleid. Integendeel—daar kunnen er ook onder wezen, die eenvoudig uit mansvóórnamen bestaan. Staat by eenigen geslachtsnaam het lidwoord vóór den diernaam (De Leeuw, Het Lam, Den Arend, De Bye, Den Baars), dan is er geen twyfel aan of oorspronkelik ligt hier de diernaam ten grondslag. En even zeker mag aangenomen worden dat de geslachtsnaam met eenen diernaam samengesteld, oorspronkelik aan eenen huisnaam ontleend is, als een lidwoord en een voorzetsel den diernaam voorafgegaan; b. v. Van der Paardt, Van den Arend, Van der By, Van der Steur. Maar als de diernaam op zich zelven voorkomt (Arend, Leeuw, Wolf, Zwaan, Bot) dan kunnen ook zeer wel mansvóórnamen [389]aan deze geslachtsnamen ten grondslag liggen. Terwijl ik de oorsprong van zulke geslachtsnamen uit mansvóórnamen voor vry zeker acht, als zy in verbogenen form voorkomen. By zulke geslachtsnamen als Leeuwen, Wolfs, Otters, Duyfjes, Harings, Bots, enz. is weinig twyfel aan hunnen oorsprong uit mansvóórnamen. By Arendsma, Haringsma, Botjes, Haantjes, enz. geheel geen. Geslachtsnamen, die als patronymika in den tweeden-naamval staan, en zonder eenigen twyfel van diernamen zijn afgeleid, komen slechts in zeer gering aantal voor; b. v. Koekoeks, Kievits, Willockx, en eenige anderen. Alle andere patronymika zijn hoogst waarschijnlik, byna zeker, aan mansvóórnamen ontleend.

Dat buitendien nog geheel andere oorzaken aanleiding gegeven hebben tot het aannemen van geslachtsnamen, welke schijnbaar aan de namen van dieren zijn ontleend, vindt men, wat de namen Zeekats, Baars en Kater aangaat, vermeld en bewezen in § 148, en op bl. 375 en 390 van dit werk.

Veel byzonders en belangrijks aangaande dit onderwerp staat te lezen in eenige opstellen, die door den taalgeleerden P. Leendertz. Wz. en door my zelven, onder de namen »De mansnaam Muus,” en »Diernamen als geslachtsnamen” zijn geschreven, en opgenomen in het tijdschrift De Navorscher, deelen XXVI, XXVII en XXVIII.

Hier volgen eenige geslachtsnamen, schijnbaar diernamen, maar die ik, met meer of minder waarschijnlikheid, tot de geslachtsnamen, aan mansvóórnamen ontleend, meen te moeten brengen.

Lew of Lewon is een oud-germaansche, in Förstemann’s Altdeutsches Namenbuch voorkomende naamstam, die zoo wel op zich zelven voorkwam, als in samenstellingen. Deze naam beteekent leeu. Als Leeuwe, ook wel Leuwe, Leuve, Lewe was deze zelfde naam oudtijds ook in Holland in gebruik; en als Lieuwe, Lieue (de leeu heet in het Friesch lieu) komt hy nog heden geenszins zeldzaam in Friesland voor. Lewe, Leeuwens, Leeuwes, Leuwen en Leeven zijn de geslachtsnamen aan den naamstam Leeuwe ontleend. Zoo mede het friesche patronymikon Leeuwinga, dat als geslachtsnaam in de friso-saksische streken van Drente inheemsch is. Aan den frieschen mansvóórnaam Lieue, Lieuwe zijn [390]de friesche geslachtsnamen Lieuwema, Lieuwma en Lieuwes ontleend; en ook Lieuwkes aan den verkleinform Lieuke.

Catto, Katte, Kat is een oud-germaansche mansvóórnaam, die ook in samenstellingen, als Catuald (Katwalt) en Catumer (Katmar) voorkomt, en door Förstemann in zijn Altdeutsches Namenbuch tot drie verschillende naamstammen, Chad, Gad en Hath, gebracht wordt. Een enkele der talryke geslachtsnamen Kat en Cat, en, in den tweeden naamval als patronymikon, Kats, Cats en Catz, zal zeker wel van dezen ouden mansvóórnaam afstammen. Zekerlik is dit het geval met de friesche patronymikale geslachtsnamen Katsma en Katma, en met menigen plaatsnaam. Waarschijnlik behoort het patronymikon Cæding, dat by de Angel-Saksen voorkwam, ook wel tot dezen mansnaam. Buitendien kan de geslachtsnaam Cats, Katz, behalven een tweede-naamvalsform van den diernaam, of van den mansvóórnaam, ook nog de plaatsnaam Kats of Cats zijn, zoo als een dorp heet op het zeeusche eiland Noord-Beveland. By de zeeusche maagschap Cats althans meen ik dat dit zekerlik het geval is.

De geslachtsnaam Kater en De Kater kan ook een geheel anderen oorsprong hebben, als van het woord dat de mannelike kat aanduidt. Een kater toch is iemand die in eene kate (keet of kot—zie bl. 266) woont. Het woord kater, als de benaming van eenen geringen boer, of van eenen boeren-arbeider, die in eene hut of kate op het erf van den eigenerfden boer woont, is in sommige saksische streken van ons land en van Duitschland in gebruik. Even als keuter (in Friesland zeit men wel keuterboerke), kötter, kaatsitter, kotsitter, katsate, kotsaat, cotsath, enz.,—woorden die allen van den zelfden oorsprong zijn, en allen het zelfde beteekenen. Naar myne meening ligt dit woord kater ten grondslag van menigen geslachtsnaam Kater en De Kater. De geslachtsnaam Keuter, in eene friso-saksische gou van Overijssel inheemsch (Bloksyl), is ongetwyfeld aan het woord kötte, kate, hut, ontleend. Kötter ware wis eene betere spelling voor dezen naam, die daarom toch geenszins van hoogduitschen, maar van zuiver nederlandschen, ofschoon dan ook al niet hollandschen, oorsprong is.

Bare of Baro is nevens Barre of Barro een oud-germaansche mansvóórnaam, die nog heden in Friesland in gebruik is. De [391]geslachtsnaam Baars kan een patronymikon zijn van dezen naam, zoo als Baarsma dit zonder twyfel is. Andere geslachtsnamen aan dezen zelfden mansnaam ontleend, zijn nog Barma (met Barring in Engelland, en Barry in Frankrijk,—als een versleten patronymikon der oorspronkelik germaansche Franken? zie § 30.) Verder Barkema, een oud-friesche tweede-naamvalsform van den verkleinform Barke, die tevens aan de engelsche geslachtsnamen Barks, Barkes en Barkins oorsprong gaf. Barrahuis, een gehucht by Wirdum; Barrum, een gehucht by Tjum (beide in Friesland); Barwert, een gehucht by Oldehove in Groningerland; Barkwert, een gehucht by Kubaart in Friesland, misschien ook Barchem, een gehucht by Laren in Gelderland, zijn plaatsnamen die van deze mansnamen afstammen, en gemakkelik verklaard kunnen worden.

Dat Fosse, Fos oudtijds ook als mansvóórnaam in gebruik moet zijn geweest (al is het dat deze naam dan zekerlik slechts een verbasterde zal geweest zijn), blijkt duidelik uit de geslachtsnamen Vossema (oudtijds als Fossema geschreven), Vosma, Fossen, Vossen, Vosse, allen patronymikale namen van eenen mansvóórnaam Fos. Ook blijkt dit uit menigen plaatsnaam. De geslachtsnaam Vos kan dus evenzeer oorspronkelik deze mansvóórnaam zijn, als de diernaam.

Aangaande den oud-germaanschen mansvóórnaam Hundo, Hond, die aanleiding kan gegeven hebben tot het aannemen der geslachtsnamen Hond, Hondt, Hondius, enz. zie men bl. 52.

Molle is een friesche mansvóórnaam, nog heden in volle gebruik. Het is oorspronkelik de zelfde naam, in andere uitspraak, als Melle; zie bl. 162. Van dezen mansnaam Molle kan de geslachtsnaam Mol, Moll ook worden afgeleid. Maar de geslachtsnamen Mollema, Mollen, Molling en Mollink zijn er zonder twyfel van afkomstig. Zoo ook Mollekens, een patronymikon van den verkleinform Molleke. Als plaatsnamen, waar aan deze naam al mede ten grondslag ligt, vermelden wy nog: Molla-state, te Eakmaryp; Molmaburen, een gehucht by Lutke-Wierum; Molsert (dat is samengetrokken van Molswert), eene buurt by Franeker, alle drie in Friesland. Verder Molhem, een dorp in Zuid-Brabant; Mollincourt in Isle-de-France (Frankrijk); [392]Mollenkotten, gehucht by Hagen in Westfalen; en Molling, een gehucht by Bruneck (Enneberg) in Tirol.

De mansnaam Muus, nog heden als zoodanig in Noord-Holland voorkomende, is eene verkorting en verbastering van Bartholomeus—zie bl. 378 en 396. De geslachtsnamen Muis, Muys, Muisken kunnen dus even zeer aan dezen mansvóórnaam ontleend zijn, als aan den diernaam. De geslachtsnamen Muusse en Muusses zijn ongetwyfeld vadersnamen van dezen mansnaam; waarschijnlik ook Muysson.

Haso is een oud-germaansche mansvóórnaam, en als zoodanig in Förstemann’s Altdeutsches Namenbuch vermeld. Dat deze naam ook oudtijds by onze voorouders in gebruik geweest is, bewyzen de geslachtsnamen Van Hasinga, Haasma, Haesen, Hazes, Hasens, misschien ook Haasse en Hase, benevens menige plaatsnaam, die allen er van zijn afgeleid. Van den verkleinform Haasje is de geslachtsnaam Haasjes geformd. Wijl de mansvóórnaam Haso, Hase door my nog niet in oude nederlandsche oorkonden is gevonden (ofschoon aan het bestaan er van geen twyfel is), en daarentegen de verkleinform Haasje wel als vrouenaam kan bewezen worden (Haesje Claes in ’t Paradys b. v., de vrome vrou, die in de 16de eeu het Burgerweeshuis te Amsterdam stichtte), zoo kan de geslachtsnaam Haasjes ook wel een metronymikon zijn (zie § 59), en geen patronymikon. In allen gevalle is het duidelik dat de geslachtsnaam Haas niet noodzakelik aan den diernaam behoeft ontleend te zijn.

