- Art Gallery -

 

.

voorkant boek

UITGAVEN VAN J. B. WOLTERS TE GRONINGEN.

P. R. BOS—C. L. VAN BALEN, Volledige Aardrijkskundige Leergang voor de Volksschool:

Nederland, 1e stukje, geïllustreerd ƒ 0,30
Europa en de Wereld, 2e stukje, geïllustreerd 0,30
De Wereld, Oost- en West-Indië en Nederland, 3e stukje, geïll. 0,30
Atlas van Nederland 0,25
Invulatlas van Nederland 0,10
Eerste Atlas voor de Volksschool in 16 kaarten, 10e druk, ingenaaid ƒ 0,30, gecartonneerd 0,55
Atlas der geheele aarde 0,35
Invulatlas der geheele aarde 0,15
Atlas voor de Volksschool in 40 kaarten en 52 platen, 24e druk, ingenaaid ƒ 1,00, gecartonneerd ƒ 1,40, gebonden 1,75
Toelichting 0,30
Globes (hoofdelijk leermiddel) per dozijn in doos 0,90

Bovenstaande boekjes en atlassen kunnen in de volgende leerjaren gebruikt worden:

Nederland } in het vierde leerjaar of in de laatste helft van het derde en in het vierde leerjaar.
Atlas van Nederland

Desverkiezende als uitvoeriger atlas hiernevens: de Eerste atlas voor de Volksschool.

Europa en de Wereld } in het vijfde leerjaar.
Atlas der geheele aarde
Invulatlas der geheele aarde

Desverkiezende als uitvoeriger atlas hiernevens: de Atlas voor de Volksschool; en als hoofdelijk leermiddel voor de allereerste grondbegrippen der wiskundige aardrijkskunde de Globes.

De Wereld, Oost- en West-Indië en Nederland } in het zesde leerjaar.
Invulatlas van Nederland
De atlassen en invulatlas der voorafgaande leerjaren

* * *

Scholen met beperkt leerplan kunnen met de boekjes en atlassen van het vierde en vijfde leerjaar, welke een afgerond geheel geven, volstaan.

* * *

In een korte toelichting wordt de gang der methode en de wijze, waarop de schrijver enkele zaken aan de kinderen duidelijk maakt, uiteengezet.

UITGAVEN VAN J. B. WOLTERS TE GRONINGEN.

LANGS ROTTE, MAAS EN SCHIE.
SCHETSEN UIT DE GESCHIEDENIS VAN ROTTERDAM,

DOOR

J. M. DROOGENDIJK en J. S. VERBURG.

EERSTE DEELTJE.—GEILLUSTREERD.

ƒ 0,50.
TE GRONINGEN BIJ J. B. WOLTERS' U. M., 1911.

STOOMDRUKKERIJ VAN J. B. WOLTERS.

VOORBERICHT.

Bij het verschijnen van dit werkje is het ons een aangename plicht onzen hartelijken dank te betuigen aan Mej. Dr. H. C. H. Moquette, Adjunct-Archivaris en den Heer G. v. Rijn, Gemeente-Bibliothecaris, voor de zeer gewaardeerde medewerking, die wij van hen mochten ondervinden.

Voor de kaartjes zijn wij veel verplicht aan Dr. C. te Lintum, Leeraar aan de H. B. S. alhier. Ook hem onzen hartelijken dank.

Van de illustratie's danken wij er eenige aan particulieren; enkele zijn afkomstig uit het Museum van Oudheden, maar verreweg de meeste uit de rijke verzameling van het Gemeente-Archief.

Een woord van dank past hier zeker aan de ambtenaren dezer instellingen, benevens aan die van de Gemeente-Bibliotheek voor de groote welwillendheid, waarmede zij ons steeds weer behulpzaam waren.

Niet onvermeld mogen wij ook laten de bereidwilligheid, waarmede verschillende ambtenaren, verbonden aan onderscheidene Takken van Dienst in deze gemeente, ons steeds een afdoend antwoord gaven op onze vragen om inlichtingen. Ook waar wij een enkele maal bij particulieren aanklopten, vonden wij steeds een gewillig gehoor.

Hoewel het noemen van onze bronnen hier onnoodig geacht kan worden, willen wij een uitzondering maken voor het op de scholen nog te weinig gebruikte werk „Rotterdam in den loop der eeuwen” door Dr. C. te Lintum e. a. en de Rotterdamsche Jaarboekjes, die ons van zeer veel dienst zijn geweest.

Ons boekje is bestemd voor de hoogste klassen der Rotterdamsche scholen. We zijn nl. van meening, dat de historie onzer stad, voor zoo ver ze voor kinderen belangwekkend en begrijpelijk is, in deze leerjaren in verband met de Vaderlandsche geschiedenis onderwezen dient te worden. Ook op Herhalingscholen kan, naar het ons schijnt, dit werkje dienstig zijn, om bij de oudere leerlingen de belangstelling in de geschiedenis hunner woonplaats te wekken en levendig te houden, terwijl de uitgever van meening is, dat het boekje in een prachtbandje ook kan dienen als prijs voor de leerlingen, die de school verlaten.

Rotterdam, 1911.

De Schrijvers.


1. De Wilde Venen.

I.

Wanneer twintig eeuwen geleden een verdwaalde Germaan in zijn kano, van den Ouden Rijn af, den grilligen loop der Rotte had gevolgd, zou hij, indien het eentonige landschap van riet en biezen aan den mond van dit riviertje had plaats gemaakt voor een wijd vergezicht over een onafzienbaren waterplas, geen Rotterdam hebben ontdekt. Van onze stad met haar 400.000 inwoners bestond nog niets. Geen dorp, geen gehucht, geen enkele hut zelfs zou het oog van den eenzamen reiziger hebben getroffen. Dit zou ook niet mogelijk geweest zijn, want van den bodem, waarop Rotterdam is verrezen, was òf nog niets, òf zeer weinig aanwezig. Daar spoelden nog lustig de golven van de breede binnenzee of lagune, door de Romeinen Helinium genoemd.

De enkele deelen, die zich aan den mond der Rotte misschien boven de wateren verhieven, kunnen een paar zandbanken geweest zijn.

We treffen nl. in onze stad enkele plaatsen aan, waar de ondergrond uit zand bestaat. Hier moeten zich dus vroeger zandbanken bevonden hebben, die, dit weet men zeker, al zeer vroeg te zien waren. De bedoelde deelen zijn Feyenoord en de Zandstraat met het Roodezand. Deze laatste twee straten hebben zelfs haar naam naar een dezer zandplaten ontvangen, die, van verre gezien, een rosachtig voorkomen had. Nu zou het mogelijk zijn, dat deze banken ± 2000 jaar geleden reeds boven het water uitstaken, maar zekerheid daaromtrent bestaat niet. Waar wij Rotterdammers, wat de geschiedenis onzer stad aangaat, echter toch al zooveel ten achter staan bij de bewoners van Wijk-bij-Duurstede, Nijmegen, Tiel, Utrecht, Vlaardingen, Voorburg, e. m. a., alle plaatsen, waarvan de geschiedenis zich tot ver in de grijze oudheid verliest, laten wij, om de historie onzer stad wat meer glorie bij te zetten, dan maar als vaststaand aannemen, dat deze deelen van den Rotterdamschen bodem zich ten tijde der Romeinen reeds boven de wateren van het Helinium vertoonden.

In deze binnenzee mondden behalve de Rotte nog andere wateren uit, die we nu kennen als Waal, Lek, Hollandschen IJsel en Schie. Deze Schie met de Vliet staan op het kaartje aangegeven als „Gracht van Corbulo”. Dit water werd door dezen Romeinschen landvoogd gegraven om een verbinding te verkrijgen van den Ouden Rijn met het Zuiden. De Rotte, het ondiepe, kronkelende watertje, met zijn uitgestrekte moerassen aan weerszijden—veengronden, die half onder, half boven het water uitstaken—kon hiervoor maar moeilijk dienen. Geen wonder, dat deze „Wilde Venen” door geen menschenvoet werden betreden, dat daar geen andere bewoners werden aangetroffen, dan lepelaars, reigers en roerdompen.

De hooge en droge gronden ten Westen der moerassen waren wel bewoond. Al waren ze ook schaarsch, toch vond men in dit deel van Holland reeds eenige plaatsen. We lezen op het kaartje: Flenum en Pretorium Agrippinae. Het laatste is Voorburg, Flenum waarschijnlijk Vlaardingen geworden.

Vermoedelijke toestand van het land bezuiden den Ouden Rijn ten tijde der Romeinen. Vermoedelijke toestand van het land bezuiden den Ouden Rijn ten tijde der Romeinen.
(vergroting: 1174×1173, 65kb)

Van deze plaatsen moeten wij ons geen te grootsche voorstelling maken. Feitelijk waren het niets meer dan Romeinsche nederzettingen, waar omheen sommige bewoners dezer landen hun woningen hadden gebouwd. Onder de hoede van zoo'n steenen gebouw gevoelden ze zich veiliger, dan alleen in een hutje op een eenzame plaats. Bovendien hadden de bezettingen van die sterkten verschillende levensmiddelen noodig, die ze verkregen van de bewoners dezer streken. Zoodoende ontstond er tusschen de Romeinen en Germanen handel: weer een reden te meer voor de laatsten om hun hutten zoo dicht mogelijk bij de legersterkten te bouwen.

II.

Bezien wij nu het kaartje, dat den toestand van Maasland aangeeft omtrent het jaar 1000. Al aanstonds valt ons op, dat er meer plaatsen liggen.

We lezen o. a.: Hargan, Schie en Bergan, namen, die ge bij de aardrijkskunde van Zuid-Holland niet geleerd hebt. De plaatsen liggen er echter nog; het zijn Kethel, Overschie en Hillegersberg. Verder zien wij naar het Westen nog Flardinga of Vlaardingen, maar dit dagteekende reeds uit den tijd der Romeinen, ofschoon het toen waarschijnlijk iets zuidelijker lag.

En hoe staat het met Rotterdam? Nog niets van te ontdekken. Aan de Rotte ligt nog geen enkele plaats.

Nu dringen zich twee vragen aan ons op. Ten eerste: Als bovengenoemde dorpen in het jaar 1000 wel, maar ten tijde der Romeinen nog niet bestonden, wanneer zijn zij dan ontstaan? Op deze vraag moeten wij het juiste antwoord schuldig blijven; de geschiedenis vermeldt het jaartal van het ontstaan niet. We vermoeden echter, dat zij dagteekenen uit de 10de of 11de eeuw.

Vermoedelijke toestand van het land bezuiden den Ouden Rijn omstreeks het jaar 1000. Vermoedelijke toestand van het land bezuiden den Ouden Rijn omstreeks het jaar 1000.
(vergroting: 1119×1181, 56kb)

De tweede vraag, die wij als vanzelf stellen is deze: Waren de Wilde Venen niet meer zoo moerassig? Hierop kunt ge zelf wel een antwoord geven. Bekijk het kaartje maar, dan zult ge zien, dat de moerassen nog steeds zijn aangegeven. Vreemd, niet waar, dat men zich midden in deze lage streken een woonplaats koos; dat er zich zelfs zoovelen daar neerzetten, dat er plaatsen ontstonden? Maar nog vreemder zult ge het vinden, als wij u zeggen, dat daar juist dorpen verrezen, omdat het er moerassig was. Indien de bodem er droog en vast geweest was, zouden waarschijnlijk Hargan, Schie en Bergan niet zijn ontstaan.

Om dit duidelijk te maken, moeten wij ons een gedeelte der Vaderlandsche Geschiedenis voor den geest roepen.

Zooals bekend is, werd ons land tusschen 800 en 1000 zwaar geteisterd door de invallen der ruwe Noormannen. Vele plaatsen, waaronder ook Vlaardingen, werden door deze zonen van het koude Noorden gebrandschat. Witla, dat in den omtrek van Vlaardingen gelegen heeft, (waarschijnlijk op het eiland Voorne) is door deze barbaren zelfs zoo volkomen verwoest, dat men niet eens met zekerheid kan aanwijzen, waar deze plaats gevonden werd. Geen wonder, dat men in de kerken bad: „God, verlos ons van de Noormannen”; want men moet niet meenen, dat een plaats, eenmaal door de woestelingen bezocht, voortaan veilig voor hen zou zijn. Neen, wanneer de zwaar bezochte bewoners na groote inspanning de zware slagen, hun toegebracht, eenigszins te boven waren gekomen; wanneer er weer eenige welvaart begon te heerschen dàar, waar door de Noormannen armoede en verschrikking was gebracht; wanneer de zoon den leeftijd had bereikt, dat de moeder hem kon duidelijk maken, waarheen zijn vader als slaaf was weggevoerd, dan konden op datzelfde oogenblik de geesels dezer lage landen op hun draakvormige schepen voor de verschrikte bewoners verschijnen, wederom dood en vernieling brengende, waar nog weinige jaren geleden hun hand reeds zoo zwaar had gerust.

Was het wonder, dat vele bewoners der duinstreken vluchtten, dat zij have en goed achterlieten om ten minste het veege lijf te redden? Maar, waarheen? Natuurlijk daar, waar men kans had veilig te zijn; waar de Noormannen niet dan met gevaar voor eigen leven konden komen. De eenige streek in deze buurt, die zulk een toevluchtsoord voor onze voorouders bood, was de plek, waarover wij hierboven spraken: de moerassige streken langs de Rotte. Daarheen zijn dan ook tusschen 800 en 1000 waarschijnlijk zoo velen gevlucht, dat de genoemde plaatsen ontstonden.


2. De hooge zeedijk. Jong Rotterdam.

I.

Schielands zeedijk, die 't vermetel, 't Onbezonnen zeegeweldt, Trots weerstaet en wetten stelt Strekt haer tot een vasten zetel.

Als we de kaart van Zuid-Holland bezien, vinden we ten Noorden van het Scheur, de Nieuwe Maas en den Hollandschen IJsel een dijk, die het achterliggende land beschermt. Deze zware dijk loopt midden door Maassluis, Vlaardingen, Schiedam en Rotterdam. Hij is daar aan weerszijden bebouwd en draagt in al deze plaatsen den naam van Hoogstraat. Zeker een duidelijk sprekende naam.

Wanneer is deze lange dijk ontstaan?

Vóór we deze vraag beantwoorden, moeten wij eerst de Vaderlandsche Geschiedenis weer eens raadplegen en wel het tijdvak, gedurende hetwelk de Romeinen in deze landen hebben vertoefd.

Als wij u eens vroegen al de lichtzijden van het verblijf van dezen volksstam op te noemen, zouden wij ongetwijfeld ook hooren: „de Romeinen legden dijken langs de rivieren”. Tot op zekere hoogte is dit waar. We moeten echter oppassen, dat we ons geen onjuiste voorstelling van deze „dijken” maken. Meen vooreerst niet, dat de Romeinen overal dijken opwierpen om het water te beteugelen en stel u evenmin voor, dat deze zoo zwaar en hoog waren, als wij ze tegenwoordig kennen. Feitelijk waren het niets anders dan wegen, die moesten dienen om gemakkelijk van de eene legerplaats naar de andere te kunnen trekken. Om deze wegen goed begaanbaar te maken en te houden, was het wenschelijk, dat ze beveiligd waren tegen het water. Daarom werden ze hoog gemaakt en waren het dus dijk-wegen. Uit het voorgaande hebt ge wel reeds kunnen opmaken, dat de Romeinen ze niet uit liefde voor hun bondgenooten opwierpen, het was zuiver eigenbelang, dat hen tot het leggen van deze „dijken” drong.

Nu zijn er geschiedschrijvers, die veronderstellen, dat er ten Noorden van het tegenwoordige Rotterdam ook zoo'n opgehoogde heirweg werd aangetroffen. Deze liep dan van Nijmegen door de Alblasserwaard over den IJsel en de Rotte naar Praetorium Agrippinae. Waar de weg over de Rotte ging, zou een toltoren gestaan hebben, die naar de grijze duifsteen, waarvan hij was opgetrokken, het Duifhuis genoemd werd. De plaats, waar deze toren gestaan heeft, is bij het tegenwoordige Crooswijk te zoeken1).

Het Duifhuis aan de Rotte. Het Duifhuis aan de Rotte.
(vergroting: 1184×798, 125kb)

Of dit alles wel precies zoo is, weten we niet; het is echter niet onmogelijk. We hebben daarom op het kaartje dezen dijk dan ook maar geteekend. Ook de toren is aangegeven. Bestaan heeft hij zeer zeker. Of hij echter al in den Romeinschen tijd gebouwd is, zouden wij niet met zekerheid durven beweren.

Deze Romeinsche dijk is dan de eerste waterkeering geweest, die de streken ten Noorden van het Helinium gekend hebben. Of ze voldoende geweest zal zijn, om het land tegen overstroomingen te beschermen? We gelooven het niet. Mocht ze als weg al bruikbaar zijn, als dijk zal ze niet veel nut hebben afgeworpen.

Wanneer de vroegere bewoners zelf en opzettelijk dijken langs den Maas- of Merwestroom hebben opgeworpen, is niet met zekerheid te zeggen. Wel weet men, dat er ten Noorden van den tegenwoordigen hoogen zeedijk en ten Zuiden van den Romeinschen dijk omstreeks 1200 een dijk werd aangetroffen, die bekend is als de Oude Dijk. Deze had van den Hoek van Holland tot Vlaardingen de richting, die de tegenwoordige dijk volgt, maar van daar af strekte hij zich veel noordelijker uit. Eerst liep hij naar Ouwerschie en vandaar met een groote bocht onder den naam van Oude Dijk en Kleiweg naar Crooswijk en Kralingen om dan als 's-Gravenweg naar Moordrecht en Ter Gouw te loopen. Vergelijken we de richting van dezen ouden en den nieuwen zeedijk, dan blijkt ons, dat er zich tusschen beide een groot grondgebied uitstrekt. Voor een deel was dit reeds aanwezig, toen men den Ouden Dijk legde. Met opzet echter had men de breede gorzen er vóór niet bedijkt. De dijk was nl., evenmin als de Romeinsche heirweg, bijzonder hoog en sterk; bevond er zich dus een breed gors voor, dat alleen bij hoog water onderliep, dan was het gevaar voor doorbraak en overstrooming heel wat geringer, dan wanneer men de waterkeering tot vlak aan het diepe water bracht.

Door het leggen van bovengenoemden dijk was dus nog niets van den bodem van Rotterdam voor de wateren beveiligd.

Maasland echter kon nu niet meer overstroomd worden, hoewel we ons niet moeten voorstellen, dat de bewoners er erg droog gewoond zullen hebben. Hadden ze van het buitenwater thans geen last, van het binnenwater zooveel te meer. Dit moest men zien te loozen op de Rotte en de Schie en daar men nog geen windwatermolens of stoomgemalen kende, moest men zich behelpen met handmolens, paardenmolens, ja zelfs met hoosvaten.

Door wien deze Oude Dijk aangelegd is, weet men weer niet zeker, maar hoogstwaarschijnlijk is dit werk ondernomen door de edelen; dit wil dan zeggen, onder hun toezicht, want zooals te begrijpen is, zullen de hoorigen en lijfeigenen het werk verricht hebben.

Ging een edelman er toe over een streek droog te leggen, dan werd hij vooraf door den graaf bekleed met zekere macht over dat stuk grond: hij kreeg het ambacht of ambt van rechter. Zijn titel werd heer of ambachtsheer.

Thans zijn er hier en daar in ons land nog ambachtsheeren en -vrouwen. Deze bezitten wel niet meer de rechtspraak in hun heerlijkheid, maar toch hebben zij nog bijzondere rechten: b.v. het jacht- en vischrecht en soms het collatierecht—dat is het recht tot het beroepen van een predikant. Aan dit laatste herinnert nog in verschillende dorpskerken de zoogenaamde „ambachtsheerbank”, die alleen door den ambachtsheer en zijn familie gebruikt wordt.

II.

De dijk, die Maasland tegen het buitenwater moest beschermen, was niet zeer zwaar en hoog, hij werd bovendien niet voldoende onderhouden. De plicht voor dit onderhoud rustte op de bezitters van de gronden, welke aan den dijk grensden. Niet meer dan natuurlijk, zult ge zeggen. En toch ook weer niet zoo van zelf sprekend! Want hadden alleen de bezitters van de gronden vlak aan den dijk gelegen maar belang bij een goede waterkeering, of moest al het land ten Noorden van de Maas er door beschermd worden? Zou het daarom niet billijker geweest zijn, dat alle belanghebbenden ook hadden medegewerkt, om den dijk stevig en sterk te maken en te houden? En niet alleen, dat dit billijker geweest ware, maar men had ook tevens meer zekerheid gehad, dat de dijk goed onderhouden werd. Nu kwam het voor, dat sommigen van hen, die aangewezen waren om den dijk in goeden staat te houden finantieel niet sterk genoeg stonden, om dit naar behooren te doen. Al vond men dus eigenaars, die hun deel sterk en hecht maakten, anderen waren daartoe niet altijd bij machte, zoodat de dijk steeds zwakke punten behield. Vooral werd dit het geval, toen de ambachtsheeren stukken grond gingen verkoopen aan boeren (eigengeërfden). Dit geschiedde na de Kruistochten, die een einde maakten aan de lijfeigenschap en hoorigheid, waarin een groot deel der bevolking verkeerd had. Deze boeren bezaten in den regel maar juist voldoende om hun grond te koopen, zoodat zij aan hun verplichtingen ten opzichte van den dijk bijna nooit konden voldoen.