Dat de geslachtsnaam Konijn ook oorspronkelik een plaatsnaam kan wezen, even zeer als een diernaam, is reeds op bl. 210 aangetoond.

De namen der oude Friesen Hengist en Horsa (twee peerdenamen) bewyzen dat de geslachtsnamen Hengst, Hinxt en Ros (letterkeer van Hors of Ors) ook zeer wel oorspronkelik mansnamen kunnen zijn, even wel als huisnamen of diernamen.

Ram, Ramo is een oud-germaansche mansvóórnaam, gelijk door menigen plaatsnaam (Rammingen of Ramegnies, een dorp in de Henegou; Rammingen, een dorp by Ulm in Würtemberg; Ramminghausen, een gehucht by Syke in Hoya, Hanover) bewezen wordt. Van den verkleinform Ramke is de friesche patronymikale geslachtsnaam Ramkema geformd. [393]

Lamme is een friesche mansvóórnaam, die oudtijds, meer dan tegenwoordig, in gebruik was. Sedert de hollandsche gouspraak in Friesland meer en meer bekend en gesproken werd, is deze naam buiten gebruik geraakt, wegens de min gunstige beteekenis die het woord lam (friesch laem met gerekte, opene a), althans voor eenen mansvóórnaam, in het Hollandsch heeft. In de naamlijsten van Wassenbergh, Leendertz en Brons, meermalen in dit werk aangehaald, wordt de mansnaam Lamme nog vermeld. In vroueliken form, als een enkel verkleinwoord (Lamke), en als een dubbel verkleinwoord (Lamkje), komt deze naam in Friesland nog meer voor als in den manneliken form. Ook in den friso-saksischen form Lammechien, in Groningerland en Drente. De mansnaam Lemme, mede in Friesland voorkomende, en oudtijds ook in andere nederlandsche gewesten in gebruik, is oorspronkelik de zelfde naam als Lamme, en levert daarmede slechts een klein verschil in tongval op. In de brabantsche en vlaamsche gewesten is Lam en Lem nog heden in gebruik als eene verkorting van den vollen naam Wilhelm, Willehalm, Willem. Deze mansvóórnaam kan, evenzeer als de diernaam lam, aanleiding hebben gegeven tot den geslachtsnaam Lam. Buitendien zijn de geslachtsnamen Lamminga en Lammenga, Lamming en Lamsma, Lams, Lammens, met Lemmens, Lems en Lemson, en de verkleinformen Lammekes, Lemkes en Lemke, zekerlik van dezen mansnaam afgeleid.

Bocco, Bucco is een oud-germaansche, in Förstemann’s Altdeutsches Namenbuch vermelde mansvóórnaam, die als Bokke nog heden ten dage in Friesland in volle gebruik is. De geslachtsnaam Bok zal zekerlik wel, in menig geval, ontleend zijn aan dezen ouden mansnaam. Hy gaf buitendien oorsprong aan vele andere geslachtsnamen en plaatsnamen. Als geslachtsnamen, van den mansnaam Bokke afgeleid, vermeld ik hier: Bokkenga, Bocking en Buckinx, alle drie oude patronymika. Ook de engelsche plaats- en geslachtsnaam Buckingham behoort hier toe. Verder Bokkema, Bokma, Bockma, Van Bokma, Boksma, Boxma, Bokkens en Bokkes, ook allen tweede-naamvalsformen. Het getal der plaatsnamen aan den mansnaam Bokke ontleend, in alle germaansche landen voorkomende, is nog veel grooter dan dat der geslachtsnamen. Hier kunnen slechts [394]de nederlandschen vermeld worden: Bokkum, gehucht by ’t dorp Akkrum, en Boksum, dorp in Menaldumadeel, beide in Friesland; Nibbikswoud, een dorp in noordelik Noord-Holland; (deze naam is eene verbastering en samentrekking van Nieu-Bokswoude; Oud-Bokswoude is het dorp Hauwert, mede in het westerfliesche Friesland). Waarschijnlik ook nog Boksbergen, eene havesate by Olst in Overijssel. Buitendien zijn nog de geslachtsnamen Van Bockom en Van Oldenboccum aan plaatsnamen ontleend, die op hunne beurt weêr van den mansnaam Bokke afgeleid zijn. Plaatsen die Bockum en Bochum heeten, liggen er wel vier in Duitschland.

Een bekende oud-nederlandsche mansnaam, nog heden in volle gebruik, is Arend, by samentrekking Aart. De geslachtsnaam Arend kan evenzeer oorspronkelik deze mansnaam zijn, als de diernaam. Vele andere geslachtsnamen zijn eveneens aan dezen naam ontleend. Dit zijn: Arends, Arendsen, Arentzen, Arents, Arendsma, Arensma, † Aarnsma, Arentsma, Serarents (zie bl. 144), Aartsma, Aarts, Aerts, en misschien ook Arens, Ahrens, Arning, het verlatynschte Arntzenius (van Arntzen, Arendsen), Aarsen, in verkleinform Arnken en Arenkens, enz.

De naam van den roofvogel valk diende den ouden Germanen almede als mansvóórnaam. Als Falacho, Falco wordt hy vermeld in Förstemann’s Altdeutsches Namenbuch. Förstemann hecht evenwel eene andere beteekenis aan dezen naam. Tot in de 17de eeu bleef deze naam in Holland in gebruik. In 1628 voerden twee burgers van Amsterdam dien naam; de eene heette Jan Valcksz (dat is Jan, zoon van Valk), en de andere Valk Theunisz.70 Ook in den jare 1471 woonde er te Schoonhoven zekere Valk Mertensz.71 Maar in Friesland is deze zelfde naam, door de Friesen te recht Falke geschreven, tot op den dag van heden in gebruik gebleven. Hoochst waarschijnlik is menige geslachtsnaam Valk of Valck oorspronkelik deze mansvóórnaam, en geenszins in alle gevallen de diernaam. Maar zonder twyfel zijn de geslachtsnamen Falkema en Valkema, Falkena en Falckena, Falks, Valks, Falcksz, Valksz aan dezen mansnaam ontleend. [395]Zoo mede de plaatsnaam Falkum of Falkum-burcht, by Bellingaweer in Hunsego (Groningerland). Misschien ook Valkoog, een dorp in het westerfliesche Friesland.

Een andere roofvogel is de havik, en ook zijn naam moest oudtijds als mansvóórnaam dienen. Die voornaam kan dus, zoo wel als de vogelnaam zelve, aanleiding gegeven hebben tot het ontstaan van den geslachtsnaam Havik. In 1572 vinden wy te Leiden eenen man die Meus Haviksz. (dat is Meus, de zoon van Havik) genoemd wordt door den geschiedschryver Bor, en die door Hooft voluit Bartholomeus Haavixzoon wordt geheeten.72 De vogel havik heet in het Friesch hauk, en in het Engelsch eveneens hawk. Van daar de friesche geslachtsnaam Haukema en de engelsche Hawkins. Ook Haucke kwam my als nederlandsche geslachtsnaam voor.

Hraban, Rabo in hoogduitschen, Hravan, Raven, Rave, Raaf in nederduitschen form, is een oud-germaansche mansvóórnaam, die waarschijnlik aan den geslachtsnaam Raaf zynen oorsprong heeft gegeven. Buitendien zijn de geslachtsnamen Ravinga en Raven aan dezen mansnaam ontleend.

Hoe zonderling het klinke, ook Crai, Kray of Kraai moet ik voor eenen oud-germaanschen mansvóórnaam houden, al is het dat die naam my tot nog toe nergens voorgekomen is. Maar uit de geslachtsnamen Kraaima en Craien, vooral ook uit de oude patronymikale geslachtsnamen Kraayinga en Kraayenga in Friesland, en Craying in Engelland, zoo mede uit de plaatsnamen Kraaienwerf, een verdronken gehucht op het eiland Marken; Kraaienisse, een polder op het eiland Over-Flakee; en Craywijk, een dorp by Grevelingen in Fransch-Vlaanderen, meen ik met zekerheid tot het bestaan van den mansvóórnaam Krai te mogen besluiten.

Een friesche mansvóórnaam (al is hy weinig in gebruik, hy wordt toch in de naamlijsten van Wassenbergh en Leendertz aangetroffen) is Finke. En deze naam kan aanleiding hebben gegeven tot het ontstaan der geslachtsnamen Vink, Vynck, enz. Van dezen mansnaam, die een verkleinform is van den frieschen mansvóórnaam [396]Finne, Fin, (Fin-ke = Fin-tje), die als een oud-germaansche mansnaam ook door Förstemann vermeld wordt,—van den mansnaam Finke hebben wy buitendien de geslachtsnamen Finken en Vinken en in versletenen form Vinke; benevens vele plaatsnamen. En aan den oorspronkeliken mansnaam Fin zijn ontleend de geslachtsnamen Vinnema, het uitgestorvene Fingia (dat is Finninga) in Friesland, en Finning in Engelland.

De geslachtsnamen Musschenga en Muischenga in Groningerland, en Muskens in Limburg en Gelderland inheemsch, schynen van eenen mansvóórnaam Mus of Musk (Muske = Mus-ke?) afgeleid te zijn. Deze twyfelachtige mansnaam, die buitendien ook nog in den naam van het hanoversche dorp Müssingen, by Bodenteich in het Lüneburgsche schijnt voor te komen, kan ook aan de geslachtsnamen Musch en Mosch ten grondslag liggen. Over dezen naam staat nog het een en ander, van de hand des geleerden Leendertz en van my zelven geschreven, in De Navorscher, dl. XXVI en XXVII, bl. 361, 561 en 78, 80.