Aan dezen onhoudbaren toestand werd een einde gemaakt tijdens de regeering van den bekenden Graaf Floris V (1266–1296). Deze liet aan zijn baljuw, dit was de persoon, dien hij aangesteld had over een deel van zijn graafschap en die daar in zijn naam regeerde, berichten, dat er tusschen de Delftsche Schie en Gouwe aan niemand land mocht verkocht worden, van wien men niet zeker was, dat hij den dijk behoorlijk zou kunnen helpen onderhouden. Verder bepaalde hij, dat er ieder jaar een dijkschouw zou plaats vinden en dat hij, wiens deel niet in orde werd bevonden, beboet zou worden.

Toen ook deze bepalingen nog niet doeltreffend bleken, verordineerde de Graaf, dat de ingezetenen der acht ambachten tusschen Schie en Gouwe op gezamenlijke kosten hun dijkwerken in stand zouden houden.

Deze ambachten waren—de namen zullen U wel bekend klinken—Zevenhuizen, Bleiswijk, Rotteban, Ouwerschie, Schiebroek, Bokelsdijk, Cralingen en Berkel met Rodenrijs.

Nadat gebleken was, dat ook zelfs deze bepaling niet de uitwerking had, die de Graaf er zich van had voorgesteld, riep hij ten slotte al de betrokken edelen bijeen. Deze erkenden met den Graaf het groote nut van een zwaren dijk. Ze kwamen overeen, dat ieder hunner een deel voor zijn rekening zou nemen. Tevens zou een stuk van den aangeslibden grond worden ingedijkt, zoodat dus op sommige plaatsen de nieuwe dijk zuidelijker zou loopen, dan de oude.

De drie Schie's. De drie Schie's.
(vergroting: 1186×1041, 55kb)

Zooals gewoonlijk verlangden de edelen voor hun hulp een belooning. Deze verkregen ze ook. Ze ontvingen de nieuw ingedijkte gronden van den Graaf in leen. Zoo werd het gebied der edelen uitgebreid en tevens het land afdoend tegen overstroomingen beveiligd, want de dijk, die tusschen 1281 en 1299 gelegd werd, mocht nu inderdaad een zeedijk heeten.

Het Hof van Weena. Het Hof van Weena.
(vergroting: 1190×931, 155kb)

Voor ons Rotterdammers, zijn er onder de edelen, die zich bij genoemd werk verdienstelijk gemaakt hebben, een tweetal van beteekenis.

Het zijn: de Heer van Bokel, die als de legger van
den Westzeedijk, het Vasteland, den Schiedamschedijk, de Korte Hoogstraat en een gedeelte van de Hoogstraat kan worden beschouwd, en de Heer van Cralingen, aan wien we het oostelijk deel van de Hoogstraat met den Oostzeedijk te danken hebben.

De eerste woonde op het Hof van Weena, dat in den omtrek van het tegenwoordige Weenaplein gevonden werd. Dit plein, benevens de Weenastraat, de Hofdijk en het Hofplein ontleenen alle hun naam aan dit adellijk slot, waarvan de fundamenten in het jaar 1905 werden gevonden. Deze bleken van onderen 3 M., van boven 2 M. breed te zijn, terwijl ze op eikenhouten balken steunden.2)

De Heer van Cralingen bewoonde eveneens een kasteel en wel het slot Honingen. Het tegenwoordige Park Honingen, benevens de Slot- en Hoflaan zullen u wel voldoende aanduiden, waar dit kasteel ongeveer gevonden werd. Deze beide kasteelen zijn in 1426 tijdens de Hoeksche en Kabeljauwsche twisten door de Hoekschen verwoest. Volgens vroegere geschiedschrijvers bevond er zich hier nog een derde kasteel: het slot Bulgersteijn op het Roodezand, de zandplaat, die reeds ten tijde van de Romeinen boven de golven uitstak. Latere onderzoekingen hebben aan het bestaan van dit slot doen twijfelen. Zeker weet men, dat er een gebouw gestaan heeft, dat den naam Bulgersteijn heeft gedragen. Het kan echter heel goed zijn, dat dit nooit een slot, maar slechts een stevig boerenhuis geweest is. Toen de dijk gelegd werd, was er al niet veel meer dan een ruïne van over.

Het slot Honingen. Het slot Honingen.
(vergroting: 1649×1197, 221kb)

Keeren we thans weer tot onzen dijk terug.

Het deel van de tegenwoordige Hoogstraat, dat zich tusschen de monden van de Rotte bevond, noemde men Middeldam. Het was als het ware een lange dam door de Rottemonden en tevens het middelste deel van het rechte stuk, hetwelk later den naam Hoogstraat verkreeg.

Van deze drie mondingen der Rotte was de westelijkste, de Slikvaart, het latere Verlaat, waaraan de Verlaatstraat nog herinnert; de Nieuwe Rotte was de thans Gedempte Binnenrotte; de oostelijkste is later de—nu eveneens gedempte—Botersloot geworden.

Had men dezen „middeldam” zonder meer door de Rottemonden gelegd, dan zou de Rotte haar water niet in de Maas hebben kunnen loozen. Daarom maakte men onder den dijk aan het einde der Nieuwe Rotte een duikersluis. Later kregen ook de andere monden sluizen.

Aan den Middeldam verrezen al spoedig huizen. In 1299 stonden er reeds zooveel, dat de twee gehuchten, die ze vormden, door graaf Jan I tot een gemeente werden verklaard. Tevens kreeg Rotte(r)dam, zooals de plaats werd genoemd het paalrecht, d. w. z. het mocht, om zich beter te kunnen verdedigen, palen aan de Maaszijde slaan. Vóór den Middeldam strekte zich een gors uit, dat door een smalle kreek van Rotterdam was gescheiden. Hierin voeren de schepen, die de jonge plaats al heel spoedig aandeden. Daarom bouwde men aan dit water een aanlegsteiger. Later werd de geheele kreek naar dezen steiger het Steiger genoemd, welken naam het water nog draagt. Dit Steiger kon door een boom van de Maas worden afgesloten, zoodat het voor de schepen een veilige ligplaats bood: het was dus de eerste haven van Rotterdam.


1) Zie het kaartje op pag. 7.
2) Een en ander is nog in het Museum van Oudheden te zien.

3. Van dorp tot stad.

Zooals we zagen, kunnen we 1299 als het geboortejaar van Rotterdam aanmerken. Bestond het toen nog slechts uit enkele huisjes, verrezen aan den dijk langs de Maas, al spoedig had het zich in Noordelijke richting uitgebreid, doordat de Rotte-delta bij het stadsgebied werd getrokken. Bij de oude stad, of Middeldam, had zich een Nieuwe Stad, of in de taal dier dagen, een „Nieuwe Poort” gevoegd.

Dat het in dit nieuwe stadsdeel nog moerassig was, is licht te begrijpen. Voor men er dan ook huizen kon neerzetten, diende men den grond voldoende op te hoogen. Dit gebeurde het eerst tusschen de Oude en Nieuwe Rotte. De kade, die gelegd en langzamerhand met huizen bebouwd werd, is de eerste straat in dit stadsdeel geworden (1339). Men noemde ze „de straat in de Nieuwpoort”, later zelf „de Nieuwpoort” of „de Nupoort”, wat door verbastering ten slotte „den Oppert” geworden is.

Men heeft wel eens het vermoeden uitgesproken, dat deze kade oorspronkelijk ten behoeve der Heeren van Weena is aangelegd, om zich gemakkelijk van hun Slot naar de stad te kunnen begeven, wat niet onmogelijk is. Dit Rotterdam uit het jaar 1339 moeten wij ons nog voorstellen als een armelijk dorpje, bestaande uit houten huisjes met rieten daken, die verspreid lagen langs Visschersdijk, Middeldam en Oppert. Het telde toen 46 hofsteden, d. w. z. huizen met tuinen en akkerland. Ieder bewoner beoefende nl. naast zijn ambacht of bedrijf wat land- en tuinbouw en waarschijnlijk ook wat veeteelt, die hem de voornaamste levensmiddelen moesten verschaffen.

Welke waren nu die andere bedrijven?

Ziehier eenige namen van bewoners. Ze zijn sprekend genoeg, om er den naam van het beroep uit op te maken.

Dat er reeds aan visscherij gedaan werd, vertelt ons Henric de Visser. Doede Smids en Hannkeijn de Mandenmaker herinneren aan het smids- en mandenmakersbedrijf. Hugo de Linemaker was waarschijnlijk een wever, terwijl Aelwijn de Snider schaar en naald hanteerde. Arend de Blokemaker zal onze eerste scheepstimmerman geweest zijn en Adaem die Marseman de eerste Rotterdamsche koopman. Dat het wonen aan de Rottemonden niet altijd gezond was, leert ons de rheumatische Claes die Pijnlike, die bij onzen eersten esculaap, Claes die Condighe, genezing ging zoeken. Veel handel en scheepvaart kan er nog niet geweest zijn, daarvoor was Rotterdam nog te jong en lag het ook niet gunstig genoeg. Van overzeeschen handel was natuurlijk nog geen sprake, de binnenlandsche was pas in opkomst. Nu lag Rotterdam wel aan de Maas, maar daaraan had het niet veel, zoolang het geen verbinding had met het „achterland”. Zoo'n verbinding bestond wel door de Rotte, maar deze beteekende als vaarwater niet veel, daar er langs, of bij dit water slechts weinig menschen woonden. Te Ouwerschie, Delft en Leiden kon men langs dezen weg niet, of moeilijk komen; deze plaatsen waren door de Schie te bereiken. Op deze Schie nu hadden de Rotterdammers het oog geslagen.


Aan den mond van dit water, dat in de Maas uitliep, was al heel vroeg, tusschen 1000 en 1100, een plaats ontstaan, die evenals het water den naam van Schie droeg. Hoe meer de gorzen zich vóór den Ouden Dijk verbreedden en verhoogden, hoe smaller de Maas en hoe langer de Schie dus werd. Met en zonder hulp der menschen koos ze zich een kronkelenden loop tusschen de gorzen. Aan den mond dezer „Nieuwe Schie” werd ± 1000 een kasteel gebouwd, het huis te Riviere, dat later den naam van Huis van Mathenesse kreeg. Hierbij kwamen al spoedig eenige woningen en een kapel te staan en naast „Schie” was een „Niewerschie” ontstaan. De namen dezer beide plaatsen zijn in den loop der tijden veranderd tot: Ouwerschie of Overschie en Schiedam3).

Wilden de Rotterdammers nu de Schie opvaren, dan waren ze genoodzaakt eerst door de Maas naar Schiedam te stevenen om door de sluis, die na het leggen van den Hoogen Zeedijk aldaar was gemaakt, de Schie te bereiken. Deze route was een omweg en bovendien kostbaar, daar de Schiedammers van ieder schip tol eischten en, wat misschien nog het ergste was, de Rotterdammers waren, wat hun scheepvaart aanging, voor een zeer groot deel van hun concurrenten afhankelijk. Dit mocht zoo niet blijven. Men wilde een eigen vaart hebben, die Rotterdam rechtstreeks met de Schie verbond. Dit kon heel goed. Men behoefde daarvoor slechts een watertje, dat reeds van Rotterdam naar Overschie liep, te verbreeden en uit te diepen. Zonder toestemming van den Graaf mochten zulke werken echter in dien tijd niet geschieden. Voor een goede som geld gaf Willem IV in 1340 „den goeden luden” van Rotterdam vergunning tot het graven van een „opene vaert tot in de Schije”. Acht jaar later was deze Rotterdamsche Schie, zeer tegen den zin van Schiedam, voltooid.

Voor dien tijd was er een flink stuk werk verricht. Behalve toch, dat het reeds bestaande water moest worden verbreed en uitgediept, had men twee dijken, den Ouden Dijk bij Overschie en den Beukelsdijk ten Noorden van Rotterdam (waar nu de Heulbrug ligt) doorgegraven en hierin een sluis en een heul moeten maken. Bovendien moest de Delftsche Vaart, waarvan waarschijnlijk niets bestond, en het rechte deel van de Schie tusschen de Schiekaden worden gegraven om in verbinding met de Maas te kunnen komen.

Behalve de Schiedammers zagen ook de Delvenaars met leede oogen Rotterdam, tengevolge het graven dezer Schie, zich vrij snel ontwikkelen.

Af en toe vonden onze schippers de doorvaart aan den ingang te Overschie versperd door hoopen puin, welke daar 's nachts waren neergeworpen. Al had men het niet gezien, men verdacht—en met reden—de Delvenaars van dezen streek.

Deze wisten het in 1375 zoover te brengen, dat Hertog Aelbrecht, die toen voor zijn krankzinnigen broeder Willem IV regeerde, den Rotterdammers gelastte, de heul te Overschie dicht te gooien. Men maakte daar nu een overtoom, waarlangs de schepen uit de Rotterdamsche- in de Oude Schie werden getrokken.

Wat zullen die Delvenaars gelachen hebben, toen ze hun concurrenten zulk een hak gezet hadden! Maar dezen zaten ook niet stil. Hadden de Delvenaars een vollen buidel, de Rotterdammers konden ook in den zak tasten, als het noodig was. Vijf jaar later kregen zij weer toestemming de heul te openen, omdat den hertog gebleken was, dat de open heul niet verderfelijk, maar daarentegen „zeer nuttig was voor den lande en voor den graaf zelf”.


Toen de Delvenaars aldus hun pogingen om Rotterdam in zijn groei te belemmeren, zagen mislukken, trachtten ze voor zich zelf te krijgen, wat ze hun naburen zoo misgunden; dus—ook een open vaart naar de Maas. In 1389 kregen, of beter gezegd kochten, ze dit recht van den Hertog. Ze groeven toen van Overschie een rechte vaart, die ten Westen van het dorp Schoonderloo in de Maas uitmondde. Waar de Hooge Zeedijk doorgegraven werd, moest een „kapitale” sluis gemaakt
worden, die we nog kennen onder den naam van Aelbrechtssluis. In het gors, dat zich tusschen den Dijk en de Maas uitstrekte, mochten de Delvenaars een haven graven: de nog bestaande Voorhaven.

Het Slot Spangen. Het Slot Spangen.
(vergroting: 1780×1134, 380kb)

Nu de vrije open vaart er was en Delft daardoor een zeehaven was geworden, trachtte men er ook zooveel mogelijk voordeel van te trekken, waarom de Delftsche Overheid aan de inwoners verbood van de Rotterdamsche of Schiedamsche Schie gebruik te maken.

De Rotterdammers waren de poets, hun indertijd door de Delvenaars gebakken, nog niet vergeten en ze wachtten slechts op een goede gelegenheid om hun naburen met gelijke munt te betalen. Die gelegenheid deed zich weldra voor.

Niet ver van de Delfshavensche Schie, tusschen Overschie en Schoonderloo stond het kasteel Spangen. Een der voorwaarden, waaronder de Delvenaars hun vaarwater mochten graven, luidde, dat er altijd een uitpad in den vorm van een brug over de Schie, voor de kasteelbewoners zou zijn. Toen dit brugrecht later verkocht werd, wilden de Rotterdammers het koopen, met het snoode voornemen daar ter plaatse een lage steenen brug te bouwen, zoodat alle scheepvaart onmogelijk zou worden.

Dat zou nu met recht geweest zijn, iemand in zijn vaarwater zitten!

De toeleg mislukte echter; Delft had de lucht gekregen van het vriendelijke plan van zijn nabuur en wist het recht voor zich zelf te koopen.

Aan den mond van deze nieuwe Schie is het plaatsje Delfshaven ontstaan, dat tot 1795 met Delft vereenigd is gebleven. Daarna was het tot 1803 een zelfstandige gemeente, waarna het tot 1811 weer een deel van Delft werd. Na de inlijving bij Frankrijk werd het bij een der eerste besluiten van Napoleon, tot een zelfstandige gemeente verklaard. De ambachten Beukelsdijk en Schoonderloo werden er toen mede vereenigd. In 1817 verkreeg Delfshaven het bekende wapen: drie korenaren en een haring, de symbolen van de jeneverindustrie en visscherij, de twee voornaamste bestaansmiddelen van de Havenaren. In 1825 werd het in de rij der steden opgenomen om ten slotte in het jaar 1886 met Rotterdam vereenigd te worden.


In hetzelfde jaar, dat de Rotterdammers hun Schie mochten graven, kregen ze van Willem IV nog een ander voorrecht en wel dat van eigen rechtspraak, d. w. z.: Rotterdamsche poorters zouden voor Rotterdamsche schepenen (rechters) terechtstaan. Hiermee werd Rotterdam tot een stad verklaard en was het al weer een stap in aanzien en beteekenis vooruit gegaan.

Alle goede dingen bestaan in drieën. Dat wisten onze voorouders ook reeds en daarom hadden ze nog gaarne één wensch vervuld gezien. Rotterdam was nu wel een stad, maar nog geen versterkte stad, geen vesting. Nog 18 jaren moesten de „goede luden van Rotterdam” wachten, voor ze hun woonplaats als het ware mochten maken tot één, groot sterk kasteel.

In het jaar 1358 kwam Aelbrecht in onze stad en bij dit bezoek gaf hij verlof, het open vlek in een vesting te veranderen. Tevens werd het stadsgebied, dat waarschijnlijk in 1340 reeds aan de Oostzijde vergroot was met een deel van het Ambacht Rubroek, thans aanzienlijk aan de Westzijde uitgebreid, daar de Ambachtsheer van Beukelsdijk en Cool, Willem van der Wateringhe, het Roodezand aan de stad afstond.

Uitbreiding van Rotterdam van het ontstaan tot het jaar 1600. Uitbreiding van Rotterdam van het ontstaan tot het jaar 1600.
(vergroting: 1172×1168, 102kb)

Het groote werk om de stad te bemantelen werd met kracht aangevat. Langs het ambacht Cool werd de Coolvest gegraven tot aan de Schie en van daar de Goudsche Vest met een bocht naar de Maas. In den muur, die om de geheele stad heen liep, werden vier poorten aangebracht: de Schiedamsche, de Delftsche, de Goudsche en de Kralingsche. De eerste stond ter plaatse van het tegenwoordige Museum Boijmans, de tweede op nagenoeg dezelfde plek als de nog bestaande, de derde op den Goudschen Weg bij de Lange Warande en de laatste op de Hoogstraat bij de Valkensteeg. Bovendien droeg de muur nog verschillende torens. De stad had, evenals alle Oud-Hollandsche steden, de gedaante van een vierhoek. Deze vorm is thans nog terug te vinden in het traject Coolvest, Galerij, Jan van Loonslaan en Lange Warande.


3) Zie het kaartje op pag. 18.

4. De Jonker Fransenoorlog.

I.

't Lust mij in het breed te melden Hoe zij vaek werd aengetast Of door Jonker Frans verrast.

Rotterdam lag dus nu versterkt aan de Maas. In de rumoerige tijden, die volgden, was dit van zeer groot belang. Heeft men hier toch reeds de nadeelige gevolgen van den burgeroorlog ondervonden, het is maar moeilijk te zeggen, hoe het met onze stad gegaan zou zijn, indien ze gedurende dit tijdperk niet van muren en grachten voorzien geweest was.

Driemaal heeft Rotterdam van zeer nabij kennis gemaakt met deze bloedige twisten.

Allereerst in 1358, toen Willem V krankzinnig werd en zijn broer Aelbrecht hem als ruwaard verving. Delft weigerde hem als zoodanig te erkennen, waarom de Hertog een heirvaart tegen de weerspannige stad uitschreef. Rotterdam nam, evenals andere omliggende steden, deel aan het beleg, dat 10 weken duurde. Toen de stad zich overgegeven had, werden de bewoners tot strenge straffen veroordeeld: 1000 burgers moesten blootshoofds en barrevoets vergiffenis vragen. Met hangende haren en in haar beste kleeding, moesten 500 vrouwen voor haar echtgenooten het behoud hunner betrekkingen komen afsmeeken. Bovendien werden velen voor goed verbannen en de verdedigingswerken der stad geslecht. En alsof dit alles nog niet genoeg was, werd de stad een boete van 60 000 Brugsche schilden4) opgelegd.


In 1426 zagen de Rotterdammers van nog meer nabij den strijd. Toen woedde hij onder de muren hunner stad. In dat jaar toch werden door de Hoekschen de kasteelen Honingen, Weena en Spangen verwoest. Ook het slot te Hillegersberg, waarvan men nog heden ten dage de ruïne kan zien, moest het ontgelden. De stad zelf liep bij deze gelegenheid vrij, maar wat zou haar lot geweest zijn, indien zij niet versterkt geweest was!

Het Slot te Hillegersberg. Het Slot te Hillegersberg.
(vergroting: 1760×1130, 249kb)

II.

We schrijven 1488. Meer dan 60 jaren reeds zijn er verloopen, sedert de Kennemer vrijbuiters onder Jan van Nagel de Rotterdammers met angst en beven naar de brandende kasteelen in den omtrek hebben doen staren. De strijd tusschen de rood- en grauwmutsen loopt ten einde. De Hoekschen hebben steeds meer en meer in aanhang en macht verloren en zich teruggetrokken in hun laatste wijkplaats: Sluis. Nog eenmaal zullen ze een poging wagen om hun oude macht en aanzien te herwinnen. Jonker Frans van Brederode zal hun aanvoerder zijn. Wel is hij jong, zoodat aanvankelijk niet allen hem als hun gebieder willen erkennen, maar hij is een afstammeling van een der oudste en edelste geslachten; de naam Brederode heeft een goeden klank en de tweeëntwintigjarige jongeling wordt als hoofd gekozen. Als hij na eenige aarzeling beloofd heeft de Hoeksche zaak met zijn zwaard en, moet het zijn, met zijn leven te dienen, toont hij zich een waardig zoon van een roemrijke familie: zonder dralen ontwerpt hij een plan van aanval.