Over den mansvóórnaam Mees, eene verbastering en verkorting van den bybelschen naam Bartholomeus, en waarvan de geslachtsnaam Mees kan afgeleid zijn, zie men eenige byzonderheden in De Navorscher, dl. XXVII, bl. 412. Ook de geslachtsnaam Meeuw behoeft niet nootsakelik de vogelnaam te zijn, maar kan eene verkorting wezen van Meeuwis, een hollandsche mansvóórnaam die eveneens eene verbastering is van Bartholomeus. Een patronymikon van dezen mansvóórnaam bestaat als geslachtsnaam in den form Meeuwse. De geslachtsnamen Meeuwen echter en Van Meeuwen acht ik ontleend te zijn aan den plaatsnaam Meeuwen, zoo als een dorp heet in Noord-Brabant.

Duif is een oud-friesche mansvóórnaam, die oudtijds ook wel, als Duive, in Holland in gebruik was (Navorscher, dl. XXVII, bl. 408). In eene oorkonde, ten jare 1582 te Leeuwarden geschreven, vind ik vermeld: »Die erffgenaemen van Duyff Jelles in Sintte Jacobstraet”. Van dezen mansvóórnaam kunnen de geslachtsnamen Duif en Duyf ontleend zijn, zoo wel als van den vogelnaam. De patronymikale geslachtsnamen Duyfs en Duivis (zie [39798), en, in verkleinform Duyfjes, zijn zonder twyfel van den mansnaam afgeleid.

Hano is een oud-germaansche, by Förstemann vermelde mansvóórnaam, die als Hane nog in onze friesche gewesten in gebruik is, alhoewel zeldzaam. In verkleinform, als Haantje, komt hy meer voor. Talrijk zijn de geslachts- en plaatsnamen van dezen mansnaam geformd, en naar myne meening kan ook menige geslachtsnaam Haan daaraan zynen oorsprong te danken hebben. Met de patronymika Haans en Haenen, Haantjes en Haentjens is dit zonder twyfel het geval. Andere geslachtsnamen, waar aan de mansnaam Hano ten grondslag ligt, zijn nog de versletene patronymika Hania, Hanja, Hanje, Hainja, Hainje en Van Hanja (zie § 29). De volle patronymikale form Haning is nog in Engelland als geslachtsnaam inheemsch. Ook Hanema is nog een friesche geslachtsnaam, die zoon van Hano beduidt.

Volkomen zoo als Hano is ook Henno een oud-germaansche, in Förstemann’s Namenbuch vermelde mansvóórnaam, die in den form Henne, en in verkleinform als Henke nog by het friesche volk in volle gebruik is. De geslachtsnaam Hen kan er aan ontleend zijn. Zonder twyfel is dit het geval met Henning (dit patronymikon deed en doet ook wel eens dienst als mansvóórnaam), waar Hennye en Henny versletene formen van zijn (zie § 30). Verder met Hens, met den samengestelden naam Hennixdael (dat is Henninks-daal), met Henkema en met Henkes; zie bl. 156. Als plaatsnamen mogen hier vermeld worden: Hennaart (dat is Hennawert, de wert of weerd van Henno) een dorp in Friesland; Henshuizen en Henswoude, gehuchten by Akkrum, Friesland; Hensbroek, dorp by Hoorn in West-Friesland; Henningen, dorp by Salzwedel in Pruissisch-Saksen; Hennighausen, gehucht by Meschede in Westfalen; Hennstedt, dorp in Ditmarschen, enz.

Eene zeer gebruikelike verkorting van den bybelschen mansnaam Paulus is Pau. De geslachtsnamen Paeu, Pauw, enz. kunnen zoo wel deze verkorte mansnaam zijn, als de vogelnaam. En ook kunnen Paus, Paeus, Pous patronymika daarvan wezen, even wel als ontleend te zijn aan het ambt van het hoofd der roomsch-katholike kerk. [398]

In Friesland komt nog eene enkele maal als mansvóórnaam voor: Reiger. In de lijsten van friesche namen van Wassenbergh, Leendertz en Brons wordt hy vermeld. Ook is de friesche geslachtsnaam Reigersma er van afgeleid. De geslachtsnaam Reiger kan ook zeer wel aan dezen mansnaam zijn ontstaan te danken hebben. De volle form waaronder de oude germaansche volken dezen mansnaam in gebruik hadden, is Ragingar, in Förstemann’s Namenbuch te vinden. Ragingar werd Raingar, Reinger en eindelik Reiger.

Swaan, Swano, Suano is al mede een oud-germaansche door Förstemann aangewezen mansvóórnaam. In vroueliken form, als Zwaantje, komt deze naam nog heden geenszins zeldzaam voor. Vooral in de friesche gewesten is hy inheemsch. De geslachtsnaam Zwaan, Swaan, Swaen kan zeer wel oorspronkelik deze mansnaam zijn. Hy is althans niet onvoorweerdelik de vogelnaam. Swaans, Swaens, Zwanes, Zwanen, Swaenen, ook in verkleinform Zwaantjes en Swanekens, zijn patronymikale geslachtsnamen van dezen mansnaam ontleend. De twee laatstgenoemden kunnen, wijl Zwaantje, Swaneke als vrouenaam in gebruik is, ook metronymika zijn; zie bl. 159. De friesche geslachtsnamen Swama en Zwama, die ik anders niet te verklaren weet, houd ik voor afgesletene formen van Swaanma, Swanama, anders gezeid: Swaans zoon.

De geslachtsnaam Bot, Both kan zoo wel de vischnaam wezen, als de oud-germaansche, nog heden by de Friesen in volle gebruik zijnde mansvóórnaam Botto. Botte, als vrouenaam Botje. Talrijk zijn de geslachtsnamen en plaatsnamen, waar aan deze mansnaam ten grondslag ligt; b. v. Bottinga en Bottenga, de volle oude patronymika, en Botnia met Van Bothnia, de versletene formen daarvan; zie bl. 66. Verder Bottema, Botma, Bottens, Bots en Bottes, en in verkleinform Botje, Botke, Botjes, meest allen in de friesche gewesten inheemsch. Bottingen is een dorp by Emmendingen in Baden; Bottum ligt by Fürstenau in Hanover; Bottorf by Berssenbrügge in Hanover; Bottens is een gehucht by Pakens in Jeverland (Oldenburger Friesland), en Botniahusen is een gehucht by Franeker. [399]

Haring is nog heden ten dage in de friesche gewesten als mansvóórnaam in volle gebruik, en was het oudtijds ook in Holland. By dezen mansnaam moet aan eenen vischnaam geenszins gedacht worden. En my dunkt ook menige geslachtsnaam Haring, Haerynck, enz. vindt in dezen mansnaam zynen oorsprong. Haring als mansnaam is oorspronkelik een oneigenlik gebruikte vadersnaam van den ouden mansnaam Hare, Haro, die in Förstemann’s Namenbuch als Hari voorkomt, en nog heden by de Friesen in gebruik is. Van Haring hebben wy de geslachtsnamen Harings, Haringsma, Harinxma en Van Harinxma, en de plaatsnamen Haringhuizen en Haringkarspel, dorpen in het westelikste Friesland of noordelik Noord-Holland, en Haringhusum, een gehucht by het dorp Fisvliet in het Westerkwartier van Groningerland. In Oost-Friesland is de geslachtsnaam Haringsna reeds uitgestorven. Talrijk zijn ook de geslachtsnamen die onmiddellik aan den mansnaam Haro, den naamstam van Haring, zijn ontleend. Als zulken noemen wy Haringa, Harema, Haarsma, Haersma, Van Haersma en Haren; ook in verkleinform Haarken.

Even als de naam van den visch haring in de meeste nederlandsche tongvallen als hering uitgesproken wordt, zoo komt nevens den mansnaam Haro ook de form Hero voor. En deze laatste form is ook in Friesland het meeste in gebruik, veelal als Here of Hero, in misspelling Heere, en zelfs, door de eigenaardige friesche klankbreking, als Hjerre, dat men ook wel Herre schrijft. In verkleinform als Heertje en Heerke en Herke, Herco en Harco komt deze naam eveneens voor, en is nog in volle gebruik. Behalven de patronymikale geslachtsnamen Hering, Herink, Herynck, enz. die men ook voor den vischnaam kan houden, zijn er nog zeer vele andere geslachtsnamen van dezen mansnaam afgeleid—om van de plaatsnamen niet te spreken. Zie hier eenigen van die geslachtsnamen: Herincks, Heerinckx, Heringa, Heeringa, Herenga, Heerema en Heerma, Heersema en Heersma, Heeres en Heeren, Heerkema, Heerkes, Heerkens, Heertjes, Herrema, Herres, Herking, Herkes, Herkens. Als tegenhangers van de laatstgenoemde namen, en daarmede slechts een klein verschil in uitspraak opleverende, terwijl zy van den zelfden oorsprong zijn, noemen wy hier nog de geslachtsnamen [400]Harringa, Harsma, Harren en Harrens, Harkema, Harkink, Harken, Harkens, Harkes, Harksen, Hartjes en Hartjens; ook Hartsinck, Hartsing, Hartsema en het versletene Harssema, van den oud-frieschen verkleinform Har-tse = Har-ke, Harco, de kleine Harro.

De zelfde verhouding als tusschen Haro en Hero, haring en hering, bestaat ook tusschen de vischnamen baars en beers, tusschen de mansvoornamen Baro en Bero. Van deze oud-germaansche, by de Friesen nog in volle gebruik zijnde mansvóórnamen kunnen de geslachtsnamen Baars en Beers ook patronymika zijn, in den form van eenen tweeden naamval. Van Baro, Barro en van de verkleinformen Barke en Barle (Barlyn) zijn buitendien nog vele geslachtsnamen afgeleid, die op bl. 391 vermeld zijn. Die, welke van Bero, Berre, Berke, enz. afkomstig zijn, vindt men in § 136 opgegeven. Eindelik is nog de plaatsnaam Beers, aan drie dorpen eigen, in Friesland, in Noord-Brabant en in de antwerpsche Kempen,—oorzaak geweest van het ontstaan van geslachtsnamen Beers en Van Beers, misschien ook Beersman en Beersmans.

[Inhoud]

E. Geslachtsnamen aan het plantenrijk ontleend.

§ 135. Is het getal der geslachtsnamen, die in der daad of schijnbaar ontleend zijn aan de namen van dieren reeds zeer aanzienlik, de geslachtsnamen afgeleid van de namen van planten en van gedeelten daarvan, in ’t algemeen van voorwerpen uit het plantenrijk afkomstig, zijn nog veel meer in aantal.