Den 18den November zeilt hij, met een vloot van 48 schepen, bemand met 2000 Hoekschen, de Maas op. Tot Delfshaven kunnen zij het brengen, dan belet de ijsmassa het verder voortvaren. Acht honderd en vijftig man worden in alle stilte ontscheept; zij zullen trachten Rotterdam te overrompelen, terwijl de anderen achterblijven om de vloot te beschermen. Over het landijs en den hard bevroren grond trekt een deel den Coolpolder door tot voor den Heer Jan Vettentoren5). Behoedzaam kruipt men over het ijs in de gracht, dat de zorgelooze Rotterdammers vergeten hebben stuk te hakken. En dit was toch wel noodig geweest, daar de muren in een zeer bouwvalligen toestand verkeeren. Met groote behendigheid worden de stormladders aan de muren gehaakt, als katten klauteren de Hoekschen er tegen op en de eerste vijanden zijn weldra in de stad. Vlug volgen de anderen. Nu allen naar de Schiedamsche Poort. De wachters, in slaap verzonken, zijn overrompeld, voor ze aan tegenweer kunnen denken; de poort wordt geopend en de rest der 850 manschappen, die over den Schiedamschedijk tot voor de poort zijn genaderd en zich in het langs den dijk groeiend riet verborgen hebben, komen binnen. De andere stadspoorten en het Stadshuis worden bezet en als de morgen aanbreekt, is de stad in handen der vijanden, zonder dat er één doode gevallen is. Aan tegenweer is niet gedacht, men kende het aantal Hoekschen niet, en bovendien, velen in de stad maakten gemeene zaak met Jonker Frans.

De Rotterdammers schikten er zich wonderwel in, zoo eensklaps van Kabeljauwsch Hoeksch te zijn geworden. Niet weinig droeg daartoe bij de verstandige handelwijze van Jonker Frans, die de Rotterdammers liever te vriend, dan te vijand maakte. Alleen de hoofden der tegenpartij moesten de stad verlaten.

Om zijn manschappen tevreden te stellen, kregen zij als buit de Keulsche, Brabantsche, Engelsche, Fransche en Oostzeeschepen, die met koren, wijn en andere goederen geladen, in de havens aangetroffen werden.


Jonker Frans begreep zeer goed, dat hij in zijn veroverde veste niet met rust gelaten zou worden. Om goed tegenweer te kunnen bieden, moest vooral de rivierzijde beter versterkt worden. Mannen, zoowel als vrouwen en kinderen werden hiertoe opgeroepen. Niettegenstaande den strengen vorst, die den grond zoo hard als ijzer maakte, kwamen de verdedigingswerken, dank zij de vele handen en den ijver, waarmee gewerkt werd, binnen vijf weken gereed.

Maximiliaan van Oostenrijk. Maximiliaan van Oostenrijk.
(vergroting: 1157×1666, 297kb)

Wat de Hoeksche aanvoerder verwacht had, gebeurde. Maximiliaan van Oostenrijk, die voor zijn minderjarigen zoon Filips den Schoonen, na den dood van diens moeder Maria van Bourgondië, regeerde, riep de groote steden op tot een heirvaart tegen Rotterdam. Persoonlijk kwam hij naar deze landen om tot krachtige hulp op te wekken. Haarlem, Leiden, Amsterdam, Naarden, Muiden, Weesp, den Haag, Dordrecht, Gouda, den Briel, Vlaardingen, Schiedam en Delft gaven aan den oproep van hun landsheer gehoor en Rotterdam werd aan alle zijden ingesloten. Aan de Maaszijde werd de stad bedreigd door de Kabeljauwsche schepen, terwijl het voetvolk te Schiedam, Overschie, Bleiswijk, Nieuwerkerk en Capelle aan den IJsel werd gelegerd. De Hoekschen zaten dus als een muis in de val; van alle kanten werden ze bedreigd.


Vóór evenwel het net, waarin de vogel gevangen moest worden, toegehaald was, hadden de Hoekschen al heel wat ellende en rampen veroorzaakt. Beschouwden zij de Rotterdammers zoo half en half als hun bondgenooten, wien men derhalve zoo min mogelijk overlast aandeed, de omliggende plaatsen werden met de gewone wreedheid dier tijden op een gruwelijke wijze gebrandschat. Uren ver werden de rooftochten uitgestrekt, men waagde zich zelfs tot den Haag, Woerden, Schoonhoven en Geertruidenberg. De plaatsen in de onmiddellijke nabijheid van Rotterdam hadden, zooals te begrijpen is, het meest te lijden. Open vlekken en alleenstaande boerenwoningen vielen den Hoekschen zonder slag of stoot in handen. Wie zich verzette, werd gedood, of zag minstens zijn huis in vlammen opgaan.

Schiedam, hoewel goed versterkt en bewaakt, kreeg ook bezoek van de ruwe gasten.

Den 4den December vertoonen zich voor de Ouwerschiesche Poort honderdvijftig, met buit beladen Hoekschen. De Schiedammers doen een uitval en de Hoekschen slaan op de vlucht met achterlating van den roof. De Schiedammers zetten hen na en ..... loopen in de val. Even voorbij het kasteel Starrenburg6) aan den weg naar Ouwerschie gelegen, worden ze in den rug aangevallen door een troep Hoekschen, die zich in den boomgaard verscholen hebben. De vluchtelingen keeren ook om, zoodat de Schiedammers tusschen twee vuren zitten en haastig een goed heenkomen moeten zoeken. Velen hunner sneuvelen.

Natuurlijk zinnen zij op wraak.

Als de Rotterdammers een poosje daarna met een groot aantal schepen de Maas zijn afgevaren en met buit beladen naar hun stad terugkeeren, zien ze zich tusschen Vlaardingen en Schiedam door de Schiedammers aangevallen. Weer is de zege aan de zijde der Hoekschen. Na twee uur strijdens worden de Kabeljauwschen met groote verliezen terug geslagen en de roovers bereiken veilig en wel hun woonplaats.

Na deze twee nederlagen meent Schiedam van batterij te moeten veranderen. Delfshaven, tusschen beide steden gelegen, zal door hen worden bezet, en vandaar uit zullen de Hoekschen worden bestookt.

Deze geven echter hun vijanden de gelegenheid niet het zoover te laten komen. Den 18den December trekken 300 Rotterdammers langs den dijk naar Delfshaven, dat geheel verwoest wordt. Geen huis of schip wordt gespaard, alles gaat in vlammen op. Het dorp Schoonderloo wordt eveneens in brand gestoken. Met buit beladen keert de bende des middags drie uur weer door de Schiedamsche Poort in de stad, zonder zich te bekommeren om al de ongelukkigen, die van huis en haard beroofd, in de strenge koude ronddolen.

Nu de Schiedammers zien, dat er met geweld niet veel tegen de Hoeksche roofbenden uit te richten valt, wenden ze het weer over een anderen boeg. Ze zullen het thans met list beproeven.

Tusschen de puinhoopen te Delfshaven graven ze diepe kuilen, die door takken, latten, rijs en stroo, met puin bedekt, onzichtbaar gemaakt worden. Vele gewapenden verbergen zich achter brokstukken muur, terwijl men er voor zorgt, dat in Rotterdam de tijding verspreid wordt, dat er een troep Schiedammers op weg naar Rotterdam is. Meer is er niet noodig om de Hoekschen uit hun tent te lokken. Gerard Rooftas krijgt van Jonker Frans verlof met vier schepen, bemand met 150 man, langs de Maas naar Delfshaven te stevenen. Ze roeien de haven in en stappen aan land. Geen spoor van vijanden is echter te zien. Ja toch, daar ginds vluchten zes of zeven man langs de Haven. De Hoekschen hen na, maar zooals ge begrijpt, niet ver, want eenige schreden nog en de aanvoerder met een dertigtal zijner mannen liggen in de modderputten te spartelen en te vloeken op de slimme Schiedammers. Deze komen natuurlijk uit hun schuilhoeken en vallen de verschrikte vijanden aan, die hals over kop naar hun schepen ijlen en met achterlating van een 60 tal dooden naar Rotterdam terugkeeren, waar ze nu juist wel niet vriendelijk door Jonker Frans ontvangen zullen zijn.

Rooftas en zijn makkers worden met groote moeite uit de modder geheschen, stevig gebonden en in triomf medegevoerd.


Deze welgeslaagde list geeft den Schiedammers nieuwen moed.

Als ze hooren, dat de roovers weer in het Overmaasche bezig zijn, trekken zij de Maas over en vinden daar de negen schepen, waarmee de Rotterdammers gekomen zijn en die slechts door een gering aantal mannen bewaakt worden. Vier zijn er spoedig genomen, de vijf andere worden op de vlucht gedreven. Nu gaan de veroveraars aan wal, de Hoekschen, die met grooten buit beladen, op den terugweg zijn, tegemoet. De landlieden, wien alles ontnomen is, zijn geprest om den roof met paard en wagen naar de schepen te brengen. Aan tegenweer denken de arme menschen niet; die is immers toch nutteloos en zal hun ellende slechts vergrooten. Daar komen echter de Schiedammers, die op hun vijanden indringen. Nu durven de boeren ook en met vereende krachten worden de roovers op de vlucht gedreven naar hun schepen ...., die er niet meer zijn. Medelijden kennen de verbitterde boeren, nòch de Schiedammers en zonder genade wordt ieder, die niet vluchten kan, neergeslagen.

Het spreekt van zelf, dat de Hoekschen op wraak zinnen. Schiedam zit hun bij alles, wat ze ondernemen, dwars.

Jonker Frans heeft spoedig een plan beraamd. In Schiedam zijn behalve schutters uit Haarlem, Leiden, Amsterdam en Delft, Duitsche en Zwitsersche huursoldaten gelegerd. Dat ze tegen de Hoekschen durven strijden, hebben ze bewezen. Maar niet altijd is er te vechten. Wat ze dan in Schiedam uitvoeren, is niet veel goeds. Menige vechtpartij tusschen de poorters en de ingekwartierden is daarvan reeds het gevolg geweest.

Een drietal van deze gehuurde helpers is ten slotte zoo op de Schiedammers gebeten, dat ze besluiten de stad in handen van den vijand te spelen. Bij een uitval tegen de Hoekschen ondernomen, laten ze zich gevangen nemen en deelen, voor Jonker Frans gebracht, dezen hun plan mede. Of dit ook in goede aarde valt!

Er wordt afgesproken, dat de verraders zullen trachten zooveel mogelijk soldaten tot hun plannen over te halen. Om den Jonker op de hoogte te houden zal er op een nader aangeduide plaats in het verbrande Delfshaven telkens een brief neergelegd worden.

Nu moeten ze echter weer in Schiedam terug zien te komen. Hierop verzint men het volgende.

Ze rijden met een troep Hoekschen over Overschie naar Schiedam. Daar vertoont zich in de verte een troep krijgsvolk uit Delft. Nu begint de komedie. Onder veel geschreeuw en getier worden de drie verraders aangevallen, overmeesterd en gebonden. Daar verschijnen de ijlings toegeschoten Delvenaars ten tooneele. Ze trekken hun zwaarden en komen de aangevallenen te hulp. De Hoekschen vluchten hals over kop, natuurlijk met achterlating van hun gevangenen. Fluks zijn de koorden doorgesneden en is het dankbare drietal in vrijheid. Straks zijn ze weer in Schiedam terug, waar zij een romantisch verhaal van hun wedervaren opdisschen en hun verraderswerk verder voortzetten. Geregeld worden de berichten in de afgebrande woning te Delfshaven neergelegd en velen van het in Schiedam gelegerde, vreemde krijgsvolk worden tot hun plannen overgehaald. Hoewel de burgers, zoowel als de schutters, zorgvuldig buiten het komplot gehouden worden, lekt er toch iets van uit en daarom besluit men, niet langer te dralen en op den avond van St. Valentijnsdag (13 Februari) den aanslag te wagen.

Op den 12den vertoont zich in den vroegen morgen voor de Delftsche poort van onze stad een zonderling ruiter. Hij maakt een geweld van belang en stelt zich aan als een krankzinnige. Als zoodanig beschouwen de poortwachters den zonderlingen gast dan ook. Als ze hem binnen laten, slaat hij als een dolleman om zich heen, schatert het nu eens uit van lachen en begint dan weer luidkeels te zingen. Zijn gekke kuren wisselt hij af door te roepen: „Ik moet den Jonker spreken, ik moet Jonker Frans spreken”.

Als deze van den vreemden ruiter hoort, laat hij hem voor zich komen en nu ontpopt de krankzinnige zich als een bode van de ontevredenen te Schiedam. Hij overhandigt den Jonker een verzegelden brief, waarin medegedeeld wordt, dat alles voor den aanslag op den volgenden avond in gereedheid is.

We schrijven 13 Februari.

De bondgenooten te Schiedam hebben in de duisternis één hunner buiten de Rotterdamsche Poort gezonden, om uit te zien, of de Hoeken al in aantocht zijn. Door een afgesproken teeken, een schreeuw, zal hij zijn makkers waarschuwen.

Daar slaat het acht uur! Nog een uur en de Rotterdammers zullen er zijn. Maar, wat is dat? Hooren de wachters aan de poort daar niet reeds het bepaalde sein? Zeker zijn de Hoeken vroeger gekomen, dan is afgesproken. Vooruit dan maar! De poort laat men door middel van buskruit openspringen, om de vrienden binnen te laten. Maar geen der Hoeken is in velden of wegen te ontdekken. Zij liggen nog rustig te Delfshaven te wachten. Geen wonder, dat nu de aanslag mislukt. De verraders moeten zich door een snelle vlucht zien te redden. Schiedam, aan een groot bloedbad ontsnapt, is na het voorgevallene nog meer op zijn hoede en twee hernieuwde pogingen van Jonker Frans om de stad te verrassen, mislukken.


De Rotterdammers smeeken Jonker Frans de stad over te geven. De Rotterdammers smeeken Jonker Frans de stad over te geven.
(vergroting: 1767×1180, 370kb)

De insluiting van Rotterdam wordt voortdurend nauwer, zoodat het steeds bezwaarlijker gaat, levensmiddelen in de stad te brengen. Geen wonder, dat gebrek zijn intrede doet, en dat de poorters gaan mopperen. Zoolang Jonker Frans succes had op zijn rooftochten, was men op zijn hand en deed zelfs dapper mee; maar gebrek lijden, van honger omkomen, handel en scheepvaart totaal zien verloopen, dat heeft men voor den Hoekschen Hoofdman niet over. Ging er enkele maanden geleden een gejuich op, als de Jonker zich aan de menigte vertoonde, thans gaat er een dof gemor door de vermagerde schare. Er wordt geroepen: „Wij sterven van honger. Geef de stad over”!

't Heugt mij, hoe ze in haer wallen Door ondraegbren hongersnoodt Gansch van moedt en magt ontbloot Als in flaeuwte lag gevallen.

Den 25sten Juli vertoont zich voor de Goudsche poort een bode met een witte vlag. Met luider stemme roept hij: „Poorters van Rotterdam. Verdrag! Overgaaf! Vergiffenis. In naam van Koning Maximiliaan opent de poort”!


De bode treedt binnen en richt, door de hongerige poorters gevolgd, zijn schreden naar de woning van den Jonker op de Hoogstraat. Hier neemt Jonker Frans kennis van de voorwaarden, hem aangeboden: hij mag de stad met al zijn soldaten in volle wapenrusting verlaten, doch met achterlating van krijgsvoorraden en oorlogsvaartuigen. De gevangenen zullen op vrije voeten gesteld worden en wie met Brederode de stad wil verlaten, heeft daartoe vrijheid.

Het kost den fieren Jonker grooten zelfstrijd, voor hij een besluit kan nemen. Den trotschen nek te buigen, hij, een Brederode; heeft hij daarvoor alles opgeofferd? Maar toch, de voorwaarden zijn eervol; kunnen haast niet eervoller zijn. En dan—mag hij nog langer den ongelijken strijd volhouden; nog meer bloed vergieten voor een verloren zaak; nog meer ellende en kommer brengen over de burgers van Rotterdam? Hij besluit de stad over te geven.

En Breêroo, de oorzaak van haar tranen, Neemt met zijn ongeschonden vanen, De ellenden van den oorlog mee.

Hij vertrekt naar zijn oude wijkplaats Sluis.

Een maand later vinden wij hem weer in de gevangenis te Dordrecht. Hij heeft zijn laatste gevecht geleverd. Zijn rechterknie is door een kogel verbrijzeld. Met bleek gelaat en pijnlijk verwrongen trekken ligt hij in den kerker. Het bed van stroo, hem gespreid, zal straks zijn sterfbed zijn. En met hem sterft de Hoeksche partij. Van haar aanvoerder beroofd, is haar kracht gebroken.

Zegel in zwart was, (...) Zegel in zwart was, gehecht aan het stuk, waarbij Maximiliaan de stad Rotterdam vergiffenis schonk. Het origineel wordt bewaard op het Gemeente-Archief. Maximiliaan houdt, zooals duidelijk is waar te nemen, zijn zoon Filips bij de hand. Een verkorte inhoud van het op perkament geschreven stuk volgt hier. December 1489. Maximiliaan, Roomsch Koning en Philips, zijn zoon, aartshertogen van Oostenrijk enz. verklaren aan de regeering van Rotterdam, op haar verzoek, de stad vergiffenis te hebben geschonken voor hetgeen ze misdreven heeft, bij het innemen der stad door Frans van Brederode, bepalende, dat zij echter de helft der kosten zal dragen van de in de stad aan te leggen sterkten en van de bezetting daarbij noodig.
(vergroting: 1318×1192, 186kb)

Na een kamp van 150 jaren heeft de taaie volharding der poorters gezegevierd over de woeste kracht der edelen.

Hoe ging het nu met Rotterdam?

Zwaar was de stad gestraft geworden voor haar zorgeloosheid. Groot waren de verwoestingen, aangericht tijdens het verblijf der Hoekschen; vele menschenlevens vielen te betreuren. Heel wat poorters, en juist de meest gegoeden, hadden de stad verlaten, vele anderen waren door de duurte der levensmiddelen en door den stilstand van alle handel, scheepvaart en nijverheid tot den bedelstaf gebracht.

En of de stad hierdoor nog niet genoeg getroffen was, werd haar door Maximiliaan nog een schatting van 26000 Rijnsche guldens7) opgelegd. Dat was de prijs, waarvoor de plundering werd voorkomen.

Het ging in onze verarmde stad niet gemakkelijk een zoo groote som bijeen te brengen. Om de door de stadsregeering opgelegde belasting te kunnen voldoen, moesten velen hun kostbaarheden verkoopen; de schatten der kerk, ja zelfs 1700 bedden, werden verkocht en toen was nog slechts de helft der som bijeen. Gelukkig gaf Maximiliaan voor de andere helft uitstel en schold in 1496 zelfs het nog onbetaalde gedeelte kwijt.

Daar gebleken was, dat de verdediging aan de Noordzijde het zwakst gevoerd was, werd bevel gegeven de stad aan deze zijde te verkleinen. Duizend schreden in de lengte en 300 in de breedte zag Rotterdam van zijn grondgebied afgaan. Natuurlijk moest hiervoor de stadsgracht worden verlegd, wat weer veel geld kostte.

„'t Kabeljaeuws beleg had alles schots verkurven, De Rotterdamsche Schie was t'eenemael bedurven, En moest hergraven zijn”.

De Delftsche Poort en andere verdedigingswerken, die veel hadden geleden, eischten herstelling. Geen wonder, dat er vele jaren verliepen, voor de stad zich van de toegebrachte slagen had hersteld.

Thans is de naam van Jonker Frans aan een drukke winkelstraat verbonden. Nog steeds herinnert de dappere jongeling ons daardoor aan zijn heldendaden, maar tevens ook aan al de ellende, die hij over onze stad gebracht heeft.


4) Een Brugsch schild had een waarde van ƒ 3,28 125.
5) Deze stond aan den Coolsingel, op dezelfde plaats, waar thans de korenmolen „de Hoop” gevonden wordt.
6) Zie het kaartje op pag. 18.
7) Een Rijnsche gulden had een waarde van ƒ 2.625.

5. De St. Laurenskerk.

Jongens, jongens, als die eens vertellen kon, wat er al gebeurd is in den tijd, dat zij daar staat, wat zouden we dan een massa te hooren krijgen. De Groote Kerk toch is het alleroudste gebouw in Rotterdam; al vijf eeuwen staat ze daar op dezelfde plaats en hoe lang zal ze den tand des tijds nog wel kunnen doorstaan? Ze ziet er nog niet naar uit, dat ze al vijfhonderd jaar allerlei stormen getrotseerd heeft en toch is dat zoo.

S. Laurentius Martyr. S. Laurentius Martyr.
(vergroting: 709×1199, 192kb)

In het begin der 15de eeuw was Rotterdam nog maar een klein plaatsje met niet meer dan 1200 huizen—op 1 Januari 1911 waren er 45751 gebouwen, die 94870 woningen bevatten. Onder de regeering van Graaf Albrecht heerschten er rust en welvaart in deze gewesten. Ook Rotterdam profiteerde van die rust en ging goed vooruit. De poorters wenschten een bedehuis te bezitten, hetwelk wedijveren kon met dat der omliggende plaatsen, ja, als het kon, de kerken uit den omtrek overtreffen. Dat was geen kleinigheid voor zoo'n kleine plaats, maar de geheele burgerij was vol moed het grootsche plan uit te voeren. Hoe aan het geld voor den bouw te komen? Vele burgers schonken vrijwillige bijdragen; wie als poorter zich binnen de muren der stad vestigde, moest 3000 steenen leveren voor den kerkbouw. Heel wat opgelegde boeten kwamen het bouwfonds ten goede; allerlei belastingen werden ten bate van den kerkbouw aangewend. Ofschoon het geld voor den bouw der geheele kerk nog lang niet bij elkaar was, begon men toch met moed en hield zich overtuigd het tot een goed einde te zullen brengen.