De oorzaken die iemand er toe kunnen gebracht hebben om eenen plantenaam als geslachtsnaam aan te nemen, zijn velerlei. Menigeen draagt zulk eenen naam, wijl het huis van eenen zyner voorouders byzonder kenbaar was door den eenen of anderen boom, die er by stond. Men noemde zulk een huis dan wel: »het huis onder de linde”, of »by de eiken”, of »by den peereboom”. En zulke huisnamen gingen weêr over op de bewoners van die huizen, die men b. v. »Aarnout onder de linde”, of »Bartold by de [401]eiken”, of »Hubert van den peereboom” noemde; of ook by verkorting: »Arnold de Linde”, of »Berthout van de Eiken”, of »Hubrecht Peereboom.” Ook droeg in de nederlandsche steden van ouds menig huis de afbeelding of den naam van eenen boom, van eene plant, of gedeelte daarvan (bloem of vrucht), in den gevel. In het werk De Uithangteekens van Van Lennep en Ter Gouw kan men daarvan eenige voorbeelden vinden. En zulke huisnamen gingen eveneens wel over op de lieden, welke die huizen bewoonden, en werden, by verloop van tyden, van toenamen tot vaste geslachtsnamen. Als voorbeelden noemen wy: de Karsseboom en de Sparreboom, beide te Leeuwarden als huisnamen voorkomende. Verder de Roos, de Lelie, de Koornbloem, de Appel en de Oranjeappel, de Druivetros, de drie Rapen, het Klaverblad, enz. Andere lieden weer kregen eenen bynaam, die later een vaste geslachtsnaam werd, omdat zy sommige voorwerpen uit het plantenrijk afkomstig, verkochten. Hein, de worteleboer, werd al spoedig Hein Wortel genoemd,—Bartel, die in granen en zaden handelde, noemde men Bartel Coolsaet of Barthold Rogge,—Pieter, de kruidenier, kreeg den bynaam van Pier Peper. En Levi, die »spaansche fruiten”, gelijk onze voorouders zeiden, ventte, heette eerlang Levi Citroen, terwijl men Krijn, het gooische boertje, die in het najaar zyne lange witte rapen ter markt bracht, slechts kende als Krijn Langeraap. En al die bynamen zijn niet slechts aan de personen, aan wie men ze eerst gegeven had, blyven hechten, maar ook aan hunne kinderen en hun nageslacht. Zy bestaan tegenwoordig nog als vaste geslachtsnamen.

Om de geslachtsnamen, uit het plantenrijk ontleend, nader aan te toonen en te verklaren, beginnen wy met de boomen, en vermelden dus eerst de geslachtsnamen Boom, De Boom, Ten Boom en Onder den Boom. Omdat Boom ook de naam is van een dorp tusschen Antwerpen en Mechelen, wil ik den geslachtsnaam Van Boom liefst verklaren als van dezen plaatsnaam afgeleid. Boomnamen, die geen naderen uitleg eischen, zijn nog: Appelboom, Kersenboom en Carsseboom, Lindeboom, Noteboom en Neuteboom, Palmboom, Peereboom, Rozeboom en Rooseboom, Denneboom, Sparreboom en [402]Mastboom (zoo noemt men wel, vooral in Brabant, alle recht op gaande en kegeldragende boomen—van daar ook het Mastbosch by Breda en elders). Dan nog Vygeboom, Vlierboom, enz. De naam van den eikenboom is my, zonderling genoeg, in dezen thans meest gebruikeliken form nimmer als geslachtsnaam voorgekomen. Het schijnt dat het nederlandsche volk dezen boom oudtijds meest genoemd heeft naar den naam zyner vruchten, de eikels. Zoo laten zich de geslachtsnamen Eykelboom en Eikelenboom verklaren. In den tongval der friesche steden draagt de eikel den naam van ekkel: zoo spreekt men te Leeuwarden van ekkelkoffi (fijn gestampte gebrande eikels), van ekkelspek (het spek van varkens, die met eikels gemest zijn), enz. Zie bl. 305. En van daar ook de geslachtsnaam Ekkelboom, te Leeuwarden inheemsch. De oud-hollandsche naam van den eikel is aker. »De Akerboom” kwam oudtijds in Holland niet zeldzaam als huisnaam voor, in afbeelding op eenen gevelsteen. In 1868 was er nog zoo een te zien in de St.-Nicolaas-straat te Amsterdam;73 misschien ook heden nog. En de oude rederykerskamer te Vlaardingen heette De Akerboom. De geslachtsnamen Akerboom en Akerenboom blyven de gedachtenis aan dezen eigen oud-hollandschen naam bewaren. De geslachtsnaam Zevenboom vertoont de oud-nederlandsche naam van den boom, dien men ook sevenboom, savenboom, savelboom noemt, dien de geleerden Juniperus Sabina noemen, en die oudtijds by het volk zoo welbekend was. Den geslachtsnaam Slijboom houd ik voor eene verbastering van Sleeboom, het welk de naam is van den Prunus spinosa, dien men ook Sleedoorn noemt. Te meer wijl de sleeën, vruchten van dezen boom, in Groningerland sleien worden genoemd. In den geslachtsnaam Slebos vindt men ook den naam van deze wilde pruimesoort terug; slebos, verbastering van sleebosch, een nederlandsche form van den hoogduitschen geslachtsnaam Schleebusch, die ook in de Nederlanden voorkomt. Wijl echter Schlebusch ook de naam is van een dorp tusschen Dusseldorp en Keulen gelegen, zoo kan de maagschapsnaam Slebos ook tot de namen van byzonder aardrijkskundigen oorsprong worden gerekend; zie bl. 212. Toch is, am Ende, de dorpsnaam [403]Schlebusch ook weêr ontleend aan den naam van den sleeboom. De teeboom, waaraan de geslachtsnaam Teeboom zynen oorsprong verschuldigd is, zal oorspronkelik wel op het uithangbord van eenen theehandelaar gepraald hebben. Een oud-nederlandsche naam van dennen, sparren en andere kegeldragende boomen is kienboom. Kilianus heeft »Kien-boom, kien-hout, pinus, teda.” In versletenen form vinden wy dezen ouden naam terug in den geslachtsnaam Kieboom.

Enkele geslachtsnamen bestaan ook uit den naam van eenen boom op zich zelven, zonder het woord boom daar achter. Dit zijn Hagedoorn en Haeghedoorn, Hulst, De Hulst en D’Hulst. Verder De Linde (kan ook de riviernaam zijn, zie bl. 243) en De Lynde, Louwerier en Lourier (hollandsche uitspraak van laurier), Palm en Popelier.

Sommige boomachtige gewassen, van geringe grootte en stevigheid, noemt men »stok” in plaats van »boom”; b. v. »wijnstok” en »rozestok”. De geslachtsnamen Rosenstok en Wijnstok zijn oorspronkelik deze woorden.

Een zeer oude germaansche naam voor boom is het woord thriu, tere, tra of dro, al naar de verschillende taalstammen eischen. Dit woord, dat onder anderen nog in de engelsche taal leeft als tree, en in de skandinaafsche als träd en træ, boom, was oudtijds ook eigen aan de nederlandsche taalstammen. Enkele plaatsnamen en geslachtsnamen hebben dit oude woord bewaard. Men vindt het nog in de namen Apeldoorn (oud-saksisch Apoldro, appelboom), Appeltern, een geldersch dorp tusschen Maas en Waal, en Appelterre, een dorp in Oost-Vlaanderen, by Sotteghem.74 In sommige gouspraken is dit zelfde oud-germaansche woord nog tot den huidigen dag in leven gebleven. In Limburg b. v. draagt de mispelboom den naam van mispelteer, de vlierboom heet daar holenteer, overeenkomende met het hoogduitsche woord Holunder (der = boom); en de jeneverstruik wachelteer, hoogduitsch Wacholder, enz. Oudtijds noemde men in sommige zuid-nederlandsche gouspraken den appelboom dan ook appelteer, appelteir, appeltere, [404]overeenkomende met het engelsche appletree, en den noteboom notelteer, neuteltere. In sommige geslachtsnamen, die eveneens meest in de zuidelike Nederlanden inheemsch zijn, komen deze oude boomnamen nog heden ten dage voor. Zulke namen zijn Mispelter, Mispeltier en, als patronymikon, Mispelters. En Notelteirs, dat my ook slechts in den tweeden naamval als vadersnaam voorgekomen is. De geslachtsnamen Hagedoorn, Haghedoorn, enz. en Doornbosch, Dorenbos, Hoogendoorn enz. behooren eigenlik ook tot deze afdeeling.

Een ander woord om boomen, in het byzonder vruchtboomen aan te duiden, en dat eveneens in de zuidelike Nederlanden het meeste in gebruik is, bestaat uit de lettergreep laar (lare, laere, leer, lere). Zoo spreekt men in die gewesten nog heden ten dage van eenen appelaar, voor appelboom; van eenen kerselaar, mispelaar, neutelaar, enz. voor kerseboom, mispelboom en noteboom. Ook deze eigenaardige boomnamen vinden wy onder de nederlandsche geslachtsnamen vertegenwoordigd. Als zoodanig zijn my bekend de namen Appelaar, Perelaer, De Haeseleer, D’Haselaer en D’Haseleire (haselaar = haselnoteboom), Kersselaers, Kriekelaer, Mispelaere en Mespelaere, Neutelaers, Rozelaar, De Rozelaar, Roseleer en Rooseleer. Deze namen zijn, zoo als de aard der zake medebrengt, hooftsakelik in de zuidelike Nederlanden inheemsch.