In 1409 werd de eerste spade in den grond gestoken; in 1412 werd de eerste steen gelegd; in 1426 kon een deel der kerk in gebruik genomen worden.

Volgens Katholieke gewoonte werd zij aan een Heilige gewijd en wel aan den Heiligen Laurentius. Bij zijn leven was Laurentius een der zeven diakenen of armverzorgers der kerk van Rome, onder Paus Sixtus II. Toen deze Paus op bevel van Keizer Valerianus gevangen genomen werd, begeleidde Laurentius hem naar de strafplaats. Daar werd hem door den Prefect van Rome bevolen alle rijkdommen der Kerk, welke hij onder zich had, uit te leveren. Laurentius vroeg drie dagen uitstel om aan het bevel gevolg te kunnen geven; hij verkreeg dit, verkocht in dien tijd alle kostbaarheden en verdeelde de opbrengst onder de armen. Toen de Prefect na drie dagen bij hem kwam om de schatten in bezit te nemen, toonde Laurentius hem een aantal armen en gebrekkigen en zei: „Ziedaar de schatten der kerk”. Volgens de overlevering was de Prefect over deze handelwijze zoo vertoornd, dat Laurentius gegeeseld en op een rooster levend verbrand werd. Onder de regeering van Keizer Constantijn den Grooten werd op de plaats, waar Laurentius begraven werd, een der zeven patriarchale zuilenkerken van Rome gebouwd.

De naamdag van den Rotterdamschen beschermheilige, 10 Augustus, wordt nog ieder jaar herdacht; vroeger met groote plechtigheid. Na het einde der Hoogmis trok een processie, waaraan aanvankelijk slechts geestelijken, maar later ook de schutters en ambachtsgilden deelnamen, door de versierde straten.

Aert van Nes. Aert van Nes.
(vergroting: 1193×1658, 339kb)

Evenals met zooveel oude kerken het geval geweest is, is ook onze Sint-Laurenskerk niet achter elkaar afgebouwd. Nu eens ontbrak het aan geld om verder te bouwen, dan weer maakten de Hoekschen met hun kaperschepen het den Rotterdammers zoo lastig, dat zij wel aan wat anders te denken hadden, dan aan den opbouw van het bedehuis. Eerst tegen het einde der 15de eeuw kon men zeggen, dat het gebouw voltooid was. Bijna een eeuw lang was men met groote tusschenpoozen bezig geweest het trotsche gebouw, dat wij nog dagelijks kunnen aanschouwen, te doen verrijzen. De Kerk was voltooid, maar de toren nog niet. In 1449 was men met den bouw hiervan begonnen. Aanvankelijk was hij door een smal watertje van de kerk gescheiden. Het hoogheemraadschap van Schieland had nl. bezwaar gemaakt „de Sluysvliet” te dempen, daar er niet voor een goede afwatering kon gezorgd worden. Doch in 1460 geloofde men, dat het dempen van het watertje geen overwegend bezwaar zou opleveren. Het schip der kerk werd nu zoover verlengd, dat kerk
en toren één geheel uitmaakten. Op het einde der 15de eeuw was men met den torenbouw nog niet verder gevorderd, dan tot het dak der kerk. Eerst in 1548 werd de toren belangrijk verhoogd; een eeuw later, in 1645 nog eens, zoodat hij toen zijn tegenwoordige hoogte bereikte. Oorspronkelijk bestemd voor den dienst der Roomsch-Katholieken, ging de kerk, na de Hervorming in deze gewesten, in 1572 aan de Hervormden over. Sedert dien is zij in het bezit der laatsten gebleven.

Graftombe van Witte Cornelisz. de With. Graftombe van Witte Cornelisz. de With.
(vergroting: 764×975, 136kb)

Het mooiste gedeelte van de Kerk is het koor; het was oorspronkelijk dan ook bestemd de aandacht der talrijke bezoekers te trekken. Immers, daar stond eens het hoogaltaar, waar de plechtigste missen werden gehouden. Het fraaie koperen hek, dat het koor sinds 1715 afsluit, is door den kopergieter F. van Douwe vervaardigd en kostte niet minder dan de voor dien tijd kapitale som van 32000 gulden.

In het koor liggen verschillende beroemde personen begraven; o. m. Aert van Nes, de rechterhand van admiraal De Ruyter, die meer dan 50 jaren lang—van 1637 tot 1692—het land zijn diensten heeft bewezen. Was hij op het veld van eer gesneuveld, wellicht had men voor hem ook een sierlijk monument opgericht, evenals voor Witte Cornelisz. de With, wiens graftombe ten zuiden van het koor te vinden is.

Tot blijvende gedachtenis aan dezen zeeheld, die van 1579 tot 1658 bijna onafgebroken de zee bevaren heeft en in 1658 in de Sont sneuvelde, werd in 1660 deze schoone graftombe opgericht. Het geharnaste beeld van den held ligt uitgestrekt op een sierlijke lijkbus, waarvoor twee kinderen een keurige afbeelding ontrold houden van den zeeslag, waarin hij het leven liet. Aan de voeten staat de geopende, gepluimde helm. Tusschen twee gevlamde marmeren kolommen vinden we den aardbol, daarachter den steen, die in gouden letters den roem en de bedrijven ter zee van den „Kregel Mennoniet”8) in het Latijn vermeldt. Links van den steen staat de zeegod Neptunus, met den drietand in de hand en een dolfijn aan zijn voeten; rechts zien we den krijgsgod Mars, met den haan als zinnebeeld der waakzaamheid. De twee kinderen boven houden het wapenschild van W. C. de With vast. Evenals zoovele geslachtswapens is ook dit in den Franschen tijd weggehakt. Het bestond uit drie geknotte vogels door een kroon gedekt. Op de kolommen rust een kroonlijst; daarop bevinden zich de wapenschilden van ons land, dat van Rotterdam en dat der Admiraliteit van Holland en West-Friesland, waarvan De With in 1637 vice-admiraal geworden was. Tusschen deze wapens bevinden zich twee beelden, de Zeevaart en de Faam voorstellende. Vlaggen, wimpels, scheeps- en krijgstuig voltooien het geheel, dat door den beeldhouwer Ricx vervaardigd werd en door een ijzeren hek omgeven is.

Johan van Brakel. Johan van Brakel.
(vergroting: 795×985, 110kb)

In de Metselaarskapel, achter de tombe van De With, hangt een schilderij met het onderschrift „gebouwd op het fondament der apostelen en profeten”. Op het schilderstuk zien wij een burcht, waarvoor kinderen de attributen van het metselaarsvak opheffen. Beneden vinden we de zerk, die het stoffelijk omhulsel van Johan de Liefde dekt, die als vice-admiraal in den zeeslag bij Kijkduin (1666) sneuvelde. In de daarachter liggende Schoenmakerskapel is Johan van Brakel, schout-bij-nacht van Holland en West-Friesland, die in 1690 tegen de Franschen sneuvelde, begraven. De wit marmeren zerk draagt het volgende opschrift:

Hier rust d' Heer Johan van Brakel Schoudt bij Naght van Hollandt en West-Vrieslandt geschooten in de bataelje tegen de France Koninghs vloot den 10 Julius 1690.

Tegen den muur prijkt het borstbeeld van den zeeheld, eveneens van wit marmer. De buste is door een lauwerkrans omgeven. Daaronder vinden we een Latijnsch bijschrift en het volgend Hollandsch gedicht:

Door ketens, donders, loot en staal en bliksemstraalen Te vliegen, en een roof op 's vijands grond te haalen, Was Brakels werk, die zijn triomf rukte uit den brand Zijn naam en krijgsdeugd eert zijn graf en Vaderland.

Als pendant van de graftombe van W. C. de With, vinden we links van het koor het monument van Egbert Meeuwisz. Kortenaer, die in 1665 bij Lowestoff tegen de Engelschen sneuvelde. Op de tombe ligt het beeld van den dapperen held in wit marmer uitgehouwen. Zijn hoofd rust op een gevlochten matras; den bevelhebbersstaf houdt hij in de handen geklemd. De verminking aan het linkeroog en de rechterhand, waarvan het grafschrift spreekt, is duidelijk te zien. Aan de voeten merken wij weer den gepluimden helm en achter het beeld een zegetronk met een sierlijken lijfrok behangen, die op den linkerarm een schild, vroeger het familiewapen vertoonende, draagt. Vier ranke, wit marmeren pilaren dragen het zwarte frontespice met het wapenschild der Generaliteit, een kroon en twee kruiswijs liggende ankers. Op de kroonlijst vinden we weer een Latijnsch opschrift. Op de tombe zelf lezen we het bekende gedicht van Gerard Brandt:

De Heldt der Maes, verminckt aen oog en rechterhandt En echter 't oog van 't roer, de vuyst van 't Vaderlandt De groote Kortenaer, de schrick van 's vijants vlooten D' ontsluyter van de Sondt, leyt in dit graf beslooten.
Graftombe van Egbert Meeuwisz. Kortenaer. Graftombe van Egbert Meeuwisz. Kortenaer.
(vergroting: 723×971, 124kb)

Tal van vlaggen en ander oorlogstuig voltooien weer het geheel, dat door den beeldhouwer Verhulst vervaardigd, in het laatst van 1669 werd opgericht.

Wel niet aan een of ander zeegevecht, maar toch aan een belangrijke gebeurtenis uit onze geschiedenis herinnert het Julianaraam, dicht bij de graftombe van Kortenaer. Dit is ter blijvende gedachtenis aan de geboorte van prinses Juliana opgericht. Het geeft ons Koningin Wilhelmina met de kleine Prinses te zien; Prins Hendrik staat naast haar onder het baldakijn, waarover de „Oranjezon” haar stralen op de jonggeborene schiet.

Rotterdams stedemaagd wordt gevolgd door de Zeevaart, de Binnenvaart, den Koophandel en de Industrie en brengt Hare Majesteit hulde; een page draagt het wapen der stad, terwijl Fortuna haar gaven voor den troon nederlegt.

Op den achtergrond ziet men de Maas met de stad in het verschiet; tusschen de wolken slingert zich een lint met de woorden: „Wilhelmus van Nassauwe ben ick van Duytschen bloedt”.

Op de onderste helft vinden we de wapens van het Huis van Oranje, van Prins Willem I tot Koningin Wilhelmina ter eener zijde, aan den anderen kant de wapens der elf Provinciën. Tusschen deze verschillende wapens staat de opdracht:

„Ter herdenking van de geboorte van H. K. H. Juliana, Louise, Emma, Marie, Wilhelmina, Prinses van Oranje-Nassau, Hertogin van Mecklenburg, enz. enz. den 30sten April 1909”.

Hoewel er in de Kerk nog heel wat geschiedkundige herinneringen door de opschriften op de zerken kunnen gewekt worden, willen wij het hierbij laten om nog een kort oogenblik te verwijlen bij den fraaien preekstoel, door het doophek omringd en in 1707 vervaardigd. De balustrade der trap is met mooi houtsnijwerk versierd. De glorie der kerk is en blijft echter het orgel, een der grootste van ons land. Reeds lang voor dat de Sint-Laurens voltooid was, bezat de kerk een orgel. In het laatst der 18de eeuw bleek een nieuw instrument dringend noodig te zijn. De Fransche tijd was evenwel niet geschikt om het groote werk te bevorderen en eerst in 1828 was het orgel voltooid. In 1845 is het hersteld en vergroot met een vierde klavier.

Enkele jaren geleden heeft het belangrijke herstellingen ondergaan. De reusachtige pijpen in het front zijn 32 voet hoog, de grootste dier pijpen (in het geheel zijn er ruim 5000) weegt 500 pond. De engel met de bazuin is 5 Meter hoog. Een voetstuk met twaalf marmeren zuilen draagt het orgel, dat 126000 gulden gekost heeft.

Hier volgt nog een vertaling der Latijnsche opschriften in de les genoemd:

1. Op het grafmonument van Egbert Meeuwiszoon Kortenaer:

„Voor den onvergelijkelijken held Egbert Meeuwisz. Kortenaer hebben de Edelmogende Heeren der Admiraliteit van de Maas dit gedenkteeken van heldendeugd en roemrijken dood gesticht”.

2. Op het grafmonument van Witte Cornelisz. de With:

„Aan de verdiensten en onsterfelijkheid van den Ridder Witte Corneliszoon de With”.


8) Welke geest W. C. de With als knaap reeds bezielde, blijkt uit het feit, dat hij zich op tienjarigen leeftijd zonder toestemming zijner ouders, die Mennist waren, liet doopen, daar de jongens op school hem dikwijls plaagden, dat hij als Doopsgezinde niet mocht vechten of terugslaan.

6. Een ramp op de Maas.

Het is in de laatste dagen van Februari van het jaar 1511. Reeds meer dan drie maanden heerscht er zoo'n strenge vorst, dat alle scheepvaart gestremd is en de rivieren met een dikken ijsvloer bedekt zijn. Ook de Maas is door den wintervorst in boeien geklonken en waar anders de vlugge zeilers het breede, haast onafzienbare, watervlak tusschen Blaak en Overmaaschen oever stoffeeren, zien wij nu de Rotterdammers op de gladde ijzers zwieren.

Zóó hecht en sterk is de ijsspiegel, dat hij zelfs tenten en uitstallingen van allerlei grootte en zwaarte kan dragen. Sleden en vrachtwagens met honderden ponden beladen, wagen zich zonder vrees op het gestolde watervlak. Een ondernemende hoefsmid heeft voor de St. Laurenspoort zijn werkplaats opgericht en zet de paarden scherp, zoowel van den vrachtboer als van den gegoeden stedeling, die zich in zijn slede over de baan laat voeren. Hier en daar zien wij zelfs kolfbanen afgebakend, en verlustigen de poorters zich met dit geliefde, oude volksspel.

Sinds het laatst van November reeds, kan men dagelijks van dit schilderachtig en levenslustig tafereel genieten.

Thans echter schijnt er een eind aan te zullen komen. Een krachtige Noordwestenwind is opgestoken, een sterke dooi ingevallen. De opgestuwde wateren hebben de metalen ijskorst reeds hier en daar doen barsten.

De Vroedschap roept de poorters door klokgeklep voor het Stadshuis en laat mededeelen, dat alle kramen en verdere opstallen van de Maas verwijderd moeten worden. Het sterk opgestuwde water kan in zijn wilden loop ieder oogenblik den ijsvloer verbreken en medevoeren.

Niet allen helaas nemen den welgemeenden raad van het stadsbestuur ter harte. Een groote menigte geestelijken maakt zich zelfs op tot een tocht over de rivier. Wat mag het wel zijn, dat deze vrome mannen het waarschuwend woord van hun Overheid in den wind doet slaan? Is het de zucht tot genot, die hen nog een laatsten keer van het ijsvermaak wil doen genieten? Geenszins, vrome ijver drijft hen, niettegenstaande den ingevallen dooi, dezen reeds lang van te voren beraamden tocht te ondernemen.

Aan den overkant der Maas ligt het nederig dorpje Charlois in het ambacht van dien naam. Het is aldus genoemd naar den heer van Charollois (Karel den Stouten), die de „concessie” tot bedijking heeft verleend. Het aan St. Clemens gewijde bouwvallige houten kerkje is thans van steen opgetrokken en het kerkgebruik eischt een hernieuwde inwijding. Daarom trekt men in plechtigen optocht over de reeds dooiende ijsvlakte. Luid klinken de lofzangen der vrome geestelijken en koorbroeders, omstuwd door een ontelbare menigte, die mee optrekt. De wind giert en het ijs is reeds allerwege met water overdekt. Haast is men op de plaats van bestemming gekomen. Maar hoor, wat is dat! Welk een machtig geluid, dat de angstkreten der processie overstemt! De broze ijsvlakte waggelt onder de voeten van de bijna 5000 menschen, die zich juist boven een draaikolk bevinden, waardoor de ijskorst niet zoo hecht en sterk is, als op andere plaatsen. Schrik en ontzetting teekenen zich op ieders gelaat. Daar scheurt met een donderend geluid het ijs van een, in wilde vaart worden menschen en ijsschollen door het van zijn boeien ontslagen water medegevoerd. Ruim 4000 menschen vinden hun graf in „de Monnikkenput”; in weinige oogenblikken is geheel Rotterdam en omstreken in diepen rouw gedompeld.

Eén groot graf heeft men voor de talrijke slachtoffers van de ramp gegraven. Nabij den Sluisjesdijk, aan den weg naar Pernis, vonden ze hun laatste rustplaats.


7. Erasmus.

1467–1536.

De achtbre wijsheit zelf knielt neer Voor Uw grooten Desideer.

Ieder onzer kent wel den grijzen monnik op de Grootemarkt, die, zonder zich te storen aan het geroezemoes der groentevrouwen vòòr hem, of het ratelen van den trein àchter hem, aandachtig in zijn boek staat te lezen. Gedurende al de jaren, die over hem zijn heengegaan—en dat zijn er heel wat—heeft hij geen oog opgeslagen.


Desiderius Erasmus Rogerii, of Erasmus Roterodamus, zooals hij zich schreef, werd ± 1467 in het huisje in de Wijde Kerkstraat, dat later naar hem het Erasmushuisje genoemd is, geboren. Dit gebouwtje bestaat reeds sinds lang niet meer, maar toch kunnen we ons nog een denkbeeld vormen van het uiterlijk. Men heeft nl. de gelukkige gedachte gehad den vroegeren gevel in zijn oorspronkelijken vorm tegen het daar nu staande huis aan te bouwen. Om de illusie nog volkomener te maken, heeft men ook een luifel en den klopper, waarvan vroeger haast alle huizen voorzien waren, aangebracht.


Den 27sten September 1549 was er in onze stad een aanzienlijk gezelschap bijeen. Philips van Spanje, de latere Philips II, en zijn tante Maria van Hongarije, de Landvoogdes, die met een aanzienlijk gevolg de Nederlanden doorreisden, vereerden ook Rotterdam met een bezoek. De tweeëntwintigjarige Prins, die deze reis op verlangen van zijn vader deed, om kennis te maken met zijn toekomstige onderdanen, werd feestelijk ingehaald. De geheele versierde stad jubelde den hoogen gast het welkom tegen. De huizen waren behangen met lakens van verschillende kleuren, voornamelijk rood en wit. Op alle waren de letters P. P. aangebracht, wat de dubbele beteekenis had van: „Aan Prins don Philips” en „Padre de la Patria”, dit is „Aan Prins Philips, den Vader des Vaderlands”. De burgemeesters, toen twee in getal, beijverden zich den Prins volgens rang en stand te ontvangen. Ze leidden hem door de kwistig getooide straten, tusschen twee rijen poorters, die, naar Zuidelijk gebruik, met brandende fakkels in de hand stonden. Toen de stoet op de plaats kwam, waar nu de Grootemarkt is, maar destijds nog voor het grootste deel water was, werd er halt gehouden. Hier wachtte Erasmus, de geleerde en beroemde Rotterdammer, den Prins op en overhandigde hem een welkomstgroet, geschreven in de taal der geleerden, het Latijn, en vertaald aldus luidende:

„Desiderius Erasmus aan Filips van Bourgondië, Prins van Spanje. Rotterdammer zijnde, heb ik wel willen toonen, dat ik mijne medeburgers niet verlaat. Op hun verzoek heet ik U, doorluchtige Prins, welkom binnen onze wallen, en ik beveel dit volk aan in Uwe genegenheid en bescherming. Allen huldigen U, o Keizerszoon, als Heer en kennen geen grooter geluk”.

Philips betoonde zijn tevredenheid, door onder de saamgestroomde menigte handenvol geld te strooien, wat denkelijk eveneens de goedkeuring onzer voorvaderen wegdroeg en voor de koninklijke bezoekers een amusement te meer was.

De Prins kon Erasmus zelf niet danken voor zijn welkomstgroet, evenmin als deze den keizerszoon den volgenden morgen in zijn nederige woning kon rondleiden, toen Philips na de godsdienstoefening in de St. Laurenskerk te hebben bijgewoond, een gang deed naar het geboortehuis van Erasmus en dit woninkje bezichtigde. De groote geleerde toch was reeds in 1536 te Bazel gestorven en met veel statie in de hoofdkerk begraven. Nog wijst een gedenkteeken, door zijn vereerders opgericht, de rustplaats aan van den grooten denker. En hoe kon Erasmus dan den vorigen dag Philips verwelkomen, zult gij vragen? Het zal u duidelijk zijn, als we zeggen, dat de feestredenaar van ..... hout was.


Zooals we zagen, werd Erasmus ± 1467 te Rotterdam geboren. Zeer kort daarna verliet hij deze stad, waar hij nooit meer is teruggekeerd.

ERASMVS ROTERODAMVS.
(vergroting: 1168×1785, 335kb)

Gouda werd zijn woonplaats, waar hij zijn eerste
opvoeding en onderwijs genoot. Daarna woonde hij te Utrecht en kwam in 1478 te Deventer op de Fraterschool. Reeds als kind blonk hij zoo zeer uit door schranderheid, ijver en leerlust, dat hij zich op twaalfjarigen leeftijd door een beroemd persoon hoorde toevoegen: „Ga zoo voort, eenmaal wordt gij een groot man”. En hij heeft zijn leermeesters niet teleurgesteld; integendeel, hij heeft hun stoutste verwachtingen overtroffen. Als groot geleerde heeft hij zich een naam gemaakt, die nu nog in alle beschaafde landen met eere wordt genoemd. De boeken, die hij heeft geschreven, zijn in vele talen overgezet en worden thans nog gelezen en bewonderd. „De lof der zotheid” is zijn bekendste werk.