Is de beteekenis van de tot nu toe vermelde geslachtsnamen, aan boomnamen ontleend, geenszins duister, met alle geslachtsnamen, die tot deze groep behooren, en is dit niet het geval. Zoo weet ik b. v. de geslachtsnamen Huyboom, Toortelboom en Raeckelboom niet te verklaren; en Göljenboom evenmin. Ook Boerenboom, Boerboom en Bourboom zijn my zoo min duidelik als Slotboom en Soeteboom. De geslachtsnamen Graanboom en Meelboom kan ik my slechts voorstellen, als uit spotterny ontstaan. Bosboom kan eene misspelling zijn van boschboom, woudboom. Maar evenzeer kan deze naam geduid worden als bosboom, boksboom, buksboom, hoogduitsch Buxbaum, de soms boomachtige, welbekende heester, die in de nederlandsche volkstaal veelal den naam van palm draagt (Buxus sempervirens). In de geslachtsnamen Kwekkeboom en Quekeboom schuilt een oud [405]woord kwekke, kweke, kwik, dat leven beteekent, en dat ook nog voorkomt in het woord kwikborn, levende bron, springbron. Van daar ook de geslachtsnaam Quekkeboorne (zie § 165). Kwekkeboom en Quekeboom zijn dus, met den geslachtsnaam Groeneboom, de tegenhangers van de geslachtsnamen Dorreboom en Dorrenboom.—Hoogeboom, Holleboom, Dikboom en Oldenboom (oude boom, in saksischen form) eischen geenen naderen uitleg. De geslachtsnaam Heyligenboom zal wel ontleend zijn aan eenen boom, waaraan het beeld van eenen Heilige was bevestigd, gelijk zulks wel voorkomt in landen, waar de roomsche godsdienst de heerschende is. Het zoude echter ook kunnen zijn dat deze naam van veel oudere dagteekening ware, en nog uit den tijd stamde toen onze voorouders, nog voor de invoering van het kerstendom, sommige boomen als heilig vereerden. Ook nog na hunnen overgang tot het kerstendom bleven de oude Nederlanders, soms nog eeuen lang, zulke boomen als heilige boomen beschouen en noemen. Lichtelik kon iemand, naby zulken boom wonende, daaraan zynen toenaam ontleenen.—De geslachtsnaam Meiboom en Meyboom kan, ja, hagedoorn of meidoorn beteekenen. Liever echter wil ik dezen naam duiden als ontleend aan den bekenden »meiboom”, die in vele germaansche gouen in den meitijd, gewoonlik te Pinkster, voor de huizen werd opgericht, versierd, enz. en waar om heen men danste en andere feestelikheden bedreef. Waar zulk een meiboom, misschien een byzonder hooge of schoone, langer dan gewoonlik staan bleef, misschien wel standvastig zyne plaats behield, daar kon dit geval gemakkelik aanleiding geven dat iemand, voor wiens huis die meiboom was opgericht, daaraan zynen toenaam ontleende.—De beteekenis van den naam Bierboom is my niet duidelik. Zoude het oorspronkelik beerboom, hefboom, draagboom, dus een werktuich zijn?

Nevens deze boomnamen komen er ook eenige geslachtsnamen voor, die met het woord hout zijn samengesteld, en die met de boomnamen veelal na verwant zijn. Zie hier eenigen van die namen: Ebbenhout, Eekhout, Beukenhout, van bekende houtsoorten afgeleid. Verder Langhout, en, in saksischen form Lankholt, Witholt, Kromhout en Cromhout, Drijfhout, [406]Dorhout, enz. De naam Eekhout, in het hedendaagsche geijkte Nederlandsch «eikenhout,” komt in verschillende formen voor; als Eechout, Eekholt, Eeckhout, Eckholt, Eekhaut, ook in hoogduitschen form als Eicholtz, enz. Verder nog Van den Eeckhoutte, Van den Eeckhautte en Van den Eechaute. De geslachtsnaam Beukenhout komt ook voor als Buekenhaut en Buekenhoudt, in brabantschen form; als Boekhold en Boekholt, in saksischen form; als Bouchout en Bouckhout, in vlaamschen form; verder nog als Boekhout, Bucholtz, enz. Schelfhout komt in Brabant ook als Schelfaut en Schelfhautte voor. Burgerhoudt en Tuinhout behooren mede tot deze groep. Eveneens Van ’t Lindenhout en Roegholt. Deze laatste naam vertoont den saksischen form voor »ruig hout”, dat is te zeggen: een ruw, ruig begroeid bosch.

De geslachtsnamen Eekhof, Eekhoff, Eeckhoff, Ekhof en Eckhoff, allen een hof van »eeken” of eikenboomen aanduidende, Beukenhof, Berckhof en Berckenhof, Appelhof, ook Lindenhovius in verlatynschten form, enz. mogen almede by deze groep eene plaats vinden. Men vergelyke verder bl. 278.

Eene byzondere groep van geslachtsnamen omvat nog zulke namen die samengesteld zijn uit de namen van eenen boom, met een voorzetsel, meestal ook met het lidwoord en een voorzetsel daarvoor, b. v. Van Eik, Van Haegedoren, Van der Linde, Verbuecken, enz. Deze namen danken hun ontstaan ongetwyfeld aan den eenen of anderen byzonderen, door grootte of iets anders kenbaren of zeldzamen boom, welke naby het huis stond van den man, die eerst van dien boom zynen toenaam ontleende. Tot deze groep van namen behooren nog Van den Peereboom en Van den Peireboom, Van den Kieboom (zie bl. 403), Van der Eiken, Van der Eyken, Van den Eyken, Van Eik, Van Eyk, Van Eick, Van Eek, Van Eecke, Van Ek, Van Eck, Vereecke, Vereecken, enz. Verder ook de maagschapsnamen Vijf-Eiken, met Van Vijfeyken en het kwalik gespelde Veyfeyken, van eene plaats afgeleid, waar vijf eikenboomen stonden. Deze namen zijn tegenhangers van den geslachtsnaam die naar drie eiken heet; te weten [407]van Dreckmeier; zie bl. 305. Eindelik nog de maagschapsnaam Agtereek, dat is: Achter den eikenboom. Onder deze eiknamen kunnen ook plaatsnamen schuilen, naar dien plaatsnamen als Eik, Eecke, Eycken, enz. niet zeldzaam zijn; deze zijn dan oorspronkelik eveneens aan den eik (als boom) ontleend. Ek in Van Ek en Van Eck kan ook plaatsnaam zijn, in de beteekenis van »hoek.” Verder Van der Wilgen, Van de Willigen, Van der Willigen, Verwilghen en Utterwulghe (zie bl. 257);—Van der Flier, Van der Els, Van der Elst, Verelst, Van den Elsen en Van den Elzen met Verelzen. Verbueken, met Verbuecken, is een brabantsche form voor Ver- of Van der Beuken. Nevens Van der Linde (dat ook aan den riviernaam kan zijn ontleend, zie bl. 243) nog Van der Linden, Verlinde en Verlinden, en Verlindt met Verlint. Dan nog In den Berken, In den Berke, Van Espen, Verolme (olm is de zuid-nederlandsche naam van den yp), Van de Peppel (peppel of pappel of popel is de nederlandsche volksnaam van den populier). Van de Wijngaert met Van de Wingert, enz. is op bl. 292 reeds vermeld. De geslachtsnaam aan den abeel of witten peppel ontleend, is vooral in de zuidelike Nederlanden zeer algemeen, en komt in vele formen voor, als Van den Abeele, Van den Abeelen, Van den Abbeele, enz. Zelfs, door overgang van de b in eene m by verkeerde uitspraak, als Van den Ameele. Aan sommigen dezer namen zal ook wel de naam van het gehucht Abeele op het eiland Walcheren, tusschen Middelburg en Vlissingen, ten grondslag liggen. Den geslachtsnaam Van der Palm eindelik zoude ik liefst verklaren als afgeleid van eenen huisnaam, van den naam van een huis, waar een palm (boom) als uithangbord uithing of als gevelteeken was aangebracht. De palmboom in natura komt toch niet in Nederland voor; wel vinden wy »De Palm” als huisnaam.

Als aanhangsel tot deze groote groep van geslachtsnamen aan boomen, hout, bosch en woud ontleend, mogen hier nog vermeld worden de meer algemeene geslachtsnamen Van den Bosch, Van den Bussche, Van ’t Wout, Van der Woude, Van de Woude, Van ’t Hout, Van Houte, Van Houtte, Ten Houte, Op ’t Holt, Bymholt (zie bl. 253), Van den Boom, [408]Verboom, Van de Loo, Van der Elst, Ther Bosch, Wouda, Wolda, Walda, Bosscha, Boschman, Woudman, Loman, enz. die grootendeels reeds elders in dit werk vermeld zijn.

§ 136. Zijn de geslachtsnamen aan de namen van boomen ontleend reeds talrijk, niet minder is dit het geval met die maagschapsnamen welke bestaan uit de namen van gewassen van kleineren omvang dan boomen en struiken, en die men onder den naam van planten en kruiden samenvat. Tot deze groep breng ik tevens die geslachtsnamen welke ontleend zijn aan de namen van deelen van planten, van bloemen en vruchten, en van andere voortbrengselen uit het plantenrijk.

In de eerste plaats dan vermeld ik hier als geslachtsnamen ontleend aan de namen van geheele planten: Byvoet, ook in patronymikalen form als Byvoets voorkomende; Hoppe, Thijm, Braam en Braem, Brem, Roosemarijn, Boekweit, Klaver en De Klaver, Coorevitse (zie § 151), Vlas, Dopheide, Bies en Biese, Quakernaat, Gras, Graan en De Graan, Tarwe en Taerwe, Rogge, Geerste, Haver, Spelt en Koorn. De geslachtsnaam Heederik vertegenwoordigt den naam van den hederik of krodde (Sinapis arvensis), een welbekend onkruid. Wijl echter Hederik, Hadarik ook een oud-germaansche mansvóórnaam is, zoo als men in Förstemann’s Altdeutsches Namenbuch kan vinden, zoo komt het my aannemeliker voor te stellen dat de geslachtsnaam Heederik, in Duitschland als Hederich voorkomende, aan dezen mansnaam ontleend zy.—De maagschapsnamen Oudegerst en Oltrogge moeten ook tot de graannamen worden gerekend, even als Tervecoren, Somercoren, Haverkorn, enz.—Mos en Schimmel zijn twee geslachtsnamen die ik hier ook tot de plantenamen reken, ofschoon laatstgenoemde naam evenzeer beschoud kan worden als ontleend aan den naam van een byzonder soort van peerd. En omdat de peerdenaam »Schimmel” wel als uithangbord en als huisnaam voorkomt, zoo acht ik het zelfs hoochst waarschijnlik dat de geslachtsnaam Schimmel daar aan ontleend zy, en niet aan den naam van het schimmelplantje. Ten slotte behoort in deze groep noch eene plaats aan de geslachtsnamen Kruid, Kruyt (hier kan ook buskruit bedoeld zijn) en Onkruid. [409]

Als geslachtsnamen bestaande uit woorden die gedeelten van boomen en planten aanduiden, noem ik hier: Wortel, Stam, Tak, De Bast, Blad (met Kleeblad, klaverblad), Blom, Bloem, De Bloem, Blomsteel, Vrugt, De Vrugt, Fruit, Bes, Pit en Kern.

In de maagschapsnamen Blom en Bloem, die dikwijls voorkomen, zoo als ook de hoogduitsche formen van dezen naam, Blum en Blume, als geslachtsnamen in de Nederlanden niet zeldzaam zijn, kan oorspronkelik zoo wel een mansvóórnaam schuilen als het woord bloem. Immers Blom, Bluoma is een oud-germaansche mansvóórnaam, die oudtijds ook in de Nederlanden als zoodanig in gebruik moet geweest zijn. Want zeer vele hedendaagsche nederlandsche (en ook hoogduitsche en engelsche) geslachtsnamen zijn van dezen mansnaam afgeleid. Zie bl. 93 en 94.

De maagschapsnamen Stam, Bloem, Vrugt, enz. bovenvermeld, zijn aan algemeene woorden ontleend. Meer byzonder zijn de geslachtsnamen, van de namen van byzondere bloemen en vruchten afgeleid. Als zoodanig noem ik hier in de eerste plaats de geslachtsnamen De Roos, Roos, Roose, Rose, Roze, met Witteroos en Meyroos. Verder Lelie, De Lelie, Lely en Van der Lelie; deze laatste naam is hoochst waarschijnlik ontleend aan eenen huisnaam of aan een uithangbord »de Lelie.” Vervolgens Tulp, Boterbloem, Distelbloem, Vlasbloem en Vlasblom, Korenblom, Heyblom. De geslachtsnamen Goublomme en Gaublomme (beide formen zijn inheemsch in West-Vlaanderen) acht ik oorspronkelik den naam te zijn van den van ouds bekenden goudsbloem (Calendula officinalis) onzer hoven. De geslachtsnaam Blauwblomme eischt geene byzondere verklaring, al is het dan dat hier wellicht aan de overdrachtelike beteekenis van dit woord (blaue bloemkes, in de volkstaal eene vergoêlikende uitdrukking voor leugens—»die blaue Blume der Romantik”) moet gedacht worden. Kleinbloesem is een geslachtsnaam van meer algemeenen aard.

De maagschapsnamen Mispelblom en Gelderblom zijn wellicht hier minder op hunne plaats als op bl. 364, by de geslachtsnamen aan de wapenkunde, of in § 128, by de namen aan huisteekens in ’t algemeen ontleend. De bloesem van den mispel, de »mispelblom” [410]was afgebeeld op het oude wapenschild van Gelre, en werd dien ten gevolge wel »de geldersche bloem” en »de geldersche roos” of »Roos van Gelre” genoemd. Van Lennep en Ter Gouw zeggen er van, in hunne »Uithangteekens”, dl. I, bl. 398: »Te Arnhem, te Utrecht, te Gorkum hangt nog aan logementen de Geldersche Blom uit, die vroeger vry algemeen was, als zijnde de Mispelbloem, uit het oude wapen van Gelre, die men nog in de wapens van Lochem en van Deutinchem terug vindt.”

Dat de geslachtsnaam Roos, Rooze, Rose, enz. in alle gevallen oorspronkelik de naam is van de bekende bloem, wil ik geenszins beweren. Immers Ros, Rose is een oud-germaansche mansvóórnaam, die als zoodanig in Förstemann’s Altdeutsches Namenbuch vermeld wordt. En dat deze naam, bepaaldelik als mansvóórnaam ook wel in Nederland, zelfs nog sedert den jare 1500, voorkwam, vermeldt Leendertz in zyne Naamlijst (Navorscher XXII bl. 612). Overigens, de vrouelike en de verklein-form van dezen naam, Rosa, Roosje, is als vrouenaam by ons nog wel in gebruik. Nevens de eenvoudige formen Roos, Rooze, Rose, enz. bewyzen nog vele andere nederlandsche geslachtsnamen, die men op bl. 104 vermeld vindt, dat Roos, als mansvóórnaam, oudtijds geenszins zeldzaam by ons volk moet geweest zijn.

Even min zeldzaam als aan de namen van verschillende bloemen, zijn aan de byzondere namen van vruchten en zaden geslachtsnamen ontleend. Nevens het algemeene Vrugt, Bes en Noot met Neut en De Neut, komen als vruchtnamen voor, de geslachtsnamen: Appel, Den Appel en Houtappel (ook in hoogduitschen form Holzapfel; de houtappel is de vrucht van den wilden appelboom). Citroen, Pruim (zie echter bl. 212), Olijff, Vijgh, Druyff en Rozijn, Meloen, De Amandel, Eykel, Pijnappel, Kokernoot, Haasnoot, Corstanje en Carstanjen. Eenigen dezer namen (Citroen, Rozijn, Kokernoot, Corstanje) zijn zeker wel eerst gedragen geworden door kooplieden die in deze vruchten handelden.

Wat namen van zaden aangaat, kunnen hier, nevens de geslachtsnamen Bloemzaad en Tuinzaad met Quasaet en Quaesaet (kwaad zaad, zaad van onkruid), die van algemeene beteekenis zijn, nog genoemd worden de geslachtsnamen Koolsaet en [411]Coolsaet, Lijnzaad en Kennipzaad. Zonderlinger wyze heeft het woord raapzaad (denkelik wel eerst als geslachtsnaam gedragen door kooplieden die in raapzaad handelden, of door boeren die het verbouden) aan vele geslachtsnamen oorsprong gegeven, in vele onderscheidene formen, al naar verschil van taal en tongval, en van spelwyze. Te weten aan de namen Raepsaet, Rupzaad, Ruebsaet, Rupsaat, Rübsaam, Ribsaam, Ripsam, Ripsaam en Riepsame.

De geslachtsnamen Peperkorn en Kokkelkoorn behooren ook tot de zaadnamen; en eigenlik eveneens Haverkorn, Tervecoren, enz. op bl. 408 reeds vermeld.

Speceryen, keukengroenten en andere voortbrengselen uit het plantenrijk, die eene rol spelen in het dageliksche leven der menschen, hebben hunne namen ook moeten leenen tot het formen van geslachtsnamen. Als van zulken oorsprong vermeld ik hier de geslachtsnamen Peper, Kaneel, Caneel en Canneel, Sucaet, Comijn, Komijn en Comeyn, Annijs, Salie, Dille en Kervel, Koffy, Coffy, Thee, Tabak, Toeback en zelfs Tobback. Verder Zoethout (met het hoogduitsche Süssholz), Siepel, Juyn (sipel is de friesche, juyn of juun (ajuin) de zeeusche naam van de uie), Juynboll, Peperwortel, Radijs, Langeraap en De Pee. Ook dienen hier nog de maagschapsnamen Balsem, Pik en Hars te worden vermeld, als afkomstig van namen van voortbrengselen uit het plantenrijk.

[Inhoud]

F. Geslachtsnamen aan het delfstoffenrijk ontleend.

§ 137. Ofschoon niet geheel ontbrekende, zoo komen toch geslachtsnamen, ontleend aan het rijk der delfstoffen, in veel geringer aantal voor dan de namen aan het dieren- en plantenrijk ontleend. Dat de namen van metalen, gesteenten en dergelyke stoffen minder geschikt zijn voor huisnamen (omdat men ze moeielik afbeelden kan) is zeker wel eene hoofdreden van het kleine getal geslachtsnamen dat hierop betrekking heeft.

Nemen wy in d’ eerste plaats de namen van metalen, dan vinden [412]wy als zoodanig de geslachtsnamen Goud en Zilver, met Gold, Silver en Zulver, volgens de volksuitspraak in vele streken. Verder Koper, Yzer, Lood en Loot. Als byzondere toestanden van het yzer aanduidende, bestaan de geslachtsnamen Staal, Koudstaal, Coudyser, Coudyzer en Caudyzer met Hardyzer. Koperdraat en Yzerdraad (met het hoogduitsche Eisendrath) behooren eveneens tot deze groep. Ook de geslachtsnamen Van Koperen en Van Yzeren breng ik er toe, omdat ik deze namen anders niet en weet te duiden.

In de tweede plaats vinden wy eenige namen van gesteenten, aardsoorten, enz. dienst doen als maagschapsnamen. Het zijn: Marmelstein, Bruynsteen, Granaat, Saphier en Diamant. De drie laatstgenoemde namen zijn, naar myne meening, oorspronkelik bynamen geweest van kooplieden die met zulke edelgesteenten handel dreven. Intusschen, »De rouwe Diamant” komt ook als huisnaam voor te Amsterdam,75 en kan aan den geslachtsnaam Diamant ten grondslag liggen. By het israëlitische geslacht dat den naam van Thopas draagt, zal de oorsprong van dezen naam ook wel te vinden zijn in den handel in edelgesteenten (topazen). In tegenstelling met dezen zelfden naam, aan eene oorspronkelik nederlandsche maagschap eigen, en die eenen geheel anderen oorsprong heeft, zoo als op bl. 262 vermeld is. De maagschapsnaam Agaat heeft aan eene zeer byzondere oorzaak zijn ontstaan te danken. Men heeft dezen naam gegeven aan eenen vondeling, omdat dit kind, toen het gevonden werd, een agaatsteentje, zekerlik als een herkenningsteeken, aan een bandje om den hals had.76 De geslachtsnamen Pecsteen, Wecksteen en Weeksteen, waar van de oorsprong my niet ten vollen duidelik is, behooren ook nog tot deze groep. Maar Wetstein is aan eenen huisnaam ontleend. Immers het huis »De Wetsteen” is nog te Amsterdam bekend in de Jonge-Roelensteeg, oorspronkelik echter in de Kalverstraat. De beroemde boekdrukker Hendrik Wetstein bewoonde dit huis (in de Kalverstraat) op het einde der 17de eeu.77 Of de hedendaagsche maagschap [413]Wetstein echter de zelfde is als die van den beroemden boekdrukker, betwyfel ik. Hoekstein en Hoeksteen, met Eckstein in hoogduitschen form, en met Exsteen, kunnen ook tot deze groep gebracht worden. Verder Smalt, Gips, Krijt, Roodzant, Schulpzand en Stuivesand met Stuyvesant. Naardien echter »het Roode zand” de naam is van eene buurt te Rotterdam, zoo blijft het de vraag of de geslachtsnaam Roodzant niet veeleer had behoord vermeld te zijn by de namen aan straatnamen ontleend, op bl. 220. Ten slotte nog de oude maagschapsnamen Moerenclaey en Moerentorf (moer, moeras; claey, klei; torf, turf) met Kuindertorf (turf uit de Kuinder, een vlek op de grenzen van Friesland en Overijssel, waar oudtijds veel turf uitgevoerd werd).