Als monnik heeft hij een tijdlang in een klooster te Stein bij Gouda doorgebracht, waarna hij in verschillende landen, o. a. Zuid-Nederland, Frankrijk, Engeland, Italië en Zwitserland reisde en studeerde, zich steeds grooter naam als geleerde verwervende. Koningen en Keizers overlaadden hem met gunsten en eerbewijzen, en bij zijn bezoeken aan verschillende plaatsen werd hij gevierd, als was hij van koninklijken bloede. Als een bewijs, dat men den grooten geleerde nog steeds eert, kan het bericht in Engelsche bladen dienen, dat de toren van de Anglikaansche Kerk te Aldington voltooid is en daarmede een werk, dat ondernomen werd ter eere van Erasmus, die korten tijd rector van die gemeente is geweest. Het geld voor dezen toren, die men vier eeuwen geleden begon te bouwen en in 1911 eindelijk voltooid is, werd bijeengebracht door vereerders van Erasmus over de heele wereld.

Al had hij na zijn prille jeugd Rotterdam nooit meer betreden, hij noemde zich toch steeds Erasmus Roterodamus; hij maakte zijn geboortestad, die aldus in zijn roem deelde, tot ver over de landsgrenzen bekend, en het is dus in de Rotterdammers te prijzen, dat ze 13 jaar na zijn dood den grijzen geleerde nog eens ten tooneele voerden, om als een waardige zoon van zijn vaderstad den Prins te verwelkomen.

Wat nu echter met het houten beeld gedaan? Opbergen tot er zich weer een feestelijke gelegenheid voordeed? Onze voorouders wisten beter. Ze plaatsten het op de brug, die over het Steiger gelegd werd en aldus het West-Nieuwland met de Hoogstraat verbond. Op deze brug werd markt gehouden, zoodat de man, die bij zijn leven steeds de stilte en de eenzaamheid zocht, in Rotterdam althans deze nooit heeft gekend. Want al meer dan 300 jaren is hij getuige geweest van het bedrijvige marktgewoel vóór hem.

Niet lang duurde het, of regen en wind hadden het houten beeld verteerd. Men was echter reeds te zeer gehecht aan en te trotsch op dezen beroemden stadgenoot om hem voortaan niet meer in zijn midden te wenschen. Daarom verrees er in 1557 een beeld van steen, dat beter tegen den tand des tijds bestand was en het tot 1622 uithield. Toen werd door den beroemden beeldhouwer Hendrik de Keyser—naar wien de Hendrik de Keyserstraat is genoemd—een nieuw beeld van koper vervaardigd. Dit metalen gietsel heeft de eeuwen getrotseerd en staat nog ongeschonden op de Grootemarkt.

Wanneer de ernstige man eens spreken kon, wanneer hij zijn eigen lotgevallen en die van zijn stad eens kon verhalen, ge zoudt wat hooren. Hij zou u vertellen van al de veranderingen, die in zijn onmiddellijke omgeving hebben plaats gegrepen; hoe langzamerhand mèt de stad, ook zijn terrein, de Markt is gegroeid; hoe de eenvoudige houten brug, waarop hij eerst een plaatsje kreeg, is geworden tot het breede terrein van heden. Hij zou u wat weten te vertellen van al de Rotterdammers, die hij aan zijn voeten heeft zien spelen, groot worden en heengaan. En wanneer de geleerde eens van eigen lijden en strijden ging verhalen! Dan zou hij u spreken over de woeste Spanjaarden, die hem in 1572 beschoten, verminkten en ten slotte te water wierpen, hoe hij later weer is opgehaald en opnieuw zijn oude plaats verkreeg. Hij zou het tegenwoordige geslacht zeker ook danken, dat het hem met rust laat en 's zomers niet meer blank poetst, want hij schaamt zich zijn oud gewaad, dat bij zijn ernstig uiterlijk past, niet. Met smart zou hij u spreken van den Franschen tijd; hoe hij er getuige van is geweest, dat daar voor hem de brooddronken Rotterdammers hand in hand met de Franschen om den vrijheidsboom dansten; van de daarop gevolgde vernedering, die zijn vaderstad ondervond; van den handel, die verliep; de industrie, die kwijnde; de armoede, die heerschte; hoe hij zelf in angst en beven verkeerde, toen Napoleon, bij zijn bezoek aan Rotterdam, hem, den man des vredes, tot kanonnen had willen gieten; van zijn dankbaarheid, toen vermogende stadgenooten dit gevaar door betaling van een aanzienlijke som gelds wisten te bezweren. En zeker zou hij u met fierheid verhalen, hoe hij, na de jaren van vernedering te hebben medegemaakt, zich op een morgen, met de oranjekleur getooid, aan zijn medeburgers vertoonde, hoe hij door zijn tweeregelig versje:

Durft niemand nog Oranje dragen, Ik durf mijn grijzen kop wel wagen,

een der eersten was, die den Franschen dwingeland openlijk durfde trotseeren.


8. Anneken Jans.

Nadat Maarten Luther in 1517 de 95 stellingen aan de slotkerk te Wittenberg had aangeplakt en daarmee openlijk met de Roomsch-Katholieke kerk en leer had gebroken, sloten zich velen, die slechts op een voorganger hadden gewacht, bij den Hervormer aan.

Begon de Hervorming in Duitschland, als een niet te keeren stroom drong ze voort over de grenzen. Weldra waren er ook in ons land velen, die, hetzij openlijk, hetzij in het geheim, de nieuwe leer beleden.

De veranderingen, die Luther en zijn volgelingen wilden invoeren, bepaalden zich tot den godsdienst. Andere Hervormers echter wilden niet alleen de kerk, maar ook de maatschappij volgens hun inzicht inrichten; ze droomden zich onder meer een samenleving in gemeenschap van goederen.

Onder Jan Mathijszoon van Haarlem en Jan van Leiden wisten deze godsdienstige dweepers—Wederdoopers werden ze genoemd, omdat zij zich voor de tweede maal lieten doopen—Munster in Duitschland in hun macht te krijgen. In deze stad ging men nu leven volgens de door hen verkondigde denkbeelden. Er werden daar echter, zoowel door de voorgangers als de volgelingen, zulke buitensporigheden en wreedheden bedreven, dat ze terecht als gevaarlijk voor de maatschappelijke orde werden gebrandmerkt. Geen wonder dan ook, dat de aanhangers dezer leer aan felle vervolgingen blootstonden. Te vuur en te zwaard werden ze vervolgd; want, werden àlle afvalligen gevaarlijk geacht, de secte der Wederdoopers in dubbele mate. Wel waren er onder hen stille en bedaarde menschen, die al gelukkig geweest zouden zijn, indien ze ongemoeid hun nieuwe leer hadden kunnen belijden en verkondigen, maar in de vervolgingen, waaraan ze blootstonden, maakte dit geen onderscheid: ze waren allen des doods schuldig. Velen van hen zijn op gruwelijke wijze ter dood gebracht. Ook in Rotterdam hebben enkelen terecht gestaan. Van één dezer strafoefeningen willen wij hier wat verhalen.


Het is 24 December 1538. Zoo juist zijn twee vrouwen, die de Delftsche poort uittraden om met de schuit naar Delft te vertrekken, aangehouden. Ze zijn dezen morgen met den vrachtwagen van het Kralingsche Veer gekomen en hebben de onvoorzichtigheid begaan onderweg een lied te zingen, dat geen twijfel liet, of ze behoorden tot de secte der Wederdoopers. Een reiziger heeft enkele klanken opgevangen en spoedig is zijn besluit genomen. De 50 Carolusguldens9), die op het aanbrengen van een ketter gesteld zijn, wil hij verdienen. Als de vrouwen, waarvan de jongste met een knaapje op den arm, zich na eenig oponthoud in de stad, te voet naar de Delftsche schuit begeven, snelt hij naar den Baljuw Minnebeek, wien hij zijn ontdekking mededeelt. Enkele „rakkers” worden den verklikker medegegeven en weldra zijn de beide weerlooze, doodelijk verschrikte vrouwen aangehouden. Nog denzelfden avond worden ze ten huize van den baljuw, voor dezen en de vier schepenen geleid. Daar hooren wij de ondervraging, de namen en ook de bekentenis, dat zij tot de gehate secte behooren. De oudste is Christina Michiel Barents uit Leuven, oud 50 jaar, de jongste Anneken Jans uit den Briel, 28 jaar oud. In plaats door ontkenning te trachten haar leven te redden, bekennen zij onbeschroomd tot de Wederdoopers te behooren. Met geestdrift, die haar rechters niet kunnen begrijpen, roept de jongste der vrouwen uit: „Gij hoort het, wij bekennen ons geloof, omdat het geen misdaad is, maar een eeuwige eere, dat men wordt waardig gekeurd om de martelkroon te dragen ter eere Gods, tot verheerlijking van dien Heer, die in der Eeuwigheid woont, Wiens oogen ons gadeslaan en Die ons roept tot een oordeel der wereld en tot Zijnen en onze glorie, Amen”.

Thans is haar vonnis geveld. Ze zullen beiden den waterdood sterven.

Een maand is voorbijgegaan. Het is de 23ste Januari 1539 en het uur der voltrekking van het vonnis heeft geslagen. Beide vrouwen zullen verdronken worden buiten het Hofpoortje, waar de Rotte en Schie te zamen vloeien10). Naargeestig luidt de klok op dien somberen Januarimorgen. Bleek en verzwakt, de hoofden ontbloot, in het grauwe gewaad der boetelingen, de verkleumde handen wringende in doodelijken angst, treden ze nader. Achter haar loopen de beul en zijn knechten, niets dragende dan twee zakken en eenige koorden.

De beul is gekleed in den bloedrooden mantel en heeft een witte twijg in de hand: het symbool der gerechtigheid.

Daar achter treden eenige geestelijken, die de ter dood veroordeelden straks woorden van moed en troost zullen toespreken, en baljuw en schepenen, allen plechtig in het zwart gekleed.

Zoo treedt de droeve stoet den Oppert in, omstuwd door een groote menigte, die getuige wil zijn van de terechtstelling. Hier en daar hooren wij een afkeurend gemompel tegen de goddelooze ketters11), maar ook treffen ons oor uitingen van medelijden met de twee ongelukkigen, die, ten doode gedoemd, zich met wankelende schreden naar haar kille graf voortsleepen. Vooral de jongste wekt het medelijden op. Haar kind, een knaapje van nog geen twee jaren, houdt ze krampachtig in de armen gekneld. Met smeekenden blik keert ze zich tot de burgers en roept: „Goede lieden, in den naam Gods en ons aller Verlosser, op Wiens genade ik hoop, maak mij het sterven licht door dit arm, onschuldig kind tot u te nemen en op te voeden, in eere en in de vreeze Gods! Dit geld, alles wat ik nog bezit, zij het uwe, en Gods zegen zal er op rusten en uw werk is welgevallig in Zijn oog! Mannen, vrouwen, moeders als ik, moet ik dan sterven, sterven en mijn kind nalaten in handen van hen, die wellicht den zoon van de wederdoopster zullen mishandelen en haten om mijnentwil. Genade alleen voor hem; dit geld is toereikend voor zijn onderhoud! Is er dan niemand onder u allen? niemand! niemand! O mijn God, dit is de zwaarste beproeving!——de zwaarste!”

Iedereen is diep bewogen, maar geen arm strekt zich uit naar het hulpeloos jongske. Zou er dan niemand zijn, die den moed heeft het kind van een kettersche tot zich te nemen en daarmee zich aan het gevaar bloot te stellen, zelf voor een afvallige te worden aangezien?

„Daar drong een man de drommen door, Een schaamle bakkersknecht; Hij gaf zijn hart alleen gehoor En stapte voor 't geregt. Dit bloedje heeft geen maag of vrind; Ik ben niet rijk, maar geef mij 't kind, Vijf spruiten schonk mijn Machteld mij, Daar kan een zesde bij”!

Het gelaat van de ter dood veroordeelde moeder wordt door een laatsten vreugdeblos overtogen. Nog eens kust ze hartstochtelijk het weenende knaapje en geeft het daarna over aan den menschlievenden bakker, zeggende: „O, dat loone u God, brave man! volg mij, tot daar, dáár”!

Anneken Jans reikt haar kind over aan bakker De Lint. Anneken Jans reikt haar kind over aan bakker De Lint.
(vergroting: 1193×958, 197kb)

En voort gaat de droeve stoet weer, het Hofpoortje uit. De schuit, die de vrouwen tot midden op het water zal brengen, ligt reeds gereed. Christina Barents wordt er opgebracht; de beul werpt haar een wijden zak over het hoofd en bindt dezen dicht. De beulsknechten doen hun plicht.... een kreet weerklinkt, een doffe plomp en de ongelukkige heeft haar straf ondergaan.

Thans is het de beurt van Anneken Jans. Nogmaals drukt de moeder haar lieveling aan het hart. Ze is gereed haar vonnis te ondergaan. Maar wat is dat? Vanwaar dat gekraak en angstgegil? Het brugje buiten de poort, propvol met nieuwsgierigen, is bezweken en een aantal menschen spartelt in den vloed.

„Men zegt, schoon wij 't met geen bewijzen kunnen staven, Dat hij, die Anna Jans verklikte en bragt in lij, Ook bij de aenschouwers was, en eer verdronk dan zij”.

Zouden Anneken Jans, de toeschouwers en de rechters, er geen teeken in zien van Gods toorn, dat men daar twee vrouwen ter dood brengt, wier grootste overtreding bestaat in het dienen van God op een andere wijze, dan volgens de wetten geoorloofd is? De rechters zeker niet, want geen genade wordt verleend. Nog eenmaal omhelst Anneken haar lieveling, daarna geeft ze hem aan zijn pleegvader. „Neem dit kind, zijn naam is Esaias, voedt het op in den naam des Vaders, des Zoons en des Heiligen geestes, Amen”! Het zijn haar laatste woorden,—weldra is zij haar geloofsgenoote in den dood gevolgd.


Tegen den avond werden de beide vrouwen uit het water opgehaald en op het kerkhof aan het Roodezand begraven. Voor ter dood gebrachten en zelfmoordenaars was geen plaats in den gewijden grond rondom de St. Laurenskerk.

De bakker, De Lint genaamd, die in zijn edelmoedigheid het hulpeloos knaapje tot zich had genomen, zag zijn goede daad beloond. Zijn zaak nam van jaar tot jaar in bloei toe en de man, die eertijds met moeite zijn brood kon verdienen, liet bij zijn dood een aanzienlijke erfenis na12).

En het kind! Het had een gelukkiger leven dan zijn moeder. Esaias Arentsz. de Lint werd een welgesteld man en mocht zich in later jaren zoo in het aanzien zijner medeburgers verheugen, dat hij Burgemeester werd van de stad, waar zijn moeder was terechtgesteld. Moge hij zich in deze waardigheid verdraagzamer hebben betoond, dan zij, die zijn moeder hadden gerecht. Hij zal er haar gedachtenis het best door hebben kunnen eeren.


9) 1 Carolusgulden = ƒ 1,675.
10) Het tegenwoordige Hofplein, in 1829 gedempt.
11) Zoowel mannen als vrouwen werden ketters genoemd.
12) Volgens de overlevering woonde hij in de bakkerij, waar thans nog „In den Gloeienden oven” uithangt.

9. De Brand in 1563.

Het was Zaterdag 10 Juli 1563, omstreeks twee uur in den middag, dat er bij een kuiper in de Molensteeg brand uitbrak. De licht brandbare stoffen in de werkplaats gaven de ramp reeds van den aanvang af een ernstig aanzien. Hoe de meester en zijn gezellen, straks geholpen door de buren, al hun krachten inspanden het vernielend element te beteugelen, het mocht niet baten; zij stonden machteloos tegenover de hoog oplaaiende vlammen, die zich boven het West-Nieuwland verhieven. De toegesnelde mannen, die zich weldra met hun lederen emmers gewapend, dubbel hadden gerijd van de watertrappen aan de Grootemarkt tot de plaats des onheils, mochten zich weren zoo hard zij konden, mochten vliegensvlug de gevulde en weer geledigde emmers en ketels van hand tot hand doen gaan, de vlammen vonden een te willige prooi in de belendende gebouwen, werden te zeer aangewakkerd door den sterken zuidwestenwind, dan dat de strijd tusschen de twee elementen lang onbeslist kon blijven. Na zeer korten tijd stond de geheele steeg in lichtelaaie, kronkelden de lekkende vlammen om de houten huizen en de werkplaatsen, joeg een verstikkende rook over het oostelijk deel der stad, vlogen de brandende rietstengels hoog door de lucht, tot ze dwarrelend neervielen op de daken van de in de nabijheid staande woningen. Wel poogde men, door natte zeilen over de daken te leggen, den brand tot de steeg te beperken, maar vruchteloos; na korten tijd was het geheele West-Nieuwland, van Molensteeg tot Kolk één vlammenzee, die zich door niets liet stuiten, die voortrolde over de brug, welke naar den Rijstuin leidde, die de schepen in de Kolk aantastte en ze in rook deed opgaan, die zich wierp op Rijstuin en Hoofdsteeg, nieuw voedsel vond in Houttuin en Groenendaal, oversprong op Hoogstraat, Achterklooster en Goudsche Wagenstraat, om eindelijk in haar razenden loop bij de Hoenderbrug en Frankenstraat gestuit te worden.

Toen de avond daalde over het verwoeste stadsdeel, en de Julizon haar laatste stralen over het geteisterde Oosterkwartier wierp, bescheen ze één grooten puinhoop, waarover de mannen, vrouwen en kinderen als verwezen rondliepen en naar de verkoolde overblijfselen hunner dierbaren zochten; die in één dag zich ontnomen zagen, waarvoor zij een menschenleven hadden moeten zwoegen; die zich enkele uren te voren nog hadden verheugd in het gelukkige bezit van een bloeiend bedrijf en nu niets meer het hunne konden noemen dan de rookende en smeulende massa daar voor hen.

Van de 1731 huizen, die Rotterdam toen telde, waren er 250 totaal verwoest, 700 zwaar beschadigd. De Waterpoort aan het eind der Hoofdsteeg, de Oost- en Goudsche Poort waren in vlammen opgegaan. Het Pesthuis, op het eind van de Goudsche Wagenstraat—waar nu het Gereformeerd Burgerweeshuis wordt aangetroffen—was, evenals het uitgestrekte Dominicanerklooster op het oosteinde der Hoogstraat, door het vernielend element verteerd. Zestig, meerendeels geladen, schepen in de Kolk, pottebakkerijen, lijnbanen, schuren en loodsen, waren een prooi der vlammen geworden. Daar men nog geen verzekering tegen brandschade kende, misten honderden alle middelen, zich nieuwe woonhuizen of werkplaatsen te bouwen of nieuwe gereedschappen aan te schaffen, om hun bedrijf weer te hervatten.

Is het te verwonderen, dat sommigen de stad verlieten, die hun lief was geworden, maar hun geen brood meer gaf; dat de nood hoog, de armoede groot was?

Filips II. Filips II.
(vergroting: 1428×1217, 250kb)

Gelukkig kwam er hulp en wel van den man, die later zooveel wee heeft gebracht over deze landen; van wien steeds zooveel kwaads en zoo bitter weinig goeds vernomen wordt. Wij Rotterdammers mogen zijn naam dan ook niet noemen, zonder met een gevoel van
dankbaarheid te gewagen van de helpende hand, ons toegestoken in de benauwde tijden na den brand.

Filips, onze landsheer, vaardigde nl. eenige besluiten uit, waarbij verordineerd werd, dat onze stad in geen 14 jaren eenige belasting aan hem behoefde op te brengen. Verder verleende hij aan ieder, die schulden bezat, het recht, de betaling hiervan vier jaren uit te stellen, terwijl zij, die iets misdreven hadden, kwijtschelding van straf verkregen, indien zij binnen vier jaar hun woning weer hadden opgebouwd, of verarmden stadgenooten bij den herbouw hunner verwoeste haardsteden hulp hadden verleend.

Onthieven de eerste twee bepalingen onze voorouders van groote zorgen, de laatste twee waren voor velen een prikkel om den herbouw spoediger aan te vangen en flinker door te zetten, dan anders zeker het geval zou geweest zijn.

De Stedelijke Regeering deed eveneens al wat in haar vermogen was, om de geleden schade te herstellen en zoo mogelijk een herhaling der ramp te voorkomen.

Het was toch immers ten duidelijkste gebleken, dat de hoofdoorzaak, waardoor de brand zoo'n omvang verkregen had, gezocht moest worden in de met riet gedekte houten huizen. Daarom werd nu door de Overheid de al te zeer verwaarloosde bepaling van het jaar 1558, waarbij het verboden was nieuwe huizen met riet te dekken of oude daken met riet te herstellen, opnieuw uitgevaardigd en—wat meer zegt—er werd streng de hand aangehouden. Zoodoende werden vele der nieuwgebouwde of herstelde woningen geheel of gedeeltelijk van steen opgetrokken, terwijl zij alle van een hard dak voorzien werden. De kosten van dit laatste werden voor ⅓ deel door het stadsbestuur gedragen.

Doch men deed meer. De steeg van de Hoogstraat naar de Waterpoort, de tegenwoordige Hoofdsteeg, was zeer nauw. Van de gunstige gelegenheid maakte men nu gebruik ze te verwijden tot een straat, welke voor dien tijd als breed kon gelden. De drukke weg van en naar het Hoofd werd zoodoende zeer verbeterd. De nieuw opgetrokken woningen werden hier dus meer achterwaarts geplaatst. Het stadsbestuur had daartoe van Filips het recht verkregen om de strook grond, benoodigd om de straat te verbreeden, te onteigenen.

De opbouw van de stad ging echter niet zóó vlug, als men wel gehoopt en verwacht had. Vooral het volgend jaar was een tijd van kommer en gebrek, toen heerschte hier zeer groote armoede: de levensmiddelen waren schaarsch en dientengevolge duur, de verdiensten gering.

Weer was het de landsheer, die zijn onderdanen ter hulp kwam. Hij schonk Rotterdam het privilegie om ieder jaar een ledermarkt te mogen houden. Dit voorrecht, dat in gewone omstandigheden vaak met goud werd betaald, bracht dagen lang een bonte mengeling van kooplustige vreemdelingen in de stad, gaf leven en vertier, werk en brood.

Ware het niet, dat zoo spoedig na 1563 de tachtigjarige oorlog een aanvang genomen had, wellicht dat Rotterdam zich spoediger had hersteld van den toegebrachten slag, dan nu het geval was.


10. Rotterdam onder het Spaansche Juk.

Wat al nare en bange dagen Sleet zij, toen de Spaensche Vorst 't Wraekzwaerdt zette op Hollands borst! Wat verdroeg ze al harde slagen Onder Alvaes tiranny! Toen Bossu haar kwam bespringen, En met scherpgewette klingen, Woedde op hare Burgerij.

Wij kennen allen de monumentale fontein op de Nieuwemarkt. Bezien we deze nader, dan lezen wij de volgende opschriften: Ter Herinnering aan de feestviering van 1 April 1872–1 April 1572. Het morgenrood der vrijheid—Onthuld 22 October 1874—

Den Briel ontrukt aan Spanje Behouden door Oranje.

Het statige, uit zandsteen gehouwen vrouwenbeeld, dat het geheel kroont, stelt de Nederlandsche Maagd voor. Zij rust met de hand op een speer, waarop de vrijheidshoed prijkt. De hoeken zijn versierd met vier staande leeuwtjes, die als schildhouders dienst doen. Daaronder zien we vier mannenfiguren, voorstellende: een Batavier, een Poorter, een krijgsman en een zegelbewaarder13). De hardsteenen kom, die het water opvangt van twee zwanen en twee dolfijnen, voltooit het geheel. Ge wist het al wel en anders vertellen de opschriften het u zeer duidelijk, dat dit monument daar is geplaatst als een herinnering aan een der roemruchtigste gebeurtenissen uit onze heldenhistorie: de inneming van den Briel door de Watergeuzen.

Waarom heeft men dit gedenkteeken nu juist in Rotterdam opgericht? Heeft onze stad dan wat met de inneming van den Briel te maken gehad?

Zeer zeker, en niet weinig ook. De Rotterdamsche burgerij, die in 1872, bij het driehonderdjarig herdenken van dit overbekende wapenfeit zoo duchtig heeft feest gevierd, had daarvoor in 1572 al zeer weinig reden. Gloorde voor de Brielenaren de dageraad, voor de Rotterdammers werd het donkere nacht; zal de daad der Watergeuzen menig dankgebed in de St. Catharinakerk hebben doen opgaan, de St. Laurens zal de stille getuige geweest zijn van menige smeekbede om verlossing; zal de grijze steenklomp aan den Maasmond met vreugde en trots de wapperende Oranjekleur aan land en zee hebben vertoond, onze oude toren zal met smart en tegenzin de Spaansche kleuren hebben gedragen. En wij willen hopen voor de jubelende Rotterdammers uit 1872, dat er ook onder hen zijn geweest, die zich een oogenblik aan de feestvierende menigte hebben onttrokken en met eenigen weemoed de voorvaderen hebben herdacht, die in 1572 door de handen der moord- en plunderzieke Spanjaarden zijn gevallen.

Den 1sten April 1572 was den Briel door de Watergeuzen ingenomen. Zoodra Bossu, stadhouder van Holland, van de Rotterdamsche burgemeesters deze tijding in den Haag ontving, spoedde hij zich naar Maaslandsluis (Maassluis). Hier trok hij zijn troepen te zamen, stak den Maasmond over14) en landde in de Bornesse, tusschen Voorne en Putten. Onder bewaking van een geringe krijgsmacht liet hij de transportschepen daar achter en rukte zelf op den Briel aan. Krachtig tastte hij de stad aan en het scheen, dat de Spanjaarden overwinnaars zouden blijven in den strijd. Daar veranderden echter de oorlogskansen: de Geuzen hadden een bondgenoot gekregen in het bruisende water, dat den polder, waarin gestreden werd, binnenstroomde. Rochus Meeuwiszoon, een Brielsch timmerman, had al zwemmende, onder een regen van musketschoten, de Nieuwlandsche sluis weten te bereiken en open te hakken, zoodat het terrein van den strijd geheel onder water kwam te staan. Toen bovendien de slecht bewaakte transportschepen door de Watergeuzen in brand waren gestoken of tot zinken gebracht, oordeelde Bossu het maar het verstandigst het beleg op te breken en de stad voorloopig in handen der Watergeuzen te laten.

Hoezee! Behouden was den Briel, Door Rochus Meeuwisz. trouwe. Hij was er een met hart en ziel Voor Willem van Nassouwe. Wie ooit op Neêrlands vrijheid roem' Zorg' dat hij Rochus Meeuwisz. noem.

Waar moest hij nu echter heen? De weg over den Maasmond was voor hem zoo goed als afgesloten. Al had hij schepen kunnen bemachtigen, dan toch zou de overtocht te gevaarlijk geweest zijn, daar de „Piraten” met hun vlugge zeilers de geheele Maas bestreken. Van den nood een deugd makende, besloot hij daarom oostwaarts op Dordrecht aan te trekken. Voor deze stad gekomen, vonden de Spanjaarden echter de poorten gesloten, en hoe mooi Bossu ook praatte, ze bleven dicht; men verkoos het ruwe krijgsvolk niet binnen zijn muren te ontvangen. Het eenige, wat de verbolgen Bossu wist te verkrijgen, was, dat Dordrecht hem de transportschepen leverde, waarmede de troepen verder vervoerd zouden kunnen worden. Het lag in de bedoeling van den stadhouder met deze schepen weer naar Maassluis te stevenen. Dicht bij Rotterdam gekomen, vernam hij echter, dat de Watergeuzen Delfshaven hadden bezet, zoodat hij wel genoodzaakt was van plan te veranderen. Voor Kralingen liet hij dan ook landen en ontscheepte zijn troepen aan den Honingerdijk.

Het was in den avond van den 8sten April, dus pas een week na de inname van den Briel, toen Bossu zich met zijn mannen voor de Oostpoort vertoonde en verlangde binnengelaten te worden, om—zoo hij zeide—met zijn manschappen weer door de Delftsche Poort de stad te verlaten. Aan Bossu zelf werd toegang verleend. Burgemeesteren en Vroedschap ontvingen hem op het Raadhuis, waar hij zijn verzoek om doortocht herhaalde. Bevreesd voor Alva's toorn, indien men niet aan het verzoek van den stadhouder voldeed, was het stadsbestuur aan de andere zijde toch ook weer niet erg geneigd de poorten voor de Spanjaarden te openen, daar het vreesde, dat deze, als ze eenmaal in de stad waren, ze niet zoo spoedig zouden verlaten, als wel door Bossu beloofd werd. Het is dan ook lang niet onmogelijk, dat de bestuurders onzer stad zich van de zaak wilden afmaken, door zich op de vijandig gezinde menigte te beroepen, die aan de Oostpoort was saamgestroomd en met geweld wilde beletten, dat de poort geopend werd. Hoe het zij, de troepen werden niet toegelaten en moesten den nacht in de open lucht doorbrengen. Het eenige, wat het stadsbestuur deed, was den soldaten voedsel en bier verstrekken.

De troep van Bossu dringen Rotterdam binnen, 9 April 1572. De troep van Bossu dringen Rotterdam binnen, 9 April 1572.
(Reproductie van één der Schoolplaten voor de Vaderlandsche Geschiedenis.—De Jongh en Wagenvoort.)
(vergroting: 1779×1202, 260kb)

Den volgenden dag, nadat Bossu nog eens sterk op opening der poort heeft aangedrongen en nadat de Pastoor der St. Laurenskerk, Duifhuis, de menigte voor de poort kalmeerend heeft toegesproken, besluit men eindelijk de Spanjaarden door te laten. Met rotten van 25 man zullen ze worden toegelaten, mits de lonten gedoofd en de musketten naar beneden gericht zijn. Pas is de brug neergelaten en de poort geopend, of het krijgsvolk dringt in grooter getal naar binnen dan als voorwaarde is gesteld. De smid Zwart Jan, die met anderen de wacht houdt, maakt Bossu hierop opmerkzaam. De trotsche edelman, in woede ontstoken over deze terechtwijzing van een geminachten poorter, bijt hem toe: „Het voegt u niet, 's konings krijgslieden te tellen”. Gelijktijdig heft hij zijn zwaard en slaat daarmede in de richting van Zwart Jan. Deze weet den slag echter te ontwijken en valt nu op den Graaf
aan, die ten tweedenmale naar den smid slaat en hem nu zoodanig treft, dat deze machteloos ter aarde zinkt. Een musketkogel treft hem ter zelfder tijd in de borst en Rotterdam telt een plichtvol burger minder.

Daar zwom hij in zijn heldenbloed, Vertrapt door 't woedend rot, En gaf, gelijk een held het doet, Zijn vrome ziel aan God.

Deze korte strijd is het sein voor een algemeenen aanval op de burgerwacht. De bakker Jan Dominicuszoon heeft met anderen weldra het lot van zijn wapenbroeder gedeeld.

En woedende om den wederstand, Met bloedig moordtuig in de hand, Stoof heel het bent de stadspoort binnen.
In Duizend Vreezen. In Duizend Vreezen.
(vergroting: 1134×1696, 264kb)

Joelende en tierende gaat het naar de Grootemarkt, waar de Spaansche vlag wordt geplant. Wie tegenstand biedt, wordt gedood. De Delftsche poort, verdedigd onder den oud-burgemeester Jan Jacobsz. Roos, die eveneens met velen zijner getrouwen het leven laat, is ook weldra in het bezit der Spanjaarden, die nu heer en meester zijn in de stad. Schrikkelijk houden ze thans huis. Mannen, vrouwen en kinderen, het moet alles nu boeten voor de aanvankelijke weigering om de Spanjaarden binnen te laten. Velen verbergen zich voor de moord- en plunderzieke bende. Een huis op den hoek van het Hang biedt een schuilplaats aan enkele familieleden en vrienden. Om het den schijn te geven, of de woning reeds doorzocht is en er dus geen buit meer te behalen valt, heeft de bewoner de deurpost
met bloed besmeerd. De list gelukt en een ander huis wordt binnengeloopen en geplunderd, maar niet voor men den weerloozen bewoner uit het hoekhuis aan zijn been in de deuropening heeft opgehangen en dit met een kogel heeft doorboord. Gelukkig werd de man nog intijds gered; hoewel hij zijn geheele leven kreupel bleef, genas hij van zijn wonden.

in duizend vreezen De zinnebeeldige voorstelling op den steen is niet met zekerheid bekend. Het is waarschijnlijk, dat we in het Lam de Republiek te zien hebben, die van alle zijden door gevaren—de roofdieren—wordt bedreigd. In de twee mannen zouden dan het Staatsche en Spaansche leger verpersoonlijkt zijn.
(vergroting: 838×675, 97kb)

Op de plaats, waar dit huis stond, bouwde men in 1594 een nieuw pand. Als herinnering aan de angstige oogenblikken, die de in den kelder verscholen vluchtelingen doorgebracht hadden, metselde men in den gevel een steen, met het opschrift: „In Duizend Vreezen”.

Het oude huisje met het aantrekkelijk oud-Hollandsche trapgeveltje, waarvan nog een model in het Museum van Oudheden te zien is, werd later afgebroken en in nieuwerwetschen stijl herbouwd, maar toch draagt het nog steeds den naam, „In Duizend Vreezen”.

Niet alleen, dat de Spanjaarden hun woede koelden tegen de levenden, ook het levenlooze moest het ontgelden. Erasmus, toen nog van steen, werd beschoten, verminkt, en in het Steiger geworpen.

Hoewel Bossu zelf den 22sten April Rotterdam reeds weer verliet, bleven de Spaansche troepen hier tot 22 Juli, toen ze door Alva naar het Zuiden werden ontboden. Een zucht van verlichting zal onze stad geslaakt hebben, toen de poort gesloten werd achter de muitzieke bende, die voor haar vertrek nog, hoewel gelukkig vergeefs, getracht had, de stad in vlammen te doen opgaan. Is het te verwonderen, dat het volgend jaar, toen door den Prins hulp werd gevraagd om Haarlem te ontzetten, vele stadgenooten, onder wie ook de latere beroemde Oldenbarnevelt, optrokken; dat ze in 1574 zonder morren hun stad voor een deel onder water zagen zetten, toen dit door de in den Maasdijk gemaakte gaten binnenstroomde? De herinnering aan de ondervonden behandeling van de dienaren was niet van dien aard, om de trouw aan den meester te versterken. Rotterdam koos de zijde van den opstand. Men richtte zelfs het oude Agnietenklooster aan de Botersloot—ter plaatse waar nu de Nieuwemarkt gevonden wordt—in, als tijdelijke woonplaats voor den Prins van Oranje.

Is het te begrijpen, dat men juist dezen historischen grond, bij de Prinsenkerk en Prinsenstraat, de eer waardig keurde, de monumentale fontein te dragen?

Als ge door de Oostpoort gaat, bezie dan af en toe eens den steen, daar ingemetseld als herinnering aan het verblijf der Spanjaarden, lees het opschrift en verwijl in uw geest een korte pooze bij mannen als Zwart Jan en Jan Dominicuszoon.


13) Een zegelbewaarder was een der hoogste ambtenaren, aan wien de bewaring van het Staatszegel was toevertrouwd en die de stukken van den Staat uitgaande, moest zegelen.
14) Rozenburg bestond nog niet.

11. Rotterdam vergroot naar de Maas.

„Daar hij15) slib en slijk weleer Uit zijn kill' plagt op te lossen, Ziet hij nu de speelkarossen Daeglijks rijden ginds en weer”.

Na het vertrek van Bossu met zijn soldaten heeft Rotterdam de Spanjaarden gelukkig niet meer binnen zijn muren gezien. Na het ontzet van Leiden in 1574 werd het oorlogstooneel, dat steeds in de Noordelijke Nederlanden geweest was, zuidelijker verplaatst.

In twee opzichten is dit voor de Noordelijke steden—ook voor Rotterdam—van groot belang geweest.

Nu toch konden handel, scheepvaart en industrie, die voor een goed deel verloopen waren, zich weer herstellen van de toegebrachte slagen. Dank zij de inspanning en volharding onzer voorouders merken we dan ook ± 1600 in haast alle steden—en niet het minst in onze stad—een wederopbloei van deze middelen van bestaan. Weldra heerschte er in de koopsteden een betrekkelijke welvaart, zooals men die vóór den oorlog niet had gekend.

Middellijk had hiertoe de oorlog zelf mede geholpen.

Het verblijf van de Spanjaarden in de Zuidelijke Nederlanden toch, deed een groot aantal kooplieden en handwerkslieden die gewesten ontvluchten en zich in de groote steden in Noord-Nederland vestigen. Na de Spaansche Furie in 1576 en vooral na den val van Antwerpen in 1585, kwamen velen uit deze en andere Belgische steden naar ons land. Middelburg, destijds een flinke koopstad, zag op deze wijze in drie jaar tijd zijn bevolking met 2700 nijvere burgers vermeerderen. De toeloop in Rotterdam was niet zóó groot, maar toch kwamen er hier ook heel wat, zoo bv. in 1584 vijftig weversgezinnen. Het stadsbestuur zag zulke gasten gaarne komen. Zij verstonden—en in den regel goed—een ambacht, brachten op deze wijze nieuwe industrieën in de stad en daardoor leven en vertier, werk en brood.

Het gevolg van dezen toevloed van nieuwe bewoners was al heel spoedig een te kort aan woningen, zoodat men alle nog beschikbare ruimten ging bebouwen.

In dien tijd zijn toen een groot aantal huisjes verrezen tusschen Goudschesingel, Goudsche Wagenstraat, Kipsloot en Pannekoekstraat. Bijkans dit geheele stuk was nog onbebouwd en in gebruik als boomgaard, weiland en lijnbanen. Langs de talrijke slootjes, die dit terrein doorsneden, bouwde men in smalle, donkere straatjes, huizen, die natuurlijk erg vochtig en ongezond moesten zijn.

Hier en daar bracht men, op erg ondiepe bouwterreinen, de huizen met den achterkant zelfs tot aan het water. Voorbeelden van deze bouworde kunnen we nog heden ten dage zien aan het Hang en de Weste-Wagenstraat.

Niet alleen dat er gebrek aan huizen ontstond, men kreeg evenzoo een te kort aan werkplaatsen, pakhuizen en havenruimte. Daarom ging men er toe over de stad uit te breiden en wel naar den waterkant, dus naar de Maaszijde. De Blaak en de Nieuwe Haven waren de stadsgrachten; daar voor strekte zich een groot terrein uit, rivierslib, door de Maas zelf gedurende eeuwen daar neergelegd. Dit gors of slik werd opgehoogd, omdat het veel te laag en moerassig was, om, zooals het daar lag, in gebruik te worden genomen. Den grond voor deze ophooging verkreeg men, doordat men tegelijk havens ging graven. Zoo ontstonden: Haringvliet, Buizengat, Leuvehaven, waarvoor men de Leuve alleen had uit te diepen en te verbreeden, Glashaven, Bierhaven, Wijnhaven en Scheepmakershaven16).

De namen dezer havens duiden al aan, waarvoor ze voornamelijk dienden, òf waar de Rotterdammers hun bestaan in vonden. De wijnhandel en de bierbrouwerij waren van zoo groote beteekenis, dat er twee havens naar werden genoemd. Twee andere herinneren ons aan de visscherij; de Scheepmakershaven aan de scheepsindustrie. De Glashaven verkreeg haar naam, omdat het eerste gebouw aan deze haven een glashuis of glasblazerij was.

Om de stad, die nu tot aan de Maas gebracht was, te versterken, werden er verschillende bolwerken gemaakt. Deze zijn thans al lang verdwenen, maar het tegenwoordige Bolwerk duidt nog aan, waar één er van gelegen heeft. Achter de Scheepmakershaven bouwde men langs de Maas een muur. Hier zou dus het landen voor vijandelijke schepen al heel gemakkelijk gemaakt zijn. Dit was echter niet de bedoeling en daarom werden er langs de geheele Maaszijde, op een afstand van eenige Meters, palen in de Maas geslagen, die dus als verdedigingsmiddel bedoeld waren.

De Boompjes, met het Oost-Indisch huis op den voorgrond. De Boompjes, met het Oost-Indisch huis op den voorgrond.
(vergroting: 1191×1023, 217kb)

De werven, die aan de Scheepmakershaven ontstonden, lieten tusschen deze en de Maas nog een breede strook grond open. Hier werden door het Stadsbestuur drie rijen lindeboomen geplant (later vervangen door twee rijen olmen), die aan deze wandelplaats, want dit werd het, den naam Boompjes gegeven hebben. Daar kon men in de 17de eeuw, op zomersche dagen, wanneer de brandende zon den geheelen dag had gelaaid en gestoofd en de sloppen en stegen tot ovens had gestookt, de Rotterdammers, zoowel rijken als armen, verkwikking en verpoozing zien zoeken in het frissche rivierwindje en den heerlijken aanblik, die de zacht deinende Maas met haar langzaam naar den mond der Oude- of Leuvehaven voortglijdende schepen aanbood.

Om den toegang tot deze havens te beschermen, werden er vier poorten gebouwd. Die aan de oostzijde van de Oudehaven werd de mooiste. Ze is later bekend geworden als de Oude Hoofdpoort en gebleven tot 1856, toen dit kunstwerk, daar men het voor het verkeer hinderlijk achtte, onder sloopershanden is gevallen. Modellen in het Museum van Oudheden vertellen ons thans nog, hoe de Rotterdamsche poorten er hebben uitgezien.

De Oude Hoofdpoort van de Maaszijde gezien. De Oude Hoofdpoort van de Maaszijde gezien.
Het scheepje, dat als windwijzer dienst doet, wordt in het Museum van Oudheden bewaard. Het gat in het zeil is door een in 1830 naar België vertrekkenden schutter daarin geschoten.
(vergroting: 1700×1187, 230kb)


Des nachts werd de toegang tot de haven tusschen de twee poorten afgesloten door een zwaren balk, met stevige ijzeren punten bezet.

Aan de westzijde der Leuvehaven werd de stad eveneens uitgelegd. De Coolsingel werd als Schiedamschesingel tot in de Maas verlengd. Aan dezen nieuwen Singel werden twee bolwerken gebouwd. Eén ervan lag ter plaatse, waar de Singel de bocht maakt naar het Vasteland. Ook moest de Schiedamsche Poort, die op het begin van den Schiedamschedijk stond, verplaatst worden. Ze werd op het Vasteland gebouwd en kreeg om haar kleur den naam van Roodepoort. Tusschen den Coolsingel en den Schiedamschesingel kwam ten slotte de Binnenwegsche Poort, die toegang tot den Binnenweg gaf.