[Inhoud]

G. Geslachtsnamen, ontleend aan het heelal, aan natuurverschijnselen, jaargetyden, byzondere dagen, enz.

§ 138. Zon, maan en sterren zijn van ouds her zeer menigvuldig als huisnamen, uithangteekens, enz. gebezigd, en het ligt dus voor de hand om de geslachtsnamen Zon, Son, Maan, Maen, De Maan, De Maen en Van der Maen, Ster, Sterre, Star, Stern, Van der Star en Van der Starre te verklaren als ontleend aan zulke huisnamen. Dit zal dan in den regel ook wel de oorsprong van deze en soortgelyke namen geweest zijn. Zoo mede van Morgenster, Sevenster en Sevenstern. Tot verklaring van den oorsprong van laatstgenoemden naam behoeft men dus niet een romantisch verhaaltje op te disschen, gelijk in de geschiedenis van Klaasje Zevenster het geval is. Immers kwam oudtijds »de Zevenster” zeer veelvuldig als uithangteeken voor. En nog heden is dit wel het geval, o. a. aan de herberg in het gehucht Snakkerburen by Leeuwarden. Moeieliker valt de verklaring van den oorsprong der geslachtsnamen Zonligt en Maneschijn, die ook in hoogduitschen form als Sonstral en Sonnenschein in de Nederlanden voorkomen. De maagschapsnamen Avontroodt en Schemering zijn als de tegenhangers [414]van Zonligt en Maneschijn, en, wat hunnen oorsprong betreft, my even onverklaarbaar. Trouens, by het grootste gedeelte der volgende geslachtsnamen is dit eveneens het geval. Te weten by: Lugt en De Lugt, De Wind en De Windt, Storm, Storme en Sturm78, enz. De maagschapsnamen Regenboog en Regenbogen komen niet zeldzaam voor, en zijn aan verschillende geslachten eigen. »De Regenboog” kwam oudtijds wel als huisnaam voor. Zoo is althans deze naam gemakkelik te verklaren. Den naam Regenbogen meen ik niet als een meervoudsform te moeten beschouen. My dunkt het is oorspronkelik Regenboge geweest, volgens den frieschen en saksischen form van dit woord (boge, bage). Door onverstand, meenende in boge eenen, op hollandsche wyze uitgesprokenen meervoudsform te hooren, heeft men er, in het schryven, eene n achter gevoegd. De geslachtsnaam Renneboog vertoont eenen samengetrokkenen form, even als ook in het Friesch, West-Vlaamsch en Engelsch het woord regen als rein en rain voorkomt. De maagschapsnaam Vonk is, ook in den form Vonck, veelvuldig over vele nederlandsche gewesten verspreid. Ook in patronymikalen form, als Vonks en Vonckx komt deze naam voor. Wat de oorzaak is van deze algemeenheid by eenen naam die uit een woord bestaat, dat op zich zelven al zeer weinig voor eenen geslachtsnaam geëigend is, verklaar ik niet te weten.

De laatste namen van het lijstje in de noot beneden aan deze bladzyde vermeld, voeren ons geleidelik tot die geslachtsnamen, welke bestaan uit de namen van jaargetyden, maanden, dagen, enz. Hoe men er toe mag gekomen zijn, zulke weinig geëigende woorden tot maagschapsnamen aan te nemen, is my een raadsel, ten zy men aanneme dat in die namen oud-germaansche mansvóórnamen schuilen. Als voorbeelden noem ik hier de geslachtsnamen [415]Lente, Zomer en Somer, Herfst en Winter, met De Winter en De Wynter. Laatstgenoemde naam is al zeer oud. Immers reeds ten jare 1127 leefde er in de vlaamsche stad Iperen een aanzienlik man die Boudewyn de Wyntere heette.79 De geslachtsnaam Lente kan oorspronkelik ook de naam zijn van het gehucht Lenthe, onder Dalfsen en Heino in Salland, waar de maagschapsnaam Van Lenthe zonder twyfel ook aan ontleend is. Wil men deze jaargetyde-namen als geslachtsnamen uit oud-germaansche mansvóórnamen duiden—dan vinden wy vooreerst als zoodanig den naam Lente. Deze mansnaam moet alsdan beschoud worden als een andere form of uitspraak van den mansvóórnaam Lante, Lanto, Lando, die, ook in samenstellingen geenszins zeldzaam is. Brons vermeldt in zyne Friesische Namen Lente als een vrouenaam. De patronymika Lentink, in Nederland als geslachtsnaam, en Lenting, in Beieren, by Ingolstadt, als dorpsnaam voorkomende, wyzen ook duidelik eenen mansvóórnaam Lente aan. Dit doet ook de patronymikale nederlandsche geslachtsnaam Lentelink, die geformd is van den verkleinform Lentele (Lentelyn).

Suomar, Sumar, Somar, Somer is een oud-germaansche mansvóórnaam, ook door Förstemann vermeld. De hedendaagsche geslachtsnaam Somer, Zomer kan zeer wel oorspronkelik deze mansnaam zijn. By de patronymikale formen Somers en Somering, die ook als geslachtsnamen geenszins zeldzaam voorkomen, houd ik dit voor byna zeker.

Wintar vind ik als een oud-germaansche mansvóórnaam in Förstemann’s Namenbuch vermeld. Wintar en Sumar (Winter en Zomer), deze namen droegen ten jare 858, twee broeders (Altd. Namenbuch, bl. 1126). Maar ook als samentrekking van den samengestelden oud-germaanschen mansvóórnaam Winidhari, Winithar, Winthare, Winthere, komt deze naam voor. De geslachtsnamen Winters en Winterink zijn vadersnamen van dezen ouden mansvóórnaam.

Namen van maanden zijn my voorgekomen als de geslachtsnamen Meert, April, De Mey en Julij. Zonder twyfel zijn de namen [416]April en De Mey in der daad aan de namen der maanden ontleend. In Julij kan een vadersnaam schuilen. Namelik een latynsche genitivus van den mansvóórnaam Julius. Terwijl Meert eene verkorting kan zijn van den kerkeliken mansvóórnaam Martinus, die in sommige nederlandsche gouspraken tot Meerten geworden is. Daarvan komt ook de patronymikale geslachtsnaam Meertens. In Koelemey schuilt mede de naam van de maand Mei.

Namen van dagen der week komen ook als geslachtsnamen voor. Te weten Zondag, Sondag, Sundag, Sontag en Sonntag met Vrydag, Vridagh, Van Fridagh, het hoogduitsche Freitag en in patronymikalen form Vrydaghs. Deze geslachtsnamen zijn geenszins zeldzaam. Daarentegen kwamen Maandag en Maendagh, Dinsdag met Dingsdag en Saterdag my slechts eene enkele maal voor. Eenen »Woensdag” en eenen »Donderdag” echter heb ik nooit ontmoet. Of het toeval hierby in het spel is, dan wel of werkelik de laatstgenoemde namen niet bestaan en wat de oorzaak mag wezen van dit zoo ongelijkmatige voorkomen, is my niet bekend.

Als geslachtsnamen ontleend aan de namen van byzondere dagen, dienen hier nog vermeld: Nieuwjaar, met het hoogduitsche Neujahr en het patronymikale Nieuwejaers. Drykoningen; deze naam kan ook zeer wel ontleend zijn aan eenen huisnaam. Immers was »De drie Koningen” oudtijds geen zeldzaam gevelteeken, zoo als men in Van Lennep en Ter Gouw’s Uithangteekens (dl. II, bl. 76) nalezen mag. Verder Vastavond en als oneigenlike vadersnaam Vastenavondts; dan nog Paschen en Pinkster met Van Paesschen en Van Pinxteren. De twee laatstgenoemde namen zijn my niet recht duidelik. Als meer algemeene namen van dagen noem ik de geslachtsnamen Vierdag en Heylidy. Dezen laatsten naam houd ik voor eene halve verdietsching van Halliday, oorspronkelik een engelsche naam (?), die ook in Nederland voorkomt. Verder Mesdag, Mesdagh, Mesdach, een oorspronkelik vlaamsche naam, en misdag, dag waarop in de Roomsche kerk de mis gehouden wordt, beteekenende. Uit Vlaanderen is deze naam ook naar Noord-Nederland gekomen. Een geslacht van dezen naam, thans in de noordelike gewesten inheemsch, heeft een van daarby genomen, en heet nu [417]Van Mesdag; een even zonderlinge, tegen den aard onzer tale strydende form als Van Paesschen en Van Pinxteren. De volksuitspraak neemt geerne eene t achter sommige letters (zie § 156). Zoodoende komt de naam Mesdag ook voor als Mestdagh en Mestdach, en is, in dezen form die eenen zonderlingen zin geeft, aan sommige geslachten eigen.

Als aanhangsel tot deze groep mogen nog de geslachtsnamen Nieuwentijt en Ouendag, Tijdgaat (zie § 148), De Zaeytijdt, Duurentijdt en Ontijd vermeld worden.