Dit alles was voor dien tijd een reuzenwerk, dat jaren tijds en schatten gelds kostte. Dat men het noodig oordeelde en durfde ondernemen, is wel het beste bewijs voor de welvaart, die hier heerschte; den sterken vooruitgang, dien men verwachtte; den grooten ondernemingsgeest en den ver vooruitzienden blik, dien onze Vroedschap bezat; want ge begrijpt wel, dat die havens zich niet als door een tooverslag vulden, dat de kaden niet direct geheel en al bebouwd werden. Dit ging geleidelijk. Woonhuizen hebben zelfs in dit stadsdeel lang op zich laten wachten. Maar een glasblazerij, pottebakkerijen, bierbrouwerijen, touwbanen, scheepswerven, met daartusschen pakhuizen voor de koopmansgoederen—ze verrezen tamelijk spoedig.

Een schrijver uit dien tijd, die al die veranderingen heeft zien worden, noemde het dan ook bijkans een wonder, dat geschied was.

En de nog onbebouwde gedeelten zouden zich vullen in de eeuw, die men was ingetreden, die voor geheel ons land, voornamelijk voor de groote steden en zeker niet het minst voor Rotterdam in zooveel opzichten is geworden de „Gouden Eeuw”.


15) De Rotte.
16) Zie het kaartje op pag. 31.

12. Een wandeling door Rotterdam. (± 1600)

I.

Laten wij thans in gedachten eens een wandeling door Rotterdam maken. Stellen we ons daarbij voor, dat wij de stad van de zijde van Delft naderen.

In de verte zien we reeds den grijzen kolossus, den toren van de St. Laurenskerk, zich statig verheffen boven de stadsmuren, die zich flauw tegen den horizon afteekenen. We loopen langs de Westzijde der Schie tot bij de Waelheul, waar een cirkelvormig terrein, door een muur en boomgewas aan het gezicht onttrokken, onze aandacht vraagt. Het is het Galgenveld. Daarbinnen is de driehoekige galg opgericht. Ze bestaat uit drie arduinsteenen pilaren, van boven door ijzeren bouten verbonden en met leeuwen versierd. Het steenen poortje in zijn groenwitte stadskleur geeft toegang tot deze plaats der gerechtigheid. Gehangen te worden tusschen hemel en aarde is een veel voorkomende straf. De executie zelf wordt, daar ze als afschrikwekkend voorbeeld bedoeld is, in het publiek, op het schavot achter het stadhuis voltrokken. Daarna wordt het ontzielde lichaam naar het Galgenveld vervoerd om aan de vertering te worden prijsgegeven en tot voedsel te dienen voor de vogelen des hemels. Schrikkelijk nietwaar! En toch is deze straf, hoewel zeer onteerend, nog niet de onmenschelijkste. Nog in 1567 heeft een valsche munter zich hooren veroordeelen om levend gekookt te worden! We gruwen reeds als we het „Sensentie”- of Strafboek doorbladeren en lezen van straffen als levend begraven, verdrinken, de tong doorboren met een gloeiende priem enz.

Zorg dan ook maar niet tegen de „keuren” te zondigen, als wij straks de stad binnentreden. De „Schout en zijn rakkers” zouden u spoedig voor de „Schepenen” leiden en deze weten u de bekentenis wel te ontlokken; gaat het niet goedschiks, dan zal een scherpe „examinatie” op de pijnbank u de tong wel los maken. Wees vooral nooit weerspannig tegen het gerecht, want dan haalt ge u zeker een strenge straf op den hals. In 1542 werd Digna Mercelisdochter, die van de Overheid kwaad gesproken had, veroordeeld om acht uren te pronk te staan. Bovendien werd haar een stuk van de kwaadsprekende tong afgesneden. Twee jaar later zag Jacob Hasepoot wegens bedreiging van een stedelijk ambtenaar zich tot een dergelijke straf veroordeeld. Hem werd een puntig ijzer door de tong gestoken, terwijl hij in geen twee jaar de stad mocht verlaten of een herberg bezoeken. Geeselen en brandmerken zijn ook veel voorkomende straffen. Daar men nog geen gevangenisstraf kent, loopt men al tamelijk spoedig een geeseling op. Ze kan zijn: „simpel, strengelijck” of „tot bloedens toe”.


Veel ziet ge hier aan de Schiekade niet. Waar ginds aan de Oostzijde die enkele woningen verrijzen, stond vóór 1426 het machtige slot Weena.

„Nu leydt dit Hoff Geheel tot stoff, En d'ouwe steenen Van Weena weenen”.

Ook aan de Westzijde merken we, behalve eenige watermolens, slechts één flink, groot gebouw op.

Wilt ge het binnentreden? Ge zoudt het niet doen, als ge wist, waarvoor het dient. Het is het Leprooshuis. De lijders aan melaatschheid—een Oostersche ziekte door de Kruisvaarders naar Europa overgebracht—worden hier verpleegd. Naar den Heiligen Lazarus, die ook aan deze ziekte geleden heeft, worden de gebouwen ook wel Lazarushuizen genoemd en daar het Latijnsche woord voor melaatschheid lepra is, staan ze algemeen bekend als Leprooshuizen.

Niet alleen Rotterdam heeft zoo'n ziekenhuis, in vele gemeenten treft men ze aan, evenals hier, buiten de stad, om zooveel mogelijk besmetting te voorkomen.

Het is een flink gebouw, het staat er reeds van vóór 1438 en is in 1580 geheel vernieuwd.

Ziet ge ginds uit de richting van de stad dien man aankomen? Het is een der lepralijders. Daar ziet hij ons. Direct laat hij zijn lazarusklep hooren, om ons te waarschuwen. Hier op de Schiekade, waar weinig menschen loopen, had hij zijn vermoeide hand, die in de stad de klep voortdurend in beweging moest houden, wat rust gegund. Houd maar op, arme man, uw „swarte hoet, bekleet met eenen witten bant” vertellen ons toch wel, dat gij door de vreeselijke ziekte zijt aangetast en een aalmoes zullen wij u niet onthouden.

Daar komen uit de richting van het gebouw twee personen, waarvan de een geen spoor van de vreeselijke ziekte vertoont. Zeker een chirurgijn, meent ge? Neen, het is een „provenier” of „kostkooper”. Hij heeft zich, door zijn geheele bezitting aan de inrichting te schenken, voor zijn geheele verdere leven een tehuis verzekerd in een deel van het gebouw, dat geheel gescheiden is van het eigenlijke Leprooshuis. Daar het aantal lijders aan Lepra gelukkig voortdurend afneemt, is het gebouw te groot geworden. Laten wij hopen, dat het nog eenmaal in zijn geheel tot Proveniershuis ingericht kan worden17).

En die andere man met dat wit geschilderde bordje op borst en rug? Hij draagt een bus en een langen stok met een netje er aan in de hand. Tast maar in den zak en offer voor de arme zieken den duit, dien de „klapknecht” ons komt vragen.

Let nu eens op de Marktschuit, die uit de richting van Delft komt aanvaren. Ziet ge, wat de schipper
doet? Hij werpt een bosje stroo in de Schie en het goed gedresseerde hondje van den klapknecht is reeds te water gesprongen om het in den bek te nemen en aan zijn meester te brengen, die er binnenin een kleine gave vindt.


De Delftsche- of St. Jorispoort. De Delftsche- of St. Jorispoort.
(vergroting: 1693×1188, 262kb)

Maar laat ons verder gaan, we hebben in de stad nog heel wat te bekijken.

Hier staan we voor de Delftsche- of St. Jorispoort. Ze heet naar den St. Joris-Doelen aan de Spuivaart (thans de Doele aan het Haagsche Veer), waar de voetboogschutters te zamen komen om zich te oefenen. Straks zullen wij het gebouw zien. Bekijken we thans de poort eens aandachtig. Ziet ge daar aan de voorzijde en in de hoogte dien man te paard afgebeeld? Het stelt St. Joris voor, den draak bevechtende. Stevig ziet het gebouw er uit, hè? Dat mag ook wel, want in tijden van belegering moet het een stootje kunnen verdragen. De neergelaten brug verleent ons den toegang tot de stad. Nà zonsondergang is het niet zoo gemakkelijk in de stad te komen. Als de „poortklok” geluid heeft, is het zaak, spoedig binnen te zijn, want dan wordt de brug opgehaald, de zware met ijzer beslagen deuren worden gesloten en niemand kan meer in of uit de stad. Als ge een stadgenoot zijt, kunt ge, als ge poortgeld betaalt, nog binnen komen, maar anders moet ge, niettegenstaande al uw bidden en smeeken, den nacht buiten doorbrengen. Wilt ge dan beproeven om door de Schiedamsche-, Goudsche of Oostpoort de stad te betreden? Het zou u niet baten. Ook deze zijn gesloten en de poortwachters laten u evenmin binnen. De gracht overvaren? En hoe woudt ge dan dien steilen muur beklimmen, die de geheele stad omringt en aan het oog der wachters ontsnappen, die in de torens op deze muren voor de veiligheid hunner medeburgers zorgen?

Zelfs bij vorst zou het u niet gelukken binnen te komen. Zoodra de stadsbode, op een horen blazende, door de stad gaat, begeven de „Schuitenvoerders”, „Waagdragers” en „Turfdragers” zich naar de vesten om het ijs stuk te hakken. Dat geeft dubbele veiligheid, zoowel tegen ongewenscht bezoek als bij brand.

Op het oogenblik echter ligt de weg voor ons open en wij kunnen ons gerust in de stad wagen. Het gerecht behoeven wij niet te vreezen: wij zijn geen bannelingen, die bij ontdekking gevaar loopen de rechterhand te verliezen.

Hier ziet gij het gebouw, waarover wij zoo even reeds spraken: den St. Joris-Doelen. Veertig mannen komen hier te zamen om zich te oefenen in het schieten met den voetboog. Ze vormen met de handboogschutters, die St.-Sebastiaan tot schutspatroon hebben gekozen en die hun Doele vroeger in de Lombardstraat hadden, de twee schuttersgilden.

Waarom ze „schutters” heeten? Ze moeten de stad in tijden van nood beschutten, d. i. beschermen. Geen wonder dus, dat het Stadsbestuur deze vereenigingen op hoogen prijs stelt. Vooral het St. Jorisgilde mag zich in de gunst verheugen. De Zilveren St. Joris kan er van getuigen. Het is een „giftbrief”, reeds ± 1422 door de Overheid aan het gilde geschonken. Deze kostbare brief wordt in een zilveren doos bewaard, vandaar den naam van Zilveren St. Joris. Heel wat voorrechten zijn de vereeniging geschonken. Hoor maar eens. Het gilde zal genieten:

1º. van elk Hollandsch pond visch, dat verkocht wordt, 8 penningen;

2º. het vischrecht in de Schie en de Stadsvesten;

3º. 16 penningen peesgeld voor elken schutter, die buiten de Vest dienst doet;

4º. een mengsel Rijnschen wijn per man op St. Maartenavond (11 November);

5º. vrijdom van accijns voor den wijn en het bier, die verbruikt worden bij het schieten naar den papegaai tusschen 1 Mei en 24 Juni.

Tegenover deze voorrechten staan ook eenige verplichtingen voor het gilde, waartoe het een eer gerekend wordt, te behooren:

ten 1e moeten de leden zich oefenen in het schieten, van den eersten Zondag in April tot 1 November. Wie zonder geldige reden verzuimt, beloopt een boete van 4 „schellingen”. Is deze boete den derden dag niet aangezuiverd, dan moet de gestrafte voor iederen dag, dien hij te laat betaalt, 1000 baksteenen leveren voor den kerkbouw;

ten 2e hebben alle leden zich te voorzien van een wapenrok of „caproen”;

ten 3e behooren ze op Sacramentsdag (d. i. de Donderdag volgende op den Zondag na Paschen) bij de „processie” in den optocht te zijn.

Nu wij het toch over de gilden hebben, willen wij, al voortwandelende, u nog wat over de ambachtsgilden vertellen.

Dit zijn vereenigingen van menschen, die hetzelfde vak of bedrijf uitoefenen. Zoo hebben we hier in Rotterdam gilden van: bakkers, brouwers, wevers, timmerlieden, metselaars, wapensmeden, harnasmakers, schilders, kleer- en schoenmakers, chirurgijns, naaisters en nog meer andere. Ge zoudt geen beroep kunnen opnoemen, waarvan geen gilde bestaat. Alle hebben hun eigen „deken” en „hoofdlieden”, die hun vaste „kamerdagen” in hun gildehuis houden.

De bazen of „meesters” zijn de leden van het gilde. Meen niet, dat elkeen maar opgenomen wordt in de vereeniging. Iedere „leerling” moet eerst zijn „proefstuk” leveren, dat door de overlieden gekeurd wordt. Wàt streng wordt er gekeken. Is het niet in orde, hij moet nog maar eens terugkomen. Voldoet het aan de eischen, dan krijgt hij zijn getuigschrift als „gezel”. Wil de gezel meester worden, dan moet hij ook daarvoor een proeve van bekwaamheid afleggen.

Iedere week houdt het bestuur een „kamerzitting”, waar zoowel de meesters als de gezellen en de leerlingen met klachten kunnen komen, die dan door deken en overlieden worden onderzocht.

De jaarlijksche bijdragen of „jaarzangen” aan de „gildekas” worden in de stevige ijzeren „gildekist” bewaard. De „gildeknecht” bewoont het huis; tot meerdere veiligheid hebben de meesten hunner zich een „gildehond” aangeschaft.

De gilden staan onder streng toezicht van het bestuur der stad, die ze heel wat verplichtingen heeft opgelegd. Zoo moeten b.v. de bakkers aan elk brood een teeken aanbrengen en wel aan een brood van 1 penning één stip, van 2 penningen twee stippen enz. Elke week moet in de kerk afgelezen worden, wat het brood zal kosten. Er mag alleen overdag en niet in woonhuizen gebakken worden. Wil iemand leeren bakken, dan moet hij twee pond was voor het altaar der kerk geven18). Wil de gezel meester worden, dan dient hij allereerst een getuigschrift over te leggen, dat hij twee jaar in het bakkersbedrijf werkzaam geweest is. Daarna wordt hij tot het proefstuk toegelaten, waarvoor hij negen gulden moet betalen. Zijn proef bestaat in het bakken van een tarwe-, een rogge- en een wittebrood in een oven, die met rijs heetgemaakt is.


Al pratende en wandelende zijn we door de St. Jacobstraat in den Oppert gekomen.

Laten wij hier onze aandacht eens aan de huizen schenken. Let allereerst eens op de gevels. Van sommige woningen loopen zij spits toe, andere hebben een trapgevel. De ramen zijn klein, de in lood gevatte ruitjes evenzoo. Geen wonder, dat er niet veel licht naar binnen valt. En dat weinige licht wordt nog onderschept door de overal uitstekende luifels. Waarvoor die dienen hebt ge waarschijnlijk reeds opgemerkt. De gildebroeders verrichten er hun werkzaamheden onder. En de talrijke pothuizen voor de woningen, die de toch al niet breede straat nog meer vernauwen? Gluur maar eens naar binnen en ge zult een schoenmaker, kleermaker of blikslager aan den arbeid zien. IJverig zijn ze bezig tot zonsondergang toe. Dan is het werken gedaan; bij het zwakke kunstlicht gaat het slecht en ze zouden bovendien nog maar een boete oploopen. Ge moet nl. weten, dat de Overheid, om het brandgevaar te verminderen, bepaald heeft, dat er alleen bij daglicht gewerkt mag worden. Zoodra dan ook de schemering valt, wordt de arbeid gestaakt, men verpoost zich wat en houdt een buurpraatje op de houten of steenen bank, die terzijde van de stoep aan vele woningen aangebracht is, waarna het niet lang duurt, of allen begeven zich ter ruste, om den volgenden morgen met het krieken van den dag de taak weer te hervatten.

Daar komt een knaap ons al zoekende te gemoet. Hij vraagt iets aan een voorbijganger. „O, moet ge in „het blaauwe Schaep” zijn, zegt deze, „dat is verderop, dicht bij „De Roode Hant”. Ge staat verbaasd te kijken van een „blauw schaap” en een „roode hand”. Wat zegt ge dan wel van „de Vergulde Besem”, de „Drie Swerte Verkens”, „'t Blaaeuwe en Roo Paert”, of „de Blaauwe Arent” en „Blaauwe Voet”? Wilt ge die rariteiten zien? Nu, daar is gelegenheid te over voor. Ge hebt op de verdere wandeling maar naar de gevels der huizen te kijken. Om de gebouwen uit elkaar te houden, hebben de meeste een uithangteeken of een gevelsteen, al of niet voorzien van een òp- of onderschrift. Het „blaauwe Schaep”, waar de knaap moet wezen, is een lakenververij, waar grootendeels blaauw laken gemaakt wordt. Lijkt de naam nu nog zoo dwaas? Van deze lakenververijen treft men er nog al wat aan in den Oppert. In de winkels, waar deze veel gedragen stof verkocht wordt, „hangt bijna overal het laken uit” en wel bij voorkeur dat, waarin het meest handel wordt gedreven. Zoo zijn er hier in de stad nog: „het Blaauwe Laken”, „het Carmozijnrood Laken”, „het Goude Laken”, „het Zwarte, Groene, Witte en Gele Laken”, „het Spaansche Laken” en „het Wit Engelsch Laken”. Of al die kleuren gedragen worden? Ja zeker, maar zwart en blauw toch het meest. Dat is de dracht der poorters. Voor een gulden of acht is er al een heel goed lakenpak te verkrijgen. Daar moet een handwerksman een vijftal weken voor werken, want die verdient een stuiver of 5 per dag. Eén geluk, hij behoeft zich niet dikwijls in het nieuw te steken! Aan mode stoort hij zich niet, en onze lakenwevers verstaan hun ambacht zoo goed, dat de stof haast onverslijtbaar is.

Als iemand zich van echt Leidsch laken Een mooijen bruigomsrok liet maken, Zijn zoon had levenslang daaraan Een Zondagskleed om uit te gaan. De kleinzoon kon weêr, al zijn dagen, Dienzelfden rok als weekpak dragen, En de achterkleinzoon kreeg op 't lest Een buis en broek nog uit de rest; En dan—dat mogt eerst laken heeten, Was hij er uitgegroeid, eer 't pak nog was versleten!

II.

Wat is het hier in den Oppert morsig. De regen der laatste dagen heeft de straat in een waren modderpoel herschapen. Ons schoeisel ziet er dan ook fraai uit! Al tien keer zeker hebben wij in zoo'n verraderlijk met water gevulden kuil gestapt. Die poorter daar voor ons is er beter achter. Hij heeft plankjes met rolletjes onder de schoenen. Dat loopt wel niet zoo gemakkelijk, maar nu spaart hij ten minste zijn met mooie figuren bestikte „snavel- of puntschoenen”. Zoo fraai uitgedost zijn echter alleen de zeer aanzienlijke poorters. Misschien is hij wel een der leden van de vroedschap! Ziet gij wel dien langen „tabberd”, met wijde mouwen en bont omzoomd, over het zijden onderkleed en zijn „toppermuts” met kleurigen zijden „lamfer”? De „joffer”, die daar juist de deur uitkomt, behoort zeer zeker tot de deftige poorteressen. Haar hoofddeksel of „tuit” is van duur Kamerijksch doek vervaardigd, de sluier, die tot over de schouders valt en in een punt eindigt, is van fijne kant vervaardigd. Het satijnen, laag uitgesneden „keurs” is met gouddraad bestikt. Daarvan zien we echter niet veel, want het tot op den grond hangende overkleed bedekt het bijna geheel en al. Aan één zijde is het kleed echter opgenomen en nu zien we ook de „hulse” of rok en de puntschoentjes met kleine hakjes. Het is de joffer zeker te vuil op straat om te loopen, ze neemt ten minste plaats in een draagkoetsje.

Het drietal, dat ge ginds ziet aankomen, is heel wat eenvoudiger gekleed. De man met wijde „hozen”, wollen buis en muts is waarschijnlijk een schipper; de ander heeft een rok tot aan de knieën reikend, die door een gordel om het middel wordt gesloten. Zijn mantel of „kovel” heeft hij thuis gelaten, zoodat wij zeer goed kunnen zien, dat kousen en broek uit één stuk zijn vervaardigd. De vrouw, die in hun gezelschap is, schijnt ook tot den minderen poortersstand te behooren. Voor tuit heeft zij een gewoon linnen doek om het hoofd, terwijl haar kort jak en lange rok eveneens van eenvoudige stof en snit zijn.

De woning, die ze binnengaan, is nog met riet gedekt. Zoo zijn er nog heel wat in de stad. De huizen, na den brand in 1563 gebouwd of vernieuwd, hebben echter alle een pannen dak. Hebt ge ook wel opgemerkt, dat de woningen lang niet overal tegen elkaar aan staan? Hier en daar liggen nog groote, onbebouwde stukken, die als weiland of tuin in gebruik zijn.


Nu staan we voor de Groote Kerk, het hoogste en grootste gebouw uit de stad. Zooals ge ziet, wordt het terrein rondom de kerk voor begraafplaats gebruikt. De rijken vinden hun laatste rustplaats in de kerk, de gewone burgers rònd het bedehuis. Men zal echter weldra naar een andere begraafplaats moeten omzien: er dreigt gebrek aan ruimte te ontstaan.

De Binnenrotte (18de eeuw). De Binnenrotte (18de eeuw).
(vergroting: 1782×1042, 263kb)

De kruisvormige gedaante der kerk vertelt ons, dat ze oorspronkelijk voor den Roomsch-Katholieken eeredienst gebouwd is. Sinds 1572 is ze door de Protestanten in gebruik genomen. Aan den buitenkant is dat niet te zien, wel als wij de kerk binnentreden. De
altaren, ook die van de gilden, waarvan de voornaamste hun eigen kapel bezaten, zijn weggenomen, evenals de mooie beelden en schilderijen, die het gebouw vroeger sierden. Gelukkig, dat de beeldenstorm, die zooveel schoons heeft vernield of beschadigd, hier niet gewoed heeft. Wel hebben er eenige onregelmatigheden plaats gegrepen en heeft een zekere Snap het gewaagd zich aan een Christusbeeld te vergrijpen—voor welke daad hij onthalsd is—maar de eigenlijke storm is Rotterdam voorbijgegaan.

Gezicht op de Oudehaven en de stad in de 17de eeuw. Gezicht op de Oudehaven en de stad in de 17de eeuw.
(vergroting: 1783×1048, 277kb)

Verlaten wij het bedehuis, dat ons, ontdaan van zijn tooi, wel wat leeg en somber lijkt en begeven wij ons door de Wijde Kerkstraat langs het geboortehuis van Erasmus naar de Hoogstraat. Nu, die draagt haar naam niet ten onrechte. Hoog ligt ze. Zie maar eens, hoe hellend de Kerkstraat loopt. Geen wonder ook. We staan thans op een deel van den langen zeedijk, die vroeger de Maas moest keeren. Het is het oudste en hoogste deel van Rotterdam. Gaan we nu het „Merctveld” over. Dit is eigenlijk een steenen brug over het Steiger gebouwd. Erasmus staat vlak aan het water, met zijn gelaat naar de Markt gekeerd. Loopen we het West-Nieuwland over langs de Kolk, dan zien wij op het einde, dicht aan de Blaak een der bekendste stadstorens. Menigeen heeft reeds in dezen „Blauwen toren” angstige uren doorgebracht, voor hij zich door de „schepenen” zijn vonnis hoorde aanzeggen. Rechts ervoor, over de Blaak, ligt de lange Gapersbrug. We zullen ze niet overgaan. Aan den overkant is nog niet veel meer te zien dan enkele scheepstimmerwerven. Slaan we liever linksom over
de Draaibrug. Wat een mooi gezicht hebben wij hier. Vòòr ons de Oudehaven, met aan het eind de fraaie Hoofdpoort; het gebouw met het sierlijke torentje op den hoek van het Haringvliet is de pas voltooide Koopmansbeurs; achter ons zien we de Kolk, waarin de Zeeuwsche schepen een ligplaats gevonden hebben. Daar komt juist de Dordtsche Marktschuit de Oudehaven binnenglijden. Dat gaat vlot genoeg, want de zware boom, met dikke ijzeren punten bezet, ligt tegen den wal. 's Nachts echter sluit deze de haven af en een knappe schipper, die dan de stad binnen komt. Het schijnt, dat de schuit vlak op onze brug komt aanvaren. Dat zal stukken geven. Laten wij vlug maken, dat we er afkomen. Heb maar geen nood. Let eens op, hoe de handige schipper hem dat levert. Hij weet zijn schuit precies de richting te geven, die zij hebben moet, zoodat de mast tegen het middelste deel van de brug stuit. Dit stuk biedt wel eenigen weerstand, doordat het verzwaard is door een bak met steenen, die er onder aanhangt, maar toch draait het onder den uitgeoefenden druk mee en het schip vaart met staanden mast door de nu ontstane opening. Wijd is deze niet en menige rappe gast springt er dan ook maar overheen, als de brug, nadat er een schip is doorgevaren, nog niet goed gesloten is. Want de schipper draait ze wel open, maar het sluiten laat hij in den regel aan de voetgangers over. Daar het draaibare deel lang niet de volle breedte van de brug inneemt, is het duidelijk, dat ze niet voor voertuigen gebruikt kan worden. Ook kruiwagens en andere smalle vervoermiddelen
mogen echter niet over de brug: ze is alleen voor voetgangers bestemd.

Grondkaart of plattegrond van de erven bij den Blauwen Toren, door Simon Dammasz. van Dueren, landmeter. (No. 2 uit het Kaartenboek der Gemeente Rotterdam, 1578.) Grondkaart of plattegrond van de erven bij den Blauwen Toren, door Simon Dammasz. van Dueren, landmeter.
(No. 2 uit het Kaartenboek der Gemeente Rotterdam, 1578.)
(vergroting: 1808×1363, 220kb)

We staan voor de Hoofdsteeg. Deze is heel wat breeder dan een 50 jaar geleden. Toen was het werkelijk een steeg, thans kan ze met de flinkste straten wedijveren. Laten wij nu linksaf slaan en den Rijstuin doorgaan. Veel huizen treffen wij hier nog niet aan. De rijswerkers oefenen er hun bedrijf uit en hebben binnen een afgesloten ruimte hun opslagplaats van rijshout. Willen de gildebroeders hun waar aan den man brengen, dan behoeven zij niet ver te loopen. De Mandenmakersbrug19) is hun marktplaats. Ze is wel niet groot, maar in ieder geval breeder dan de meeste straten met de grachten midden in. Dat de markt juist hier is, is geen toeval. Een „keur” uit ± 1420 bepaalt nl., dat er alleen mandenwerk verkocht mag worden op den marktdag in het Oost-Nieuwland en anders ieder voor zijn eigen deur.

Nu staan we weer op de Hoogstraat en hebben het Stadhuis met zijn aardig torentje voor ons. De verguld koperen windwijzer in den vorm van een haringbuis of „bun” zegt ons, dat de haringvisscherij voor de Rotterdammers van groot belang is. De ruimte onder den toren wordt als gevangenis gebruikt. Als men van iemand zegt: „Hij zit in de bun”, wees dan verzekerd, dat hij goed opgeborgen is. Wanneer ge het Stadhuis
door den hoofdingang wilt binnentreden, dient ge het bordes van twintig trappen te beklimmen. De twee opzittende leeuwen aan weerszijden houden, zooals ge reeds opgemerkt zult hebben, het stadswapen. Behalve als Raadhuis en Gevangenis dient het gebouw ook tot Vleeschhal en Waag. Nog veel vroeger was het zelfs Gasthuis. De zieken en zwakken hebben echter plaats moeten maken voor de Vroedschap.

Het Stadhuis aan de voorzijde in de 17de eeuw. Het Stadhuis aan de voorzijde in de 17de eeuw.
(vergroting: 1584×1188, 338kb)

Gaan we door de Waagstraat (thans Stadhuissteeg) naar de achterzijde van het gebouw.

We staan op de Huibrug, zoo genoemd omdat volgens een keur uit ± 1420 hier de huidenmarkt gehouden moest worden. De eertijds houten brug is nu al veel verbreed en heeft thans meer van een plein. Soms kan het hier stampvol staan; dan verdringen de poorters zich langs Kipsloot en Botersloot. Hier wordt nl. het schavot opgeslagen, wanneer er een terechtstelling plaats zal vinden. Op het balcon aan het Stadhuis nemen dan de rechters plaats. Ook dient dit tot afkondiging van belangrijke mededeelingen. Boven het balcon ziet ge twee staande leeuwen, die het stadswapen dragen. We lezen het onderschrift: „Ik, oprechtheid sterk U, Bedieningen en wijze raad geven sterkte. O, Rotterdam! Uw recht groent als een laurier”. En daar geheel in de hoogte, op den top van den gevel staat de Gerechtigheid. In de eene hand draagt ze de weegschaal, in de andere het zwaard. Ze is geblinddoekt, want zonder onderscheid des persoons dient ze recht te spreken.

Langs de Botersloot gaande, staan we weldra voor
het Prinsenhof. Dit gebouw is oorspronkelijk een nonnenklooster geweest. De zusters van St. Agnes, naar haar kleeding ook Grauwe Zusters genoemd, hadden er kort na 1400 reeds haar woning, die na dien tijd zeer vergroot is.

Het Prinsenhof. Het Admiraliteitsjacht ligt voor den hoofdingang. Het Prinsenhof.
Het Admiraliteitsjacht ligt voor den hoofdingang.
(vergroting: 1771×1195, 281kb)

Na de Hervorming was het echter met den bloei der kloosters gedaan. Ook het St. Agnietenklooster verminderde zeer in bewoonsters. In 1575 werd dan ook reeds een groot deel van het gebouw tot andere doeleinden in gebruik genomen. Sommige vertrekken werden ingericht tot logement voor den Prins van Oranje, als deze in de stad vertoefde, andere tot woning van den pensionaris der stad. Oldenbarnevelt, die van 1576 tot 1586 deze betrekking heeft bekleed, had hier zijn woonplaats. Sinds 1593 zijn de overgebleven nonnen in het Gasthuis ondergebracht en hebben de Heeren van de Admiraliteit van de Maze hun kantoor in het Prinsenhof. Zij zijn de bestuurders van het deel der vloot, dat in Rotterdam thuis behoort.

Johan van Oldenbarnevelt. Johan van Oldenbarnevelt.
(vergroting: 1188×1452, 217kb)

Behalve dit klooster heeft Rotterdam nog andere binnen zijn muren gekend.

In 1441 werd het Cellebroedersklooster aan de Delftsche Vaart, dicht bij de Kerk gevestigd. De Cellebroeders waren zeer godvruchtig en leidden een sober bestaan.

Ze wijdden zich aan het verplegen van zieken en het afleggen en begraven van dooden, die zij zingende ten grave droegen, waarom zij ook wel „Lollaerts” werden genoemd. Vooral bij het heerschen van een besmettelijke ziekte, zooals pokken en pest, waren de
Cellebroeders20) goud waard. Waar soms het geheele gezin door de vreeselijke ziekte was aangetast, waar niemand de besmette woning durfde betreden, daar gingen de Cellebroerkens binnen, en al konden zij geen genezing brengen, ze gaven tenminste troost en verlichting van lijden en zorgden voor een Christelijke begrafenis van de gestorvenen. In hun stemmig zwarte kleeding liepen zij barrevoets rond; daarom werden ze ook wel Zwarte monniken of Barrevoeters geheeten.

Nog van een ander mannenklooster willen wij u wat mededeelen.

Keeren we daartoe langs de Botersloot en de Kipsloot terug. We zijn in de Oostwagenstraat21), zoo genoemd, omdat hier het Goudsche Wagenveer afrijdt. Volgen we de helling naar den dijk en slaan wij linksom naar het Oosteinde der Hoogstraat. Ook hier heeft een klooster gestaan. Het was dat van de Predikheeren of Dominicanen. Deze vrome heeren kwamen reeds in het begin der 15de eeuw in Rotterdam prediken. Hun eerste gebouw, een schenking van een godsdienstig poorter, stond in de Lombardstraat. Het aantal monniken nam echter dermate toe, dat men reeds in 1444 er toe overging hier op het Oosteinde een klooster te bouwen. Het bevatte meer dan honderd cellen voor de kloosterlingen, die lang zoo sober niet leefden als de Cellebroeders. Zij zagen dan ook niet, zooals deze ongeletterde monniken, altijd maar weer smart en ellende rondom zich. Hun aandacht en bemoeiingen betroffen meer de levenden. Wie behoefte gevoelde aan een geestelijk woord, hij trad de prachtige kapel der „heeren” binnen om straks, gesterkt door de gehoorde „preek”, weer aan den arbeid te gaan. Vele der Dominicanen wijdden zich aan de studie. Zij waren de dragers der wetenschap; de geleerden, die boeken schreven en versierden met prachtige gouden en zilveren letters. Anderen onderwezen de zonen der rijke poorters of arbeidden in den grooten kloostertuin, die zich ver tot over de Achterkloostergracht uitstrekte.

Bij den brand in 1563 is ook dit klooster voor het grootste deel vernield. Twee jaar later is het gedeeltelijk opgebouwd en weer door de monniken in gebruik genomen. Thans echter doet het dienst als Gasthuis. Nadat het Stadhuis geheel door de Vroedschap in gebruik was genomen, is dit ziekenhuis ondergebracht aan de Kipsloot, sinds 1575 in het oude Predikheerenklooster.

Nog andere inrichtingen van liefdadigheid vinden we op dit deel der Hoogstraat.

Het Heilige Geesthuis of Oudemannenhuis, een stichting van Aelwijn Floriszoon van der Meer, biedt een onderkomen aan XIII ouden van dagen, waarom ze ook wel „de kamer van XIII” genoemd wordt. Het is geen toeval, dat de inrichting juist aan een dertiental een onderkomen biedt. Met opzet is dit aantal vastgesteld, als een herinnering aan Jezus en zijn 12 discipelen.

Behalve deze dertien, die een te huis vinden in het gebouw, verschaft de stichting nog aan velen onderstand in den vorm van brood, turf, enz. De bedeelden dragen een penning, waarop een duif is afgebeeld, het zinnebeeld van den Heiligen Geest, „van den geest des vredes en der liefde, het schoonste beeld van een weldoend, zachtaardig Christendom”.

Kaatje. Een verpleegde uit het Oudevrouwenhuis op de Hoogstraat. Kaatje.
Een verpleegde uit het Oudevrouwenhuis op de Hoogstraat.
(vergroting: 807×1427, 137kb)

Naast een Oudemannenhuis is er ook een Oudevrouwenhuis. Dit staat in de Lombardstraat22).

Waarvoor dient dat nieuwe gebouw naast het Gasthuis? Laten wij maar eens nader treden en het opschrift op dien ingemetselden steen lezen:

„In 't jaer 1599, sonder confuis, Heeft Jan Claessoen den eersten steen gelegt van dit Huis”.

Dat zegt ons nog niet veel. Misschien geeft het opschrift op dien anderen steen meer licht.

„De Heeren van de Stadt hebben bedogt Dit Huis te bouwen Voor Mans en Vrouwen Die met de gave Godts sullen werden besocht”.

Onwillekeurig deinzen wij een schrede terug, nu we begrijpen, dat wij voor het Pesthuis staan. Toch behoeven wij niet bang te zijn voor besmetting. De „Zwarte dood” heerscht thans niet in de stad. Nog maar enkele jaren geleden23) heeft de „pestilentie” echter op een vreeselijke wijze gewoed. Honderden zijn er aan gestorven. Om de besmetting tegen te gaan, verordineerde het Stadsbestuur toen, dat op marktdagen niet in den namiddag zou
begraven worden en dat er geen vrouwen mede ter begrafenis mochten gaan. Gelukkig is thans de ziekte weer geweken en wordt het gebouw op het oogenblik alleen gebruikt als Dolhuis. De „dollen” of krankzinnigen worden er verpleegd, vandaar dat de inrichting den dubbelen naam van Pest- en Dolhuis draagt. Bij de laatste epidemie is echter de wenschelijkheid gebleken van een afzonderlijk gebouw voor de zinneloozen. Men heeft er dan ook reeds over gedacht naast het Pesthuis afzonderlijke Dolhuisjes te bouwen. Vóór 1598 was het Pesthuis op het eind van de Oostwagenstraat bij de Goudsche Poort, in het vroegere vrouwenklooster van St. Anna. Thans is daarin het Weeshuis gevestigd, dat eertijds in de Weste Wagenstraat en nog vroeger op de Hoogstraat, tegenover deze straat stond24).

En hiermede zullen wij onze wandeling maar eindigen. Nog veel meer zou er in de stad te bezien zijn, doch het merkwaardigste hebben we bekeken.

Laten wij van onzen vermoeienden tocht wat uitrusten en ons verfrisschen in de taveerne „de Vergulde Valk” daar vlak bij ons, om daarna de stad te verlaten. Het zal toch zoo heel lang niet meer duren, dat de poortklok geluid wordt en dan—ge weet het—wordt de poort gesloten.


17) Dit is in de 17de eeuw ook werkelijk gebeurd.
18) Deze laatste bepaling zal zeker wel niet langer dan tot 1572 van kracht geweest zijn. Toen immers ging de kerk aan de Hervormden over.
19) Deze brug kreeg later den naam van Hoenderbrug, omdat de Hoendermarkt er op gehouden werd. Ze verbond de Hoofdsteeg met de Korte Hoofdsteeg. Door de demping van het Middensteiger en Boerensteiger is zij verdwenen.
20) Celle = Graf.
21) De tegenwoordige Goudsche Wagenstraat.
22) In 1622 werd het eveneens naar het Oosteinde der Hoogstraat overgebracht.
23) In 1602 en 1603 woedde de pest hier vreeselijk.
24) Waar nu de Weezenstraat is.

INHOUD.

Blz.
1. De Wilde Venen 5
2. De hooge zeedijk. Jong Rotterdam 11
3. Van dorp tot stad 23
4. De Jonker Fransenoorlog 32
5. De St. Laurenskerk 50
6. Een ramp op de Maas 62
7. Erasmus 65
8. Anneken Jans 72
9. De Brand in 1563 79
10. Rotterdam onder het Spaansche Juk 85
11. Rotterdam vergroot naar de Maas 95
12. Een wandeling door Rotterdam (± 1600) 102

UITGAVE VAN J. B. WOLTERS TE GRONINGEN.
PLATEN-ATLAS
VOOR DE VADERLANDSCHE GESCHIEDENIS,
ten dienste van het Gymnasiaal en Middelbaar
Onderwijs, Kweekscholen en Normaallessen,
DOOR
Dr. A. J. VAN DER MEULEN,
met medewerking van
M. TEN BOUWHUYS.
Prijs, gecartonneerd ƒ 1,90.

Geen ouderwetsche historieprenten bevat deze atlas, sprekend alleen van 'n woeste „histoire de bataille”, maar 'n volledige cultuurgeschiedenis. Van den ruwen steenen beitel uit de vroegste beschavingsperiode voert ons deze platen-serie geleidelijk naar de koene evoluties van den vliegenier Jan Olieslagers te Rotterdam in den zomer van 1910.

De voortschrijdende ontwikkelingsgang van schier vijftig eeuwen op 't gebied van techniek en beschaving ligt daartusschen.

Deze keurbundel historieplaten, 150 bladz. met 356 afbeeldingen op zwaar kunstdrukpapier, met titelplaat en twee reproducties in kleurendruk verdient 'n plaats niet slechts op de inrichtingen van onderwijs, maar in elk ontwikkeld gezin. Den luttelen prijs is hij driedubbel waard.

En wie hem koopt, zal zich niet teleurgesteld vinden.

Het Katholieke Schoolblad, 8 Juni 1911.


Wij hebben hier nu eens een uitgave die we onvoorwaardelijk kunnen aanbevelen.

Deze atlas moet een uitnemend leermiddel zijn in handen van den onderwijzer, die bedreven is in het teekenen. Daar is overvloed van materiaal om de geschiedenisles te illustreeren met teekeningen op het bord. Indien 't nog eens zoover komt, dat de onderwijzer geheel van en voor de school kan leven, dan zal deze atlas tevens de stof leveren voor een serie historieplaten, die hij bewerkt speciaal voor zijn school. Want zoo ver moet het komen.

Intusschen bevelen we dezen atlas aan bij de studie geschiedenis voor onderwijzers- en hoofdakte, voor Gymnasiaal en Middelbaar onderwijs.

School met den Bijbel, 23 Juni 1911.

UITGAVE VAN J. B. WOLTERS TE GRONINGEN.

UITGAVEN VAN J. B. WOLTERS TE GRONINGEN.
SCHOOLPLATEN
VOOR DE VADERLANDSCHE GESCHIEDENIS,
DOOR
J. W. DE JONGH en H. WAGENVOORT.
NAAR OORSPRONKELIJKE AQUARELLEN VAN
J. Hoynck van Papendrecht, Gerard van Hove, J. H. Isings Jr.,
C. Jetses, J. H. Jurres, G. Westerman, J. J. R. de Wetstein Pfister.
(Grootte 84 bij 110 cM.).
Prijs per plaat met geïllustreerde toelichting ƒ 1,90
Opgeplakt op zwaar carton 2,30
Geïllustreerde toelichting afzonderlijk 0,25
Verschenen de eerste serie:
1.
De Romeinen in ons land. (Een nederzetting bij een vesting).
2.
De troepen van Bossu dringen Rotterdam binnen, 9 April 1572.
3.
Een vergadering van de Nationale Synode te Dordrecht, 1619.
4.
Ter Walvischvaart.
5.
Hollandsche Infanterie bij de bruggen over de Berezina, 1812.
6.
De verovering van Tjakranegara op Lombok, 1894.
Ter perse de tweede serie:
7.
Aan het Hof van Karel den Grooten.
8.
Ter Kruisvaart.
9.
Floris V door de Edelen omgebracht.
10.
Belegering van een Kasteel. (Het Huis te Voorst, 1362).
11.
De Prins trekt over de Maas, 1568.
12.
De Prins van Oranje aan het hoofd van de Nationale Militie bij Quatre-Bras, 16 Juni 1815.
In voorbereiding de derde en vierde serie.
Februari 1911.
UITGAVEN VAN J. B. WOLTERS TE GRONINGEN.

Overzicht aangebrachte correcties

De volgende correcties zijn aangebracht in de tekst:

Plaats Bron Correctie
Blz. 3 welwillendendheid welwillendheid
Blz. 6 hetwater het water
Blz. 18 [Niet in Bron.] .
Blz. 43 [Niet in Bron.] .
Blz. 47 ! ?
Blz. 66 [Niet in Bron.] ,
Blz. 78 [Niet in Bron.] .
Blz. 112 [Niet in Bron.]
Blz. 112 [Niet in Bron.]
Blz. 113 . [Verwijderd.]
Blz. 113 [Niet in Bron.] ,
Blz. 117 [Niet in Bron.] .
Blz. 120 hij bij
Blz. 127 mannenkloosters mannenklooster
Blz. 129 (voetnoot) oosteinde Oosteinde
Blz. 131 overgedacht over gedacht

				


				


				

				

				

Hellenica World

Index