[Inhoud]

H. Geslachtsnamen aan de namen van lichaamsdeelen ontleend.

§ 139. De enkele, eenvoudige namen van menschelike lichaamsdeelen komen ook als geslachtsnamen voor. Ik vermeld deze namen hier in eene afzonderlike groep, als aanhangsel van de andere namen die rechtstreeks ontleend zijn aan voorwerpen en zaken uit de natuur. Ik had aan deze maagschapsnamen, aan de namen van lichaamsdeelen ontleend, ook gevoegelik eene plaats kunnen geven by die geslachtsnamen, welke hun ontstaan danken aan byzondere lichamelike eigenschappen der menschen; § 124–126. Immers velen van de onderwerpelike geslachtsnamen zijn eerst als bynamen in gebruik geweest voor personen, by welke het eene of andere lichaamsdeel, wegens misforming, byzondere grootte, of eenige andere oorzaak, in het byzonder de opmerkzaamheid van andere lieden trok. Zoo krijgt b. v. iemand, die de opmerkzaamheid van anderen opwekt door eenen zeer grooten, of krommen, of rooden neus, al lichtelik den bynaam van »Neus”. En dat zulke bynamen langzamerhand vaste toenamen geworden zijn, en eindelik vaste geslachtsnamen, daarvan zijn in dit werk reeds vele voorbeelden opgenoemd. My is iemand bekend, wiens gebit, door byzonder groote snytanden in de bovenkaak, en door eene korte bovenlip, sterk in het oog loopt. Deze man draagt daar eenen bynaam af, te weten dien van (zeggen wy maar Teake) Tosk. Immers hy woont in Friesland; en tosk (tusk) is het friesche woord voor tand. Dat zulk een bynaam oudtijds in der daad een [418]vaste geslachtsnaam is geworden, wordt door het voorkomen, heden ten dage, van de geslachtsnamen Tand in Holland, Tosch in Friesland, en Zahn in Duitschland (ook van daar in Nederland overgebracht) bewezen. Karl Strackerjan verhaalt in zijn werk Die Jeverländischen Personennamen, bl. 39, van eenen boerenarbeider, die »bekam einmal beim Mähen von seinem Nebenmann mit der Sense in der Wade, plattdeutsch Küet, eine Wunde, an welcher er lange zu leiden hatte. Bald hiess er in seiner Umgebung nur »Behrend Küet”, und als er starb, erbte sein Sohn den Namen. Trotz Widerspruch und Klagen bei der Behörde, zum Theil auch wohl eben deswegen, blieb für ihn der Name »Gerd Küet” und sein Häuschen hiess die Küeterê” (kuitery, in het Hollandsch). »Sicherlich wäre daraus ein Familienname geworden, wenn Kirchen- und Erdbuch noch eine solche Schöpfung des Volksmundes aufgenommen hätten.” Intusschen komt in Nederland werkelik Kuit en Kuyt als geslachtsnaam voor; terwijl te Rotterdam eene brug den naam draagt van Jan-Kuiten-brug, ten bewyze dat ook daar een man geweest is die Jan Kuit heette of aldus genoemd werd.

Als voorbeelden van geslachtsnamen ontleend aan de namen van byzondere lichaamsdeelen, noem ik hier: Hooft en ’T Hooft, met Hoeuft, Heuft en het versletene Heuff, die ik niet anders kan verklaren dan als eene byzondere uitspraak van het woord hooft of hoofd in de eene of andere byzondere gouspraak. In den geslachtsnaam Bleyenheuft komt deze spelwyze ook voor; en eene andere in Schoonhoefd (zie bl. 345). Moet eerstgenoemde geslachtsnaam verklaard worden als »looden hoofd”? Beduidt deze naam niet hoofd of kop van lood, die als uithangteeken diende? en is dus een tegenhanger van de geslachtsnamen Goudenhooft en Houthoofd (zie bl. 367 en 368)? Verder D’Oore, in Vlaanderen voorkomende. De Vlamingen spreken nog zeer te recht en taalkundig zuiver de oore, voor het noord-nederlandsche het oor. Zoo spreken zy ook de ooge, voor het hollandsche het oog, en dien ten gevolge meen ik den vlaamschen geslachtsnaam Doghe te moeten verklaren als D’Oghe, D’Ooghe, De Ooghe, het oog. Misschien echter schuilt in dit Doghe ook de bekende geslachtsnaam De Hooge, De Hoog, op vlaamsche wyze uitgesproken en geschreven, als D’’Oge, De Hoge, De Hooge. Nevens D’Oore [419]in Vlaanderen komt in Holland de geslachtsnaam Oor voor, en zelfs het fransche Oreille. Verder De Neus, Neus, Kaakebeen, Mond (en Bek; zie echter bl. 279), Tand, De Tandt, Kies, Baert, Den Hals, Borst, De Borst, Buyck, Maagh, Lever, Blaas, ’T Hart, Pols, Vuist, De Vuyst, Duim, Duym en zelfs Van Duym, Pinck, Been (en Poot), Kuit en Kuyt, Scheen, Voet en Hiel, Nagel en De Naeghel (zie bl. 365). Eindelik nog Vel en Schornagel (scheurnagel? de man die kenbaar was aan eenen gescheurden nagel).

By deze namen zullen er wel enkelen zijn, die eenen anderen oorsprong hebben, en die slechts toevallig de namen van lichaamsdeelen vertoonen. Zoo kan in Baert een oud-nederlandsche mansvóórnaam schuilen (Baert, Beert, Barend, Berend, Bernard, Bernhart), de zelfde mansvóórnaam die ook aan de patronymikale geslachtsnamen Baarts en Baerts ten grondslag ligt. Blaas komt voor als eene verkorting van den kerkeliken mansvóórnaam Blasius (zie bl. 181), en zoo kan dus de geslachtsnaam Blaas zeer gevoegelik gehouden worden als zynen oorsprong te ontleenen aan genoemden mansnaam. Polle is een friesche mansvóórnaam, en de geslachtsnaam Pols kan zeer wel een tweede naamval, een patronymikale form daar van zijn. Wel is de friesche mansvóórnaam Polle of Pol als zoodanig weinig in gebruik; maar hy ligt toch aan verschillende geslachtsnamen ten grondslag. Te weten aan Pollema, Polsma, Polling, Pollen, Pollsen, enz.; allen vadersnamen. En ook aan het verlatynschte Pollius. In den geslachtsnaam Been kan de friesche mansvóórnaam Bene schuilen, de oud-germaansche naam Beno, welke ook oorsprong gaf aan de patronymikale geslachtsnamen Beninga, Beenenga, Beening, Beens, Beenen, Benes, Benen, enz. Hile (Hyle) eindelik is nog een friesche mansvóórnaam, die tegenwoordig meest in verkleinform, als Hylke en Hyltje voorkomt. De geslachtsnaam Hiel kan zeer wel oorspronkelik deze mansnaam zijn. Aan de geslachtsnamen Hylen, Hieltjes, Hielkes (zie bl. 150) heeft hy tevens oorsprong gegeven. [420]

[Inhoud]

I. Geslachtsnamen, aan de namen van spyzen, dranken en kleedingstukken ontleend.

§ 140. Spijs en drank en kleeding zijn zaken die eene groote rol spelen in het dageliksche leven der menschen. Het is dan ook niet vreemd dat de namen daar van wel voorkomen als geslachtsnamen. Iemand toch, die byzonder graag deze of gene spyze of drank at of dronk, die daar voor bekend was by zyne omgeving, kreeg al licht, uit spot, zulk eenen naam als bynaam. En deze bynamen gingen als gebruikelike toenamen, later als vaste geslachtsnamen wel op de kinderen en nakomelingen dier mannen over. En even zoo ging het met de namen van kleedingstukken. Iemand die bekend was wegens het dragen van ’t eene of andere byzondere, ongemeene, of sterk in het oog vallende kleedingstuk, kreeg al licht den naam daar van als bynaam. Ook kwamen de afbeeldingen en namen van spyzen en dranken en kleedingstukken wel als gevelteekens en huisnamen voor. Zoo kan ook langs dien weg menige dergelyke geslachtsnaam in gebruik gekomen zijn.

By de opsomming der geslachtsnamen aan de namen van spyzen ontleend, mogen wy wel beginnen met »den staf des levens”, met het brood. Broodnamen zijn Wittebroodt, Soetbrood, Schoonbrood, Platbroodt. Eerstgenoemde naam is al oud; immers Jan Wytbroot was reeds in 1511 een burger der stad Leeuwarden.80 Ook in Engelland komt de geslachtsnaam Whitbread voor, terwijl het fransche Blanpain in Nederland my voorgekomen is. Verder Teirbroodt, dat is het brood waar men van teert, het dageliksche brood om van te leven. De geslachtsnaam Droogenbroodt is een tegenhanger van den maagschapsnaam Boterenbrood, welke naam ook in den form Botterbrodt voorkomt, en van Kaasenbrood. De laatstgenoemde geslachtsnaam komt ook, half verfranscht, als De Casembroot voor. Te Monster in het Westland ziet men, aan eene herberg, nog »Kaas en brood” als uithangbord.81

Tot het bereiden van brood is koorn noodig; en ook zuurdeeg. [421]Deze woorden zijn ook tot geslachtsnamen geworden; namelik als Broodkoren, Broodcoren, Brotcorne, en zelfs in versletenen form en als vadersnaam Brocorens. En als Zuurdeeg (met den hoogduitschen form Sauerteig).

Als aanhangsel tot deze broodnamen vermelden wy nog de geslachtsnamen Beschuydt en Wermenbol (warme bol) met Krentebol. Eene bol is een bolvormig fijn gebak; in Friesland noemt men nog alle wittebrood »bolle”. Deze bolnamen, waartoe misschien ook Wittebol (zie bl. 343) behoort, voeren geleidelik tot de koeknamen, die vertegenwoordigd worden in de eerste plaats door de eenvoudige geslachtsnamen Koek en Coucke, in Holland en Vlaanderen, en dan door Wittekoek, Krentekoek en Pannekoek, Pankoek, Pannekoucke, enz. De vorm Pantekoek komt ook voor. Wijl my nooit, in geen enkele gouspraak, de uitspraak pantekoek voorgekomen is, in plaats van pannekoek<